CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept-besluitenlijst Gemeenteraad Leiden 8 oktober 2020

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Vaststelling besluitenlijst van 8 oktober 202037.703 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

De naam of het beeldmerk van het bedrijf of de inrichting waar het terras bij hoort; b. De naam van de betreffende eigenaar; c. De naam of een afbeelding van een product dat in het bedrijf wordt verkocht, en/of; 47/95

d. De naam of het logo van een merk dat in het bedrijf wordt verkocht. 18. Het college kan op verzoek ontheffing verlenen van dit artikel. Artikel 3.4.5.4 Parasols (Regels terrassen) 1. Parasols die in aanleg niet binnen kunnen worden opgeslagen, kunnen worden aangemerkt als bouwwerk. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor een bouwwerk zijn verleend. 2. De afmetingen van uitgeklapte parasols mogen de grenzen van het terras niet overschrijden. 3. Tussen de bestrating en de onderkant van de volant moet minimaal 2,3 meter doorloophoogte blijven. 4. De vaste parasol mag in uitgeklapte stand niet hoger zijn dan de eerste verdiepingsvloer van het aangrenzende pand, met een maximum van 3,5 meter. 5. Een uitgeklapt, aaneengesloten parasoldak mag maximaal 36 m2 beslaan. 6. Tussen de verschillende aaneengesloten parasoldaken moet rondom minimaal 1 meter tussenruimte worden vrijgehouden. 7. Parasols moeten worden uitgevoerd in een gedekte kleur. Paragraaf 3.4.6 Stadsschoon en handelsreclame Artikel 3.4.6.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (APV) 1. Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.4.6.2 Reclamevoertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het doel daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 3. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.4.6.3 Vergunningsplicht stadsschoon en handelsreclame (APV) 1. Zonder vergunning is het niet toegestaan voor de eigenaar of gebruiker van een onroerend goed daarop opschriften, aankondigingen of afbeeldingen te hebben, in welke vorm dan ook en op welke manier dan ook. 2. Het verbod uit het eerste lid geldt alleen voor opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, in welke vorm dan ook, die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats, voor zover de bedoeling hiervan is een boodschap naar die plaatsen over te brengen. 3. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor: a. onroerend goed dat is gelegen in het landelijke gedeelte van de gemeente, als bedoeld in de provinciale verordening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland; b.

naamborden en opschriften die betrekking hebben op de dienst, het beroep of het bedrijf dat daar wordt uitgeoefend, mits het naambord of opschrift niet groter is dan 0,15 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 0,50 meter; 48/95

c.

aankondigingen die worden gedaan om te voldoen aan een wettelijke verplichting, waarbij de in het wettelijk voorschrift genoemde minimum afmetingen niet mogen worden overschreden. Als er geen maten zijn vastgesteld dan geldt als maximum een oppervlakte van 0,15 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 0,50 meter; d. aankondigingen waarbij een onroerend goed geheel of gedeeltelijk te koop of te huur wordt aangeboden, mits deze worden aangebracht op dat onroerend goed dan wel daar waar de verkoping zal plaatsvinden en de aankondiging niet groter is dan 0,35 m2 en geen afmeting groter is dan 1 meter. Per onroerend goed zijn maximaal twee aankondigingen toegestaan. De aankondigingen zijn slechts toegestaan zolang zij feitelijk betekenis hebben; e. aankondigingen die van tijdelijke aard zijn, mits de aankondiging niet groter is dan 0,75 m2 en geen afmeting groter is dan 1 meter. De aankondiging mag maximaal vier weken aanwezig zijn. Aankondigingen aan een onroerend goed die betrekking hebben op daar in gehouden wettelijk toegestane uitverkopen of opruimingen mogen niet groter zijn dan 3 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 3 meter. Voor aankondigingen aan een bioscoop van de daarin te vertonen films gelden geen maximummaten; f.

opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in een onroerend goed voor zover deze niet de bedoeling hebben om een boodschap over te brengen naar de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats; g. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op zuilen, borden en muren die daarvoor door de gemeente zijn aangewezen; h. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op stationsemplacementen; i. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen die zijn aangebracht op een gebouw en waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; j. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen die dienen ter uitoefening van artikel 7 van de Grondwet; k. monumenten in de zin van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening; l. handelsreclame, voor zover deze voldoet aan de in deze verordening opgenomen regels. 4. Een opschrift, aankondiging of afbeelding dat op, aan of in een onroerend goed is aangebracht volgens het bepaalde in het derde lid, onder b tot en met h, mag niet in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Bij overtreding is het college bevoegd de eigenaar of de gebruiker van het onroerend goed aan te schrijven het opschrift, de aankondiging of de afbeelding binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 5.

Als het college een eigenaar of gebruiker van een onroerend goed herhaaldelijk heeft aangeschreven op grond van het vierde lid, kan zij besluiten dat het verbod uit het eerste lid toch van toepassing is. 6. Bij het aanvragen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet een tekening of foto worden geleverd die aangeeft hoe het opschrift, de aankondiging of de afbeelding eruitziet, waarbij in ieder geval de materialen en kleuren worden vermeld. Deze stukken moeten in tweevoud worden aangeleverd. Het college beslist binnen acht weken nadat zij de aanvraag heeft ontvangen.

49/95

7. Het college kan een vergunning weigeren als het onroerend goed of de omgeving daarvan dreigen te worden ontsierd, of als het stadsschoon in het algemeen wordt geschaad. 8. Het college kan een vergunning in ieder geval intrekken als daar binnen zes maanden na dagtekening geen gebruik van is gemaakt, of, als de vergunning eerst wel is gebruikt, het gebruik hiervan ten minste zes achtereenvolgende maanden is gestaakt. 9. Als een opschrift, aankondiging, of afbeelding is aangebracht op, in of aan een roerend goed en deze het stadsschoon ontsiert, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven het opschrift, de aankondiging of de afbeelding binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 10. Het bepaalde in het tiende lid geldt ook voor voorwerpen of inrichtingen op, in of aan een onroerend goed die zijn bestemd of worden gebruikt voor het aanbrengen van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen. 11. De eigenaar of gebruiker van een gebouwd onroerend goed mag de muren daarvan niet zelf, of door een ander laten, verven, sausen of bepleisteren in een kleur die afwijkt van de omgeving, voor zover deze muren zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 12.

De eigenaar of gebruiker van gebouwd onroerend goed mag de ruiten daarvan niet zelf, of door een ander laten, verven, voor zover deze muren zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 13. Het bepaalde in het twaalfde en dertiende lid is niet van toepassing als het college hiervoor een vergunning heeft verleend. Het bepaalde in het zesde, achtste en negende lid is hierop van toepassing. 14. Het bepaalde in het twaalfde en dertiende lid is niet van toepassing op opschriften, aankondigingen en afbeeldingen als bedoeld in het eerste en tweede lid. 15. Als de kleur(en) van een gebouwd onroerend goed in samenhang met de omgeving het stadsschoon ontsiert/ontsieren, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven de kleur(en) binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 16. Als geblindeerde ramen van een gebouwd onroerend goed in samenhang met de omgeving het stadsschoon ontsieren, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven de blindering binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 17.

Als een erf dat bij een bouwwerk hoort wordt gebruikt voor het stallen van één of meer motorrijtuigen op meer dan twee wielen op een manier waardoor het stadsschoon wordt ontsierd, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat erf aan te schrijven dat deze moet zorgen dat de betreffende motorrijtuigen van het erf of een aangewezen deel daarvan worden verwijderd en verwijderd gehouden. 18. Het bepaalde in het tiende, elfde, zestiende, zeventiende en achttiende lid geldt alleen voor zover de ontsiering van het stadsschoon zichtbaar is vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 19. Om te bepalen of er sprake is van ontsiering van het stadsschoon als bedoeld in dit artikel, wordt advies gevraagd aan de Welstands- en monumentencommissie Leiden,

50/95

dan wel de opvolger daarvan. De commissie betrekt de Welstandsnota bij haar oordeel. 20. Het bepaalde in het twaalfde tot en met het zestiende, en het achttiende lid is niet van toepassing op monumenten in de zin van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening.

Artikel 3.4.6.4 Vergunningsvrij (Nadere regels handelsreclame) 1. Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.6.3, eerste lid geldt niet voor: a. Het wijzigen van het opschrift, de aankondiging of afbeelding van een bestaande en vergunde reclameaanduiding. b. Reclameaanduidingen waarvoor het glas wordt beplakt, mits het glasoppervlakte van de winkelpui voor niet meer dan 15% wordt beplakt; c. Opschriften, aankondigingen of afbeeldingen die zijn aangebracht op borden op of bij in uitvoering zijnde bouwwerken voor zover ze betrekking hebben op de naam of aard van die bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, voor zo lang als zij feitelijk van betekenis zijn. 2. Voor de criteria als bedoeld in het eerste lid geldt dat de reclameaanduiding betrekking moet hebben op de goederen of diensten die in het bedrijf worden verkocht. Paragraaf 3.4.7 Voertuigen Artikel 3.4.7.1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke (APV) 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt onder andere begrepen: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.

voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die niet langer dan een uur duren, voor zo lang als die werkzaamheden duren; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid. 3. Het is niet toegestaan voor de persoon die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van heeft gemaakt om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om: a. drie of meer voertuigen die aan hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een straal van 25 meter van een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het derde lid. 5. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.4.7.2 Te koop aanbieden van voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen weg, met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 51/95

3. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.4.7.3 Defecte voertuigen (APV) Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door gebreken die niet eenvoudig te verhelpen zijn, mag niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geparkeerd. Artikel 3.4.7.4 Voertuigen met verlopen APK (APV) Het is niet toegestaan om een voertuig op de weg te parkeren waarvan de Algemene Periodieke Keuring langer dan één maand is verlopen. Artikel 3.4.7.5 Staat voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat rijtechnisch onvoldoende is onderhouden en dat in een verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 3.4.7.6 Grote voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, die niet langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen, van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.4.7.7 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat het uitzicht van de bewoners of gebruikers op een hinderlijke manier wordt verstoord of zij op een andere manier hinder of overlast ervaren. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing voor de tijd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel 3.4.7.8 Parkeren nabij een wijkcontainer (APV) Het is niet toegestaan een voertuig op de weg bij een wijkcontainer te parkeren op een manier dat het legen daarvan op een hinderlijke manier wordt belemmerd. 52/95

Artikel 3.4.7.9 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een weggedeelte, anders dan de rijbaan, dat door het college is aangewezen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam worden verricht. Artikel 3.4.7.10 Overlast van fietsen of bromfietsen (APV) 1. Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen onbeheerd te laten staan op de door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaatsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen, om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen of op te heffen. 2. Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen die rijtechnisch onvoldoende zijn onderhouden en die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. Artikel 3.4.7.11 Weesfietsen (APV) Het is niet toegestaan om een fiets langer dan de door het college vastgestelde periode onafgebroken te stallen in de fietsparkeervoorzieningen in de door het college aangewezen gebieden. Paragraaf 3.4.8 Kampeermiddelen Artikel 3.4.8.1 Kampeermiddelen en andere voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt: a.

langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is niet toegestaan een woonwagen, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat niet voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel 3.4.8.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (APV) 1. Het is niet toegestaan om kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat daarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.

Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of 53/95

b. een stadsgezicht. Artikel 3.4.8.3 Aanwijzing kampeerplaatsen (APV) 1. Artikel 3.4.8.2, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 3.4.8.2, vierde lid. Paragraaf 3.4.9 Standplaatsen Artikel 3.4.9.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (APV) 1. Het is niet toegestaan om een standplaats in te nemen zonder een vergunning van het college. 2. Het college weigert de vergunning als deze in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan een vergunning worden geweigerd als: a. De standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. Een beperking in aantal of in plaats als gevolg van bijzondere omstandigheden nodig is in verband met een dwingende reden van algemeen belang in de gemeente of een deel daarvan. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. 6.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.4.9.2 Toestemming rechthebbende (APV) De rechthebbende op een perceel mag daarop geen standplaats toestaan zonder vergunning van het college. Paragraaf 3.4.10 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 3.4.10.1 Crossterreinen (APV) 1. Het is niet toegestaan op enig terrein, anders dan een weg, met een motorvoertuig of bromfiets een wedstrijd, trainings- of proefrit te houden, voor te bereiden of daaraan deel te nemen of een motorvoertuig of bromfiets daar aanwezig te hebben met het doel dat te doen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. Het voorkomen of beperken van overlast; b. De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. De veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten, of van het publiek.

54/95

3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 3.4.10.2 Beperking verkeer in natuurgebieden (APV) 1. Het is niet toegestaan om zich met een motorvoertuig, bromfiets, fiets of paard te bevinden binnen voor het publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere terreinen die voor recreatief gebruik beschikbaar zijn. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. Het voorkomen van overlast; b. De bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. De veiligheid van het publiek. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. Die worden gebruikt door de politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening of andere hulpverleningsdiensten die krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister zijn aangewezen. b. Die worden gebruikt in verband met het beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; c.

Die worden gebruikt in verband met werken die krachtens een wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. Van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid liggen; e. Voor het verkeer ten behoeve van het bezoek of verzorging van de personen als bedoeld onder d. 4. Het verbod is verder niet van toepassing: a. Op wegen die liggen binnen de terreinen of gebieden als bedoeld in het eerste lid; b. Voor motorvoertuigen die bij of krachtens de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn aangewezen als toestel binnen de bij of krachtens die verordening aangewezen stiltegebieden. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Afdeling 3.5 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 3.5.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Artikel 3.5.1.1 Verbodsbepalingen en vergunning (Erfgoedverordening) 1. Het is niet toegestaan een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of aan het monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding ervan noodzakelijk is. 2. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college, of in strijd met de voorschriften bij die vergunning: a. een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; b.

een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt aangetast, ontsierd of in gevaar gebracht. 55/95

3. Het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid gelden niet als: a. het college nadere regels stelt met betrekking tot de manier waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, of; b. de activiteit betrekking heeft op normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt, of; c. de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. 4. De vergunning als bedoeld in het tweede lid kan alleen worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument. 5. Wanneer de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening van een beschermd religieus monument in het geding zijn, geeft het college geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel 3.5.1.2 Intrekken van de vergunning (Erfgoedverordening) De vergunning kan door het college worden ingetrokken als: a. blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave; b. blijkt dat de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.5.1.1 niet naleeft; c.

de omstandigheden van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het belang van monument zwaarder moet wegen; d. gedurende 26 weken geen gebruik is gemaakt van de vergunning; e. de vergunningverlener hierom verzoekt en het belang van het monument zich hier niet tegen verzet. Artikel 3.5.1.3 Verbodsbepaling en aanvraag sloopvergunning (Erfgoedverordening) 1. Het is niet toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stadsgezicht geheel of gedeeltelijk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als het college het niet aannemelijk acht dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen: a. Als gevolg van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet; b. Waarvoor op grond van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist. Artikel 3.5.1.4 Intrekken van de vergunning voor sloop in gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) De vergunning kan door het college worden ingetrokken als: a. blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave; b. er geen begin met de werkzaamheden is gemaakt binnen de termijn die bij de vergunning is bepaald; c. de werkzaamheden langer dan een in de vergunning bepaalde termijn zijn gestaakt; d.

er wordt gehandeld in strijd met de beperkingen waaronder de vergunning is verleend, of met de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden.

56/95

Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren Paragraaf 3.6.1 Vellen van houtopstanden Artikel 3.6.1.1 Mededelingsplicht rechthebbende beschermde houtopstand (Bomenverordening) De rechthebbende van een beschermde houtopstand op de Groene Kaart stelt het college schriftelijk op de hoogte als: a. de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan, met uitzondering van wanneer voor het vellen een vergunning is verleend; b. de beschermde houtopstand dreigt geheel of gedeeltelijk verloren te gaan. Artikel 3.6.1.2 Kapverbod voor beschermde solitaire houtopstand (Bomenverordening) 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een beschermde solitaire houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een beschermde solitaire houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang of onder dwangsom van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht. Artikel 3.6.1.3 Kapverbod voor houtopstand binnen beschermde boomstructuur, boomgebied en voorbomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer, gemeten op 130 cm (Bomenverordening) 1.

Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen die op de Groene Kaart is opgenomen in een beschermde boomstructuur of boomgebied. 2. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college een boom in de openbare ruimte te vellen die niet op de Groene Kaart is opgenomen, als deze op een hoogte van 130 centimeter boven het maaiveld een stamomtrek heeft van ten minste 45 centimeter. 3. De verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden niet voor: a. een houtopstand binnen beschermde boomstructuren of boomgebieden als deze op een hoogte van 130 centimeter boven het maaiveld een stamomtrek heeft van minder dan 30 centimeter; b. een houtopstand binnen beschermde boomstructuren of gebieden die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang of onder dwangsom van het college. De herplantplicht als bedoeld in artikel 3.85 blijft hierbij van toepassing. Artikel 3.6.1.4 Indienen aanvraag kapvergunning voor een beschermde houtopstand en voor een boom in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.2 en 3.6.1.3 wordt aangevraagd door de rechthebbende van de betreffende houtopstand. 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten: a.

een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven, en waarop te zien is waarom de houtopstand moet worden gekapt; b. welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand; 57/95

3.

4.

5.

6. 7.

c. welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht; d. de gegevens uit het register bij de Groene Kaart als het een beschermde houtopstand betreft. De aanvrager kan worden gevraagd de volgende stukken te leveren: a. een boomwaardebepaling; b. een boomveiligheidscontrole (VTA). Als de aanvraag is ingediend omdat de houtopstand wordt verondersteld minder stabiel en/of vitaal te zijn, moet de aanvraag worden voorzien van een rapportage door een boomdeskundige dat aantoont waarom dit het vellen rechtvaardigt. Als de aanvraag wordt ingediend omdat in de buurt van beschermde houtopstanden werkzaamheden in het kader van een bouw-, renovatie- of aanlegproject gaan plaatsvinden, moet de aanvraag worden voorzien van een Bomen Effect Analyse. Als de aanvraag wordt ingediend in verband met een bouw-, renovatie- of aanlegproject, moet de aanvraag worden voorzien van een compensatieplan. Als voor het herplanten van een houtopstand die wordt geveld financiële compensatie nodig is, wordt de rechthebbende daarvan gevraagd om een berekening van de boomwaarde van de houtopstand aan de aanvraag toe te voegen.

Artikel 3.6.1.5 Criteria voor vergunningverlening vellen beschermde houtopstanden en bomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Er kunnen voorschriften worden verbonden aan een verleende vergunning. 2. Een vergunning voor het vellen kan worden verleend als aan een of meer van de volgende criteria wordt voldaan: a. Er zijn alternatieven met betrekking tot behoud onderzocht en er is gebleken dat er geen alternatieven zijn anders dan het vellen van de houtopstand; b. Het maatschappelijk belang van de aanvrager weegt zwaarder dan: i. De aanduiding in het register waarom de beschermde houtopstand op de Groene Kaart is opgenomen; ii. De waarde of waarden die zijn toegekend aan de boom in de openbare ruimte met een stamomtrek van ten minste 45 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld. c. De instandhouding van de houtopstand volgens boomdeskundige maatstaven niet langer verantwoord is, gelet op het belang van het voorkomen van letsel of ernstige schade; d. Als blijkt dat er sprake is van overlast op grond van de daarvoor vastgestelde beleidsnota ‘Versterken en verbinden van groen in Leiden’, met de bijlage ‘Overlast van bomen?’.

Artikel 3.6.1.6 Criteria voor weigering vergunning vellen houtopstanden binnen aangewezen boomstructuren en boomgebieden en voor bomen die zich bevinden in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. De belangen niet opwegen tegen de aanduiding in het register waarom de houtopstand op de Groene Kaart is opgenomen; b. Voor bomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van ten minste 45 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld: als de belangen niet opwegen tegen de waarden als bedoeld in artikel 2.4.1.2, vierde lid. 2. Een vergunning kan worden geweigerd als naar boomdeskundige maatstaven:

58/95

a. De mogelijkheden en/of alternatieven voor behoud niet voldoende gemotiveerd zijn onderzocht; b. De reden van de aanvraag verband houdt met mogelijke gevaarzetting en dit niet voldoende gemotiveerd wordt aangetoond. Artikel 3.6.1.7 Bijzondere vergunningvoorschriften; herplanten, storting Bomenfonds (Bomenverordening) 1. Aan de vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat herplant moet plaatsvinden. Het college geeft hiervoor een termijn en aanwijzingen voor de manier waarop. 2. Als niet ter plaatse, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving kan worden herplant met bomen van vergelijkbare waarde, kan als voorschrift worden opgenomen dat een financiële bijdrage in het Bomenfonds moet worden gestort. Deze bijdrage is gelijk aan de boomwaarde zoals genoemd in de boomwaardebepaling. 3. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat wanneer de herplant niet aanslaat, dat deze binnen één jaar moet worden vervangen op de aangegeven manier. 4. Als de aanvraag wordt gedaan vanwege een bouwplan, werken of werkzaamheden die betrekking hebben op beschermde houtopstanden, of daar vlakbij plaatsvinden, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden met de verplichting om: a. een boombeschermingsplan op te stellen en ter vaststelling aan het college voor te leggen, en; b.

bij de uitvoering van de vergunning het vastgestelde boombeschermingsplan na te leven. 5. Verder kunnen de volgende voorschriften aan de vergunning worden verbonden: a. een verbod om een houtopstand te vellen binnen een bepaalde periode vanwege een vaste rust- en verblijfplaats van een diersoort die volgens de Wet natuurbescherming beschermd is; b. de verplichting om een natuurtoets op te stellen over de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna; c. de verplichting om maatregelen te nemen om flora- en fauna die in en rond de houtopstand voorkomt te beschermen; d. aanwijzingen om nabijgelegen houtopstanden te beschermen. Artikel 3.6.1.8 Behandeling afvoeren beschermde houtopstand van de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) 1. Nadat de rechthebbende of de vergunninghouder een schriftelijke melding heeft gedaan van de datum van het feitelijk vellen van een beschermde houtopstand waarvoor de omgevingsvergunning onherroepelijk was, wordt de houtopstand doorgehaald op de Groene Kaart en in het bijbehorende register bij de jaarlijkse herziening. 2. Het doorhalen gebeurt pas als blijkt dat de voorschriften en beperkingen in de vergunning volledig zijn nagekomen. 3.

Een beschermde houtopstand die door illegale handelingen of mechanische kracht verloren is gegaan, wordt pas doorgehaald op de Groene Kaart en in het bijbehorende register, als de handhavingsbesluiten en -maatregelen die betrekking hebben op het verloren gaan van de houtopstand volledig en onherroepelijk zijn uitgevoerd. 59/95

Artikel 3.6.1.9 Herplant-/instandhoudingsplicht bij vellen zonder vergunning (Bomenverordening) 1. Als een houtopstand zonder vergunning is geveld terwijl daar wel een vergunning voor nodig was, kan het college bij een last onder bestuursdwang of onder dwangsom de verplichting opleggen aan de overtreder om te herplanten. De herplant vindt plaats volgens de bij een last onder bestuursdwang of onder dwangsom aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan de rechthebbende van de gevelde houtopstand en/of degene die de houtopstand heeft geveld of heeft laten vellen. 2. Als er niet fysiek kan worden herplant, moet de boomwaarde van de gevelde houtopstand als financiële bijdrage worden gestort in het Bomenfonds. 3. Bij de verplichting als bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat wanneer de herplant niet aanslaat, dat deze binnen één jaar moet worden vervangen op de aangegeven manier. 4. Als het voortbestaan van een beschermde houtopstand wordt bedreigd door menselijk handelen, kan het college aan de rechthebbende van de houtopstand, of aan degene die op een andere manier bevoegd is voorzieningen te treffen, in het kader van de op te leggen last onder bestuursdwang of last onder dwangsom, de verplichting opleggen om: a.

De activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stoppen en een onherroepelijk geworden omgevingsvergunning voor het kappen te hebben, voordat de activiteiten mogen worden voortgezet; b. Volgens de aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn voorzieningen te treffen die de bedreiging wegnemen; c. De activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stopen en een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan het college voor te leggen; d. De schade die wordt veroorzaakt aan bomen die eigendom zijn van de gemeente te vergoeden door het bedrag van een boomschade taxatie door overtreder te laten vergoeden door een storting in het Bomenfonds. Artikel 3.6.1.10 Inhoud compensatieplan (nadere regels Bomenverordening) 1. Een compensatieplan maakt deel uit van de te verlenen omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, nadat het college het heeft goedgekeurd. 2. In het compensatieplan wordt het volgende bepaald: a. Waar zal worden herplant, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving, aangegeven op een voldoende gedetailleerde kaart, of met x- en ycoördinaten; b. Een omschrijving van de te herplanten houtopstand (soortnaam, maatvoering) en groeiplaats (bovengronds en ondergronds); c. Een onderbouwing dat de waarde van de aanplant in verhouding staat tot die van de te vellen houtopstand; d.

Een beheerplan voor de eerste drie jaren, gerekend vanaf de aanplant, waarin onder andere de termijn voor de eerste aanplant, inboetperioden, aanwijzingen voor plantgatvoorbereiding, verzorging- en groeibevorderende maatregelen, welk plantmateriaal, welke soort, de stamomtrek en het aantal is opgenomen.

60/95

Artikel 3.6.1.11 Bestrijding iepziekte en andere boomziekten (Bomenverordening) 1. Als op een erf of terrein één of meer iepen zich bevinden die volgens het college gevaar opleveren voor het verspreiden van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, is de rechthebbende die daarvoor door het college is aangeschreven verplicht binnen de daarvoor gegeven termijn: a. De iepen te vellen als deze in de grond staan; b. De iepen ter plaatse te ontschorsen en de schors te vernietigen, of; c. De niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of te behandelen zodat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is niet toegestaan gevelde iepen of delen daarvan te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede van minder dan 4 centimeter. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. Artikel 3.6.1.12 Noodkap (Bomenverordening) 1. Het college kan toestemming geven of de verplichting opleggen tot het uitvoeren van noodkap, als er sprake is van ernstig gevaar voor zaken of personen door instabiliteit van een houtopstand of een vergelijkbaar spoedeisend belang. 2.

Als de rechthebbende daarvoor door het college is aangeschreven is hij verplicht, binnen de termijn die is gesteld bij de last onder dwangsom of onder bestuursdwang, aan de daarin gestelde verplichtingen en voorschriften te voldoen. Paragraaf 3.6.2 Dieren Artikel 3.6.2.1 Loslopende honden (APV) 1. De eigenaar of houder van een hond mag deze niet laten verblijven of laten lopen: a. Op een voor het publiek toegankelijke en duidelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, of op een andere door het college aangewezen plaats; b. Zonder dat die hond is aangelijnd; c. Op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of een sociale hulphond lat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 3.6.2.2 Bijen (APV) 1. Het is niet toegestaan bijen te houden: a. Binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven. b. Binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

61/95

5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud Afdeling 4.1 Groen Paragraaf 4.1.1 Uitvoeren boomveiligheidscontrole Artikel 4.1.1.1 Programma boomveiligheidscontrole (nadere regels Bomenverordening) 1. Het college stelt een programma boomveiligheidscontrole vast. 2. Het programma betreft vier uitvoeringsjaren en vier verschillende stadsdelen. 3. Per uitvoeringsjaar wordt binnen het aangewezen stadsdeel de boomveiligheidscontrole in opdracht van het college uitgevoerd. 4. Het jaarprogramma betreft alle houtopstanden in de openbare ruimte. Artikel 4.1.1.2 Inhoud van een beheerplan (nadere regels Bomenverordening) 1. Het beheerplan geeft per onderdeel of type beplanting aan hoe vaak bestendig beheer plaatsvindt, in welke tijd van het jaar, met welke gereedschappen en machines werkzaamheden worden uitgevoerd, en of er gefaseerd wordt gewerkt. Ook kunnen voorschriften worden opgenomen voor compensatiemaatregelen. 2. Het beheerplan moet door het college worden goedgekeurd voordat het voor het uitvoeren van bestendig beheer kan worden gebruikt.

Afdeling 4.2 Overige bepalingen Paragraaf 4.2.1 Water Artikel 4.2.1.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (APV) Sloten en andere wateren, en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen opleveren. Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen Afdeling 5.1 Groen Paragraaf 5.1.1 Bomenfonds Artikel 5.1.1.1 Bomenfonds (Bomenverordening, Nadere regels Bomenverordening) 1. In het door het college ingestelde Bomenfonds worden financiële bijdragen gestort door: a. Vergunninghouders ter uitvoering van een voorschrift dat is opgenomen in de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand; b. Rechthebbenden en/of overtreders in situaties als bedoeld in artikel 3.6.1.11, tweede lid. 2. Als aan de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand het voorschrift is verbonden dat de waarde van de houtopstand geheel of gedeeltelijk moet worden gecompenseerd, dan moet deze financiële compensatie in het Bomenfonds worden gestort. 3. Het college beheert het Bomenfonds. 4. Het Bomenfonds wordt gebruikt voor de versterking van het bomenbestand in de stad.

62/95

Artikel 5.1.1.2 Financiële compensatie (nadere regels Bomenverordening) 1. De boomwaardebepaling wordt gedaan op grond van de op dat moment actuele gepubliceerde methode van de Nederlandse Vereniging van Beëdigde Taxateurs van Bomen (NVTB). 2. Als de waarde van de houtopstand niet kan worden bepaald door middel van de methode als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het college een financiële vervangingswaarde. 3. Het kan voorkomen dat de vergunning voorschrijft dat de compensatie deels plaatsvindt op basis van het compensatieplan en deels via het storten van een financiële compensatie in het Bomenfonds. Artikel 5.1.1.3 Storting in het Bomenfonds is geoormerkt (nadere regels Bomenverordening) 1. De financiële compensatie die volgens een vergunningvoorschrift aan de uitvoering van de vergunning als waarborgsom in het Bomenfonds moet worden gestort, is geoormerkt als bedrag dat is bestemd voor de herplant in een aangewezen aanplantproject. 2. De geoormerkte gelden in het Bomenfonds kunnen alleen worden gebruikt voor het feitelijke aanplantproject dat in het vergunningvoorschrift is aangeduid. 3. In het vergunningvoorschrift over de herplantplicht in een aangewezen aanplantproject wordt aangegeven waar, wanneer, hoe en waarmee de vergunninghouder de feitelijke aanplant dient uit te voeren.

Artikel 5.1.1.4 Voorwaarden teruggave storting in Bomenfonds (nadere regels Bomenverordening) 1. Als na de oplevering van het aanplantproject is voldaan aan de vergunningvoorschriften kan de vergunninghouder verzoeken tot teruggave van de gehele of van een deel van de financiële compensatie in het Bomenfonds. 2. Een aanvraag om een teruggave moet uiterlijk binnen één jaar na oplevering van het aanplantproject schriftelijk worden ingediend. Daarna bestaat er geen recht meer op teruggave van de financiële compensatie en vervalt het oormerk van de storing in het Bomenfonds. 3. De aanvraag moet gemotiveerd zijn en zijn ondertekend door de aanvrager. De aanvraag bevat ten minste de opgave van de kosten van het aanplanten van de bomen en de begroting van het verzorgen van de aanplant om te zorgen dat deze volledig aanslaat en gezond doorgroeit. 4. Het college beoordeelt de aanvraag en de bijbehorende documenten en beoordeelt de feitelijke toestand van de aanplant op gezondheid en bestendigheid. Het terug te storten bedrag wordt hierop afgestemd. 5. Het terug te storten bedrag is niet hoger dan de financiële compensatie die de vergunninghouder in het Bomenfonds heeft gestort. Alleen de kosten voor het aankopen van de houtopstand, het planten (inclusief volledig aanslaan en doorgroeien) en drie jaar beheerkosten worden teruggestort. 6.

De gelden in het Bomenfonds die niet meer geoormerkt zijn worden gebruikt voor de versterking van het bomenbestand in de stad.

63/95

Afdeling 5.2 Schadevergoeding Paragraaf 5.2.1 Schadevergoedingsverzoek op grond van Wet natuurbescherming Artikel 5.2.1.1 Schadevergoedingsverzoek op grond van Wet natuurbescherming (Bomenverordening) Het college is het bevoegde bestuursorgaan om te beslissen op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 6 Procesregels Afdeling 6.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf 6.1.1 Groen Artikel 6.1.1.1 Behandeling van de voorstellen tot plaatsing op de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) 1. Ieder jaar, na 1 oktober, start het college met de procedure voor het actualiseren van de Groene Kaart. Degenen die voor 1 oktober een voorstel hebben ingediend voor het toevoegen van een houtopstand aan, of het verwijderen daarvan van de Groene Kaart, worden schriftelijk geïnformeerd over het begin en het verloop van de procedure. 2. Het college stelt een ontwerpbesluit op naar aanleiding van de voorstellen. De voorstellen worden getoetst op de manier als bedoeld in artikel 2.4.1.3, tweede lid. Als een boom meer dan 75 punten behaald, is deze voldoende onderscheidend en komt de boom in aanmerking om aan de Groene Kaart te worden toegevoegd. De uitkomst van de toetsing wordt als motivering opgenomen in het ontwerpbesluit. 3. Het ontwerpbesluit geeft aan of het gaat om een solitaire boom, een boomstructuur of een boomgebied. 4.

Solitaire bomen krijgen een nadere aanduiding: a. Monumentale boom als ze ouder zijn dan 80 jaar; b. Herdenkingsboom als status die door het college wordt toegewezen; c. Toekomstboom, of; d. Waardevolle boom in alle overige gevallen. 5. De belanghebbenden en eigenaren krijgen zes weken de tijd om een zienswijze op het ontwerpbesluit in te dienen. 6. Het college geeft een gemotiveerde reactie op de ingediende zienswijzen. De Groene Kaart wordt door het toevoegen van houtopstanden gedeeltelijk herzien. 7. Op de procedure voor het toevoegen van houtopstanden aan de Groene Kaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Paragraaf 6.1.2 Cultureel erfgoed Artikel 6.1.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Erfgoedverordening) Het college kan bepalen dat een nader waardestellend onderzoek moet worden verricht ten behoeve van de aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument. Afdeling 6.2 Advies Paragraaf 6.2.1 Advies bij aanwijzing beschermd gemeentelijk monument Artikel 6.2.1.1 Termijn advies en aanwijzingsbesluit (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden, voordat zij een besluit neemt over de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument. 2.

De Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het college. 64/95

Paragraaf 6.2.2 Advies bij aanwijzing gemeentelijk beschermd stadsgezicht Artikel 6.2.2.1 Advies bij aanwijzen gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden voordat de gemeenteraad een besluit neemt over de aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 2.3.3.1. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven. 2. De Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het college. Paragraaf 6.2.3 Advies bij omgevingsvergunning monument Artikel 6.2.3.1 Advies van de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden, voordat zij een besluit neemt op de aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 3.5.1.3. 2. Als de aanvraag betrekking heeft op een gemeentelijk archeologisch monument, dan betrekt de Welstands- en Monumentencommissie Leiden een extern deskundig senior archeoloog bij haar advies.

Artikel 6.2.3.2 Advies omgevingsvergunning beschermd rijksmonument (Erfgoedverordening) Het college stuurt een afschrift van een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beschermd rijksmonument, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo, direct door voor advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden. Hoofdstuk 7 Handhaving, overgangs- en slotbepalingen Afdeling 7.1 Handhaving en strafbepalingen Paragraaf 7.1.1 Toezichthouders Artikel 7.1.1.1 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de toezichthouders belast die bij besluit van het college zijn aangewezen. Paragraaf 7.1.2 Strafbepalingen Artikel 7.1.2.1 Strafbepaling bedrijfs- en pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Overtreding van artikel 3.4.1.1 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 7.1.2.2 Strafbepaling bomen (Bomenverordening) 1. Degene die handelt in strijd met het bij of krachtens artikel 3.6.1.7 en 3.6.1.11 bepaalde kan worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke veroordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde. 2.

De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de mogelijkheid van het instellen door het college van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan bomen of een houtopstand waarvan de gemeente de rechthebbende is. 65/95

Artikel 7.1.2.3 Strafbepaling erfgoed (Erfgoedverordening) Indien overtreding van enig artikel van deze verordening niet strafbaar is gesteld krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt de overtreding van het bij of krachtens de in deze verordening genoemde artikelen gestraft met een geldboete van de tweede categorie. Afdeling 7.2 Overgangsrecht Paragraaf 7.2.1 Overgangsrecht Artikel 7.2.1.1 Overgangsrecht 1. In deze verordening zijn bepalingen uit de, middels raadsbesluit RV 20.0079, navolgende ingetrokken en gewijzigde verordeningen, beleidsregels en nadere regels opgenomen: a. Algemene plaatselijke verordening gemeente Leiden 2020, b. Beleidsregels en Nadere regels Terrassen 2019, c. Nadere regels handelsreclame 2010, d. Bedrijfs-en Pleziervaartuigenverordening Leiden 2017, e. Ligplaatsenplan Bedrijfs- en Pleziervaartuigen 2017, f. Bomenverordening Leiden 2015, g. Nadere Regels uitvoering Bomenverordening Leiden 2015, versie februari 2018, h. Bouwverordening 1992, i. Erfgoedverordening Leiden 2017. 2. Besluiten, genomen krachtens de in het vorige lid bedoelde bepalingen worden geacht besluiten krachtens het bepaalde in deze verordening te zijn. 3. Aanvragen voor vergunningen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening.

Afdeling 7.3 Slotbepalingen Paragraaf 7.3.1 Slotbepalingen Artikel 7.3.1.1 Nadere regels Het college is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze verordening nadere regels vast te stellen. Artikel 7.3.1.2 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. Artikel 7.3.1.3 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020.

66/95

Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving Bijlage 1. Begrippenlijst 1. Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden: De commissie of instantie die door het college is ingesteld om volgens het Reglement voor de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden het college te adviseren over de aanwijzing van monumenten, de toepassing van de Erfgoedwet, de bepalingen uit deze verordening met betrekking tot erfgoed en het monumentenbeleid. Het adviseren over het verlenen van vergunningen bij wijziging, verbouw of sloop van monumenten valt hier niet onder; 2. Afgebakend bedrijfsonderdeel: Een onderdeel van een onderneming met een watergebonden bedrijfsactiviteit, die verschilt van de andere onderdelen van de onderneming. Een bedrijfsonderdeel heeft zijn eigen plannen, inkomsten, kosten en bedrijfsmiddelen en gebruikt deze om met goederen en/of diensten waarde toe te voegen voor zijn klanten; 3. Bedrijfsvaartuig: Een vaartuig dat voornamelijk wordt gebruikt en bestemd is voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf, of daarvoor bestemd is, waaronder begrepen: goederenvervoer, goederenopslag, rondvaarten en/of verhuur ten behoeve van de pleziervaart.

Hieronder vallen ook vaartuigen die feitelijk niet geschikt zijn om zich door het water te verplaatsen, met uitzondering van terrasboten waar een terrasvergunning voor is verleend en waarvan de locatie de aanduiding “terrasboot” heeft in het vigerende bestemmingsplan; 4. Beheerplan: Een beschrijving van de werkzaamheden die moeten worden opgesteld om houtgewassen, boomstructuren en boomgebieden zich optimaal te laten ontwikkelen. Een beheerplan geldt voor 5, 10 of 15 jaar; 5. Beschermd gemeentelijk monument: Een onroerend monument dat is aangewezen op grond van deze verordening en: a. een zaak betreft die van algemeen belang is vanwege haar schoonheid, betekenis voor de wetenschap of (cultuur)historische waarde, of; b. een terrein betreft dat van algemeen belang is vanwege de aanwezigheid van overblijfselen, voorwerpen of andere sporen dat mensen daar in het verleden zijn geweest, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; 6. Beschermde houtopstand: Een houtopstand die op de Groene Kaart is opgenomen; 7. Beschermde solitaire houtopstand: Een houtopstand die op de Groene Kaart is opgenomen als herdenkingsboom, monumentale boom, toekomstboom of waardevolle boom; 8.

Bestendig beheer: Alle handelingen die door de eigenaar volgens een beheerplan worden uitgevoerd ten behoeve van het in stand houden van de vorm of functie en ter bevordering van de gewenste ontwikkeling van de houtopstand; 9. Bomen Effect Analyse: Een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom op het betreffende perceel, uitgevoerd door een boomdeskundige op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting; 10. Bomenfonds: Het door het college ingestelde fonds waarin vergunninghouders gelden storten ter uitvoering van in de omgevingsvergunning opgenomen voorschrift tot financiële compensatie van de houtopstanden die met de vergunning worden geveld; of ter uitvoering van handhavingsmaatregelen voor als een houtopstand zonder de benodigde vergunning is gekapt en er geen herplantplicht op het perceel kan worden opgelegd;

67/95

11. Boom: Een houtachtig, opgaand gewas, levend of afgestorven, met een stamomtrek van minimaal 30 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld. Bij meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam; 12. Boombeschermingsplan: een beschrijving van handelingen en werkzaamheden, gebaseerd op een Bomen Effect Analyse, ter voorkoming van schade aan bomen op het perceel in verband met een voorgenomen bouw of aanleg; 13. Boomdeskundige: Een natuurlijk persoon die in het bezit is van een geldig European Tree Technician-certificaat; 14. Boomgebied: Een gebied met veel groen, zoals een park, volkstuincomplex, begraafplaats of botanische tuin. In een boomgebied kunnen alleenstaande bomen staan en/of bosvormige elementen en smalle lijnvormige houtopstanden, zoals houtwallen; 15. Boomstructuur: Een lijnvormige, ecologische of ruimtelijke functionele groep bomen in de midden- en/of zijbermen van een weg; 16. Boomveiligheidscontrole: Visual Tree Assessment (VTA), uitgevoerd door een boomdeskundige; 17. Boomvormer: Een houtachtig gewas met één of meer hoofdtakken, dat kan uitgroeien tot een één- of meerstammige boom; 18. Boomwaardebepaling: Volgens de NVTB uitgevoerde systematiek om de waarde, uitgedrukt in Euro’s, van een boom vast te stellen. In een boomgebied geldt een 2 waarde per m ; 19.

Bouwwerk: Een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal, of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties. Hieronder valt niet een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; 20. Collectieve festiviteit: Een festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; 21. College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden; 22. Compensatieplan: Een document dat door het college is vastgesteld, waarin door de eigenaar en de vergunninghouder is aangegeven waar en hoe compensatie zal plaatsvinden van de houtopstand die wordt geveld. Bij het document is in ieder geval een tekening met maatvoering toegevoegd van de situatie voor en na het vellen; 23. Cultureel erfgoed: Materiële en immateriële bronnen uit het verleden, die in de loop der tijd door mensen, eventueel in wisselwerking met hun omgeving, tot stand zijn gebracht. Deze bronnen worden gezien als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en bieden een referentiekader aan de huidige en toekomstige generaties: 24.

Dekschuit: Een bedrijfsvaartuig met een vlak en gesloten dek, zonder opbouw op aandrijving, dat niet wordt gebruikt als terrasboot waarvoor een terrasvergunning is verleend; 25. Drijvend voorwerp: Een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in principe niet wordt verplaatst, met uitzondering van drijvende bouwsels die omgevingsvergunningplichtig zijn; 26. Gebouw: Een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

68/95

27. Geluidgevoelige gebouwen: Woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; 28. Geluidgevoelige ruimte: Een ruimte binnen een woning die als slaap-, woon- of eetkamer is bestemd of daarvoor wordt gebruikt, evenals keuken van minimaal 11 2 m; 29. Gemeentelijk beschermd stadsgezicht: Groepen van onroerende zaken die op grond van deze verordening als gemeentelijk beschermd stadsgezicht zijn aangewezen, omdat deze van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, of wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde; 30. Groene Kaart: De kaart bij deze verordening die door het college is vastgesteld waarop de locaties van beschermde houtopstanden zijn aangegeven, met het bijbehorende register; 31. Handelsreclame: Iedere openbare aanprijzing van goederen en/of diensten, waarmee kennelijk wordt beoogd een commercieel belang te dienen; 32. Hoogspanningslijn: Een leiding behorend tot het landelijk hoogspanningsnet, zoals bedoeld in de Elektriciteitswet; 33. Houder van een inrichting: Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; 34. Houtopstand: Een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend; 35.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9665635/1