1454_bijlage 2-Transitievisie Warmte.pdf
Tekst van het document
De twee grootste corporaties Vidomes en Wooninvest hebben daarom hun bijdrage geleverd aan deze transitievisie en hun ontwikkel- en onderhoudsplannen gedeeld zodat plannen over investeringen, infrastructuur en vastgoed goed op elkaar kunnen worden afgestemd. In de wijken waar zij bezit hebben werken de woningcorporaties graag mee aan de wijkaanpak en nemen zij zitting in de projectteams. Stedin beheert het aardgas- en elektriciteitsnet en draagt bij met haar kennis over mogelijkheden voor (collectieve) energieoplossingen. Een belangrijk speerpunt daarbij is het bepalen wat moet gebeuren in de bestaande en nieuw benodigde infrastructuur en hoe dat goed logistiek gerealiseerd kan worden. Ook nu al is Stedin betrokken bij de huidige verkenningen en straks onderdeel van de wijktrajecten.
17
https://www.lv.nl/enorme-stap-voorwaarts-met-bestemmingsreserve-duurzaamheid-en-energietransitie
50
Met Dunea is afgestemd over de belangen in de ondergrond zoals ongewenste opwarming van waterleidingen door warmtenetten, drukte in de ondergrond en koppelkansen voor aquathermie rondom de rivierwaterleiding (zie bijlage F). Energy Common Leidschendam-Voorburg heeft een rol in de ondersteuning voor woningeigenaren door onder andere de inzet van energiecoaches. Zo kunnen ze bewonersinitiatieven en wijkverenigingen ondersteunen in de opstartfase van hun energieproject. Buiten de gemeente zijn er andere overheden die invloed hebben op de visievorming en in mindere mate op de uitvoering van de warmtetransitie. Zo hebben de provincie en het rijk invloed middels overkoepeld beleid of instrumenten. De omliggende gemeenten beïnvloeden de visie via de Regionale Energie Strategie (RES). In de RES worden bijvoorbeeld afspraken gemaakt over het delen van energie- en warmtebronnen en de aanleg van de benodigde grootschalige infrastructuur. De aller belangrijkste schakel in de transitie zijn de bewoners en gebouweigenaren. Juist bij deze partijen komt de warmtetransitie tot achter de voordeur. Op wijk- of buurtniveau zijn intensieve trajecten met de gebouweigenaren nodig om tot een slimme en gedragen keuze te komen voor een nieuwe warmtevoorziening. Gebouweigenaren zijn bijvoorbeeld bewoners, woningbouwcorporaties, (particuliere) verhuurders en ondernemers.
Als het aardgas verdwijnt zullen gebouweigenaren isolatie, ventilatie en alternatieve verwarmingsinstallaties moeten overwegen om hun woningen/gebouwen te verwarmen, om te koken en voor warm water. Deze opgave is niet alleen technisch, maar ook sociaal van aard. Daarom is het belangrijk contact te onderhouden met bewonersverenigingen, wijknetwerken en aan te sluiten bij andere (projecten) in de wijk. Zo kunnen we in wijken een integraal wijkuitvoeringsplan ontwikkelen die niet alleen naar warmteoplossingen kijkt. Gekeken moet bijvoorbeeld worden hoe de warmteoplossing past binnen de ecologische systemen en of er een koppeling gemaakt kan worden met het meer klimaatbestendig maken van de openbare ruimte.
7.7 Doorontwikkeling Transitievisie Warmte De Transitievisie Warmte is een levend document en een startpunt voor het gesprek met alle instellingen, bedrijven en bewoners van onze gemeente. De warmtetransitie is een langdurig proces, dat doorloopt tot 2050. Nieuwe ontwikkelingen en inzichten zullen ervoor zorgen dat we de visie gaandeweg willen bijstellen en concreter kunnen maken. Zo zal er meer inzicht ontstaan in de haalbaarheid van nieuwe warmtebronnen en warmteoplossingen in specifieke wijken. Ook zullen we willen inspelen op nieuwe technologieën en ontwikkelingen in de prijsstelling van de verschillende warmteoplossingen en installaties. Door in gesprek te gaan met alle betrokkenen in onze gemeenten kunnen we de visie sterker maken en in samenspraak concrete plannen opstellen. Zo zullen we steeds meer ervaring opdoen met het transitie-gereed maken van gebouwen, buurten en wijken. Nieuwe inzichten en ontwikkelingen nemen we mee door de Transitievisie iedere 5 jaar te actualiseren.
51
Bijlage A - Overzicht betrokkenen De totstandkoming van de TVW en het schrijven ervan is gestart en gecoördineerd door de gemeente. Dit heeft ze gedaan in samenwerking met een aantal maatschappelijke organisaties en bewonersinitiatieven. Het hart van het project is de kerngroep LES & Transitievisie Warmte bestaat uit de beleidsadviseurs van de gemeente, de woningcorporaties Vidomes en WoonInvest, Energy-Common Leidschendam-Voorburg, vertegenwoordiging MKB, stichting Duurzaam Leidschendam-Voorburg en netbeheerder Stedin. In de kerngroep bespreken de betrokkenen de inhoudelijke informatie en keuzes, en vullen die aan met hun eigen informatie. Daarnaast heeft regelmatig bestuurlijk overleg plaatsgevonden over de TVW tussen de wethouder Duurzaamheid, wethouder Wonen en bestuurders van woningcorporaties Vidomes en WoonInvest. De gemeenteraad heeft uiteindelijk de verantwoordelijkheid om de TVW vast te stellen.
Rol van de verschillende partijen Gemeente Leidschendam-Voorburg: De gemeente voert regie in het traject naar een TVW en daarna in de realisatie van de warmtetransitie. De gemeente organiseert het proces en zorgt voor de projectcoördinatie. Ze betrekt alle partijen, stelt projectbegeleiders aan en draagt inhoudelijk bij vanuit de doelen en de rol die de gemeente speelt in gebieds- en buurtontwikkelingen. De gemeente levert input en data aan over de buurtkarakteristieken en ontwikkelplannen, zoals vervanging van riolering en andere buurtontwikkelingen. Ook speelt de gemeente een belangrijke rol in de communicatie richting bedrijven, instellingen en bewoners. Verder houdt de gemeente zich bezig met het ontwikkelen van buurtuitvoeringsplannen. De gemeente speelt, wanneer dit gaat spelen, in op buurtinitiatieven. De reeds aangekondigde nieuwe Warmtewet beschrijft ook een rol voor de gemeente om aan te (kunnen) sturen op de ontwikkeling van warmtenetten. Welke rol de gemeente hierin inneemt hangt van verschillende factoren af. De visie hierop zal in de komende jaren verder ontwikkeld worden maar de basis is reeds beschreven in de Lokale Energie Strategie.
Woningbouwcorporaties Vidomes en WoonInvest: Wat betekent de Transitievisie Warmte voor woningcorporaties? De voorliggende Transitie Visie Warme (TVW) is het antwoord van de gemeente Leidschendam-Voorburg op de vraag op welke wijze de gemeente invulling gaat geven aan de duurzaamheidsverplichtingen van de Klimaatwet en het daaruit voortkomende Klimaatakkoord en CO2-reductie. Als grootste corporaties van deze gemeente met rond 9.300 woningen (5.800 WoonInvest en 3.500 Vidomes) zijn de corporaties nauw betrokken geweest bij het tot stand komen daarvan, met deelname aan de Stuurgroep en ook de ondersteunende kerngroep. Het betreft een maatschappelijke opgave waar iedereen in de gemeente mee te maken krijgt. Zowel als huurder maar ook als vastgoedeigenaar. WoonInvest en Vidomes vinden het belangrijk om deze opgave gezamenlijk aan te gaan, omdat in hun optiek alleen dan de beoogde doelen zullen worden bereikt. Daarbij zullen zij zich in het bijzonder sterk maken voor de belangen van hun huurders en voor het eerlijk verdelen van de kosten.
Duurzaamheidsvisie In de duurzaamheidsvisie spreken de corporaties de ambitie uit om in 2050 hun doelen voor goed en betaalbaar wonen zonder belasting van het milieu te halen. Dit doen ze volgens vijf pijlers: energietransitie, klimaatadaptatie, circulariteit, duurzaam wonen en duurzaam werken. Dit doen ze binnen het kader van betaalbaarheid voor de huurder en een gezond huishoudboekje. De energietransitie is een grote financiële uitdaging. Voor de pijler energietransitie staat als stip aan de horizon de doelstelling dat al haar woningen in 2050 aardgasvrij én energieneutraal zijn. Via de energietransitie willen de corporaties bereiken dat al hun woningen in 2050 aardgasvrij én energieneutraal zijn (zonder huishoudelijk verbruik). Daarom zetten ze de komende jaren in op maximale energiebesparing en wekken we zo veel mogelijk duurzame energie op.
52
Aanpak 1.
Vraagreductie energie door het isoleren van woningen, het toepassen van energiebesparende technieken en warmtevraag geschikt voor gasloze warmtebron (‘no-regret’);
2.
Duurzame energieopwekking op of bij de woning (zonnepanelen, zonneboilers, omgevingswarmte);
3.
In de transitiefase tot 2050 fossiele brandstof zo efficiënt mogelijk inzetten (bijvoorbeeld
hybride warmtepomp). Deze maatregelen zijn opgenomen in de meerjarige investeringsbegroting van de woningcorporaties. Energy Common Leidschendam-Voorburg (EC-LV): EC-LV is een onafhankelijk inwonersinitiatief dat zich ten doel stelt bij te dragen aan een duurzame gemeente. EC-LV vervult een rol in het bewust maken en informeren van inwoners over de energietransitie, onder meer met een energiecoaches-programma. Daarnaast beoogt EC-LV ondersteuning en uitvoering van energie-opwekprojecten in lokaal eigendom. In de kerngroep LES en TVW brengt EC-LV expertise in en vertolken zij het inwonersperspectief. Vertegenwoordiging MKB: Samenwerken aan een optimaal ondernemersklimaat in Leidschendam- Voorburg. Vanuit deze visie is MKB LV de belangenbehartiger van de verschillende MKB ondernemers in Leidschendam-Voorburg. Ze proberen zo goed mogelijk te luisteren naar de ondernemers en hun behoefte te vertalen naar de gemeentelijke organisatie. Ook denken ze mee vanuit hun visie met Gemeentelijk beleid en proberen deze te vertalen en te vertellen aan de MKB ondernemers in de gemeente. Op deze manier koppelen ze zo goed mogelijk beleid maken aan de behoefte vanuit de praktijk. Een van de onderwerpen waar ze op proberen bij te dragen is de Energietransitie. Een transitie die we alleen gezamenlijk kunnen realiseren.
Ze streven er naar om de ondernemer zijn belangen zo goed mogelijk te vertegenwoordigen en om de ondernemer een plek aan tafel te geven als dat noodzakelijk is. Stichting Duurzaam Leidschendam-Voorburg: De Stichting Duurzaam Leidschendam-Voorburg is een organisatie van vrijwilligers, die als doel heeft de gemeente te activeren meer te doen op het gebied van duurzaamheid, en tegelijkertijd de inwoners van onze gemeente te overtuigen dat zij ook zelf iets kunnen doen als het gaat om onze gemeente en hun huis/wijk duurzamer te maken. Ze fungeren dus als een klankbord voor de gemeente en een informatieloket voor inwoners. Duurzaamheid bereik je met kleine stapjes, en dat geldt zeker voor energietransitie. Daarom geven ze de volgende oproep mee aan de Transitievisie Warmte: “onze zorg rond de energietransitie zit 'm vooral in hoe inwoners ondersteund gaan worden door de gemeente. Ze kunnen het nooit zelf betalen, hier moet de gemeente de regie nemen en financieel ondersteunen waar mogelijk. Daarnaast kan energietransitie niet alleen lokaal bereikt worden. Inzet vanuit de rijksoverheid en provincie is nodig om de hoge kosten hiervan voor inwoners betaalbaar te maken.” Dat is belangrijkste reden om deel te nemen aan de Kerngroep die de gemeente adviseert bij de Lokale Energie Strategie.
“We moéten van het aardgas af, maar we moeten het doen op een manier die niet alle lasten bij de inwoners legt. We moeten het echt gezamenlijk doen, als gemeente, provincie en rijksoverheid”. Netbeheerder Stedin: Stedin beheert het aardgas- en elektriciteitsnet en draagt bij met haar kennis over mogelijkheden voor (collectieve) energieoplossingen. Een belangrijk speerpunt daarbij is het bepalen van het moment waarop geïnvesteerd kan worden en wanneer (onder welke voorwaarden) dit wenselijk is. Ook kijkt Stedin naar de (on)mogelijkheden die er zijn om elektrische warmtepompen op buurtniveau in te zetten. Inwoners in Leidschendam-Voorburg: Tijdens het opstellen van de WTV zijn via een aantal bijeenkomsten inwoners gevraagd om hun wensen en vragen te delen. Er is nog geen verplichte rol voor inwoners/kantooreigenaren tijdens het opstellen van de transitievisie. Wanneer er een transitiewijk traject wordt opgesteld, zullen gemeente en inwoners samen moeten optrekken om een plan te maken dat
53
aansluit bij de eisen en wensen van inwoners. Tijdens de uitvoering bepalen woningeigenaren op welke manier hun huis wordt geïsoleerd en met welke warmtevoorziening ze gaan werken.
54
Bijlage B – Afwegingskader Criteria aardgasvrije technieken Bij de keuze van een aardgasvrije warmtevoorziening wegen allerlei aspecten mee, zoals kosten, duurzaamheid en betrouwbaarheid. We maken de keuze op grond van de onderstaande criteria, die onder de afbeelding verder worden toegelicht.
Duurzaamheid, milieu Benodigde primaire energie – Primaire energie wordt gedefinieerd als de energie die nodig is aan de bron om het uiteindelijke warmtevraag te dekken. Er wordt dus rekening gehouden met de energie die verloren gaat tijdens transport, opslag en conversiestappen in de keten, en een positieve bijdrage vanuit omgevingswarmte. Een warmteoplossing met een lage primaire energievraag en goede efficiëntie legt minder beslag op de (veelal schaarse) energie-/warmtebronnen. Voor de berekening wordt aangesloten bij de definities uit de BENG-norm. CO -uitstoot – De totale uitstoot van CO -equivalenten in het uiteindelijke warmteconcept. We bekijken alleen de CO -uitstoot van verwarming, koeling, warm tapwater en ventilatie. Voor de berekening wordt aangesloten bij de aannames en definities uit Startanalyse Leidraad Transitievisie Warmte van het PBL. 2
2
2
Omgevingsimpact, ruimtegebruik – Hoeveel ruimte neemt de oplossing in beslag? Is er negatieve impact op het landschap, of op de ruimtelijke kwaliteit in de buurt? Kwaliteit lucht, water en bodem – Heeft de gekozen oplossing een positieve of negatieve impact op de luchtkwaliteit, bodem- of waterkwaliteit? Hieronder vallen: • Luchtkwaliteit: de uitstoot van onder andere fijn stof, roet en stikstofoxiden.
55
• •
Bodemkwaliteit: risico op verspreiding van bodemverontreinigingen bij toepassing bodemenergie, of juist versnelde afbraak verontreinigde stoffen bij toepassing bodemenergie. Waterkwaliteit: invloed (positief of negatief) op de waterkwaliteit en de biodiversiteit in het water
Duurzaamheid in de keten – Leidt de oplossing tot negatieve milieu-impact elders, bijvoorbeeld ontbossing, of uitputting van schaarse grondstoffen?
Sociaal Draagvlak – Is er draagvlak/acceptatie onder de bewoners en lokale ondernemers in de buurt voor de gekozen oplossing? Inpasbaarheid in woning / gebouw – Hoe goed is de oplossing inpasbaar in de woning? Neemt de oplossing veel ruimte in de woning in beslag? Is er een ingrijpende verbouwing nodig? Welzijn, comfort, leefbaarheid – Heeft de gekozen oplossing een positieve of negatieve impact op de directe leefomgeving? Is er een effect op gezondheid of leefbaarheid? Hieronder vallen: • Geluidhinder: geeft de gekozen techniek geluidhinder binnen de woning of op de omgeving? • Binnenklimaat: leidt de oplossing tot (on)gezondere lucht binnenshuis? • Comfort: verandert het comfort van de woning? (negatief of positief) Overlast – Wat is de impact en overlast van de werkzaamheden om de warmtevoorziening te realiseren? Kunnen we de overlast beperkt houden? Mate van ontzorgen – Sommige bewoners doen het liefst alles zelf, en anderen willen graag zo veel mogelijk ontzorgt worden. Per warmtetechniek en wijktraject zal dit gepeild moeten worden bij bewoners. Bestaande lokale initiatieven –aan bij een bestaand initiatief in de buurt?
Economisch Nationale kosten - De totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om een warmteoplossing uit te voeren, ongeacht wie die kosten betaalt, inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Voor de berekening wordt aangesloten bij de Startanalyse Leidraad Transitievisie Warmte van het PBL. Ruimtegebruik (ook in de ondergrond) – Warmtetechnieken hebben ieder een eigen ruimteclaim. Soms ligt de nadruk op installaties in de woning (warmtepomp met buffervat), soms in de ondergrond (warmtenet). De impact hiervan moet goed meegewogen worden in de keuze en kan per wijk zeer verschillend zijn. Kosten voor de eindgebruiker – Alle kosten die een eindgebruiker betaalt voor de omschakeling op aardgasvrij verwarmen. Dat zijn zowel de maandelijkse energielasten als kosten voor installaties en isolatie. Alle subsidies en belastingen zijn hierin verwerkt. Eindgebruikers zijn huurders en eigenaar-gebruikers van gebouwen (bewoners en ondernemers). Kwaliteit business case – Een gezonde en robuuste business case voor alle partijen zorgt dat investeringen beschikbaar komen en vermindert het risico dat projecten niet van de grond komen of stil komen te liggen. Onzekerheid in prijsstelling – Grote financiële risico’s worden zoveel mogelijk vermeden. Voor bewoners moet duidelijk zijn wat hun lasten worden.
Kan gegarandeerd worden dat zij niet voor verrassingen komen te staan, bijvoorbeeld door een elektriciteitsverbruik dat veel hoger blijkt dan voorspeld?
Technologisch
56
Beschikbaarheid warmtebronnen – Is de bron in voldoende mate aanwezig? Is de bron nu en in de toekomst rendabel te exploiteren? Het optimaal benutten van de lokaal beschikbare (warmte)bronnen heeft de voorkeur boven het importeren van energie van buiten de gemeente. Veiligheid – Zijn er risico’s voor de (externe) veiligheid verbonden met de techniek? In hoeverre kunnen deze risico’s worden beheerst? Robuustheid, continuïteit – Leveringszekerheid van de warmtevoorziening is cruciaal. Brengt de gekozen techniek een groter risico op uitval of storingen met zich mee, dan we van het huidige energiesysteem gewend zijn? Als er iets uitvalt, is er dan een vervanging (back-up)? Combinatie met andere werkzaamheden - Hoe goed sluit de oplossing aan bij andere ontwikkelingen in de buurt? Zijn er qua timing combinaties mogelijk, bijvoorbeeld met groot onderhoud, vervanging van riolering of asfalt of aanleg van glasvezel? Maar ook: hoe goed past de oplossing bij een gebiedsontwikkeling?
57
Bijlage C - Bouwjaren In Figuur 1 de bouwjaren in gemeente Leidschendam-Voorburg op de kaart.
Figuur 1 Bouwjaren in gemeente Leidschendam-Voorburg en locaties van bedrijventerreinen.
58
Bijlage D – Toelichting technische analyse In Hoofstuk 4 is een voorspelling gegeven van de energiebesparing voor 2050. In deze bijlage word de achterliggende analyse toelicht. De huidige energielabels zijn gebaseerd op meerdere (landelijke) bronnen. Wanneer aanwezig zijn afgemelde(/geregistreerde) of voorlopige energielabels van het RVO overgenomen. Wanneer deze data niet beschikbaar is, is er een inschatting gemaakt op basis van het bouwjaar van de woning. In het geval van Leidschendam-Voorburg zijn nagenoeg voor alle woningen het label bekend (zie Figuur 2). Voor de utiliteit is dit niet het geval en is er slechts 19% bekend (zie Figuur 3).
Figuur 2. Herkomst energielabels woningen gemeente Leidschendam-Voorburg
Figuur 3. Herkomst energielabels utiliteitspanden gemeente Leidschendam-Voorburg
Vervolgens wordt er door middel van de energielabels de warmtevraag van de woningen ingeschat. De kentallen zijn weergegeven in Tabel 1. De waardes zijn gebaseerd op literatuur en een analyse van de warmtevraag in Nederland.
Voorspelling toekomstig energielabel Aan de hand van de huidige energielabels voorspellen we een toekomstig energielabel. Voor elk huidig energielabel gaan we uit van een labelstap die als economisch rendabel wordt beschouwd. Deze labelstappen zijn gebaseerd op basis van expertise van De WarmteTransitieMakers en praktijkervaring. Een voorbeeld: slecht geïsoleerde woningen, met energielabel G of F of een bouwjaar voor 1940, hebben een beperkt aantal betaalbare isolatiemogelijkheden. Dit komt doordat er vaak geen spouwmuur aanwezig is en een deel van de woningen een beschermd aangezicht of monumentenstatus heeft. Als alleen economisch rendabele isolatiemaatregelen worden uitgevoerd, blijft de verbetering van het energielabel steken op label D of C. De voorspelde energielabels bij de huidige energielabels zijn weergegeven in Tabel 1. De labelsprongen in Tabel 1 zijn enigszins conservatief ten opzichte van de labelsprongen die RVO geeft in het rapport over voorbeeldwoningen. Dit is met name voor labels G en F het geval door de eerder benoemde beperkingen. Vervolgens wordt de besparing ingeschat door de huidige en toekomstige warmtevraag te vergelijken.
Toekenning temperatuurniveau Tot slot wordt het verwachte temperatuurniveau bepaald dat nodig is voor de afgifte. Verwacht wordt dat woningen die nu energielabel A hebben geschikt zijn voor een lage temperatuurafgifte. Er zal hiervoor wel aanpassing nodig zijn aan het afgiftesysteem. Woningen met energielabel B t/m E zullen naar verwachting goed met midden temperatuur te verwarmen zijn en met de nodige investering ook in sommige gevallen met een lage temperatuur verwarmd kunnen worden. Label F en G zijn moeilijker te isoleren en zullen na verwachting midden tot hoge temperatuur warmteafgifte nodig hebben.
59
Tabel 1. Voorspelde energiebesparing en verbetering van het energielabel door isolatie. We gaan uit van de isolatie die economisch rendabel is. De mogelijke besparing is berekend door de warmtevraag van het huidige en het toekomstige energielabel te vergelijken.
Bedrijfspanden Door de diversiteit in functies en soorten gebouwen is er bij bedrijfspanden een grotere onzekerheid over de huidige en toekomstige warmtevraag. Daarnaast gelden er andere energie-eisen voor utiliteitsbouw dan voor woningbouw. In de warmteanalyse wordt voor alle bedrijfspanden een besparing van 30% geschat. Voor kantoorpanden gelden vanaf 2023 strengere energie-eisen. Label C is vanaf dan minimaal vereist voor grotere kantoren (>100 m2). Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet.1 De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de EU en binnen Nederland verder aangescherpt zullen worden. De verwachting is daarmee dat het merendeel van de kantoren in 2050 geschikt zal zijn voor lagere of middelhoge temperatuur warmte (zie Tabel 2). Bij andere bedrijfspanden hangt de warmtevraag sterk af van de functie van een gebouw. Zo is het vaak niet nodig om een opslagloods tot 20°C te verwarmen. Voor bedrijfspanden moet meer op individueel niveau gekeken worden welke warmtevoorziening volstaat. Industriepanden gebruiken afhankelijk van de precieze functie ook warmte in processen. Hiervoor is vaak zeer hoge temperatuur warmte nodig.
Tabel 2. Voorspelde warmteprofielen bedrijven (exclusief industrie). Omdat voor kantoorpanden strengere regelgeving geldt, is de verwachting dat veel oudere kantoren grondig gerenoveerd (of nieuw gebouwd) gaan worden. Daardoor is een groot deel van de kantoorpanden in de toekomst geschikt voor lagetemperatuurverwarming.
1
https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/bestaandebouw/energielabel-c-kantoren
60
Ondanks dat er meer onzekerheid is bij het inschatten van de warmtevraag in bedrijfspanden, zijn er wel kentallen beschikbaar die een indicatie geven voor de warmtevraag op basis van landelijke gemiddeldes. 2 Dat betekent dat er op lokaal niveau wel grote foutmarges kunnen optreden. Zo vallen loodsen onder ‘industriefunctie’, maar een kas of een bakker ook. Daarnaast hebben veel bedrijfspanden meerdere functies, waardoor er ook onzekerheden zitten in het toekennen van de juiste kentallen. In Tabel 3 staan de kentallen weergegeven.
Tabel 3 Kentallen warmtevraag voor verschillen type gebruiksfuncties utiliteit. Gebruiksfunctie Bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidszorgfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfunctie Overige gebruiksfunctie Sportfunctie Winkelfunctie
2
Warmtevraag [GJ/m2/jaar] 0,53 0,65 0,55 0,30 0,40 0,56 0,39 0,17 0,47 0,35
Bron: Greenvis, Innax en CBS
61
Bijlage E - Niet of beperkt aanwezige warmtebronnen Warmtebronnen met weinig of geen potentie Restwarmte bedrijven Bij industriële processen blijft soms warmte over, die niet binnen het bedrijf gebruikt kan worden. Afhankelijk van het type bedrijf is dit lage, middelhoge of hoge temperatuur warmte, die door middel van een warmtenet ingezet kan worden voor verwarming. In LeidschendamVoorburg zijn geen bedrijven aanwezig met bruikbare restwarmte. Biomassa (houtachtig) Biomassa is de verzamelnaam voor diverse soorten organische materiaal, zoals voedselresten, snoeihout, meststromen en productiebossen. Er zijn vele vormen van biomassa, maar de inzet van biomassa voor het verwarmen van woningen zal naar verwachting gering blijven. Dit heeft te maken met de beperkte beschikbaarheid van duurzaam beschikbare biomassa én de andere toepassingsmogelijkheden die biomassa heeft. Biomassa kan meegestookt worden in grote energiecentrales en op kleinere schaal ingezet worden met pelletkachels. De potentie voor de productie van warmte uit resthout op het grondgebied van Leidschendam-Voorburg is geschat op 30 TJ per jaar3.
Opkomende technieken Waterstof Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager. Om waterstof te maken wordt tot nog toe meestal elektriciteit gebruikt uit fossiele gas- en kolencentrales (grijze waterstof). Het is ook mogelijk om groene energie te gebruiken (groene waterstof). Groene waterstof is vooralsnog duur en schaars, en zal dat voorlopig waarschijnlijk blijven. Waterstof is bij uitstek geschikt om hoge temperaturen te maken. Het is dan ook het meest logisch om waterstof in te zetten waar hoge temperaturen noodzakelijk zijn. In de meeste toekomstvisies worden vooral de industrie, zwaar transport en de vliegtuigsector genoemd als de sectoren waar waterstof het meeste bijdraagt aan verduurzaming. Ook wordt een rol van waterstof voorzien in het balanceren van het elektriciteitsnet. Waterstof wordt opgeslagen om stroom te produceren als er tijdelijk minder zonne- en windenergie wordt opgewekt. Er moet dus kritisch gekeken worden waar waterstof het meest logisch is om in te zetten. Een voordeel van de inzet van waterstof is evenwel dat – met de nodige aanpassingen – het bestaande gasnet gebruikt kan blijven worden. Een overstap naar waterstof heeft daarom het voordeel dat het minder grote ingrepen in de openbare ruimte vraagt. Ook zijn de vereiste ingrepen in de woning enigszins beperkt, omdat waterstof warmte kan leveren op hoge temperatuur.
Omdat waterstof duur (veel duurder dan aardgas) is, zal voldoende isolatie van de woning evenwel wenselijk blijven. De cv-ketel dient aangepast te worden, ook moet per woning worden nagegaan of de leidingen in de woning veilig zijn voor toepassen van waterstof. In Nederland wordt tot aan 2030 zeer beperkt ingezet op kleinschalige pilots. Ook omdat er (goedkopere) alternatieven voorhanden zijn. Maar voor lastig te verwarmen gebouwen zoals monumenten is een hybride oplossing met waterstof in de toekomst wellicht een optie.
3
Bron: Warmteatlas
62
Warmtenetten – landelijke ontwikkelingen Landelijk wordt de regelgeving over warmtenetten aangepast. Er is een nieuwe warmtewet aangekondigd voor 2022 . De verwachting is dat in ieder geval wordt vastgelegd dat als er een warmtenet in de wijk aanwezig is, bewoners het recht hebben op een aansluiting, maar niet de plicht om aan te sluiten. Een bewoner houdt dus de vrijheid om zelf voor de woning een andere oplossing te kiezen, zoals een warmtepomp als het alternatief vergelijkbaar is. De prijs van warmte uit een warmtenet wordt tot nog toe bepaald met het Niet Meer Dan Anders (NMDA)-principe, waarbij de prijs gekoppeld is aan de prijs van aardgas. Ook dit staat momenteel ter discussie en gaat op termijn veranderen. De nieuwe warmtewet wil aansturen op een transparante en heldere afspraken omtrent de prijstelling, zodat bewoners weten waar ze aan toe zijn. De gemeente houdt de landelijke ontwikkelingen en nieuwe wetgeving in de gaten.
63
Bijlage F Ruimte in de ondergrond en strategie warmtenetten Warmtenetten Warmtenetten bestaan uit leidingen onder de grond, die warm water transporteren van een warmtebron naar de woningen. Warmtenetten bestaan in verschillende soorten, maten en temperaturen. Er zit verschil in de temperatuur van de bron, en de temperatuur van de warmte die in de woning wordt aangeleverd. Zo kan een warmtenet op een temperatuur aangelegd worden die direct in de woning gebruikt kan worden – dat is mogelijk bij een hogere temperatuur van de bron. Ook kan een warmtenet met lage brontemperatuur in de woning of per buurt met een warmtepomp verder worden verhoogd. Onze gemeente kenmerkt zich door veel afwisselende bouw. Hoog- en laagbouw wisselen elkaar vaak af en ook oud en nieuw komt regelmatig gemengd voor. Grootschalige warmtenetten zijn bij uitstek geschikt voor gebieden met een hoge (blijvende) warmtevraag. Dat zijn met name oude kern- en lintbebouwing en dicht bebouwde gebieden. Flinke delen van onze gemeente hebben op zich een voldoende (blijvende) warmtevraagdichtheid om in beginsel geschikt te zijn voor warmtenetten. Warmtenetten hebben ook belangrijke nadelen. Zo is de aanleg ingrijpend, vergelijkbaar met de aanleg van een nieuw riool. Ook het ondergrondse ruimtebeslag is groot.
Afhankelijk van de nettemperatuur en warmtevraag is een nieuwe ondergrondse profielruimte van 1 tot 1,5 meter nodig en zijn regelmatig ondergrondse expansielussen nodig om het krimpen en uitzetten van de leidingen op te vangen. In de toch al drukke ondergrond kan dit lastig zijn of leiden tot meerkosten bij toekomstige civiele werkzaamheden. Een warmtenet schuif je namelijk niet even makkelijk opzij. Om de ruimte in de ondergrond op voorhand al te bepalen is door ingenieursbureau Wareco onderzocht in hoeverre in onze ondergrond die ruimte beschikbaar is. Hoe krapper die ondergrond, hoe lastiger het is om een warmtenet aan te leggen. Daaruit blijkt dat onze ondergrond op veel plekken een beperkte hoeveelheid ruimte voor Figuur 4 Warmtevraagdichtheid warmtenetten heeft (zie voorbeeld “Voorburg Oud”, figuur 5). Hoog temperatuur restwarmtenetten staan om die reden onderin de “Energieladder van LV” die met de uitgangspuntennotitie LES is vastgesteld.
64
Figuur 5 voorbeeld van resultaten van de analyse beschikbare ruimte voor warmtenetten in de ondergrond Wareco 2020
Bovenstaande betekent niet dat warmtenetten in Leidschendam-Voorburg uitgesloten zijn. Per wijk zullen we een zorgvuldige afweging moeten maken welke verwarmingsopties mogelijk zijn en wat die betekenen qua kosten voor alle partijen en qua ruimtelijke impact boven- en ondergronds. Wij kijken daarbij verder dan alleen het prijskaartje. Wij kijken nadrukkelijk naar wat de wijkbewoners willen, maar ook naar de
65
effecten op bijvoorbeeld het behoud van het archeologisch ondergrondse archief, toekomstige belemmeringen voor bv het aanleggen van fietstunnels of riolering en de invloed op bijvoorbeeld het drinkwaterleidingen. Impact van warmtetransitie op de drinkwaterinfrastructuur Hittestress in de stad is niet alleen een volksgezondheidsissue boven het maaiveld. Ook onder het maaiveld kan opwarming een risico vormen voor de gezondheid van stadsbewoners. Wanneer afstand tussen een waterleiding en warmte-afgevende infrastructuur (elektriciteit- en warmte-netten) niet geborgd wordt, is opwarming van leidingwater een groot risico. Door een te warme bodem komt de kwaliteit van het leidingwater in het geding. Volgens het Drinkwaterbesluit mag het waterbedrijf drinkwater leveren met een temperatuur van maximaal 25°C. Wordt deze temperatuur overschreden, dan kan dit resulteren in extra bacteriële groei met volksgezondheid-risico’s als gevolg. Om het water in de warme zomermaanden onder de 25 graden te houden, zijn integrale en duurzame ruimtelijke keuzes noodzakelijk.
Het risico van opwarming van drinkwaterwater en toenemende ruimtedruk in de ondergrond leidt tot de volgende aandachtspunten: • Afstand tussen MT-/HT-warmteleidingen en drinkwaterleidingen • Afstand tussen Middenspanning- / Hoogspanning-kabels en drinkwaterleidingen • Bescherming transportleidingen • Bescherming aansluitleidingen • Voorkomen van beïnvloeding in de meterkast • Ruimtereserveringen voor toekomstige uitbreidingen van het drinkwaternet • NEN-normeringen integreren in gemeentelijk beleid (NEN7171, NEN3654) t.b.v. duurzame ordening ondergrondse infrastructuur • Vooruitlopend op de collectieve Warmtewet kan een gemeente de volgende maatregelen nemen: o Neem het voorkómen van opwarming van drinkwater op als randvoorwaarde voor vergunningen voor aanleg van warmtenetten o Regel adequaat toezicht en handhaving door gemeenten op een juiste aanleg van warmtenetten Overheden hebben, samen met de drinkwaterbedrijven, een wettelijke zorgplicht voor de (ruimtelijke) bescherming van onze drinkwatervoorziening (kwalitatief én kwantitatief). Door Dunea al bij de planvorming, dus vroegtijdig, te betrekken, creëren we de mogelijkheid om duurzame en integrale ruimtelijke keuzes te maken. Op deze manier kunnen we samen dure aanpassingen voorkomen, werkzaamheden combineren en de drinkwaterleveringszekerheid & kwaliteit borgen.
Strategie ten aanzien van warmtetransportleiding WarmtelinQ De Provincie Zuid-Holland, de Rijksoverheid en de Gasunie zetten zich in om overtollige restwarmte uit het havenindustriecluster waar mogelijk elders te benutten in Zuid-Holland. Er komt zeer waarschijnlijk een hoge temperatuur (restwarmte)transportleiding genaamd WarmtelinQ van Rotterdam naar Den Haag, en vervolgens langs de A4 richting Leiden en omgeving te liggen. Als gemeente zetten we niet in op de grootschalige uitrol van warmtenetten omdat de ruinte in ondergrond hier vaak niet toereikend voor is. Tegelijkertijd kan de nabijheid van WarmtelinQ mogelijk wel een kans bieden om delen van de gemeente hierop aan te sluiten. We willen graag keuzevrijheid bieden aan onze inwoners. Daarom zullen we de toekomstige aanwezigheid van WarmtelinQ en de mogelijkheden die dit brengt meenemen in de vervolgkeuzes voor de transitiewijken en de volgende versie(s) van de Warmte Transitievisie.
66
Bijlage G Toelichting Startanalyse Leidraad In Hoofdstuk 5 hebben we de Visie Warmtevoorziening voor gemeente Leidschendam-Voorburg gepresenteerd. Op deze kaart is te zien welk type warmtevoorziening kansrijk is als alternatief voor aardgas. Er zijn ook andere landelijke en lokale modellen die in beeld brengen welke warmtevoorziening kansrijk is en de laagste nationale kosten met zich mee brengt. In deze bijlage geven we een overzicht van de modellen die iets zeggen over de mogelijke toekomstige warmtevoorziening in LeidschendamVoorburg. We vergelijken de uitkomsten van de Startanalyse van PBL en het Openingsbod van netbeheerder Stedin met onze eigen Visie Warmtevoorziening en lichten de overeenkomsten en verschillen toe. Elk model is een andere versimpelde weergave van de werkelijkheid. Het is belangrijk om de gemaakte aannames en interpretaties in acht te nemen en niet alleen op basis van de resultaten conclusies te trekken.
De Startanalyse van de Leidraad – versie september 2020 De Startanalyse van de Leidraad is een analyse die de kosten van verschillende strategieën voor de toekomstige warmtevoorziening in kaart brengt. Er zijn in totaal vijf strategieën: -
S1: Individuele elektrische warmtepomp S2: Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron S3: warmtenet met lagetemperatuurbron S4: Groengas S5: Waterstof
Per CBS-buurt wordt de strategie met de laagste nationale kosten weergegeven op de kaart in Figuur 6.4
Figuur 6. Weergave van de scenario's met de laagste nationale kosten per gereduceerde ton CO2uitstoot volgens de Leidraad Startanalyse voor gemeente Leidschendam-Voorburg.
Interpretatie resultaten
van
de
4
Voor deze analyse is gebruikt gemaakt van de Vesta MAIS software, waarin het Planbureau voor de Leefomgeving een model heeft gemaakt dat per CBS-buurt in Nederland de strategie met de laagste nationale kosten kan berekenen. Nationale kosten zijn inclusief de kosten en baten van energiebesparing en alle kosten en investeringen voor de opwek en distributie van stroom en warmte, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het is een open-source model en alle aannames en gebruikte methodieken zijn online in te zien: https://github.com/RuudvandenWijngaart/VestaDV/wiki/F%29-Vesta-MAIS-in-de-Leidraad Meer informatie over De Startanalyse en hoe de resultaten geïnterpreteerd kunnen worden, is onder andere door De Warmtetransitiemakers uitgelegd in een webinar die online terug te zien is: https://vimeo.com/470550595
67
De Startanalyse van de Leidraad verschilt in methodiek met de analyse in Hoofdstuk 5 waarin de Visie Warmtevoorziening gepresenteerd is. Hier bespreken we de belangrijkste aandachtspunten bij het interpreteren van de resultaten in Figuur 6. CBS-buurten in plaats van logische clusters De kostenberekening van een techniek uit de Leidraad Startanalyse gaat per CBS-buurt. Omdat binnen een CBS-buurt verschillende type woningen kunnen staan, kan het resultaat een vertekend beeld geven dat niet representatief is voor de verschillende gebieden in de CBS-buurt. Beschikbare warmtebronnen in Strategieën 2 t/m 5 De nationale kosten in Strategieën 2 en 3 worden berekend op basis van de beschikbare warmtebronnen die bij het PBL bekend zijn. Doordat de Startanalyse rekent met de algemene openbare data, komen er ook warmtebronnen voor in de Startanalyse die in praktijk niet (meer) beschikbaar zijn. Andersom geldt dat relevante warmtebronnen niet meegenomen zijn. In Leidschendam-Voorburg is bijvoorbeeld warmte uit de Dunea waterleiding niet meegenomen, terwijl dit een warmtebron is met veel potentie. Voor Strategie 3 geldt dat vaak niet de hele CBS-buurt aangesloten wordt op het warmtenet met lagetemperatuurbron. Dit maakt het interpreteren van Strategie 3 lastig: de kaart in Figuur 6 laat niet zien welk deel van de buurt daadwerkelijk aangesloten wordt op het warmtenet.
Daarnaast zijn de kosten voor het aansluiten van de hele buurt niet inzichtelijk, wat een vergelijking met andere strategieën of andere buurten moeilijker maakt. Strategieën 4 en 5 geven de nationale kosten wanneer de energiedragers groengas of waterstof ingezet worden. Waterstof wordt in de Startanalyse nog niet toegewezen als goedkoopste alternatief, omdat er nog veel onzekerheid is over de beschikbaarheid van waterstof. Waterstof kan bijvoorbeeld met (overschotten van) duurzaam opgewekte elektriciteit geproduceerd worden. Voor groengas wordt ook rekening gehouden met de beperkte beschikbaarheid en groengas wordt alleen als goedkoopste strategie weergegeven in de CBS-buurten waar de andere strategieën veel duurder zijn. De kaart van de Startanalyse laat geen verschillen met de alternatieven zien Op de kaart in Figuur 6 is niet te zien hoe groot het verschil in nationale kosten is met het goedkoopste alternatief. In Figuur 7 is te zien dat het wel relevant is om het verschil in acht te nemen en zien we hoeveel duurder of goedkoper Strategie 2 is ten opzichte van Strategie 1.
Verschillen tussen de Startanalyse en de Visie Warmtevoorziening Het eindbeeld van de Startanalyse is niet per buurt één op één te vergelijken met de Visie Warmtevoorziening, met name vanwege de genoemde verschillen in methodiek. Voor LeidschendamVoorburg geldt dat géén van de vier CBS-buurten in zijn geheel homogeen gebouwd is. Dat betekent dat er per buurt veel nuances te maken zijn, die niet terugkomen in de resultaten van de Startanalyse. Dit maakt de resultaten van de Startanalyse moeilijk te interpreteren. Strategie 2 en ruimte in de ondergrond Een belangrijk verschil zien we in de mate waarin strategie 2 (MT/HT warmtenetten) terug komt. Vanwege de hoge dichtheid qua bebouwing geeft de Startanalyse deze strategie vaak aan. Daarin is echter niet meegenomen dat de ruimte in de ondergrond in Leidschendam-Voorburg regelmatig niet zonder complicaties beschikbaar zal zijn (zie bijlage F). Verhoogde aanlegkosten vanwege de beperkte ruimte kunnen een kostenverhogende factor zijn die nu niet in de Startanalyse is meegenomen. Daarom is in de Visie Warmtevoorziening een onzekerheidsfactor in aangebracht voor de meeste van die gebieden, gebaseerd op de studie van ingenieursbureau Wareco. Het alternatieve scenario voor die gebieden is vaak verwarming via hybride warmtepompen en duurzame brandstof omdat de meeste gebouwen daar nog langere tijd hogere temperatuur nodig zullen hebben.
Totaaloverzicht startanalyse
68
Figuur 7 laat zien dat voor de veel buurten de extra nationale kosten per ton gereduceerde CO2 ten opzichte van de aardgasreferentie voor de verschillende strategieën dicht bij elkaar liggen. Voor De Heuvel noord geldt dat de kosten voor de 2e goedkoopste optie (Strategie 1) verdubbelen ten opzichte van de goedkoopste optie (Strategie 2). Dit komt doordat in deze buurt alleen gestapelde bouw aanwezig is waardoor een collectieve oplossing interessant is. In Landelijk gebied Stopwijk is juist veel verspreide bouw waardoor de kosten voor een collectieve oplossing veel hoger zijn.
Figuur 7. De extra nationale kosten van strategie 1, 2, 3 en 4 in de Startanalyse van de Leidraad voor gemeente Leidschendam-Voorburg.
Openingsbod Stedin In het Openingsbod van netbeheerder Stedin worden drie bestaande en erkende modellen met elkaar vergeleken. Deze drie modellen geven een denkrichting voor de toekomstige warmtevoorziening. De mate waarin de uitkomst van deze modellen met elkaar overeen komen, bepaalt hoe robuust een uitkomst is. Het gaat om de modellen: -
-
Vesta MAIS model van het Planbureau voor de Leefomgeving (toegepast door Ecorys); CEGOIA van CE Delft; Energietransitiemodelwarmtemodule van Quintel Intelligence.
Figuur 8. Uitkomst Openingsbod Stedin voor gemeente Leidschendam-Voorburg.
69
De resultaten voor gemeente Leidschendam-Voorburg zijn weergegeven in Error! Reference source not found.. In het Openingsbod wordt, net als in de Startanalyse, gekeken naar de totale nationale kosten.
Interpretatie van de resultaten Het Openingsbod heeft net als de Startanalyse een andere methodiek om te komen tot resultaten dan de methodiek gebruikt voor de Visie Warmtevoorziening. CBS-buurten in plaats van logische clusters Net als in de Startanalyse maakt Stedin gebruik van CBS-buurtgrenzen, waardoor nuances binnen een buurt niet terugkomen in het eindbeeld. Beschikbaarheid warmtebronnen Net als de Startanalyse, maakt Stedin gebruik van beschikbare informatie over de beschikbaarheid en potentie van warmtebronnen. Stedin legt hier op basis van de landelijke data een eigen interpretatie overheen en bekijkt ook de impact van de aannames in een gevoeligheidsanalyse. De resultaten van de gevoeligheidsanalyse zijn te zien in Figuur 10, Figuur 9 en Figuur 12. De belangrijkste aannames zijn de mate waarin warmte beschikbaar is voor een warmtenet en de mate waarin duurzaam gas beschikbaar is als alternatief voor aardgas. De robuustheid van een oplossing Hoewel de kaart in Error! Reference source not found. beperkt is doordat de uitkomst alleen voor een hele CBS-buurt samengevat kan worden, wordt wel de robuustheid van de uitkomst meegegeven: hoe donkerder de kleur, hoe zekerder de weergegeven oplossingsrichting past bij de (hele) buurt. Meer informatie over het Openingsbod is te vinden op de website van Stedin. 5
Figuur 9. Openingsbod: ruim warmte en beperkt groen gas.
Figuur 10. 11. Openingsbod: ruim warmte en groen gas.
5
https://www.stedin.net/zakelijk/branches/overheden/het-openingsbod
70
Figuur 12. Openingsbod: weinig warmte en weinig duurzaam gas beschikbaar.
Verschillen tussen het Openingsbod en de Visie Warmtevoorziening Het Openingsbod bevestigt dat, wanneer de analyse op CBS-buurt niveau gedaan wordt, de oplossingsrichtingen dichtbij elkaar liggen. De beschikbaarheid van omgevingswarmte en duurzaam gas spelen een belangrijke rol bij de keuze voor een oplossingsrichting. Net als bij de vergelijking met de Startanalyse geldt dat de nuances binnen de CBS-buurten relevant zijn, maar niet in het resultaat van het Openingsbod terugkomen. Kijkend naar Error! Reference source not found. van het Openingsbod zijn er weinig verschillen ten opzichte van de Visie Warmtevoorziening. Van de vier buurten waar er een robuuste uitkomst is in het Openingsbod laat de Visie Warmtevoorziening dezelfde resultaten zien. Zo is in De Heuvel zuid en Prinsenhof is een warmtenet kansrijk en in Schakenbosch en Buitengebied een individuele oplossing het meest voor de hand liggend. Een verschil tussen beide visies is te vinden in De Amstelwijk. In het Openingsbod komt in geen van de analyses een warmtenet naar voren. Door de hoge warmtevraagdichtheid, de nabijheid van de Dunea waterleiding en genoeg ruimte in de ondergrond wordt deze buurt in de Visie Warmtevoorziening wel kansrijk ingeschat voor een warmtenet. Daarnaast komt duurzaam gas/hybride op andere gebieden naar voren in het Openingsbod ten opzichte van de Visie Warmtevoorziening.
Voor duurzaam gas is het belangrijk dat er een gasnet in stand gehouden wordt. Voor verspreide bebouwing is het minder aannemelijk dat dit betaalbaar blijft aangezien er veel leiding in stand gehouden moet worden voor enkele afnemers. Hierdoor is het gekozen om in deze gebieden in de Visie Warmtevoorziening individueel in te tekenen.
71