CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1938_PlanMER CIDB Deelrapport 3 Leefomgeving - 14juni2022 DEF.pdf

Commissie Omgeving 28 juni 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsbrief: Terinzagelegging Ontwerp Masterplan Bereikbaarheid CID Binckhorst38.540 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Alternatief 3 Variant 3B heeft geen verdere invloed op de cultuurhistorische beleving of kwaliteit en dit alternatief scoort daarom neutraal op het aspect cultuurhistorie (0). Alternatief 4 In variant 4T wordt voorzien in een nieuwe Brinckhorstbrug waarbij is aangenomen dat het brugwachtershuisje (Binckhorstlaan 390) omwille van de cultuurhistorische waarde van dit gebouw wordt verplaatst (net als bij variant 1T en 2T). Bij het aanleggen van de nieuwe brug zal ook het beeldbepalende uitzicht rond de Binckhorstbrug veranderen. Ter hoogte van Westeinde (Prinses Mariannelaan Oost) loopt het tracé langs meerdere rijksmonumenten, er wordt echter gebruik gemaakt van de bestaande sporen, waardoor er geen verandering op de beleving of kwaliteit plaats vindt. Omdat deze variant effect heeft op de beleefbaarheid bij de Binckhorstbrug scoort variant 4T negatief (-). Alternatief 5 Het tracé van variant 5T loopt langs het brugwachtershuisje (Binckhorstlaan 390) dat in het Omgevingsplan Binckhorst is opgenomen als Beeldbepalend karakteristiek bebouwing. In het ontwerp is uitgegaan van een geheel nieuwe brug op deze locatie. In het geval van deze variant wordt aangenomen dat het huisje verplaatst wordt (bijvoorbeeld naar andere zijde van de brug), omwille van de cultuurhistorische waarde van dit gebouw.

Bij het aanleggen van de nieuwe brug zal ook het beeldbepalende uitzicht rond de Binckhorstbrug veranderen (-). De tracés van alternatieven 5B en 5T steken van de Jupiterkade de Haagse Trekvliet over richting de Broekslootkade door middel van een nieuwe brug. De nieuwe brug heeft invloed op het blikveld van de landgoedbiotoop Cromvliet en de hooggewaardeerde historische landschappelijke lijn van de trekvaart. Omdat de varianten effect hebben op de beleefbaarheid maar geen effectieve aantasting van het monument geeft, scoren variant 5B en 5T negatief (-). Doorkijk naar situatie met doorkoppeling naar regio (LReg) Bij doorkoppeling met de regio wordt het (light)railnetwerk verder uitgebreid vanaf station Voorburg richting Zoetermeer en richting Scheveningen. Met name bij de verlenging van de lightrail richting Zoetermeer heeft dit effect op de cultuurhistorische waarden en monumenten in dit gebied. Ten zuiden van station Voorburg ligt het landgoed Hofwijck waarvan zowel het gebouw als de tuin als rijkmonument is beschermd. Bij het verlengen van de lightrail wordt ter hoogte van het spoortalud mogelijk een klein deel van de tuin verstoord. Ook het zicht en daarmee de beleefbaarheid op het landhuis wordt belemmerd wanneer er een verhoogde lightrail langs loopt. Door het tracé in het spoortalud te plaatsen, kan het ruimtebeslag en effect op beleefbaarheid worden beperkt.

Zonder verdere uitwerking is het effect vooralsnog beoordeeld als zeer negatief (- -). Een variant op dit alternatief is het aanleggen van een ondergrondse lightrail naar en voorbij station Voorburg. In dit geval blijft de beleefbaarheid van het landgoed behouden en hoeven er, afhankelijk van hoe de ondergrondse lightrail wordt aangelegd, geen ingrepen in de monumentale tuin plaats te vinden. Om deze reden scoort de doortrekking van variant 1L-1 neutraal (0) op het aspect cultuurhistorie.

24

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

2.5

Mitigerende en compenserende maatregelen

Bij archeologie en cultuurhistorie kan er eigenlijk nooit sprake zijn van compenserende maatregelen. Bij compensatie wordt de aantasting van de ene waarde door het aanbrengen van een nieuwe waarde op een andere plek gecompenseerd. Bijvoorbeeld door bij de aantasting van een natuurgebied ergens anders een vergelijkbaar stuk nieuwe natuur aan te leggen. Dat is voor archeologische en cultuurhistorische waarden niet mogelijk. Bij dit aspect kunnen dus alleen mitigerende maatregelen gegeven worden. Dit zijn maatregelen waarmee je de effecten verminderd/verzacht. Bijvoorbeeld door opgegraven archeologische waarden ten toon te stellen. Archeologie Een mitigerende maatregel voor archeologie is de bekende archeologische waarden in de bodem en gebieden met een hoge verwachting op archeologische resten bij de planontwikkeling zoveel mogelijk te ontzien waardoor archeologische resten in situ behouden kunnen blijven. Door hier geen bodemverstorende werkzaamheden uit te voeren of minder diep uit te voeren blijft de archeologie in de bodem behouden. Een mitigerende maatregel voor archeologie is dat er bekendheid wordt gegeven aan archeologische resten die bij de realisatie van een van deze alternatieven zijn gevonden.

Bijvoorbeeld door een referentie naar de archeologische vondsten in het ontwerp te maken of een tentoonstelling te houden waarin de vondsten getoond worden en het verhaal van deze plek wordt verteld. Cultuurhistorie Voor alle alternatieven geldt als aandachtspunt voor de planuitwerking de krappe passage van de HOV-verbinding bij de beeldbepalende karakteristieke bebouwing Bink36, met mogelijke route voor voetganger en fietser voor het gebouw. De bebouwing zelf wordt niet aangetast. De uiteindelijke inpassing van de HOV-baan dient dit in samenhang met de voorziene aanpassing van de viaducten en terrein van Haagse Milieu Services (HMS) ingepast te worden, met het oog op integratie van de HOV-baan met de huidige karakteristieke bebouwing. In de tramvarianten en variant 2L wordt voorzien in een nieuwe Binckhorstbrug (voor alle modaliteit inclusief tram). Dit gaat ten koste van het Beeldbepalende karakteristieke bebouwing Brug met brugwachtershuis (Binckhorstlaan 390). Mitigerende maatregel is het herplaatsen van het brugwachtershuis. Binnen het tracé vindt bij variant 1L verstoring en belemmering van cultuurhistorische waarden en monumenten plaats. Dit komt met name door de hoogte van de lightrail en de netkousconstructie rondom de lightrail.

Een minder zware constructie voor de lightrail in de Binckhorstlaan waardoor de beleefbaarheid van de twee monumenten niet of veel minder belemmerd wordt, is een mitigerende maatregel voor cultuurhistorie. Op deze manier kan de visuele impact op de omgeving beperkt worden. Dit komt ten gunste van de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de monumenten. Dit geldt zeker voor LReg waarbij de lightrail door een rijksmonumentale tuin gaat die hierdoor verstoord wordt. Een ondergrondse lightrail is hier een goede mitigerende maatregel. Indien dit niet mogelijk is, kan gezocht worden naar een goede inpassing van de lightrail in het landschap door bijvoorbeeld een openconstructie en een onopvallende kleur en zorgvuldig uitgewerkte detaillering, zodat de lightrail minder afsteekt naast het landgoed Hofwijck (zo dicht mogelijk op het bestaande spoor in het spoortalud).

2.6

Leemten in kennis

Voor het aspect archeologie zijn de volgende leemten geconstateerd: •

•

Voor alle alternatieven geldt dat het niet bekend is welke archeologische resten nog in de bodem zitten, waar deze zich bevinden en op welke diepte. Om hier inzicht in te krijgen dient vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. De eerste stap in dit proces is het opstellen van een bureauonderzoek archeologie om inzicht in de specifieke verwachting van het gebied te krijgen. Door middel van booronderzoek dat hierop volgt kan inzicht in de diepte en mate van intactheid van een mogelijk aanwezig archeologisch niveau verkregen worden. Volgens de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Den Haag, de archeologische beleidskaart van de gemeente Leidschendam-Voorburg en de archeologische waardenkaart van de gemeente Rijswijk worden tot 50cm onder maaiveld geen archeologische resten verwacht. Het is niet bekend tot welke diepte de bodem bij HOV-bus- en tramvarianten verstoord wordt. Indien dit niet dieper gaat dan 50cm onder maaiveld, dan verandert de beoordeling van negatief naar neutraal.

Voor het aspect cultuurhistorie zijn geen leemten in kennis geconstateerd.

25

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

3

Natuur

3.1

Wettelijk- en beleidskader

In tabel 3-1 is het relevante beleid en vigerende wet- en regelgeving met betrekking tot het aspect natuur opgenomen. Daarbij is aangegeven wat de relevantie is voor het project MIRT-verkenning bereikbaarheid CID-Binckhorst. In de verkenning Bereikbaarheid CID Binckhorst is de fysieke aantasting van stedelijk groen (zowel functioneel wijkgroen als ecologisch belangrijk en waardevol groen) in beeld gebracht bij ruimtegebruik (wijkgroen) in deelrapport 2 Ruimtegebruik en verstedelijking. De aantasting van de stedelijke ecologische verbindingszone EVZ Laakzone (ecologisch belangrijk en waardevol groen) in het plangebied langs de Maanweg en de Broekslootkade is beoordeeld in voorliggend deelrapport 3 bij het aspect natuur. Dit is gedaan vanwege de aansluiting van het gemeentelijk beleid op het landelijk beleid (zoals opgenomen in de Haagse Nota Stadsnatuur en het Rijswijkse Groenbeleidsplan). Tabel 3-1 Wettelijk- en beleidskader - Natuur Wet/regelgeving/beleidsstuk Aspect

Toelichting en relevantie Verkenning Bereikbaarheid CID-Binckhorst

De Wet natuurbescherming (Wnb) biedt de juridische basis voor de aanwijzing van te beschermen gebieden, beschermde soorten, vergunningverlening, schadevergoeding, toezicht en beroep. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Natura 2000-gebieden, Wet natuurbescherming (Wnb) Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar beschermde soorten (Wetlands) zijn hiermee in nationale regelgeving verankerd. De Wnb heeft als doel het beschermen en in stand houden van Natura 2000-gebieden, bijzondere soorten en houtopstanden. Natura 2000-gebieden zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Op 1 juli 2021 is de Wsn in werking getreden (Staatsblad 2021, 288), waardoor de Wnb en een aantal andere wettelijke kaders op het gebied van stikstofdepositie zijn aangepast. Voor de bij algemene maatregelen van bestuur (amvb) aangewezen activiteiten van de Wet van 10 maart 2021 bouwsector geldt met de Wsn een vrijstelling voor stikstofdepositie en natuurverbetering. tot wijziging van de Natura 2000-gebieden, Voor bouwwerkzaamheden en de bijbehorende verkeersbewegingen is geen vergunning Wet natuurbescherming en de stikstofreductie nodig in het kader van de Wnb, voor zover dit gaat over de stikstofdepositie.

Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) (Wsn) De aanlegwerkzaamheden van een HOV-verbinding vallen onder de vrijgestelde bouwwerkzaamheden. Wel is het noodzakelijk om maatregelen te nemen om de emissie van stikstof naar de lucht te beperken bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden. In de Nota Ruimte is in het verleden op landelijk niveau het Natuurnetwerk Nederland (destijds de Ecologische Hoofdstructuur genoemd) vastgelegd. De Nota Ruimte en Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid zijn in 2012 vervangen door het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR). Het beschermingsregime is onder de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd in het Barro en werkt via provinciale verordeningen door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Natuurnetwerk Nederland (provinciaal beleid)

NNN

Het provinciaal beleid met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) binnen Zuid-Holland is in de Omgevingsvisie Zuid-Holland (22 januari 2019) opgenomen. In de ontwerp-Omgevingsverordening (20 september 2018) staan de regels horende bij het beleid uit de Omgevingsvisie. Hierin wordt de begrenzing van het NNN bepaald en onder welke voorwaarden er ingrepen in het NNN plaats mogen vinden en wat de voorwaarden in het geval van compensatie zijn. In het kader van de verkenning Bereikbaarheid CID Binckhorst bestaan geen juridische risico’s op (significante) aantasting van NNN omdat binnen het plangebied geen gebieden liggen met deze status.

Natuurwaarden kaarten 2018 (Gemeente Den Haag, 2018)

Stedelijk groen

De natuurwaardenkaart biedt inzicht in de Haagse natuur en dient als input voor de nieuw op te stellen nota stadsnatuur. De natuurwaardenkaart is gebaseerd op gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Als groengebied is in Binckhorst aangewezen de begraafplaats St. Barbara en het perceel van Kasteel De Binckhorst. Langs de zuidzijde van de Maanweg en langs de Broekslootkade ligt een ecologische verbindingszone (EVZ Laakzone) en daarnaast is ter hoogte van de Haagvlieg/Trekvliet en het Schenkviaduct een hoofdbomenstructuur aangegeven. In de verkenning Bereikbaarheid CID Binckhorst zijn de effecten op deze zone meegenomen bij ruimtegebruik (wijkgroen) omdat het geen wettelijke natuurstatus heeft, wel gelden de kaders van de gemeente Den Haag.

26

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Wet/regelgeving/beleidsstuk Aspect

Toelichting en relevantie Verkenning Bereikbaarheid CID-Binckhorst De Nota Stadsnatuur is de opvolger van de Nota Ecologische Verbindingszones 20082018. Deze nota heeft een stadsbrede scope waarbij wordt ingezet op het in stand houden en verder ontwikkelen van een gezond stadsecosysteem. De gemeente gaat aan de slag om het Haagse groenblauwe netwerk natuurlijker inrichten en uit te breiden door: • het opstellen en/of actualiseren van inrichtings- en beheerplannen voor vogelrustgebieden, ecologische verbindingszones en grote groengebieden; • in de inrichtings- en beheerplannen de nadruk te leggen op zonering, de noodzaak voor voldoende struiken, het creëren van geleidelijke overgangen en het gebruik van inheems materiaal; • in de ecologische verbindingszones bomen alleen maar aan te planten en/of te vervangen op basis van een inrichtings- en beheerplan om zo voor bijen en vlinders voldoende bloemrijke en zonbeschenen plekjes te (be)houden; • het plaatsen van bijenkasten te beperken tot vastgestelde locaties om zo wilde bijen voldoende ruimte te geven; • een aantal bestaande groenstroken en watergangen toe te voegen aan het netwerk van ecologische verbindingszones en onderzoeken we de uitbreiding van het areaal aan vogelrustgebieden; • te werken met de vuistregels voor biotopen; • in de ecologische verbindingszones strikte randvoorwaarden te hanteren ten aanzien van extra

ruimtebeslag van niet ecologische functies, waterberging en -compensatie.

Nota Stadsnatuur Voor een leefbaar en biodivers Stedelijk groen Den Haag (stedelijke ecologische (gemeente Den Haag, 2020, verbindingszone) vastgesteld)

Voor een functionele ecologische verbindingszones geldt dat deze voldoende breed moet zijn als geschikt leefgebied voor verschillende diersoorten. Naast een optimale inrichting met inheemse planten, struiken, geleidelijke overgangen en voldoende zonnige plekjes zijn ook voldoende rust en de biotoopgrootte van belang. In een stedelijke omgeving is het uitgangspunt een minimum van 20 meter, een norm van 30 meter en een ambitie van 50 meter of meer. Ter hoogte van de Maanweg en de Broekslootkade maakt de groenstrook (het water met de oevers, gras, struweel en bomenrijen) deel uit van de stedelijke groene hoofdstructuur van Den Haag als onderdeel van de ecologische verbindingszone (EVZ) Laakzone. Uitgangspunt in de Nota Stadsnatuur is het in stand houden van het bestaande areaal van de ecologische verbindingszones. Bij ruimtebeslag in de ecologische verbindingszones moet in eerste instantie direct grenzend aan de ecologische verbindingszone zowel kwantitatief als kwalitatief gecompenseerd, met als uitgangspunt dat er geen natuurwaarde of natuurpotentie verloren gaat. De verantwoordelijkheid voor de compensatie ligt bij de initiatiefnemer en is altijd maatwerk en onderdeel van het initiatief. Als het absoluut onmogelijk is om kwantitatief te compenseren dan moet de initiatiefnemer de mogelijkheden onderzoeken om in het gebied zelf extra kwalitatief te compenseren.

Met betrekking tot trambanen is in de Nota Natuur opgenomen dat er in Den Haag reeds een uitgebreid netwerk van groene trambanen is. Verspreid over de stad ligt er 29 km aan groen tramspoor met in totaal een oppervlakte van 19 ha. Deze groene linten leveren een belangrijke bijdrage aan onze stadsnatuur en helpen in het klimaatadaptief maken van Den Haag. Voor insecten fungeren ze als lange corridors door de stad. De gemeente zet in op het behoud van groene trambanen en het uitbreiden hiervan. Bij de ingebruikname van moderner trammaterieel zijn de huidige tramlussen niet meer nodig en wordt onderzocht of deze ten behoeve van stadsnatuur kunnen worden ingericht.

Richtlijn Licht op Natuur (gemeente Den Haag, 2017)

Groenbeleidsplan 2010-2020 ‘BomeNatuuRecreatie’ (gemeente Rijswijk, vastgesteld 2010)

Stedelijk groen

Stedelijk groen

Eventuele lichtuitstraling op groengebieden en ecologische verbindingszones moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Het uitgangspunt is dat er in groengebieden geen licht wordt toegepast, met uitzondering van noodzakelijke verlichting langs hoofdfietspaden. In de Natura2000-gebieden wordt geen openbare verlichting toegepast. Autowegen en wandelen fietspaden die grenzen aan groengebieden en ecologische verbindingszones, worden dusdanig verlicht dat de maximale uitstraling op het groengebied 5 meter is. Hierbij geldt dat uitstraling op water te allen tijde moet worden voorkomen. Voor huidig verlichte locaties bij groengebieden, zoals fiets- en wandelpaden of parkeerplaatsen, geldt dat er wordt gekeken naar verwijdering of vermindering van strooilicht of intensiteit. In het (inmiddels verlopen) groenbeleidsplan 2010-2020 is de visie gegeven op de groene ambities van de gemeente Rijswijk. De groenstructuur van Rijswijk bestaat uit de boomstructuur, natuurstructuur en recreatiestructuur. Duurzaam, verbinden en beleven zijn de leidende principes in het groenbeleidsplan. De visie bestaat uit het creëren van een duurzame groenstructuur, door het behoud van de bestaande hoeveelheid groen, de identiteit en de kwaliteit van het groen te versterken en te zorgen voor groen dat in de omgeving past. Verbindingen zorgen voor samenhang in de groenstructuur.

Dit vergroot de belevingswaarde van het groen. Investeren in de groenstructuur door middel van herinrichting en beheer betekent investeren in de stad als geheel. Het groenbeleidsplan fungeert als het groene toetsingskader voor ontwikkelingen en geeft richting aan het denken over groen, prioritering bij de uitvoering en keuzes in groenbeheer. De Geestbrugweg en de Broekslootkade maak deel uit van deelgebied I Cromvliet & Leeuwendaal in het groenbeleidsplan. • De Geestbrugweg is binnen de Hoofd boomstructuur aangeduid als bomenlaan (es/iep bij vervanging of aanplant). Als kans is benoemd om de ruimtelijke relatie met Voorburg te versterken door de bomenrijen langs de Geestbrugweg (es of iep) door te trekken.

27

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Wet/regelgeving/beleidsstuk Aspect

Toelichting en relevantie Verkenning Bereikbaarheid CID-Binckhorst • De Broekslootkade maakt binnen de Hoofd natuurstructuur deel uit van een primaire verbinding naar de regio die aansluit op de verbindingszone Laakzone. Langs de Broekslootkade is weinig openbare ruimte aanwezig om een natuurverbinding te kunnen realiseren. Er wordt gestreefd naar een groene natuurverbindingszone naar de landgoederenzone. Als streefbeeld voor het aanwezige water geldt ‘praktisch water’. Als kans is benoemd door (her)inrichting van de Broekslootkade met bloemrijk gras en plas-dras oevers de doorgaande natuurverbinding (droog/nat) tussen de landgoederenzone en de Vliet te versterken. Bij aanvulling van bomen langs de Broekslootkade zullen bomen in rijen (els, linde) worden toegepast, maar kunnen ook solitaire bomen (treurwilg, els, es) worden toegepast.

3.2

Beoordelingskader

In tabel 3-2 zijn de criteria opgenomen waarmee natuur wordt beoordeeld. Na de tabel volgt een korte toelichting op de gehanteerde methode. Tabel 3-2 Beoordelingskader Plan-MER - Natuur Aspect

Natuur

Criterium

Methodiek

Natura 2000-gebieden

Expert judgement, Aerius-berekening gebruiksfase

NNN

GIS-analyse en expert judgement

Stedelijke groene hoofdstructuur

GIS-analyse en expert judgement

Soorten

GIS-analyse en expert judgement

Natuur In het kader van natuur zijn drie kaders van belang: het aspect gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden), het provinciale beleid rond natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland (NNN)) en het aspect soortbescherming van de Wet natuurbescherming. Voor het abstractieniveau zijn alle drie kaders van belang: •

Natura 2000-gebieden: Natura 2000-gebieden zijn niet nabij het plangebied gelegen. Dit in combinatie met dat de ontwikkeling in stedelijk gebied plaatsvindt maakt dat directe effecten als ruimtebeslag niet aan de orde zijn. Mogelijk is wel sprake van een indirect effect van stikstofdepositie, dit is een aspect waar rekening mee gehouden moet worden, zie hieronder hoe het effect van de stikstofdepositie verder in beeld wordt gebracht. NNN: het NNN ligt vooral in de landelijke omgeving, maar ook binnen de bebouwde kom, zijn beschermde gebieden gelegen. Gezien de ligging van het NNN nabij tracés zijn fysieke aantasting en andere directe effecten niet bij voorbaat uitgesloten. Beschermde soorten: voor beschermde soorten zijn geen vlakdekkende inventarisaties beschikbaar. Om tot een oordeel voor de effecten te komen, is voor de tracés gekeken naar de overlap met mogelijke leefgebieden, verblijfplaatsen en andere functies (bijvoorbeeld vliegroutes). De aanwezigheid van voorgenoemde functies van beschermde soorten vindt plaats door vrij beschikbare data (NDFF, verspreidingsatlas).

• •

Daarnaast is ook beoordeeld in welke mate de alternatieven de stedelijke groene hoofdstructuur aantasten. In het bijzonder gaat het hierbij om de stedelijke ecologische verbindingszone EVZ Laakzone in het plangebied langs de Maanweg en de Broekslootkade. In het kader van de beoordeling is op hoofdlijnen het volgende gedaan om tot een effectscore te komen: •

28

Natura 2000: − Aanleg: ▪ Stikstofdepositie: Voor de uitvoering is het niet mogelijk om op het abstractieniveau van een Masterplan een berekening van de aanleg te maken. Voor een berekening is gedetailleerde informatie nodig over te gebruiken materieel. In deze fase van het plan is deze informatie niet beschikbaar en belangrijker: voor de keuze van de alternatieven in het kader van Natura 2000-gebied is de tijdelijke stikstofdepositie niet onderscheidend. Voor alle alternatieven geldt dat deze op enige afstand van Natura 2000-gebieden zijn gelegen en voor de verschillende alternatieven in grote lijn vergelijkbare werkzaamheden worden uitgevoerd. Dit leidt mogelijk tot beperkte tijdelijke stikstofdepositie, maar dit is niet onderscheidend voor de verschillende alternatieven. Dit is zeker niet het geval gezien het gegeven dat de stikstofdepositie gering en tijdelijk zal zijn. Als in de toelichting van het Wsn is aangegeven: “Projecten vinden steeds plaats op andere locaties, de emissies zijn slechts tijdelijk van aard, het merendeel van de deposities wordt opgenomen en het totaal van emissies tijdens de bouwfase maakt slechts een klein gedeelte uit van de stikstofdeken”. ▪ Verstoring: op basis van expert judgement de mogelijkheid onderzoeken dat verstoring tijdens de aanleg toeneemt binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

− Gebruik: ▪ Stikstofdepositie: Omdat het om duurzame OV-alternatieven in de gebruiksfase gaat, is het vraag of sprake zal zijn van stikstofdepositie. Voor stikstofdepositie wordt een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het gaat hier om indicatieve berekeningen gebruik makend van dezelfde gegevens als bij lucht en geluid voor de huidige situatie, de referentiesituatie en de (worst-case) plansituatie. ▪ Verstoring: op basis van expert judgement de mogelijkheid onderzoeken dat verstoring toeneemt binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. • NNN: − Aanleg: ▪ Ruimtebeslag: op basis van GIS-analyse wordt nagegaan waar in het plangebied alternatieven/varianten NNN overlappen. Vervolgens wordt op basis van expert judgement bepaald wat de omvang van het ruimtebeslag tijdens aanleg is. ▪ Verstoring: op basis van expert judgement wordt bepaald waar tijdens de aanleg verstoring toeneemt en in hoeverre dat leidt tot een aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken. − Gebruik: ▪ Ruimtebeslag: op basis van GIS-analyse wordt nagegaan waar in het plangebied alternatieven/varianten en het NNN overlappen. Vervolgens wordt op basis van expert judgement bepaald wat de omvang van het resterende ruimtebeslag is. ▪ Verstoring: op basis van expert judgement wordt bepaald waar tijdens de aanleg verstoring toeneemt en in hoeverre dat leidt tot een aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken.

• Stedelijke groene hoofdstructuur: – Aanleg/Gebruik: • Ruimtebeslag: op basis van GIS-analyse is nagegaan waar in het plangebied alternatieven/varianten de Stedelijke groene hoofdstructuur overlappen. Hierbij gaat het primair om de stedelijke ecologische verbindingszone EVZ Laakzone in het plangebied langs de Maanweg en de Broekslootkade. Vervolgens wordt op basis van expert judgement bepaald wat de omvang van het ruimtebeslag tijdens aanleg is. Deze analyse is opgenomen in deelrapport 2 waar voor alle bestaande groenstructuren (zowel functioneel wijkgroen als ecologisch belangrijk en waardevol groen) is beeld is gebracht of er sprake is van aantasting. • Beschermde soorten: analyse vindt plaats met gegevens uit GIS in combinatie met expert judgement. − Aanleg: ▪ Doden en verwonden. ▪ Ruimtebeslag leefgebieden. ▪ Verstoring van soorten en leefgebieden. − Gebruik: ▪ Toename mortaliteit. ▪ Ruimtebeslag leefgebieden. ▪ Verstoring van soorten en leefgebieden.

29

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Tabel 3-3 Beoordelingskader Plan-MER - Natuur beoordeling effecten op Natura 2000, NNN en Beschermde soorten Score Milieueffecten

++

+

0

Beschrijving van effect op Natura 2000

Beschrijving van effect op NNN

Zeer positief effect

Een sterke verbetering van Natura 2000-gebieden. Levert een grote bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen.

Een verbetering van de wezenlijke kenmerken of waarden of geringe uitbreiding van NNN.

Een (aanzienlijke) Een verbetering van de verbetering of uitbreiding van wezenlijke kenmerken of leefgebieden van streng waarden of geringe uitbreiding beschermde soorten (Vogelvan EVZ Laakzone. en Habitatrichtlijn).

Positief effect

Een verbetering van Natura 2000-gebieden. Een beperkte verbetering Levert geen wezenlijke van de wezenlijke bijdrage aan de kenmerken of waarden instandhoudingsdoelstellingen van NNN. .

Een (aanzienlijke) verbetering of uitbreiding van Een beperkte verbetering van leefgebieden van matig de wezenlijke kenmerken of beschermde soorten (Andere waarden van EVZ Laakzone. soorten, niet vrijgesteld van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkeling).

Geen (noemenswaardige) Vrijwel geen effecten binnen Natura 2000effect (neutraal) gebieden.

Beschrijving van effect op stedelijke groene hoofdstructuur (EVZ Laakzone)

Wezenlijke kenmerken of Wezenlijke kenmerken of waarden van NNN worden waarden van EVZ Laakzone (nagenoeg) niet worden (nagenoeg) niet aangetast. aangetast.

-

Negatief effect

Wezenlijke kenmerken of Een beperkte verslechtering Wezenlijke kenmerken of waarden van NNN worden van Natura 2000-gebieden. waarden van EVZ Laakzone beperkt aangetast. Significant negatieve effecten worden beperkt aangetast. Compensatie is niet zijn uit te sluiten. Compensatie is vereist. vereist.

--

Zeer negatief effect

Een verslechtering van Natura Wezenlijke kenmerken of Wezenlijke kenmerken of 2000-gebieden. Effecten op waarden van NNN worden waarden van EVZ Laakzone instandhoudingdoelstellingen aangetast. worden aangetast. zijn mogelijk significant. Compensatie is vereist. Compensatie is vereist.

3.3

Beschrijving van effect op Beschermde soorten

(Nagenoeg) geen effecten op beschermde soorten of alleen effecten op licht beschermde soorten die niet vrijgesteld zijn van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Een (zeer) ernstig effect op licht beschermde soorten (Andere soorten, vrijgesteld van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkelingen). Een (zeer) ernstig effect op zwaar beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn).

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

Natura 2000 Huidige situatie Figuur 3-1 laat de ligging van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden nabij het plangebied zien. De afstand tot het Natura 2000-gebied “Meijendel & Berkheide” bedraagt circa 3,4 km en tot “Westduinpark & Wapendal” circa 4,4 km.

30

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Meijendel & Berkheide

Westduinpark & Wapendal

HOV-tracés in de alternatieven

Figuur 3-1 Ligging van Natura 2000-gebieden. De te onderzoeken HOV-tracés (plangebied) zijn (globaal) in bruin aangegeven. Kaart afkomstig van https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/index.html?provincie=1 (geraadpleegd op 10-07-2020).

De kwalificerende natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden (die natuurwaarden waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen) zijn opgenomen in tabel 3-4. Op de aanwezigheid van natuurwaarden wordt in paragraaf 3.4 ingegaan. De reikwijdte van effecten bepaalt welke kwalificerende natuurwaarden voor de beoordeling relevant zijn. Tabel 3-4 Overzicht van de kwalificerende natuurwaarden voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De informatie over Meijendel & Berkheide is afkomstig uit Ministerie van EZ, 2013. Westduinpark & Wapendal is afkomstig uit Ministerie van EL&I, 2011. Natura 2000-gebied

Kwalificerende natuurwaarde Instandhoudingsdoelstelling H2120 Witte duinen

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

H2130 *Grijze duinen

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit grijze duinen, kalkrijk (subtype A) en grijze duinen, kalkarm (subtype B).

H2160 Duindoornstruwelen

Behoud oppervlakte en kwaliteit. Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattypen grijze duinen (H2130) of vochtige duinvalleien (H2190) is toegestaan.

Meijendel & Berkheide H2180 Duinbossen

Behoud oppervlakte en kwaliteit duinbossen, droog (subtype A) en duinbossen, vochtig (subtype B) en behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit duinbossen, binnenduinrand (subtype C).

H2190 Vochtige duinvalleien

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige duinvalleien, open water (subtype A), vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) en vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D).

H1014 Nauwe korfslak

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

H1318 Meervleermuis

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

H2120 Witte duinen

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

H2130 *Grijze duinen

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit grijze duinen, kalkrijk (subtype A) en behoud oppervlakte en kwaliteit grijze duinen, kalkarm (subtype B).

H2150 Duinheiden met struikhei Behoud oppervlakte en kwaliteit. Westduinpark & Wapendal

31

H2160 Duindoornstruwelen

Behoud oppervlakte en kwaliteit. Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype grijze duinen (H2130) is toegestaan.

H2180 Duinbossen

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit duinbossen, droog (subtype A) en duinbossen, binnenduinrand (subtype C). Enige achteruitgang in oppervlakte van het subtype binnenduinrand (subtype C) ten gunste van habitattype grijze duinen (H2130) is toegestaan.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling wordt uitgegaan van de huidige aanwezigheid van kwalificerende natuurwaarden. Mogelijk dat in de toekomst maatregelen worden genomen om de situatie te verbeteren, wat betekent dat kwalificerende natuurwaarden plaatselijk uitbreiden, in dat geval is de autonome ontwikkeling worst case. NNN Huidige situatie Figuur 3-2 geeft de ligging van het NNN in de omgeving van het plangebied. Het NNN grenst aan de zuidoostkant aan het tracé van één van de alternatieven.

HOV-tracés in de alternatieven

Figuur 3-2 Ligging van het Natuurnetwerk Nederland (groen met zwart gestreepte gebieden) met indicatief de HOV-tracés uit de alternatieven. Kaart afkomstig van https://www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl/omgevingsbeleid/ (geraadpleegd op 11-01-2022).

Autonome ontwikkeling Er is geen reden om aan te nemen dat een wezenlijke ontwikkeling plaatsvindt van het NNN. De autonome ontwikkeling is gelijk aan de huidige situatie. Stedelijke ecologische hoofdstructuur Huidige situatie Binnen het plangebied is een aantal belangrijke groenstructuren aanwezig die deel uitmaken van de stedelijke ecologische hoofdstructuur. De watergang Broeksloot (circa 8 meter breed) met naastliggende oever, gras, struweel en bomenrijen ten zuiden van de Maanweg en in de Broekslootkade is onderdeel van de Haagse stedelijke ecologische verbindingszone (EVZ) ‘Laakzone’ en zorgt voor een groen / blauwe verbinding, zie figuur 3-3. Langs de Maanweg varieert de breedte van de EVZ Laakzone (zuidzijde watergang tot Maanweg) tussen de 25 en 40 meter (exclusief de groene oever langs de Voorburgse zijde die variëren tussen de 10 en 20 meter). Het oppervlak van de EVZ tussen de Binkhorstlaan en de Westenburgstraat uit figuur 3-3 bedraagt in totaal (inclusief watergang) 24.255 m2. Het oppervlak van de EVZ ten westen van de Westenburgstraat bedraagt circa 1.860 m2. De EVZ Laakzone langs de Broekslootkade (zowel Haags al Rijswijks grondgebied) is in totaal circa 17,5 m breed (inclusief Rijswijkse deel), de oevers zijn circa 6 meter breed.

32

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Het oppervlak zoals opgenomen in figuur 3-3 (Haagse deel) bedraagt circa 1.500 m2 voor de EVZ ten oosten van de doorsteek bij de Stuwstraat en circa 2.500 m2 voor het deel tussen de doorsteek en de Cromvlietkade/Trekweg. De Broekslootkade is ook onderdeel van de Hoofd natuurstructuur van de Rijswijkse hoofd Groenstructuur en maakt deel uit van een primaire verbinding naar de regio die aansluit op de verbindingszone Laakzone, zie figuur 3-5. Langs de Broekslootkade streeft de gemeente Rijswijk naar een groene natuurverbindingszone naar de landgoederenzone. Als streefbeeld voor het aanwezige water geldt ‘praktisch water’. Als kans is benoemd door (her)inrichting van de Broekslootkade met bloemrijk gras en plas-dras oevers de doorgaande natuurverbinding (droog/nat) tussen de landgoederenzone en de Vliet te versterken. Bij aanvulling van bomen langs de Broekslootkade zullen bomen in rijen (els, linde) worden toegepast, maar kunnen ook solitaire bomen (treurwilg, els, es) worden toegepast. Aan de noordzijde van Voorburg-West vormt de Broeksloot een aantrekkelijke groene zone tussen de Haagse Trekvliet en de Vlietzone, zie figuur 3-4, de groene zone is aangeduid als waardevolle ecologische gebied. Langs het spoor zijn in Voorburg het gebied met Opa’s veldje en de buitenplaats Huygens’ Hofwijck ook aangeduid als waardevolle ecologische gebied.

Park Sonnenburgh en Park Middenburg zijn aangeduid als ecologisch kerngebied.

Binckhorst

Haagweg

Paets van Troostwijkstraat

Figuur 3-3 Stedelijke ecologische verbindingszone Laakzone (Bron: Nota Ecologische verbindingszones 2008-2018, gemeente Den Haag, 2009)

Figuur 3-4 Inventarisatie ecologische kerngebieden (donkergroen) en overige waardevolle ecologische gebieden (lichtgroen) in het stedelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. De oranje lijn geeft globaal het plangebied aan waarbinnen HOV wordt onderzocht. (bron: Groenstructuurplan Gemeente Leidschendam-Voorburg Buitengewoon groen, 2009)

33

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 3-5 Rijswijkse hoofd Groenstructuur (bron: Groenbeleidsplan 2010-2020 BomeNatuuRecreatie, gemeente Rijswijk, 2010) Geestbrugweg rood omkaderd en Broekslootkade blauw omkaderd. Uitsnede rechts: deelgebied I Cromvliet & Leeuwendaal.

Autonome ontwikkeling Er is geen reden om aan te nemen dat een wezenlijke ontwikkeling plaatsvindt van de begrenzing van de stedelijke ecologische hoofdstructuur. De autonome ontwikkeling is gelijk aan de huidige situatie. Beschermde soorten Huidige situatie Tabel 3-5 geeft een overzicht van de aanwezige beschermde soorten. De informatie is afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)3. De functie van het plangebied is bepaald aan de hand van expert judgement.

3

34

Data NDDF opgevraagd 24 juli 2020 voor alternatief 1 en op 21 januari 2022 voor de delen van het tracé van de overige alternatieven voor zover die niet overlappen met alternatief 1

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Tabel 3-5 Overzicht van de aanwezige beschermde soorten. Soortgroep Waargenomen soorten NDFF Locatie waarnemingen (periode 01-01-2015 t/m 24-07-2020)

Wilde ridderspoor Flora

Schubvaren

Gierzwaluw

Vogels met jaarrond beschermd nest Huismus

Eén waarneming in 2017 op een perceel gelegen tussen de Castorstraat en de Binckhorstlaan. Wilde ridderspoor komt voor op zonnige plaatsen op vochtige, matige voedselrijke, kalkrijke, Mogelijk dat bermen in het plangebied omgewerkte zandige klei. De soort is in Den groeiplaatsen vormen voor deze soort. Haag op verschillende plaatsen waargenomen de laatste jaren en is incidenteel op omgewerkte grond te verwachten.4 Niet direct in het plangebied maar verschillende waarnemingen tussen 2015 en 2019 langs de Bontekoekade.

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis

Geen: soort is niet in het plangebied waargenomen.

Beide soorten nesten in bebouwing, mogelijk Nestplaatsen: in de aanwezige nesten in de bebouwing. bebouwing. Op voorhand is niet aan te Van de huismus is bekend dat deze voorkomt geven welke gebouwen ongeschikt zijn. rond het kasteel en de begraafplaats (Antea Foerageergebied: deze soort Group, 2018) en waarnemingen zijn ook verspreid foerageert al vliegend. Het plangebied in de wijk gedaan. 5 Met name de hogere heeft hierin geen specifieke functie. gebouwen in het plangebied zijn niet bijzonder geschikt voor broedende vogels, maar aanwezigheid is op basis van de beschikbare Nestplaatsen: in de aanwezige informatie niet uitgesloten. bebouwing. Op voorhand is niet aan te Waarnemingen van nesten in de bebouwing zijn geven welke gebouwen ongeschikt zijn. niet bekend6, maar Het plangebied heeft geen Foerageergebied: bomen en groen in specifieke functie als foerageergebied voor het plangebied. gierzwaluwen. De groene delen in het plangebied dienen wel als foerageergebied van de huismus.

O.a. aalscholver, blauwe reiger, boomkruiper, braamsluiper, ekster, fitis, fuut, gaai, groenling, grote bonte specht, heggenmus, houtduif, kauw, kleine mantelmeeuw, knobbelzwaan, kokmeeuw, koolmees, kuifeend, Het grootste deel van deze soorten is Vogels zonder meerkoet, merel, nachtegaal, aangetroffen rond de bomen, in de parken en jaarrond pimpelmees, putter, roodborst, rond open water. Maar ook de bebouwing beschermd nest roodborsttapuit, scholekster, vormen voor verschillende soorten leefgebied. spreeuw, staartmees, tjiftjaf, Turkse tortel, vink, waterhoen, wilde eend, winterkoning, witte kwikstaart, zanglijster, zilvermeeuw, zwarte kraai, zwarte roodstaart, zwartkop

Vleermuizen

Functie plangebied

Nestplaatsen: aanwezig rond het groen, het water en in bebouwing. Foerageergebieden: met name - maar niet uitsluitend - in en rond het aanwezige groen en water.

Verblijfplaatsen: in bebouwing. Met name de hogere bebouwing in het plangebied zijn niet bijzonder geschikt voor vleermuizen. Een groot Verblijfplaatsen: in de aanwezige deel van de bebouwing is echter geschikt als bebouwing. Op voorhand is niet aan te verblijfplaats en in de wijk zijn ook paarplekken geven welke gebouwen ongeschikt zijn. van gewone dwergvleermuis aanwezig.7 Vliegroutes: vooral, maar niet Aanwezigheid van vleermuizen is op basis van de uitsluitend, langs lijnvormige structuren, beschikbare informatie niet uitgesloten. dus de aanwezige watergangen en Vliegroutes: met name langs het stedelijke groen bomenrijen. (bomenrijen) (Antea Group, 2018). Foerageergebieden: voornamelijk maar Foerageergebieden: met name rond het niet uitsluitend rond het groen en water. stedelijke groen en in de parken en rond open water.

Grondgebonden Huisspitsmuis, konijn, egel zoogdieren

Met name in het stedelijke groen, met name ook in rommelige overhoekjes (Antea Group, 2018).

Vooral rond het aanwezige groen en water.

Amfibieën

Vooral in het stedelijke groen en nabij open water.

Vooral in en rond het open water en ook in het groen.

4 5

6

7

35

Bruine kikker, groene kikker

https://www.verspreidingsatlas.nl/0396#, geraadpleegd op 24 juli 2020. Kaart met huismusterritoria en leefgebieden: https://ddh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=d6ef746c431f49e591014da8442b0a25, geraadpleegd op 04-05-2022. Kaart met gierzwaluwterritoria en aandachtsgebieden: https://ddh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=9f8be9d65a854666b268406f43608caa, geraadpleegd op 04-05-2022. Kaart met vleermuisgebieden: https://ddh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=6f957ceeeee044ef8770ba147e95380e, geraadpleegd op 04-05-2022.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling is een vergelijkbare aanwezigheid van beschermde soorten verwacht. De huidige stedelijke ontwikkeling faciliteert geen wezenlijke veranderingen voor aanwezige populaties. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zullen maatregelen worden getroffen om aanwezige populaties blijvend te faciliteren, omdat dit een wettelijke verplichting is.

3.4

Effecten

Onderstaande tabellen geven een overzicht van de effecten van de alternatieven en varianten met betrekking tot het aspect natuur voor respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase. De aanduiding +1 en -1 heeft betrekking op de hoogteligging van de lightrail ter hoogte van Opa’s veldje (verhoogd danwel verdiept). De situatie waarin sprake is van verdere doorkoppeling met de regio (‘doorkijkscenario’, LReg) is beoordeeld op basis van expert judgement. Tabel 3-6 Effecten Plan-MER – Natuur voor de aanlegfase Aspect

Natuur

Criterium

Ref.

3

4

1B

1T

1 1L +1

1L -1

2B

2T

2 2L +1

3B

4T

5B

5 5T

2040 L Reg 0

Natura 2000

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

NNN

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Stedelijke groene hoofdstructuur

0

-

-

--

--

0

0

0

-

-

--

--

nb

0

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

3

4

1B

1T

1L +1

1L -1

2B

2T

2L +1

3B

4T

5B

5T

L Reg +

Soorten Nb = niet bepaald Tabel 3-7 Effecten Plan-MER – Natuur voor de gebruiksfase Aspect

Natuur

Criterium

Ref.

2

5

2040

Natura 2000

0

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

NNN

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

-

-

--

--

0

0

0

-

-

--

--

nb

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

Stedelijke groene hoofdstructuur Soorten Nb = niet bepaald

3.4.1

1

0

Natura 2000

Aanleg: Stikstofdepositie Voor het Omgevingsplan Binckhorst is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (Antea Group, 2017). In het onderzoek is echter als beoordelingskader uitgegaan van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Na de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS echter niet meer als toestemmingsbasis gebruikt worden. 8 Voor alle alternatieven geldt dat deze op enige afstand van Natura 2000-gebieden zijn gelegen en voor de verschillende alternatieven in grote lijn vergelijkbare werkzaamheden worden uitgevoerd. Dit leidt mogelijk tot beperkte tijdelijke stikstofdepositie, maar dit is niet onderscheidend voor de verschillende alternatieven. Dit is zeker niet het geval gezien het gegeven dat de stikstofdepositie gering en tijdelijk9 zal zijn. Als in de toelichting van het Wsn is aangegeven: “Projecten vinden steeds plaats op andere locaties, de emissies zijn slechts tijdelijk van aard, het merendeel van de deposities wordt opgenomen en het totaal van emissies tijdens de bouwfase maakt slechts een klein gedeelte uit van de stikstofdeken”. Effecten van de aanlegfase zijn daarom uitgesloten. Bovendien leidt de aanleg tot een permanente verbetering omdat dit zorgt voor een verbetering van het openbaar vervoer (zie hieronder). Daarmee is voor alle alternatieven het effect neutraal (0).

Aanleg: Verstoring De Natura 2000-gebieden zijn op een afstand van meer dan 3 km van het plangebied gelegen. Gezien de afstand en de ligging van bebouwing en wegen met bijbehorende activiteiten tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden, zijn effecten door verstoring in de aanlegfase uitgesloten (0).

8 9

36

Zie https://www.raadvanstate.nl/@115651/pas-mag/. Nota van toelichting van de Wsn (Staatsblad 2021, 287).

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Gebruik: Stikstofdepositie Voor de gebruiksfase is een berekening van de verandering van de stikstofdepositie gedaan (kenmerk: S2TjoJPj756M, d.d. 10 februari 2022, zie bijlage 3). De berekening is gedaan voor alternatief 1, variant 1L, maar voor de verschillende alternatieven is sprake van een vergelijkbaar effect: het openbaar vervoer leidt tot een vermindering van wegverkeer. Een vermindering van wegverkeer leidt tot een afname van de stikstofemissie en daarmee tot een afname van de stikstofdepositie in de omgeving. Dit is een positief effect, maar het is te gering om te leiden tot een wezenlijke veranderingen in de Natura 2000-gebieden. Hierin verschillen de alternatieven niet wezenlijk. Het effect is (licht) positief voor alle alternatieven (+). Gebruik: Verstoring De Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van meer dan 3 km van het plangebied. Gezien de afstand en de ligging van bebouwing en wegen met bijbehorende activiteiten tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden, zijn effecten door verstoring in de gebruiksfase uitgesloten (0).

3.4.2

NNN

Aanleg en Gebruik: Ruimtebeslag en Verstoring Het NNN ligt niet binnen of nabij het plangebied van de alternatieven en varianten. Uitzondering hierop is alternatief 4: het alternatief ligt op de weg langs het Park Middenburg. Dit park maakt onderdeel uit van het NNN. Het alternatief wordt echter ingepast op de huidige weg. Voor alle alternatieven zijn effecten als gevolg van ruimtebeslag uitgesloten. Verder liggen alle vijf alternatieven in een verstedelijkte omgeving en wordt het NNN van het grootste deel van de ontwikkeling (HOV-verbinding) gescheiden door bebouwing. Alleen voor alternatief 4 en de regionale koppeling (LReg) geldt dat de ontwikkeling en dus het gebruik plaatsvindt dicht bij het Park Middenburg, dat binnen het NNN is gelegen (zie figuur 3-2). Hier geldt echter dat verandering van gebruik respectievelijk voor alternatief 4 en de regionale koppeling (LReg) dat gebruik op de bestaande weg en parallel aan het spoor plaatsvinden. Hier is in de huidige situatie en autonome situatie al sprake van verstoring. Dit in combinatie met de verstedelijkte omgeving met verschillende verstoringsbronnen maakt dat er geen sprake is van een effect door de verandering van de verstoring. Ook als gevolg van verstoring zijn effecten uitgesloten (0).

3.4.3

Stedelijke groene hoofdstructuur

Maanweg De alternatieven 1, 2, 3 en 5 liggen deels in de stedelijke ecologische verbindingszone EVZ Laakzone: • • •

In de alternatieven 1, 3 en 5 ligt het tracé richting station Voorburg langs de Maanweg deels in de groenstructuur. Alternatief 2 kruist deze groenstructuur langs de Maanweg alleen ter hoogte van de Huygenstraverse. Alternatief 4 ligt niet in de groenstructuur.

In figuur 3-6 tot en met figuur 3-10 zijn uitsneden van de schetsontwerpen opgenomen van de varianten 1B (gelijk aan 5B), 3B, 1T (gelijk aan 5T), 1L en 2B (is gelijk aan 2T) en 2L. In de kaarten is het ruimtebeslag ingetekend als groen vlak. De resterende groenstrook tot de watergang die niet wordt geraakt is wit. •

• •

•

•

37

Het ruimtebeslag op de groenstrook langs de Maanweg is het grootst bij variant 1L, circa 6.100 m 2 (strook van maximaal 5 meter). Ter hoogte van de halte wordt de groenstrook over een afstand van 160 m versmald van circa 16 m naar circa 4 à 5 meter. Variant 1L (+1 en -1 niveau) is beoordeeld als zeer negatief (- -) omdat de halte voor een duidelijke onderbreking in de EVZ Laakzone zorgt. Het ruimtebeslag op de groenstrook langs de Maanweg in varianten 1T en 5T is circa 3.750 m2 (een strook van maximaal circa 2,3 m en bij de halte over een afstand van 80 m tot circa 10 m in de groenstrook). De tramvariant 1T en 5T zijn beoordeeld als negatief (-). Het ruimtebeslag op de groenstrook langs de Maanweg in varianten 1B en 5B is circa 1.400 m2. In variant 1B en 5B is ten opzichte van 1T, 5T en 1L een smaller wegprofiel toegepast waardoor het ruimtebeslag in de busvariant met name bij de halte plaatsvindt (de halte ligt over een afstand van circa 40 m tot circa 9 m in de groenstrook). De busvarianten 1B en 5B zijn beoordeeld als neutraal omdat grote delen van de groenstrook ontzien kunnen worden. Variant 3B loopt vanaf de Melkwegstraat via de Maanweg en heeft daarmee iets minder aantasting dan variant 1B & 5B op de EVZ Laakzone.

Het verschil tussen 1B/5B en 3B is beperkt omdat tussen de Binckhorstlaan en de Melkwegstraat de busbaan een smal wegprofiel kent en hier tegen de groenstrook aan ligt (met minimaal ruimtebeslag). Variant 3B is daarmee negatief (-) beoordeeld. Alternatief 2 heeft alleen aantasting ter hoogte van de doorsnijding bij de Huygenstraverse, circa 190 m 2 bij zowel variant 2B als 2T en 140 m2 bij variant 2L. Dit is neutraal (0) beoordeeld gezien de beperkte aantasting aan de kop van EVZ Laakzone.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 3-6 Ruimtebeslag variant 1B~5B op gemeentelijke EVZ langs Maanweg (groene vlakken langs de HOV)

Figuur 3-7 Ruimtebeslag variant 3B op gemeentelijke EVZ Laakzone langs Maanweg (groene vlakken langs de HOV)

38

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 3-8 Ruimtebeslag variant 1T~5T op gemeentelijke EVZ Laakzone langs Maanweg (groen vlak langs de HOV)

Figuur 3-9 Ruimtebeslag variant 1L op gemeentelijke EVZ Laakzone langs Maanweg (groen vlak langs de HOV)

39

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 3-10 Ruimtebeslag variant 2T (~2B) links en variant 2L rechts op gemeentelijke EVZ Laakzone langs Maanweg (groen vlak langs de HOV), groen vlak t.h.v. HOV-baan

Broekslootkade In alternatief 5 ligt de verbinding richting Rijswijk/Delft langs de Broekslootkade in de bestaande stedelijke ecologische groenstructuur - EVZ Laakzone (oevers en watergang in totaal circa 16 m breed). De ligging van de bus- en trambaan verschilt in de varianten 5B en 5T. • •

Variant 5B gaat uit van een busbaan die langs de noordzijde van de bestaande watergang in de groenstrook ligt waarbij de bestaande straat en parkeerplaatsen behouden blijven. Het tracé bevat een hellingbaan vanaf de zijde van de (hef)brug over de Trekvliet om het hoogteverschil te overbruggen. De watergang blijft behouden. In variant 5T wordt de trambaan direct na de hellingbaan vanaf de (hef)brug gesplitst waarna de sporen aan beide zijden van de watergang in de groenstrook liggen10. De watergang blijft ook behouden.

Het ruimtebeslag op de groenstrook langs de Broekslootkade is bij variant 5B circa 4.000 m2. In variant 5B gaat de busbaan ten koste van de volledige 6 m brede oever langs de noordzijde van de watergang. Daarmee blijft alleen de zuidelijke oever en watergang behouden blijven als ecologische verbinding, de totale breedte hiervan is circa 10 m. Dit is ruim onder de minimale 20 m dit in de Haagse Nota Natuur is opgenomen als uitgangspunt voor een functionele ecologische verbinding met voldoende breedte. Variant 5B is daarom zeer negatief (- - ) beoordeeld. Het ruimtebeslag op de groenstrook langs de Broekslootkade is bij variant 5T circa 2.400 m2. De hellingbaan gaat ten koste van de volledige 6 m brede oever langs de noordzijde van de watergang. Na de splitsing is aan beide zijden van de watergang sprake van ruimtebeslag en blijft een deel van de oever behouden. Ook deze variant is zeer negatief (- -) beoordeeld omdat hier sprake is van een onderbreking in EVZ Laakzone en er sprake is van versmalling van EVZ Laakzone wat niet wenselijk is voor een goed functionerende EVZ.

10

40

De ligging van de bus- of trambaan is in deze verkenning op twee manieren uitgewerkt om de verschillen in ligging van de HOV-baan inzichtelijk te maken. Bij zowel bus- als tram is uitgegaan van 1 hellingbaan vanaf de (hef)brug omdat een eerdere splitsing in de HOV-baan veel meer ruimte vergt.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 3-11 Ruimtebeslag variant 5B op gemeentelijke EVZ Laakzone langs Broekslootkade (groen vlak t.p.v. de busbaan)

Figuur 3-12 Ruimtebeslag variant 5T op gemeentelijke EVZ Laakzone langs Broekslootkade (bruin vlak t.p.v. de trambaan)

41

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

3.4.4

Beschermde soorten

Aanleg Tijdens de aanleg zijn de volgende effecten relevant: doden en verwonden, ruimtebeslag leefgebieden en verstoring van soorten en leefgebieden. In tabel 3-8 wordt hier nader op ingegaan voor de aanleg. Tabel 3-8 Effecten op beschermde soorten als gevolg van de aanleg. Soortgroep

Waargenomen Beschermings- Alternatieven/ soorten NDFF categorie varianten (zie tabel 3-5) Wilde ridderspoor

1 t/m 5 perceel Andere soorten Voor alle alternatieven geldt dat deze leiden tot een mogelijk tussen de waarvoor geen ruimtebeslag op de bestaande groeiplaats. Castorstraat en vrijstelling geldt Effect van alle alternatieven/varianten is (licht) negatief (-) de Binckhorstlaan

Schubvaren

Andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt

Flora

Gierzwaluw

Vogels met jaarrond beschermd nest

Vleermuizen

n.v.t.

Voor alle alternatieven geldt dat deze niet leiden tot ruimtebeslag op de bestaande groeiplaats. Effect van alle alternatieven/varianten is neutraal (0).

1 t/m 5

Bij alle alternatieven is sprake van panden die niet behouden kunnen blijven (zie deelrapport 2 Ruimtegebruik en verstedelijking, effecten sloop panden). Tabel 3-8 laat zien welke bebouwing een mogelijke functie heeft voor de gierzwaluw. Hoewel de meeste bebouwing niet geschikt is, zijn vooral in de hogere bebouwing nestplaatsen van de gierzwaluw niet uitgesloten. Foerageergebieden worden niet aangetast. Het effect van alle alternatieven is vanwege het mogelijk doden van gierzwaluwen en vernielen van verblijfplaatsen (licht) negatief (-) en vanwege de beperkte kans vanwege beperkte geschiktheid van de bebouwing niet zeer negatief.

Tabel 3-9

Bij alle alternatieven is sprake van panden die niet behouden kunnen blijven (zie deelrapport 2 Ruimtegebruik en verstedelijking, effecten sloop panden). Tabel 3-9 laat zien welke bebouwing een mogelijke functie heeft voor de huismus. Hoewel de geschiktheid beperkt is, zitten in de bebouwing mogelijk verblijfplaatsen van huismussen. Foerageergebieden worden niet aangetast, want tuinen en parken blijven gespaard. Het effect van alle alternatieven is, vanwege het mogelijk doden van huismussen en vernielen van verblijfplaatsen, (licht) negatief (-) en vanwege beperkte geschiktheid van de bebouwing niet zeer negatief.

1 t/m 5

Voor alle alternatieven geldt dat deze ten koste gaan van het aanwezige groen en mogelijke nesten en broedsels. Het effect is voor alle alternatieven (licht) negatief (- -).

Zie tabel 3-9

Bij alle alternatieven is sprake van panden die niet behouden kunnen blijven (zie deelrapport 2 Ruimtegebruik en verstedelijking, effecten sloop panden). Tabel 3-9 laat zien welke bebouwing een mogelijke functie heeft voor vleermuizen. Een groot deel van de bebouwing is mogelijk geschikt. Het effect van alle alternatieven is vanwege het mogelijk doden van vleermuizen en vernielen van verblijfplaatsen zeer negatief (- -).

Zie tabel 3-10

Alle alternatieven leiden tot het kappen van bomen en daarmee tot aantasting van vliegroutes en foerageergebieden. Langs de wegen bevinden zich geen belangrijke foerageergebieden, deze bevinden zich meer boven de wateren, parken en begraafplaatsen. De vliegroutes worden echter mogelijk wel permanent onderbroken. Dit is weergegeven in tabel 3-10. Het effect is voor alle alternatieven vanwege aantasting van vliegroutes zeer negatief (- -).

Vogelrichtlijnsoorten

Huismus

Vogels zonder jaarrond beschermd nest

Effecten

Zie tabel 3-5 voor lijst.

Vogelrichtlijnsoorten

Gewone dwergvleermuis HabitatrichtlijnRuige soorten dwergvleermuis

Grondgebonden zoogdieren

Huisspitsmuis Konijn Egel

Andere soorten waarvoor een vrijstelling geldt

Amfibieën

Bruine kikker Groene kikker

Andere soorten waarvoor een vrijstelling geldt

1 t/m 5 1 t/m 5

Alle alternatieven leiden tot ruimtebeslag op leefgebieden en daarmee tot het vernielen van verblijfplaatsen en doden van individuen. Deze soorten zijn vrijgesteld en het effect derhalve voor alle alternatieven neutraal (0).

Op basis van bovenstaande zijn alle alternatieven met bijbehorende varianten voor de aanleg beoordeeld als zeer negatief (- -). Dit is voornamelijk het gevolg van de sloop van meerdere panden, wat mogelijk effecten heeft op huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen, maar ook door de kap van bomenrijen, wat mogelijk vliegroutes van vleermuizen aantast. Voor de natuurwaarden in de omgeving geldt dat er geen verschil in effecten is voor wat betreft een verhoogde (1L+1) of verdiepte ligging (1L-1) van alternatief 1 bij Opa’s veldje. Het verschil tussen het aantal te slopen panden is weergegeven in tabel 3-9, het verschil in mogelijk aan te tasten vliegroutes is weergegeven in tabel 3-10. 42

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Tabel 3-9 Overzicht van bebouwing op de tracés van de alternatieven. Rood: Oranje: Groen:

Sloop voorzien (inclusief deels te amoveren en te verplaatsen bebouwing). Bebouwing ondervindt mogelijk een effect vanwege nabijheid tracé. Geen effecten op bebouwing.

BAG-nummer pand

Hinderkwalificatie en afstand tot tracé [m] Alternatief

1

2

3

4

Indicatie functie als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels

5

Variant 1B 1T 1L 2B 2T 2L 3B 4T 5B 5T TRACÉ LEKSTRAAT (ALLE ALTERNATIEVEN) Lekstraat 142, 144, 146, 148, 150, 152, 154, 156

Panden (geschakeld) niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Lekstraat 162

Loods: waarschijnlijk ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

Lekstraat 168

Niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Pand direct ten zuiden van Lekstaat 168

Containers: waarschijnlijk ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels. Ontwerp raakt dit pand net niet, amoveren niet uitgesloten.

Pand ten zuiden van Lekstaat 168

Stallen: waarschijnlijk ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

TRACÉ BINCKHORSTLAAN (ALLE ALTERNATIEVEN) Binckhorstlaan 46

Containers: waarschijnlijk ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

Pand naast Binckhorstlaan 46

Loods: waarschijnlijk ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

Pand perceel Binckhorstlaan 100

Tankstation: waarschijnlijk ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

Binckhorstlaan 168

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=22449ab5-5878-495d-8f86-ecca295aa139