CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2173-03 05032021_Toelichting bestemmingsplan Vlietvoorde_vastgesteld.pdf

Raadsvergadering 11 mei 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Bestemmingsplan Vlietvoorde (2173).28.247 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De bestaande woningen zijn voornamelijk gericht op de Veursestraatweg. De verspreide woningen in het plangebied liggen aan (on)verharde paden vanuit deze weg.  Wegenstructuur: Het plangebied heeft in de huidige situatie vanuit de Veursestraatweg een aantal verharde en (on)verharde wegen. De woningen langs de Veursestraatweg zijn direct ontsloten op deze weg.

(vastgesteld)

27

bestemmingsplan Vlietvoorde

3.2.3

Ruimtelijke samenhang met het omliggende gebied

De Duivenvoordecorridor is het landelijk gebied tussen de gemeente Leidschendam - Voorburg en de gemeente Voorschoten. Het is de verbinding tussen de polders van het Groene Hart en de duinen, het strand en de zee. Het landschap kent een verschil tussen de hogere strandwallen en de lager gelegen strandvlaktes. Het plangebied ligt op de overgang tussen de strandwallen en de strandvlaktes. Kenmerkend voor het landschap zijn de grote open weidegebieden en de bosblokken met daarin opgenomen de formele en landschappelijke tuinen. Het betreft een coulisselandschap met een aaneenschakeling van landschappelijke kamers die zijn gevormd tussen bosvolumes en lanen. Het landgoederenlandschap van de Duivenvoordecorridor is een bijzonder cultuurlandschap. Vanuit cultuurhistorische achtergrond zijn er vele zichtassen te ontdekken, die zeer waardevol zijn voor de regio. Verspreid over het landelijk gebied de Duivenvoordecorridor komt woonbebouwing voor. Dit ‘wonen’ vindt in verschillende typologieën plaats: op een buitenplaats; in een boerderij of in een bebouwingslint. De Veursestraatweg/Veurseweg is het centrale lint door het gebied. Haaks op deze weg liggen verschillende wegen die landhuizen, woningen, boerderijen, bedrijfsruimten etc. in het gebied ontsluiten op de Veursestraatweg/Veurseweg. Deze karakteristiek komt ook terug in het plan Vlietvoorde.

Vanuit de Veursestraatweg wordt een nieuwe ontsluitingsweg gerealiseerd die de woongebieden en het landgoed Oostbos ontsluiten. Groen en water wordt met woningbouw gecombineerd en op verschillende plekken worden nieuwe zichtlijnen in het gebied gecreëerd. De woongebieden worden als kamers ontworpen en sluiten daarmee aan op de karakteristiek van de Duivenvoordecorridor. Het te herstellen landgoed Oostbos ligt prominent tussen de woongebieden in. Op deze manier sluit het plan in zijn stedenbouwkundige en landschappelijke opbouw aan op de karakteristiek van de omgeving.

28

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde

Hoofdstuk 4 4.1

Toekomstige situatie

Inleiding

Dit hoofdstuk gaat in op de visie op het plangebied en de feitelijke ontwikkelingen die van belang zijn voor de toekomstige situatie. Deze toekomstige situatie bepaalt de vorm en inhoud van de juridische regeling (bestemmingsregels) van dit bestemmingsplan.

4.2

Visie op het plangebied

Het convenant, ondertekend op 19 februari 2008 tussen het voormalig Ministerie van VROM, de provincie Zuid Holland en de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Wassenaar, heeft tot doel om een ruimtelijke invulling te geven voor de Duivenvoordecorridor. De ambitie is het realiseren van een duurzame landschappelijke structuur en het waarborgen de aanwezigheid van de duurzame recreatiefunctie in een overwegend groen landschap. In paragraaf 2.3.1 zijn de doestellingen van het convenant nader toegelicht. In onderhavige paragraaf wordt dieper ingegaan op de concretisering van de gemaakte afspraken.

4.2.1

Ruimtelijke kwaliteit binnen Vlietvoorde

De gemeente Leidschendam - Voorburg streeft in samenwerking met de provincie Zuid - Holland in de Duivenvoordecorridor naar herstel van de ecologische en landschappelijke verbinding tussen het Nederlandse kustgebied en het Groene Hart. De glastuinbouw tussen Voorschoten en Leidschendam - Voorburg heeft plaats gemaakt voor een groen open landschap. De tijd van landgoederen en buitenplaatsen met allure van weleer keert terug. Een van oorsprong gebiedseigen ecologisch waardevol coulisselandschap biedt ruimte aan natuur, recreatie, cultuurhistorie en wonen. Om tot de gewenste invulling van het plangebied te komen heeft de gemeente een ruimtelijke uitnodiging opgesteld voor ontwikkelaars. Binnen Vlietvoorde staan landschap en ecologie, cultuurhistorie en archeologie, wonen, recreatie en duurzaamheid centraal. In paragraaf 2.4.2 is reeds benoemd hoe de doelen van de gemeente worden toegepast binnen het plangebied. De potentie van het landschap wordt langzaam zichtbaar. Het biedt de mogelijkheid voor de reconstructie van een uniek landschappelijk raamwerk als basis voor een eigentijds en onderscheidend woonmilieu. Binnen het plan Vlietvoorde zijn vier woongebieden aangewezen. Ieder van de vier ontwikkellocaties ontleent haar eigen identiteit aan de specifieke plek in het plangebied: hoog en droog nabij de strandwal van de Veursestraatweg, of dicht bij de invloedsfeer van de Vliet.

Het landschap vormt de gemeenschappelijke en duurzame drager voor de ontwikkeling. Deelgebied West maakt geen onderdeel uit van het voorliggende plan maar is wel één van de vier woonvelden in Vlietvoorde.

(vastgesteld)

29

bestemmingsplan Vlietvoorde

Afbeelding 8 beoogde ontwikkeling binnen het plangebied

4.2.2

Vrijheid voor 'wonen als gast in het landschap'

De ontwikkeling van Vlietvoorde beoogt een integraal duurzame leefomgeving. Een ontwikkeling waar natuur en landschap voor flora, fauna en mens in een duurzaam en aantrekkelijk nalatenschap aan toekomstige generaties wordt doorgegeven. Die verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de overheid maar net zo goed bij de bewoners en gebruikers die het landschap met elkaar delen. De ruimtelijke dragers in deze ontwikkeling zijn de cultuurhistorie en het landschap. Zij dienen als inspiratie voor de verschillende vormen van natuurontwikkeling, recreatief gebruik en zorgvuldig in het landschap genestelde woonmilieus.

30

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde

4.3

Feitelijke ontwikkelingen in het plangebied

Na het weghalen van de tuinbouwkassen in het gebied is een afgevlakt maaiveld achtergebleven dat nu gebruikt wordt als weiland/grasland. Met de ontwikkeling van het plan Vlietvoorde wordt het oorspronkelijk hoogteverschil dat vanaf de duingronden richting het water van de Vliet loopt teruggebracht. Dit biedt de basis voor de ontwikkeling van een landschap met een natuurlijke afwisseling en dieptewerking. De oriëntatie vanuit de omgeving richt zich enerzijds op de Vliet, anderzijds op het te herstellen landgoed Oostbos en het kanaal van Corbulo. De woongebieden & landgoed Oostbos Het natuurlijk profiel van Vlietvoorde vormt de basis voor twee herkenbare landschapstypen: op de zandgronden een lommerrijk woongebied, genaamd 'Bos' (noord) en op het waterrijke veen de woongebieden 'Kreek' (oost) en 'Plas' (zuid). Het landschappelijk raamwerk van Vlietvoorde vormt niet alleen een groen kader rond de verschillende woongebieden, maar dringt tot diep in de woongebieden door. Dit integraal verbonden groen en water vormt de gedifferentieerde onderlegger voor de verscheidenheid van de woonvormen en woonmilieus, verbonden met dat landschap. Woongebied Bos Het woongebied 'Bos' ligt op het zand, aan de zuidzijde van het lint van de Veursestraatweg.

Een groene buffer van “rabattenbos” met beuk, zomereik en ruwe berk en onderbeplanting, is een onderdeel van het recreatieve landschappelijk raamwerk. Het groene raamwerk zorgt voor een natuurlijke scheiding tussen de woningen aan het lint en het nieuwe woongebied. De informele paden en woningen zijn onderdeel van het bosgebied. De spaarzame doorsnijdingen in het bos zijn vooral bedoeld om zichtlijnen en verbindingen van en naar het landgoed Oostbos te creëren. In het bos worden verschillende woontypologieën en bouwvormen gerealiseerd. In de uiteindelijke uitwerking van het plan wordt de exacte situering van de woningen ten opzichte van elkaar en het omliggende boslandschap optimaal ingevuld. De woningen sluiten op elkaar aan en vormen gezamenlijk een eenheid. Eenheid wordt bereikt door een gedeelde (basis) architectuur zoals wordt opgenomen en vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan.

Afbeelding 9 Visie woongebied Bos

(vastgesteld)

31

bestemmingsplan Vlietvoorde

Woongebied Kreek De huidige bemaling in het toekomstige woongebied Kreek wordt gestopt waardoor het landschap weer onder water komt te staan. Het woongebied sluit daardoor weer aan op de Vliet en kenmerkt zich door een waterrijk landschap met kreken en landtongen die haaks staan op de richting van de natuurvriendelijke oevers op de Vliet. De richting van de kreken herhaalt de richting van de opvaarten langs de gradiënten van nat naar droog landschap en versterkt de oriëntatie op het landgoed en de Vliet. Het deelgebied de Kreek kenmerkt zich door een open en waterrijke omgeving, die de relatie zoekt met het landschap op het grensvlak van groen en water. De woningen in de kreek kenmerken zich in de manier waarop ze de relatie zoeken met het water. De sfeer van vrij wonen langs de natuurlijke landtongen en (aan, op of boven) het water biedt een variërend woonklimaat en woningen die zich steeds weer anders positioneren ten opzichte van het water. De woningen hebben een terras op of aan het water.

Afbeelding 10 Visie woongebied Kreek Woongebied Plas Woongebied Plas ligt eveneens langs de Vliet aan de westzijde van de centrale opvaart. De Plas is het meest waterrijk van de verschillende deelgebieden. Na het stoppen van het gemaal vormt zich hier een aaneengesloten plas binnen het landschappelijk raamwerk, omringd door de ecologische randen van de opvaarten en de doorgaande oever van de Vliet. De groene randen van de waterplas versterken het landschappelijke kader en de toegankelijkheid. De groene randen en ecologische oevers bieden tegelijkertijd een habitat voor flora en fauna op de lage natte delen in het gebied.

32

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde Aan de waterzijde staan een aantal woningen op de glooiing van het landschap naar de plas met uitzicht over enerzijds het kanaal van Corbulo en het landgoed, anderzijds de open plas en richting de Vliet. Het kanaal van Corbulo is een voormalige Romeins kanaal dat in het stedenbouwkundige plan wordt teruggebracht om de cultuurhistorische (en recreatieve) waarde van het gebied te versterken. De overige woningen zijn nog directer verbonden met het water, ontsloten vanaf lange steigers die de richting van de oorspronkelijke kavelstructuur volgen. De luxe waterwoningen liggen, schijnbaar aangemeerd, of op palen net boven het water. De woningen hebben een opbouw van twee lagen met een kap.

Afbeelding 11 Visie woongebied Plas Landgoed Oostbos Het landgoed wordt opnieuw de centrale drager van cultuurhistorie en voorzieningen in het gebied. Het biedt plaats aan een scala aan activiteiten en functies. Om voldoende ruimte te bieden aan die functies náást de aanwezige cultuurhistorische elementen, is gekozen voor een verlenging van het open veld tot dezelfde maat als het Kanaal van Corbulo. Op het landgoed komen alle bezoekers en bewoners samen om elkaar te ontmoeten, cultuurhistorie opdoen en te recreëren. Met zichtlijnen, doorzichten en paden worden landgoed en woonbuurten met elkaar in verbinding gesteld. Het landhuis wordt een volwaardig en centraal onderdeel van Vlietvoorde en wordt gesitueerd op de historische positie van de orangerie. Daarmee is het landhuis het middelpunt van alle functies op het landgoed. Het gebouw bestaat uit drie bouwlagen met hoogopgaande kap. Het landhuis staat als enige vrijstaande gebouw in het landschap, daarmee blijven er voldoende zichtlijnen in het landschap open. Voor de woningen op de begane grond van het landhuis wordt een privétuin gerealiseerd als onderdeel van het landgoed

(vastgesteld)

33

bestemmingsplan Vlietvoorde

Afbeelding 12 Impressie beeld toekomstige landhuis Vlietvoorde

4.4

Gevolgen voor dit ruimtelijke plan

4.4.1

bestemmingen

Het creëren en behouden van de hoofdstructuur, zoals initiatiefnemer en de gemeente Leidschendam – Voorburg voor ogen hebben, staat centraal in onderhavig bestemmingsplan en de daarin gekozen bestemmingen. De hoofdstructuur van het plangebied is in dit bestemmingsplan vastgelegd en direct herkenbaar. Om de doelstelling 'wonen als gast in het landschap' kracht bij te zetten krijgen grote delen van het plangebied de bestemming 'Groen'. Binnen de bestemming 'Groen' is het in zijn algemeen mogelijk om groen, water, (openbare) voet- en fietspaden, aanlegsteigers etc. te realiseren. Het groen krijgt in delen van het gebied een specifieke functie (onder andere als bos of het mede mogelijk maken van sociaal-culturele activiteiten). Binnen het plangebied wordt de bestemming 'Verkeer – Verblijfsgebied' opgenomen om de hoofdontsluitingsroute van het plangebied duidelijk te structureren. Alleen de noodzakelijke wegenstructuur om deelgebieden in Vlietvoorde (woongebieden en landgoed) te ontsluiten worden dusdanig als 'Verkeer – Verblijfsgebied' bestemd. De hoofdwaterstructuur in het plangebied, de opvaarten, het water in de gebieden Kreek en Plas langs de Vliet krijgen de bestemming 'Water'. Voor de realisatie van het landgoed Oostbos wordt de functieaanduiding 'Groen – Landgoed' toegevoegd.

De functieaanduiding moet de onderlinge samenhang van de gronden behorende tot het landgoed en de specifieke landschappelijk-stedenbouwkundige opbouw van het gebied borgen. Voor de woongebieden Bos, Kreek en Plas wordt een globale woonbestemming opgenomen. Om flexibiliteit te behouden in de uiteindelijke realisatie van het stedenbouwkundig plan is de bestemming tevens het bouwvlak waarbinnen woningen en bijbehorende voorzieningen gerealiseerd kunnen worden. De natuurlijke en landschappelijke overgang tussen een woongebied en het aangrenzende gebied (niet wonen) wordt in het bestemmingsplan geborgd door het opennemen van specifieke aanduidingen opgenomen zoals 'water' en 'bos'.

34

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde Ten slotte zullen de bestaande woningen binnen het plangebied de bestemming 'wonen' krijgen. De bijbehorende regels voor de bestemming 'wonen' worden één op één overgenomen uit de vigerende beheersverordening. 4.4.2

Beeldkwaliteitsplan

Om verdere sturing te geven aan de voorgestelde landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische invulling van Vlietvoorde wordt een beeldkwaliteitplan separaat naast onderhavig bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad van Leidschendam - Voorburg. Gezamenlijk met de wijze van bestemmen zorgt het beeldkwaliteitsplan voor de juridische borging van de visie en de nagestreefde ruimtelijke kwaliteit. Het beeldkwaliteitsplan is het concrete toetsingskader voor de te realiseren bebouwing binnen voorliggend bestemmingsplan 'Vlietvoorde'. Het beeldkwaliteitsplan zal separaat van het bestemmingsplan vastgesteld worden door de raad. Het beeldkwaliteitplan vormt daarmee een aanvulling op de welstandsnota van de gemeente en zal specifiek voor het plangebied het kader vormen. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd als bijlage 2 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan.

(vastgesteld)

35

bestemmingsplan Vlietvoorde

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de voor het plangebied relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de waterhuishouding, het bodemsysteem, verkeer en parkeren, luchtkwaliteit, geluid, natuurbescherming, externe veiligheid, gezondheid, kabels en leidingen, duurzaamheid, m.e.r. beoordeling en tot slot stedenbouwkundige aspecten zoals privacy en schaduwwerking. Per onderdeel is achtereenvolgens ingegaan op de huidige situatie, de toekomstige situatie en de wijze waarop met dit ruimtelijk plan de toekomstige situatie juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt.

5.2

Water

5.2.1

Inleiding

De waterparagraaf is een vast onderdeel van het bestemmingsplan. In dit hoofdstuk komen alle relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de polder- en boezemwatergangen in en om het plangebied. De gemeentelijke taken zijn onder andere het riool- en oeverbeheer. Het plangebied valt binnen de reikwijdte van het Wateren rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021 dat op 15 december 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld. 5.2.1.1 Beleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen.

De mate waarin wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SVIR en blijft als uitwerking van de SVIR bestaan. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daar- bij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.

36

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.

Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Provinciaal Waterplan 2010-2015 en Provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 van de provincie Zuid-Holland worden de volgende kernopgaven benoemd:  Waarborgen waterveiligheid  Realiseren mooi en schoon water  Ontwikkelen duurzame (zoet)watervoorziening Waterbeheerplan 2016-2021 Hoogheemraadschap van Rijnland Samen werken aan water staat centraal. Zodat nu en in de toekomst in dit unieke deel van Nederland onder zeeniveau gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. Water is een maatschappelijke opgave en Rijnland wil samen met haar omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Die toekomst wordt mede bepaald door trends in klimaat en maatschappij en de noodzaak om op duurzame wijze met onze omgeving om te gaan. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, verzilting zeespiegelrijzing, en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon water en droge voeten.

Dit wordt bereikt door:  beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagsveiligheid): preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking), en voorbereiden op een calamiteit;  zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied.  optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater;  zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik.

(vastgesteld)

37

bestemmingsplan Vlietvoorde Keur Rijnland 2020 De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze Keur is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen, is dit nader uitgewerkt.

Waterplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021 Het water- en rioleringsplan gaat ervan uit dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat wateroverlast en verdroging voorkomen kunnen worden. Bovendien moet het water dan schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de effecten van klimaatverandering. Om de ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. In tal van beleidsdocumenten wordt aandacht besteed aan het belang van 'water'. Centraal uitgangspunt in het beleid is dat water meer ruimte gegeven moet worden om te voorkomen dat de waterproblematiek in tijd of ruimte wordt afgewenteld. Er worden daarvoor twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten aangegeven: 1. ten aanzien van waterkwantiteit: Vasthouden - Bergen - Afvoeren; 2. ten aanzien van waterkwaliteit: Schoonhouden - Scheiden - Zuiveren. Daarnaast zijn aspecten als beperken van bodemdaling en het vergroten van de ecologische potenties van het water inclusief de oeverzones van belang.

Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water en een relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied;  verbetering van de waterkwaliteit;  vergroting van de belevingswaarde van water;  kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water.

38

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde 5.2.1.2 Huidige waterhuishoudkundige situatie Het plangebied is een gebied in transitie met landelijke en stedelijke doeleinden: op dit moment zijn de voormalige tuinbouwbedrijven en het tuincentrum gesloopt, waardoor het plangebied grotendeels ingezaaid grasland is. In het plangebied ligt een aantal polderwatergangen. Rondom het plangebied zijn boezemwatergangen aanwezig. Onderstaande figuur is een uitsnede uit de vigerende legger Rijnland:

Afbeelding 13 Legger Rijnland Het water heeft een beperkte waterrecreatieve functie, maar bovenal een belevingswaarde en een ecologische functie. Het water vormt de geleiding van groenstructuren langs de hoofdinfrastructuur. Het plangebied kent geen waterbezwaar in de vorm van een bergingstekort. In de nieuwe situatie is er geen sprake van een toename van het verharde oppervlak. Het verharde oppervlak zal eerder af zijn genomen, omdat de voorheen dominant aanwezige kassen met daarbij behorende bedrijfsgebouwen en terreinverhardingen zijn verwijderd en natuur, woningen met ruime tuinen en verschillende vegetatievormen zijn gerealiseerd.

5.2.1.3 Wateropgave De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt vanuit het waterschap als absoluut minimum. Het plangebied kent geen waterbergingstekort. Vanuit het Water- en rioleringsplan dient bij herontwikkeling de bergingscapaciteit tenminste gelijk te blijven. Belangrijk bij het bepalen van een eventuele wateropgave is de vraag of de ruimtelijke ontwikkeling de hoeveelheid m2 verhard oppervlakte vergroot. In onderstaande tabel is de hoeveelheid bebouwing in de oude situatie vergeleken met de nieuwe situatie. Op basis van onderstaande tabel kan geconcludeerd worden dat de hoeveelheid bebouwing in de nieuwe situatie met circa 117.000 m 2 afneemt, derhalve is het verhard oppervlak in de vorm van bijvoorbeeld wegen buiten beschouwing gelaten. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een enorme kwaliteitswinst ten opzichte van de waterhuishouding in onderhavig plangebied, van een wateropgave is derhalve geen sprake.

(vastgesteld)

39

bestemmingsplan Vlietvoorde

Bebouwd oppervlak in m2 Oude situatie

(circa) 130.000

Nieuwe situatie

13.000

Verschil (oud - nieuw)

(circa) 117.000

5.2.1.4 Watersysteem Het plangebied bestaat grotendeels uit zogenaamd boezemland met langs de Vliet een drietal polders, peilvlak OR-2.17.1.1. Deze geïsoleerde poldertjes zijn met sifons met elkaar verbonden naar een centraal gemaal dat afwatert op het boezemwater. Het zomerpeil van de polders is NAP -1.34 meter en het winterpeil NAP -1.44 meter. Rondom het plangebied liggen primaire en overige watergangen die deel uit maken van het oppervlaktewatersysteem. Het boezempeil bedraagt in de zomer NAP -0,61 meter en in de winter NAP-0,64 meter. Afbeelding 14 toont het peilbesluit, met in geel de drie polders in het plangebied:

Afbeelding 14 Peilbesluit Hoogheemraadschap van Rijnland

5.2.2

Toekomstig watersysteem

De realisatie van het plan voorziet in de beëindiging van het bemalen van de drie polders. Het oppervlaktewatersysteem wordt ter plaatse vergroot door een directe aansluiting op het boezemwater. Daarbinnen komt ruimte voor woningen, waarbij wegen, groen en tuinen opgehoogd worden naar tenminste het niveau van boezemland. Afbeelding 15 toont de beoogde situatie.

40

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde

Afbeelding 15 Beoogde situatie plangebied

5.2.2.1 Waterveiligheid en waterkeringen In de bescherming tegen overstromingsgevaar zijn waterkeringen belangrijke waterstaatkundige elementen in het watersysteem. In het gebied ligt langs het Rijn-Schiekanaal en langs beide zijden van de opvaarten een kade als waterkering. Op deze keringen is de Keur van het Hoogheemraadschap van toepassing. In de legger worden respectievelijk een kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone onderscheiden. Voor elk van de zones gelden aparte verbods- en gebodsbepalingen op grond van de Keur van het hoogheemraadschap. De locatie waarbinnen de woningen gebouwd worden bevindt zich niet binnen de kern, bescherming of buitenbeschermingszone van de waterkering. Binnen dit bestemmingsplan is de bescherming van de boezemkering doorvertaald in de vorm van een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

5.2.2.2 Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft.

(vastgesteld)

41

bestemmingsplan Vlietvoorde Met de sloop van het kassencomplex neemt de verharding binnen het plangebied aanzienlijk af. In de plaats wordt een groen woonmilieu gecreëerd en wordt de hoeveelheid oppervlakte water vergroot. Hemelwater zal in de toekomstige situatie makkelijker kunnen infiltreren waardoor de kans op wateroverlast verkleind wordt. De afname van verharding heeft bovendien een positief effect op de hitte binnen het plangebied.

5.2.2.3 Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting;  (in-)filtratie van afstromend hemelwater;  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Aan de rand van de opvaart met het Kanaal van Corbulo wordt een waterzuiveringskas gerealiseerd, die samen met het helofytensysteem in het kanaal het water in het gebied biologisch zuivert. De beschoeide randen van het kanaal van Corbulo verzorgen hiermee voor een deel de natuurlijke waterzuivering binnen het plangebied. Na het zuiveringsproces in de kas, vloeit het water uit over de helofytenvelden van het Kanaal van Corbulo. Van daar uit stroomt het schoon het gebied in en kan gebruikt worden voor bijvoorbeeld de irrigatie van het landgoed. Hiermee ontstaat een circulair watersysteem binnen het plangebied. Waar mogelijk zal gebruik worden gemaakt van waterpasserende bestrating om waterinfiltratie zo optimaal mogelijk plaats te laten vinden.

5.2.2.4 Hittebestrijding Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mensen. Het type oppervlak en de aanwezigheid van schaduw zijn bepalend voor de mate van hittestress. Aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl aanwezigheid van groen en water deze verlaagt. In onderhavig plangebied wordt aanzienlijk veel ruimte gecreëerd voor de realisatie van water en groen waarmee hittestress het beste bestreden kan worden. Vergeleken met afbeelding 16 is de bebouwing in het noorden inmiddels gesaneerd, wat de hittestress positief zal beïnvloeden. Vergeleken met onderstaande afbeelding zal de bebouwing ligt toenemen, maar daarentegen zal de hoeveelheid oppervlakte water ook sterk toenemen. Geconcludeerd kan worden dat de hoeveelheid groen en water binnen het plangebied een positief effect zullen hebben op mogelijke hittestress.

42

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde

Afbeelding 16 Hittestress binnen onderhavig plangebied 5.2.3

Gevolgen voor dit plan

Het verhard oppervlakte neemt in de nieuwe planologische situatie aanzienlijk af, zoals is weergegeven in de tabel in paragraaf 5.2.1.3. Ondanks dat er vanuit het hoogheemraadschap geen wateropgave is meegegeven, wordt de hoeveelheid oppervlakte water vergroot door het beëindiging van het bemalen van de drie polders. De afname van verharding draagt bovendien bij aan een betere grondwaterinfiltratie en verkleint de kans op water - en hitteoverlast. De aanleg van natuurvriendelijk oevers leveren een bijdrage aan de opgaven voor de Kaderrichtlijn water. In het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de aanwezige waterkering door een dubbelbestemming. Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

(vastgesteld)

43

bestemmingsplan Vlietvoorde

5.3

Bodem

5.3.1

Huidige bodemsysteem

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Het is niet toegestaan om te bouwen op verontreinigde grond. Nader onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek heeft het inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en bestemming. Het bodembeleid onderscheidt drie soorten grond en bodem met ieder hun eigen beleid en wet- en regelgeving:  Sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden);  Licht verontreinigde grond (boven AW2000-waarden);  Schone bodems (beneden AW2000-waarden). Het Besluit bodemkwaliteit hanteert voor het toepassen van grond en bagger, een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen. Tevens biedt het besluit mogelijkheden voor grondverzet.

Afbeelding 17: Ontgravingskaart Leidschendam - Voorburg De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft een Ontgravingskaart opgesteld om voor één ieder de kwaliteit en bruikbaarheid van de ondergrond in kaart te brengen. Op basis van de Ontgravingenkaart kan bijvoorbeeld besloten worden op welke manier afgegraven grond binnen het plangebied hergebruikt kan worden dan wel gesaneerd dient te worden. Afbeelding 17 is een uitsnede van de ontgravingskaart en laat de kwaliteit van de bovengrond van de bodem (0 - 0,5 m -mv) ter plaatse van het plangebied zien. Het plangebied is met een rood kader op de afbeelding aangeduid. De bovengrond is getypeerd als 'Klasse Wonen' en daarmee geschikt voor het beoogde gebruik (functie wonen). De dieper liggende bodem (0,5 - 2,0 -mv) van het plangebied heeft het niveau 'achtergrondwaarde'.

44

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreiniging bronnen. Grond die voldoet aan het niveau 'achtergrondwaarde' is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond.

5.3.1.1 Uitgevoerde onderzoeken De gemeente Leidschendam - Voorburg heeft binnen onderhavig plangebied meerdere bodemonderzoeken en bodemsaneringen uitgevoerd. Ter plaatse van het plangebied stonden voor 2012 diverse tuinbouwkassen. Wegens de bedrijfsmatige activiteiten was de kans aanwezig dat de bodem plaatselijk verontreinigd zou zijn. In 2013 is gestart met de sanering van het plangebied, in 2019 is de sanering van alle voormalige tuibouwkassen afgerond. In verband met de voormalige bedrijfsactiviteiten, grondtransacties en voorgenomen herinrichting zijn in de periode 1990 t/m 2019 in totaal 49 milieukundige onderzoeken en zijn diverse bodemsaneringen uitgevoerd om het plangebied gereed te maken voor nieuwe ontwikkelingen.

Afbeelding 18: Uitgevoerde bodemonderzoeken (groene kaders)

Afbeelding 19 : Uitgevoerde bodemsaneringen tussen (groene kaders)

(vastgesteld)

45

bestemmingsplan Vlietvoorde Ter plaatse van het plangebied zijn nog terreinen aanwezig waarbij in de toekomst mogelijk aanvullend onderzoek of saneringen noodzakelijk is. Tevens zal bij graafwerkzaamheden rekening gehouden moeten worden met plaatselijk verhoogde gehalten aan zware metalen/olie in de grond en in het grondwater. De locaties waarbij de grond matig tot sterk verhoogde gehalten bevat alsmede puinlagen met asbesthoudend materiaal zijn op afbeelding 19 weergegeven met nummers.

5.3.1.2 Conclusie bodemonderzoeken en saneringen In afbeelding 12 is de huidige situatie van het plangebied weergegeven, ter hoogte van de cijfers zijn nog bestaande beperkingen aanwezig. De voor onderhavig plan relevante locaties worden nader besproken: 1. Grondwater met hoog nikkel Er is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en derhalve ook geen saneringsnoodzaak. In 2018-2019 is het gehalte aan nikkel in het grondwater verlaagd d.m.v. langdurige grondwaterbemaling. Bij het oppompen van grondwater dient men rekening te houden met verhoogde gehalten aan nikkel. In de toekomt zal het gehalte aan nikkel in het grondwater wegens het herstel van het bodemevenwicht afnemen. 2. Asfalt met puinfundering Onder het asfalt ligt een puinlaag met asbesthoudend materiaal. Bij herinrichting en verwijdering van de weg zal de puinlaag met asbesthoudend materiaal worden verwijderd. 4. Kade van de Vliet De bodem van 0 - 1 m - m.v. bevat matig tot sterk verhoogde gehalten aan zink, lood en koper. Sanering is niet noodzakelijk zolang er geen herinrichting of graafwerkzaamheden plaatsvinden. 5. Slootkant De slootkant bevat van 0,5 - 1,0 m - m.v. plaatselijk sterk verhoogde gehalten aan lood. Waarschijnlijk betreft het een heterogene verontreiniging, er zijn geen gebruiksbeperkingen.

Alleen indien hier graafwerkzaamheden plaatsvinden zijn een aanvullend bodemonderzoek en maatregelen wenselijk. 6. Weiland De bodem van 0 - 0,5 m - m.v. bevat matig verhoogde gehalten aan koper. Er zijn geen gebruiksbeperkingen bij het huidig gebruik. Wanneer grond bij graafwerkzaamheden vrijkomt mag dit niet binnen het plangebied worden hergebruikt. 7. Slootkant/openbare weg De ontsluitingsweg alsmede een voormalige sloot bevat verhoogde gehalten aan koper en wellicht ook een puinlaag. Bij herinrichting of graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek en wellicht sanerende maartregelen noodzakelijk. 8. Voormalige olietank De bodem bevat verhoogde gehalten aan olie van beperkte omvang. Sanering is niet noodzakelijk 9/10 Oliespot De grond bevat verhoogde gehalten aan olie, sanering is niet noodzakelijk

46

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde

Afbeelding 19: Aanwezige bodemverontreiniging (paarse kaders) 5.3.2

Gevolgen voor dit plan

De meest recente onderzoeken dateren uit 2014 en 2016. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat er geen aanleiding is om te vermoeden dat er sprake is van een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging, een aanvullend onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Bij de toekomstige werkzaamheden en herinrichting van het plangebied dient rekening gehouden te worden met de in paragraaf 5.3.1.2 genoemde gebruiksbeperkingen. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning dient op basis van de uitgevoerde onderzoeken beoordeeld te worden of saneringsmaatregelen nog noodzakelijk zijn. Op voorhand kan wel geconcludeerd worden dat de gronden ter plaatse van de nieuwe woningen van voldoende kwaliteit zijn. Op basis van de onderzoeken gelden geen gebruiksbeperkingen ter plaatse van de nieuwe woongebieden en het landgoed.

(vastgesteld)

47

bestemmingsplan Vlietvoorde

5.4

Niet-gesprongen explosieven

Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen niet - gesprongen conventionele explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om antwoord te geven op de vraag of en zo ja in welke delen van het onderzoeksgebied er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van conventionele explosieven. 5.4.1

Huidige situatie plangebied

De gemeente Leidschendam - Voorburg heeft in de periode 2013-2015 alle gemeentelijke dossiers met gegevens uit WO2, luchtfoto's en dossiers aanwezig bij het Nat. Archief, EOD en het NIMH bestudeerd en de oorlogshandelingen op een GIS-kaart weergegeven. Op basis van deze dossiers en luchtfoto's is een GIS-kaart gemaakt met daarop aangegeven de oorlogshandelingen, bomkraters, loopgraven, stellingen, etc. Het adviesbureau AVG heeft in september 2015, conform de landelijke norm, een explosievenonderzoek uitgevoerd waarbij gebruik is gemaakt van de gemeentelijke gegevens, gegevens van gemeente Voorschoten en diverse andere archieven. Het onderzoek van AVG is opgenomen in bijlage 5

Afbeelding 20 oorlogshandelingen binnen het plangebied Op basis van het onderzoek is vervolgens een risicokaart opgesteld. Door middel van gekleurde vlakken is aangeven waar in de bodem mogelijk nog explosieven uit WO-2 aanwezig zouden kunnen zijn. De opgestelde risicokaart wordt in onderstaande afbeelding 21 weergegeven.

48

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde

Afbeelding 21 Verdachte gronden voor conventionele explosieven.

5.4.2

Gevolgen voor dit plan

Uit archiefonderzoek alsmede uit een interview met een tuinder wonend in het plangebied is het volgende gebleken:  In de periode 1940 - 1945 zijn ter plaatse van het plangebied geen (voor zover bekend) vliegtuigbommen neer gekomen. Aan de overkant van de Vliet is in 1945 wel een bom neergekomen en wegens de luchtdruk zijn toen veel ruiten van de aanwezige kasjes in het plangebied gesneuveld.  Het is onbekend of er een vliegtuigbom is neergekomen die niet is ontploft (een zogenaamde blindganger). Als er een blindganger aanwezig is zal die wegens de aanwezig veen/kleilagen beneden de 2 a 3 meter m - m.v. liggen.  Ter plaatse van Haagwijk en in het weiland ten oosten van Haagwijk in de gemeente Voorschoten zijn wel enkele vliegtuigbommen gevallen. De exacte locaties hiervan zijn op luchtfoto's niet te achterhalen, met uitzondering van de bomkrater in het weiland ten oosten van Haagwijk.  Er zijn geen loopgraven geweest, wel enkele schuttersputjes langs de Veursestraatweg. Bij graafwerkzaamheden in verband met het verwijderen van verontreinigde grond in 2014 en 2019 en ook bij het graven van diverse archeologische proefsleuven in 2017 en 2019 zijn in de bodem geen aanwijzingen gevonden dat ergens nog een vliegtuigbom ligt.

Ter plaatse van de contour die tegen het plangebied aanligt is in april 2019 een bodemsanering uitgevoerd en in de grond, na sanering zijn geen sporen aangetroffen die kunnen wijzen op een blindganger. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er geen concrete aanleiding dat er binnen het plangebied, vergeleken met de rest van Nederland, een verhoogde kans bestaat op de aanwezigheid van niet - gesprongen explosieven. Er zal hoogstens plaatselijk een klein kaliber munitie (patronen/hulzen) aanwezig zijn, maar deze vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Het aspect niet - gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

(vastgesteld)

49

bestemmingsplan Vlietvoorde

5.5

Stikstofemissie

Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraken van de Raad van State van 29 mei 2019 ( ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).

Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Sinds de vernieuwing van AERIUS Calculator kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op relevant Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de bouw/aanlegfase als de gebruiksfase doorgerekend te worden. 5.5.1

Gevolgen voor dit plan

Het dichtstbijzijnde Natura - 2000 'Meijendel en Berkheide' ligt op circa 5,5 kilometer van het plangebied. Dit Natura - 2000 gebied is aangewezen als stikstofgevoelig gebied en er dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op dit Natura - 2000 gebied. Om negatieve gevolgen te kunnen uitsluiten is een Aerius berekening uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 9. Uit de berekening blijkt dat voor zowel de activiteiten tijdens de bouwfasen als de toekomstige gebruiksfase geen toename is van de stikstofdepositie ter plaatse van de rekenpunten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is dan ook niet nodig voor de realisatie van het plan Vlietvoorde te Leidschendam. Het aspect stikstofemissie vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

5.6

Luchtkwaliteit

5.6.1

Huidige situatie plangebied

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. Deze wet wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit (Wlk) genoemd. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor de volgende stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordening vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Vanaf 2015

Fijn stof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

vanaf 11 juni 2011

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer vanaf 11 juni 2011 dan 50 µg/m³

Tabel 1: Grenswaarden NO2 en PM10

50

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:  de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);  de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);  bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);  de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);  het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.

Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen. Besluit Niet in Betekende Mate (NIBM) In dit besluit is precies bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;  Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Afbeelding 22 Uitsnede NSL-monitoringstool Er is inzicht gegeven in de luchtkwaliteit in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit wordt gedaan aan de hand van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Afbeelding 22 geeft het resultaat weer van de huidige luchtkwaliteit ter plaatse. De luchtkwaliteit langs de Veursestraatweg valt binnen de laagst gemeten categorie NO2 concentratie.

(vastgesteld)

51

bestemmingsplan Vlietvoorde Daarbij dient ook betrokken te worden dat, alhoewel het plangebied momenteel grotendeels open landschap is, er in het verleden tuinbouwkassen gestaan hebben. De bedrijvigheid en zware verkeersbewegingen die hiermee gepaard gingen worden vervangen door duurzame woningenbouw en nieuwe natuur in de vorm van een landgoed en watergangen.

5.6.2

Toekomstige situatie plangebied

In de toekomstige situatie wordt het plangebied ingericht met drie verschillende woonmilieus inclusief bijbehorende voorzieningen. De maximale hoeveelheid woningen die gerealiseerd worden binnen het plangebied ligt ver beneden de drempelwaardes alvorens een project in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De huidige luchtkwaliteit is van voldoende kwaliteit voor de functie wonen, zoals is weergegeven in afbeelding 22. Bovendien wordt er binnen het plangebied ruimte geboden aan flora & fauna die de luchtkwaliteit binnen het plangebied ten goede komen. De woningen worden bovendien met de meest duurzame methoden gebouwd, verwarmd en geïsoleerd. De woningen worden gasloos gebouwd waardoor de uitstoot van schadelijke gassen nihil blijft en de gezondheid van de bewoners niet aantast.

5.6.3

Gevolgen voor dit plan

Dit plan heeft geen negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit ter plaatse. Dit blijkt uit de monitoringstool behorend bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma. De huidige luchtkwaliteit is voldoende voor de realisatie van de woningen. Er is geen verder onderzoek nodig om de woningen met bijbehorende voorzieningen te realiseren.

5.7

Geluid

5.7.1

Huidige situatie plangebied

Wegverkeer De Wet geluidhinder (Wg) bepaalt de wettelijke grenswaarden van de toelaatbare geluidsbelasting. Het bevoegd gezag moet deze in acht nemen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Er moet getoetst worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Wet geluidhinder. Dit vindt plaats per weg. 30 Km/h wegen zijn vrijgesteld van onderzoek in de Wg. Het geluidsniveau door het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Dit is van toepassing bij nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting werd voorheen voorkeursgrenswaarde genoemd. Deze bedraagt 48 dB. De gemeente kan een hoger geluidsniveau toestaan als deze wordt overgeschreden. Dit heet de zogenaamde "Hogere waarde". De hogere waarde mag alleen worden verleend onder één voorwaarde, uit akoestisch onderzoek moet blijken dat er geen andere bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen mogelijk zijn. Dit zijn maatregelen om het geluidsniveau terug of onder het onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting terug te brengen. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB.

Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden. In de huidige situatie zijn er reeds meerdere woningen gesitueerd aan de Veursestraatweg, zoals is weergegeven in afbeelding 6.

52

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde 5.7.1.1 Beleidsregels hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Leidschendam - Voorburg Indien niet voldaan kan worden aan de wettelijke grenswaarden voor geluidshinder kan het bevoegd gezag besluiten een hogere waarde toestaan. Het uitgangspunt is dat nieuwe geluidgevoelige bestemmingen voldoen aan de wettelijke voorkeurs-grenswaarden. Het vaststellen van hogere waarden dient dan ook geen regel maar uitzondering te zijn. Hogere waarden worden alleen verleend indien is aangetoond, dat het niet mogelijk is te voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden (voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai). De hogere waarden worden alleen verleend als aangetoond kan worden dat mitigerende maatregelen niet voldoende zijn en/of om stedenbouwkundige of financiële redenen geen mitigerende maatregelen genomen kunnen worden. Deze maximale grenswaarden zijn:  Wegverkeerslawaai in binnenstedelijke gebied  Wegverkeerslawaai in buitenstedelijk gebied  Industrielawaai  Spoorweglawaai 5.7.2

Maximaal 63 dB Maximaal 53 dB Maximaal 55 dB(A) Maximaal 68 dB

Toekomstige situatie plangebied

In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen binnen het plangebied toe. Dit bestemmingsplan voorziet in de wijziging van enkele bestemming in het gebied om woningbouw mogelijk te maken. Verschillende vormen van geluid kunnen invloed hebben op het woon- en leefklimaat. Wegverkeerslawaai en industrielawaai zijn hier voorbeelden van. Er moet inzichtelijk gemaakt worden wat de effecten zijn van de verschillende vormen van geluid op de woningen. Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Het is ook niet gelegen binnen de zone van een industrieterrein. Deze twee 'geluidsbronnen' worden benoemd in de Wet geluidhinder. Deze twee 'geluidbronnen' zijn niet relevant voor dit plan. Op basis van het vigerend bestemmingsplan Duivencorridor heeft het perceel behorende bij het adres Veursestraatweg 292C de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden - nader uit te werken' (BU). Dit betreft het perceel waarop tot voor kort een tuincentrum was gevestigd. De bebouwing behorende bij het tuincentrum is gesloopt en is onderdeel van de gebiedsontwikkeling. In de directe nabijheid van het plangebied heeft het perceel Veursestraatweg 199B de bestemming de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden (c,v)' (B(V)). De afstand van het bedrijf tot de rand van het plangebied is circa 50 meter. De afstand tot de nieuw te realiseren woningen is meer dan 150 meter.

Eventuele geluidsinvloed van dit bedrijf op de ontwikkeling van Vlietvoorde is daarmee niet aan de orde. Voor wat betreft het aspect 'industrielawaai' zijn er geen belemmeringen.

5.7.2.1 Wegverkeerslawaai De in het plangebied nieuw aan te leggen gebiedsontsluitingsweg en woonstraten hebben een snelheidsregime van 30 km/h. Daarom zijn ze volgens de Wg vrijgesteld van onderzoek. De Veursestraatweg heeft een snelheidsregime van meer dan 30 km/h. Vanuit het oogpunt van wegverkeerslawaai is door akoestisch onderzoeksbureau Agel Adviseurs een onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is in het bijlagenboek als bijlage 6 opgenomen. Voor dit onderzoek is een rekenmodel opgesteld en zijn de geluidbelastingen berekend volgens Standaardrekenmethode 2 overeenkomstig het Reken - en meetvoorschrift geluid 2012. De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma Geomilieu, versie 5.10. Door de gemeente Leidschendam-Voorburg zijn de wegverkeersgegevens voor het prognosejaar 2030 beschikbaar gesteld voor de onderzochte wegen, waarbij rekening is gehouden met de voorgenomen planontwikkeling. Uit de resultaten blijkt dat de voorkeurswaarde van 48 dB vanwege het wegverkeer op de Veursestraatweg en op de Oostvlietweg niet wordt overschreden, waardoor het vaststellen van hogere waarden niet aan de orde is. Daarnaast blijkt dat het akoestische woon- en leefklimaat als 'goed' is te beschouwen.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering oplevert voor de realisatie voor de nieuwe woningen binnen het plangebied Vlietvoorde.

(vastgesteld)

53

bestemmingsplan Vlietvoorde 5.7.3

Gevolgen voor dit plan

Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Het ligt ook niet binnen de zone van een industrieterrein. De twee 'geluidbronnen' zijn genoemd in de Wet geluidhinder, maar ze zijn niet relevant voor dit plan. Voor het aspect wegverkeerslawaai blijkt uit nader akoestisch onderzoek dat het akoestische woon- en leefklimaat als 'goed' is te beschouwen. In het kader van de Wet geluidshinder worden geen restricties aan het bouwplan opgelegd.

54

(vastgesteld)

bestemmingsplan Vlietvoorde

5.8

Flora en Fauna

5.8.1

Huidige situatie plangebied

Het plangebied is op dit moment in gebruik als weiland/grasland. Binnen het plangebied zijn enkele waterlopen aanwezig die het met elkaar in verbindingen staan. De waterlopen zijn aangesloten op de Vliet, die ten zuiden van het plangebied loopt. De aanwezige flora & fauna binnen het plangebied wordt nader toegelicht in paragraaf 5.8.2.1 Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te verminderen of te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn.

Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.

5.8.2

Toekomstige situatie plangebied

5.8.2.1 Quickscan flora en fauna Er moet bepaald worden of er met de ontwikkeling beschermde planten-en diersoorten worden bedreigd. Door ecologisch adviesbureau Taharo is een quickscan flora & fauna uitgevoerd. Dit onderzoek bevat een locatiebezoek. De quickscan flora & fauna (rapport nr. 2019.0102) is opgenomen in bijlage 3. Taharo omgevingsmanagement heeft op 17 maart 2019 het veldonderzoek uitgevoerd. Het gebied is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura - 2000 'Meijendel en Berkheide' ligt op circa 5,5 kilometer van het plangebied. Het plangebied valt niet binnen de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen, waarin natuur een grote rol gaat spelen, worden de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN niet aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=bcbf3544-2bbd-4be7-921f-b88c80b645e1