2561 Ruimtelijke Onderbouwing Rijnlandstraat Noord
Tekst van het document
In totaal 84 parkeerplaatsen binnen het ontwikkelgebied. In de parkeergarage op maaiveldniveau worden in totaal 26 parkeerplaatsen gereserveerd voor de bewoners van het naastgelegen appartementengebouw Halte Damhof en 19 parkeerplaatsen gereserveerd voor de nieuwbouw. De ondergrondse parkeergarage wordt ontsloten via de Strandwal (zijde Halte Damhof) en is openbaar. Dat betekent dat deze door eenieder gebruikt kan worden (parkeerregime is daar een ‘blauwe zone’).
25
De in- en uitrit van de achtergelegen binnenplaats en de parkeergarage op maaiveldniveau is gesitueerd aan de Rijnlandstraat. Deze in- en uitrit kan worden gebruikt door de bewoners van de Damlaan (6 bestaande woningen), de bewoners van de 13 te ontwikkelen eengezinswoningen en daarnaast door de bewoners van het appartementencomplex Halte Damhof. Deze in- en uitrit wordt dus alleen gebruikt ten behoeve van bestemmingsverkeer en bewoners van het plan en de aangrenzende panden. Het parkeren aan de achterzijde van de woningen en in de parkeergarage wordt met bovenstaande oplossing zo veel mogelijk aan het zicht onttrokken, hetgeen bijdraagt aan de kwaliteit van het woon- en leefklimaat aan de voorzijde van de woningen. Voor wat betreft de berekende parkeerbehoefte en het voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen (ook voor de bewoners van het bestaande appartementengebouw Halte Damhof), wordt ook verwezen naar paragraaf 4.1.3 van deze onderbouwing. Met de gemeente zijn afspraken gemaakt over de afname van een openbare parkeergarage onder het plan. Ook is met de gemeente afgesproken dat er met een deskundige adviseur, goedgekeurd door de gemeente, een Programma van eisen (PvE) zal worden opgesteld dat door de gemeente wordt beoordeeld en goedgekeurd. De bouw van de garage kan en zal voldoen aan dit PvE.
Opstuwing of verlaging grondwater door parkeergarage De constructeur heeft de eventuele obstakelvorming van het freatische grondwater door de aanleg van een parkeerkelder aan de Rijnlandstraat te Leidschendam bekeken. Op basis van de sonderingen wordt tot 6 à 7 m – NAP een doorgaand zandpakket aangetroffen. De onderkant van de parkeerkelder zit op circa 3m – NAP met lokaal nog een verdiepte funderingsstrook tot ca. 3,7 m – NAP. Onder de keldervloer blijft een doorstroomde hoogte van minimaal 3,0 m in stand. Doordat hiermee het grondwater vrijelijk kan blijven stromen (communicerende vaten) worden opstuwing of ongewenste verlagingen van de grondwaterstand door obstakelvorming niet aan de orde geacht. Ter plaatse van het bestaande theater worden de damwanden niet getrokken. Gezien de beperkte afmetingen in horizontale zin zal ook hier geen meetbare opstuwing of grondwaterstandsverlaging ontstaan doordat rondom voldoende doorstroming plaatsvindt in de watervoerende zandlagen tot 6 à 7 m – NAP. door middel van een modelberekening zal worden aangetoond dat e.e.a. geen gevolgen heeft voor de maximale en minimale grondwaterstanden en daarmee voor de omliggende bebouwing. Daktuinen / waterbassins De dakterrassen van de 13 terraswoningen worden uitgerust met een klimaatadaptieve daktuin.
Dat wil zeggen dat de betreffende dakterrassen gedeeltelijk groen worden ingericht, onder meer met plantenbakken en groene afscheidingen tussen de woningen. Hierdoor heeft het dakterras waterbergend vermogen. Al het water dat op de daken en terrassen van deze 13 woningen valt, wordt vertraagd afgevoerd en opgevangen in een waterberging / waterbassin. Het is een zogenaamd slim systeem: als er bergingscapaciteit nodig is door forse regenval dan zal het systeem vooraf bergingscapaciteit vrijmaken door de waterberging te lozen op de normale hemelwaterafvoer.
26
In droge periode wordt het water gebruikt om het aangelegde groen op de daken te bewateren. Er worden twee waterbassins aangebracht, die een waterbergingscapaciteit hebben van 5 m3 respectievelijk 7,5 m3. Om het systeem te waarborgen wordt de tuin ook bij oplevering geheel ingericht om deze waterbergingscapaciteit te garanderen. De tuin wordt daarom ook voor een periode van 3 jaar onderhouden en op de tuin heerst een instandhoudingspicht. In de bijlage is de uitleg en het ontwerp van de dektuinen opgenomen. Belangen omwonenden Naast de beleving van de openbare ruimte en de kwaliteit van de nieuwe woningen, is er gekeken of het plan ook verantwoord is vanuit het perspectief van de bestaande bebouwing c.q. omwonenden. Daarbij is er gekeken naar met name twee aspecten: bezonning en privacy voor bestaande omwonenden. Door de gekozen stedenbouwkundige opzet, vormt het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord als het ware een verbindende schakel tussen de nieuwe woningen aan de Rijnlandstraat Zuid en het appartementencomplex van ‘Halte Damhof’. De bestaande bebouwing bevindt zich grotendeels aan de achterzijde van het plan, aan de Damlaan. • Privacy Vanwege de nabije ligging van het nieuwbouwplan bij bestaande woningen, is zorgvuldig gekeken naar de belangen van omwonenden.
Het concept-plan is naar aanleiding van opmerkingen hierover vanuit de gemeente nog op onderdelen aangepast, om de situatie voor omwonenden te verbeteren. Hierover het volgende. Het bouwplan komt relatief dicht bij het appartementengebouw Halte Damhof te liggen. Dat kan door de bewoners van Halte Damhof als een aanmerkelijke wijziging van hun woon- en leefomgeving ervaren worden. Bedacht dient echter te worden dat er voorheen op dezelfde plek reeds bebouwing aanwezig was (aan de Oude Trambaan). Hieronder is daar een foto uit 2005 van opgenomen (figuur 3.1). De afstand tussen het appartementengebouw Halte Damhof en de bestaande bebouwing bedroeg destijds ongeveer 4 meter. In de nieuwe situatie bedraagt die breedte circa 7,2 meter. De nieuwbouw is wel hoger. In de oude situatie (tot circa 2010) bedroeg de hoogte ongeveer 10,5 meter. De nieuwbouw krijgt een hoogte van 15,5 meter.
Fig. 3.1 Situatie bestaande bebouwing (tot circa 2010)
27
Vanuit de bewoners van het nabijgelegen appartementencomplex Halte Damhof zijn opmerkingen gemaakt over de grote mate van openheid van de aangrenzende gevel. Dat is voor de ontwikkelaar (Ontwikkelingscombinatie Damcentrum) reden geweest om de gevelopeningen van de nieuwe appartementen wat minder fors te maken en minder in aantal dan in het oorspronkelijke ontwerp. In het ontwerp zijn de open delen met minimaal 30% teruggebracht ten opzichte van eerder ingediende plannen. Dit in het belang van de privacy van de bewoners van de Halte Damhof (zie onderstaand figuur 3.2, bouwblok ter hoogte van rode pijl). Ook is het oorspronkelijke ontwerp van de achtergevels aangepast. Een kwalitatief aandachtspunt was daarbij de bergingen aan de achterzijde van de woningen op de eerste etage. Deze waren in de oorspronkelijke opzet erg zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Het geheel werd als erg ‘dicht’ ervaren. Nu is gekozen om de bergingen wat te verschuiven, de tuinen in, om zo min mogelijk massa te maken aan de achterzijde. De zo ontstane ruimte achter de berging wordt gebruikt om een plantenbak te plaatsen. Door deze gewijzigde positionering van de bergingen, en door de bergingen in een lichtere kleur uit te voeren, ogen ze vanuit de openbare ruimte lager en minder dominant.
Verder wordt het hekwerk aan de achterzijde van het perceel lager uitgevoerd, waarbij tevens het nodige aan groen (klimop, bijvoorbeeld wilde wingert, of blauwe regen) wordt aangebracht (zie figuren 3.2 en 3.3 en daaronder gegeven toelichting). De spijlen hekwerken zijn door een wijziging in de installatie van de parkeergarage inmiddels nodig voor natuurlijke ventilatie.
Fig. 3.2 Achterzijde nieuwbouwplan (kleinere en minder gevelopeningen linker element) In bovenstaande 3D-tekening aangegeven aanpassingen (fig. 3.2): Groene pijl : de kozijnen zijn verkleind Rode pijl : 3 stroken kozijnen zijn vervallen Blauw pijl : kozijnen zijn naar de zijgevel verplaatst waardoor een dicht gevelvlak is ontstaan waarop groene klimop wordt aangebracht
28
Fig. 3.3 Achterzijde nieuwbouwplan In bovenstaande 3D-tekening aangegeven aanpassingen (fig. 3.3): Groene pijl : gevel is verlaagd en er is groen toegevoegd in de vorm van klimop of blauwe regen Rode pijl : de berging is naar achteren geschoven, de tuin in, en op die plek komt een bloembak
De afstand van de nieuwbouw ten opzichte van de bestaande bebouwing in een stedelijk gebied wordt uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar geacht, nu de nieuwbouw wat betreft functie aansluit op de reeds bestaande woonfunctie en eveneens de bebouwingshoogte aansluit op de bestaande bebouwing. Voor zover het gebied wordt ingevuld met de grondgebonden herenhuizen, blijft de inkijk in bestaande woningen beperkt. Daarmee blijft ook de toename van een mogelijke privacyaantasting voor de bestaande bewoners beperkt en daarmee aanvaardbaar. Daarbij wordt opgemerkt dat bij de realisatie van dit bouwplan de regels uit het (privaatrechtelijke) burenrecht zullen en ook kunnen worden gerespecteerd. Gelet op al het voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de privacy-situatie van omwonenden. • Bezonningsstudie Voor dit plan is ook de bezonningsituatie in beeld gebracht. De berekeningen zijn gevisualiseerd waarbij inzichtelijk is gemaakt wat de schaduwwerking is van het theoretische bouwvolume zoals dat mag worden gerealiseerd conform het bestemmingsplan en de schaduwwerking van het voorliggende bouwplan (Bezonningsstudie Van Manen, d.d. 9 september 2021, zie bijlage II). In deze tekeningen wordt zichtbaar dat het bouwplan minder schaduw geeft dan wat er mogelijk is volgens de uitwerkingsregels uit het bestemmingsplan.
Geconcludeerd wordt dat dit bouwplan wat betreft bezonning en privacy gunstiger is voor omwonenden dan ingeval de maximale uitwerkingsmogelijkheden zouden zijn benut uit het vigerende bestemmingsplan. Erfdienstbaarheid Voorts wordt in dit kader nog stilgestaan bij de bestaande erfdienstbaarheid (‘recht van weg’) welke op het plangebied ligt.
29
Op één van de kadastrale percelen van de projectlocatie, gemeente Veur sectie B, nummer 6578, is een ‘recht van weg’ (erfdienstbaarheid) gevestigd ten gunste van de percelen Damlaan 46 t/m 58. Door middel van de erfdienstbaarheid wordt de achterzijde van deze percelen ontsloten vanaf de Rijnlandstraat. De ligging van de erfdienstbaarheid is in de daarop betrekking hebbende kadastrale akte specifiek beschreven. De eigenaar van een perceel waarop een ‘recht van weg’ rust kan, met een beroep op artikel 5:73 lid 2 BW, een ander gedeelte van het desbetreffende kadastrale perceel (het ‘dienende erf’) aanwijzen waarnaar het recht wordt verplaatst, indien deze verplaatsing zonder een onevenredige vermindering van het genot voor de eigenaren van de heersende erven mogelijk is. De wet stelt aan dit ‘aanwijzen’ geen strenge eisen, er is slechts sprake van een feitelijke handeling. Voldoende is dat de eigenaar van het dienende erf de verlegging van het recht naar een ander deel van het betreffende perceel vooraf en duidelijk kenbaar maakt aan de eigenaren van de heersende erven. Er is geen toestemming of instemming van de eigenaren van de heersende erven vereist. Ten behoeve van het bouwplan Rijnlandstraat Noord wordt het recht van weg op hetzelfde dienende kadastrale perceel 6578 verlegd naar een nieuwe positie.
De beoogde verlegging van het ‘recht van weg’ en de nieuwe positie van deze erfdienstbaarheid is de eigenaren van de percelen Damlaan 46 t/m 58 bekend. De gemeente heeft, als huidig eigenaar van de grond, hen hierover geïnformeerd en daar overleg over gehad. De betrokken bewoners hebben te kennen gegeven zich niet met de beoogde verlegging te kunnen verenigen. De beoogde verlegging leidt echter naar objectieve maatstaven bezien niet tot een onevenredige vermindering van het genot voor de eigenaren van de percelen Damlaan 46 t/m 58. Op grond van artikel 5:73 lid 2 BW kan de aanwijzing van de nieuwe ligging van het ‘recht van weg’ daarom in de vorm van een feitelijke handeling plaatsvinden, ook wanneer de eigenaren van Damlaan 46 t/m 58 hiermee niet willen instemmen. Indien en voor zover de erfdienstbaarheid in de vorm van een ‘recht van weg’ op een deel van de gronden in het plangebied gezien kan worden als een privaatrechtelijke belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bouwplan, kan deze belemmering zoals hiervoor geschetst worden weggenomen en staat deze niet aan het bouwplan in de weg. Onderstaand de erfdienstbaarheid in de bestaande en nieuwe situatie (zie figuur 3.4 en 3.5).
Fig. 3.4 Overzicht erfdienstbaarheid bestaande situatie
30
Fig. 3.5 Overzicht erfdienstbaarheid nieuwe situatie
Theater Het nabij het plan gelegen theater heeft deuren en ramen aan de zijde van het nieuwbouwplan. De Rijnlandstraatgevel van het theater moet dicht worden gemaakt, om het plan uit te kunnen voeren. De ramen en deuropeningen van de Rijnlandstraatgevel van het theater worden verplaatst naar de beide zijgevels van de theateruitbouw. Daarover is overeenstemming bereikt met het theater. Voorts wordt een extra vluchtweg vanuit het theater gemaakt die aansluit op het achterpad (pad dat bij het nieuwbouwplan hoort), dan wel aansluit op het bouwplan (bijvoorbeeld de parkeergarage in). De exacte positie van deze vluchtweg zal nader worden bepaald. De kosten voor de aanpassingen aan het theater worden gedragen door de ontwikkelende partij. Conclusie Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat het voorliggende bouwplan weliswaar afwijkt van de bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’, maar wel resulteert in een goede aansluiting op bestaande bebouwing en daarmee in een kwalitatiefruimtelijke verbetering voor dit gedeelte van Leidschendam-Centrum. De stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het plan is inmiddels in het supervisieteam aan de orde geweest en akkoord bevonden.
Vanuit stedenbouwkundig oogpunt wordt het bouwplan daarom positief beoordeeld en bestaat bovendien geen bezwaar tegen de afwijkingen van (de uitwerkingsregels uit) het vigerende bestemmingsplan.
31
Fig. 3.6 Begane grond bouwplan Rijnlandstraat Noord
Fig. 3.7 Ondergrondse parkeergarage bouwplan Rijnlandstraat Noord
Fig. 3.8 Voorgevel woningen Rijnlandstraat Noord
32
Fig. 3.9 Bouwplan hoek Rijnlandstraat - Standwal
3.2.3
Welstand Op 26 oktober 2021 is het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord behandeld in de Welstandsen monumentencommissie. De commissie is in principe akkoord met het voorliggende bouwplan, onder voorbehoud van nadere uitwerking door de landschapsarchitect van het gepresenteerde groeninrichtingsplan. Het bouwplan voldoet in beginsel zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot zijn omgeving aan redelijke eisen van welstand. De definitieve welstandsbeoordeling van het bouwplan vindt plaats in de nog in te dienen aanvraag om omgevingsvergunning tweede fase voor de bouwactiviteit. Voor zover relevant voor de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning is de conclusie dat ook in welstandstechnische zin (welstand zowel beoordeeld op zichzelf als in relatie tot de omgeving) geen belemmeringen bestaan voor het realiseren van de afwijkingen van het vigerende bestemmingsplan.
33
4.
VERKEERSKUNDIGE ASPECTEN
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied.
4.1 4.1.1
Parkeren Inleiding De parkeerbehoefte voor het centrumgebied van Leidschendam als geheel is ingeschat aan de hand van landelijk gehanteerde kencijfers, gecombineerd met de gegevens over de feitelijke situatie in het Damcentrum. Deze parkeerbehoefte is vertaald naar een integrale parkeerbalans voor het gehele centrumgebied. Bij de behandeling van de beroepen tegen het goedkeuringsbesluit van dit bestemmingsplan heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze parkeerbalans als niet in geding zijnde uitgangspunt bevestigd en gehanteerd. Op 31 oktober 2017 is deze parkeerbalans (geactualiseerd) vastgesteld door de raad. De uitgangspunten en systematiek van de balans voldoen nog steeds.
4.1.2
Toetsing parkeren Algemeen De revitalisatie van het Damcentrum behelst een integrale herinrichting en wijziging van functies en gebruik van gronden in het gehele centrumgebied. Deze herinrichting heeft gevolgen voor de parkeerbehoefte en de parkeerdruk in het centrum. De te hanteren parkeernormen bij nieuwbouw, functiewijziging of verbouw zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg. De Nota parkeernormen is een uitwerking van de Parkeernota en is in 2012 vastgesteld. Deze nota wordt bij dit bouwplan eveneens als leidend beschouwd. In de Nota Parkeerbeleid 2021 is de visie op parkeren in de gemeente Leidschendam-Voorburg vastgelegd en staan de kaders voor verdere uitwerking van het parkeerbeleid. Parkeernormen zijn nodig bij de toetsing van (ver)bouwplannen. De parkeernormen zelf en de rekenmethodiek zijn vastgelegd in de Nota Parkeernormen. De vigerende nota is de ‘Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg 2012’. Uitgangspunt van de in 2012 vastgestelde Nota Parkeernormen is dat parkeren op eigen terrein plaats dient te vinden, met dien verstande dat wanneer dit niet mogelijk is, aangetoond dient te worden dat geen sprake is van een onevenredige toename van de parkeerdruk op de omgeving.
Aangezien in Leidschendam Centrum sprake is van een gebiedsontwikkeling wordt voor de parkeerbalans het gehele plangebied beschouwd, inclusief de parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Parkeren nieuwbouwplan Rijnlandstraat Noord Verkeersadviesbureau Goudappel is gevraagd om te onderzoeken in welke mate de aantallen gebouwde parkeerplaatsen op eigen terrein de gehele eigen parkeervraag op kan lossen, danwel dat het tekort binnen de extra parkeervraag van de parkeerbalans blijft (Parkeren Rijnlandstraat Leidschendam, juni 2021, zie bijlage III). De parkeerbalans bekijkt dat op twee onderdelen: 1) Rijnland Noord Halte Damhof en 2) Rijnland Noord nieuwbouwwoningen. - Rijnland Noord Halte Damhof De parkeerbalans geeft aan dat er voor Halte Damhof een parkeervraag van 26 is. Er worden in de te realiseren parkeergarage op maaiveldniveau (onder de dektuinen) 26 parkeerplaatsen
34
gerealiseerd, die niet openbaar zijn. Deze zijn gereserveerd voor de bewoners van Halte Damhof. - Rijnland Noord nieuwbouwwoningen De parkeerbalans houdt rekening met een parkeervraag nieuwbouw Rijnland Noord op openbaar gebied van 21 parkeerplaatsen. Mede door de lagere parkeernorm komt Goudappel op een parkeervraag van de nieuwbouw van 27 parkeerplaatsen (zie rapport tabel 3.2). Het totale gebouwde parkeeraanbod op eigen terrein is 45 parkeerplaatsen (parkeergarage op maaiveldniveau). Daarvan zijn er, zoals gezegd, 26 voor Halte Damhof en dus blijven er 19 parkeerplaatsen over voor de nieuwbouw. De totale parkeervraag nieuwbouw is volgens rapport van Goudappel 27 parkeerplaatsen. Dat betekent dat er (27-19) een parkeervraag van maximaal 8 parkeerplaatsen op openbaar gebied zal zijn. In de parkeerbalans is rekening gehouden met een parkeervraag van 21 parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Dus het plan past binnen de parkeerbalans. Op de locatie worden in totaal 84 parkeerplaatsen gemaakt. Op maaiveldniveau worden 45 parkeerplaatsen gerealiseerd. En onder het project wordt een openbare parkeergarage met 39 openbare parkeerplaatsen gemaakt om de parkeerdruk in het gebied te verlagen. Deze extra openbare plaatsen zijn in deze balans niet meegerekend.
Parkeergarage Zoals opgemerkt voorziet het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord in parkeren op maaiveldniveau en in parkeren in een ondergrondse, openbare parkeergarage. De in- en uitrit van de achtergelegen binnenplaats en de parkeergarage op maaiveldniveau is gesitueerd aan de Rijnlandstraat. Deze in- en uitrit kan worden gebruikt door de bewoners van de Damlaan (6 bestaande woningen), de bewoners van de 13 te ontwikkelen eengezinswoningen en daarnaast door de bewoners van het appartementencomplex Halte Damhof. Deze in- en uitrit wordt dus alleen gebruikt ten behoeve van bestemmingsverkeer en bewoners van het plan en de aangrenzende panden. De ondergrondse parkeergarage wordt ontsloten via de Strandwal (zijde Halte Damhof) en is openbaar. Dat betekent dat deze door eenieder gebruikt kan worden (parkeerregime is daar een ‘blauwe zone’). Het parkeren aan de achterzijde van de woningen en in de parkeergarage wordt met bovenstaande oplossing zo veel mogelijk aan het zicht onttrokken, hetgeen bijdraagt aan de kwaliteit van het woon- en leefklimaat aan de voorzijde van de woningen. Met de gemeente zijn afspraken gemaakt over de afname van de ondergrondse (openbare) parkeergarage.
Ook is met de gemeente afgesproken dat er met een deskundige adviseur, goedgekeurd door de gemeente, een Programma van eisen (PvE) zal worden opgesteld dat door de gemeente wordt beoordeeld en goedgekeurd. De bouw van de garage kan en zal voldoen aan dit PvE.
35
Fig. 4.2 Parkeren op maaiveldniveau 45 parkeerplaatsen
Fig. 4.3 Parkeerkelder (onder maaiveldniveau) 39 parkeerplaatsen
Conclusie Gelet op het bovenstaande kan gesteld worden dat met de realisatie van het bouwplan geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk op de directe omgeving.
4.2 4.2.1
Verkeer Verkeerseffecten van het plan Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Damcentrum" is onderzoek verricht naar de verkeerseffecten van de herinrichting van het centrumgebied. In de eerste plaats kan daarom worden verwezen naar het desbetreffende vigerende bestemmingsplan. In 2010 is aanvullend onderzoek gedaan naar de verkeersgerelateerde milieueffecten van de ruimtelijke ingrepen die in het Damcentrum zullen plaatsvinden (‘Milieueffecten bestemmingsplannen Leidschendam-Centrum’, Goudappel-Coffeng nr. LSC005/Kmc/0010, februari 2010, zie bijlage IV). Hierbij zijn ook de geactualiseerde verwachte verkeerseffecten van de herinrichting van het Damcentrum beschreven. De verschillende ruimtelijke ingrepen in het Damcentrum voorzien in een aantal ontwikkelingen (waarvan het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord er één is), die mogelijk
36
een extra verkeersaantrekkende werking kunnen hebben. In het bedoelde aanvullende onderzoek is de situatie in 2020 zónder de ruimtelijke ingrepen ('de autonome ontwikkeling') vergeleken met de situatie in 2020 mét de voorgenomen ontwikkelingen. Als gevolg van deze ontwikkelingen zal naar verwachting de verkeersdruk binnen het Damcentrum toenemen. Daarnaast is sprake van een toename van de verkeersintensiteit op de ontsluitende wegen rond het centrumgebied. De geprognosticeerde toename van de verkeersintensiteiten is echter relatief beperkt, namelijk niet meer dan circa 10-15%. Bij het opstellen van het geluidsonderzoek (zie paragraaf 5.1) voor dit bouwplan zijn actuelere verkeersgegevens gebruikt. Daaruit blijkt dat, voor zover betrekking hebbend op de voor dit bouwplan relevante ontsluitingswegen, de geprognosticeerde actuele verkeersgegevens voor de periode 2018 – 2028 gunstig afwijken ten opzichte van de verkeersgegevens van bovengenoemde onderzoek van Goudappel-Coffeng voor 2020. De conclusie dat sprake is van een relatief beperkte toename van de verkeersintensiteiten ten gevolge van de bouwplannen binnen Damcentrum, kan dus nog steeds worden getrokken.
Overigens wordt hierbij nog opgemerkt dat de hiervoor bedoelde beperkte toename van de verkeersdruk in het Damcentrum geen gevolg is van het verwezenlijken van een aantal plannen die afwijken van de ontwikkelingen die rechtstreeks in het bestemmingsplan ‘Damcentrum’ zijn voorzien. Ook wanneer de in dit vigerende bestemmingsplan opgenomen bestemmingen conform de vastgestelde bestemmings- resp. uitwerkingsregels zouden zijn uitgevoerd resp. uitgewerkt, zouden de hiervoor beschreven effecten op de verkeersdruk zich in vergelijkbare aard en omvang hebben voorgedaan. 4.2.2
Relatie met een "Duurzaam Veilige" wegencategorisering Beleidsmatig wordt op rijks-, provinciaal - en gemeentelijk niveau gestreefd naar een Duurzaam Veilige inrichting van de wegenstructuur. Eén van de belangrijkste principes van Duurzaam Veilig is het categoriseren van wegen en afstemming van functie, vorm en gebruik. Alle wegen binnen het Damcentrum zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen met een maximale snelheid van 30 km/uur. Een belangrijk kenmerk van erftoegangswegen is de menging van verkeers- en verblijfsfuncties. Voor fietsers zijn geen aparte voorzieningen aanwezig, automobilisten moeten door de inrichting van deze wegen het idee krijgen dat zij hier als het ware te gast zijn. Dit principe sluit aan bij de kernuitgangspunten voor de herinrichting van het Damcentrum. De weginrichting moet automobilisten ook stimuleren om hun snelheid aan te passen. De in- en uitrit van de binnenplaats en parkeerplaats op maaiveldniveau van het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord is gesitueerd aan de Rijnlandstraat. Vanwege de middenberm is deze in- en uitrit dus enkel via de zijde van de Oude Trambaan te benaderen. Vanuit de richting van de Zaagmolenstraat dient men het kwadrant rond te rijden. De ondergrondse parkeergarage wordt ontsloten via de Strandwal (zijde Halte Damhof).
Het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord vraagt verder geen bijzondere inrichtings- of overige maatregelen. Vanuit dit oogpunt is verwezenlijking van het project dan ook aanvaardbaar.
37
5.
OMGEVINGS- EN MILIEUASPECTEN
Dit hoofdstuk bevat een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben. Ook wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan op de ecologische aspecten en consequenties van het bouwplan (gevolgen voor flora & fauna).
5.1
Geluid Voor de planologische inpassing van dit plan aan de Rijnlandstraat Noord te Leidschendam dient te worden voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder. In dit geval is wegverkeerslawaai van belang. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Van Kooten Akoestisch Advies (Akoestisch onderzoek, Bouwplan Rijnlandstraat Noord in Leidschendam, d.d. 12 april 2021, zie bijlage V). Voor het bouwplan Rijnlandstraat Noord aan de Oude Trambaan en Rijnlandstraat zijn berekeningen voor wegverkeerslawaai uitgevoerd. De berekende geluidsbelastingen zijn aan de normen van de Wet geluidhinder en aan de beleidsregel hogere waarden van de gemeente Leidschendam-Voorburg getoetst. Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd. Uit de resultaten blijkt dat de gemeente Leidschendam-Voorburg voor 15 studiowoningen en 2 maisonnettes hogere waarden moet vaststellen om de bouw mogelijk te maken. Het betreft een hogere waarde vanwege de Oude Trambaan tot maximaal 54 dB. De geluidsbelasting vanwege de Oude Trambaan bedraagt maximaal 54 dB en overschrijdt daarmee de voorkeursgrenswaarde. De maximaal vast te stellen hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidsbelasting vanwege de J.S. Bachlaan en de Koningin JulianalaanVoorburgseweg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde.
Vanwege de 30 km/uur wegen binnen en rondom het plangebied bedraagt de geluidsbelasting op de nieuwbouw maximaal 54 dB. Deze waarde is lager dan de maximaal vast te stellen hogere waarde die geldt voor wel geluidsgezoneerde wegen. De berekende geluidsbelasting van 54 dB past daarom in beginsel binnen het kader van een goede ruimtelijke ordening. Wel dient net als bij geluidsgezoneerde wegen te worden voldaan aan de eisen uit het geluidbeleid van de gemeente LeidschendamVoorburg. Uit een afweging van de mogelijkheden blijkt dat het niet goed mogelijk is de geluidsbelasting vanwege de Oude Trambaan of de Rijnlandstraat te reduceren middels bron- of overdrachtsmaatregelen. Voor de inhoudelijke argumenten wordt kortheidshalve verwezen naar hoofdstuk 4 van het onderzoek van Kooten Akoestisch advies. De nieuw te bouwen woningen kunnen voldoen aan het geluidbeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg. De dekwoningen en de studio’s die niet direct aan de Oude
38
Trambaan of Rijnlandstraat zij gesitueerd hebben allemaal een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Voor de studio’s die aan de Rijnlandstraat zijn gesitueerd en de maissonnettes die aan de Oude Trambaan zijn gesitueerd worden als maatregel afgeschermde buitenruimten in het ontwerp opgenomen. Hiermee voldoen ook die woningen aan het geluidbeleid. Tevens wordt op de dakverdieping een dakterras voor gezamenlijk gebruik gerealiseerd. Dit dakterras kan met een gesloten borstwering aan de zijde van de Oude Trambaan eenvoudig geluidsluw worden gemaakt. Voor dit bouwplan dient een hogere waarde te worden vastgesteld door de gemeente Leidschendam-Voorburg. Voor de woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld gelden op grond van het Bouwbesluit eisen aan de karakteristieke geluidwering van de gevels. Voor de overige (dek)woningen is overigens ook sprake van een licht verhoogde geluidsbelasting, zodat extra aandacht zal worden besteed aan het aanbrengen van voldoende geluidwerende gevels. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder en het oogpunt van goede ruimtelijke ordening vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor het verwezenlijken van het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord. Voor 15 studiowoningen en 2 maisonnettes van dit bouwplan dient echter wel een hogere waarde te wordt vastgesteld om de bouw mogelijk te maken.
Het betreft een hogere waarde vanwege de Oude Trambaan tot maximaal 54 dB. Dit besluit dient te zijn genomen vóórdat de omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor de woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld, gelden op grond van het Bouwbesluit eisen aan de karakteristieke geluidwering van de gevels. Voor de overige (dek)woningen is overigens ook sprake van een licht verhoogde geluidsbelasting, zodat extra aandacht zal worden besteed aan het aanbrengen van voldoende geluidwerende gevels.
5.2
Milieuzonering De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure (‘Bedrijven en milieuzonering’). In de (directe) omgeving van het bouwplan zijn geen bedrijven en / of instellingen aanwezig die een milieubelastend effect kunnen hebben op het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord. Tevens zijn er geen negatieve en / of belemmerende milieueffecten te verwachten van het bouwplan op omliggende functies.
39
Conclusie Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat ervan uit ‘milieuzonering’ geen belemmering bestaat voor het verwezenlijken van het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord.
5.3
Luchtkwaliteit De Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In deze wet zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit); een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Het project heeft betrekking op het realiseren van 38 eengezinswoningen. Daarmee valt het project onder de categorie ‘niet in betekenende mate’. Het plan is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek behoeft om die reden niet te worden uitgevoerd. Voorts is er ter hoogte van het plan geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een geldende luchtkwaliteitseis. Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit dan ook geen belemmeringen. Conclusie Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor het verwezenlijken van het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord.
5.4 5.4.1
Flora en fauna Algemeen Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en
40
plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: - Het Natuurnetwerk Nederland; - Bijzondere provinciale natuurgebied; - Bijzondere provinciale landschappen; - Nationale parken; - Bijzondere nationale natuurgebieden; - Natura 2000-gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten. 5.4.2
Natuurtoets Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Aqua-Terra Nova BV, in gezamenlijkheid met de nieuwbouwprojecten aan de Leytsche Hof en de Rijnlandstraat-Noord (Eco-effectscan Leytsche Hof, Molenpad en Rijnlandstraat–Noord te Leidschendam, 18 januari 2017, zie bijlage VI) waarbij onderzocht is of er beschermde natuurwaarden en / of flora en fauna op het perceel aanwezig zijn. Hieronder volgt een kort overzicht van de conclusies uit dit rapport: •
Het plangebied ligt buiten de invloedssfeer van beschermde natuurgebieden. In de nabije omgeving zijn wel ecologische verbindingszones aanwezig. Vanwege de kleinschalige aard van de werkzaamheden, afstand, tussenliggende gebieden worden geen significante effecten op Natura 2000-gebieden of de NNN verwacht. Een nadere toetsing aan de Wet Natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland is niet nodig.
•
Op basis van de Eco-effectscan worden negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op beschermde gebieden of soorten uitgesloten. Nader onderzoek naar beschermde flora en fauna is niet noodzakelijk.
•
Tijdens de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met broedende vogels en algemeen voorkomende dieren. De zorgplicht is te allen tijde van kracht.
Conclusie Op basis van de uitgevoerde Eco-effectscan wordt kan worden geconcludeerd dat er uit het oogpunt van flora en fauna geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project. 5.4.3
Effectbeoordeling stikstofdepositie Voor het beoogde plan heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling stikstofdepositie plan Rijnlandstraat Noord, d.d. 21 april 2021, bijlage VII). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen.
41
Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename. Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van stikstof geen belemmeringen zijn te verwachten. 5.5 5.5.1
Externe veiligheid Inleiding Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten: • Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250 • Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636 • Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Crnvgs) voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water, juli 2012 Tevens dient men rekening te houden met het beleid Externe Veiligheid dat door stadsgewest Haaglanden is vastgesteld op 28 november 2012. Risicovolle objecten zijn o.a.: • ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen; • transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen; • bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemische stoffen; • grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15); • LPG-tankstations. Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen.
Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek. Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten zijn:
42
• • • • •
5.5.2
het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan; het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen; het saneren van bestaande knelpunten; zorgvuldige risicocommunicatie; hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.
Relevante risicobronnen voor het projectgebied Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de provinciale risicokaart, GEO-Web Haaglanden en het bedrijvenbestand van de gemeente Leidschendam-Voorburg.
5.5.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties Zowel binnen als direct buiten het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties gelegen (zie ook risicokaart hieronder, paragraaf 5.5.2.4). 5.5.2.2 Route gevaarlijke stoffen Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12 (Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen, conform het zogenaamde basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit bijlage I van de Regeling basisnet (in werking d.d. 1 april 2015) blijkt dat voor de A4 ter hoogte van Leidschendam een afstand van 13 meter geldt ten aanzien van het PR-risicoplafond (bij de zogenaamde 10-6 contour). Uit de Regeling basisnet blijkt dat voor de A12 ter hoogte van Leidschendam een afstand van 48 meter geldt ten aanzien van GR-risicoplafond (bij de zogenaamde 10-7 contour). De afstand van het projectgebied tot de A4 is bedraagt meer dan 500 meter en tot de A12 circa 3.000 meter. Aan die basisnetafstanden wordt dus ruimschoots voldaan. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt.
Bij nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is geen belemmering voor het bouwplan. Toekomstige bewoners zullen zich echter bewust moeten zijn van bovenstaande risico’s. 5.5.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water In de omgeving van het projectgebied bevindt zich geen spoor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over de Vliet / Zuidvliet vindt alleen zeer incidenteel transport van gevaarlijke stoffen plaats. De Vliet is echter niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van de externe veiligheid. De Vliet / Zuidvliet is van lokale dan wel regionale betekenis maar vervult voornamelijk een toeristische functie en minder een goederentransportfunctie. Ook voor de toekomst worden met betrekking tot de externe veiligheid in relatie tot vervoer van gevaarlijke stoffen in de binnenvaart binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg, en dus voor het projectgebied, geen knelpunten verwacht.
43
5.5.2.4 Buisleidingen Uit de risicokaart van de provincie Zuid-Holland blijkt dat binnen resp. in de directe omgeving van het projectgebied geen hogedruk-aardgasleidingen aanwezig zijn. Ook andere leidingen die voor de externe veiligheid relevant zijn, zijn niet in of nabij het projectgebied aanwezig.
Fig. 5.1 Uitsnede risicokaart (blauwe pijl: projectlocatie)
5.5.3
Conclusie Externe veiligheid is voor de in het projectgebied voorziene nieuwe ontwikkeling geen relevant thema. Het plaatsgebonden risico resp. het groepsrisico zal niet worden gewijzigd ten opzichte van de bestaande situatie, noch van de situatie zoals die in het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’ in juridisch-planologische zin is voorzien.
5.6 5.6.1
Water Inleiding Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor dat in de toelichting van een bestemmingsplan dan wel in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving is opgenomen van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt verslag gedaan van de resultaten van de watertoets. In de Waterwet (2009) zijn acht 'oude' wetten op het gebied van water samengebracht. De Waterwet regelt het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Europese Kaderrichtlijn Water te implementeren en geeft ruimte voor de implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
44
De waterschappen hebben op grond van de Waterwet een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties met uitzondering van: • onttrekkingen voor drinkwater; • koude- en warmteopslag; • grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verder gaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. 5.6.2
Waterbeleid In tal van beleidsdocumenten wordt aandacht besteed aan het belang van 'water'. Centraal uitgangspunt van het waterbeleid is, dat water meer ruimte moet worden gegeven om te voorkomen dat de waterproblematiek in tijd of ruimte wordt afgewenteld. Daartoe worden twee drietrapsstrategieën als doelstelling gegeven: • ten aanzien van de waterkwantiteit: vasthouden - bergen - afvoeren; • ten aanzien van de waterkwaliteit: schoonhouden - scheiden - zuiveren. Daarnaast zijn aspecten als het beperken van bodemdalingen en het vergroten van de ecologische potenties van water inclusief de oeverzones van belang. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: • meer ruimte voor water; • meer ruimte voor een relatie tussen het stedelijk water en water in het omliggende gebied; • vergroting van het waterbergend vermogen, met name in de stadsranden; • verbetering van de waterkwaliteit; • vergroting van de belevingswaarde van water; • kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water. De opties voor uitbreiding van de bergingscapaciteit in en rond het projectgebied zijn beperkt, omdat het bestaand stedelijk gebied betreft dat van oudsher vrijwel geheel verhard is.
5.6.3
Watertoets Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Voor het verwezenlijken van de ontwikkelingen in het Damcentrum is een waterplan opgesteld, waarin onder andere de waterhuishouding, de gewenste waterkwaliteit, de riolering, het grondwater en de bergingsmogelijkheden voor oppervlaktewater zijn uitgewerkt. Dit waterplan is uitvoerig besproken met de verschillende waterbeheerders, onder meer in het kader van het wettelijk vooroverleg. De resultaten zijn vastgelegd in de desbetreffende delen van het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’. De maatregelen uit het Waterplan Damcentrum zijn inmiddels grotendeels uitgevoerd. Er is in 2006 een gescheiden rioolstelsel aangelegd en drainage. Er is een polderwaterberging gerealiseerd waarin het hemelwater uit het peilgebied waarin het plan ligt wordt gebufferd en vertraagd afgevoerd naar het lage peilvak in de Klein Plaspoelpolder. De wateroverlast in Damcentrum is daarmee opgelost. Het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord wijkt op de in paragraaf 3.1 van deze onderbouwing beschreven onderdelen af van het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’ uit 2005.
Deze afwijkingen zijn echter niet zodanig, dat als gevolg daarvan beïnvloeding van de in het vigerende bestemmingsplan beschreven waterkwaliteit en -kwantiteit verwacht kan
45
worden. Het aantal m2 verhard oppervlak dat in het bouwplan concreet wordt gerealiseerd, is minder dan de maximale bouwmogelijkheden die in het vigerende bestemmingsplan zijn vastgelegd. Het huidige bestemmingsplan biedt binnen de uitwerkingsregels immers de mogelijkheid om het gehele plangebied te bebouwen en dus te verharden. Het bouwplan voorziet daarentegen nog in daktuinen voor de 10 grondgebonden eengezinswoningen. Het bouwplan heeft geen invloed op de hoeveelheid nieuw aan te leggen open water in het Damcentrum die in het huidige bestemmingsplan is voorzien. Onderhavig van het bestemmingsplan afwijkende plan is voor een nieuwe watertoets aan het Hoogheemraadschap van Rijnland voorgelegd. Bij e-mailbericht van 19 juni 2017 (zie bijlage VIII) heeft het Hoogheemraadschap Rijnland aangegeven positief te kunnen instemmen met het plan. 5.6.4
Watersysteem Het plan is gelegen binnen het boezemgebied (zomerpeil NAP min 0,61 m, winterpeil NAP min 0,64 m). Aan de westzijde van het plangebied ligt de landscheiding en de Klein Plaspoelpolder in het beheersgebied van Delfland met een waterpeil van NAP – 1,0 m.
Fig. 5.2
Legger Hoogheemraadschap Rijnland
Zoals uit bovenstaande uitsnede van de legger blijkt, ligt het plan niet in de invloedzone van waterkeringen of persleidingen.
46
Fig. 5.3 Toekomstige ligging watersysteem nabij plangebied
5.6.5 Riolering en afkoppeling 5.6.5.1 Afkoppeling en vervanging riolering In het gehele Damcentrum wordt gestreefd naar het maximaal afkoppelen van de schone verharde oppervlakte en het deels vasthouden van het water binnen het verharde gebied. De schone verharde oppervlakte wordt zo min mogelijk aangesloten op de riolering. Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting; • (in-)filtratie van afstromend hemelwater; • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In de Strandwal ligt een gescheiden stelsel waarop aangesloten moet worden. Dit hemelwaterriool zal in de toekomst worden aangesloten op de nieuwe boezemwatergang (zie ook fig. 5.3) langs de Schoorlaan. Voor de bouw worden duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast (dus geen zink, lood, koper, en PAK's- houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. 5.6.5.2 Riool- en baggerbeheer Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren.
Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2016-2023 is eind 2015 vastgesteld en is een gedeeltelijk verbreed GRP.
47
5.6.6
Waterkeringen en waterveiligheid De gronden in het projectgebied van het voorliggende plan zijn op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan "Damcentrum" niet (mede) bestemd voor "Primair waterkeringsdoeleinden". Wel ligt vlak langs het plangebied de landscheiding tussen Delfland en Rijnland. Deze heeft wel de status van waterkering maar in dit gebied geen feitelijke waterkerende functie. Dat betekent dat voor de verwezenlijking van onderhavig geen watervergunning nodig is voor activiteiten in, op of nabij waterkeringen. Het belang van de bescherming van waterkeringen staat dus aan het verwezenlijken van dit project niet in de weg.
5.6.7
Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. De dakterrassen van de terraswoningen worden uitgerust met een klimaatadaptieve daktuin. Dat wil zeggen dat de daktuinen aangelegd worden met beplanting en een groene erfafscheiding, waarbij het systeem uitgevoerd als waterneutraal dak (zie bijlage XII, waterneutraaldak Schadenberg). Al het water op de hoofdaken en de terrassen wordt vertraagd afgevoerd naar twee opvangbassins van totaal tussen de 5 m3 respectievelijk 7,5 m3. Het systeem meet de behoefte aan water in het plan en pomp het water uit de bassins naar de beplanting op de dakterrassen als dat nodig is.
Ook weet het systeem wanneer er sprake is van overvloed in neerslag en zal op dat moment de capaciteit van de bassins vroegtijdig laten leeglopen in het riool zodat bij hevige neerslag de bassins eerst gevuld worden. Verder worden op de daken van de eengezinswoningen en appartementen zonnepanelen opgenomen om aan het Bouwbesluit te voldoen (energieprestatieberekening).
5.6.8
Grondwater Het advies van de gemeente is om de bouwpeilen te kiezen zodat minimaal een hoogteverschil van 0,20 – 0,30 m tussen de weghoogte (kruin) en het vloerpeil wordt gerealiseerd. Dit hoogteverschil is nodig om de riolering zonder problemen te laten afvoeren naar het straatriool tijdens hevige neerslag. Het wegpeil ligt op circa NAP 0,10 m. Het gebied kent volgens een recent grondwatermeetpunt Voorburgseweg (5) een grondwaterstand van NAP -0,60. Dit is onvoldoende om grondwateroverlast tegen te gaan. Het aanlegpeil dient daarom rond NAP +0,40m. in overleg met de riool- en waterbeheerder te worden vastgesteld. Eventuele kelders moeten voldoende (grond)waterdicht zijn uitgevoerd.
5.6.9
Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er uit het oogpunt van het aspect ‘water’ geen belemmeringen zijn voor realisatie van het plan aan de Rijnlandstraat. En zoals opgemerkt, heeft het Hoogheemraadschap Rijnland bij e-mailbericht van 19 juni 2017 (zie bijlage VIII) aangegeven in te kunnen instemmen met bovenstaande waterparagraaf.
48
5.7
Bodem Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging, dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de land- of waterbodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op de locatie aan de Rijnlandstraat Noord te Leidschendam is door BK Ingenieurs een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek Rijnlandstraat te Leidschendam, 17 november 2015, bijlage IX). Hieronder volgt een overzicht van de conclusies en aanbevelingen uit dit rapport: •
Plaatselijk zijn in de grond en in het grondwater verontreinigingen aangetroffen. Het verontreinigingsbeeld wijkt niet in belangrijke mate af van de resultaten van eerdere onderzoeken.
•
Op één plaats is sprake van een matige verontreiniging met PAK (in eerder onderzoek ook een sterke verontreiniging met PAK), die door middel van aanvullende boringen en analyses is uitgekarteerd. Er is naar de mening van BK geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Wel is sprake van een niet-ernstig geval van historische bodemverontreiniging;
•
Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is naar de mening van BK niet noodzakelijk. De omvang van het geval met PAK is voldoende bepaald. De spot met PAK in de kolengruishoudende laag dient binnen de grenzen van de locatie te worden gesaneerd door middel van verwijdering en afvoer naar een erkende verwerker, Voor deze beperkte sanering is de gemeente Leidschendam-Voorburg het bevoegd gezag.
Om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik (wonen) dient de verontreiniging met PAK gesaneerd te worden. De keuze van de saneringsvariant (bijvoorbeeld ontgraven en/of isoleren) dient afgestemd te worden op de wensen van de opdrachtgever en de herinrichtingsplannen. De verwachting is dat deze sanering onder de Regeling Uniforme Sanering (door middel van een zogenaamde BUS-melding) verricht kan worden (categorie ‘immobiel’ aangezien in het grondwater maximaal de streefwaarde wordt overschreden). De omgevingsvergunning kan worden verleend onder voorwaarde dat de sanering wordt uitgevoerd conform het besluit van de Omgevingsdienst Haaglanden alvorens er gebouwd kan worden. Conclusie Met in achtneming van het voorgaande wordt niet verwacht dat het aspect bodem milieuhygiënisch een belemmering vormt voor dit plan.
49
5.8 5.8.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Inleiding Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: - belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2.
de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten.
5.8.2
Onderzoeksresultaten vormvrije m.e.r.-beoordeling Het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord kan worden geschaard onder 11.2 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Dit plan van 38 woningen wordt (in beginsel) niet gezien als een m.e.r.-plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij de volgende drempelwaarden: - een oppervlakte van 100 hectare of meer, - een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Voor onderhavig plan is een zogenaamde m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld (Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling ten behoeve van bouwplan Rijlandstraat - Noord te Leidschendam, Legalexion, d.d. 4 mei 2021), waarin onderzocht wordt in hoeverre van het plan belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten (zie bijlage X). Uit voornoemde m.e.r.-aanmeldnotitie blijkt dat er, gelet op de kenmerken van het project, met name de aard en de omvang in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., geen belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten.
5.8.3
Conclusie Mede gelet op de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling voor de Rijnlandstraat Noord in voldoende mate is afgewogen, en dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Een m.e.r.(-beoordeling) is dan ook niet noodzakelijk.