CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1454_bijlage 2-Transitievisie Warmte.pdf

Commissie Omgeving 29 juni 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsbrief instemmen met inspraakvoorstel voor de Ontwerp-bouwsteen Lokale Energie Strategie en Warmtetransitie Visie23.506 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bronnen voor individuele oplossingen Luchtwarmtepompen Luchtwarmtepompen halen warmte uit de buitenlucht om de woning te verwarmen, en gebruiken hiervoor elektriciteit. Het is een individuele oplossing, die per woning of per appartementencomplex toegepast kan worden. De standaard luchtwarmtepomp geeft warmte op lage temperatuur. Een woning moet dan – net als voor andere lage temperatuuroplossingen – goed geïsoleerd zijn en er is een passend warmte-afgiftesysteem nodig, zoals vloerverwarming of lage temperatuur-radiatoren. Er zijn ook midden- en hoge temperatuur

29

warmtepompen op de markt. Deze hebben wel een hoger elektriciteitsverbruik. Luchtwarmtepompen zijn op grote schaal inzetbaar in de gehele gemeente. Bodemenergie, warmte-koudeopslag (WKO) en bodemwarmtewisselaars Omdat de bodem een vrij constante temperatuur heeft, kan in de zomer koude en in de winter warmte gewonnen worden uit de bodem. Er bestaan individuele en collectieve vormen van bodemenergie, in zowel open als gesloten systemen. Een WKO is een typisch “open” bodemsysteem. Hierin wordt de warmte opgeslagen en onttrokken uit een grondwaterlaag. Een bodemwarmtewisselaar is een typisch “gesloten” bodemsysteem. Hierin wordt via buizen in de grond warm of koud water naar boven gehaald maar er is geen uitwisseling met het grondwater. Beide systemen benutten de bovenste laag van de bodem, tussen de 20 en 300 m diep. Op deze diepte kan warmte op lage temperatuur gewonnen worden (< 20 °C). Om de bodem in balans te houden, dient het overschot aan warmte dat in de winter aan de bodem onttrokken wordt in de zomer weer toegevoegd te worden. Dit heet “regeneratie” van de bron. WKO is daarom in te zetten in combinatie met andere technieken, zoals zonnewarmte, extra koeling van gebouwen, dry-coolers of thermische energie uit oppervlaktewater (TEO).

In Leidschendam-Voorburg zijn geen boring restricties aangewezen voor het boren naar bodemwarmte.8 Een eerste inschatting van de totale capaciteit van de bodem in Leidschendam-Voorburg is 16.000 en 6.000 TJ per jaar voor respectievelijk open en gesloten systemen. 9 Het is te verwachten dat de daadwerkelijke potentie lager ligt, omdat bodemenergie op sommige plaatsen lastig in te passen is of omdat de afstand tot de gebouwen te groot is.

Bronnen voor een warmtenet Warmte-koudeopslag (WKO) Bodemenergie in de vorm van een WKO kan ook gebruikt worden als bron voor een warmtenet. Het principe is hetzelfde als bij een individuele oplossing, alleen wordt de warmte vaak met een grotere warmtepomp opgewaardeerd naar een hogere temperatuur, en via een warmtenet getransporteerd naar de gebouwen. Dit is een vorm van seizoensopslag en dat betekent dat ook hier de beschikbare warmte en koude in de bodem goed in balans gehouden moeten worden. In Leidschendam-Voorburg is de rivierwaterleiding van Dunea een mooi voorbeeld van een warmtebron die voor deze “regeneratie” gebruikt kan worden. Warmte uit de Dunea rivierwaterleiding Dwars door Leidschendam-Voorburg loopt de Dunea rivierwaterleiding. Uit deze waterleiding kan in de zomer warmte gewonnen en opgeslagen worden en vervolgens in de winter gebruikt worden. Op het moment is er een bestaande aftakking (uitkoppeling) van deze rivierwaterleiding naar the Mall of the Netherlands die voornamelijk wordt ingezet voor koudelevering. Op deze uitkoppeling is er nog capaciteit beschikbaar. Er stroomt dermate veel water door de rivierwaterleiding dat het mogelijk is om op meerdere plekken in de gemeente uitkoppelingen te maken. Warmte uit oppervlaktewater Uit oppervlaktewater is warmte te winnen met een warmtewisselaar.

Deze warmte kan in de bodem worden opgeslagen en in de winter worden gebruikt. Met een (vaak lage temperatuur) warmtenet komt de warmte bij de gebruikers. Door Leidschendam-Voorburg stroomt de rivier ‘de Vliet’. De totale potentie van de Vliet wordt ingeschat op 150 TJ per jaar.10 WarmtelinQ

8 9

Bron: NP RES viewer Bron: Warmteatlas

10

Bron: Warmteatlas

30

De provincie Zuid-Holland, EZK, Gasunie en de Leidsche regio zijn plannen aan het maken om het project WarmtelinQ uit te breiden naar Leiden. WarmtelinQ is een leiding die de restwarmte van het Rotterdamse havengebied gaat transporteren naar diverse ZuidHollandse steden waaronder Den Haag en daarna door naar Leiden. Deze leiding zal dwars door Leidschendam-Voorburg langs de A4 komen te liggen. Ook het aansluiten op het warmtenet van Den Haag is als optie nuttig om in beeld te houden. Dit geeft mogelijkheden om WarmtelinQ als warmtebron mee te nemen in de alternatieven voor aardgas. Aardwarmte (ondiep en diep) Aardwarmte of geothermie is het winnen van de warmte van de aarde, vanaf 500 m tot 1 km (ondiep, tot 50 °C) en van 1 tot 7 km diep (diep/ultradiep, tot > 100 °C). In gemeente Leidschendam-Voorburg is de potentie ingeschat op 6.900 TJ per jaar voor ondiepe geothermie en 300 TJ per doublet voor diepe/ultradiepe geothermie.11 Een doublet is een boring van twee geothermie putten. Uit de ene put wordt (heet) water onttrokken, en in de ander wordt (afgekoeld) water geïnjecteerd. Nader onderzoek is nodig om te bepalen op welke plekken in gemeente Leidschendam-Voorburg aardwarmte het best gewonnen kan worden en wat de potentie op die plekken is. Zonnewarmte Warmte uit zonnecollectoren kan in zowel grootschalige als kleinschalige oplossingen ingezet worden.

Er bestaan gecombineerde panelen die zowel elektriciteit als warmte leveren, die worden PVT-panelen genoemd (photovoltaïsch-thermisch). Bij toepassing op daken worden de zonthermische panelen gecombineerd met een warmtepomp in de woning. Bij een veldopstelling wordt de warmte via een warmtenet verspreid. Het maximaal potentieel voor zonnewarmte is ongeveer 10 TJ per hectare in een veldopstelling en ongeveer 2 GJ per vierkante meter in een dak opstelling.12 De techniek is nog niet op grote schaal ingezet voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, maar gezien het grote potentieel interessant om te onderzoeken. CE Delft heeft een inschatting gemaakt van 84 TJ per jaar bij inzetting van zonneboilers op dak. Hierbij wordt 50% van de tapwatervraag voorzien en zal het concurreren met zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking. Bij inzetting van PVT-panelen op het maximaal benutbare dakoppervlak wordt de potentie ingeschat op 1.259 TJ per jaar.13

Duurzaam gas Biogas Biogas wordt geproduceerd door organisch materiaal te vergisten. Verschillende vormen van biomassa kunnen als grondstof dienen voor het produceren van biogas, waaronder vloeibare mest, GFT-afval en de bio restfractie van akkerbouw en grasland. De beschikbaarheid van deze reststromen op het grondgebied van Leidschendam-Voorburg is genoeg voor circa 125 TJ per jaar.14 Biogas kan geïmporteerd worden uit andere gebieden, maar binnen Nederland is de beschikbaarheid zeer beperkt (zie kader).

11 12

Bron: Warmteatlas Bron: Berenschot position paper: Kansen voor zonnewarmte in het hart van de energietransitie

13

Bron: CE Delft

14

Bron: Warmteatlas

31

Waterstof, groen gas en biomassa Over de inzet van waterstof, groen gas en biomassa is veel te doen. Het lijken eenvoudige oplossingen, waarbij weinig aanpassingen in de woning en aan de leidingen nodig zijn. Helaas kleven er nadelen en beperkingen aan het gebruik ervan. Zo is er veel elektriciteit nodig om waterstof te produceren. Deze elektriciteit wordt nu grotendeels uit fossiele energiebronnen zoals kolen en aardgas gemaakt. Groene waterstof is vooralsnog duur en schaars, en de verwachting is dat dit in ieder geval tot de volgende Transitievisie zo zal blijven. Ook groen gas en biomassa zijn niet ruim voorhanden. Waterstof, groen gas (en biomassa) zijn bij uitstek geschikt om hoge temperaturen te leveren. Het is dan ook het meest logisch om ze in te zetten waar ook echt een hogere temperatuur nodig is. Voor verschillende sectoren is dit essentieel, bijvoorbeeld proceswarmte voor de industrie en het verduurzamen van de vliegtuigsector. Ook kan waterstof een belangrijke rol spelen in het balanceren van het elektriciteitsnet, wanneer hier meer zon- en windenergie op aangesloten wordt. Woningen liggen minder voor de hand om met zulke schaarse hoge-temperatuurwarmte te verwarmen, omdat dit ook op andere manieren kan. Biomassa is niet opgenomen in de “Energieladder van Leidschendam-Voorburg” (onderdeel van de Lokale Energie Strategie).

Verbranding van biomassa leidt direct tot een emissie van vastgelegde CO2. Grootschalige inzet van biomassa leidt tot bomenkap, transportbewegingen en verslechtering van de luchtkwaliteit ook al worden de biomassaketels steeds beter. Leidschendam-Voorburg ziet biomassa daarom niet als een goede transitieoplossing voor onze gemeente en acht het belang voor een goede luchtkwaliteit groter. Incidenteel kan biomassa voor een individuele woning waar andere warmteopties lastig zijn, mogelijk wel een oplossing zijn.

32

5. Kansrijke warmtevoorziening per wijk in 2050 In hoofdstuk 4 zijn de warmtevraag en de warmtebronnen in kaart gebracht. In dit hoofdstuk brengen we alle informatie samen en maken we een start met het matchen van de warmtebronnen en de warmtevraag. Welke bronnen zijn het best in te zetten op welke plek? Dit hoofdstuk geeft een visie op de warmtevoorziening in 2050, een totaalbeeld van de gemeente. Dit eindbeeld ligt nog niet vast, maar geeft een overzicht waaruit blijkt dat de gepresenteerde keuzes voor de eerste wijken in een totaalbeeld voor Leidschendam-Voorburg passen. Zo zorgen we dat schaarse warmtebronnen daar ingezet worden, waar ze het beste passen. Voor de transitiewijken gaan we komende jaren diverse scenario’s in een transitiewijk traject grondiger uitwerken. Het totaalbeeld zal (net als de transitievisie) elke vijf jaar worden herzien, om zo te leren van opgedane ervaringen. Op die manier kunnen ook nieuwe inzichten worden verwerkt, bijvoorbeeld gedetailleerdere resultaten van onderzoek naar aardwarmte, ontwikkelingen rond waterstof en de landelijke verdeling van beschikbaar groen gas.

5.1 Woonwijken

Figuur 11. Toekomstige warmtevoorziening (mogelijk eindbeeld voor 2050). Welke warmtevoorziening het meest geschikt is, is te zien in figuur 11. Op de kaart zien we de volgende zones:

33

Collectief kansrijk In de oranje gebieden is een warmtenet een kansrijke optie. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn: er is bijvoorbeeld een hoge warmtedichtheid (zie Figuur 10) en/of er is een warmtebron in de buurt. In Leidschendam-Voorburg geldt dit voor De Heuvel, Amstelwijk, De Prinsenhof (hoogbouw), Bovenveen-Midden/Zuid en Voorburg-Midden-Zuid. Daarnaast zijn er soms delen van een wijk (bijvoorbeeld het midden van Essesteijn) kansrijk voor collectief. Het andere deel van de wijk is dan vaak gearceerd met individueel omdat hier nog veel onzekerheid over bestaat. Overigens betekent de aanwijzing “collectief kansrijk” in een wijk niet dat alle woningen daar verplicht op worden aangesloten. Voor eigenaren van een goed geïsoleerde woning kan het in sommige situaties alsnog aantrekkelijker zijn een warmtepomp te nemen (zie kader “Warmtenetten” op pagina 25 voor meer informatie). Daarom is voor de ontwikkeling van een warmtenet in deze gebieden het draagvlak onder de bewoners voorwaardelijk.

Individuele / klein-collectieve oplossingen Als woningen redelijk geïsoleerd zijn of in de toekomst kunnen worden (de groene en oranje gebieden in de warmteprofielen (Figuur ), zijn individuele oplossingen zoals een luchtwarmtepomp of een bodemwarmtepomp geschikt. Ook klein-collectieve oplossingen zijn hier een optie, zoals een gezamenlijke bodemwarmtepomp voor 3 tot 7 woningen (via een mini-warmtenet). Ook in gebieden met een lagere bebouwingsdichtheid, waar bijvoorbeeld veel vrijstaande huizen of twee-onder-één-kap woningen staan, is de keuze voor individuele oplossingen logisch. Een warmtenet is hier al snel te kostbaar om aan te leggen, omdat de huizen ver uit elkaar liggen.

Individueel of met warmtenet In deze blauw/oranje gearceerde gebieden is het onduidelijk wat de meest kansrijke warmteoplossing is: individueel of met een warmtenet. Deze onzekerheid heeft deels te maken met de warmtedichtheid in het gebied. De warmtevraag van de woningen gezamenlijk is niet zo hoog dat een warmtenet de meeste logische keuze lijkt, maar het is ook nog niet uitgesloten. Daarnaast is de ruimte in de ondergrond een factor van invloed in deze gebieden. Onderzoek, uitgevoerd door ingenieursbureau Wareco, laat zien dat in Leidschendam-Voorburg beperkte ruimte in de ondergrond is voor warmtenetten (zie bijlage F). Dit geldt in het bijzonder voor de blauw/oranje gearceerde gebieden. Dit ruimtegebrek zorgt voor hogere investeringskosten voor de aanleg van een warmtenet waardoor de haalbaarheid onzekerder wordt. Er moet in meer detail onderzoek gedaan worden naar de energiebesparingsmogelijkheden, de beschikbaarheid van nabije warmtebronnen en de investeringen in de benodigde systemen, leidingwerk en isolatiemaatregelen voor deze gebieden.

Individueel of hybride met duurzame brandstof In deze blauw/groen gearceerde gebieden is een individuele oplossing het meest logisch, maar hebben de woningen nog lang behoefte aan hoge temperatuur warmte. Hier staan bijvoorbeeld oudere woningen en monumenten, die ook in de toekomst waarschijnlijk een hogere temperatuur warmteafgifte nodig hebben (de rode gebieden in figuur 9). Dit zijn gebieden waar een hybride oplossing (een cv-ketel op duurzame brandstof (biogas of waterstof) mogelijk de beste optie is in 2050. De toekomstige beschikbaarheid van biogas of waterstof is echter onzeker. Beiden zijn schaars, en zullen dat naar verwachting blijven. Daarom zijn ook individuele oplossingen, zoals een warmtepomp hier een optie. Hiervoor moeten de meeste woningen wel eerst vergaand geïsoleerd worden. Een warmtenet is hier niet realistisch vanwege de beperkte ruimte in de ondergrond of de lage warmtedichtheid.

34

Warmtenet of duurzame brandstof In Voorburg-Noord, -West en -Oud is er een hoge warmtedichtheid, maar is het door de beperkte ruimte in de ondergrond nog onzeker of een warmtenet haalbaar is. In deze wijken staan voornamelijk vooroorlogse woningen die nog langere tijd hogere temperatuur nodig zullen hebben. Wanneer de ontwikkeling van een warmtenet niet haalbaar is of voldoende draagvlak heeft is zal de inzet van duurzame brandstof (biogas of waterstof) hierdoor het beste alternatief zijn.

5.2 Bedrijven en kantoren Bedrijven die gevestigd zijn in wijken met een mix van woningen, winkels en kantoren, gaan gelijk op met de rest van de wijk. Immers, als de aardgasleidingen verwijderd moeten worden, heeft dat consequenties voor alle gebouwen in de wijk. Tegelijkertijd hebben bedrijven en kantoren een ander investeringsritme, warmtevraag en koudevraag dan woningen. Daarom lichten we hieronder dit specifieke karakter verder toe.

Bedrijventerrein Industrie en maakbedrijven gebruiken aardgas niet alleen om gebouwen te verwarmen, maar soms ook in het bedrijfsproces. Tegelijkertijd hoeft niet elk gebouw verwarmd te worden, bijvoorbeeld opslagloodsen hebben meestal weinig verwarming nodig. Net als bij woningen zijn er een aantal belangrijke overwegingen: •

• •

Op bedrijventerreinen kan het interessant zijn om een warmtenet aan te leggen, bijvoorbeeld als er grotere bedrijfspanden zijn met een grote warmtevraag. Dat warmtenet kan, als de warmtebron groot genoeg is, doorgetrokken worden naar omliggende woningen. Andersom kan een warmtenet vanuit een woonwijk worden doorgetrokken naar een bedrijventerrein. Een andere mogelijkheid is dat ieder bedrijf individueel een alternatieve warmtevoorziening kiest, zoals een luchtwarmtepomp of een WKO in de bodem. Een lage-temperatuur warmtenet is aantrekkelijk voor locaties waar de warmtedichtheid redelijk hoog is en er op lage temperatuur warmte en koude uitgewisseld kan worden.

Behalve technische en financiële argumenten speelt ook mee in hoeverre bedrijven een gezamenlijke aanpak prefereren. Gezamenlijkheid ontzorgt ondernemers deels, en heeft soms financiële voordelen (denk aan gezamenlijke inkoop), maar het beperkt de vrijheden voor ondernemers om bijvoorbeeld zelf het moment van investering te bepalen. Bedrijven en bedrijfspanden kennen vaak een ander investeringsen onderhoudsritme dan bijvoorbeeld particuliere woningen. Het is niet ongebruikelijk dat sloop/nieuwbouw van een bedrijfspand (zonder gasaansluiting) financieel aantrekkelijker kan zijn dan renovatie en aardgasvrij maken van een bestaand gebouw. Dit is bij particuliere woningen zelden aan de orde.

Kantoren Kantoren hebben over het algemeen een grotere vraag naar koeling dan woningen. Bodemenergie is daarom erg geschikt: warmte die in de zomer aan de gebouwen wordt onttrokken, wordt in de winter weer gebruikt. Dit kan per gebouw, of voor een cluster gebouwen worden aangelegd. Ook luchtwarmtepompen en luchtkoelers behoren tot de mogelijkheden. Ook hier geldt dat er gekozen kan worden voor een aanpak waarbij elk bedrijf zelf aanpak en tempo kiest, of voor een gezamenlijke aanpak. Bij intensief gebruik van de ondergrond is het wel zaak om gezamenlijk op te trekken, en een ordening aan te brengen in de warmte- en koude-bronnen, om interferentie te voorkomen.

5.3 Toets aan de algemene uitgangspunten Laagste nationale kosten en laagste kosten voor bewoners en bedrijven Eén van de belangrijkste uitgangspunten (zie Hoofdstuk Error! Reference source not found.), is dat we zoeken naar de optie met de laagste nationale kosten en laagste kosten voor bewoners en bedrijven. Voor een eerste inschatting van de totale kosten van de diverse warmte-opties is de ‘Startanalyse’ van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gebruikt. Hierin wordt de oplossing berekend met de laagste

35

nationale kosten: de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn voor een warmteoplossing, ongeacht wie die kosten betaalt 15. Hieruit komt naar voren dat de warmtevisie in de regel goed overeenkomt met de goedkoopste optie uit de Startanalyse. De berekening in de Startanalyse gaat per Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)-buurt. Omdat binnen een CBS-buurt heel verschillende huizen kunnen staan, is in de analyse hierboven (hoofdstuk 4 en 5) ook naar kleinere clusters bebouwing gekeken. Soms verschillen de resultaten hierdoor. Een toelichting op de resultaten in de startanalyse is te vinden in bijlage G. Ook hebben we in de vergelijking de resultaten het rekenmodel van netbeheerder Stedin (het Openingsbod) meegenomen. De verschillen in investeringen en kostenverdeling tussen partijen is een belangrijk aandachtspunt in de stappen ná de transitievisie. In de transitiewijk trajecten zal samen met bewoners, vastgoedeigenaren en andere organisaties de betaalbaarheid van de verschillende warmteoplossingen uitgebreid besproken worden. In het algemeen valt te stellen dat bij individuele lage temperatuur opties de initiële investeringen in gebouw en installaties hoog zijn, maar de maandelijkse energielasten laag.

Bij warmtenetten is dit vaak omgedraaid: de investeringen om aan te sluiten en de installaties geschikt te maken zijn vaak lager, maar de maandelijkse lasten weer hoger, dan een voorziening met een warmtepomp. Per wijk kan de keuze voor een oplossing ook door deze dynamiek beïnvloed worden. Inzetten op besparing In alle warmteopties zetten we in op energiebesparing. De mogelijkheden om (renderende) isolatiemaatregelen te nemen zijn per woning echter wel verschillend (zie figuur 6). In de gebieden die in figuur 11 zijn aangeduid met “warmtenet of duurzame brandstof” en zijn de mogelijkheden tot besparing bijvoorbeeld minder dan in andere gebieden. We zien tegelijkertijd dat de beschikbare warmtebronnen merendeels lage temperatuur warmtebronnen zijn (zie paragraaf 4.2), wat inzetten op besparing komende 30 jaar extra belangrijk maakt. Voor de meeste woningen met een oranje warmteprofiel zouden deze temperatuur warmtebronnen op termijn voldoende comfort moeten bieden. Benutten natuurlijke vervangingsmomenten Het benutten van natuurlijke vervangingsmomenten is één van de argumenten om een bepaalde wijk als Transitiewijk aan te merken en te beginnen met vervolgonderzoek. In hoofdstuk 6 komt dit uitgangspunt nog een aantal keer terug. Ook is het een onderdeel van de uitvoeringsstrategie (hst 7) voor de timing van de transitiestappen.

Bij individuele oplossingen is de vervanging van een cv-ketel bijvoorbeeld een natuurlijk moment om over te stappen naar een (hybride) warmtepomp, bij collectieve oplossingen zijn onderhoudswerkzaamheden aan gebouwen of de openbare ruimte een logisch moment. In sommige situaties kan het voortkomen dat het niet voor iedereen een natuurlijk moment is om over te stappen. Inzetten op keuzevrijheid De WTV legt nog geen keuze voor een warmtevoorziening vast. We geven in de warmtevisie aan wat de verwachte voorkeursoplossingen zijn richting 2050. Dit betekent dat er keuzevrijheid is voor bewoners die nu al aan de slag willen met de verduurzaming van hun woning. Er kan spanning ontstaan tussen het uitgangspunt van keuzevrijheid en het streven naar de laagste nationale kosten en laagste kosten voor bewoners en bedrijven (zoals aangegeven in hst. 3). Dit speelt vooral in de gebieden waar een collectieve oplossing het meest kansrijk is. Daar is een hoog deelname percentage gunstig voor de betaalbaarheid van de oplossing. In de gearceerde gebieden kan dit ook voorkomen maar daarvan is nog sterker de vraag of een collectieve oplossing kansrijk genoeg is. Wanneer de bewoners in die delen van de gemeente op eigen initiatief overstappen naar een individuele duurzame warmteoplossing dan neemt de betaalbaarheid en daarmee de haalbaarheid een collectieve oplossing af.

15

Nationale kosten zijn inclusief de kosten en baten van energiebesparing en alle kosten en investeringen voor de opwek en distributie van stroom en warmte, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies.

36

Draagvlak De warmtevisie 2050 is tot stand gekomen door ruimtelijke, technische en economische analyse van de gebouwen in Leidschendam-Voorburg. Draagvlak voor de oplossingen wordt voorwaardelijk zodra er een besluit over genomen moet worden. Dit gebeurt niet in de WTV maar in een Wijkuitvoeringsplan. In de eerste transitiewijk trajecten gaan we hier naartoe werken. Draagvlak voor de oplossingsrichting is echter van fundamenteel belang voor de realisatie ervan. In elk gebied, ongeacht de huidige inschatting in de warmtevisie 2050, is draagvlak (bijvoorbeeld in de vorm van acceptatie) doorslaggevend. In de praktijk zal de warmteoplossing met de laagste kosten vaak op het grootste draagvlak kunnen rekenen, maar niet altijd. Het kan voorkomen dat een duurdere oplossing gekozen wordt als een meerderheid van de inwoners hier voor wil gaan. Ook hier kan dus mogelijk spanning ontstaan tussen het uitgangspunt van laagste kosten, en de voorwaarde van draagvlak. Het afwegingskader warmte-opties (zie hst 3.3) geeft meerdere variabelen die impact kunnen hebben op de keuze voor de uiteindelijke duurzame warmteoplossing en kan voor deze overweging gebruikt worden wanneer twee of meerdere uitgangspunten met elkaar conflicteren.

37

6. Wanneer starten we in de wijken? Dit hoofdstuk beschrijft het tijdpad. In welke wijken starten we op korte termijn met vervolgonderzoek naar alternatieve warmteoplossingen? Welke wijken komen later, op middellange of lange termijn, aan bod? Zo kunnen bewoners, bedrijven, woningbouwcorporaties en de netbeheerder hun investeringen afstemmen op het tijdpad. We onderstrepen dat de planning in dit hoofdstuk een globale planning is. Er blijft ruimte om in te spelen op nieuwe kansen, bewonersinitiatieven, of initiatieven van bedrijven. In hoofdstuk 3 beschreven we wat een wijk geschikt maakt als transitiewijk, en wat wijken minder geschikt maakt om op korte termijn vervolgstappen te onderzoeken. Dit heeft geleid tot een globale planning, die weergegeven is in Error! Reference source not found.12. In paragraaf 6.1 t/m 6.5 wordt vervolgens voor de verschillende wijken meer informatie gegeven.

Criteria keuze transitiewijken Zie Hoofdstuk Error! Reference source not found.

Wanneer we spreken over “wijken”, worden niet vanzelfsprekend de bestaande wijkgrenzen aangehouden. In sommige gevallen hanteren we andere grenzen omdat het type bebouwing of een bepaald type warmtevoorziening dit logisch maakt.

Figuur 12. Fasering voor de wijken in Leidschendam-Voorburg.

38

Transitiewijk: Korte termijn (2020-2030) – In deze wijken is het logisch om op kortere termijn) vervolgstappen te zetten. Voor deze wijken starten we vanaf 2022 met een wijkaanpak en onderzoek naar duurzame warmteoplossingen. Hierin staat de haalbaarheid (technisch en financieel) en het betrekken van bewoners, ondernemers en andere lokale partijen centraal. We benadrukken dat we in deze gebieden starten met onderzoek, maar dat nog niet besloten is wanneer en hoe de wijken van het aardgas af gaan. De vier transitiewijken zijn: De Heuvel & Amstelwijk, Leidschendam-Zuid (exclusief de oude kern), Essesteijn en Klein Plaspoelpolder (exclusief gerealiseerde nieuwbouw). Natuurlijk tempo (2020-2050) - Voor deze gebieden liggen individuele warmteoplossingen per gebouw voor de hand. De gemeente wil bewoners en ondernemers hier zo lang mogelijk de tijd voor geven en kiest daarom voor een natuurlijk tempo: niet het hele gebied tegelijk, maar elk gebouw op een logisch moment, bijvoorbeeld bij een verbouwing of verhuizing. Alleen als zich bijzondere situaties voordoen waarbij het slim is om het gasnet vroegtijdig te vervangen zal hiervan afgeweken worden. Middellange termijn (2030-2040) - In deze wijken zien we kansen of ontwikkelingen waar de gemeente, samen met belanghebbenden, tijdig op wil inspelen. Maar niet op korte termijn omdat hier geen concrete aanleidingen voor zijn.

De kansen voor deze wijken liggen vaak in de mogelijkheid om met midden-temperatuur, en op termijn lage-temperatuur warmtebronnen verwarmd te kunnen worden. Lange termijn (2040-2050) – Wijken (of delen daarvan) met veel oudere woningen zijn in de regel lastig aardgasvrij te maken. Ook speelt mee, dat het in het sommige wijken erg druk is in de ondergrond. Juist omdat het met de huidige warmtetechnieken nog lastig is om een dergelijke wijk aardgasvrij te maken, is deze wijk als laatste aan de beurt. Voor de wijken die met natuurlijk tempo, middellange termijn of lange termijn zijn aangeduid geldt dat innovatie en doorontwikkeling van bestaande technieken in de toekomst positieve impact kunnen hebben op de keuze voor een geschikte warmteoplossing.

6.1 Transitiewijken (2020-2030) De wijken (of delen daarvan) waar we starten zijn: De Heuvel & Amstelwijk, Leidschendam-Zuid (exclusief de oude kern), Essesteijn en Klein Plaspoelpolder (exclusief net gebouwde woningen). De trajecten in deze transitiewijken zullen niet gelijktijdig maar in de bovenstaande volgorde worden opgestart. Deze volgorde is niet in beton gegoten. Wanneer externe ontwikkelingen het logisch maken om deze volgorde aan te passen dan zullen we daar op in spelen. Hieronder zetten we per transitiewijk uiteen waarom deze zodanig naar voren gekomen is. De onderstaande tabel zet de verschillende wijken af tegen de selectiecriteria. Hierin is te zien dat de transitiewijken aan minimaal 2 van de selectiecriteria voldoen.

Tabel 3. Matrix logische transitiewijken

39

De Heuvel & Amstelwijk De Heuvel & Amstelwijk hebben een hoge eenvormigheid de woningen, en met name de Amstelwijk heeft al relatief goed geïsoleerde woningen. De woningcorporaties Vidomes en WoonInvest maken plannen om naast het onderhouden van hun woningen deze ook op natuurlijke momenten te verbeteren. Dit maakt De Heuvel & Amstelwijk een logisch gebied om als transitiewijk te selecteren. Tegelijkertijd is er De Heuvel een wettelijk ingegeven gasvervangingsopgave die op korte termijn doorgevoerd wordt. De voordelen om hier vervolgstappen te zetten wegen op tegen dit nadeel. Wel zullen we in het vervolgtraject samen met netbeheerder Stedin goed bekijken hoe we slim om kunnen gaan met het deels vernieuwde gasnet.

Figuur 13. De Heuvel & Amstelwijk

In De Heuvel & Amstelwijk is reeds een onderzoek uitgevoerd door adviesbureau DWA waarin een businesscase is doorgerekend voor een warmtenet met de Dunea warmteleiding als warmtebron. Er zijn twee opties waarin de eerste uitgaat van een aftakking op de aanwezige uitkoppeling van de Dunea waterleiding naar the Mall of the Netherlands. Een tweede optie is een nieuwe uitkoppeling vanaf de Dunea waterleiding. Uit dit onderzoek is gebleken dat een sluitende businesscase met subsidie mogelijk is. Dit komt mede doordat er veel hoogbouw aanwezig is in dit gebied. Daarnaast heeft het ingenieursbureau Wareco aangetoond dat er genoeg ruimte is in de ondergrond voor een warmtenet. De woningcorporaties Vidomes en WoonInvest hebben beide veel bezit in deze wijken. Dit maakt de kans op een hogere participatiegraad en daardoor de haalbaarheid van een warmtenet groter.

40

Leidschendam-Zuid (exclusief oude kern)

Figuur 14. Leidschendam-Zuid

Leidschendam-Zuid kenmerkt zich door grote diversiteit aan woningen qua bouwjaar en bouwvorm. De woningcorporaties hebben hier veel woningen in bezit. Ook voor deze woningen maken zij plannen voor verbeteringen van het vastgoed op natuurlijke onderhoudsmomenten. Daarnaast is er een stuk gasvervangingsopgave in het gebied. De rivierwaterleiding van Dunea ligt in het zuidwestelijke gedeelte van de wijk. Dit biedt mogelijkheden voor vervolgonderzoek. Vanwege deze redenen is Leidschendam-Zuid geselecteerd als transitiewijk. In het oude centrum van Leidschendam-Zuid staan relatief oude woningen en is de ruimte in de ondergrond te beperkend voor een warmtenet. Voor een lagere temperatuur warmteoplossing is dit gebied voorlopig nog niet geschikt. Dit gedeelte, inclusief het oude lint langs de Vliet, behoord hierdoor niet bij de transitiewijk en zal op de lange termijn de transitie naar een andere warmtevoorziening doorlopen.

Leidschendam-Zuid ligt vlak langs de A4 waar op termijn hoogstwaarschijnlijk een nieuwe transportleiding van WarmtelinQ komt te liggen. In het onderzoekstraject dat volgt wordt de optie aansluiten op WarmtelinQ verder onderzocht, naast de mogelijkheden vanuit de Dunea waterleiding, de inzet van hybride warmtepompen en volledig elektrische warmtepompen. Essesteijn Essesteijn kent een aantal verschillende buurten. Deze buurten verschillen onderling maar binnen de buurten staan veel eenvormige woningen. In het midden van de buurten Dreven, Gaarden, Tuinen en Weiden ligt veel gestapelde bouw. Deze gestapelde bouw is deels in bezit van de woningcorporaties. Daar zullen de corporaties komende decennium hun bezit op natuurlijke onderhoudsmomenten verbeteren. Deze punten maken Essesteijn een logische transitiewijk. Vanwege de hoge warmtedichtheid in het midden van de wijk is een warmtenet in combinatie met een warmtekoude opslag waarschijnlijk een kansrijke oplossing. In het vervolgtraject zullen een aantal warmteoplossingen met elkaar vergeleken worden, en onderzocht of er een koppeling is te maken met de buurten eromheen. Voor die buurten is nog niet duidelijk of een warmtenet of individuele oplossing het meest geschikt is en ook dit wordt in het vervolgproces nader onderzocht.

Figuur 15. Essesteijn

41

Klein Plaspoelpolder In Klein Plaspoelpolder is veel dynamiek de komende periode. Onder andere door de ontwikkeling van een nieuwbouwwijk in de aangrenzende wijk Damsigt en herontwikkeling van bedrijfsgebouwen in Klein Plaspoelpolder zelf. Ook ligt de wijk nabij de Dunea rivierwaterleiding. Het is van belang om te onderzoeken welke mogelijke koppelkansen er zijn om bestaande bouw mee te nemen in deze ontwikkelingen. In delen van Klein Plaspoelpolder is een hoge warmtedichtheid aanwezig door gestapelde bouw, wat een warmtenet met warmte-koude opslag tot de mogelijkheden laat behoren. In het noorden is in 2017 een nieuwbouwwijk, het Voorburgs Kwartier, gebouwd. In deze nieuwbouwwijk zal op een natuurlijk tempo de warmtetransitie Figuur 16. Klein Plaspoelpolder plaatsvinden door middel van een individuele of kleincollectieve oplossing. Dit cluster gerealiseerde nieuwbouw valt buiten de grenzen van de transitiewijk.

6.2 Wijken met natuurlijk tempo (2020-2050) Sommige wijken hebben zeer nieuwe woningen of een lage bebouwingsdichtheid met veel vrijstaande huizen of twee-onder-een-kap woningen. Dit zijn: Park Leeuwenbergh, Sijtwende, Nieuw Essesteijn, De Rietvink en het buitengebied Stompwijk. Waarom deze wijken met een natuurlijk tempo? Bij individuele oplossingen is het mogelijk dat niet alle bewoners op hetzelfde moment van het aardgas af gaan. Dat heeft een aantal voordelen: energiemaatregelen meenemen als er toch verbouwd wordt, scheelt gedoe en kosten. Het huis stap voor stap verduurzamen zorgt ervoor dat investeringen verdeeld worden over meerdere jaren. Wanneer? In deze wijken kiezen we voor een geleidelijk tempo: niet de hele wijk tegelijk, maar elk gebouw op een logisch moment, bijvoorbeeld bij een verbouwing of verhuizing. We willen deze bewoners hier de tijd voor geven. Wel benadrukken we dat bewoners in een periode van 30 jaar vaak maar 1 keer een echt groot ‘natuurlijk moment’ hebben om de woning aardgasvrij of aardgasvrij-ready te maken. We roepen bewoners daarom op om verhuizingen, verbouwingen en opknapwerkzaamheden (ook binnenshuis) daadwerkelijk te benutten om de woning (stapsgewijs) aardgasvrij te maken.

Daarbij moeten deze bewoners ook rekening houden met de mogelijkheid dat naar verwachting het verbruik van aardgas (door natuurlijke prijsstijging of verhoogde belasting) stapsgewijs duurder zal worden richting 2050. Wat? Hier liggen individuele oplossingen, zoals een warmtepomp of een hybride warmtepomp, het meest voor de hand (zie Hoofdstuk 5). Woningeigenaren kunnen stap voor stap maatregelen nemen, bijvoorbeeld door eerst te isoleren en een paar jaar later de CV ketel te vervangen door een warmtepomp.

6.3 Wijken middellange termijn (2030-2040) Op de middellange termijn volgen Bovenveen, Voorburg Midden, Prinsenhof, ’t Lien, De Zijde, Duivenvoorde, het zuidoostelijke gedeelte van Stompwijk (dorpskern) en de gestapelde bouw in Park Veursehout.

42

Waarom? Voor deze wijken is de warmteoplossing nog onzeker. De wijken bestaan veelal uit naoorlogse, goed te isoleren gebouwen met een redelijke warmtedichtheid. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen of een collectieve of individuele oplossing de beste keuze is. Er zijn nu geen concrete aanleidingen voor vervolgonderzoek, maar tegelijkertijd zijn het vaak niet de moeilijkste woningen om de transitie naar een andere warmtevoorziening te maken omdat ze met midden of lage temperatuur verwarmd kunnen gaan worden. Daarom is voor deze wijken de middellange termijn een logische keuze. Wanneer? In deze wijken zal er vanaf 2030 gestart worden met vervolgonderzoek en bewonerstrajecten. Tot die tijd kunnen de bewoners altijd geen-spijt maatregelen doorvoeren zoals isolatie of een hybride warmtepomp. Wat? In het onderzoekstraject wordt na 2030 met bewoners onderzocht welke warmtevoorziening het beste past. De haalbaarheid en financiële gevolgen van diverse opties worden doorgerekend. Vervolgens wordt met bewoners een keuze gemaakt. Dit hoeft niet voor de hele wijk dezelfde oplossing te zijn. De komende jaren informeren we de bewoners over wat zij nu vast kunnen doen om woningen te verduurzamen, vooruitlopend op de overstap naar aardgasvrij.

6.4 Wijken lange termijn (2040-2050) De wijken Voorburg Noord, Voorburg Oud, Voorburg West, Kleurenbuurt, Zeeheldenwijk, Damsigt, Verzetsheldenwijk, Damcentrum, Raadhuiskwartier, lintbebouwing Stompwijk (dorpskern) en de oude kern in Leidschendam-Zuid staan voorlopig aangeduid als lange termijn. Waarom? Deze wijken bestaan uit veelal oude panden waarbij er een beperkte ruimte in de ondergrond is. Het is nog onduidelijk voor deze gebieden wat de best passende warmteoplossing is. Deze gebieden zijn met de huidige technieken en beperkte beschikbaarheid van duurzame brandstof niet snel volledig aardgasvrij. Daarom is de aanduiding van lange termijn hiervoor logisch. Wanneer? Tenzij er zich nieuwe (nog onvoorziene) ontwikkelingen voordoen, wordt in deze wijken vanaf 2040 gestart met gedetailleerd onderzoek naar aardgasvrije warmtevoorzieningen. Uiterlijk 2050 zullen deze wijken niet meer met aardgas verwarmd worden. Wat? Tot 2040 is het van belang de woning zo goed mogelijk voor te bereiden op aardgasvrij verwarmen en koken. Ook al lijkt de uitfasering van aardgas in deze wijken verder weg in de tijd te liggen, voor de lastig te isoleren panden moeten alle verbouwingsmomenten met twee handen aangrepen worden. Ook kunnen de gebouweigenaren overwegen of bij de vervanging van de cv-ketel een hybride warmtepomp mogelijk is.

De komende jaren informeren we de bewoners over wat zij nu vast kunnen doen om woningen te verduurzamen, vooruitlopend op de overstap naar aardgasvrij.

6.5 Bedrijventerreinen Voor bedrijventerreinen willen we zoveel mogelijk aansluiten op ambities van ondernemers en herontwikkeling van bedrijventerreinen. Waar dat slim en mogelijk is, zullen we aansluiten op bovenstaande fasering. Zo kunnen bedrijven, winkels en kantoren die verspreid in de wijken gevestigd zijn meegenomen worden in de transitie van de wijk waarin ze liggen. Anderzijds nodigen we bedrijventerreinen uit om zich te melden, zodra er plannen of ambities zijn om het terrein te moderniseren of te verduurzamen. Ook als deze niet direct aansluiten op de hierboven beschreven fasering. Immers, ook bedrijven zullen zich moeten voorbereiden op een toekomst zonder aardgas. Waar nodig zal per bedrijventerrein een specifiek traject met de bedrijven opgezet worden om de planningen van bedrijven en de infrastructuur zo goed mogelijk op elkaar aan te sluiten.

43

6.6 Inschatting van het tempo Onderstaande grafiek geeft een globale inschatting van het aantal woningen dat per jaar van het aardgas afgaat, als we de planning die hierboven beschreven is aanhouden16.

Figuur 17. Inschatting tempo In de praktijk zal het verloop afwijken, maar de tussentijdse aantallen kunnen gebruikt worden als referentie om de voortgang (exclusief bedrijventerreinen) in de komende decennia te monitoren. Wanneer veel woningen overstappen op een hybride warmtepomp als tussentijdse oplossing, dan daalt het aardgasverbruik wel maar het aantal “op het aardgas aangesloten woningen” nog niet. In de volgende versie van de WTV kan het nuttig zijn om deze paragraaf uit te breiden met het die informatie. Door het aantal woningen dat geen aardgas meer verbruikt af te zetten tegen onderstaande grafiek, wordt duidelijk de warmtetransitie van Leidschendam-Voorburg op schema ligt en haalbaar is.

16

Hierbij is (als eerste indicatie) het aantal woningen steeds gelijkmatig verdeeld over het tijdvak.

44

7 Uitvoeringsstrategie en vervolgstappen In dit hoofdstuk beschrijven we de uitvoeringsstrategie voor de komende jaren. Daarin voorzien we een gerichte aanpak voor de transitiewijken, en bieden we handvaten voor de overige wijken. Bewoners in deze overige wijken kunnen op voor hun logische momenten – zoals bij verhuizen en verbouwingen – hun woning aardgasvrij maken of daarop voorbereiden. Dit wordt landelijk of lokaal ondersteund via subsidies op bijvoorbeeld isolatie en warmtepompen en via de financiering via goedkope leningen. Tegelijkertijd heeft de landelijke overheid aangekondigd via belastingen de aardgasprijs te laten stijgen. Ook in wijken waar nog geen concrete aanpak is gestart om aardgasvrij te worden, stimuleren we daarom bewoners om minder aardgas te verbruiken.

7.1 Aanpak voor transitiewijken In de periode 2022 – 2030 gaan we aan de slag met de bewoners in de transitiewijken. Hieronder volgt een schets van wat er in die wijken gaat gebeuren en welke principes we in het vervolgtraject centraal zetten. 7.2.1: Aanpak in vijf stappen 1. Samen starten. We brengen lokale partijen bij elkaar en vormen een werkgroep en een klankbordgroep waarin lokale belanghebbenden zijn vertegenwoordigd. Bewoners kunnen deelnemen in de klankbord om zo direct input te leveren aan de ontwikkeling van het uitvoeringsplan. De gemeente zorgt voor een procesbegeleider die ook toeziet op het participatietraject met bewoners. Het verkennen van de belangen is een belangrijk onderdeel in deze fase. 2.

Verkennen en concretiseren. Met de werkgroep brengen we in kaart wie in de wijk wonen, wat hun behoeften zijn en hoe we bewoners het beste kunnen bereiken en betrekken. Parallel worden technische gegevens over de woningen, beschikbare duurzame warmtebronnen en de aanwezige energie-infrastructuur in kaart gebracht. Voor de meest kansrijke warmteopties brengen we in detail in kaart welke voordelen, nadelen, kosten en besparingen realistisch zijn.

3.

Kiezen optimale warmteoplossing. Op basis van stap 2 bepalen we in samenspraak met lokale belanghebbenden welke warmteoplossing(en) het best bij de wijk past. Er wordt onderbouwd welke oplossing de voorkeur heeft. Via een intensief participatietraject gaan we na of de voorkeursoplossing kan rekenen op acceptatie van bewoners. In deze fase betrekken we bewoners, bedrijven en alle andere lokale betrokkenen intensief.

4.

Onderbouwen van de haalbaarheid en de aanpak. Voor de gekozen optie werken we in detail de kosten en baten uit voor referentiewoningen. De investeringskosten, eindgebruikerskosten en energiekosten worden in detail in kaart gebracht. Zo nodig worden eerst in praktijk concepten kleinschalig gerealiseerd om zeker te zijn van alle kosten en baten. Als vervolgens de haalbaarheid toch twijfel oproept, dan gaan we een stap terug naar de vorige fase ‘keuze warmteoplossing’.

5.

Besluitvorming (go / no go). Om tot besluitvorming te komen is het nodig om aan een aantal randvoorwaarden te voldoen. Het gemeentebestuur wordt pas gevraagd definitief in te stemmen met het uitvoeringsplan als voldaan is aan onderstaande voorwaarden: a. de oplossing is duurzaam en technisch haalbaar; b. de oplossing is voor alle belanghebbenden in principe financierbaar; c. er is draagvlak bij een ruime meerderheid van bewoners, bedrijven en andere belanghebbende organisaties die nodig zijn voor de realisatie; d. juridisch wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden.

45

Alle afspraken tussen partijen leggen we ook vast in een wijkuitvoeringsplan. De afspraken beschrijven onder meer: • Rol- en taakverdeling van de betrokken partijen; • Benodigde aanpassingen op hoofdlijnen aan woningen en gebouwen, en hoe eigenaren hun pand(en) klaar kunnen maken voor aardgasvrij. • Een concreet investeringsprogramma, waarbij ook ingezet wordt op subsidies en financieringsvormen zodat de overstap haalbaar en betaalbaar is voor alle betrokkenen en alle bewoners. • Specifieke stappen voor ontwikkeling van de benodigde infrastructuur, uitgezet in de tijd. • Een communicatiestrategie om bewoners en lokale partijen te betrekken. Per wijk kiezen we een eigen communicatiebenadering. We onderscheiden globaal hierbij twee benaderingen en deze is afhankelijk van de uitkomsten van wat er speelt in de wijk. Bottom up communicatie in betrokken wijken. o Hierbij ligt het initiatief bij inwoners en kan alleen daar waar veel inwoners intrinsiek gemotiveerd zijn om te verduurzamen en waar besef van urgentie om de wijk aardgasvrij te maken aanwezig is. Top down benadering bij minder betrokken wijken. o Hierbij ligt het initiatief bij de gemeente en de nadruk op informeren en bewustwording creëren. 7.1.2 Principes voor vervolgstappen De transitie naar aardgasvrije wijken is weliswaar een nieuwe opgave, maar dat betekent niet dat we het wiel opnieuw moeten gaan uitvinden.

Er kan veel geleerd worden van de ervaringen met de Programma’s Stedelijke Vernieuwing van de afgelopen decennia en van ervaringen die elders zijn opgedaan. Uit deze ervaringen volgen zes principes voor de vervolgstappen: • We besteden veel tijd aan inwoners (en andere belanghebbenden); • We maken een goede stakeholderanalyse; • We stellen een integraal wijkuitvoeringsplan op; • We werken samen vanuit verschillende disciplines; • We zetten een onafhankelijke procesbegeleider in; • We schalen op in de uitvoering. Hieronder wordt deze strategie kort toegelicht.

We besteden veel tijd aan inwoners (en andere belanghebbenden) Bij de aanpak in de Transitiewijken is het belangrijk om rekening te houden met de verschillende typen inwoners, die om een verschillende benadering vragen. Voor een succesvol verloop met maximaal resultaat is het slim om te starten bij die groepen die al enthousiast zijn over de energietransitie, de voorlopers. Deze voorlopers hebben veelal een idealistisch motief, zijn al actief en zijn bekend bij de gemeente. Bovendien kunnen zij een aanjagersrol bieden voor andere groepen. De aanpak richt zich vervolgens op de middengroepen, die een meer volgend karakter hebben. Als laatste gaan de meest behoudende inwoners mee in de aanpak. Bijzonder aandacht gaat uit naar energiecoöperaties, zoals Energy Common LV en ZonOpLV. De energiecoöperaties en -initiatieven regelen samen het lokaal eigendom van energie. Ze hebben een andere organisatievorm naast marktpartijen en overheden. De beweging van onderop is daarbij actief bezig om de middengroepen te betrekken bij aardgasvrije wijken.

We maken een goede stakeholderanalyse In het begin moet er aandacht zijn voor de rolverdeling van de verschillende betrokken partijen. Wie gaat wat doen? Wie spreekt namens wie? Op wijkniveau wordt een stakeholderanalyse opgesteld en worden afspraken gemaakt met verschillende organisaties en hun gewenste betrokkenheid. Verder wordt een goede analyse gemaakt van de verschillende inwonersperspectieven. Wat speelt er in de wijk? Wat vinden inwoners belangrijk? Waarvoor willen inwoners zich inzetten? Welke belemmeringen moeten bij inwoners worden weggenomen? Welke hulpbronnen en kansen zijn er om te benutten in de wijk?

46

We stellen een integraal wijkuitvoeringsplan op Samen met andere stakeholders stelt de procesbegeleider van de gemeente uiteindelijk een wijkuitvoeringsplan op. In dit wijkuitvoeringsplan wordt per wijk of gebied aangegeven wat de alternatieven voor aardgas kunnen zijn, voorafgegaan door een grondige integrale analyse en voorzien van een rol- en taakverdeling van alle stakeholders. De komende decennia zal de gemeente voor nog meer transitiewijken een uitvoeringsplan moeten maken. Dat is maatwerk. Elke wijk heeft eigen specifieke kenmerken wat betreft technische mogelijkheden, bouwkundige staat van vastgoed, financieel-economische mogelijkheden, eigendomssituatie en/of sociale samenstelling. Dit type maatwerk vraagt om een integrale benadering.

We werken samen vanuit verschillende disciplines Deze integrale benadering krijgt vorm door samenwerking vanuit verschillende disciplines. Juist voor het creërenvan draagvlak onder inwoners voor de warmteoplossing is een mix van betrokken technische en sociaal georiënteerde professionals nodig. Bij het verkennen van de haalbaarheid van een warmteoplossing werken we zo goed mogelijk de kosten en baten uit voor referentiewoningen. De investeringskosten, eindgebruikerskosten en energiekosten worden onderbouwd en in detail in kaart gebracht. Daarnaast onderzoeken we of dit financieel haalbaar is voor de betreffende inwoners. En onderzoeken we of er andere (sociale) aspecten van belang zijn voor de haalbaarheid.

We zetten een procesbegeleider in die onafhankelijk kijkt Bij het opstellen van de uitvoeringsplannen zijn er soms tegenstrijdige belangen en partijen. Voor een succesvol proces is het belangrijk dat deze verschillende partijen gehoord en belangen meegewogen worden. Daarom zorgen we dat we een procesbegeleider inzetten die onafhankelijk kijkt naar de verschillende partijen en belangen. De procesbegeleider wordt aangestuurd door een begeleidingsgroep (stuurgroep) waarin de belangrijkste stakeholders van de betreffende wijk zitting hebben.

We schalen op in de uitvoering Na besluitvorming willen we een aantal instrumenten klaar te hebben liggen die maken dat er ‘opgeschaald’ kan worden in de uitvoering: • Professioneel energieadvies middels een energieloket, aangevuld met vrijwillige energiecoaches. • Vraagbundeling voor grote energiemaatregelen zoals isolatie of installaties. Er zijn verschillende voorbeelden in Nederland waar door middel van bijvoorbeeld vraagbundeling marktpartijen en opdrachtgevers aan elkaar zijn verbonden. Hierin is een regierol voor de gemeente weggelegd. De opdrachtgevers kunnen woningcorporaties zijn die samen met VvE’s met bezit van vergelijkbare bouwtypes gezamenlijk een uitvraag doen aan een coalitie van uitvoerders, zoals aannemers en installateurs. Ook bewonersinitiatieven kunnen het initiatief tot collectieve inkoop nemen. • Een projectteam dat de participatie- en communicatiemiddelen verzorgt: bijeenkomsten, nieuwsbrieven, films, fietstochten, masterclasses, klankbordgroepen.

7.2 Aanpak overige wijken Waar bewoners aangewezen zijn op een individuele oplossing of waar de oplossing nu nog niet duidelijk is stellen we de bewoners in staat om optimaal gebruik maken van natuurlijke vervangingsmomenten. Zo kunnen energiebesparende werkzaamheden aansluiten op benodigd onderhoud of wijzigingen in de woonsituatie. Verhuizingen, vervanging van de CV-ketel en grote verbouwingen zijn bij uitstek momenten om woningen klaar te maken voor een toekomst zonder aardgas. Het gemeentelijke energieloket (huidig: de Woonwijzerwinkel) biedt advies en is het loket voor individuele bewoners die aan de slag willen met hun woning.

47

Er lopen momenteel regelingen vanuit de gemeente en de Rijksoverheid om hier maximaal op in te spelen. Hierover zullen we blijven communiceren. Zo sturen we aan op een slimme overstap naar aardgasvrij. Faciliteiten die zijn opgezet en die we willen blijven verbeteren voor bewoners, zijn: •

•

• •

Woonwijzerwinkel: Het energieloket voor advies en vragen: dit is een algemeen loket waar bewoners en VVE’s terecht kunnen met vragen. Bewoners kunnen hier fysiek (Rotterdam) of online terecht voor advies over gunstige oplossingen voor hun woning en om meer te weten te komen over isolatiemaatregelen. Financiering- en subsidiemogelijkheden: o Gemeentelijke subsidie op energiebesparende maatregelen voor particulieren. o Duurzaamheidsleningen bij het Nationaal Warmtefonds (NWF) waarop de gemeente een rentekorting verleend (zie voorwaarden op de website van het NWF). Ondersteuning van bewoners en initiatieven en die zelf aan de slag willen, bijvoorbeeld door de inzet van Energy Common L-V. Slim verwijzen naar landelijke en regionale online energieloketten en informatieservices, zoals milieucentraal.nl, JouwHuisSlimmer.nl en verbeterjehuis.nl.

Deze faciliteiten zijn beschikbaar voor alle inwoners van Leidschendam-Voorburg. Immers, ook in de wijken waar mogelijk een collectieve voorziening komt is het raadzaam om woningen te isoleren. Het energieverbruik daalt, de energierekening wordt dan lager en de woning wordt comfortabeler. Waar nodig kan in overleg met de gemeente aanvullende expertise ingezet en aangetrokken worden om in te spelen op bewonersinitiatieven, of om wijkaanpakken extra kracht bij te zetten.

7.3 Aanpak Verenigingen van Eigenaren (VvE) Er zijn 1720 VvE’s in Leidenschendam-Voorburg. VvE’s hebben een eigen tempo wat betreft verduurzamen. Duurzaamheidsingrepen worden doorgaans ingepland in Meerjaren Onderhoudsplanningen. Per bouwdeel wordt daarin beschreven wanneer ingrepen aan de schil en de installaties worden gedaan. De aanpak die een VvE kiest is afhankelijk van heel veel factoren. Zijn de leden bereid om investeringen te doen? Heeft de VvE reserves opgebouwd? Wat zijn de verwachte isolatiekosten? Welke installaties zijn in de toekomst nodig? Er zal een inventarisatie nodig zijn om de VvE’s hierin te adviseren en ondersteunen. Naar verwachting kunnen VvE’s die hetzelfde bouwjaar en bouwtype hebben en dezelfde (collectieve) installaties hebben, vergelijkbare energieadviezen gebruiken. VvE’s binnen de transitiewijken worden via de wijkaanpak meegenomen en in bovenstaande vraagstukken zo goed mogelijk geadviseerd.

7.4 Aanpak bedrijventerreinen, utiliteit en maatschappelijk vastgoed Leidschendam-Voorburg heeft een beperkt aantal (kleine) bedrijventerreinen. Voor nu kiezen we er voor om geen algemene aparte strategie voor bedrijventerreinen op te zetten. De bedrijventerreinen zullen meegenomen worden in de wijkprocessen. Afhankelijk van de behoefte van de bedrijven zelf en de inbedding in de wijk, kan indien nodig een specifiek traject met de bedrijven opgestart worden. Om het maatschappelijk vastgoed in Leidschendam-Voorburg te verduurzamen staan we als gemeente voor een deel zelf aan de lat en hebben we een voorbeeldfunctiel. In de “routekaart verduurzaming gemeentelijk vastgoed” die opgesteld wordt beschrijven we hoe we hier aan werken. Ook met de onderwijssector worden afspraken gemaakt over het verduurzamen van de huisvesting van scholen (IHP).

48

7.5 Financiering en betaalbaarheid De Rijksoverheid speelt een belangrijke rol om de overstap naar aardgasvrije wijken financieel haalbaar te maken. De betaalbaarheid is één van de belangrijkste criteria om draagvlak te vinden. Een zwaarwegend criterium bij het kiezen van de aardgasvrije techniek, is daarom de techniek met de laagste totale nationale kosten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de kosten voor woningeigenaren maar ook bijvoorbeeld de kosten voor transformatorstations en verwijderen van kabels en leidingen. We sturen in beginsel aan op de laagste kosten voor bewoners, bedrijven en alle belanghebbende, maar zoals genoemd houden we ook rekening met de anderen waarden die de wijk zelf aangeeft. Soms is dat echter niet genoeg om de overstap betaalbaar te maken, en is er extra financiering nodig. De warmtetransitie vraagt investeringen voor isolatie, installaties of de aanleg van nieuwe warmtebronnen. Die investeringen leveren een besparing in de energielasten en/of meerwaarde voor de woning op. Toch betekent dit niet dat elke maatregel direct betaalbaar en financierbaar is. Om ze betaalbaar te maken, en om ervoor te zorgen dat iedereen (met een grote en kleine portemonnee) mee kan in de warmtetransitie, zijn er subsidies en financieringsregelingen (duurzaamheidsleningen) nodig.

Omdat in onze gemeente vaak individuele oplossingen noodzakelijk zijn ligt de nadruk op het goed isoleren van woningen. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft zowel een subsidieregeling voor isolatie als een rentekorting op duurzaamheidsleningen van het Nationaal Warmtefonds om dit te stimuleren. Voor de eigenaren met een te krappe leencapaciteit biedt dit echter nog geen oplossing. Het Rijk ontwikkelt momenteel instrumenten om ook voor die groep een betaalbare oplossing te vinden. Op dit moment zijn die instrumenten echter nog niet operationeel. Subsidies Als de besparing op de energielasten niet voldoende is om een investering binnen een redelijke termijn terug te verdienen, spreken we van een ‘onrendabele top’. Subsidies zijn er met name om de onrendabele top af te dekken, en soms ter stimulering van een nieuwe techniek. Hier zijn al verschillende subsidies voor: • voor particulieren: voor isolatiemaatregelen of aanschaf van installaties (ISDE), de gemeentelijke subsidie op energiebesparende maatregelen voor particulieren; • voor woningcorporaties, institutionele beleggers en particuliere verhuurders: de SAH voor het aardgasvrij maken van woningen met warmtenetten en de Renovatieversneller om corporatiebezit innovatief te verduurzamen.

• voor energieproducenten: voor het produceren van duurzame energie (SDE+) • Gemeenten en de Rijksoverheid zijn nog in onderhandeling over een passende Rijksbijdrage aan de energietransitie zodra de huidige bijdrage van het Programma Aardgasvrije Wijken ophoudt. Wij gaan er van uit dat het Rijk een substantiële bijdrage aan de gemeenten gaat verstrekken om de transitie haalbaar en betaalbaar te maken. Duurzaamheidsleningen Duurzaamheidsleningen maken het mogelijk om duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand daarvoor veel eigen geld hoeft te gebruiken. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren met eigen middelen (zoals spaargeld). Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent in de regel een lage rente. Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder: • Nationaal Warmtefonds (NWF) voor particulieren waarop de gemeente Leidschendam-Voorburg tot een gemaximeerd leningenbedrag een rentekorting verstrekt. Hierdoor is deze lening zeer aantrekkelijk. • VvE Energiebespaarlening van het Nationaal Warmtefonds. Omdat de subsidieregelingen, duurzaamheidsleningen en Rijksbijdragen continu wijzigen is hier geen uitgebreide opsomming gegeven. De gemeente zet in op een goede informatievoorziening op dit punt.

Binnen de wijk- of buurtaanpak en op de gemeentelijke energietransitie-projectwebsite www.ingesprekmetlv.nl zullen de dan geldende regelingen zo goed mogelijk onder de aandacht worden gebracht. Dat doet de gemeente niet alleen in de transitiewijken maar voor alle bedrijven en bewoners die hun woning aardgasvrij (ready) willen maken.

49

Bestemmingsreserve gemeente Leidschendam-Voorburg In de begroting van 2021 is €46 miljoen gereserveerd in de bestemmingsreserve duurzaamheid en energietransitie voor besteding tot uiterlijk 2050. Daarmee stelt de gemeente middelen beschikbaar om de energietransitie te stimuleren17. Het eerste deel van de middelen komt beschikbaar in de komende vier jaar, met een maximale besteding per jaar van €1,875 miljoen. Deze gelden worden met name ingezet op onderwerpen als verduurzaming eigen vastgoed, het stimuleren van verduurzaming van schoolgebouwen, het ontwikkelen en ondersteunen van de wijkaanpak en het stimuleren van bewonersinitiatieven. De enorme gemeentelijke opgave en hiermee gepaarde uitgaven kunnen niet zonder extra financiële steun van het Rijk worden gerealiseerd. De mate waarin het Rijk voornemens is met extra middelen de gemeenten te ondersteunen is echter nog onduidelijk. Naar verwachting neemt het kabinet daarover op zijn vroegst in 2022 een besluit, na gesprekken en onderhandelingen tussen VNG en het Rijk. Met behulp van de bestemmingsreserve kan de gemeente Leidschendam-Voorburg nu de schouders zetten onder de energietransitie. Maatschappelijk gedreven energiedienstenbedrijf Het uitzoeken van financieringsconstructies en technische oplossingen kan behoorlijk ingewikkeld zijn voor bewoners en bedrijven.

Er ontstaan daarom landelijk initiatieven tot ESCo’s, zogenaamde Energie Service Companies; die een aanbod van oplossingen en financiering kan bieden zodat bewoners en bedrijven hierin ontzorgd worden. Omdat deze ESCo’s vaak commercieel gedreven zijn en alleen de ‘makkelijkste’ woningen een contract willen aanbieden wil de gemeente de ontwikkeling van lokale (niet commerciele) ESCo’s faciliteren maar daar niet zelf als gemeente in stappen. Dat valt namelijk buiten de kerntaken van de gemeente. Doelstelling van zo een energiedienstenbedrijf wordt om een betaalbare energietransitie voor iedereen te realiseren waarbij er specifiek wordt gekeken naar de socialisering en democratisering van het energiesysteem.

7.6 Rollen betrokken partijen Als gemeente voeren we regie in de warmtetransitie. We stellen deze visie op, brengen partijen bij elkaar, starten verkenningen en zorgen voor coördinatie op de wijkuitvoeringsplannen die gemaakt gaan worden. De reeds aangekondigde nieuwe Warmtewet 2.0 deelt ook een rol toe aan gemeenten om aan te (kunnen) sturen op de ontwikkeling van warmtenetten. Welke rol de gemeente hierin inneemt hangt van verschillende factoren af en is vaak ook een politiek besluit. Dit besluit zal getoetst worden aan het afwegingskader van de transitievisie en de “Energieladder van Leidschendam-Voorburg” uit de Lokale Energie Strategie. In dit besluit zullen draagvlak onder bewoners en vastgoedeigenaren, de (beperkte) ruimte in de ondergrond en de financiële aantrekkelijkheid van het project waarschijnlijk de doorslag geven. Belangrijke samenwerkingspartners in de warmtetransitie zijn de woningcorporaties Vidomes en WoonInvest, netbeheerder Stedin, drinkwaterbedrijf Dunea en Energy Common Leidschendam-Voorburg. De woningcorporaties zijn met meer dan 9.000 woningen goed vertegenwoordigd in LeidschendamVoorburg (circa 25% van het totaal).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=195f7e6c-dece-4681-b031-73bbbfa7907f