CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2822 03. Ruimtelijke onderbouwing (GRO), inclusief bijlagen

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor de Triadome locatie.32.708 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Spelregelkaarten deellocatie Triadome Klein Plaspoelpolder Begin 2015 heeft de raad ingestemd met de Ontwikkelvisie Klein Plaspoelpolder – Ruimte voor Ideeën. Deze Ontwikkelvisie geeft het ruimtelijk kader voor transformatie van Klein Plaspoelpolder naar een verblijfsgebied en voorziet in een grof en gedefinieerd raamwerk van openbare ruimte en nader uit te werken deellocaties. Hoofdthema van de ontwikkelvisie is het realiseren van samenhang in Klein Plaspoelpolder. Een belangrijk ingrediënt voor de samenhang is een aaneengesloten openbare ruimte. Een openbare ruimte die de aanwezige kwaliteiten in Klein Plaspoelpolder met elkaar verbindt en versterkt. Een openbare ruimte waar

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 24

men zich op prettige wijze kan verplaatsen langs de groen- en waterstructuur. Een robuust raamwerk voor toekomstige ontwikkelingen binnen Klein Plaspoelpolder. Het bundelen en versterken van de aanwezige kwaliteiten in de groen- en waterstructuur is een ideaal vertrekpunt voor de transformatie van Klein Plaspoelpolder naar een aantrekkelijk verblijfsgebied. Een verblijfsgebied dat tevens gekenmerkt wordt door:   

Een centrale en beschutte ligging in de gemeente Leidschendam-Voorburg; Een groenstedelijk karakter dat aansluit op de kwaliteiten van de omliggende (woon)wijken; Een gemengd karakter door toevoeging van functies die het verblijfskarakter moeten versterken.

In de Ontwikkelvisie is ingezet op een herkenbare samenhang tussen de deellocaties binnen Klein Plaspoelpolder en het vormgeven van een herkenbare en goed toegankelijke openbare ruimte. Samenhang welke zichtbaar verbeterd wordt door:    

Een continue en aaneengeschakelde openbare ruimte; Duidelijke relatie bebouwing en openbare ruimte; Samenhang bebouwing en bebouwingshoogte; Levendigheid in het gebied door kleinschalige functiemenging.

3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling Binnen de gemeente is een grote verscheidenheid aan woonmilieus aanwezig en de gemeente wordt gekenmerkt door een hoge kwaliteit voor wat betreft wonen. Voor het rustig stedelijk woonmilieu is echter een tekort geconstateerd. Klein Plaspoelpolder biedt voldoende kansen op ter plaatse een rustig stedelijk woonmilieu te realiseren. Dit type woonmilieu sluit tevens aan op de huidige door woonconsumenten gevraagde woon- en groenkwaliteit in de gemeente en is derhalve van toepassing op de gehele Klein Plaspoelpolder. De volgende spelregels vloeien voort uit de ontwerpprincipes voor het inrichten van een rustig stedelijk woonmilieu: Eis             Ambitie    

Een mix van diverse woningtypologieën; Bouwhoogte in samenhang met aangrenzende bouwhoogtes variërend van 2 lagen met kap tot 8 bouwlagen. Dit kan verschillen per deellocatie en per gebiedsdeel binnen de deellocaties; Geen gesloten bouwblokken; Logische adressering; Woningen hebben aan de voorzijde een herkenbare overgang tussen privé en openbaar gebied; Een rij aaneengesloten bebouwing mag niet langer zijn dan 50 meter; Geen blinde gevels op de koppen; Parkeren zo veel als mogelijk uit het zicht en clusteren in parkeerhoven of (half) onder de grond; Langsparkeren mogelijk aan beide zijden van de hoofdontsluiting; Eventuele nieuwe watergangen worden voor zover ze geen ligplaatsfunctie hebben, voorzien van natuurvriendelijke oevers; Voor alle functies geldt de Nota Parkeernormen en regelgeving omtrent ‘Werken aan huis’; Ventilatiesystemen op gebouwniveau moeten uit te schakelen zijn in het geval van een calamiteit. Bebouwing heeft diverse verschijningsvormen, maar blijft familie van elkaar; Streven is om woningen toekomstbestendig te bouwen (goed toegankelijk en relatief eenvoudig aanpasbaar voor toekomstige bewoning door andere doelgroepen); Wanneer zichtbaar, zonne-energievoorzieningen architectonisch inpassen; Ruimte voor economische bedrijvigheid voor zowel werken aan huis als werken & ontmoeten.

Los van de hierboven beschreven eisen en ambities ten aanzien van het rustig stedelijk woonmilieu gelden per deellocatie aanvullende spelregels die bijdragen aan de realisatie van het hiervoor genoemde woonmilieu. Deellocatie Triadome De projectlocatie, direct gelegen aan de Vliet, is bekend als deellocatie ‘Triadome’. Deze biedt vanwege zijn ligging voldoende kansen om een bijzonder woonmilieu aan het water te realiseren. De Vliet zal geflankeerd worden door een brede openbare groenzone. Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 25

De deellocatie ‘Wonen aan de Vliet’ is gelegen aan drie belangrijke structuren binnen Klein Plaspoelpolder:   

Beleef de Vliet (openbare groene oever); Groenblauwe verbinding (Verbinding van wijk Damsigt Vliet); Langzaam verkeersverbinding richting Damcentrum.

Voor deze deellocatie zijn twee spelregelkaarten uitgewerkt: een voor transformatie van het bestaande gebouw en een voor sloop/nieuwbouw. De volgende spelregels zijn ten aanzien van sloop-nieuwbouw opgesteld naast de algemene spelregels met betrekken tot het rustig stedelijk woonmilieu. Eis            

Bebouwingspercentage max 50% Geleidelijke overgang in bouwhoogtes in relatie tot de bestaande omliggende bebouwing: nabij de EGW max. 14 m., via 17 m. naar 26 m. nabij de Arcadeflat; Diversiteit in woninggroottes en typologie; Massieve bouwblokken moeten voorkomen worden, bijvoorbeeld door de bovenste bouwlaag niet in het verlengde van de gevel te plaatsen; De gebouwen zijn alzijdig georiënteerd; De gebouwen vormen tezamen een ensemble; Tweede doorzicht naar de Vliet tbv Arcadeflat en Dr v/d Stamstraat ter bevordering van luchtigheid; Tussen de gebouwen een groen landschap dat ook voor minder valliden toegankelijk is; Streven naar alleen bezoekersparkeren in het zicht en op maaiveldniveau; Al het parkeren op eigen kavel en groen ingepast; Minimaal evenveel m2 groen als in huidige situatie; Inpassen bestaande waardevolle bomen of verplanten binnen het project;

Ambitie       

De bestaande kas als vrijstaand onderdeel in het plangebied behouden; Hergebruik van de kas bv. voor buurtfunctie, in samenhang met bewonersinitiatief theekoepel; Bedrijfs˗ en daghorecafuncties (tm cat. 1) mogelijk passend bij het rustig stedelijk woonmilieu; Mogelijkheid Aquathermie Dunealeiding benutten; Toepassing van groene gevels en balkons; Inrichting buitenruimte thema Vliet Aanlegplaats mogelijk door verbreden watergang, geen doorvaart de watergang op (ivm leidingstrook).

Figuur 9. Uitsnede spelregelkaart Triadome Klein Plaspoelpolder (spelregelkaart deellocatie Triadome / herontwikkeling).

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 26

3.4.4.2 Conclusie Het voorgenomen initiatief is een uitwerking van de spelregelkaart zoals die is opgesteld voor de deellocatie Triadome en betreft op zijn beurt weer een uitvloeisel van de beoogde transformatie van het gebied Klein Plaspoelpolder. Het doel is om binnen de projectlocatie drie woonblokken te realiseren, waarmee in totaal 123 appartementen gerealiseerd worden. Van het totale aantal appartementen is 30% gereserveerd voor sociale huur. Van de 37 sociale huurappartementen beschikken 36 appartementen over één slaapkamer (< 65 m2). De overige sociale huurwoning beschikt over twee slaapkamers (65-90 m2). De rest zijn koopappartementen, waarvan 24 ook compact (< 65 m2) zijn vormgegeven en beschikken over één slaapkamer. De grotere appartementen vanaf 65 m2 en groter beschikken over twee of meer slaapkamers. Het betreft zodoende een mix van diverse woningtypologieën en is conform de spelregels die voor deze ontwikkellocatie gelden. De bouwhoogte van de woongebouwen bedraagt respectievelijk 17, 23, en 26 meter en voldoet aan de spelregelkaart deellocatie Triadome. Daarnaast is sprake van een geleidelijke overgang in bouwhoogtes in relatie tot de omliggende bebouwing. De woongebouwen worden op een verhoogd maaiveld geplaatst, waaronder een half verdiepte parkeergarage wordt gerealiseerd. Deze parkeergarage biedt ruimte aan 120 parkeerplaatsen.

Naast de parkeerplaatsen in de garage worden in totaal 59 parkeerplaatsen op maaiveld gerealiseerd. Daarnaast wordt binnen het plan voorzien in de realisatie van in totaal 554 fietsparkeerplaatsen. Het plan voldoet hiermee aan de eis om het aspect parkeren op eigen kavel op te lossen. De half verdiepte parkeergarage zorgt ervoor dat de meeste auto’s uit het zicht verdwijnen. Op het garage dak wordt een binnentuin gecreëerd met doorzichten naar de Vliet. De woongebouwen aan de kant van De Bolder zijn lager en richting de Arcadeflat worden deze hoger. De bovenste lagen van de woongebouwen zijn voorzien van teruggetrokken gevels waardoor de bouwblokken luchtiger ogen en tegelijkertijd de mogelijkheid creëren om grotere appartementen met ruime terrassen te realiseren met uitzicht over het water. Figuur 10. Impressie (bron: TconcepT).

De groen-blauwe verbinding aan de watergang ten westen van de projectlocatie blijft gewaarborgd en tevens is bij de uitwerking van het plan rekening gehouden met de gewenste verbinding naar aangrenzende kavels en blijft de beleving aan de Vliet gewaarborgd als gevolg de 15 meter bebouwingsvrije ruimte waar een groen wandelgebied wordt ingericht. Het gebied tussen de woongebouwen wordt met groen ingericht. In de spelregelkaart is vastgelegd dat het bebouwingspercentage maximaal 50% bedraagt. Ook aan deze eis wordt bij de planuitwerking voldaan, aangezien slechts 42% van de projectlocatie als gevolg van het initiatief wordt verhard. Dit betreft tevens een afname ten opzichte van de bestaande situatie. Ook op de daken van de woongebouwen wordt groen toegevoegd (woongebouw A circa 525 m2, woongebouw B circa 425 m2 en

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 27

woongebouw C circa 300 m2). De groep rode beuken is als uitgangspunt gehanteerd voor de positionering van de woongebouwen en blijven hierdoor behouden, wat conform de eis uit de spelregelkaart voor de deellocatie is. Het voorgenomen initiatief is in lijn met de vastgelegde spelregels zoals die gelden voor de deellocatie Triadome.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 28

4

OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING / LANDSCHAPPELIJKE INPASSING De huidige situatie bestaat uit een leegstaand kantoorpand uit de jaren 80 met een glazen gevel. Het gebouw heeft een anonieme uitstraling door de respectievelijk vlakke gevel en misleidende witte banden die een hoger gebouw suggereren. De vorm en ligging van het gebouw heeft weinig relatie met de omgeving en is eerder een barrière in de relatie met het water. Op het terrein is beperkt groen aanwezig waardoor een stenen parkeerterrein en auto’s het beeld domineren. De locatie heeft door de directe ligging aan de Vliet, aanwezigheid van woningen aan De Bolder en de Arcadeflat, nabijheid van openbaar vervoer en voorzieningen en het oude centrum van Leidschendam potentie voor een woonmilieu met hoge kwaliteit. De locatie is een scharnierpunt waar de grondgebonden woningen van De Bolder en grote schaalsprong naar de Arcadelflat elkaar ontmoeten. Het nieuwe plangebied is aan de noordzijde begrensd door de langzaam verkeersverbinding conform de spelregelkaart. Aan de oostzijde liggen in een zone van ca. 20m de waterleidingen van Dunea onder waarop niet gebouwd mag worden en aan de Vlietzijde is een strook van 15m gereserveerd die als een groen wandelgebied langs de Vliet zal worden ingericht.

De nieuwe stedenbouwkundige opzet bestaat uit 3 gebouwen die door de grootte en positionering aansluiten in de huidige stedelijke weefsel. Het ensemble begint aan de zijde van De Bolder laag met ca. 17m hoogte en neemt in hoogte en schaal richting Arcadeflat toe en eindigt met ca. 26m voor het hoogste gebouw in een L vorm die het gebied ruimtelijk begrenst. Alle gebouwen liggen op een vrij toegankelijk verhoogd maaiveld die door groene taluds en verschillende trappartijen de relatie met het straatniveau versterken. Door de verhoging van het maaiveld zijn de meeste parkeerplaatsen uit het zicht verdwenen en er ontstaat een groene oase die op het verhoogde maaiveld een meer intiemer en privé karakter heeft die de ensemblewerking zal versterken. Langs de Vliet en aan de randen van het plan heeft het groen een meer open uitstraling naar de omgeving en sluit aan op de ‘beleef de Vliet’ concept dat vanuit de gemeente is opgenomen in de spelregelkaart en momenteel in ontwerpfase is. Door de positionering van de gebouwen ontstaan er meerdere doorzichtlijnen vanuit de omgeving richting het water. In de gebouwvolumes aan de Vlietzijde is een vertanding opgenomen die enerzijds aansluit op de reeds aanwezige vertanding t.p.v. grond gebonden woning van De Bolder en anderzijds de volumes verfijnen waardoor ze in schaal een betere aansluiting hebben in de omgeving.

De bovenste lagen van alle gebouwen hebben teruggetrokken gevels waardoor de gebouwen luchtiger ogen en tegelijkertijd ontstaan er buitenruimtes met hoge kwaliteit met zicht op de Vliet en de omgeving. Landschap / natuur In lijn met de ruimtelijke opzet en de uitwerking van de openbare ruimte van het Triadome complex maximaal ingezet op het verweven van het complex met de omgeving. Het landschap loopt daarbij als het ware vanuit de Vlietoevers over het complex door naar de omgeving van de Arcadeflat en de verdere omgeving. Daarbij vormt het landgoedkarakter dat als vertrekpunt is gehanteerd in het ontwerp voor de openbare ruimte ook het vertrekpunt voor de vormgeving en sfeer van het Triadome-complex. Het hoger gelegen dek van het complex is zo ontsloten dat er logische functionele verbindingen ontstaan tussen de parkeergarage, ingangen van de woongebouwen, het parkeerterrein en de omgeving (Vlietzone en Dokter van der Stamstraat). Door deze opzet ontstaat er bovendien ruimtelijk een sterkere visuele verbinding vanuit de Klein Plaspoelpolder, via het complex naar de Vlietzone (een vizier op de Vliet). In het verlengde van die zichtlijn komt ook een ontsluiting van het verhoogde dek naar het maaiveld aan de Vlietzone.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 29

Bestaande bomen De groep rode beuken is als uitgangspunt gehanteerd voor de positionering van de woongebouwen en blijven hierdoor behouden. Naar de toekomst toe hebben ze voldoende ruimte om zich verder te kunnen ontwikkelen. Groenstructuur Vanuit de Vlietzone wordt het robuuste en gedifferentieerde beplantingsbeeld vanuit de openbare ruimte ‘naadloos’ doorgezet via de taluds naar het hoger gelegen dek. Aan de zijde van de Arcadeflat loopt ditzelfde beeld vervolgens langs de taluds door richting de openbare ruimte. Op het dek zelf wordt dit beeld geïntensiveerd door het toevoegen van meer heesters en kleine bomen waardoor de eigen identiteit van het complex op subtiele wijze wordt benadrukt. Langs de Zandvliet wordt het groene beeld geïntensiveerd met meer opgaande beplanting die aansluit op de ‘vallei-ontwikkeling’ met beschutte natuurlijke beplanting zoals in het VO voor de openbare ruimte wordt beoogd. In de zone wordt een (niet toegankelijke) onverharde route open gehouden voor het onderhoud van gebouw A. Parkeren wordt maximaal in de garage opgelost. Bezoekers parkeren en een deel van het bewoners parkeren wordt op het terrein ingepast. De uitstraling is zo groen mogelijk door het toepassen van open verharding, hagen en kleinere bomen (binnen de beperkingen die vanuit de aanwezige leidingen tracés gelden).

Biodiversiteit en natuurinclusiviteit Het complex vormt een bouwsteen voor het verhogen van de biodiversiteit van de Plaspoelpolder. Allereerst door de compactere footprint van gebouwen / verharding waardoor het aandeel groen sterk stijgt. Ten tweede doordat met de invulling ervan het landschap vanuit de omgeving zoveel mogelijk wordt doorgezet op het complex waardoor het complex een bouwsteen wordt in de totale ecologische structuur van Plaspoelpolder. Een derde bijdrage wordt geleverd door het creëren van meerdere biotopen door de afwisseling van vegetatietypes, hellingen en verschillen in zon/schaduw, nat en droog. Dit wordt verder uitgebouwd door het integreren van diverse natuurinclusieve maatregelen in het gebouwontwerp zoals klimplanten, nestelplekken en groene daken. In onderstaande figuren zijn de kleuren en materialen voor de gebouwen A, B en C weergegeven. Figuur 11. Kleuren en materialen gebouw A.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 30

Figuur 12. Kleuren en materialen gebouw B.

Figuur 13. Kleuren en materialen gebouw C.

MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 31

Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:  

Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6 van het Bro: 

Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat de realisatie van 123 appartementen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, wel worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. De vraag naar bepaalde woningtypen, prijsklassen een woonmilieus is bepalend. Verder streeft de gemeente naar een evenwichtige opbouw van de bevolking. Met het voorgenomen woningbouwinitiatief wordt een bijdrage geleverd aan het behalen van de doelstellingen om de woningbouwopgave te realiseren op reeds bebouwde plekken in het stedelijk gebied, zodat het bestaande groene karakter behouden blijft en versterkt kan worden. De uitbreiding van de woningvoorraad vindt plaats door binnenstedelijke verdichting met veelal gestapelde bouw in een veilige en toegankelijke leefomgeving. In de Bouwsteen groene woongemeente is onder andere vastgelegd dat 30% van de woningen per project als sociaal gerealiseerd dient te worden en 20% middelduur. Het plan voorziet in verschillende typologie woningen en voldoet onder andere aan de eisen ten aanzien van sociaal en middelduur.

Ook levert het woningbouwinitiatief een bijdrage aan het behoud en de versterking van de woonkwaliteit van de gemeente. De nieuwe woongebouwen sluiten immers aan op de eisen van deze tijd. Tot slot wordt bijgedragen aan de kwaliteit van de ruimtelijke omgeving. Op grond van het regionale beleid blijkt dat qua toekomstige omvang van de regionale woningvoorraad het streven van de gemeenten is om er gezamenlijk te voldoen aan de tot 2025 volgens de provinciale prognose (2016) verwachte behoefte van ruim 50.000 nieuwe woningen. Voorliggend plan levert zowel een kwalitatieve als kwantitatieve bijdrage aan de behoefte aan woningen. Van de 123 appartemeten is 30% bestemd als

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 32

sociaal. Verder is sprake van een middelgrote tot grote appartementen, waardoor in de behoefte binnen meerdere woonsegmenten wordt bijgedragen.

Conclusie De ontwikkeling van Triadome is onderdeel van de bredere gebiedsontwikkeling en gemeentelijke/regionale/provinciale woningbouwplannen. Het plan is daarmee in overeenstemming met zowel de actuele behoefte alsmede de onderliggende beleidsdocumenten met betrekking tot woningbouw. Geconcludeerd kan worden dat behoefte is aan woningen binnen de regio en meer specifieke de gemeente Leidschendam - Voorburg. De Ladder is hiermee succesvol doorlopen.

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2023 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

Relatie tot ontwikkeling Conform het Overgangsrecht in de Erfgoedwet moeten gemeenten het archeologische belang meewegen in ruimtelijke projecten vanaf 100 m2. Omdat gemeenten ook andere belangen te behartigen hebben, zoals economie, landbouw, wonen en infrastructuur, biedt de wet gemeenten daarbij wel beleidsruimte. Om deze taak goed te kunnen uitvoeren heeft de Gemeente Leidschendam-Voorburg in samenwerking met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar archeologie beleid ontwikkeld en vastgesteld in 2009. In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt. In de Nota archeologie wordt een overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten gegeven en zijn de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief geformuleerd. De archeologische beleidskaart geeft hierbij de archeologische waarde en verwachting per gebied aan met de daarbij behorende beleidsregels. Archeologie Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Stedelijk” kent de gehele projectlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

In het vigerende bestemmingsplan zijn de volgende bouwregels opgenomen: Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken: Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 33

a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m² c. een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld; d. een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 110 cm, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding (arc); e. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Archeologisch onderzoek Aangezien bouw- en graafwerkzaamheden groter dan 100 m2 en dieper dan 30 c beneden maaiveld zullen plaatsvinden is archeologisch onderzoek benodigd. In april 2020 is ter plaatse van de projectlocatie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Van Bussel 2020; Transect-rapport 2448) en vervolgens is in augustus 2020 een booronderzoek uitgevoerd (Magdelijns/Rendering 2020; Transect-rapport 2939). Hieruit bleek dat het plangebied op (de flank van) een strandwal ligt. Van de strandwal zijn alleen duinafzettingen aangetroffen. In de boringen is sprake van sporen van bodemvorming in de top van het duinzand. Bovendien is het duinzand afgedekt met veen, wat indicatief is voor de mate van intactheid van het zand. Alleen in boring 1 is het duinzand niet aangetroffen.

De top van het duinzand bevindt zich op een diepte tussen 1,85 en 3,10 m -Mv (1,41 – 2,68 m -NAP). Gezien de mate van intactheid van het strandwallenlandschap en de aanwezigheid van sporen van bodemvorming in de top van het duinzand is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Neolithicum – Bronstijd. Op basis hiervan heeft de bevoegde overheid besloten dat een vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In november 2021 heeft Transect b.v. het archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de projectlocatie (rapportnummer: Transect-rapport 3779). Resultaten Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn vier archeologische grondsporen en 199 vondsten aangetroffen. Ook is één monster genomen. De grondsporen betreffen een greppel en drie banen van takken. De vondsten bestaan uit keramiek, keramisch bouwmateriaal, pijpaarde, glas, dierlijk bot, hout, natuursteen, plastic en slakachtig materiaal. Een groot deel van het plangebied is verstoord geraakt tot in het veen en lokaal tot in de top van het duinzand door de bouw van de huidige bebouwing. De vondsten en de greppel dateren uit de Late Nieuwe Tijd. Vermoedelijk is de greppel volgestort met puin toen het plangebied opgehoogd werd.

De banen van takken lijken een soort paden te zijn, die waarschijnlijk gebruikt zijn om in het plangebied te kunnen lopen bij het ophogen van het terrein. Er is geen sprake van bewoning in het plangebied. De archeologische sporen wijzen erop dat het plangebied in de Nieuwe Tijd in gebruik is geweest voor landbouwactiviteiten en in de Late Nieuwe Tijd is opgehoogd. Op basis van de resultaten en de waardering kan daarom worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats in het plangebied en dat de hoge verwachting uit het vooronderzoek niet kan worden bevestigd. Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats in het plangebied. Als zodanig is geadviseerd het grootste gedeelte van het plangebied archeologisch vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Voor een strook van circa 15 m breed langs de Vliet is geadviseerd om de archeologische verwachting te handhaven. Indien in deze zone bodemingrepen zullen plaatsvinden die dieper reiken dan 1,8 m -Mv, wordt geadviseerd hier vervolgonderzoek uit te voeren. De voorgenomen werkzaamheden overlappen echter grotendeels met de huidige bebouwing en vallen binnen de verstoorde zone.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 34

In het kader van de planologische wijziging, welke middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden vormt het aspect archeologie geen belemmering. De rapportages zijn bijgevoegd als bijlage. Cultuurhistorie Het bestaand kantoorpand betreft geen Rijks, provinciaal of gemeentelijk monument. De projectlocatie kent op grond van het vigerende bestemmingsplan “Stedelijk” deels een cultuurhistorische dubbelbestemming. Het betreft de strook parallel aan De Vliet. Deze dubbelbescherming Waarde-Cultuurhistorie is opgenomen voor waardevolle gebieden om de cultuurhistorische kwaliteiten te behouden en te versterken. De dubbelbestemming is onder andere opgenomen voor het grootste deel van de Vliet en de vlietoevers, inclusief bestaande insteekhavens. Op, dan wel in, deze gronden mag op grond van de vigerende regels niet worden gebouwd. Het bevoegd gezag is echter bevoegd om hier vanaf te wijken voor zover een bouw- of inrichtingsplan geen onevenredige afbreuk doet aan, respectievelijk strekt tot, het behoud en/of de versterking van de historisch-ruimtelijke landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en/of elementen en/of bebouwingselementen. Het plan is reeds met de gemeente afgestemd en akkoord bevonden waardoor geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt.

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Pagina | 35

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Gebieden langs een hoofdinfrastructuur betreffen tevens een gemengd gebied.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Kantoor’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Wonen’, ‘Kantoor’ en ‘Bedrijf’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van gemengd gebied. Echter wordt opgemerkt dat de locatie onderdeel uitmaakt van de herontwikkeling van Klein Plaspoelpolder, waarin is vastgelegd dat voor het gebied gestreefd wordt naar een rustig stedelijk woonmilieu. Het plan omvat een woningbouwontwikkeling. Zowel ten noorden als oosten zijn woningen gelegen. Aan de overzijde van de Vliet zijn kantoren gelegen. De afstand van de projectlocatie tot deze locatie bedraagt ruim 45 meter en derhalve vormt dit geen belemmering. Ten westen van de projectlocatie aan de Nieuwe Havenstraat zijn de gronden op grond van het bestemmingsplan “Stedelijk” bestemd als ‘Bedrijf’. De locatie kent de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’. Ter plaatse van de Nieuwe Havenstraat 5 kende de gronden tevens de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – betonmortelcentrale’ op grond van oude bestemmingsplan “Nieuw Damsigt” (2013). Als gevolg van het vigerende bestemmingsplan “Stedelijk” is hindercontour van de betonmortelfabriek Mebin verdwenen. Begin 2018 zijn de silo’s en stalen gedeelte van de Mebin betoncentrale al ontmanteld. In 2019 zijn de bijbehorende kantoorgebouwen gesloopt.

Nadien zijn verkenningen opgestart de gronden te herontwikkelen en deze ontwikkeling betreft tevens een deelontwikkeling van de ‘Ontwikkelvisie Klein Plaspoelpolder – Ruimte voor Ideeën’. De te hanteren richtafstand van 10 meter (milieucategorie 2) binnen het omgevingstype gemengd gebied, noch de te hanteren richtafstand van 30 meter voor het omgevingstype rustige woonwijk vormt een belemmering voor het woningbouwinitiatief.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. In 2018 is door TAUW een verkennend bodemonderzoek conform

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 36

NEN5740 inclusief vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd in het kader van de toenmalige eigendomsoverdracht van het perceel. Uit de resultaten van dit bodemonderzoek is gebleken dat:      

De locatie op basis van het vooronderzoek verdacht was op het voorkomen van verontreinigingen, vanwege een voormalige laboratorium en opslag van chemicaliën. De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) maximaal licht verontreinigd is met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. De ondergrond (0,5-2,0 m-mv) plaatselijk matig verontreinigd is met lood en licht verontreinigd met overige zware metalen en PAK. De grond plaatselijk zintuigelijk puinhoudend was en dit formeel aanleiding gaf tot het uitvoeren van een onderzoek naar asbest in bodem. Gezien de aanleiding van het onderzoek is destijds afgezien van een onderzoek naar asbest in bodem. De grondwaterstand is aangetoond vanaf 0,35 m-mv en maximaal licht verontreinigd met zware metalen en naftaleen. Geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, vervolgacties in het kader van de Wet Bodembescherming of belemmeringen voor de voorgenomen overdracht.

Uit eerder uitgevoerd historisch vooronderzoek van de gemeente Leidschendam-Voorburg op het perceel is onder andere gebleken dat in de omgeving van de huidige onderzoekslocatie (buiten de perceelsgrens) plaatselijk stroken met huisvuillagen zijn aangetoond vanaf 1 m-mv, wat gestort is in de periode 1900-1930. De resultaten van het historisch onderzoek van de gemeente en het uitgevoerde indicatief onderzoek van TAUW (kenmerk: N001-1284407ORM-V01-nja-NL, d.d. 14 december 2021) wijken af van de milieu hygiënische kwaliteit zoals aangetoond in het verkennend bodemonderzoek van TAUW uit 2018. Dit gaf samen met de voorgenomen ontwikkeling van de locatie aanleiding tot het uitvoeren van een nieuw verkennend bodemonderzoek inclusief asbest. De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in het rapport kenmerk: R002-1284407ORM-V01-bom-NL, die als bijlage aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing is toegevoegd. De resultaten hiervan worden hieronder samenvattend beschreven. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie:  De bovengrond maximaal licht verontreinigd is.  De indicatieve kwaliteitsklasse van de bovengrond varieert tussen klasse altijd toepasbaar en klasse wonen.

 Sprake is van een heterogeen geval van ernstige verontreiniging met zware metalen in de ondergrond, gerelateerd aan de antropogene bijmengingen in de bodem (baksteen, kolen, puin, sintels, huisafval).  De indicatieve kwaliteitsklasse van de ondergrond varieert tussen klasse wonen en klasse niet toepasbaar.  Het grondwater licht verontreinigd is met zware metalen.  De bodem niet verontreinigd is met asbest boven de rapportagegrens.  Er indicatief beperkingen zijn ten aanzien van PFAS voor het toepassen van grond binnen grondwaterbeschermingengebied en op ontvangende bodem met klasse landbouw/natuur.’ Op basis van het uitgevoerd bodemonderzoek is aanbevolen om de werkzaamheden uit te voeren onder een deelsaneringsplan en conform de protocollen BRL6001 en BRL7001. De zintuiglijk sterk verontreinigde grondlagen af te voeren naar een erkend verwerker (grondreiniger) als indicatieve kwaliteitsklasse ‘niet toepasbaar’. De bovengrond af te voeren als indicatieve kwaliteitsklasse wonen of altijd toepasbaar en de werkzaamheden uit te voeren onder veiligheidsklasse ‘oranje niet vluchtig op basis van de sterke verontreinigingen met lood in de ondergrond.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem in het kader van de planologische procedure geen belemmering vormt.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 37

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de woningbouw ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaand figuur betreft hiervan een uitsnede. Figuur 14. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 38

Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg zijn alleen rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en de A12 (Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde basisnet). Uit berekeningen blijkt dat er bij een ongeval met brandbare stoffen op de A4 en de A12 inzake PR en GR geen belemmeringen zijn voor Leidschendam. De afstand tot de A4 bedraagt circa 650 meter. Daarbij is het van belang om bij een ongeval met giftige stoffen met een invloedsgebied van 4 km rekening te houden. Het plangebied valt binnen deze 4 km contour. Bij nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is geen belemmering voor het bouwplan. Opgemerkt dient te worden dat de toekomstige bewoners zich bewust moeten zijn van bovenstaande risico’s. Ten zuiden van de A4 is een tweetal buisleidingen gelegen. Het betreft een buisleiding in beheer van Gasunie Grid Services gelegen (W-514-01) en een buisleiding in beheer van Gasunie Transport Services (A-517).

De grootte van het invloedsgebied van de aardgasleiding W-514-01 bedraagt 80 meter en die van aardgasleiding A-517 bedraagt 160 meter aan weerszijden van de leiding (bron: bestemmingsplan “Leidschendam Zuid” (2016)). De afstand bedraagt circa 730 meter en derhalve vormt dit geen belemmering.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Door S&W Consultancy is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de nieuwbouwontwikkeling. De gehele rapportage is als bijlage toegevoegd (projectnummer 2210566, d.d. 15 juni 2022). De resultaten van het onderzoek worden hieronder integraal weergegeven.

Relatie tot ontwikkeling De gevels van dit plan zijn geluidsbelast door wegverkeerslawaai. Het bouwplan is gelegen binnen de geluidszones van wegverkeerslawaai afkomstig van de volgende wegen:

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 39

 Nieuwstraat;  Noordelijke Verbindingsweg;  Oosteinde;  Oude Trambaan;  Vlietweg;  N14;  A4. Aangezien bij eerdere berekeningen op de locatie de trambaan niet relevant is gebleken is deze niet toegevoegd in de berekeningen. Daarnaast liggen er rondom het bouwplan de volgende 30-km/uur-wegen, die volgens de Wet Geluidhinder geen geluidszone hebben. Deze wegen zijn voor beoordeling van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het akoestisch onderzoek. Het betreft de volgende wegen:  Dokter Huijerstraat;  Dokter van der Stamstraat;  Dokter van Ledestraat. Resultaten Uit de resultaten, na aftrek volgens artikel 110g Wgh, blijkt dat voor alle gebouwen niet overal wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximaal toelaatbare waarde van 63 dB (stedelijk gebied) en 53 dB (autosnelweg) wordt echter niet overschreden. De gecumuleerde geluidsbelasting excl. aftrek artikel 110g Wgh is op diverse plaatsen op de zuidoost-, noordoost- en zuidwestgevels van gebouwen A en C en op de zuidoostgevel van gebouw B hoger dan 53 dB. Dit houdt in dat aangetoond moet worden met welke aanvullende voorzieningen (glas, suskasten, kierdichting, dakisolatie, enz.) er aan de eisen van het Bouwbesluit voldaan wordt. 30 km/u wegen Conform de Wet geluidhinder zijn wegen die zijn uitgevoerd als wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u niet gezoneerd.

Geluidgevoelige objecten die naast een niet-gezoneerde weg zijn gelegen, behoeven niet in een akoestisch onderzoek betrokken te worden. Dokter Huijerstraat, Dokter van der Stamstraat en Dokter van Ledestraat zijn 30 km/u wegen. Om inzicht te krijgen in de hoogte van de geluidsbelasting afkomstig van 30 km/u wegen, is deze vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wel bepaald. Gecumuleerde geluidsbelasting Het bouwplan bevindt zich in meerdere geluidzones van verschillende geluidbronnen. Om te oordelen of de geluidsbelasting van de verschillende bronnen samen niet zal leiden tot een onaanvaardbare geluidsbelasting, zijn deze gecumuleerd conform hoofdstuk 2 van bijlage I van het Reken- enmeetvoorschrift geluid 2012. Demaximale cumulatieve geluidsbelasting t.g.v. van wegverkeerslawaai bedraagt 59 dB (excl. aftrek art. 110g Wgh) en 55 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Geluidbeleid gemeente Leidschendam-Voorburg Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document “Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Leidschendam-Voorburg” (kenmerk 2010/3089) van de gemeente Leidschendam- Voorburg. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor woningbouw in stedelijk gebied en 53 dB voor woningbouw in de zone naast een autosnelweg wordt nergens overschreden.

Conclusie Van de 123 appartementen beschikken 28 appartementen niet over een geluidluwe gevel. Het merendeel van de appartementen beschikt hiermee wel over minimaal één geluidluwe gevel. De geluidbelasting bedraagt maximaal 53 dB inclusief aftrek per weg. Voorwaarde is dan wel dat het bouwplan 1 gevel heeft waar de geluidbelasting maximaal 58 dB (exclusief aftrek) bedraagt. Hieraan wordt voldaan. Derhalve wordt gemotiveerd afgeweken van de in het geluidbeleid opgenomen eis van het creëren van één geluidluwe gevel per appartement. Er zullen in een later stadium (omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen)

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 40

gebouwgebonden maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting op de gevels terug te brengen. Hierbij kan gedacht worden aan het afschermen van de gevels en buitenruimten door gesloten borstwering of het volledig afsluitbaar uitvoeren van de loggia’s. In de beschikking zal de verplichting worden opgenomen dat er een verplichting is voor het uitvoeren van de geluidluwe gevels en geluidluwe buitenruimte zodat voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid en er een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd wordt. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai zoals in rapport 2210566, versie 3, d.d. 15 juni 2022 berekend en hierboven beschreven is aangevuld met een rapportage waarin de hogere waarden per appartement en per weg zijn aangegeven. Ten behoeve van de leesbaarheid van voorliggende rapportage is de aanvullende notitie als bijlage aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing toegevoegd (rapport 2210566, versie 3B, d.d. 15 juli 2022). In deze notitie zijn de aantallen correct, waarmee tabel 5 uit de rapportage 2210566, versie 3, d.d. 15 juni 2022 zijn komen te vervallen.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de ontwikkeling van 123 appartementen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 20 juli 2021).

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 41

Tabel 2. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl). Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 15553670 NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2030

23,483

18,369

10,641

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

Indien de projectlocatie in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 42

Relatie tot ontwikkeling Soortenbescherming Ten behoeve van de ontwikkeling is door VanderHelm Milieubeheer B.V. een ecologische quickscan en bomeninventarisatie uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Desbetreffende quickscan dateert uit 2018 en derhalve is door het adviesbureau een actualisatie uitgevoerd. Uit de aanvulling op de ecologische quickscans blijkt dat, met uitzondering van algemene broedvogels geen zwaarder beschermde soorten binnen de projectlocatie worden verwacht. Anders dan in de in 2018 uitgevoerde ecologische quickscan, dient wel rekening gehouden te worden met mogelijk vliegroutes van diverse soorten vleermuizen ter plaatse van de watergang ten zuiden van de projectlocatie. In de memo is een tabel opgenomen met de te nemen maatregelen teneinde overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Gebiedsbescherming Op circa 5,3 kilometer van de projectlocatie is het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide gelegen. Figuur 15. Uitsnede natura2000.nl

Per 1 juli is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking. De Wet wijzigt de Wet natuurbescherming middels de toevoeging van een aantal artikelen. Belangrijke onderdelen van de Wet zijn een zo ver mogelijke reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en een vrijstelling voor de bouwsector. Het gevolg van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering voor de bouwsector is dat per 1 juli een gedeeltelijke vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht geldt. De tijdelijke gevolgen van door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie kunnen daarmee buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. De aanlegfase hoeft dus niet meer meegenomen te worden in de stikstofdepositieberekening. Voor de gebruiksfase is dit nog wel het geval. Ten behoeve van de ontwikkeling is met behulp van de AERIUS-calculator een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. De rapportage is als bijlage bijgevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing (projectnummer 2210566, d.d. 27 januari 2022). Aangezien de nieuw te bouwen appartementen worden verwarmd door middel van een warmtepomp is voor de gebruiksfase alleen gerekend met de verkeersbewegingen. Voor de verkeersbewegingen zijn we uitgegaan van de volgende aantallen (conform CROW publicatie 381 – december 2018): Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 43

 licht verkeer 6,8 ritten per koopappartement (86 stuks), per dag;  licht verkeer 3,2 ritten per sociaal huurappartement (37 stuks), per dag. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron. Er is gerekend vanaf het eigen terrein tot aan de Provinciale weg N14, alwaar het verkeer wordt opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Er treden geen rekenresultaten op hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto Autoparkeernormen De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van het parkeren in de gemeentelijke openbare ruimte. Dit doet de gemeente aan de hand van parkeerbeleid. Een goed parkeerbeleid is belangrijk voor de vitaliteit van de stad en draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. In de Nota Parkeerbeleid 2021 is de visie op parkeren in de gemeente Leidschendam-Voorburg vastgelegd en staan de kaders voor verdere uitwerking van het parkeerbeleid. De gemeente wil een duidelijk en eenduidig parkeerbeleid voeren, waarbij parkeerbeleid ook kan betekenen dat er juist geen parkeermaatregelen worden getroffen. Deze nota is tot stand gekomen op basis van een interactief proces met een klankbordgroep bestaande uit bewoners en ondernemers, twee gemeente-brede enquêtes over parkeren en objectieve parkeermetingen. In de Nota Parkeernormen 2012 staan de parkeernormen voor auto en fiets. Hieraan moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg. De nota beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden van de norm mag worden afgeweken. Door het verkeerskundigbureau Goudappel is een parkeerbalans en parkeeronderbouwing opgesteld. In deze parkeeronderbouwing is rekening gehouden met de functie-specifieke parkeerbehoefte.

Zo blijkt uit de analyse dat de volgende twee reducties mogelijk zijn:  

Naar het type huishouden dat wordt aangetrokken. Deze reductie is mogelijk door het lager dan gemiddelde autobezit van een bepaalde doelgroep. Door het plaatsen van deelauto’s, omdat deze een lager dan gemiddeld autobezit promoot onder bewoners.

Hiertoe dient door ontwikkelaar een monitoring, zoals vastgelegd in het monitoringsplan, worden uitgevoerd. Dit betreft een voorwaarde voor het toestaan van de reductie. Het monitoringsplan is als bijlage toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing (kenmerk: 011492.20210120.N1.04)

Mees Ruimte & Milieu | 21244.3.2.RO

Pagina | 44

Ten behoeve van de ontwikkeling zijn in onderstaand figuur de bijbehorende parkeernormen uit de Nota Parkeernormen weergegeven. Triadome is gelegen in de zone ‘rest bebouwde kom’ en de categorie ‘zeer sterk stedelijk’. Conform de CROW-richtlijnen hanteert de parkeernota een bandbreedte, waarbij als standaard het gemiddelde tussen minimum en maximum de waarde aangeeft voor het bepalen van het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De gemiddelde normen zijn conform beleid dus het uitgangspunt. De dure en middeldure koopappartementen beschikken over de hoogste parkeernormen, namelijk 1,9 en 1,7 parkeerplaats per woning. Conform het gemeentelijk beleid beschikken deze woningen waarschijnlijk over een tweede auto, in tegenstelling tot de goedkope koopappartementen de sociale huurappartementen. Figuur 16. Uitsnede rapportage Goudappel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=aca1a7a6-b7df-4758-889a-a58a3387cac4