CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2577-Gewijzigde APV n.a.v. Alcoholwet.docx

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Wijziging APV naar aanleiding van inwerkingtreding Alcoholwet.42.889 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de

inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden. 

De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige

bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van

het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat.

Daklozenkrant

De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6

Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.

Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen

vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.

Wabo

Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar een element van handelsreclame in zit.

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen)

Artikel 2:8 Dienstverlening (Vervallen)

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen

Het oude artikel 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd) is in 2007 geschrapt. Feesten en

wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:24.

Echter het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht.

De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van algemeen

belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen het commentaar onder artikel 1.8.

De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen

onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten

of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 Grondwet haast

grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de

intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig

wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals

bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden

tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest

op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet

kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde

lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die

bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met

ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.

De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.

Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000

In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een

vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om

desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.

Lex silencio positivo

Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden zal

doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren, en niet op aanvraag. Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan bestaan er geen duidelijke bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een

ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een

ontheffing op aanvraag is geen reden om van een lex silencio af te zien. In artikel 1:9 van deze verordening wordt Paragraaf 4.1.3.3. Awb op het gehele artikel van toepassing verklaard.

Alleen verbod op muzikale optredens

Er is voor gekozen om dit artikel alleen van toepassing te verklaren voor muzikanten. Dit is ook waar de meeste overlast van wordt ervaren.

Van bijvoorbeeld gidsen, mimespelers of acrobaten wordt geen overlast ervaren en wij willen deze mensen de mogelijkheid geven op te treden in onze gemeente.

Afdeling 2 Bruikbaarheid uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Algemeen

Artikel 2a van de WVW 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van

aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of

krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204).

Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden

overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.

Artikel 2:10 Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of

gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, terrassen of containers.

Deregulering: vergunningstelsel of algemene regel

In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten heeft de VNG bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een discussie met vele

kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. De VNG kiest ervoor om als model een breed gestelde algemene regel op te nemen in plaats van het voorheen bestaande

vergunningsstelsel. Een dergelijke nadrukkelijke keuze biedt meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte daarbij is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de

openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig wordt geacht, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid.

Feitelijk is daarmee voor burgers en bedrijven een zogeheten “zorgplicht” neergelegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden wordt voldaan.

De burger dient dat zelf af te wegen. Als de gemeente wenst op te treden omdat zij van

mening is dat het verbod van het eerste lid wordt overtreden, zal daarover al snel discussie

ontstaan. Dat vraagt inschattingsvermogen, zelfstandigheid en tact van de toezichthoudende ambtenaren. De gemeente zal haar handhavingsbesluit zeer nauwkeurig dienen te motiveren Dit probleem, dat voortvloeit uit de inherente onduidelijkheid van een algemene regel, zou kunnen worden verholpen door de algemene regel aan te vullen met een lijst voorschriften die in detail regelt wat er wel en niet is toegestaan. Een aantal gemeenten heeft daarvoor gekozen.

Nadeel van die aanpak is dat zo’n regel onvermijdelijk een uitvoerig stuk wordt, omdat voor een heel scala aan voorwerpen (bloembakken, uitstallingen, bouwsteigers, straatmeubilair,

etc) moet worden omschreven waar en hoe ze kunnen worden geplaatst, en wat de omvang

mag zijn. Ook is het heel goed mogelijk dat de regel niet overal in de gemeente dezelfde zal zijn.

Maar net als een gedetailleerde regel kan een vergunning met de daarbij gestelde

voorschriften voor de nodige duidelijkheid zorgen: de houder van de vergunning weet waar hij aan toe is, net als de gemeentelijke toezichthouder.

Onze gemeente heeft vooralsnog de keuze gemaakt (raadsbesluit december 2007) om het vergunningstelsel te behouden en niet te werken met een algemene regel.

Overige deregulering

Vergeleken met het oude artikel 2.1.5.1. APV is overigens ook in dit artikel een

dereguleringsslag gemaakt. Zo is vanwege de overzichtelijkheid een aantal artikelen in de

APV, waaronder ook artikel 2:10., onderverdeeld in een aantal afzonderlijke artikelen. Verder is een aantal gedetailleerde bepalingen waar de vergunningplicht niet voor geldt, uit de APV gehaald en opgenomen in een aanwijzingsbesluit van het college.

Ook voor deze vergunning geldt dat ze in beginsel voor een onbeperkte periode wordt verstrekt. Uiteraard kan er wel een termijn worden gesteld voor zaken die per definitie

tijdelijk worden geplaatst maar waarvan wenselijk is dat ze niet onnodig lang het straatbeeld ontsieren, zoals steigers en stortcontainers.

Ter bevordering van deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de APV zijn

twee algemene artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning

voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd tenzij de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Zie voor meer informatie de toelichting bij de betreffende artikelen.

In het verleden bestond die artikel uit de artikelen 2:10A tot en met 2:10D deze artikelen zijn samengevoegd in één nieuw artikel 2:10.

Artikel 2:11 Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Algemeen

In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Wij hebben ervoor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met de

verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden

zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij wel overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.

Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo

van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit.

Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de

Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor.

Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2 APV. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.

In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.

Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of

voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning

nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.

Eerste lid

Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en

verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.

Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en

verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke

toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd

door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is,

ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Tweede lid

Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet

1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de

vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.

Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid

daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.

Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen.

Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging “alsmede alle niet openbare

ontsluitingswegen van gebouwen” opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.

Derde lid

Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun

publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke lichamen, bijvoorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde

samenwerkingsverbanden, genoemd worden. Ook is het mogelijk om voor de

landinrichtingscommissie, als bedoeld in artikel 27, jo 124, tweede lid, Landinrichtingswet, een uitzondering te maken.

De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.

Vijfde en zesde lid

Om bewoners te stimuleren hun tuinen en gevels te ontharden, wordt het voor bewoners mogelijk gemaakt om geveltuinen en boomspiegels te realiseren en aan te passen.

Zevende lid

Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het

onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term

“onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.

Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en

kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling

getroffen in de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg Algemeen

In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in 2007 bezien

of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert.

Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het algemeen belang. In navolging van de VNG is er daarom destijds voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht.

Het stellen van algemene regels in plaats van een meldingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.

Op de wijze waarop dit artikel toen is vormgegeven heeft de VNG terechte kritiek gekregen: door het college de gelegenheid te geven op een melding te reageren met nadere

voorschriften, wordt in die gevallen een verkapt vergunningstelsel gecreëerd. De tekst is daarom opnieuw aangepast en weer gewijzigd in een zuiver vergunningsstelsel.

De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse.

Daarnaast kan worden gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of de bescherming van openbare groenvoorzieningen.

Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een

verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het

verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.

Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op

onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door

privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt

dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Tweede lid

De indiener van de vergunningaanvraag moet bij zijn aanvraag een situatieschets van de

gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke voorschriften.

Derde tot en met zesde lid

Een vergunning voor een uitweg kan slechts worden geweigerd of een uitweg kan slechts door het verbinden van voorschriften aan de vergunning worden gerealiseerd, indien belangen in het geding zijn die in deze artikelleden zijn verwoord, te weten: 

de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de weg)

het veilig en doelmatig gebruik van de weg (gevaar of hinder voor het openbaar

wegverkeer ter plaatse; bescherming van het gebruik van openbare parkeerplaatsen)  

de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente bescherming van openbare groenvoorzieningen.

Ten einde het gebruik van openbare parkeerplaatsen te waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop de uitweg wordt gerealiseerd te

regelen. Daarmee komt de bepaling niet in strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid daarvan. Als voorschrift kan o.a. een onderhoudsplicht worden opgelegd.

Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de weigeringsgrond die in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt gesteld.

De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als daarbij een (gedeelte van) een

gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter bescherming van groenvoorzieningen

voorschriften worden gesteld, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast. Indien er een voor het verkeer gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het verbinden van

voorschriften kan worden voorkomen, moet de vergunning in ieder geval worden geweigerd. Als het geldende bestemmingsplan een uitweg ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te

leggen dat in een voorkomend geval de uitwegvergunning wel moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik kan worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan.

Strijd met het bestemmingsplan is daarom als een imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Volgens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.

Zevende lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van

artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (Vervallen)

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te verplichten

achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het probleem is via een

statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden zijn wij er toe over gegaan om in onze Apv bepaling een verbod jegens de burger op te nemen.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp

Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de

verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om

bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. (Vervallen)

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. (Vervallen)

De artikelen 2:13, 2:16 en 2:17 verbieden inwoners gladheid te veroorzaken op de openbare weg en straatkolken en kelderingangen open te zetten. Hier tegen optreden wordt niet gezien als gemeentetaak, maar iets wat te maken heft met gezond verstand van de

inwoners. Bij excessen zouden inwoners in staat moeten zijn elkaar hier onderling op aan te spreken in plaats van de gemeente te bellen.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (Vervallen)

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

Met betrekking tot schrikdraad kan het volgende opgemerkt worden. Ten aanzien van de

veiligheid, de goede constructie en de keuring van elektrische chrikdraadinstallaties bevatte het Veiligheidsbesluit elektrische schrikdraden (VBES), KB van 2 november 1948, Staatsblad 1482, een aantal bepalingen.

Nadat het VBES eerst onder de werking van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 47 ARBOwet) is gebracht is het ingetrokken per 1 juli 1997 in verband met de inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit (15 januari 1997, Stb. 60). Het

Arbeidsomstandighedenbesluit geeft geen technische eisen specifiek gericht op schrikdraadinstallaties.

Elektrische schrikdraadinstallaties worden inmiddels ook door particulieren gebruikt ter

bescherming van hun (volks)tuin, volière en dergelijke tegen dieven. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn geen eisen gesteld. Wanneer daaraan behoefte bestaat kunnen in de APV dergelijke eisen opgenomen worden die zijn ontleend aan het VBES.

De voorschriften die het college aan de vergunning kan verbinden, kunnen afgeleid worden

van de eisen die het VBES stelde, waarbij in ieder geval voorgeschreven zou moeten worden dat daar waar de schrikdraden van een weg af aangeraakt kunnen worden er voldoende waarschuwingsborden aangebracht moeten worden.

Artikel 2:19 gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van schrikdraad en puntdraad.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

Vervallen. Verwacht wordt dat inwoners zelf op hun eigendommen letten. Als dit niet het geval is kan op basis van het Burgerlijk Wetboek worden opgetreden.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer, verlichting of cameratoezicht

De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het

desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.

In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht

van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.

Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen,

borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting of cameratoezicht het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (Vervallen)

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

(Vervallen) Dit betreft het vernielen van ijsvlakten. Het wordt niet gezien als gemeentetaak

om hier tegen op te treden (zoals dit bijvoorbeeld in het Friese Elfsteden gebied wel logisch lijkt.)

Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities Algemeen

De begripsbepalingen zijn gelijkgetrokken met Veiligheidsregio Haaglanden (verder: VRH). Er wordt nu gesproken over 0/A/B en C- evenementen i.p.v. grote en kleine evenementen. Daarnaast is een lid opgenomen over sportwedstrijden en is het begrip definities i.p.v. begripsbepaling opgenomen conform model.

De Drank- en Horecawet is gewijzigd. De gewijzigde wet is in werking getreden op 1 juli

2021. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet.

Eerste lid

In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium

(“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. 

In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.

Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten. Indien het

college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen

in een marktverordening. Uitgebreide informatie over markten is te vinden onder de toelichtingen bij artikel 5:22 en de modelmarktverordening van de VNG.  

De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.

Dansen in een inrichting in de zin van de Alcoholwet is uitgezonderd van het

evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. 

Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. Zie verder hieronder onder feest.

Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.

Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9 (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen.

Indien een gemeentebestuur van mening is dat bepaalde, niet in de begripsomschrijving

uitgezonderde, evenementen van de vergunningplicht behoren te worden vrijgesteld, kunnen deze evenementen ook als uitzondering worden opgenomen.

Tweede lid Herdenkingsplechtigheid

Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.

Braderie

Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan

deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel

160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG 93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 5:22. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.

Optochten

Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s enz,

die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot

bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere

internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing.

Feest, muziek

Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige

activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:24,

eerste lid. Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de

evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke

verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de

hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden

verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan

bij feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden

georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999,

7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en verkeersoverlast.

Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale

bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud) vergunningplichtig. ABRS 11-012006, LJN-nr. AU9388 (Ghostship/Ghosthouse).

Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit een

vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk

zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.

Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het

activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de Apv geven het college de

bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een inrichting.Voorschriften

met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van de Apv in de vergunning worden opgenomen.

Wedstrijd op of aan de weg

Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,

krachtens het bepaalde in het eerste lid, van artikel 2:25 en artikel 2:24, tweede lid, onder d. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel 10, eerste lid, WVW

1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt:  

voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de

ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.

Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.

Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer.

In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden genoemd: 

het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade;

het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden;

het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.

Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze sportbond

in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen voor de organisator hebben,

bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn

veelal voldoende om een veilig verloop van de wedstrijd mogelijk te maken. Het college kan

deze voorschriften van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als voorschriften in de vergunning op te nemen. Als de organisator deze voorschriften

vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt, kan uiteindelijk via een

administratiefrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd alsnog verboden worden. Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de

Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:25 van toepassing. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere

orde dan de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op

grond van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid

en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de

westrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier

bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2:25.

Op grond van de artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een

vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld “vossenjachten”, droppings e.d.

0-evenement/ melding

Voor het organiseren van 0-evenementen, zoals een buurtbarbecue of een straatfeest, is in

het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een

meldingsplicht. Deze categorie valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In artikel 2:25, tweede lid is aangegeven wanneer bij een evenement kan worden volstaan met een melding. Artikel 2:24a Evenementenoverzicht

In dit artikel is opgenomen dat het college bevoegd is om een evenementenoverzicht vast te stellen. In 2:25, zesde lid is de mogelijkheid opgenomen een vergunning te weigeren als

deze niet voor 1 december het jaar voorafgaand is gemeld. In de praktijk wordt al meer dan 10 jaar gewerkt met dit systeem.

De evenementenorganisatoren zijn dan ook gewend aan deze manier van werken. Dit was echter nog niet juridisch gewaarborgd. Artikel 2:25 Evenement Algemeen

Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijv. de hele stad,

middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt.

Het oude artikel 2.2.2 ging uit van een algeheel verbod op het organiseren van een evenement zonder vergunning van de burgemeester. Het vervangen van

vergunningvoorschriften door het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.

Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een vergunningstelsel geoorloofd. De lidstaten mogen de toegang tot de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een vergunning tenzij: 1. de vergunning niet discriminatoir is, 2. het

vergunningstelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang

(noodzaakvereiste), en 3. het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn (proportionaliteitsvereiste).

Bij A-B- en C- evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties,

verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een

vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden.

In het geval van een 0-evenement kan volstaan worden met een melding. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.

Eerste lid

Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.

Tweede lid

Voor 0-evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om zonder melding

zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding zo’n evenement wordt georganiseerd.

De meldingsplicht is uitgebreid. Er kunnen meer en grote objecten worden geplaats en

onversterkt geluid leidt niet langer tot een vergunningsplicht. Daarnaast is niet automatisch bij elke wegopbreking een vergunning noodzakelijk. De meeste voorwaarden spreken voor zich.

Tweede lid , onder b

Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.

Tweede lid, onder g

Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te plaatsen voorwerpen. Het

aantal m² per object is uitgebreid naar 25 m², zodat niet bij elke feest met een luchtkussen een vergunning noodzakelijk is.

Tweede lid , onder i en j

In dit artikellid wordt juridisch de geregeld dat aan de geluidsvoorschriften in de

locatieprofielen moet worden voldaan. Is een evenement op een locatie waar door het college een locatieprofiel voor is opgesteld (bijvoorbeeld Park Vreugde & Rust) dan moet worden voldaan aan de geluidsvoorschriften in dit profiel. Zo niet mag maximaal 70 dB(A) geluid

worden geproduceerd zonder dat een evenement onder de vergunningsplicht valt. In artikel 2:25, vierde lid is opgenomen dat locatieprofielen kunnen worden opgesteld.

Derde lid

Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een 0-evenement te verbieden. Dit is alleen

mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De criteria van de Dienstenrichtlijn zijn namelijk van toepassing op een melding, omdat de Dienstenrichtlijn een melding beschouwt als een vergunning.

Rol van de burgemeester en de raad

De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is aangegeven dat de

burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking

hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de

voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip “toezicht” is ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier ook om de

bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil

overlaten aan ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig afdeling 10.1.1. Awb.

Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen. Wanneer de burgemeester

voornemens is een evenement te verbieden, is het zaak dat dit van een goede motivering is voorzien.

De raad is sinds de dualisering niet langer bevoegd om beleidsregels vast te stellen. Dit neemt niet weg dat de raad de burgemeester kan aanspreken op zijn beleid bij de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden (artikelen 169 en 180 Gemeentewet).

Bovendien kan de raad op grond van haar kaderstellende bevoegdheid (artikel 147

Gemeentewet) aangeven dat het wenselijk is dat de gemeente actief is met het aantrekken van evenementen in de gemeente, bijvoorbeeld het binnenhalen van minimaal één groot landelijk evenement per jaar.

Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000

In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een

vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om

desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.

Aansprakelijkheid Vergunninghouder/organisator.

Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278) is van

overeenkomstige toepassing op de houder van de evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is

verleend, nog niet betekent dat eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder.

Een dergelijke vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook

niet voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door de desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen.

Toezicht houden

Mr. V.H. Affourtit gaat in het tijdschrift “Risicobewust” onder andere in op de

aansprakelijkheid voor toezichtsfalen (Aansprakelijkheid van gemeenten bij evenementen, Tijdschrift Risicobewust, nr. 4, november 2003). Kort samengevat komt zijn artikel op het volgende neer.

Voor het houden van toezicht op evenementen bestaan op zichzelf geen heldere regels bij

overtreding waarvan de aansprakelijkheid eenvoudig kan worden vastgesteld. De grondslag voor aansprakelijkheid moet dan ook worden gezocht in artikel 6:162 BW en de door het

zogenaamde Kelderluikarrest (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) ingevulde ongeschreven

zorgvuldigheidsnorm. Op basis daarvan is een afweging nodig van de mate van

waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en

voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen

ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid

van te nemen veiligheidsmaatregelen. Door dit laatste criterium komt de toezichthouder een zekere “beleidsvrijheid” toe. Dit betekent dat niet van hem gevergd kan worden dat hij op alles waarop hij toezicht uitoefent ook daadwerkelijk steeds toeziet, omdat zijn middelen

beperkt zijn. Het gaat er om dat de door de toezichthouder gemaakte keuzes redelijk zijn. Affourtit trekt de volgende conclusies: 

Als een op deugdelijke wijze totstandgekomen vergunning eenmaal is verleend,

bestaat geen verplichting tot het houden van algemeen toezicht (HR 22 juni 2001,

Gst. 2001, 7146, 2, Boeddha). Het nalaten om een dergelijk toezicht te houden, zal

dan ook niet snel tot aansprakelijkheid leiden. Indien echter een geringe overtreding van een vergunningvoorschrift zeer ernstige schade zou kunnen veroorzaken, ligt een algemene controleplicht voor de hand. 

Als er concrete aanwijzingen bestaan van een op handen zijnde wetschending, zoals het handelen zonder vergunning of het handelen in afwijking van de

vergunningvoorschriften, heeft het bestuursorgaan een verplichting tot ingrijpen.

Indien er sterke aanwijzingen zijn die bij het bestuursorgaan het vermoeden van niet naleving (moeten) doen rijzen, is actief toezicht en eventueel ingrijpen met

gebruikmaking van bestaande bevoegdheden vereist. Niets doen is dan spoedig een onrechtmatig nalaten.

Als een overheidslichaam concreet wordt gewaarschuwd voor (dreigende) schade, is het in

ieder geval gehouden hiernaar een onderzoek in te stellen (HR 8 januari 1999, NJ 1999, 319, Waterschap West-Friesland/Kaagman).

Indien de gemeente aansprakelijk wordt gehouden in verband met het niet voldoende

houden van toezicht, zal vaak tevens de vergunninghouder of de derde-schadeveroorzaker kunnen worden aangesproken. De in rechte aangesproken gemeente kan een van beide of allebei in vrijwaring oproepen of de schade in een aparte procedure (afhankelijk van de omstandigheden geheel of gedeeltelijk) op hem/hen verhalen.

Belastingheffing

Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een evenement kunnen leges worden geheven. In de gemeentelijke legesverordening kan

hiervoor een tariefbepaling worden opgenomen. De gemeentelijke legesverordening is

gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. De tarieven in die verordening worden zodanig vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de

geraamde lasten. De Dienstenrichtlijn bepaalt in artikel 13, tweede lid, dat de kosten redelijk en evenredig met de kosten van de vergunningsprocedures in kwestie moeten zijn; ze mogen de kosten van de procedures niet overschrijden. Binnen deze grens van

kostendekkendheid op verordeningenniveau is het mogelijk tarieven te differentiëren als

zich dat beter verstaat met het gemeentelijke (evenementen)beleid. Zo zal de behandeling

van een vergunning voor een B- of C-evenement meer werk en dus kosten met zich brengen dan een A-evenement zoals een straatfeest met grote voorwerpen. Naast dit kostenaspect zal ook het profijt dat een organisator van een B-/C-evenement heeft van de

evenementenvergunning groter zijn dan het profijt van de organisator van een A-evenement.

Veelal zal een B-/C-evenement ook door een professionele organisatie worden

georganiseerd, terwijl bijvoorbeeld een straatfeest door vrijwilligers wordt georganiseerd.

Een en ander kan voor de gemeente aanleiding zijn tot beleidsuitgangspunt te nemen dat de leges voor een vergunning voor een B-/C- evenement hoger moet zijn dan die voor een Aevenement. Of dat voor het A-evenement helemaal geen leges worden geheven.

Opmerking verdient dat de tarieven niet naar het inkomen, de winst of het vermogen mogen worden gedifferentieerd.

Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet maakt het mogelijk dat een vermakelijkheidsretributie geheven wordt voor evenementen. Vereiste daarvoor is dat

gebruik moet worden gemaakt van door of met medewerking van de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen. Hieronder valt ook een bijzondere

voorziening in de vorm van toezicht. De gemeente moet derhalve (extra) kosten maken in

verband met het evenement. De gemeente hoeft de hoogte van de kosten niet aan te tonen.

Het is dus niet zonder meer mogelijk om de vermakelijkheidsretributie in het leven te roepen op grond van het feit dat een organisator een gemeentelijke weg gebruikt voor een

evenement. Het gebruik van de weg moet zodanig zijn dat de gemeente hierdoor extra onderhoudskosten heeft.

Opmerking verdient dat de vermakelijkheidsretributie in een belastingverordening moet worden geregeld. De reikwijdte van een dergelijke verordening zal zich veelal ook uitstrekken tot andere “vermakelijkheden” in de gemeente.

De vermakelijkheidsretributie wordt geheven van degene die het evenement organiseert.

Vaak wordt de vermakelijkheidsretributie geheven als een toegangsprijs voor een evenement moet worden betaald. Op die manier kan de vermakelijkheidsretributie door de organisator in de toegangsprijs worden opgenomen, zodat deze vrij eenvoudig aan de bezoekers doorberekend kan worden.

Eerste lid Voorschriften

De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal voorwaarden:  

De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling.

De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8.

De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de burgemeester aan een

evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften stelt en zich niet hoeft te beperken tot

de voorschriften die voortvloeien uit de aanvraag, of de voorschriften waarmee de aanvrager instemt. ABRS 28-04-2004, inzake Rockbitch, LJN-nr AO8495.

Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is de intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

Vergunning voor onbepaalde tijd

In artikel 1:7 is opgenomen dat een vergunning voor onbepaalde tijd geldt tenzij de aard van de vergunning zich daartoe verzet. In eerste instantie lijkt dit het geval bij evenementen, omdat die een bepaalde periode (dag of enkele dagen) worden gehouden. Echter bij

terugkerende evenementen die in aard en karakter nauwelijks wijzigen kan gedacht worden

aan een vergunning voor onbepaalde tijd. Hierin wordt dan de voorwaarden opgenomen dat de datum voor 1 december het jaar daarvoor moet worden doorgegeven en het evenement

nagenoeg hetzelfde moet zijn als het jaar daarvoor. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de organisatie. Als bij controles blijkt dat toch afgeweken wordt van de voorwaarden kan de

vergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken. De kaders waarbinnen een vergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend worden opgenomen in het nog aan te passen evenementenbeleid.

Privaatrechtelijke voorschriften

Het opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is niet mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke voorschriften zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een vergunning niet worden geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de privaatrechtelijke vereisten.

Entreeheffing

Hennekes gaat in zijn opstel (Gst. 1998, 7076, p. 281-288) in op de vraag of het heffen van entreegeld voor het bezoeken van een evenement al dan niet geoorloofd is. Hij concludeert dat voor entree de organisator met de bezoeker overeenkomt om tegen betaling van een

bepaald bedrag het door de organisator geboden evenement te mogen bezoeken. Het is dus de organisator die bepaalt of er entree geheven wordt en zo ja, hoe hoog dat entreegeld zal zijn.

Evenementen en bestemmingsplan

Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet worden

beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden.

Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige weigeringsgrond opleveren, ABRS 29-032003, LJN-nr. AF8028. Dus is strijd met het bestemmingsplan geen weigeringsgrond in de zin van de APV.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft echter met betrekking tot het houden van

terugkerende, meerdaagse evenementen geoordeeld dat bij evenementen die naar omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie hebben die in strijd is met het bestemmingsplan, handhavend moet worden opgetreden.

Een uitzondering vormen evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk geval niet

regelmatig worden herhaald. Artikel 17 WRO, bedoeld als planologische vrijstelling voor

tijdelijke activiteiten, kan hierop worden toegepast. Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben, kunnen eveneens gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen planologische vrijstelling vereist. Voor deze evenementen is wel een

evenementenvergunning vereist op grond van de APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder, brandveiligheid enz.

Het is daarom van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in de te houden evenementen. ABRS 13-04-2005, LJN-nr.

AT3708 (Schuttersfeest Diepenheim, Hof van Twente), Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen; Rb Leeuwarden 27-07-2005, LJN-nr. AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland).

Evenementen op de openbare weg

Hennekens heeft in Gst, 1998, 7076, p. 281-288 een opstel geschreven met als titel

Evenementen op de openbare weg. Hij gaat uitgebreid in op de verhouding tussen het

normale gebruik van een openbare weg en het gebruik daarvan voor het houden van een

evenement. Eerst worden enkele opmerkingen gemaakt over de evenementenvergunning als grondslag voor het besluit om een (gemeentelijke) openbare weg af te sluiten voor het

houden van een evenement. Hierna wordt de vraag beantwoord wie bevoegd is om tot een dergelijke wegafsluiting te besluiten en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarbij wordt o.a.

aandacht besteed aan de openbaarheid van de weg en de regeling van wegafsluitingen in en krachtens de Wegenverkeerswet 1994.

Evenementen op het water

Indien bij een evenement onderdelen van de activiteiten op het water plaatsvinden of indien de uitstraling van de activiteiten op het water voor de openbare weg groot zijn moet de

vergunningverlener bij de waterbeheerder advies inwinnen over de voorwaarden waaronder een evenement nautisch gezien verantwoord doorgang kan vinden. Er dient bijvoorbeeld nagegaan te worden of afsluiting van waterwegen nodig zijn of dat er borden geplaatst moeten worden. Het is ook verstandig om bij het waterschap na te gaan of er in de

Waterschapswet bepalingen zijn opgenomen inzake het houden van evenementen op het

water. De vergunningverlener vraagt daarnaast advies aan de waterpolitie over de openbare orde en veiligheid.

Voor partyboten moet de organisator in ieder geval een evenementenvergunning aanvragen

bij de gemeente waar het schip aanlegt om de passagiers aan boord te laten gaan en tevens

een vergunning bij de gemeente waar het schip eindigt om de passagiers van boord te laten. Voorts ook overal waar het schip tussentijds aanlegt.

Handhaving op het water

Voor de handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen orde op het water en de openbare

orde. In beide gevallen kan de politie handhavend optreden, bijvoorbeeld bij geluidsoverlast of openbaar dronkenschap.

De regels over de orde op het water en de openbare orde worden vastgelegd in de Apv, het Binnenvaartpolitiereglement, een provinciale waterverordening, en de Scheepsvaartverkeerswet.

Evenementen met dieren

In opdracht van de dierenbescherming heeft SGBO, het onderzoeks- en adviesbureau van de VNG, een rapport opgesteld waarin een overzicht wordt gegeven van de wet- en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn en de daaruit voortvloeiende verplichtingen en

bevoegdheden voor provincies en gemeenten (SGBO, “Dierwelzijn in provincie en gemeente, het juridisch kader”, 2003). Het volgende is aan dit rapport ontleend.

De discussie over de aanvaarbaarheid van evenementen met dieren splitst zich toe op twee soorten evenementen:  

circussen waar dieren optreden;

folkloristische evenementen en wedstrijden met dieren, zoals zwijntje tikken of gansslaan.

Gemeenten zijn bij de besluitvorming over het toelaten van evenementen met dieren

gebonden aan een juridisch kader dat wordt gevormd door de evenementenregeling in de Apv en de voorschriften in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD).

Hoewel dierwelzijn in de Apv geen aparte weigeringsgrond is, kan uit diverse rechterlijke

uitspraken worden afgeleid dat gemeenten de mogelijkheid hebben om evenementen met

dieren (mede) te beoordelen op dierwelzijnsaspecten. Gemeenten kunnen in de volgende

twee situaties een vergunning voor het organiseren van evenementen met dieren weigeren: 

als er sprake is van dierenmishandeling (in dat geval kan er een beroep worden gedaan op het openbare-ordemotief);

als de dieren op een weinig respectvolle wijze worden behandeld (in die situatie vormt het zedelijkheidsmotief de weigeringsgrond).

Een uittreksel waarin de belangrijkste juridische instrumenten en mogelijkheden worden besproken is te vinden op het VNG-net (www.vng.nl/juridsche zaken/APV/publicaties).

Daarnaast is het sinds 15 september 2015 verboden om wilde zoogdieren te laten optreden in circussen. Daarnaast mogen er ook geen wilde zoogdieren meer gebruikt worden voor bijvoorbeeld:   

feesten of evenementen (bijvoorbeeld markten of carnaval) optredens bij particulieren thuis

het maken van reclames, films of televisieprogramma’s. Behalve als het dier geen acteursrol speelt en alleen natuurlijk gedrag laat zien.

 

optredens in pretparken meelopen in optochten.

Ook het vervoeren van wilde zoogdieren met als doel om deel te nemen aan een circus of een ander optreden in Nederland is met ingang van 15 september 2015 niet meer toegestaan.

Uitzonderingen Dieren

De volgende zoogdiersoorten mogen wel optreden in een circus: ezel, paard, hond, kat, rund, schaap, geit, varken, lama, alpaca, kameel, dromedaris, konijn, bruine rat, tamme muis/huismuis, cavia, goudhamster en gerbil. Ook dieren van andere dierklassen zoals vogels, reptielen, amfibieën en insecten mogen wel optreden in een circus.

Dierentuin en dolfinarium

Het optreden met wilde zoogdieren in dierentuinen en dolfinaria is wel toegestaan.

Vervoer

Er is een uitzondering voor het vervoer van wilde zoogdieren voor circussen of andere

optredens voor buitenlandse bedrijven of ondernemers. Zij mogen wel deze dieren vervoeren door Nederland, op voorwaarde dat zij niet in Nederland optreden

MKZ (Mond en Klauwzeer), vogelpest, gekke koeienziekte

Op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet heeft de minister van LNV bevoegdheden om op grond van veterinaire overwegingen (beperking verspreiding dierziektes) aanvullende eisen te stellen aan evenementen of deze te verbieden.

Veelal zijn gemeenten, wanneer besmettelijke dierziekte zich manifesteren, uiteindelijk

verantwoordelijk voor het al dan niet laten doorgaan van een evenement. In artikel 2:25 zijn de gronden opgenomen op grond waarvan de burgemeester een vergunning voor een

evenement kan weigeren en een verleende vergunning kan intrekken. Bij openbare orde en het voorkomen of beperken van overlast kan bijvoorbeeld worden gedacht aan beperkte mogelijkheid tot inzet van politie ter handhaving van de openbare orde. Hierbij kan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=38f0fc3c-7e82-40d7-bcc6-d2cdfc114cf2