2822 03. Ruimtelijke onderbouwing (GRO), inclusief bijlagen
Tekst van het document
Het kanaal heeft hier een breedte van circa 12,5 m. Qua lithologische samenstelling wijkt de kanaalvulling hier niet af van die van natuurlijke getijdekreken. Er is geen sprake van een zandige bodem. De oevers van de geul zijn niet steil. Opvallend is dat de geul zich bevindt direct op oude duinafzettingen. Hierdoor is de top van het duin intact gebleven en niet onderhavig geweest aan verspoeling. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van beschoeiingen (Jansen en Briels, 2019). Ter hoogte van Park Leeuwensteijn, op circa 800 m ten westen van het plangebied, is volgens gegevens in Archis3 ook het kanaal van Corbulo aangetroffen (onderzoekmeldingsnummer 2477294100). Dit kanaal vormde een verbindingsroute tussen Rijn en Maas, en is op verschillende plekken vastgesteld over een breedte van gemiddeld 6 tot 12 m breed. Over het algemeen komt het daarbij voor op een diepte van circa 2,2 tot 3,0 m -NAP (Jansen en Warning, 2015). Naar aanleiding van verschillende onderzoeken die in de omgeving hebben plaatsgevonden stelt gemeente-archeoloog Antoine Roeloffs dat er mogelijk niet één maar meerdere Romeinse vaarroutes door het landschap hebben gelopen. De exacte loop van de kanalen is moeilijk vast te stellen doordat zij zijn aangelegd in meerdere fases en soms dezelfde oriëntatie kennen.
Ook is het niet geheel met zekerheid te zeggen dat het kanaal/d kanalen tussen de verschillende waarnemingspunten een exact lineair patroon kennen. De precieze ligging van de waterlo(o)p(en) zou van een lineair patroon af kunnen wijken. Verder is het mogelijk dat er verschillende fases van dezelfde geul aanwezig zijn, die niet duidelijk als zodanig in boringen zijn te herkennen. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om de ligging van het kanaal/de kanalen vast te stellen (pers. comm. Antoine Roeloffs). Ten oosten van het plangebied is de loop van het kanaal direct aan de noordwestzijde van de Vliet vastgesteld (Raemakers, 2006; van Dasselaar, 2016). Dit is zo ter hoogte van de Zaagmolenstraat – circa 620 m ten noordoosten van het plangebied - (onderzoekmeldingsnummer 2347894100), het Pliniushof (onderzoekmeldingsnummers 2130991100 en 2102316100) en de Veursestraatweg te Leidschendam (onderzoekmeldingsnummers 2047975100 en 2086466100). Volgens de kaart van gemeente-archeoloog Antoine Roeloffs is tussen het terrein van Park Leeuwenstein te Voorburg en de Zaagmolenstraat te Leidschendam het kanaal van Corbulo ook aangetroffen aan de J.S. Bachlaan, Leidschendam (pers. Comm. Antoine Roeloffs, 19-11-2019; bijlage 10). Het is hier aangetroffen bij een archeologische begeleiding die is uitgevoerd door RAAP (Kruidhof, 2015).
Niet duidelijk is op welke diepte en over welke breedte het kanaal hier voorkwam. Het rapport van het onderzoek specificeert dit niet nader (Kruidhof, 2015). Verder zijn geen gegevens in Archis3 bekend over een vervolgonderzoek dat op deze locatie zou hebben plaatsgevonden.
18
Andere archeologische waarden in de omgeving Bij het onderzoek van Jansen en Briels (2019) zijn op circa 200 m ten noorden van het plangebied behalve het Kanaal van Corbulo ook kuilsporen en paalkuilen met intacte palen aangetroffen (onderzoekmelding 2482904100; toponiem ‘Dr. Van der Stamstraat’). Deze dateerden over het algemeen uit de Nieuwe tijd-B/-C (18e-19e eeuw) en bevatten hetzelfde soort materiaal als een bovenliggende bouwvoor. Verder is één staakje uit de Bronstijd aangetroffen in het veen in het zuiden van het onderzochte gebied (Jansen en Briels, 2019). Op circa 480 m ten westen van het plangebied is een mogelijke neolithische akkerlaag aangetroffen op de flank van de strandwal (onderzoekmeldingsnummer 2111307100; toponiem ‘Locatie Polderberging’). Deze lag op een diepte van circa 80-90 cm -Mv (Lesparre-de Waal, 20065). Eenzelfde soort akkerlaag is ten zuiden van het plangebied aangetroffen ter hoogte van de Landscheidingsstraat (700 m zuidelijk; onderzoekmeldingsnummer 2101036100; toponiem ‘Plangebied Zonnewijzer aan de Rijnstraat’). Hier lag de akker op een diepte van 2,8-3,0 m -NAP (250-270 cm -Mv). Op basis van vondstmateriaal was deze te dateren in de periode Neolithicum-Bronstijd (Smit, 2006).
Ter hoogte van Park Vronesteyn 24 op circa 800 m westelijk van het plangebied is een melding gedaan van een bijl uit deze periode (Bronstijd; onderzoekmelding 2831933100; toponiem ‘De Schouw’). De bijl is gevonden net onder een circa één meter dikke veenlaag, aan de rand van de Vliet (de Koning en van der Leer, 2009). De bijl stamt uit het Midden- of Laat-Neolithicum, circa 3400-2500 voor Christus (bron: Archis3; De Wit, 1960; De Cock, 1966 ). De bijl duidt op het voorkomen in het gebied van bewoning uit de Vlaardingen-cultuur (De Cock, 1966). Na het aantreffen is de bijl spoorloos verdwenen (zie hiervoor verder De Jonge en Raemakers, 2006). In de omgeving van het plangebied zijn verder bij verschillende onderzoeken resten uit de IJzertijd aangetroffen. Hiervan was onder meer sprake bij een onderzoek aan de Oude Trambaan op circa 1 km ten noordoosten van het plangebied (Van Veen, 1988; onderzoekmelding 2818277100; toponiem: ‘Polder Rietvink’). Tijdens een proefsleuvenonderzoek en een archeologische begeleiding ter hoogte van de wijk Damzigt op circa 20 m ten westen van het plangebied (zie ook hoofdstuk 8) zijn resten uit de 12 e tot en met 19e eeuw aangetroffen. Die resten bevonden zich hiermee aan de overzijde van een middeleeuwse trekvaart.
Ze zijn te relateren aan de historische kern van Leidschendam die zich vanuit hier heeft gevormd (onderzoekmelding 2086822100; toponiem ‘Damplein, Damstraat, Damcentrum’ en onderzoekmelding 2154254100; toponiem ‘Montel, Damcentrum’). De resten bestaan uit gebouwfunderingen, vloeren en kelders en uit ophogingslagen, waterputten, beerputten en sloten. De diepte vanaf waar zich sporen bevonden bedroeg circa 65 cm -Mv. Sporen bevonden zich hierbij in verschillende ophogingsniveaus (Jordanov, 2008; Van Kempen, 2004).
5
De hoogte ten opzichte van NAP is in de rapportage niet opgenomen.
19
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historisch gebruik
Weidegronden
Huidig gebruik
Bebouwd en verhard gebied, tuin
Bekende verstoringen
Bebouwing vanaf 1977, historische sloten
Historische situatie Het plangebied ligt op de grens van oude duinen en een strandwal naar het veengebied, en op de grens van de oude dorpskern van Voorburg. Voordat de dorpskern ontstond vond al bewoning plaats ter hoogte van strandwallen. In de 2e en 3e eeuw (de Romeinse tijd) lag op slechts 1,8 km ten zuidwesten van het plangebied de stad Forum Hadriani – hoofdstad van de Cannanefaten. Gerelateerd aan deze stad werd in die periode in de omgeving het Kanaal van Corbulo gegraven. Zoals gesteld in eerdere passages zijn resten hiervan zeer nabij het plangebied aangetroffen (hoofdstuk 7). Van de periode die volgde op het vertrekken van de Romeinen uit het gebied is weinig bekend. Mensen woonden waarschijnlijk in de Vroege Middeleeuwen in boerderijtjes van hout en leem. De handel in aardewerk, bronzen voorwerpen en werktuigen viel helemaal stil (de Koning en van der Leer, 2009). Het water begon in deze periode te stijgen en de grond werd steeds moeilijker te bewerken. Het is dus waarschijnlijk dat in deze periode ook veel mensen weggetrokken zijn uit het gebied. Uit archeologische onderzoeken uit de omgeving wordt duidelijk dat het veengebied pas in de Late Middeleeuwen, rond het jaar 1000 in gebruik genomen is. Tussen 1175 en 1250 werd in de zeer nabije omgeving van het plangebied evenwijdig aan de oude strandwal de Vliet gegraven (van Dasselaer, 2016).
De Vliet vormde een verbinding tussen de Oude Rijn en de Schie. De Vliet wordt voor het eerst genoemd in een document uit 1281 als trekvaart. Het kanaal zorgde ervoor dat men zich gemakkelijk kon verplaatsen over het water. Vanaf de 12e eeuw settelden ambachtsheren en graven zich in de omgeving van het plangebied. Zij verdeelden het platteland in kleinere stukken (‘ambachten’), die zij aan ambachtslieden te leen uitgaven. In deze periode waren in het landschap nog Frankische kapellen aanwezig. In het begin van de 13e eeuw werd de eerste stenen kerk gebouwd: de Oude kerk van Voorburg. Uit die tijd stamt ook het ‘Huis Leeuwensteijn’ dat op circa 400 m ten westen van het plangebied stond. Dit huis was eigendom van een adellijke familie. Deze familie betaalde ook voor de toren die rond 1459 aan de kerk werd gebouwd (de Koning en van der Leer, 2009). De kerk werd in de late 15e eeuw een heus pelgrimsoord. Steeds meer mensen trokken in die periode naar Voorburg toe (de Koning en van der Leer, 2009). In die tijd is ook de Klein Plaspoelpolder gerealiseerd waar het plangebied deel van ging uitmaken (Van Rijn, 2009). Er werden in de omgeving van het plangebied steeds meer huizen gebouwd. Deze huizen hadden onder andere de vorm van ridderhofsteden, maar het grootste deel van de inwoners woonde nog altijd in kleine boerderijen.
De meeste boerderijen waren intertijd in eigendom van de vroenhoeve De Loo. Het plangebied maakte in deze tijd deel uit van het plaatsje ‘Veur’. Het hoorde tot 1646 bij Voorschoten en moest luisteren naar de familie van Wassenaer, die ook Voorburg bestuurde. In de tweede helft van de 17e eeuw werd Veur een aparte heerlijkheid. Uit deze eerste ontwikkelingsperiode van de historische kern van Leidschendam stamt ook het landgoed “Damsigt”. Dit landgoed was gelegen op circa 50 m ten westen van het plangebied. Het bestond uit een landhuis met daarbij tuinen, onderverdeeld met perceleringsgreppels. De tuinen bij het landgoed waren lineair ingericht, op Franse wijze. Voorburg bleef hierna eeuwenlang een kleine, landelijke gemeente. Het leven was veelal gefocust op het geloof. In de omgeving stonden diverse kapellen op heuvels. Eén zo’n kapel stond op de Elsberg, 20
circa 50 m ten noorden van het plangebied. De Elsberg werd aan het begin van de 17e eeuw afgegraven. In deze periode werd handel steeds belangrijker. De handel bloeide in de 19e eeuw nog verder op door de aanleg van een brede sluis in de Leidsche dam. Vanaf dat moment konden zowel kleine als grote schepen gebruik maken van de Vliet. Zo ontstond een verbinding tussen Delft, Leiden en Leidschendam-Voorburg (de Koning en van der Leer, 2009). Geraadpleegd kaartmateriaal Op geraadpleegde historisch-topografische kaarten en luchtfoto’s is te zien hoe het plangebied zich naar verloop van tijd heeft ontwikkeld. Voor een bestudering hiervan is onder andere gebruik gemaakt van de historische onderzoeken van Van Kouwen en Van Rijn (2008) en Van Rijn (2009). • Getuige de kaart van Nicolaes Cruquius uit 1712 lag het plangebied op een onbebouwd perceel net ten oosten van het landgoed ‘Damzigt’ (figuur 3). Aan de oostkant van Damzigt stonden ‘Paelen’ (grenspalen) om het landgoed van de rest van de Kleyn Plaspoel Polder af te scheiden. Ten zuiden van het plangebied ligt de Vliet. Op de kaart is verder het Leeuwesteyn te zien, dat ten westen van Damzigt lag. De pael ten noorden van de Kleyn Plaspoel Polder definieert het terrein van de kapel op de Elsberg. De Wip Molen zorgde ervoor dat de weidegronden in de polder droog bleven.
• Het Kadastraal Minuutplan uit de periode 1811-1832 laat zien dat het plangebied ligt op verschillende percelen die in gebruik zijn als weidegrond. In het oosten en het westen zijn perceelsloten aanwezig. De perceelsloot in het oosten loopt van oost naar west, terwijl de perceelsloot in het westen evenwijdig aan het plangebied van noord naar zuid verloopt (figuur 4; bron kaart: Beeldbank RCE). • Op een historische kaart van 1924 is te zien dat het plangebied nog altijd onbebouwd is (figuur 5). Door het oosten van het plangebied loopt wel een noord-zuid georiënteerde sloop, die haaks staat op de Vliet. Rond 1935 wordt direct ten noordoosten van het plangebied bebouwing gerealiseerd. Deze blijft hier aanwezig tot ongeveer 1961 (figuur 6). • Op een luchtfoto van de Royal Air Force uit 1944 is het plangebied ook nog onbebouwd (figuur 7). Het is dan in gebruik als weiland. • Volgens Van Rijn (2009) is het plangebied tot 1977 altijd in gebruik geweest als weiland. In 1977 is het plangebied voor het eerst bebouwd met een semi-permanent laboratorium van het Rijksinstituut der drinkwaterleiding. Door de kaarten en luchtfoto’s uit de periode van 1968 tot en met 1978 wordt dit beeld ondersteund (figuren 8 t/m 10). Op de kaart van 1968 is wel een cirkel ingetekend met stippelijnen, die er op kan duiden dat in het plangebied een verhoging of een laagte aanwezig was.
Een reliëfverschil is echter op basis van een luchtfoto van 1975 niet aanwezig. Op de luchtfoto van 1978 is te zien dat bouwwerkzaamheden bezig zijn in het plangebied. • Op een kaart van 1981 is geen bebouwing het plangebied weergegeven (figuur 11). In het westen staat dan een ‘ontgonnen landstrook’ (geel) gekarteerd. Dit zou er op kunnen duiden dat hier afgraving en/of baggerwerkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de sloot die ligt tussen het plangebied en het bedrijventerrein aan de Nieuwen Havenstraat. • In 1987 is het laboratorium in het plangebied gesloopt. Hierna werd in 1988 het kantoorpand Triadome gebouwd. Op luchtfoto’s uit 1987 en 1988 is deze ontwikkeling te volgen (figuren 12-13). Na de realisatie van het Triadome staat ook op topografische kaarten wel bebouwing gekarteerd. In 1990 heeft deze nog de vorm van het oude kantoorpand (figuur 14). Er staat dan in het noordoosten van het plangebied ook bebouwing. In 1998 is wel het Triadome weergegeven. • De huidige situatie in het plangebied is verder sinds 1998 tot op heden niet wezenlijk veranderd. Te zien op luchtfoto’s uit deze recente periode is dat er aan het beeld niets is veranderd (figuren 15-16).
21
Militair Erfgoed Volgens de Indicatieve Kaart van Militair Erfgoed (KME; www.ikme.nl) ligt in het zuiden van het plangebied een deel van het Neue-Landfront uit de Tweede Wereldoorlog. Dit was een Duitse verdedigingslinie achter de Atlantikwall, die een invasie vanuit de kust moest vertragen en die tevens aan de Atlantikwall rugdekking bood. In linies kunnen archeologisch gezien resten van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven, mangaten, overstoven betonbouw, versperringen, barakken, e.d. worden aangetroffen (bron: www.ikme.nl). Gezien echter het plangebied in de tweede helft van de 20e eeuw onderhevig is geweest aan bouwwerkzaamheden is het onwaarschijnlijk dat dergelijke resten (nog) aanwezig zullen zijn. Ook uit een luchtfoto van 1944 blijkt de aanwezigheid ervan niet (figuur 7). Bovendien is in plangebied en omgeving eerder een vooronderzoek explosievenopsporing uitgevoerd (AVG projectcode 1462056). Dit onderzoek is niet online raadpleegbaar6. Uit de Kaart van Verdedigingswerken in Nederland blijkt dat in het plangebied geen militaire resten of verdedigingswerken worden verwacht uit perioden anders dan de Tweede Wereldoorlog (bron: www.landschapinnederland.nl).
Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is momenteel in gebruik als bedrijventerrein met daarop het kantoorpand Triadome (1894 m2), een schuur (190 m2), geasfalteerde paden (tezamen 1838 m2) en parkeerplaatsen (1453 m2). Het overig deel van het plangebied is in gebruik als groenvoorzieningen met half-verharde paden (circa 4565 m2). De funderingen van het Triadome en de schuur zullen gezorgd hebben voor bodemverstoringen. De verstoring van de bodem door parkeerplaatsen, paden en parkeerplaatsen is doorgaans niet meer dan 20 à 30 cm -Mv. De oprichting van het Triadome dateert uit 1986. Op basis van historisch kaartmateriaal, historische luchtfoto’s, bouwtekeningen en het historisch onderzoek van Van Kouwen en Van Rijn (2008) zijn in het verleden verschillende gebouwen in het plangebied aanwezig geweest: • In 1977 zijn hier een tijdelijk laboratorium en twee opslagruimten opgericht (figuur 11). Hier is in 1980 een “portakabin” bij gebouwd. De vloer van het laboratorium bestond uit een stenen systeemvloer. In de opslagruimten lagen betonnen vloeren. In een bergruimte langs de sloot (haaks op de Vliet) bevonden zich in 1977 een trafohuisje, twee opslagen van chemicaliën en een fietsenstalling. De portakabin is hier naast gebouwd. Onder een groot deel van het laboratorium was een kruipruimte aanwezig.
De diepte van de kruipruimte alsook de funderingen van het laboratorium en bijgebouwen zijn aan de hand van de geraadpleegde bouwtekeningen onbekend (niet opgenomen). • In 1982 is een prefab opslagruimte voor afgewerkte chemicaliën opgericht aan de zuidwestkant van het perceel. Hiernaast is een zogenaamde “Flamstor-cabine” geplaatst. De basis-opbouw hiervan was gemaakt van staal. Aanwezig waren verder een looprooster en lekbak. Aan de hand van de geraadpleegde bouwtekening zijn ook de dieptes van de funderingen van deze bebouwing niet bekend (niet opgenomen). • Het laboratorium is in 1987 afgebroken. Het kantoorpand Triadome is in 1986 gebouwd. Hierbij werd ook, ten westen, een ‘fietsenberging annex containerruimte’ gerealiseerd. De fietsenberging bestond uit een glazen opbouw, systeem kassenbouw. De funderingswijze van het Triadome blijkt niet uit de bouwtekeningen (Van Kouwen en Van Rijn, 2008). Volgens de gemeente is geen ondergrondse HBO-tank aanwezig (bron: gemeente LeidschendamVoorburg, via Van Kouwen en Van Rijn, 2008). Verder zijn voor zover bij de gemeente bekend geen 6
De onderzoekrapportage is bij AVG opgevraagd maar kon niet worden verstrekt.
22
bodemonderzoeken of saneringen uitgevoerd in het plangebied (bron: gemeente-BIS; www.bodemloket.nl). Er is dus niet bekend of en in hoeverre de bodemkwaliteit is aangetast door activiteiten in het verleden. Wel wordt verwacht dat ‘potentieel milieuverdachte’ handelingen hebben plaatsgevonden. Hierdoor is de bodem mogelijk (ernstig) verontreinigd. Tot slot blijkt uit het historisch onderzoek van Van Rijn (2009) en historisch kaartmateriaal dat in het verleden verschillende perceelsloten in het plangebied aanwezig zijn geweest. Deze zijn door Van Rijn op kaart weergegeven (2009). De kaart is afgebeeld in bijlage 11. De diepte van de voormalige sloten is onbekend. De lichtblauwe lijnen die door Van Rijn in het westen van het plangebied zijn weergegeven betreffen de huidige Vliet.
Figuur 2. Uitsnede uit de kaart van Nicolaes Cruquius uit 1712. Het plangebied is hierop bij benadering met een rode cirkel gekarteerd (bron kaart: Van Rijn, 2009).
23
Figuur 3. Uitsnede uit een kaart van 1924. Het plangebied is hierop met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 4. Uitsnede uit het Kadastraal Minuutplan van 1811-1832. Het plangebied is hierop met rode lijnen gekarteerd (bron kaart: Beeldbank RCE).
24
Figuur 5. Het plangebied op een historische kaart van 1935. Deze situatie blijft tot 1961 op kaartmateriaal ongewijzigd (bron kaart: www.topotijdreis.nl).
Figuur 6. Het plangebied (rood, bij benadering) op een luchtfoto van de Royal Air Force van 1944 (Van Rijn, 2009).
25
Figuur 8. Uitsnede uit een kaart van 1968. Het plangebied is hierop bij benadering met rode lijnen weergegeven (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008).
Figuur 7. Het plangebied op een luchtfoto van 1975 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008).
26
Figuur 9. Aangezicht van het plangebied op een luchtfoto uit 1978 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008).
27
Figuur 10. Uitsnede uit een kaart van 1981. Het plangebied is hierop met rode lijnen gekarteerd (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008).
Figuur 11. Het plangebied op een luchtfoto uit 1987 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008).
28
Figuur 12. Het plangebied op een luchtfoto van 1988 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008).
Figuur 13. Uitsnede uit een topografische kaart van 1990. Het plangebied is hierop rood omlijnd weergegeven (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008).
29
Figuur 14. Het plangebied op een luchtfoto van 2000 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008).
Figuur 15. Het plangebied (rood omlijnd) op een actuele luchtfoto (bron luchtfoto: www.pdok.nl).
30
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Neolithicum-Romeinse tijd
Hoog
Vroege-Middeleeuwen
Laag
Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd Hoog Complextypen Stratigrafische positie
Nederzettingen, sporen van landgebruik, strooiing van vondsten, grafvelden Flank van de stuwwal (en mogelijk duinen) In de top van het Laagpakket van Walcheren In het Hollandveen Laagpakket
Diepteligging
Vanaf circa 0,4 m -NAP
Archeologische verwachting en periode Op basis van het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat er in het plangebied een hoge verwachting geldt op het aantreffen van archeologische waarden uit de perioden van het MiddenNeolithicum tot de Romeinse tijd en de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. De verwachting voor de Vroege-Middeleeuwen is laag. De verwachting staat schematisch gespecificeerd in de tabel aan het einde van dit hoofdstuk. Zowel op basis van landschappelijke gegevens als de vele onderzoeken die in de omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd kan worden geconcludeerd dat de bewoonbaarheid in het plangebied in het verleden veelal goed was. Tijdens het Neolithicum bevond het plangebied zich waarschijnlijk al op de flank van de oudste stuwwal die het landschap doorkruiste. Deze strandwal is ontstaan aan het begin van het Holoceen, circa 5000-4700 jaar geleden. Afzettingen van de strandwal zijn bij boringen uit Dinoloket in het plangebied aangetroffen op een diepte van 2,1 m -Mv (-2,1 m NAP). Niet bekend is of ter plaatse van de huidige bebouwing en historische bebouwing de strandwalafzettingen nog intact zijn. Veldonderzoek kan dit uitwijzen. Wanneer de afzettingen intact zijn geldt hierop een hoge verwachting voor het aantreffen van resten uit het Neolithicum en de Vroege-Bronstijd.
Gezien de ligging van het plangebied op de hoge strandwalflank kunnen bovendien resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd worden verwacht. Ook de kans hierop is op basis van onderzoeken in de omgeving hoog. Het plangebied is op enig moment in de periode Bronstijd-Vroege-Middeleeuwen wel bedekt geraakt met veen. Onbekend is in welke periode hiervan ter hoogte van het plangebied precies sprake is geweest. Op basis van het ontbreken van archeologische resten uit de Vroege-Middeleeuwen op de hoge strandwalflank in de omgeving van het plangebied wordt vermoed dat veenvorming in ieder geval toen heeft plaatsgevonden. De verwachting op resten uit deze periode is in het plangebied dan ook laag. Getuige de boring uit Dinoloket is in het plangebied ook sprake geweest van getijdewerking (Laagpakket van Walcheren). Getijdeafzettingen bevinden zich op een diepte van 90 tot 130 cm -Mv (0,8 tot -1,3 m NAP). Aan de hand hiervan is in ieder geval het zuiden van het plangebied tot aan de laatmiddeleeuwse ontginningen vermoedelijk te nat geweest voor bewoning. Na aanleg van de Vliet is het plangebied in gebruik geweest als weiland met enkele sloten. Het is tot aan 1978 onbebouwd gebleven. Uit de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd worden dus geen resten van bebouwing verwacht. Er kunnen zich uit deze periode wel resten van landgebruik in het plangebied bevinden.
Deze kunnen aanwezig zijn vanaf maaiveld. De kans op het laatste type resten is vooralsnog hoog.
31
Complextypen De te verwachten complextypen variëren per periode: • Voor het Neolithicum zullen de archeologische resten deels samenhangen met tijdelijke kampementen. Hier bleven de jagers-verzamelaars voor hooguit enkele seizoenen om voedsel te verkrijgen. De kampementen kenmerken zich vooral door concentraties van bewerkt vuursteen, houtskool en verbrand botmateriaal. Ook kunnen haardkuilen worden aangetroffen. Uit deze periode kunnen ook nederzettingsresten aan het licht komen met paalsporen, funderingsgreppels en wandstructuren van houtbouw, haardkuilen, afvalkuilen, waterputten, erfafscheidingen, veekralen en akkerlagen voorkomen. Tevens kunnen off-site structuren zoals infrastructuur. • Resten uit de Bronstijd en IJzertijd zullen vooral bestaan uit sporen van huisplaatsen of sporen van landgebruik (akkerbouw). Hier kunnen ook sporen en cultuurlagen worden aangetroffen van nederzettingsterreinen. Deze zijn te vinden in de vorm van paalkuilen, ploegkrassen, afvalkuilen of andere diepliggende sporen. Vondstcomplexen vooral bestaan uit vondstconcentraties van aardewerk, houtskool, vuursteen, (on)verbrand botmateriaal en bewerkt natuursteen. Uit de Bronstijd kunnen ook fragmenten metaal of metaalslak worden aangetroffen. Voor de IJzertijd geldt dat er in het plangebied mogelijk resten van een aangelegd kanaal of een natuurlijke kreek kunnen voorkomen.
• Het vondstenspectrum vanaf de Romeinse tijd kan uit verschillende typen resten bestaan. Dit kunnen zowel sporen en vondsten van nederzettingsterreinen als landgebruik betreffen. In het specifiek geldt verder voor het plangebied dat hier resten uit de Romeinse tijd aanwezig kunnen zijn die samenhangen met de aanleg van het kanaal van Corbulo7. Het eigenlijke kanaal ligt echter op basis van eerdere onderzoeken niet in het plangebied zelf (zie ook de kaart in bijlage 10). • Vondsten en sporen uit de periode van de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd zullen bestaan uit sporen van landgebruik. Dergelijke resten zullen waarschijnlijk worden aangetroffen in de top van de duinzandafzettingen of in een opgebracht zandpakket. In samenhang met sporen als greppels, waterkuilen en waterputten kunnen uit deze perioden aardewerk, houtskool, (vuur)steen, verbrand botmateriaal, hout en bouwmaterialen (bijvoorbeeld bak- of tufsteen) worden aangetroffen. Ook bestaat een kans op het aantreffen van metalen voorwerpen. Stratigrafische positie en diepteligging • Resten uit het Neolithicum en de Vroege-Bronstijd kunnen in het plangebied voorkomen in de strandwalafzettingen uit het begin van het Holoceen. De strandwalafzettingen zijn in het plangebied aangetroffen op 2,1 m -Mv (-2,1 m NAP).
• Resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd kunnen zich ook aandienen op de strandwalafzettingen en in overstoven niveaus (duinafzettingen) direct bovenop de oorspronkelijke strandwalafzettingen. • Resten va landgebruik uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen voorkomen in de bovenste laag van de ondergrond, namelijk op getijdeafzettingen of in een opgebracht pakket. Ze kunnen vanaf maaiveld worden aangetroffen. Bovenstaande archeologische verwachting is, gezien de verkennende fase van het onderzoek sterk afhankelijk van de mate van intactheid van de bodemopbouw in het plangebied. Om deze verwachting te kunnen toetsen moet een veldonderzoek verricht worden. Enkel hierdoor kan uitspraak gedaan worden over de intactheid van de bodem, de diepteligging van eventueel aanwezige archeologische niveaus en (hiermee) de strategische positie van het plangebied.
7
Resten van het kanaal zelf worden in het plangebied overigens niét verwacht.
32
Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.
1
Datering
2 3 4
Complextype Omvang Diepteligging
5
Gaafheid en conservering
6
Locatie
7
Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Archeologische verwachting Hoog Neolithicum-Romeinse tijd
Reden Ligging op strandwal bedekt met veen en getijdeafzettingen Laag Vroege-Middeleeuwen Afwezigheid van vindplaatsen in de omgeving, veenvorming en getijdewerking Middelhoog Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd Geen bebouwing op historisch kaartmateriaal, maar wel indicaties voor ontginningen en vindplaatsen in de omgeving Kampementen, nederzettingen, grafvelden, sporen van landgebruik (ontginningen) 50-2000 m2 (kampement-omvang huisplaats, algemeen) Top van de strandwalafzettingen rond 210 cm -Mv (-2,1 m NAP) Vanaf maaiveld in duinzand of een opgebracht pakket +/Naar verwachting kan het archeologische niveau voor het Neolithicum tot de Romeinse tijd nog intact zijn. Er wordt namelijk verwacht dat veen en getijdeafzettingen de natuurlijke strandwalafzettingen hebben afgedekt, en zo behoed van verstoringen. Naar verwachting zijn vroegmiddeleeuwse resten niet aanwezig: bewoning was door natte omstandigheden vermoedelijk maar beperkt mogelijk en resten uit deze tijd kunnen door recenter gebruik van het terrein zijn verstoord. Voor resten uit de Late-Middeleeuwen/ Nieuwe tijd wordt verwacht dat ze ter hoogte van de huidige bebouwing verstoord kunnen zijn geraakt, maar dat ze in de rest van het plangebied intact aanwezig kunnen zijn.
Onbekend, op dit moment Neolithicum-Romeinse tijd in het hele plangebied en Late-Middeleeuwen/ Nieuwe tijd op het onbebouwde deel van het plangebied Concentratie van vuursteen, aardewerk, al dan niet verbrand bot, houtskool grondsporen, mogelijk sporen van complextypen uit perioden vanaf het Neolithicum Met de realisatie van het Triadome en een voormalig laboratorium kan de bodem plaatselijk zijn aangetast. Nog onduidelijk is tot op welke diepte de verstoringen reiken. Of met de werkzaamheden de archeologische niveaus zijn aangetast, is daardoor niet bekend. Verder kan in het plangebied sprake zijn van (ernstige) bodemverontreiging.
33
10. Conclusies en advies Het archeologisch bureauonderzoek heeft uitgewezen dat er in het plangebied over het algemeen sprake is van een hoge archeologische verwachting. De hoge verwachting hangt samen met de ligging van het plangebied op de hoge flank van een strandwal, die zich heeft gevormd in het MiddenNeolithicum. Hiervan is in de omgeving van het plangebied bij een groot aantal eerder uitgevoerde onderzoeken aangetoond dat bewoning vanaf de vorming ervan heeft plaatsgevonden. Op basis van onderzoeken in de omgeving is de strandwal in elk geval intensief bewoond in de perioden IJzertijdRomeinse tijd en de 11e/12e eeuw tot en met heden. In het plangebied kunnen zich van de intensieve bewoning uit de IJzertijd-Romeinse tijd resten aandienen in de top van het natuurlijke strandwalzand. Deze afzettingen zijn afgedekt door veen en getijdeafzettingen, hetgeen ervoor kan hebben gezorgd dat resten behoed zijn van verstoringen en als het ware zijn ‘vastgelegd’. In de top van de strandwal kunnen zich ook resten bevinden uit de periode Neolithicum en Bronstijd. De top van de strandwalafzettingen bevindt zich naar verwachting in het plangebied op een diepte van ongeveer 2,1 m -Mv (-2,1 m NAP). De kans op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met Romeinse tijd is in het plangebied hoog.
Uit de Vroege-Middeleeuwen kunnen theoretisch gezien in het plangebied ook resten worden aangetroffen. Ze worden op basis van onderzoeken in de omgeving echter niet direct verwacht, waardoor de kans erop laag is. Eventuele archeologische sporen uit deze periode zijn vermoedelijk vergraven door latere ontginningen en grondgebruik. Verder geldt voor het plangebied dat het tijdens de Vroege-Middeleeuwen vermoedelijk was bedekt met veen en onderhevig was aan getijdewerking. Op de getijdeafzettingen (Laagpakket van Walcheren, vanaf circa 90-130 cm -Mv / -0,8 tot -1,3 m NAP) kunnen zich resten bevinden uit de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Deze resten zullen bestaan uit sporen van landgebruik. In associatie hiermee kan ook vondstmateriaal worden aangetroffen. De kans op het aantreffen hiervan is hoog. Op basis van historisch kaartmateriaal worden uit de Late-Middeleeuwen/ Nieuwe tijd geen sporen en/of resten van bebouwing verwacht: de verwachting hierop is dus laag. Advies Op basis van de hoge archeologische verwachting vanaf maaiveld en de hoge archeologische verwachting op een diepte van circa 2 m -Mv adviseert Transect b.v. om in het kader van de ruimtelijke procedure een inventariserend archeologisch veldonderzoek uit te voeren. Bij dit onderzoek kan worden aangetoond in hoeverre in de ondergrond archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn.
Ook de intactheid van deze niveaus alsmede reeds aanwezige verstoringen kunnen hiermee in kaart worden gebracht. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek (IVO-O), Op basis daarvan kan dan een gerichter advies worden uitgebracht over de impact van de werkzaamheden op eventueel aanwezige (intacte) archeologische niveaus. Met betrekking tot de geplande transformatie van het terrein adviseert Transect b.v. om hier ten behoeve van het behoud van archeologische resten grondwerkzaamheden zoveel mogelijk te beperken tot een diepte van 1,5 m -Mv of minder. Hierbij blijft een buffer behouden van circa 50 cm boven het archeologisch niveau (aangezien dit in de meeste gevallen niet geheel vlak zal zijn). In dat geval is archeologisch behoud in situ mogelijk. Dit heeft vanuit archeologisch oogpunt de voorkeur. Ook gaat de voorkeur uit naar grondwerkzaamheden met een zo gering mogelijke oppervlakte (optie 1: transformatie). Met deze diepte en een zo gering mogelijke oppervlakte bestaat namelijk een kleinere kans dat ook dieper gelegen archeologische resten (uit perioden voor de LateMiddeleeuwen/Nieuwe tijd) geroerd worden.
34
Voor heipalen adviseren wij aan de hand van de ‘Handreiking Archeologievriendelijke Bouwen’ van het RCE (2016) ze in aantal zoveel mogelijk te reduceren door het toepassen van zwaardere palen en zwaardere funderingsbalken, en een flexibel palenplan. Daarbij adviseren wij de heipalen zo ver mogelijk uit elkaar te plaatsen, ten minste 300 cm (cf. RCE, 2016). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Leidschendam-Voorburg) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
35
11. Geraadpleegde bronnen • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
Archeologische kaarten en databestanden Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. Nota ‘Bodemarchief ontrafeld’, gemeente Leidschendam-Voorburg (2009). Nota ‘Archeologie herijking’, gemeente Leidschendam-Voorburg (2013). Bestemmingsplan ‘Nieuw Damsigt’, gemeente Leidschendam-Voorburg (2013). Archeologische beleidskaart, gemeente Leidschendam-Voorburg (2013). Richtlijnen voor bureau- en booronderzoek, gemeente Leidschendam-Voorburg (2015). Historische kaart van Jacob en Nicolaes Cruquis (1712) Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 en bijbehorende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl). www.ahn.nl www.pdok.n www.ruimtelijkeplannen.nl www.opentopo.nl www.planviewer.nl www.topotijdreis.nl www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl www.edugis.nl www.bagviewer.kadaster.nl www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.zoeken.cultureelerfgoed.nl www.ikme.nl www.tracesofwar.nl www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart www.verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl www.arcgis.com www.kadaster.nl
Literatuur RCE, 2016. Handreiking archeologievriendelijk bouwen. SIKB, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Bakker, H., De 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland, in Boor en Spade (red.), ‘Verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem in Nederland’, 25-39. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Van Gorcum, Assen. Bergman, W.A., 2018. Gemeente Leidschendam-Voorburg. Plangebied Park Vronesteyn 12B te Voorburg. Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC Rapport V-18.0182. Cock, J.K. de, 1966. De Haagse Groene Stenen Bijl. Den Haag: Westerheem 15(1), 17-19. Dasselaar, M. van, 2016. Archeologisch onderzoek Park Leeuwensteijn 81 te Voorburg (gemeente Leidschendam-Voorburg). Bureauonderzoek met karterende boringen. ArcheoMedia Rapport A16-105-I (concept bureauonderzoek, 5 december 2016). 36
Hagers, J.-K.A., W.A.M. Hessing, L.I. Kooistra, M.T.M. Schaepman en C.E. Vermeeren, 1992. Nederzettingssporen uit de midden-bronstijd in Park Leeuwensteijn – Voorburg (Z-H). Hijma, M.P., 2010. From river valley to estuary: the early-mid Holocene transgressions of the Rhine-Meuse Valley, the Netherlands, Netherlands Geographical Studies 289(1). Utrecht, Utrecht University. Jansen, B. en I. Briels, 2019. Plangebied Dr. V.d. Stamstraat. Gemeente Leidschendam-Voorburg. Archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek. RAAP-rapport 3947. Jansen, B. en S. Warning, 2015. Plangebied Voorburgseweg-Dr. V.d. Stamstraat in Leidschendam. Gemeente Leidschendam-Voorburg. Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase). RAAP-rapport 3073. Jonge, W. de en D. Raemakers, 2006. Een uit Voorburg verdwenen bijl van de Vlaardingengroep, in W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), ‘Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht: Stichting Matrijs. Jordanov, M.S., 2018. Plaspoelkade Cluster A2 en A3, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek. RAAP-rapport 3522. Kempen, P.A.M.M., 2004. Plangebied Damcentrum Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg; archeologisch vooronderzoek: proefsleuven Damplein. RAAP-rapport 1095. Koning, L. de en K. van der Leer, 2009.
De canon van Leidschendam-Voorburg, Historisch Voorburg 95(1). Kort, J.W. de en Y. Raczynski-Henk, 2008. Plangebied Rietvinklaan 5, gemeente Leidschendam-Voorburg: archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (proefsleuven). RAAP-rapport 1428. Kouwen, I. van en M. van Rijn, 2008. Historie. Dokter van der Stamstraat 4 te Leidschendam. Leidschendam-Voorburg: Gemeente Leidschendam-Voorburg, afdeling Stad/Ruimtelijke Ontwikkeling. Kruidhof, C.N., 2005. Milieuparken Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg; een archeologische begeleiding. RAAP-notitie 1419. Lesparre-De Waal, M.S., 2006. Locatie Polderberging, plangebied Damcentrum, gemeente LeidschendamVoorburg; inventariserend veldonderzoek (zoeksleuf). RAAP-rapport 1321. Molthof, H.M., 2019. Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek. RAAP-rapport 3456. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof en T.E. Wong. De ondergrond van Nederland. Houten, 2003. Parlevliet, P., 2001. De Rijnmond verstopt, in Dijkstra (red.), ‘Rijn & Maas’, 144-155. Raemakers, D. en R. van Heeringen, 2006. Prehistorische bewoning. Vlaardingen Groep, Bronstijd en IJzertijd, in de Jonge, W., J. Bazelmans en D. de Jager (red.), ‘Forum Hadriani, van Romeinse stad tot monument’, Utrecht. RCE, 2016.
Handreiking Archeologievriendelijk Bouwen. Rijn, M. van, 2012. Historie i.v.m. Gebiedsvisie Klein Plaspoelpolder in Gemeente L’dam-Voorburg. Leidschendam-Voorburg: Gemeente Leidschendam-Voorburg, afdeling Ruimtelijke Ordening. Smit, B.I., 2006. Plangebied Zonnewijzer (locatie vijver), gemeente Leidschendam-Voorburg; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuf). RAAP-rapport 1295. 37
Steur, G.G.L. en W. Heijink, 1972. Moerige gronden in Nederland / Peaty soils in The Netherlands, in Boor en Spade (red.), ‘Verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem in Nederland’, 9-40. Stouthamer, E./K.M. Cohen/W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land, Utrecht. Valk, L. van der, 1996. Geology and sedimentology of Late Atlantic sandy, wave-dominated deposits near The Hague (South Holland, the Netherlands): a reconstruction of an early prograding coastal sequence, in ‘Coastal studies on the Holocene of the Netherlands’ (Beets, D.J., M.M. Fischer en W. de Gans, red.), Mededelingen Rijks Geologische Dienst 57(1), 201-208. Vos, P., 2015. Geoarcheologische kaart van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Ytsma, W.A. en E.B.J. Amsing, 2016. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek archeologie Park Vronesteyn, Voorburg. Arcadis Archeologische Rapporten 110. Zagwijn, W.H. en C.J. van Staalduinen (red.), 1975: Toelichting bij de geologische overzichtskaarten van Nederland, Haarlem. Figurenlijst Figuur 1. Locatie van het plangebied op een topografische kaart (bron kaart: www.pdok.nl). .................. 10 Figuur 2. Uitsnede uit de kaart van Nicolaes Cruquius uit 1712. Het plangebied is hierop bij benadering met een rode cirkel gekarteerd (bron kaart: Van Rijn, 2009). .................................................................... 23 Figuur 3.
Uitsnede uit een kaart van 1924. Het plangebied is hierop met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl). ................................................................................................................................ 24 Figuur 4. Uitsnede uit het Kadastraal Minuutplan van 1811-1832. Het plangebied is hierop met rode lijnen gekarteerd (bron kaart: Beeldbank RCE). .................................................................................................. 24 Figuur 5. Het plangebied op een historische kaart van 1935. Deze situatie blijft tot 1961 op kaartmateriaal ongewijzigd (bron kaart: www.topotijdreis.nl). ......................................................................................... 25 Figuur 6. Het plangebied (rood, bij benadering) op een luchtfoto van de Royal Air Force van 1944 (Van Rijn, 2009). ............................................................................................................................................... 25 Figuur 8. Het plangebied op een luchtfoto van 1975 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008). ........................ 26 Figuur 7. Uitsnede uit een kaart van 1968. Het plangebied is hierop bij benadering met rode lijnen weergegeven (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008). ................................................................................... 26 Figuur 9.
Aangezicht van het plangebied op een luchtfoto uit 1978 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008). . 27 Figuur 10. Uitsnede uit een kaart van 1981. Het plangebied is hierop met rode lijnen gekarteerd (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008). ...................................................................................................................... 28 Figuur 11. Het plangebied op een luchtfoto uit 1987 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008). ....................... 28 Figuur 12. Het plangebied op een luchtfoto van 1988 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008). ...................... 29 Figuur 13. Uitsnede uit een topografische kaart van 1990. Het plangebied is hierop rood omlijnd weergegeven (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008). ................................................................................... 29 Figuur 14. Het plangebied op een luchtfoto van 2000 (uit Van Kouwen en Van Rijn, 2008). ...................... 30 Figuur 15. Het plangebied (rood omlijnd) op een actuele luchtfoto (bron luchtfoto: www.pdok.nl). ......... 30 Tabellenlijst Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel. .................................................................... 33
38
Archeologische periode-indeling voor Nederland Periode
Deel-/subperiode
Recent
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
Nieuwe Tijd
Late-Nieuwe tijd Midden-Nieuwe tijd Vroege-Nieuwe tijd
1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.
1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.
Middeleeuwen
Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A
1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.
1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.
450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
IJzertijd
Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd
250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.
12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.
Bronstijd
Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd
1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.
800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.
Neolithicum
Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A
2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.
2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.
Mesolithicum
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum
6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.
4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.
Paleolithicum
Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum
18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -
8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP
39
Huidige situatie in het plangebied
40
41
42
Optie 1: transformatie
43
44