CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2822 03. Ruimtelijke onderbouwing (GRO), inclusief bijlagen

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor de Triadome locatie.32.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In onderstaand figuur is de parkeervraagberekening conform het gemeentelijke parkeerbeleid opgenomen. Aangezien er ruimte is voor 120 parkeerplaatsen in de halfverdiepte parkeergarage en de bewoners beschikken over een totale parkeervraag van afgerond 125 parkeerplaatsen, dient een deel van de bewoners van de koopappartementen buiten op maaiveld te parkeren. Ondanks de 59 parkeerplaatsen op maaiveld is er sprake van een tekort. Het maatgevende moment is de zaterdagavond met een tekort van 8 parkeerplaatsen. Figuur 17. Uitsnede rapportage Goudappel.

De locatie Triadome ligt gunstig ten opzichte van voorzieningen en andere modaliteiten (bus, tram, metro). De locatie ligt dicht bij de voorzieningen in het Damcentrum (circa 2 minuten fietsen), ligt circa 8 minuten fietsen vanaf de ‘Mall of the Netherlands’ en er zijn verschillende openbaarvervoerstations/-halten op loop- en fietsafstand van de ontwikkellocatie gelegen:   

bushalten (lijnen 45 en 46) op 6 minuten loopafstand; tramhalte Oosteinde op 7 minuten loopafstand; station Leidschendam-Voorburg (RandstadRail-station) op 4 minuten fietsafstand.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 45

De locatie is dus bij uitstek geschikt voor bewoners die minder gebruik willen maken van de auto. Of die door de gunstige ligging geen tweede auto aanschaffen. Figuur 18. Loop- en fietsafstanden vanaf Triadome naar voorzieningen in de omgeving.

Wanneer woningen primair interessant zijn voor een doelgroep die beschikt over een lager autobezit, volgt dat de parkeerbehoefte van die doelgroep ook lager dan gemiddeld is. Kijkend naar de CBS-gegevens over autobezit naar type huishouden blijkt dat het type huishouden veel invloed heeft op het autobezit. De gemeentelijke parkeernormen van Leidschendam-Voorburg zijn ingedeeld op typologie en prijs (goedkoop, midden en duur). In een woning die in de categorie ‘goedkoop’ valt, kunnen dus allerlei doelgroepen wonen. Dat kunnen bijvoorbeeld gezinnen zijn, maar ook een 1-persoonshuishouden. Het autobezit van die twee doelgroepen loopt zeer uiteen. Om hiermee rekening te houden, zijn parkeerkencijfers (van het CROW), en daarmee de parkeernormen (van de gemeente) gebaseerd op het autobezit van alle particuliere huishoudens. De woningen van Triadome zijn vanwege hun omvang en indeling echter aantrekkelijk voor specifieke doelgroepen. Zo zijn de appartementen met maximaal één slaapkamer met name aantrekkelijk voor 1persoonshuishoudens. In Nederland ligt het autobezit voor 1-persoons- huishoudens op 0,49 auto per huishouden. Dit komt overeen met het gemiddelde autobezit per persoon in Nederland. In de gemeente Leidschendam-Voorburg ligt het aandeel 1-persoonshuishoudens op 41%, waar dit in Nederland 38% van de totale particuliere huishoudens is.

Omdat de ontwikkeling van Triadome leidt tot het aantrekken van nieuwe huishoudens en het aandeel 1-persoonshuishoudens in de gemeente in lijn ligt met het landelijke aandeel, is het gemiddelde van Nederland toegepast, en niet ingezoomd tot gemeentelijk niveau. Daarnaast zijn appartementen met één tot twee slaapkamers aantrekkelijk voor 1- tot 2 persoonshuishoudens. Daarmee zullen deze woningen ook een parkeerbehoefte kennen die overeenkomt met deze doelgroepen. Het gewogen gemiddelde autobezit van alleenstaand (1-persoonshuishoudens) en samenwonenden (paren zonder kinderen) is 0,79 auto per huis-houden. In dit gewogen gemiddelde is conform de verdeling in Nederland rekening gehouden met 57% 1-persoonshuishoudens en 43% 2-

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 46

persoonshuishoudens. Dit komt overeen met de verdeling van beide doelgroepen in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Hier is 60% van de 1- en 2-persoonshuishoudens een 1-persoonshuishouden, 40% is een 2-persoonshuishouden. Wederom is het gemiddelde van Nederland gehanteerd, in verband met het aantrekken van nieuwe huishoudens door de ontwikkeling van Triadome. De Nota Parkeernormen van de gemeente Leidschendam-Voorburg biedt de mogelijkheid te zakken tot het minimum van de bandbreedte. De door Goudappel voorgestelde parkeernormen vallen binnen deze mogelijkheid. Dit leidt tot de in onderstaand figuur 19 weergegeven parkeervraagberekening. Figuur 19. Parkeervraagberekening Triadome conform de gemiddelde parkeernorm en de specifieke situatie.

Aangezien alle koopappartementen één parkeerplaats aangewezen krijgen in de parkeergarage, blijft de bewonersnorm van de ‘etage (goedkoop)’ op 1,0 in plaats van de berekende 0,9 parkeerplaats per woning. Ondanks de reductie op de woningen met één slaapkamer blijft er sprake van een tekort. Op de maatgevende zaterdagavond is er een tekort van 1 parkeerplaats. Deelmobiliteit Om in een deel van de automobiliteitsbehoefte van bewoners te voorzien en mee te gaan met de huidige wens van voornamelijk starters op de woningmarkt is initiatiefnemer voornemens om deelauto’s bij de ontwikkeling te stallen. Het uitgangspunt dat 1 deelauto 4 privéauto’s vervangt en er op de 30 huishoudens 1 deel-auto wordt geplaatst, resulteert in de in onderstaand figuur weergegeven parkeervraag.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 47

Figuur 20. Parkeervraagberekening Triadome na deelauto reductie.

Het maatgevende moment blijft de zaterdagavond. Nu is er echter sprake van een overschot van 8 parkeerplaatsen, in plaats van een tekort. Triadome beschikt over een sluitende parkeerbalans na het toepassen van een reductie naar het type huishouden en het plaatsen van 4 deelauto’s. In deze parkeerbalans is rekening gehouden met het feit dat de parkeergarage alleen beschikbaar is voor bewoners van Triadome en bij iedere koopwoning één parkeerplaats in de garage wordt mee verkocht. De overige (120 – 86 =) 34 parkeerplaatsen in de garage worden ook mee verkocht als tweede of derde parkeerplaats aan de duurdere appartementen, maar zijn wel vrij verhandelbaar onder de bewoners van Triadome wanneer een toekomstige bewoner niet over een tweede of derde auto beschikt. In dit geval is het mogelijk de desbetreffende parkeerplaats onderling te verkopen of te verhuren. De overige parkeervraag, waaronder die van de sociale huur en de bezoekers van de woningen, worden op het maaiveld parkeerterrein opgevangen. Fietsparkeernormen Ook fietsers hebben behoefte aan mogelijkheden om hun fiets veilig, gemakkelijk en ordelijk te kunnen parkeren. Om voorwaarden te scheppen zijn voor het fietsparkeren ook aparte normen gesteld, zoals weergegeven in onderstaand figuur. Binnen het plan wordt voorzien in de aanleg van 554 overdekte fietsparkeerplekken, waardoor wordt voldaan aan de geldende fietsnormen.

De fietsparkeerplekken zijn zowel door bewoners als door bezoekers te gebruiken en derhalve kan geconcludeerd worden dat voldoende fietsparkeervoorzieningen gerealiseerd worden. Figuur 21. Fietsparkeernormen.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 48

Verkeersgeneratie en ontsluiting Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW- publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij is uitgegaan van het gebied ‘rest bebouwde kom – zeer sterk stedelijk’. Onderstaand tabel betreft de toekomstige verkeersgeneratie op basis van de CROW-normering. Functie

Omvang

Kamers

Aantal

CROW-norm minimaal maximaal

Generatie minimaal - maximaal

Sociale huurappartement

< 65 m2

1 slaapkamer

36

2,8 – 3,6

100,8 – 129,6

Sociale huurappartement

65 – 90 m2

2 slaapkamers

1

2,8 – 3,6

2,8 – 3,6

Koopappartement (goedkoop)

< 65 m2

1 slaapkamer

24

3,9 – 4,7

93,6 – 112,8

Koopappartement (midden)

65 – 90 m2

2 slaapkamers

4

4,7 – 5,5

18,8 – 22

Koopappartement (duur)

> 90 m2

3+ slaapkamers

58

6,4 – 7,2

371 – 417,6

Totaal (afgerond)

587 – 686

In de huidige situatie bevindt zich op de projectlocatie een kantoorpand met een bruto vloeroppervlak van 7.170 m2. Een kantoor (zonder baliefunctie) kent op grond van de CROW-normering een verkeersgeneratie van 3,2 – 4,9 per 100 m2 BVO. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie op grond van de planologische situatie 230 - 352 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Zodoende is sprake van een toename als gevolg van het plan van minimaal 334 en maximaal 357 bewegingen per etmaal. De projectlocatie is gelegen aan de Dokter van der Stamstraat welke ontsluit op de Oude Trambaan. Via de Oude Trambaan en de J.S. Bachlaan is de A12 te bereiken. De bestaande wegenstructuur kan de verkeersgeneratie als gevolg van het plan zonder problemen afwikkelen.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

Relatie tot ontwikkeling De onderzoeklocatie is gelegen binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Delfland. In het Waterbeheerplan 2022-2027 (WBP6) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 49

meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2027. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Hieronder wordt ingegaan op de relevante waterthema’s. Waterveiligheid en waterkeringen Aan de zuidzijde van de projectlocatie loopt een primaire watergang, namelijk de Vliet. De beschermingszone van de ten zuiden van de Vliet gelegen waterkering loopt tot over de Vlietweg (ten zuiden) van de Vliet, maar niet tot binnen de projectlocatie. Figuur 22. Uitsnede vigerende legger.

Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Stedelijk” loopt ten zuiden van de projectlocatie de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Deze dubbelbestemming valt niet tot binnen de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 50

Figuur 23. Weergave ‘Waterstaat – Waterkering’ (bron: QGIS, eigen bewerking).

Ten westen van de projectlocatie bevindt zich tevens een primaire watergang. Van belang is dat aan weerszijden van de watergangen voldoende ruimte overblijft om (gewoon) onderhoud uit te voeren. Deze ruimte is ook in de toekomstige situatie ruim voldoende aanwezig, aangezien niet in de richting van deze watergang gebouwd wordt. De beschermingszone van 1,5e meter aan weerszijde van deze watergang zal vrij blijven van werken. Waterkwaliteit en riolering Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink of andere schadelijke materialen, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit. Bij de realisatie van het plan wordt een gescheiden rioolsysteem aangelegd. Het hemelwater wordt niet direct geloosd op het riool, maar vertraagd afgevoerd voordat het op de boezem geloosd wordt. Waterkwantiteit Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de watersleutel van het hoogheemraadschap ingevuld. De ingevulde watersleutel is als bijlage aan de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd, waarin voor zowel de bestaande als toekomstige situatie de totale oppervlakte van de projectlocatie en het totaal aantal vierkante meter verhard en onverhard terrein is weergegeven.

Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van het plan het aantal vierkante meters aan verhard oppervlakte afneemt. De watersleutel van het hoogheemraadschap berekent de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen zoals extreme regenbuien. Op grond van de hiervoor genoemde oppervlaktes is de watersleutel (zie bijlage) ingevuld, waaruit blijkt dat er geen waterbergingsopgave geldt voor het initiatief. Bij gebiedsontwikkelingen staat voorop dat de openbare ruimte klimaatadaptief is. Het klimaat wereldwijd en in Nederland is de afgelopen decennia al merkbaar veranderd. Door extreme neerslag, hitte en droogte kan veel overlast en financiële schade ontstaan. Ook kan hitte leiden tot een toename van sterfte bij kwetsbare groepen zoals ouderen. Vanwege deze redenen wordt er hard gewerkt om de stad klimaatbestendiger en leefbaarder te maken. Klimaatverandering zal niet in alle gebieden van de gemeente dezelfde effecten hebben. Op basis van kenmerken, zoals ondergrond, nabijheid van sloten, bebouwingsdichtheid,

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 51

aanwezigheid van groen en gebruikte materialen zijn er veel verschillen in de stad. Op grond van de stresstestkaart ‘Extreme neerslag’ van de gemeente, kan geconcludeerd worden dat minimale delen van de projectlocatie aangemerkt zijn als gevoelig voor wateroverlast. Onderstaand figuur betreft hier een uitsnede van en laat het resultaat zien van een stresstest voor de gemeente. Figuur 24. Uitsnede Wateroverlast.

De kaart maakt inzichtelijk waar waarschijnlijk wateroverlast zal ontstaan na een extreme bui van 70 millimeter in 1 uur. De watersleutel van het hoogheemraadschap berekent de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen zoals extreme regenbuien. Binnen de projectlocatie wordt circa 4.300 m2 groen gerealiseerd en worden ook de daken van de drie woongebouwen voorzien van een groen dak in het kader van het tegengaan van hittestress en waterbergingscapaciteit. Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van het plan geen waterbergingsopgave geldt. De projectlocatie is bestand is eventuele extreme regenbuien. Het voorziet daarnaast in de toevoeging van circa 2.000 m2 groen ten opzichte van de bestaande situatie. Grondwater De projectlocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Voor het grondwaterbeschermingsgebied gelden de regels vanuit de Provinciale Milieuverordening. In een grondwaterbeschermingsgebied mogen (in beperkte mate) activiteiten plaatsvinden, mits deze activiteiten geen risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater. De beperkingen zijn voor de projectlocatie niet aan de orde. Het voorgenomen initiatief is niet van invloed op het grondwater ter plaatse.

Ten behoeve van de beoogde parkeerkelder is door onderzoeksbureau Geosonda een grondonderzoek uitgevoerd (kenmerk: AA19449, d.d. 18 augustus 2020). Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de vloer van de parkeergarage boven de grondwaterstand ligt, waardoor opstuwing niet zal plaatsvinden. Het plan heeft zodoende geen effect op de omgeving.

Conclusie Op grond van de ingevulde watersleutel kan geconcludeerd worden dat er geen waterbergingsopgave voor het plangebied geldt. In de toekomstige situatie wordt circa 2.000 m2 aan groen ten opzichte van de

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 52

bestaande situatie toegevoegd. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie. Het aspect water staat niet aan de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief in de weg.

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van drie woongebouwen waarmee in totaal 123 appartementen gerealiseerd worden. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de aanmeldnotitie kan geconcludeerd worden dat het bevoegd gezag wordt verzocht het besluit te nemen dat, gezien de kenmerken van het potentiële effect, geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig is.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 53

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad verplicht om een exploitatieplan vast te stellen voor gronden, waarop de verwezenlijking van een bouwplan als genoemd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgenomen. Met deze dwingende wettelijke regeling heeft de wetgever beoogd een transparante en rechtvaardige regeling vast te leggen op basis waarvan door de gemeente gemaakte grondexploitatiekosten op de particuliere grondeigenaren binnen het te exploiteren gebied kunnen worden verhaald. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing geeft de motivering behorende bij de ingediende aanvraag omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ die het project ‘Triadomelocatie’ planologisch mogelijk maakt. Dit betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zoals gezegd voor de in het Bro genoemde gevallen dwingend voorgeschreven. De gemeenteraad kan echter bij het besluit tot de vaststelling van een bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning tevens besluiten van de gelijktijdige vaststelling van een exploitatieplan af te zien, indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in dat bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen anderszins is verzekerd.

Onder 'anderszins verzekerd zijn' kan in het bijzonder worden verstaan verhaal van deze grondexploitatiekosten via het privaatrechtelijke spoor, zoals door middel van het sluiten van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer / grondeigenaar. Ten behoeve van het voorliggende plan heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In de Anterieure overeenkomst deellocatie Triadome, die in april 2022 is getekend, zijn afspraken gemaakt over de kostenverhaalbijdrage die initiatiefnemer moet betalen. Ten behoeve van de uitvoerbaarheid en onderbouwing van de behoefte kan gesteld worden dat op basis van de in paragraaf 4.1 doorlopen toets aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking, de behoefte aan de in het plan beoogde woningen.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Op 1 augustus 2019 is initiatiefnemer eigenaar geworden van de Triadome locatie. Op 10 februari 2020 is er een Intentieovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. In deze overeenkomst is afgesproken dat er, onder regie van de gemeente, twee spelregelkaarten worden opgesteld: een spelregelkaart voor transformatie van het bestaande kantoor en een spelregelkaart voor sloop/nieuwbouw. Net als bij de eerdere spelregelkaarten is de klankbordgroep Klein Plaspoelpolder, bestaande uit bewoners, omwonenden en toekomstige bewoners van het gebied, nauw betrokken bij het opstellen van de spelregelkaarten. De klankbordgroep heeft unaniem aangegeven in te kunnen stemmen met de spelregels en er vertrouwen in te hebben dat deze spelregels de basis vormen voor een goed en haalbaar bouwplan. De leden van de klankbordgroep hebben voor de spelregels input opgehaald bij hun achterban. Tijdens een inloopbijeenkomst op 13 juli 2020 zijn de concept spelregelkaarten gepresenteerd aan de buurt. Uit de

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 54

ontvangen reacties blijkt dat de spelregels goed aansluiten bij de wensen die in de buurt leven. Op grond hiervan is het voorgenomen initiatief nader uitgewerkt.

Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt tevens de uitgebreide Wabo procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid ten aanzien van de planologische procedure afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 55

6

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel de projectlocatie te herontwikkelen tot woningbouwlocatie. In de bestaande situatie bevindt zich op de locatie een leegstaand kantoorpand. Het plan omvat de ontwikkeling van 3 appartementsgebouwen waarmee in totaal 123 appartementen gerealiseerd worden. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 56

Transect-rapport 2703 Voorburg, Dr. Van der Stamstraat 4, Triadome Gemeente Leidschendam-Voorburg (ZH) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO)

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Colofon Titel

Rapportnummer Auteur Versie

Voorburg, Dr. Van der Stamstraat 4, Triadome. Gemeente Leidschendam-Voorburg (ZH). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). Transect-rapport 2448 Anne T.L.E. van Bussel RMA Definitieve versie

Datum

28-04-2020

Projectnummer

20040018

Onderzoeksmelding

4749569100

Opdrachtgever

Kingsbridge Investment B.V. Postbus 82329 2508 EH, Den Haag

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Bevoegde overheid

Gemeente Leidschendam-Voorburg

Beheer documentatie

Transect b.v., Nieuwegein

Omslagafbeelding

Foto van het plangebied ten tijde van onderhavig onderzoek (bron: www.vlietnieuws.nl).

Autorisatie Naam Drs. T. Nales (senior archeoloog)

Datum 22-05-2020

Paraaf

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwengein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van Kingsbridge Investment B.V. heeft Transect b.v. in april 2020 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Dr. Van der Stamstraat 4, Triadome te Leidschendam (gemeente Leidschendam-Voorburg). Het onderzoek vindt plaats in het kader van een haalbaarheidsstudie. In het plangebied vindt de realisatie van een twee laags parkeergebouw (optie 1) of de bouw van een half-verdiepte parkeerkelder en nieuwbouwwoningen (optie 2) plaats. Omdat bij de bouwwerkzaamheden grondroerende werkzaamheden plaats zullen vinden bestaat hierbij de kans dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord zullen worden. Het archeologisch bureauonderzoek heeft uitgewezen dat er in het plangebied over het algemeen sprake is van een hoge archeologische verwachting. De hoge verwachting hangt samen met de ligging van het plangebied op de hoge flank van een strandwal, die zich heeft gevormd in het MiddenNeolithicum. Hiervan is in de omgeving van het plangebied bij een groot aantal eerder uitgevoerde onderzoeken aangetoond dat bewoning vanaf de vorming ervan heeft plaatsgevonden. Op basis van onderzoeken in de omgeving is de strandwal in elk geval intensief bewoond in de perioden IJzertijdRomeinse tijd en de 11e/12e eeuw tot en met heden.

In het plangebied kunnen zich van de intensieve bewoning uit de IJzertijd-Romeinse tijd resten aandienen in de top van het natuurlijke strandwalzand. Deze afzettingen zijn afgedekt door veen en getijdeafzettingen, hetgeen ervoor kan hebben gezorgd dat resten behoed zijn van verstoringen en als het ware zijn ‘vastgelegd’. In de top van de strandwal kunnen zich ook resten bevinden uit de periode Neolithicum en Bronstijd. De top van de strandwalafzettingen bevindt zich naar verwachting in het plangebied op een diepte van ongeveer 2,1 m -Mv (-2,1 m NAP). De kans op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met Romeinse tijd is in het plangebied hoog. Uit de Vroege-Middeleeuwen kunnen theoretisch gezien in het plangebied ook resten worden aangetroffen. Ze worden op basis van onderzoeken in de omgeving echter niet direct verwacht, waardoor de kans erop laag is. Eventuele archeologische sporen uit deze periode zijn vermoedelijk vergraven door latere ontginningen en grondgebruik. Verder geldt voor het plangebied dat het tijdens de Vroege-Middeleeuwen vermoedelijk was bedekt met veen en onderhevig was aan het getijde. Op de getijdeafzettingen (Laagpakket van Walcheren, vanaf circa 90-130 cm -Mv / -0,8 tot -1,3 m NAP) kunnen zich resten bevinden uit de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Deze resten zullen bestaan uit sporen van landgebruik.

In associatie hiermee kan ook vondstmateriaal worden aangetroffen. De kans op het aantreffen hiervan is hoog. Op basis van historisch kaartmateriaal worden uit de Late-Middeleeuwen/ Nieuwe tijd geen sporen en/of resten van bebouwing verwacht: de verwachting hierop is dus laag. Advies Op basis van de hoge archeologische verwachting vanaf maaiveld en de hoge archeologische verwachting op een diepte van circa 2 m -Mv adviseert Transect b.v. om in het kader van de ruimtelijke procedure een inventariserend archeologisch veldonderzoek uit te voeren. Bij dit onderzoek kan worden aangetoond in hoeverre in de ondergrond archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. Ook de intactheid van deze niveaus alsmede reeds aanwezige verstoringen kunnen hiermee in kaart worden gebracht. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek (IVO-O), Op basis daarvan kan dan een gerichter advies worden uitgebracht over de impact van de werkzaamheden op eventueel aanwezige (intacte) archeologische niveaus.

Met betrekking tot de geplande transformatie van het terrein adviseert Transect b.v. om hier ten behoeve van het behoud van archeologische resten grondwerkzaamheden zoveel mogelijk te beperken tot een diepte van 1,5 m -Mv of minder. Hierbij blijft een buffer behouden van circa 50 cm boven het archeologisch niveau (aangezien dit in de meeste gevallen niet geheel vlak zal zijn). In dat geval is archeologisch behoud in situ mogelijk. Dit heeft vanuit archeologisch oogpunt de voorkeur. Ook gaat de voorkeur uit naar grondwerkzaamheden met een zo gering mogelijke oppervlakte (optie 1: transformatie). Met deze diepte en een zo gering mogelijke oppervlakte bestaat namelijk een kleinere kans dat ook dieper gelegen archeologische resten (uit perioden voor de LateMiddeleeuwen/Nieuwe tijd) geroerd worden. Voor heipalen adviseren wij aan de hand van de ‘Handreiking Archeologievriendelijke Bouwen’ van het RCE (2016) ze in aantal zoveel mogelijk te reduceren door het toepassen van zwaardere palen en zwaardere funderingsbalken, en een flexibel palenplan. Daarbij adviseren wij de heipalen zo ver mogelijk uit elkaar te plaatsen, ten minste 300 cm (cf. RCE, 2016). Bovenstaande vormt een advies.

Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Leidschendam-Voorburg) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding .......................................................................................................................... 7

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ........................................................... 8

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................. 9

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik.......................................................... 11

5.

Beleidskader .................................................................................................................... 12

6.

Landschap, geomorfologie en bodem............................................................................... 13

7.

Archeologische verwachtingen en bekende waarden ....................................................... 17

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen .............................................. 20

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting ................................................................... 31

10.

Conclusies en advies......................................................................................................... 34

11.

Geraadpleegde bronnen .................................................................................................. 36

Archeologische periode-indeling voor Nederland ............................................................. 39 Huidige situatie in het plangebied .................................................................................... 40 Optie 1: transformatie ...................................................................................................... 43 Optie 2: nieuwbouw ......................................................................................................... 47 Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart ............................................................ 54 Geo-archeologische kaart ................................................................................................. 55 Maaiveldhoogte ............................................................................................................... 56 Bodemkaart ..................................................................................................................... 58 Archeologische waarden .................................................................................................. 59 Ligging Kanaal van Corbulo (gemeentelijke kaart) ............................................................ 60 Ligging oude perceelsloten ............................................................................................... 61

1. Aanleiding In opdracht van TConcept heeft Transect b.v.1 in april 2020 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Dr. Van der Stamstraat 4, Triadome te Leidschendam (gemeente Leidschendam-Voorburg). Het onderzoek vindt plaats in het kader van een haalbaarheidsstudie. In het plangebied vindt de realisatie van een twee laags parkeergebouw (optie 1) of de bouw van een halfverdiepte parkeerkelder en nieuwbouwwoningen (optie 2) plaats. Omdat bij de bouwwerkzaamheden grondroerende werkzaamheden plaats zullen vinden bestaat hierbij de kans dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord zullen worden. Het archeologisch vooronderzoek is hier uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en de richtlijnen voor archeologisch onderzoek van de gemeente Leidschendam-Voorburg (2015).

1

Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.0, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

7

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een archeologisch Bureauonderzoek (BO). Het doel van dit bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. De verwachting wordt opgesteld door informatie te verkrijgen over de landschappelijke en cultuurhistorische ontwikkeling van het plangebied, alsook aan de hand van een inventarisatie van archeologische gegevens in de directe omgeving. Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied. Hiertoe is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) zijn opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur.

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport, met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 (bureauonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1), en de richtlijnen voor bureauonderzoek van de Gemeente Leidschendam-Voorburg (2015).

8

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats

Leidschendam

Toponiem

Dr. Van der Stamstraat 4, Triadome

Gemeente

Leidschendam-Voorburg

Provincie

Zuid-Holland

Kaartblad

30O

Perceelnummer(s)

VEU00-B-9131

Centrumcoördinaat

86.752 / 454.992

Oppervlakte

Circa 1 ha

Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden, in dezen het toekomstig bouwvlak van een woning. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omliggende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een gebied in een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied omvat het hele perceel Veur, sectie B, nummer 9131 in Leidschendam (gemeente Leidschendam-Voorburg). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Momenteel zijn in het plangebied het kantoorpand Triadome (1986; circa 1871 m2), parkeerplaatsen (in totaal 1453 m2), geasfalteerde paden (1838 m2) en een schuur (190 m2) aanwezig. Het overig deel van het plangebied is in gebruik als groenvoorzieningen met half-verharde paden (ongeveer 4565 m2). De totaaloppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1 ha. De huidige situatie in het plangebied is weergegeven in bijlage 2.

9

Figuur 1. Locatie van het plangebied op een topografische kaart (bron kaart: www.pdok.nl).

10

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Bestemmingsplanwijziging, archeologische inventarisatie

Planvorming

Realisatie van een parkeergebouw (optie 1) Realisatie van een parkeerkelder en woningen (optie 2)

Aard bodemverstoringen

Toekomstige funderingen en heipalen (optie 2: parkeerkelder)

Verstoringsoppervlakte

Optie 1: 1100 m2 Optie 2: 4275 m2

Verstoringsdiepte

Optie 1: onbekend Optie 2: minimaal 1,5 m -Mv

Kingsbridge Investment b.v. is voornemens de inrichting van het perceel van het Triadome te Leidschendam (gemeente Leidschendam-Voorburg) opnieuw in te richten. In het huidig stadium van de planvorming bestaan er twee opties, die een verschillende uitwerking zullen hebben op de ondergrond. Plantekeningen van de ontwikkelingen zijn weergegeven in bijlagen 3 en 4. In de tekst worden voor de opties de namen gebruikt die door de opdrachtgever hieraan zijn toegekend, namelijk: ‘transformatie’ (optie 1) en ‘nieuwbouw’ (optie 2; bron: TConcept). Optie 1: ‘transformatie’ (bijlage 3) In het geval dat optie 1 wordt uitgevoerd vindt een transformatie plaats van het huidige Triadomegebouw. Hierbij worden twee lagen op het kantoorpand aangebracht. Verder wordt in het noordoosten van het plangebied een parkeergebouw gerealiseerd met een oppervlakte van 1100 m 2. De diepte van de bouwwerkzaamheden die met de realisatie van het parkeergebouw gemoeid zijn is onbekend. Rondom het parkeergebouw en het Triadome wordt bij optie 1 groenvoorziening aangelegd. Er tussendoor komen enkele halfverharde paden en in het zuiden een wandelpad langs de Vliet en een doorlopend fietspad naar het Damcentrum (ten westen). Optie 2: ‘nieuwbouw’ (bijlage 4) Bij optie 2 wordt een groene, duurzame woonwijk aangelegd met daarin huur- en koopwoningen. In deze planvorming wordt het Triadome-gebouw geheel gesloopt.

Ook de schuur/fietsenstelling in het westen wordt gesloopt. Daarna worden deels op de plaats van de huidige bebouwing en op de plaats van de tuin in het noordoosten vier wooncomplexen gerealiseerd, met een gezamenlijke oppervlakte van 2335 m2. Onder de woningen komt een half-verdiepte parkeergarage met een totaaloppervlakte van 4275 m2. Hierbij wordt één parkeerlaag aangelegd op een diepte van 1,5 m -Mv. Nog onbekend in het huidig stadium van de planvorming is hoe de parkeergarage gefundeerd wordt en of geheid wordt.

11

5. Beleidskader Onderzoekskader

Haalbaarheidsstudie

Beleidskader

Bestemmingsplan ‘Nieuw Damsigt’ (2013)

Onderzoeksgrens

1000 m2 en >1 m -Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een Wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Op grond van de wijzigingen zijn overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht om rekening te houden met het behoud van archeologische waarden. Met ingang van juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2021 in werking zal treden. Het wettelijk vigerend kader rond bodemingrepen in het plangebied is vastgelegd in het gemeentelijk bestemmingsplan ‘Nieuw Damsigt’ (2013). De vertaalslag naar het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden vanuit de zonering op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (2013; bijlage 4) en beleidskaart (2013; niet als kaartbeeld opgenomen). Op de gemeentelijke verwachtingskaart is aan het plangebied een ‘hoge verwachting’ toegekend.

Dit is op de beleidskaart door vertaald naar een zone met ‘hoge verwachting, vrijstelling 100 m 2 en 30 cm’. In het bestemmingsplan wijken de vrijstellingsgrenzen af van die op de beleidskaart. Op basis hiervan is pas wettelijk een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen et een oppervlakte van meer dan 1000 m2 en een diepte van 1 m -Mv. Dit heeft te maken met de in het plangebied reeds aanwezige bebouwing, kabels en leidingen. Omdat met de beoogde werkzaamheden in het plangebied de vrijstellingsgrenzen in het bestemmingsplan waarschijnlijk worden overschreden is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

12

6. Landschap, geomorfologie en bodem Geologie

Hollands kustgebied

Geomorfologie

Bebouwd, waarschijnlijk zandige overgangszone Tussen Jonge Duin en kweldergebied

Geologie

Hollandveen Laagpakket op Laag van Wormer (noord) Laagpakket van Walcheren op Hollandveen Laagpakket (zuid)

Maaiveldhoogte

0,2 tot 0,5 m +NAP

Bodem

Bebouwd, vermoedelijk leek-/woudeerdgronden

Grondwatertrap

I-III

Landschap Leidschendam maakt deel uit van het Zuid-Hollands kustgebied (Berendsen, 2005). Dit gebied omvat het huidige strand, en alle strandwallen, - vlakten en – duinen die aan de oostzijde van het strand voorkomen. Tijdens het Last Glacial Maximum (Laatste Glaciale Maximum, LGM) van circa 21000 jaar geleden lag de zeespiegel nog ongeveer 120 m lager dan tegenwoordig. Doordat de Noordzee toen droog lag had het gebied in het Pleniglaciaal (Midden-Weichselien, circa 74000 tot 14700 jaar geleden) een vrij continentaal klimaat (koud en droog). De overgang van mariene naar estuariene en uiteindelijk zoetwatercondities tijdens deze periode is goed te herkennen in de bodem (Stouthamer et al., 2015). Aan het einde van de Laatste IJstijd (het Weichselien, van circa 115000 tot 10000 jaar geleden) werd het gebied gekarakteriseerd door afnemende hoeveelheden vegetatie en zandverstuivingen. In die periode werd een dikke laag dekzand afgezet in grote delen van Nederland (Laagpakket van Delwijnen, Formatie van Boxtel; Berendsen, 2005). In het rivierengebied werd hierbij zand uit drooggevallen beddingen van vlechtende (glaciale) rivieren geblazen. Dit leidde tot het ontstaan van rivierduinen, die vaak nu nog in het landschap te zien zijn (Stouthamer et al., 2015). Toen ijskappen in het Laat-Weichselien zeer snel afsmolten begon de zeespiegel zeer snel te stijgen.

Sinds het begin van het Holoceen (circa 10000 jaar geleden) stond het landschap waarin het plangebied ligt hieronder onder sterke invloed van de zee. De kust bestond in die vroege periode uit een lagune die werd afgeschermd van de zee door een serie zandbanken en -platen. Tussen deze banken en platen lagen verschillende zeegaten: getijdegeulen waardoor zeewater de lagune in kon stromen. Door de zeespiegelstijgingen werden de lagune en bijbehorende wadden, geulen en banken geleidelijk landinwaarts verplaatst. De afzettingen die hierbij plaatsvonden worden geologisch gezien geclassificeerd als het Laagpakket van Wormer binnen de Formatie van Naaldwijk (Stouthamer et al., 2015). Deze afzettingen worden gekarakteriseerd als mariene getijdeafzettingen die bestaan uit zand en (veelal grijze) klei. Vanaf 5000 jaar geleden (circa het Late Neolithicum) nam de stijging van de zeespiegel snel af. Door de afgenomen stijging van de zeespiegel, in combinatie met een toename van sedimentaanvoer vanuit zee en rivieren kon de kust zich uitbreiden. Zandbanken groeiden geleidelijk aaneen en vormden strandwallen. Geologisch gezien vallen de strandwalafzettingen onder het Laagpakket van Wormer (Vos, 2015). Tegen de strandwallen werd bij toegenomen stormen en springtij zand vanuit zee opgeworpen. Zo werden de strandwallen geleidelijk aan hoger.

Door het ontbreken van begroeiing ontwikkelden zich bovendien daarop één tot twee meter hoge duinen, die geologisch gezien tot het laagpakket van Zandvoort onder de Formatie van Naaldwijk worden gerekend. Vroeger werd dit laagpakket ook wel aangeduid als ‘Oude Duinen’ (Zagwijn en Van Staalduinen, 1975; Van der Valk

13

1992; www.dinoloket.nl2). De strandwallen waren bepalend voor de bewoningsmogelijkheden in het kustlandschap. Doordat ze relatief hoger in het landschap lagen waren ze geschikt als plekken voor nederzettingen, landgebruik en andere activiteiten. Aan de zeezijde van de strandwallen lag een strand met wadden. Hier raakten ook de meeste zeegaten verzand (Hijma, 2010). Doordat het proces lang aanhield kon een gesloten kust ontstaan. Strandvlaktes werden hier gevormd tijdens rustige perioden door een geleidelijke aanwas van zand. De hoger gelegen delen op het strand raakten geleidelijk aan begroeid, en hier ontstonden enkele duinen (Laag van Voorburg en/of Laag van Den Haag). Ook de duinen konden door de mens benut worden. Het strand liep enkel bij springtij onder water. Door de geleidelijke ophoging van de strandwal tijdens deze perioden werd het strand achter de strandwal afgesloten van de zee. De landinwaartse stuwing van het grondwater, die optrad met de stijging van de zeespiegel, zorgde ervoor dat er in strandvlaktes (tussen de strandwallen) veenvorming optrad. Dit gebeurde eveneens in het gebied achter de strandwallen. Het veen wordt geologisch gezien geclassificeerd als het Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Naaldwijk (de Mulder et al., 2003). De uitbreiding van de kust vond op deze manier plaats tot ongeveer 2500 jaar geleden (dus tot in de IJzertijd).

In die periode kon op duinafzettingen en op strandwallen, en in verdroogde trajecten van het veen bewoning plaatsvinden (Laat-Neolithicum tot en met Late IJzertijd). Hierbij geldt dat het veen alleen bewoonbaar was als het lokaal ontwaterd werd, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een geul. Vanaf 2500 jaar geleden (circa de Late IJzertijd) nam de snelheid van de zeespiegelstijging nog verder af. In de periode vanaf toen werd daardoor zowel vanuit zee als vanuit riviermondingen minder zand aangevoerd naar het kustgebied. De afgenomen aanvoer leidde er in combinatie met golfwerking en getijdewerking toe dat delen van de kust en de rivierdelta’s die voor de kust in zee uitstaken (zoals die van de Oude Rijn) werden geërodeerd. Het zand dat bij de erosie vrij kwam werd op het strand afgezet (Laagpakket van Walcheren onder de Formatie van Naaldwijk). Door latere verstuivingen werd dit zand verderop afgezet, wat leidde tot de vorming van de zogenaamde ‘Jonge Duinen’ (Zagwijn en Van Staalduinen, 1975). Het dekzandpakket van de ‘Jonge Duinen’ wordt geologisch geclassificeerd binnen het Laagpakket van Walcheren onder de Formatie van Naaldwijk (Berendsen, 2005). De eerste aanzet vond reeds plaats in de Vroege Middeleeuwen, maar de duinvorming was het sterkst in de loop van de Middeleeuwen.

Het oude kustlandschap van strandwallen en oude duinen raakte bij de verstuivingen geleidelijk aan begraven onder een dik pakket duinzand (Stouthamer et al., 2015). Geomorfologie en geologie Op de geomorfologische kaart (niet als kaartbeeld opgenomen) is het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied, waardoor op basis van deze kaart geen uitspraak te doen is over de te verwachten landschapsvormen in het gebied. Op basis van de Geo-archeologische kaart van de gemeente Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar kan wel uitspraak gedaan worden (Vos, 2015; bijlage 6). Vanaf deze kaart is namelijk af te leiden dat het plangebied ligt op de overgang van een zone met mariene afzettingen (kaarteenheid 2) naar een zone met Jonge Duinen (kaarteenheid 4) uit het Laagpakket van Walcheren. Zowel de mariene afzettingen als Jonge Duinen liggen op het Hollandveen Laagpakket dat is ontstaan tijdens veenvorming in de periode van circa 5000 tot 2500 jaar geleden. Het voorkomen van het Laagpakket van Walcheren duidt erop dat het plangebied in een droog milieu lag vanaf het Late Neolithicum. In die tijd lag het plangebied namelijk achter een strandwal (Vos, 2015), op duinafzettingen. Waarschijnlijk is op basis hiervan te verwachten dat het plangebied ook goed bewoonbaar was tijdens de periode in de periode daarna, tot aan circa de Romeinse tijd.

De geologische kaart van Vos (2015) laat zien dat zich onder het Hollandveen Laagpakket ter hoogte van de mariene (strandwal)afzettingen in het plangebied zandafzettingen bevinden uit het Laagpakket 2

https://www.dinoloket.nl/formatie-van-naaldwijk.

14

van Wormer en/of de Laag van Rijswijk. Deze afzettingen liggen minder diep dan 5 m -NAP. Ter hoogte van de zandduin (Jonge Duin; kaarteenheid 4) is het Laagpakket van Rijswijk aanwezig. Hier is geen diepte van de zandafzettingen gekarteerd. Van het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN3; www.ahn.nl; bijlage 7) is af te leiden dat de maaiveldhoogte in het plangebied tussen circa 0,2 en 1,0 m +NAP varieert. In de omgeving van het plangebied loopt de maaiveldhoogte richting het noorden (de strandwal) op en richting het zuiden (vlakte) af. Lithologie Uit het Dinoloket van TNO is informatie verkregen over de bodemopbouw in het plangebied. Er zijn twee boringen gezet in het plangebied, namelijk boring B30G2392 in het noordoosten (RD: 86.754 / 455.034) en boring B30G2211 in het zuiden (RD: 86.778 / 454.977; bron: www.dinoloket.nl). In de boringen was de bodemopbouw van boven naar beneden als volgt: • Uiterst fijn zand uit het Laagpakket van Schoorl (Naaldwijk Formatie; jong duinzand): tot 0,9 m -Mv / -0,8 m NAP. • Matig humeuze, matig siltige klei uit het Laagpakket van Walcheren (Naaldwijk Formatie): tot 1,3 m -Mv /-1,3 m NAP. • Veen uit het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop): tot 2,1 m -Mv / -2,1 m NAP. • Zand uit het Laagpakket van Zandvoort (Formatie van Naaldwijk; oud duinzand).

Direct ten noorden van het plangebied (boring B30G2387) ligt onder het Laagpakket van Schoorl ook het Laagpakket van Walcheren. Dit volgt hier relatief ondieper dan in het plangebied (0,8 m -Mv / -0,6 m NAP). Vermoedelijk heeft dit te maken met de grotere hoogte van de jonge duinen die hier gelegen hebben – deze strekken zich volgens de geo-archeologische kaart (bijlage 6) ten noorden van het plangebied uit. Hierdoor is het gebied ten noorden van het plangebied in mindere mate onderhevig geweest aan getijdewerking dan het plangebied zelf. Oude duinafzettingen (Laagpakket van Zandvoort) komen in dezelfde boring ten noorden van het plangebied voor vanaf een diepte van 1,7 m -Mv / -1,5 m NAP, onder een circa 60 cm dik veenpakket. Het veenpakket is hier dus wel ongeveer even dik als in het plangebied zelf, terwijl de zanddiepte van het strandwalzand richting het zuiden afneemt. Het plangebied ligt hiermee op de lage flank van de strandwal. Bodem en grondwater Het plangebied is op de bodemkaart gekarteerd als bebouwd gebied en als water (bijlage 8). Aan de hand van de bodemeenheden die in de omgeving gekarteerd zijn valt af te leiden dat in het plangebied waarschijnlijk in de ondergrond leek- of woudeerdgronden voorkomen (kaartcode pMn56C). Ook kunnen oude liedeerdgronden (pMv51 en pMv81) aanwezig zijn.

• Leek- en woudeerdgronden zijn kalkrijke zavelgronden, waarin overwegend uiterst fijn zand voorkomt. Ze komen in het Westland veelvuldig voor. In de bovengrond bevindt zich een zwarte humeuze tot humusrijke laag (meermolmdek). Wanneer deze 15-30 cm dik is, is sprake van een leekeerdgrond. Bij een dikte van 30-50 cm is sprake van een woudeerdgrond. De ondergrond bestaat bij beide typen bodems uit een grijze roestige laag die niet slap is, en binnen een diepte van 80 cm geen veen bevat. In het oude zeekleigebied wordt geen onderscheid gemaakt tussen de twee typen bodems. Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen leek- en woudeerdgronden, en poldervaaggronden. In het geval dat poldervaaggronden voorkomen is namelijk sprake van een grijze, in plaats van zwarte bovengrond. Dit is hier niet het geval (De Bakker, 1966). • De liedeerdgronden waarboven leek- en woudeerdgronden aanwezig kunnen zijn bestaan uit klei, en liggen binnen 80 cm diepte op veen. Deze gronden hebben eveneens een zwarte bovengrond. Deze is maximaal 50 cm dik. Liedeerdgronden zijn tot nu toe enkel in ZuidHolland aangetroffen, en liggen hier op de over het veen uitwiggende afzettingen van de 15

Oude Rijn. Net als bij koopveengronden en weideveengronden bestaat de bovengrond uit een toemaakdek: een opgebracht mestdek van vennige slootbagger, die vermengd is met dunne mest en zand. De naam lied (lede, lei) is een toponiem, dat in Zuid-Holland betrekking heeft op waterlopen (De Bakker, 1966). Op basis van het voorkomen van dit type gronden valt te zeggen dat in het plangebied veelal een vruchtbare, humusrijke bovengrond te verwachten is. Daaronder zullen zandige pakketten aanwezig zijn. Het is daarnaast zeer goed mogelijk dat de ondergrond in de 20e eeuw door de mens bewerkt is, en dat hier een opmaakdek is aangebracht. Dit opmaakdek kan bestaan uit klei of klei met zavel. Grondwatertrap Omdat het plangebied op de bodemkaart gekarteerd is als bebouwd gebied zijn er geen directe gegevens bekend over de grondwatertrap ter plaatse. In de omgeving zijn echter grondwatertrappen II en III gekarteerd. Daarnaast blijkt uit actuele meetgegevens van het hoogheemraadschap Rijnland dat de grondwaterstand in de omgeving schommelt tussen 0,61 m en 0,64 m -NAP (bron: www.rijnland.maps.arcgis.com3). Een dergelijke grondwatertrap is ook in het plangebied te verwachten. Dit betekent dat het grondwater al op een diepte van circa 10-20 cm -Mv kan worden aangetroffen. Dit heeft grotendeels te maken met de ligging van het perceel direct aan de Vliet.

De bovengenoemde grondwaterstanden en -trappen duiden dus op zeer natte bodemomstandigheden. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden, dat zowel organische resten (zoals leer en hout) als anorganische resten goed in de bodem geconserveerd kunnen zijn gebleven.

3

http://rijnland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=230be61a2b7446439d1c40138c98f7ec.

16

7. Archeologische verwachtingen en bekende waarden Wettelijk beschermde monumenten

Nee

AMK-terreinen (binnen 500 m)

Ja

Archeologische waarden (binnen 500 m)

Ja

Archeologische verwachting Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status en is ook niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Op de gemeentelijke verwachtingskaart heeft het plangebied hoge archeologische verwachting gekregen (bijlage 5). De verwachting die op de gemeentelijke verwachtingskaart is gesteld hangt waarschijnlijk samen met de ligging van het plangebied op een strandwal of vlakte, en de ligging in de historische kern van Voorburg. Verder zijn in de nabijheid verschillende Archeologische en Rijksmonumenten aanwezig (zie bijlage 9). AMK-terreinen Op slechts ongeveer 600 meter ten westen van het plangebied ligt het Archeologisch Monument (AMK-terrein 3185) ridderhofstad Leeuwesteijn. Dit terrein is van hoge archeologische waarde en dateert uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het omvat een omgracht terrein van buitenplaats Leeuwensteijn4. In Archis (www.zoeken.cultureelerfgoed.nl) staat hierover dat tijdens verkenningen door de Archeologische Werkgroep Voorburg is vastgesteld dat de fundamenten en muurwerk van het jongste hoofdgebouw nog aanwezig zijn. Tijdens die verkenningen is ook 18e-eeuws aardewerk aan het oppervlak verzameld (bron: Archis3).

Naast fundamenten zijn op hetzelfde terrein tijdens een onderzoek in de ’90-erjaren onder andere ook ongestoorde niveaus met eergetouwsporen, en opgevulde greppels aan het licht gekomen. Akkersporen stamden daarbij uit de Midden-Bronstijd en lagen op een van de oudere (meer oostelijk gelegen) strandwallen in het gebied. Deze strandwal werd gevormd tussen ongeveer 5000 en 4700 jaar geleden. In het gebied zijn op de strandwal ook grondsporen aangetroffen die kunnen wijzen op een nederzetting uit de Bronstijd. Dit betroffen kuiltjes, paalgaten en ingeslagen paaltjes. Dit onderzoek haalde de hypothese onderuit dat tijdens de Bronstijd enkel de jongere strandwallen rondom Voorburg en Leidschendam bewoond zouden zijn; ook oudere strandwallen bleken bewoond geweest. Op veel plekken kunnen de archeologische niveaus op deze strandwallen die uit oudere periodes dateren echter verstoord zijn door afgravingen en egalisaties vanaf de Late Middeleeuwen (pers. Comm. Wilfried Hessing, 26-1-1990; Hagers et al., 1992). Naast het Leeuwensteijn en de sporen van het nederzettings- en agrarisch terrein uit de MiddenBronstijd zijn verder in de buurt van het plangebied (300 m ten zuidwesten) ook AMK-terreinen 16182 en 16183 aanwezig. Hierover staat in informatiesysteem Archis3 vermeld dat hier het kanaal van Corbulo uit de Romeinse tijd is vastgesteld.

Op basis van de gegevens uit een herbeoordelingsonderzoek van de AMK-terreinen, die wordt uitgevoerd door de gemeente, is echter naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat dit een Romeins kanaal betreft (pers. Comm. Antoinie Roeloffs, op basis van Hessing, in prod.). De datering van het hout dat in dit kanaal is aangetroffen dateert namelijk, op basis van nader onderzoek, niet uit de Romeinse tijd maar uit de IJzertijd. Te zien is echter wel dat ook dit kanaal, net als het kanaal van Corbulo zelf een platte bodem 4

Het ‘Huis Leeuwensteijn’ is een oud adelijk eigendomsgebied dat van 1440-1782 eigendom was van de familie van Alckemade. In 1828 werd het gekocht door een ex—hofdame van Wilhelmina van Pruisen, echtgenote van stadhouder Willem V. De naam werd toen tijdelijk veranderd in ‘Wilhelminaburg’. Nadat prinses Marianne – dochter van koning Willem I en eigenaresse van Rusthof – Leeuwensteijn kocht in 1861 werd het een gastenverblijf. In 1883 werd het verblijf door prins Albert van Pruisen geërfd. Zijn zonen verkochten het in 1907, en in 1935 is het uiteindelijk gesloopt (van Dasselaar, 2016).

17

en steile insteek heeft. Dit kan er volgens de gemeente-archeoloog op duiden dat het een aangelegd kanaal betreft uit de IJzertijd. Of deze constatering juist is, is vooralsnog niet duidelijk. Wel is bekend dat op enkele kilometers ten zuidwesten van de AMK-terreinen een nederzetting op een geul uit de IJzertijd is aangetroffen (pers. comm. Antoine Roeloffs; onderzoekmeldingsnummer onbekend). Het betreft hier mogelijk dezelfde geul als die is aangetroffen in de AMK-gebieden. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken zijn echter een aantal onderzoekvragen ten aanzien van de datering van de geul niet te beantwoorden. Daarom is niet exact bekend of de twee kleivullingen die honderden meters verderop zijn aangetroffen van dezelfde kreek zijn. Deze vragen kunnen alleen worden beantwoord door aanvullend onderzoek (pers. Comm. Antoine Roeloffs). Het Kanaal van Corbulo Volgens de gemeentelijke kaart van het Kanaal van Corbulo (bijlage 10; bron: dhr. A. Roeloffs) is het Kanaal van Corbulo circa 200 m ten noorden van het plangebied bij eerder onderzoek aangetoond. Het onderzoek waarbij deze is aangetroffen betreft een proefsleuvenonderzoek van RAAP dat in 2015 heeft plaatsgevonden (onderzoekmelding 2482904100; toponiem ‘Dr. Van der Stamstraat’). Hierbij is het kanaal aangetroffen vanaf een diepte van 125 cm -Mv (tussen 1,25 en 2,25 m -NAP).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=aca1a7a6-b7df-4758-889a-a58a3387cac4