CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1938_PlanMER CIDB Deelrapport 3 Leefomgeving - 14juni2022 DEF.pdf

Commissie Omgeving 28 juni 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsbrief: Terinzagelegging Ontwerp Masterplan Bereikbaarheid CID Binckhorst38.540 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Woonboulevard: waarschijnlijk ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

Binckhorstlaan 170

Woonboulevard: waarschijnlijk ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

Binckhorstlaan 340-342

Niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Binckhorstlaan 358-362

Niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Binckhorstlaan 390

Brugwachtershuisje, niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Binckhorstlaan 400

Kantoorgebouw Het Hanzegebouw, Dana Petroleum is waarschijnlijk ongeschikt, maar functie is zonder onderzoek niet bij voorbaat uitgesloten.

Binckhorstlaan 1A

Kantoorgebouw is waarschijnlijk ongeschikt, maar functie is zonder onderzoek niet bij voorbaat uitgesloten.

TRACÉ MAANWEG (ALTERNATIEF 1, 5 EN DEELS 3) Maanweg 23

Container, snackbar, vrijwel zeker ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

Maanweg 101

snackbar

Maanweg 110

elektriciteitshuisje

TRACÉ ZONWEG (ALTERNATIEF 2 EN DEELS 3) Zonweg 6

Elektriciteitshuisje: niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Zonweg 10, 12, 14, 16

Panden (geschakeld), niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Zonweg 18 (18A), 20, 22, 24, 26

Panden (geschakeld), niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Zonweg 28, 30, 32 en 34

Panden (geschakeld), niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Zonweg 38

Niet bijzonder geschikt maar met name functie voor vleermuizen niet uitgesloten.

Zonweg 60

Bedrijfspand is waarschijnlijk ongeschikt, maar functie is zonder onderzoek niet bij voorbaat uitgesloten.

Gebouw met meerdere adressen: Zonweg 90, 177, 179, 181, 183, 185, 189, 191, 193

Kantoorgebouw is waarschijnlijk ongeschikt, maar functie is zonder onderzoek niet bij voorbaat uitgesloten.

Pand noordzijde Regulusweg emplacement

Bebouwing rond het spoor op deze locatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels.

43

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

BAG-nummer pand

Hinderkwalificatie en afstand tot tracé [m] Alternatief

1

2

3

4

Indicatie functie als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels

5

Variant 1B 1T 1L 2B 2T 2L 3B 4T 5B 5T STATION VOORBURG (ALLE ALTERNATIEVEN) Stationsplein 1, 1A en 1C

Stationsgebouw is waarschijnlijk ongeschikt, maar functie is zonder onderzoek niet bij voorbaat uitgesloten.

Stationsplein 1B

Stationsgebouw is waarschijnlijk ongeschikt, maar functie is zonder onderzoek niet bij voorbaat uitgesloten.

TRACÉ JUPITERKADE EN BROEKSLOOTKADE (ALTERNATIEF 5) Jupiterkade 20

Prefab-gebouw is waarschijnlijk ongeschikt, maar functie is zonder onderzoek niet bij voorbaat uitgesloten.

Jupiterkade pand

Onduidelijk wat de bebouwing exact is, maar de bebouwing en woonboten aan de zuidkant van de Jupiterkade zijn waarschijnlijk ongeschikt.

Jupiterkade 32

De bebouwing en woonboten aan de zuidkant van de Jupiterkade zijn waarschijnlijk ongeschikt.

Jupiterkade pand

Onduidelijk wat de bebouwing exact is, maar de bebouwing en woonboten aan de zuidkant van de Jupiterkade zijn waarschijnlijk ongeschikt.

TOTAAL sloop

20 21 22 36 37 37 32 17 23 23

TOTAAL effect

0

TOTAAL geen effect

28 25 24 13 11 9 15 29 22 21

44

1

2

0

1

3

0

1

1

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

1

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Tabel 3-10 Schatting van te kappen bomen aan de hand van het ruimtebeslag. Bepalend is of het ruimtebeslag overlapt met het midden van een boom. In de tabel zijn ook de gevolgen voor vliegroutes aangegeven. Met oranje is aangegeven waar het risico (onderbreken vliegroutes van vleermuizen) optreedt. BAG-nummer pand

Hinderkwalificatie en afstand tot tracé [m] Variant

Indicatie functie als verblijfplaats voor vleermuizen en vogels

1B 1T 1L 2B 2T 2L 3B 4T 5B 5T Functie als eventueel doorgaande vliegroute (voor vleermuizen) beperkt. Bij kap blijft een vliegroute bestaan.

Noordkant Lekstraat

6

6

6

6

6

6

6

6

6

6

Midden Lekstraat

6

6

6

6

6

6

6

6

6

6 Geen functie als vliegroute voor vleermuizen.

Zuidkant Lekstraat

12

12 12 12 12 12 12 12 12

12

Hier ontstaat mogelijk een gat in de doorgaande vliegroute voor vleermuizen.

Sporendriehoek: Binckhorstlaan tussen 20 Weteringkade en Trekvlietplein

20 20 20 20 20 20 20 20

20

Functie als eventueel doorgaande vliegroute (voor vleermuizen) beperkt. Bij kap blijven vliegroutes aanwezig.

Binckhorstlaan tussen Trekvlietplein en Jupiterkade

15

18 58 15 18 58 16 18 17

18

Hier ontstaat mogelijk gaten in de doorgaande vliegroutes voor vleermuizen.

Broekslootkade

0

0

38

54

Hier ontstaat mogelijk gaten in de doorgaande vliegroutes voor vleermuizen.

0

0

0

0

0

0

Binckhorstlaan (Voorburg) tussen Maanweg en Prinses Mariannelaan

9

9

17

9

9

9

9

9

0

1T: Hier ontstaat mogelijk gaten in de doorgaande vliegroutes voor vleermuizen. Overige alternatieven/varianten met kap van bomen: 0 Functie als eventueel doorgaande vliegroute (voor vleermuizen) beperkt. Bij kap blijven vliegroutes aanwezig.

Prinses Mariannelaan (oost van Binckhorstlaan)

0

0

0

0

0

0

0

4

0

Hier ontstaat mogelijk gaten in de doorgaande vliegroutes voor 0 vleermuizen, maar de bomen staan hier wel ver uit elkaar dus het risico is beperkt.

Prinses Mariannelaan (west van Binckhorstlaan)

2

8

8

2

8

8

2

8

0

0

Hier ontstaat mogelijk gaten in de doorgaande vliegroutes voor vleermuizen.

Geestbrugweg

8

3

3

8

3

3

8

3

0

0

Hier ontstaat mogelijk gaten in de doorgaande vliegroutes voor vleermuizen.

Maanweg

42 110 117 0

0

0

31

0

Langs de Maanweg en de afslag naar het station, blijven in principe 42 110 lijnvormige groenstructuur bestaan die mogelijk dienen als vliegroute.

Tussen Maanweg en Station Voorburg

13

25 13 24 30

4

13

9

13

14

Vooral nabij het viaduct bij het spoor en de A12 bestaat het risico dat vliegroutes voor vleermuizen worden onderbroken.

Zonweg

0

0

0

53 53 53 44

0

0

Er staat maar één bomenrij in de straat, maar de rand van begraafplaats Sint Barbara blijft permanent beschikbaar als 0 vliegroute. Alternatief 2: de vliegroute aan de oostkant van de Zonweg wordt onderbroken, hier is geen alternatief aanwezig.

Melkwegstraat

0

0

0

0

0

0

0

0

0

44

De functie als doorvliegroute is waarschijnlijk beperkt, want het gaat om relatief jonge bomen op aanzienlijke afstand van elkaar. Maar een alternatief is niet aanwezig en een eventuele vliegroute verdwijnt wel met het kappen van de bomen.

Wegastraat/Regulusweg

0

0

0

17 17

1

0

0

0

De functie als doorvliegroute is zeer waarschijnlijk beperkt, want het gaat om relatief kleine bomen op aanzienlijke afstand van elkaar in 0 een zeer verstoorde omgeving (parallel aan het spoor). Maar een alternatief is niet aanwezig en een eventuele vliegroute verdwijnt wel met het kappen van de bomen.

Westeinde en Laan van Middenburg

0

0

0

0

0

0

0

0

0 Geen bomen gekapt, vliegroutes gaan niet verloren.

45

0

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Gebruik Tijdens het gebruik van de HOV-verbinding zijn de volgende effecten relevant: toename van mortaliteit, ruimtebeslag leefgebieden en verstoring van soorten en leefgebieden. In tabel 3-11 wordt hier nader op ingegaan. Tabel 3-11 Effecten op beschermde soorten als gevolg van het gebruik. Soortgroep

Waargenomen soorten Beschermingscategorie Effecten NDFF (zie tabel 3-5)

Wilde ridderspoor

Andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt

Alle alternatieven leiden op de korte termijn tot het ontstaan van tijdelijke groeiplaatsen, maar de verwachting is dat deze ook weer verdwijnen door successie. Aangezien de soort weinig voorkomt en ook niet zeker is dat de juiste omstandigheden worden gecreëerd, is het effect van gebruik voor alle alternatieven neutraal (0).

Schubvaren

Andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt

Geen van de alternatieven heeft in de gebruiksfase invloed op de huidige groeiplaats of biedt nieuwe groeiplaatsen. Het effect is voor alle alternatieven neutraal (0).

Flora

Van toename van mortaliteit is geen sprake. In de huidige situatie is reeds sprake van verkeer en er is geen reden om aan te nemen dat het aantal aanrijdingsslachtoffers toe gaat nemen. Geen van de alternatieven leidt tot nieuwe nestplaatsen.

Gierzwaluw

Bij geen van de alternatieven worden eventueel aanwezige verblijfplaatsen van gierzwaluwen hersteld. Het effect is voor alle alternatieven zeer negatief (- -).

Vogels met jaarrond beschermd nest

Vogelrichtlijn-soorten

Van toename van mortaliteit is geen sprake. In de huidige situatie is reeds sprake van verkeer en er is geen reden om aan te nemen dat het aantal aanrijdingsslachtoffers toe gaat nemen. Alle alternatieven leiden tot de herplant van bomen. Dit leidt tot een herstel van de huidige functie van de aanwezige leefgebieden. Geen van de alternatieven leidt tot nieuwe nestplaatsen.

Huismus

Bij geen van de alternatieven worden eventueel aanwezige verblijfplaatsen van huismussen hersteld. Het effect is voor alle alternatieven zeer negatief (- -). Vogels zonder jaarrond beschermd nest

Zie tabel 3-5

Vogelrichtlijn-soorten

Van toename van mortaliteit is geen sprake. In de huidige situatie is reeds sprake van verkeer en er is geen reden om aan te nemen dat het aantal aanrijdingsslachtoffers toe gaat nemen. Aanplant van bomen leidt tot een herstel van de huidige functie als leefgebied voor vogels: de waarde van het plangebied blijft voor alle alternatieven vrijwel gelijk. Het effect is voor alle alternatieven neutraal (0). Van toename van mortaliteit is geen sprake. In de huidige situatie is reeds sprake van verkeer en er is geen reden om aan te nemen dat het aantal aanrijdingsslachtoffers toe gaat nemen.

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis

Habitatrichtlijn-soorten

Alle alternatieven leiden weer tot de herplant van bomen. Dit leidt tot een herstel van de huidige functie van de aanwezige vliegroutes. Geen van de alternatieven leidt tot nieuwe vliegroutes. De vraag is echter wel in hoeverre plaats is om alle aangetaste vliegroutes naar behoren terug te brengen, hier is niet uitgegaan dat de ruimte daarvoor is. Bovendien moeten bomen van voldoende omvang worden neergezet, om weer te functioneren als vliegroute. Bij geen van de alternatieven worden eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen hersteld. Het effect is voor alle alternatieven zeer negatief (- -).

Grondgebonden zoogdieren

Huisspitsmuis Konijn Egel Bruine kikker

Amfibieën

Groene kikker

Andere soorten waarvoor een vrijstelling geldt

Andere soorten waarvoor een vrijstelling geldt

Van toename van mortaliteit is geen sprake. In de huidige situatie is reeds sprake van verkeer en er is geen reden om aan te nemen dat het aantal aanrijdingsslachtoffers toe gaat nemen. Alle alternatieven leiden weer toe een herplant van bomen en herinrichting van groenstroken en bermen. Dit leidt deels tot herstel van de huidige functie van aanwezige leefgebieden. Geen van de alternatieven leidt tot een verbetering van leefgebieden. Het effect is voor alle alternatieven neutraal (0).

Op basis van bovenstaande zijn alle alternatieven met bijbehorende varianten voor de gebruiksfase beoordeeld als zeer negatief (- -). Dit is voornamelijk het gevolg van de sloop van panden, wat mogelijk effecten heeft op huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. De vliegroutes van vleermuizen wordt mogelijk permanent onderbroken indien er geen sprake is van herplant. Voor de natuurwaarden in omgeving geldt dat geen verschil in effecten is voor wat betreft een verhoogde (1L+1) of verdiepte ligging (1L-1).

46

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

3.5

Mitigerende en compenserende maatregelen

De volgende maatregelen zijn mogelijk om de effecten op natuur te verzachten of te herstellen. De maatregelen zijn hieronder beschreven en de aangepaste effectscores staan voor respectievelijk aanleg en gebruik in tabel 3-12 en tabel 3-13. •

•

•

47

Voor Natura 2000: – Voer de werkzaamheden uit met materieel met beperkte emissies. De voorkeur heeft elektrische materieel omdat deze geen emissie heeft. Deze maatregel heeft geen effect op de effectscores, maar in de Wsn is wel opgenomen dat werkzaamheden zo schoon mogelijk moeten worden uitgevoerd. Ook vanuit het oogpunt van duurzaamheid en stikstofproblematiek, is het belangrijk om de werkzaamheden zo schoon mogelijk uit te voeren. Dit beperkt ook juridische risico’s in de toekomst als regels rond stikstofdepositie in Natura 2000-gebied veranderen. Voor stedelijke groene hoofdstructuur: – Maanweg: • Belangrijk vraagstuk voor de inpassing van de HOV-baan in het profiel van de Maanweg is op welke wijze de ecologische verbindingszone Laakzone zoveel mogelijk ontzien kan worden. In de busvarianten (1B en deels 3B) is om die reden een smaller wegprofiel toegepast ten opzichte van de tramvarianten (1T en 5T) en lightrailvariant (1L). Dit is ook de voorkeur voor de tram- en lightrailvarianten om aantasting te beperken. Een andere optie is om de gevellijn (op de begane grond) naar achteren te leggen, vanuit stedenbouwkundig oogpunt is deze optie minder wenselijk. De aantasting moet gecompenseerd worden. • Bij nadere uitwerking in de vervolgfase is een afweging om de halte in de Maanweg bij alternatief 1 en 5 en het kruispunt Melkwegstraat verder uit elkaar te liggen.

Door het verplaatsen van de halte is mogelijk een smallere strook van de groenzone nodig (maar wel over grotere lengte). – Broekslootkade: De HOV-baan gaat in alternatief 5 ten koste van de groene zone en de bomen aan de noordzijde van de watergang. Bij variant 5T gaat dit ook ten koste van de groenstrook aan de zuidzijde van de watergang. In het profiel is geen ruimte voor nieuwe aanplant. De aantasting moet gecompenseerd worden. Voor beschermde soorten: – Mitigerende maatregelen. Deze hebben met name effect op de aanlegfase. Hier worden de negatieve effecten beperkt, maar niet helemaal weggenomen. Zo blijft sprake van het verdwijnen van verblijfplaatsen van gierzwaluw, huismus en vleermuizen en vliegroutes van vleermuizen en van verstoring tijdens werkzaamheden. Het effect blijft in de aanleg licht negatief (-): • Voer werkzaamheden (en dan met name verwijderen opgaande vegetatie, kap van bomen, sloop van gebouwen) uit buiten het broedseizoen. • Voer de sloop van gebouwen uit buiten het gevoelige seizoen voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. • Als het niet mogelijk is om buiten de gevoelige periodes te werken, maak percelen en gebouwen ongeschikt voor broedvogels (waaronder gierzwaluw en huismus) en vleermuizen. • Neem tijdelijk maatregelen om vliegroutes van vleermuizen in stand te houden. Dit is echter afhankelijk van de uitkomsten van onderzoek.

– Compenserende maatregelen. Deze hebben met name effect op de gebruiksfase. Bij herstel van verblijfplaatsen is geen wezenlijk verschil met de huidige situatie. Daarom is het effect in de gebruiksfase neutraal (0): • Bij de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw en huismus en/of verblijfplaatsen van vleermuizen moet gecompenseerd worden voor verlies. Dieren moeten voorafgaand aan de sloop voldoende tijd hebben om te wennen aan de nieuwe situatie en er moeten meer nieuwe voorzieningen worden getroffen dan in de huidige situatie verloren gaan. De precieze uitwerking is afhankelijk van de exacte functie en aantallen dieren. • Bij aantasting van vliegroutes van vleermuizen moeten permanente voorzieningen worden getroffen om deze te herstellen. Dit wordt in principe gedaan door het planten van bomen. Deze bomen moeten voldoende omvang hebben en op een niet te grote afstand van elkaar staan.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Tabel 3-12 Effecten Plan-MER – Natuur voor de aanlegfase na het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen. Aspect

Natuur

Criterium

Ref.

3

4

1B

1T

1 1L +1

1L -1

2B

2T

2 2L +1

3B

4T

5B

5 5T

2040 L Reg 0

Natura 2000

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

NNN

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Stedelijke groene hoofdstructuur

0

0

0

-

-

0

0

0

0

0

--

--

nb

Soorten

0

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Tabel 3-13 Effecten Plan-MER – Natuur voor de gebruiksfase na het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen. Aspect

Natuur

3.6

Criterium

Ref.

3

4

1B

1T

1 1L +1

1L -1

2B

2T

2 2L +1

3B

4T

5B

5 5T

2040 L Reg

Natura 2000

0

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

NNN

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Stedelijke groene hoofdstructuur

0

0

0

-

-

0

0

0

0

0

--

--

nb

Soorten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Leemten in kennis

Voor het aspect natuur zijn de volgende leemten geconstateerd: •

•

48

Ten aanzien van Natura 2000-gebieden: op het abstractieniveau van dit MER is niet te bepalen hoe de werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarmee is niet te bepalen tot welke stikstofdepositie de alternatieven in de aanlegfase leiden. Deze leemte in kennis is echter niet bepalend voor de alternatievenafweging: – Op dit abstractieniveau zijn de werkzaamheden voor alle alternatieven vergelijkbaar qua inzet van materieel. – Hoewel sprake is van een tijdelijke toename van stikstofdepositie, leidt de ontwikkeling van het openbaar vervoer in de gebruiksfase tot een afname van wegverkeer en daarmee tot een afname van de stikstofdepositie. Het tijdelijke negatieve effect is nodig voor het permanente positieve effect. Ten aanzien van beschermde soorten dient in de vervolgfase voor veldonderzoek uitgevoerd te worden in verband met mitigerende maatregelen en/of het aanvragen van een ontheffing, alvorens de aanlegwerkzaamheden worden uitgevoerd. Welke soort(groep)en nader onderzocht moeten worden kort voorafgaand of tijdens de realisatiefase moet in de voorbereidingsfase op de aanlegwerkzaamheden beschouwd worden. Voor de alternatievenafweging had de informatie tot een andere effectscore kunnen leiden, maar alleen als de alternatieven wezenlijk zouden verschillen in de sloop van bebouwing en het verwijderen van bomenrijen.

Gezien de overlap van te slopen gebouwen, het aanzienlijke aantal gebouwen en de verschillende potentiële vliegroutes die aangetast worden, is het de verwachting dat veel onderzoeksgegevens niet tot een goed onderscheid tussen alternatieven had geleid. Voor vervolgonderzoek moet de focus voor alle te slopen gebouwen liggen op onderzoek naar verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen. Daarnaast moet ook het gebruik van vliegroutes door vleermuizen en de relevante soorten worden onderzocht. Uit dit onderzoek moet de noodzaak en omvang van eventuele mitigatie en compensatie blijken.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

4

Bodem

4.1

Wettelijk- en beleidskader

In tabel 4-1 is het relevante beleid en vigerende wet- en regelgeving opgenomen voor het aspect bodem. Daarbij is aangegeven wat de relevantie is voor het project Verkenning Bereikbaarheid CID-Binckhorst. Tabel 4-1 Wettelijk- en beleidskader - Bodem Wet/regelgeving/beleidsstuk

Aspect

Toelichting De bescherming van de kwaliteit van de bodem is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). In het verleden is als gevolg van menselijk handelen plaatselijk bodemverontreiniging ontstaan. De wet maakt onderscheid tussen historische verontreinigingen die zijn ontstaan voor 1987 en alle verontreiniging die hierna zijn ontstaan, waarop een zorgplicht van toepassing is.

Wet bodembescherming (Wbb, 1 januari 1997)

Bodem

Op basis van de aard en omvang van een historische bodemverontreiniging kunnen de risico’s worden bepaald. Bij ontoelaatbare risico’s moet de verontreiniging met spoed gesaneerd worden. Dit betekent geschikt maken voor het gebruik (wegnemen risico’s) en gericht op bronaanpak. In de Wbb is een zorgplicht opgenomen. Op basis van deze zorgplicht moet worden gezorgd dat: 1. 2.

De bodem niet (verder) wordt verontreinigd. Als er toch een verontreiniging optreedt dienen maatregelen te worden genomen om de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Bodem

In de circulaire staan een aantal nadere uitwerkingen van bepalingen in de Wet Bodembescherming. Dit betreft met name de op humane-, ecologische- en verspreidingsrisico’s gebaseerde systematiek waarmee kan worden bepaald of de verontreiniging van de bodem spoedig moet worden gesaneerd.

Gezamenlijk bodemsaneringsbeleid Bodem provincie Zuid-Holland

In de nota Gezamenlijk bodemsaneringsbeleid provincie Zuid-Holland hebben de besturen van de provincie Zuid-Holland en de gemeenten Den Haag, Dordrecht, Leiden, Rotterdam en Schiedam het gezamenlijke saneringsbeleid vormgegeven. Op basis van de landelijke wetgeving zijn de beleidsregels voor het uitvoeren van bodemonderzoek en saneringen nader beschreven.

Circulaire bodemsanering 2013

Besluit bodemkwaliteit (Bbk) (22 november 2007)

Bodem

In het kader van duurzaam bodembeheer zijn er regels gesteld aan het hergebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Deze spelregels zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit naast de regels rondom kwaliteitsborging van de uitvoer. Het Besluit stelt eisen aan de milieuhygiënische kwaliteit van toe te passen materialen. Naast generiek beleid biedt het Besluit gemeenten de mogelijkheid tot het opstellen van gebiedspecifiek beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie in haar gemeente (ruimte voor maatwerk). In het kader van het Besluit bodemkwaliteit zijn door de gemeente Den Haag, de gemeente Rijswijk en de gemeente Leidschendam-Voorburg een Nota bodembeheer opgesteld waarin gebiedspecifiek beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie is uitgewerkt voor hun grondgebied. Deze nota’s bieden de spelregels voor de hergebruiksmogelijkheden van grond en baggerspecie die bij werkzaamheden vrij komt. Randvoorwaarden voor het gemeentelijk grondstromenbeleid (nuttig hergebruik van grond) zijn: praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant. Een belangrijk instrument dat in dit beleid gebruikt wordt is de bodemkwaliteitskaart. Deze beschrijft de gebiedseigen bodemkwaliteit op het schaalniveau van zones.

Nota bodembeheer - gemeente Den Haag 2013-2023 Bodem - gemeente Rijswijk - gemeente Leidschendam-Voorburg

Op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag valt de Binckhorst binnen de zone 'vroeg gebouwd gebied rondom het centrum'. De regels voor deze zone zijn als volgt: vrijkomende grond kan binnen de eigen zone worden hergebruikt. Voorafgaand aan hergebruik buiten de eigen zone dient de grond te worden gekeurd en dient te worden beoordeeld of aan de toepassingseis wordt voldaan. Een deel van het plangebied valt op de aangepaste bodemkwaliteitskaart in de Zone PFAS Den Haag. Op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rijswijk valt het zuidwestelijke deel van het plangebied in homogeen deelgebied 2: Dorp Noord & Zuid. De bovengrond voldoet aan de kwaliteitsklasse Industrie. De ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen. Aanvullend op de Nota Bodembeheer is een bodemkwaliteitskaart PFAS gemeente Rijswijk opgesteld. Volgens deze kaart voldoen de gehaltes PFOS en PFOA in de bovengrond aan de normen voor bodemkwaliteitsklasse wonen/industrie. In de ondergrond voldoen de normen aan de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. Op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Leidschendam-Voorburg valt het zuidoostelijke deel van het plangebied in zone 1. De verwachte kwaliteit van de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en ondergrond (0,5-2,0 m-mv) ter plaatse van het projectgebied CID Binckhorst is Klasse Industrie.

49

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

4.2

Beoordelingskader

In tabel 4-2 is het criterium opgenomen waarmee bodem wordt beoordeeld. Na de tabel volgt een korte toelichting op de gehanteerde methode. Tabel 4-2 Beoordelingskader Plan-MER - Bodem Aspect

Criterium (indicator)

Methodiek

Bodem

Bodemverontreiniging

GIS-analyse en expert judgement

Bodem Er is een milieuhygiënisch vooronderzoek (quickscan) gebaseerd op de NEN 5725 uitgevoerd voor het onderzoek bodem waarbij het (schets)ontwerp van de alternatieven en varianten zijn beoordeeld. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Ten behoeve van de bureaustudie voor bodem zijn het bodemloket en de nota’s bodembeheer van Den Haag, Rijswijk en Leidschendam-Voorburg geraadpleegd en zijn waar nodig bodemgegevens opgevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Daarnaast is er specifieke aandacht voor PFAS verdachte locaties. De focus van de effectbeoordeling ligt op aandachtspunten en risico’s. Op grond van bestaande gegevens over de ligging van bodemverontreinigingen wordt met expert judgement beoordeeld welke invloed de varianten hebben op bodemverontreinigingen. Uitgangspunt is dat wanneer het tracéontwerp en de mogelijke varianten daarin bodemlocaties ‘raken’ met een ernstige bodemverontreiniging, directe sanering zal plaatsvinden van de verontreiniging. Het saneren van gevallen van ernstige bodemverontreinigingen heeft een positief effect op de bodemkwaliteit. Tabel 4-3 Beoordelingsschaal aspect bodem Score

Milieueffecten

Toelichting

++

Zeer positief effect

Meer dan vijf gevallen van ernstige bodemverontreiniging.

+

Positief effect

Eén tot vijf gevallen van ernstige bodemverontreiniging

0

Vrijwel geen effect (neutraal)

Geen geval van ernstige bodemverontreiniging en minder dan vijf potentieel ernstige gevallen van bodemverontreiniging.

-

Negatief effect

n.v.t.

--

Zeer negatief effect

n.v.t.

4.3

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

De huidige situatie met betrekking tot bodemverontreiniging is in beeld gebracht op basis van geodata van de Omgevingsdienst Haaglanden en diverse bodemdossiers, zie voor meer informatie bijlage 4. Dit geeft inzicht in het bodemlocaties dat binnen het plangebied wordt doorsneden door de HOV-verbinding. Voor een deel van de bodemlocaties geldt dat in een eerder stadium al bodemonderzoek is uitgevoerd en geen nader onderzoek nodig is, of dat de grond reeds gesaneerd is. Op een aantal locaties kan grondverzet (al dan niet bepaald door de diepte van ontgraving) leiden tot de noodzaak voor het opstellen van een saneringsplan of BUS melding omdat sprake is van een mogelijk geval van (ernstige) bodemverontreiniging of dat nader bodemonderzoek nodig voorafgaand aan de realisatie. Uit het onderzoek blijkt het volgende: • • •

50

Er zijn twee bodemlocaties waar nog niet gesaneerd is (AA051815638 Inrit Binckhorstlaan 263 – 271 en AA191600244 park Prinses Mariannelaan Voorburg). Op vier bodemlocaties is gesaneerd door middel van een leeflaag 1 m dik (AA051802694 Lekstraat 164, AA051810748 Binckhorstlaan 192 – 310 (en Vestaweg) inclusief Rotterdamsebaan, AA051803231 Binckhorstlaan 354 en AA051803882 Binckhorstlaan 362). Op zeven bodemlocaties is het onduidelijk of er gesaneerd is (AA051800227 Terrein naast autosloop, AA051805391 Binckhorstlaan Noord, AA051815689 Binckhorstlaan 340 – 350, AA051801816 Maanweg 2-8 Garage Beers, AA051800945 Maanweg 80 Intervam, AA051800957 Zonweg 41-53en AA191600238 Prinses Mariannelaan 282/322 Voorburg.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 4-1 Overzicht bodemlocaties in plangebied

4.4

Effecten

Tabel 4-4 geeft een overzicht van de effecten met betrekking tot het criterium bodem van de (lokale) alternatieven en varianten. De situatie waarin sprake is van verdere doorkoppeling met de regio (‘doorkijkscenario’ LReg) is beoordeeld op basis van expert judgement. Na de tabel volgt een toelichting op deze effecten. Tabel 4-4 Effecten Plan-MER – Bodem Aspect

Criterium

Ref.

1 1B

Bodem

Aantal gevallen met ernstige bodemverontreiniging Bodemverontreiniging

0

1T

2 1L +1

1L -1

2B

2T

2L +1

3

4

3B

4T

5 5B

2040 5T

L Reg

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

4-10

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+/++

Alternatief 1 Omdat de lightrailvariant 1L na de sporendriehoek bovengronds (+) wordt aangelegd, is alleen voor de pylonen grondverzet vereist. Bij deze variant is daardoor in principe minder impact van de nog aanwezige bodemverontreiniging op de Binckhorstlaan, Maanweg en Prinses Mariannelaan ten opzichte van de varianten 1B en 1T die volledig op maaiveld liggen. Daar staat echter wel tegenover dat indien voor de pylonen grondwerk dieper dan 1 m -mv nodig is, hierbij op sommige locaties door de leeflaag aanpak van de uitgevoerde sanering alsnog in de verontreiniging die dieper dan 1 m -mv is achtergebleven gegraven moet worden. 51

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Alternatief 2 Ook bij alternatief 2 is minder grondverzet voorzien bij de lightrailvariant 2L ten opzichte van de HOV-bus- en HOVtramvariant en dus minder impact op de aanwezige bodemverontreiniging op de Binckhorstlaan en Zonweg. Bij de varianten 2B en 2T gaat daarnaast grootschalig grondverzet plaatsvinden ter plaatse van de kruising met de Maanweg ten behoeve van een verdiepte tunnelbak. Hierbij zijn geen ingrepen voorzien in sterk verontreinigde bodem, maar komt naar verwachting wel licht verontreinigde grond vrij. Variant 2L gaat hoog over de Maanweg heen. Grondverzet voor deze variant is daardoor beperkt. Alternatief 3 Voor alternatief 3 is een busvariant uitgewerkt via de Zonweg, Melkwegstraat en een deel van de Maanweg. Dit alternatief heeft impact op de aanwezige bodemverontreiniging in de Melkwegstraat. Op het noordelijke deel van de Melkwegstraat is door de hier aanwezige chemische industrie de bodem verdacht op verhoogde gehaltes aan PFAS, die beperkend kunnen zijn bij grondverzet. Alternatief 4 Voor alternatief 4 gaat de HOV-tramvariant via de Prinses Mariannelaan, Laan van Middenburg en Westeinde naar station Voorburg. In Voorburg wordt daarbij gebruik gemaakt van bestaand spoor dat deels wordt verschoven en vervangen. De impact op de aanwezige bodemverontreiniging is hierdoor beperkt.

Alternatief 5 Bij alternatief 5 zijn een HOV-bus en HOV-tramvariant uitgewerkt. Dit alternatief is vergelijkbaar met alternatief 1 voor de verbinding met station Voorburg, maar omvat een tracé naar de Haagweg in Rijswijk via de Broekslootkade in plaats van een tracé via de Geestbrugweg zoals voorzien in de overige alternatieven. Ten opzichte van de andere alternatieven heeft alternatief 5 geen impact op de aanwezige bodemverontreiniging op de Prinses Mariannelaan. Aandachtspunt is een verhoogd gehalte aan perfluoroctaanzuur (PFOS) (tussen 2 en 3 ug/kg ds) in de bovengrond nabij de kruising Haagweg en de Broekslootkade. Het verhoogde gehalte aan PFOS kan beperkend zijn bij grondverzet. Doorkijk regionale doorkoppeling 2040 (LReg) Voor de situatie waarin sprake is van een doortrekking van de HOV verbinding zal in beeld gebracht moeten worden waar dat tracé komt te liggen en zal bij realisatie de aanwezige verontreiniging moet worden gesaneerd. Op basis van de geraadpleegde gegevens wordt verwacht dat hierbij in de richting van Zoetermeer nog 1 tot 3 gevallen van ernstige van bodemverontreiniging doorkruist dienen te worden. Ook in de richting van Delft wordt verwacht dat 1 tot 3 gevallen van ernstige bodemverontreinigingen dienen te worden doorkruist.

4.5

Mitigerende en compenserende maatregelen

Er zijn geen zinvolle maatregelen met betrekking tot het aspect bodem denkbaar.

4.6

Leemten in kennis

Op dit moment is er beleid dat hergebruik van grond met lage niveaus van verontreiniging met PFAS zonder belemmeringen mogelijk maakt. Voor grond met hogere concentraties PFAS moet rekening worden gehouden met het optreden van belemmeringen ten aanzien van hergebruik en/of afvoer van de betreffende grond. Op veel locaties is de bodem niet onderzocht op PFAS en het beleid rond PFAS is nog steeds in ontwikkeling. Door het RIVM zijn de achtergrondwaarden en risicogrenzen bepaald (memo RIVM van 29 april 2021) en op 13 december 2021 is een geactualiseerde versie van het handelingskader PFAS gepubliceerd. De Gemeentes Rijswijk en Den Haag hebben inmiddels wel hun nota bodembeheer aangevuld voor de stofgroep PFAS. Voor de Gemeente Voorburg is (nog) geen lokaal beleid bekend ten aanzien van PFAS. Voor het aspect bodem zijn de volgende leemten geconstateerd: • •

52

Afwezigheid van concrete informatie over eventuele verontreiniging van de bodem met PFAS. Op enkele locaties is het niet duidelijk of de bij onderzoek vastgestelde verontreiniging reeds gesaneerd.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

5

Water

5.1

Wettelijk- en beleidskader

In tabel 5-1 is met betrekking tot het aspect water het relevante beleid en vigerende wet- en regelgeving opgenomen. Tabel 5-1 Wettelijk- en beleidskader - Water Wet/regelgeving /beleidsstuk Aspect

Kaderrichtlijn Water (KRW)

Waterkwaliteit

Toelichting De kaderrichtlijn Water is een Europese richtlijn die tot doel heeft de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te waarborgen en te verbeteren. De KRW gaat zowel over de ecologische (biologische en fysisch-chemische parameters) als chemische waterkwaliteit (toxische stoffen). Hiertoe heeft het Hoogheemraadschap van Delfland oppervlaktewaterlichamen geclassificeerd. Aan de classificatie hangt een maatregelenpakket om de kwaliteit te verbeteren. De ecologische toestand en normen voor biologische en chemische parameters zijn opgenomen in de meest recente KRW-factsheets van het Hoogheemraadschap van Delfland. Boezemwatergangen in het plangebied maken onderdeel uit van het KRW-waterlichaam ‘Oostboezem’. De boezem komt door de aanwijzing als KRW-waterlichaam in aanmerking voor inrichtingsmaatregelen om ecologische verbetering te realiseren. Het voornemen mag niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van KRWwateren.

Waterwet

Nationaal Bestuursakkoord Water

Water

Water

De Waterwet regelt het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Waterwet kent bevoegdheden toe aan de waterbeheerders om waterstaatswerken aan te leggen en te kunnen beheren, en geeft regels voor handelingen in het watersysteem. Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. Doel van het Bestuursakkoord Water is te zorgen voor: • veiligheid tegen overstromingen; • een goede kwaliteit water; • voldoende zoet water.

Wet Milieubeheer

Water

De Waterwet ziet toe op het watersysteem terwijl de Wet milieubeheer (Wm) toeziet op de waterketen Verder geeft de Wm de basis voor het gemeentelijk rioleringsplan, de lozingsregels en de omgang met stedelijk afvalwater. De zorgplichten ten aanzien van hemelen grondwater zijn in deze wet vastgelegd. De uitvoeringsregels die aan de wet zijn gekoppeld, zoals het Activiteitenbesluit, het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het Besluit lozen buiten inrichtingen zijn relevant voor de kaders rondom lozingen.

Wet op de ruimtelijke ordening

Water

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is een belangrijke wet in de ruimtelijke besluitvorming van Nederland. De Wro is het instrument om ruimtelijke behoeften als wonen, werken, recreëren, mobiliteit, water en natuur in een samenhangende benadering te verdelen.

Besluit lozen buiten inrichtingen Water (2018 tot heden)

Het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) bevat lozingseisen voor de omgang met afstromend wegwater voor nieuwe wegen of nieuw verhard oppervlak.

Handboek openbare ruimte (Gemeente Den Haag, 2019)

Water

Geeft richtlijnen en beleid voor onder andere water en groen, restzettingseis.

Water Waterkering Waterveiligheid

De Keur is een verordening van het waterschap met bepalingen die nodig zijn voor Delfland om zorg te dragen voor het watersysteem. De keur heeft een beschermend karakter en bevat gebods- en verbodsbepalingen om het watersysteem te beheren. De bepalingen hebben betrekking op het onderhoud, de aanleg en gebruik van oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. De leggers bepalen waar de keurbepalingen en algemene regels gelden.

Keur Delfland

Leggers

Water Waterkering Waterveiligheid

Water Algemene regels behorende bij Waterkering de Keur Delfland Waterveiligheid

53

In de legger worden de waterstaatswerken en de daaraan grenzende zones zoals de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte aangegeven. Daarbij wordt in de legger de ligging, vorm, afmeting en constructie van de waterstaatswerken aangegeven en is aangewezen wie onderhoudsplichtige van een waterstaatswerk is. In de Binckhorst is de legger Regionale keringen, polderkaden en wateren (regionale waterkeringen en bijbehorende zones en ook oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, bepaalde ondersteunende kunstwerken en bijbehorende zones) van belang. In de keur is de grondslag opgenomen voor Delfland tot het stellen van algemene en nadere regels voor daarbij aangewezen onderwerpen. Delfland heeft in dit kader de Algemene regels vastgesteld. Hierin zijn vrijstellingen van de watervergunningplicht geregeld voor het verrichten van handelingen in en om waterstaatswerken en het onttrekken van grondwater.

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Wet/regelgeving /beleidsstuk Aspect

Handreiking watertoets voor gemeenten (Hoogheemraadschap van Delfland)

Waterbeheerplan 2016-2021, (Hoogheemraadschap van Delfland)

Toelichting https://www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen/watertoets In de Handreiking Watertoets licht Delfland de procedures en de toetsingscriteria bij ruimtelijke ontwikkelingen toe. De watertoets omvat een beschrijving van het effect van het ruimtelijke initiatief op de waterhuishouding en van de wijze waarop eventuele negatieve effecten worden gecompenseerd.

Watertoets

Water Klimaatadaptatie

Bij de voorgenomen ontwikkeling is een aantal aspecten van belang: • de waterstructuur moet (wanneer nodig) zó aangepast worden dat deze minimaal even goed blijft functioneren; • waar water gedempt wordt, moet dit volledig gecompenseerd worden alvorens de demping plaats vindt; • een toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd. In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. In dit document zijn alle beleidsregels opgenomen met de uitleg van de regels die zijn opgenomen in het omgevingsplan Binckhorst (2018, vastgesteld 2019).

Beleidsregels Omgevingsplan Binckhorst, behorende bij het omgevingsplan Binckhorst (Gemeente Den Haag, 2019)

14. Beleidsregel Waterveiligheid • Initiatieven binnen het waterstaatswerk (kernzone) zijn niet toegestaan, tenzij aangetoond kan worden dat het functioneren en het beheer en onderhoud van de kering niet in gevaar worden gebracht (‘’nee-tenzij principe’’) en een watervergunning is verleend of kan worden. Waterveiligheid • Initiatieven binnen de beschermingszone zijn toegestaan, mits het functioneren en het Waterhuishouding beheer en onderhoud van het waterstaatswerk niet (zijdelings) worden aangetast (“ja, mitsprincipe”) en een watervergunning is verleend of kan worden. 15. Beleidsregel Waterhuishouding • Uitgangspunt is dat de ontwikkeling zodanig wordt aangelegd dat de waterhuishouding van nieuwe ontwikkelingen minimaal even goed blijft functioneren. Onder waterhuishouding wordt verstaan de waterstructuur, de kans op wateroverlast, de situatie van het grondwater en de waterkwaliteit.

Water- en rioleringsplan (WRP) Leidschendam-Voorburg 2016-2021 (Hoogheemraadschap van Water Delfland, Hoogheemraadschap van Rijnland, Gemeente Leidschendam-Voorburg, 2015)

5.2

De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft wettelijke taken op het gebied van afvalwater, regenwater en grondwater. Het WRP bestaat uit een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) en een Stedelijk WaterPlan (SWP). Het plan geeft aan hoe het beheer van de riolering, het watersysteem en andere watervoorzieningen de komende jaren wordt vormgegeven. Kerndoel van het waterplan is de ontwikkeling van een duurzaam en robuust watersysteem dat wateroverlast en verdroging kan voorkomen.

Beoordelingskader

In tabel 5-2 zijn de criteria opgenomen waarmee het criterium water wordt beoordeeld. Na de tabel volgt een korte toelichting op de gehanteerde methode. Tabel 5-2 Beoordelingskader Plan-MER - Water Aspect Water

Criterium (indicator)

Methodiek

Waterkeringen en waterveiligheid

GIS-analyse en expert judgement

Oppervlaktewater

GIS-analyse en expert judgement

Grondwater

GIS-analyse en expert judgement

De vijf alternatieven met bijbehorende varianten zijn voor het aspect water beoordeeld op basis van expert judgement (deskundigen op het gebied van de criteria). De tracés zijn hierbij beoordeeld aan de hand van kaarten en profielen en informatie over het watersysteem en de ondergrond. De beoordeling is uitgevoerd voor de relevante criteria: • • •

Waterkeringen en waterveiligheid: kruising van kades en beïnvloeding van stabiliteit van keringen door ondergrondse bouwwerkzaamheden. Oppervlaktewater: gevolgen voor het bergend vermogen van het watersysteem en voor de waterkwaliteit. Grondwater: verstoring van grondwaterstromingen en inschatting van effecten op grondwaterstanden en stroming van grondwater.

De beoordeling is uitgevoerd met beschikbare leggerkaarten van het waterschap en de grondwaterkennis die aanwezig is over het grondwater in de omgeving Den Haag.

54

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Waterkeringen De effecten op waterkeringen zijn op basis van expert judgement bepaald. Hierbij is gekeken naar hoe vaak en op welke wijze de HOV-lijn een waterkering kruist of binnen de beschermingszone van een kering komt. Daarnaast is beoordeeld of keringen versneld kunnen zakken vanwege de tijdelijke verlaging van grondwater bij aanleg van de HOVlijn. Tabel 5-3 Beoordelingsschaal aspect water - criterium waterkeringen Score

Milieueffecten

Toelichting

++

Zeer positief effect

Waterkeringen worden stabieler, de waterveiligheid verbetert of waterkeringen zijn eenvoudiger in stand te houden door de aanleg van de HOV-lijn op meer dan 25% van het tracé. Op geen enkele plaats raakt de leiding waterkeringen of de beschermingszones.

+

Positief effect

Waterkeringen worden op enkele plaatsen stabieler, de waterveiligheid verbetert of waterkeringen zijn eenvoudiger in stand te houden door de aanleg van de HOV-lijn.

0

Vrijwel geen Er worden geen keringen gekruist, het tracé ligt niet binnen de beschermingszone van waterkeringen. Op geen enkele effect (neutraal) plaats raakt het tracé de waterkeringen of de beschermingszones.

-

Negatief effect

Op één locatie wordt een kering gekruist, de fundering van benodigde kunstwerken komen in de beschermingszone van keringen.

--

Zeer negatief effect

Op meerdere locaties over het hele tracé worden keringen gekruist. Voor de fundering van kunstwerken en van het tracé wordt de kernzone van de kering aangetast. Toekomstig onderhoud en ophoging van de kering wordt moeilijker en kostbaarder.

Oppervlaktewater De verandering van de waterkwaliteit is beoordeeld aan de hand van beschikbare informatie en expert judgement. Tijdens de aanleg van de HOV-lijn kan waterlozing door benodigde bemalingen een significant effect hebben op de waterkwaliteit. De wijze waarmee het effect op oppervlaktewaterkwantiteit is beoordeeld is opgenomen in tabel 5-4. Tabel 5-4 Beoordelingsschaal aspect water - criterium oppervlaktewater Score

Milieueffecten

Toelichting

++

Zeer positief effect

De aanleg draagt significant bij aan de doelen voor het waterregime op boven-lokaalniveau. De waterkwaliteit verbetert in het plangebied.

+

Positief effect

Het oppervlaktewaterregime wordt in beperkte mate robuuster. De waterkwaliteit verbetert in beperkte mate.

0

Het oppervlaktewatersysteem wordt niet significant beïnvloedt tijdens de aanlegfase of bij de realisatie. Bestaande Vrijwel geen watergangen worden niet of heel beperkt tijdelijk gedempt. De hoeveelheid te lozen water beperkt zich tot onder het effect (neutraal) toegestane lozingsdebiet volgens de keur. De waterkwaliteit van het oppervlaktewater wijzigt niet significant.

-

Negatief effect

Het oppervlaktewater ondervindt een beperkt nadelig effect; de waterhuishouding wordt tijdelijk beïnvloed door peilstijging door waterlozing en de afstroming naar het gemaal wordt beperkt door gedempte watergangen. De kans op perioden met verslechtering van de waterkwaliteit neemt toe. Met aanvullende maatregelen is het mogelijk om de verslechtering tegen te gaan.

--

Zeer negatief effect

Het oppervlaktewaterregime verslechtert aantoonbaar; de kans op watertekort, waterschade of wateroverlast voor relevante gebruiksfuncties neemt toe. De waterkwaliteit verslechtert aantoonbaar, waardoor het behalen van de KRWdoelen extra moeilijk wordt, of kans op een slechte waterkwaliteit neemt toe, waardoor aantoonbare negatieve effecten optreden. Maatregelen om de verslechtering tegen te gaan zijn complex, beperkt-effectief of niet mogelijk.

Grondwater Beïnvloeding van grondwater is geschat op basis van kaarten van drooglegging en waterhuishouding over het tracé en op basis van de kennis van het grondwatersysteem bij de deskundigen. Er is onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de eindsituatie. De beoordeling is kwalitatief op basis van expert-judgement. Tabel 5-5 Beoordelingsschaal aspect water - criterium grondwater Score

Milieueffecten

Toelichting

++

Zeer positief effect

De aanleg van de leiding leidt tot een structurele verbetering van het grondwater: gebiedseigen neerslag kan voor langere tijd in de ondergrond opgeslagen worden. Het grondwatersysteem wordt zoeter.

+

Positief effect

De aanleg draagt bij aan een meer duurzaam grondwaterbeheer. Grondwater van goede kwaliteit is langer beschikbaar. Zout- en brak grondwater in het gebied wordt op termijn vervangen door zoet water.

0

Vrijwel geen Het grondwaterpeil en de grondwaterkwaliteit worden tijdens de aanleg of na de realisatie niet beïnvloed. De kwaliteit effect (neutraal) van het afstromende drainage- en kwelwater blijft gelijk aan de huidige kwaliteit.

-

Negatief effect

Het grondwatersysteem (kwel, grondwaterstanden) wordt gewijzigd gedurende de aanlegfase, in een beperkt deel van het plangebied. Door bronbemaling wordt extra zoute kwel aangetrokken. Met maatregelen zoals plaatselijke retourbemaling zijn negatieve effecten goed beheersbaar binnen het plangebied en/of gedurende de meeste dagen van het jaar.

--

Zeer negatief effect

Grondwaterstanden en kwel worden significant (negatief) beïnvloed. De effecten hiervan zijn nadelig voor naastgelegen functies, voor de waterkwaliteit in de polder of voor de conservering van grondwater als bron. Maatregelen om verslechtering tegen te gaan zijn beperkt effectief.

55

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

5.3

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

Waterkeringen De waterveiligheid wordt gewaarborgd door de primaire en secundaire (regionale) waterkeringen. Waterkeringen beschermen de polders tegen overstromingen bij hoogwater op de boezem of op het buitenwater. Het Hoogheemraadschap van Delfland ziet erop toe dat de keringen in goede staat gehouden worden en dat werkzaamheden op of nabij de kering geen bedreiging opleveringen voor de waterveiligheid. Binnen het plangebied van de verschillende alternatieven is rondom de Maanweg (richting station Voorburg) en langs de Trekvliet (richting Rijswijk/Delft) een beschermingszone én waterstaatwerk aanwezig. Daarnaast is ook ter plaatse van De Vliet een beschermingszone én waterstaatwerk aanwezig, dit is relevant bij een mogelijke doortrekking van het HOV-tracé richting Zoetermeer. Volgens de beleidsregel Waterveiligheid (Beleidsregels Omgevingsplan Binckhorst, 2019) zijn initiatieven binnen het waterstaatswerk (kernzone) niet toegestaan, tenzij aangetoond kan worden dat het functioneren van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht (“nee tenzij”). Initiatieven binnen de beschermingszone zijn toegestaan, mits het functioneren van de waterkering niet wordt aangetast (“ja mits”). De uitgebreide beschrijving is terug te vinden in de beleidsregel.

Figuur 5-1 Waterkeringen met beschermingszones in het plangebied (in rood indicatief de mogelijke HOV-tracés)

Oppervlaktewater Kwantiteit Het watersysteem van het Hoogheemraadschap van Delfland bestaat uit een polder- en boezemsysteem met beheerste waterpeilen, waarbij er afwisseling is tussen stedelijk en landelijk gebied. De afwatering en de aan- en afvoer van water in de polders wordt door poldergemalen bepaald die verbonden zijn met het boezemwatersysteem. Het tracé voor alle alternatieven gaat grotendeels door boezemland van Delfland. De wateren zijn van het type primair water en onderdeel van de hoofdafvoerroute. De boezem heeft een vast waterpeil van NAP -0,43 m. Een klein deel van de HOV-lijn ligt in de Veen- en Binckhorstpolder met een zomer- en winterpeil van respectievelijk NAP -1,34 m en NAP -1,40 m.

56

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 5-2 Relevante waterpeilen en peilvakken: de boezem van Delfland en de Veen- en Binkhorstpolder.

Figuur 5-3 Ligging Binckhorst (ligt binnen rode ovaal) ten opzichte van het boezemland en de Veen- en Bickhorstpolder.

De beleidsregel Waterhuishouding (Beleidsregels Omgevingsplan Binckhorst, 2019) meldt dat een ontwikkeling zodanig aangelegd moet worden dat de waterhuishouding door deze nieuwe ontwikkelingen minimaal even goed blijft functioneren als in de huidige situatie. Het overleg over de ruimtelijke inpassing van ontwikkelingen en de relatie met het watersysteem moet met het Hoogheemraadschap van Delfland worden gehouden.

57

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Als de ontwikkeling tot verslechtering leidt dan moet dit binnen het relevante peilgebied gecompenseerd worden. Compensatie is ook nodig bij toename van verharding, omdat zonder deze compensatie het watersysteem extra belast wordt bij extreme neerslag. Bij voorkeur wordt de compensatie uitgevoerd in de vorm van de aanleg van extra open water. Kwaliteit Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft een maatregelenpakket met inrichtingseisen opgesteld voor KRWwaterlichamen om aan de Europese waterkwaliteitsdoelen te voldoen eind 2027. Op dit moment is de waterkwaliteit op veel punten nog niet goed. De watergang langs de Maanweg is aangewezen als KRW-waterlichaam NL15-01 Oostboezem. Hiervoor geldt net zoals bij waterkwantiteit dat de ontwikkeling niet mag zorgen voor een verslechtering van de situatie.

Figuur 5-4 Het watersysteem rondom het plangebied (in rood indicatief de mogelijke HOV-tracés)

Bodemopbouw en grondwaterstanden De schematische doorsnede in figuur 5-5 vanaf de kust tot aan de diepere polders geeft weer dat er zoet water infiltreert nabij de duinen en dat er in de diepe polders kwel voorkomt. De scheiding tussen zoet en zout grondwater ligt in dit gebied relatief dicht bij maaiveld. De mate van kwel of infiltratie in een gebied wordt sterk beïnvloed door de weerstand van de deklaag (de arcering in figuur 5-5) en door onttrekkingen van grondwater.

58

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 5-5 Verdeling van de regionale grondwaterstroming in Zuid-Holland (Oude Essink, 2008).

Den Haag en nabije omgeving is grotendeels opgebouwd uit veen-, klei- en zandlagen. Veenlagen zijn vatbaar voor zettingen en slecht doorlatende klei- of veenlagen kunnen, indien doorsneden, leiden tot veranderende grondwaterstromingen. Dit zijn van nature slecht waterdoorlatende lagen. Figuur 5-6 toont de geologische eenheden uit het GeoTOP v1.3 model. Dit model geeft meer informatie over de holocene deklaag. Het lengteprofiel is getrokken van Den Haag Centraal tot Station Voorburg voor het tracé van alternatief 1 en 5. Te zien is dat er rondom Den Haag Centraal veel zand (geel) in de ondergrond aanwezig is. Rond de Binckhorstlaan is op ongeveer 2 m beneden maaiveld een klei- en veenlaag van 1 tot 2 meter dik aanwezig. Daaronder start op 8 tot 10 m beneden maaiveld een slecht doorlatende kleilaag (groen). Bij de Maanweg en Station Voorburg begint de slecht doorlatende kleilaag (groen) rond 6 m beneden maaiveld.

Figuur 5-6 Bodemopbouw op HOV-tracé via Maanweg.

De grondwaterstanden in het plangebied variëren van 0,8 tot 2,0 m beneden maaiveld voor de GHG en van 1,5 tot 2,5 m beneden maaiveld voor de GLG (LHM4 model van NHI, periode 2011-2018. Er zijn weinig peilbuizen binnen het plangebied beschikbaar.

59

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 5-7 Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) rondom het plangebied

Figuur 5-8 Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) rondom het plangebied

60

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Figuur 5-9 Aanwezige actieve peilbuizen (links, https://opendata.munisense.net/portal/wareco-water2/group/289/DenHaag) en niet actieve peilbuizen (rechts, Dinoloket) in en nabij Binckhorst

Autonome ontwikkeling De effecten van een nieuwe HOV-lijn op het watersysteem worden vergeleken met de referentiesituatie. Dit is de situatie in de toekomst als de HOV-lijn (en de overige mobiliteitsmaatregelen) niet wordt aangelegd. Dit wordt ook wel de ‘autonome ontwikkeling’ genoemd. Hieronder zijn autonome processen beschreven die van invloed kunnen zijn op de waterkwantiteit en/of op de waterkwaliteit in het projectgebied. • • •

Bodemdaling: dit wordt veroorzaakt door het inklinken van slappe veenlagen. Door de sterke ontwatering dalen deze gebieden sneller dan de omgeving. Door peilopzet wordt geprobeerd dit proces tegen te gaan. Zeespiegelstijging: dit zorgt voor een toenemende kweldruk in het gebied achter de kust. Hierdoor komt meer zout water via het grondwater in het watersysteem (verzilting) en neemt de vraag naar zoet water voor doorspoeling toe. Klimaatverandering: het KNMI verwacht dat de neerslag in 2030 zal toenemen: zowel de gemiddelde hoeveelheid als de neerslag die bij extreme omstandigheden van korte duur (1 tot 24 uur) voorkomen. Echter kan het ook resulteren in afname van grondwateraanvulling. In kwelgebieden kan dit ook leiden tot verzilting.

5.4

Effecten

Tabel 5-6 geeft een overzicht van de effecten van de alternatieven en varianten met betrekking tot het aspect water. De aanduiding +1 en -1 heeft betrekking op de hoogteligging van de lightrail ter hoogte van Opa’s veldje (verhoogd danwel verdiept). De situatie waarin sprake is van verdere doorkoppeling met de regio (‘doorkijkscenario’, LReg) is beoordeeld op basis van expert judgement. Tabel 5-6 Effecten Plan-MER - Water Aspect

Water

5.4.1

Criterium

Ref.

3

4

1B

1T

1 1L +1

1L -1

2B

2T

2 2L +1

3B

4T

5B

5 5T

2040 L Reg

Waterkeringen en waterveiligheid

0

-

-

-

--

--

--

-

-

0

--

--

--

Oppervlaktewater

0

-

-

-

--

--

--

-

-

0

-

-

-

Grondwater

0

0

0

0

--

--

--

0

0

0

-

-

-

Waterkering en waterveiligheid

Alternatieven in plangebied In figuur 5-10 zijn de in het plangebied aanwezige waterstaatswerken en beschermingszones aangeven waarbij ook de ligging van de HOV-tracés is aangegeven. In de beleidsregels is het niet toegestaan, tenzij wordt aangetoond dat de kering voldoende blijft functioneren. De uitvoering is bij het schetsontwerp nog niet genoeg duidelijk om dit aan te kunnen tonen. Hierdoor worden zij allen negatief (-) of zeer negatief (- -) beoordeeld op het criterium waterkeringen en waterveiligheid indien er sprake is van een doorsnijding.

61

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Alternatief 1 Alle varianten van alternatief 1 (1B, 1T en 1L) kruisen of raken het waterstaatswerk en beschermingszone in de bocht van de Maanweg naar station Voorburg, zie figuur 5-11 voor een detailweergave. De hoogteligging van het tracé is van invloed op waterkering en waterveiligheid. Een verdiepte ligging van het tracé betekent in de aanlegfase dat er deels afgegraven en zo nodig bemalen moet worden. Dit heeft invloed op de grondbalans en de grondwaterstandslijn en daarmee uiteindelijk de stabiliteit van de kering. Voor waterkeringen kan sprake zijn van een afname in kerende sterkte. De kering moet ten alle tijden voldoende sterkte en stabiliteit hebben waarvoor tijdens aanleg en gebruikersfase rekening mee moet worden gehouden in ontwerp. De uitvoering is bij het schetsontwerp nog niet genoeg duidelijk om dit aan te kunnen tonen en dient en de planuitwerkingsfase nader onderzocht te worden. Variant 1L-1 waarin de lightrail wordt uitgevoerd met een tunnel(bak) ter hoogte van de spoorzone en station Voorburg (1L-1) is als zeer negatief (- -) beoordeeld. De varianten 1B, 1T en 1L (+1) zijn beoordeeld als negatief (-). Alternatief 2 Alle varianten van alternatief 2 (2B, 2T en 2L) kruisen of raken het waterstaatswerk en beschermingszone bij de kruising met de Maanweg richting station Voorburg (zie figuur 5-11).

Bij de varianten 2B en 2T gaat het HOV-tracé verdiept onder de Maanweg en de kering door (ongelijkvloers in een tunnelbak). Dit heeft invloed op de stabiliteit van de kering. Als gevolg hiervan zijn varianten 2B en 2T als zeer negatief (- -) beoordeeld. Variant 2L loopt ook door dezelfde waterstaatswerk en beschermingszone, doch bovengronds (+1 niveau). Als gevolg hiervan is de invloed van deze variant op het waterstaatswerk kleiner dan de invloeden van varianten 2B en 2T. Om deze reden is variant 2L als negatief (-) beoordeeld voor waterkering en waterveiligheid. Alternatief 3 Variant 3B kruist (net als variant 1B) het waterstaatswerk en beschermingszone in de bocht van de Maanweg naar station Voorburg. Variant 3B is daarom op dezelfde wijze beoordeeld als variant 1B, als negatief (-). Alternatief 4 Variant 4T doorkruist geen waterstaatswerk en is daarom als neutraal (0) beoordeeld voor waterkering en waterveiligheid. Alternatief 5 Alternatief 5 (5B en 5T) doorkruist het waterstaatswerk bij de Maanweg, volgens dezelfde redenering als bij alternatief 1 is dit negatief (-) beoordeeld. Voor de route richting Rijswijk/Delft wordt de Trekvliet overgestoken met een nieuw (hef)brug om daarna over de Broekslootkade aan te sluiten op de Haagweg. Een voet van deze brug is voorzien op/door een waterstaatswerk, zie figuur 5-12 voor een detailweergave.

De fundering moet naar alles waarschijnlijkheid door het waterstaatswerk geconstrueerd worden. De varianten 5B en 5T zijn om die reden als zeer negatief (- -) beoordeeld.

62

Onze referentie: D10042535 - Datum: 14 juni 2022

PLAN-MER MIRT-VERKENNING BEREIKBAARHEID CID BINCKHORST DEELRAPPORT 3 – LEEFOMGEVING EN VERSTEDELIJKING

Alt 1 t/m 5

Figuur 5-10 Effect van planvoornemen op onderdeel waterkeringen. Alternatieven 1, 2, 3 en 5 kruisen een waterstaatswerk of beschermingszone (in zwarte cirkel).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=22449ab5-5878-495d-8f86-ecca295aa139