CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept-besluitenlijst Gemeenteraad Leiden 8 oktober 2020

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Vaststelling besluitenlijst van 8 oktober 202037.703 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Artikel 1.3 Doel van deze verordening Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang” a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 1.4 Wijze van meten 1. Onder peil wordt verstaan: 26/95

a. Voor bouwwerken die in of op het water worden gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse van het bouwwerk; b. Voor bouwwerken waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 2 cm; c. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 2 cm. 2. De afstand van de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is voor bomen vastgesteld op 50 centimeter en voor heesters en heggen op 0 centimeter. Artikel 1.5 Meest recente versie Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven. Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Bebouwde kom Paragraaf 2.1.1 Terrassen Artikel 2.1.1.1 Algemene voor terrassen (Regels terrassen) Het college kan gebieden aanwijzen waar het niet is toegestaan een terras te hebben. Afdeling 2.2 Water Paragraaf 2.2.1 Ligplaatsenplan Artikel 2.2.1.1 Categorieën bedrijfs- en pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De gemeenteraad kan bij of krachtens deze verordening in het ligplaatsenplan verschillende categorieën ligplaatsen vaststellen voor bedrijfs- en pleziervaartuigen.

Artikel 2.2.1.2 Vaststelling ligplaatsenplannen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De gemeenteraad stelt een ligplaatsenplan vast waarin staat op welke locaties ligplaatsvergunningen voor pleziervaartuigen en bedrijfsvaartuigen zijn toegestaan (bijlage 2 van deze verordening). 2. Per ligplaats kunnen voorschriften worden gegeven over: a. De toegestane categorie of categorieën vaartuigen; b. Het toegestane aantal vaartuigen; c. De minimale afstand tussen vaartuigen of tussen ligplaatsen; d. De maximale afmetingen en diepgang die vaartuigen mogen hebben om een ligplaats in te nemen. 3. In het ligplaatsenplan kunnen bestaande afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens worden vastgelegd. 4. Het college kan aan bestaande afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens nadere eisen stellen. 5. Het college kan nieuwe afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens aanwijzen en daaraan nadere eisen stellen.

27/95

Afdeling 2.3 Cultureel erfgoed Paragraaf 2.3.1 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2.3.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister (Erfgoedverordening) 1. Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien. 2. In het gemeentelijk erfgoedregister staat: a. Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten; b. Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat; c. Gegevens over de afschriften die het college heeft ontvangen van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister zoals bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. Paragraaf 2.3.2 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument Artikel 2.3.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Erfgoedverordening) 1. Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. 2. Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 3.

De zakelijk gerechtigden kunnen gedurende vier weken na de bekendmaking van de agenda van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden schriftelijk reageren op het voornemen tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument. 4. Dit artikel is niet van toepassing op: a. Rijksmonumenten; b. Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel 2.3.2.2 Termijn aanwijzingsbesluit Het college beslist binnen 14 weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden zoals bedoeld in artikel 6.2.1.1, maar in ieder geval binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel het bekendmaken van het voornemen als bedoeld in artikel 2.3.2.1, tweede lid. Artikel 2.3.2.3 Voorlopige aanwijzing bij spoed (Erfgoedverordening) 1. In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument, zonder toepassing van artikel 2.3.2.1, tweede en derde lid, en artikel 6.2.1.1, eerste lid. 2. Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikel 3.5.1.1, 3.5.1.2 en 6.2.3.1 van deze verordening van toepassing. 3.

De voorlopige aanwijzing vervalt na 26 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing.

28/95

4. Bij het voorbereiden van het definitieve besluit over de aanwijzing zijn artikel 2.3.2.1 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.3.2.4 Bekendmaking en registratie (Erfgoedverordening) 1. De aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, en in artikel 2.3.2.3, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Wanneer een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 3. In het erfgoedregister staan in ieder geval de locatie en kadastrale gegevens van het beschermd gemeentelijk monument, de datum van de aanwijzing en een beschrijving van het gemeentelijk monument. Artikel 2.3.2.5 Wijzigen van de aanwijzing (Erfgoedverordening) 1. Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, de aanwijzing wijzigen. 2. Bij het wijzigen van de aanwijzing zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing. 3. Als de wijziging volgens het college van ondergeschikte betekenis is, zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 niet van overeenkomstige toepassing. 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Artikel 2.3.2.6 Intrekken en vervallen van de aanwijzing (Erfgoedverordening) 1.

Het college kan de aanwijzing intrekken. 2. Als het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing. 3. De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop het wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. 4. De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Paragraaf 2.3.3 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht Artikel 2.3.3.1 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, groepen van onroerende zaken aanwijzen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. 2. Als een stadsgezicht is aanwezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening, kunnen deze niet worden aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Artikel 2.3.3.2 Termijn aanwijzingsbesluit en registratie in erfgoedregister 1. De gemeenteraad beslist binnen 14 weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden als bedoeld in artikel 6.2.2.1, maar in ieder geval binnen 26 weken na de adviesvraag. 2.

Een aangewezen gemeentelijk beschermd stadsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

29/95

Artikel 2.3.3.3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Hierop zijn artikel 2.3.3.2, eerste lid, en artikel 6.2.2.1, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het gaat om een aanpassing van ondergeschikte betekenis, of het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig teniet is gegaan. 2. Een aanwijzing vervalt zodra het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. Beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. Beschermd stadsgezicht op grond van een provinciale verordening. 3. Wanneer de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 2.3.3.4 Vaststellen beschermend bestemmingsplan (Erfgoedverordening) 1. De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro vast ter bescherming van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht wordt hier een termijn voor gesteld. 2.

Het college bepaalt bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht of de geldende bestemmingsplannen als beschermende plannen kunnen worden aangemerkt, dan wel een beheersverordening als bedoeld in de Wro kan worden vastgesteld. Afdeling 2.4 Groen Paragraaf 2.4.1 Groene Kaart Artikel 2.4.1.1 Aanwijzing beschermde houtopstand (Bomenverordening, Nadere regels Bomenverordening) 1. Het college stelt de Groene Kaart en het bijbehorende register vast. 2. Belanghebbenden en eigenaren kunnen aan het college een voorstel doen om een houtopstand aan de Groene Kaart toe te voegen of te verwijderen. 3. Houtopstanden op gronden die eigendom zijn van een particulier, kunnen alleen met schriftelijke toestemming van die rechthebbende aan de Groene Kaart worden toegevoegd of verwijderd. 4. Het college besluit één keer per jaar, bij de actualisatie van de Groene Kaart, over de voorstellen om houtopstanden aan de Groene Kaart toe te voegen of daarvan te verwijderen. Artikel 2.4.1.2 De Groene Kaart en het bijbehorende register (Bomenverordening, Nadere regels Bomenverordening) 1. De Groene Kaart bestaat uit een topografische ondergrond waarop de beschermde solitaire bomen, boomstructuren en boomgebieden zijn ingemeten. 2.

Beschermde solitaire houtopstanden worden op de Groene Kaart en in het bijbehorende register verder aangeduid als herdenkingsboom, monumentale boom, toekomstboom of waardevolle boom. 3. Het register bevat: a. De x- en y-coördinaten van de houtopstand; b. De Nederlandse soortnaam en de wetenschappelijke soortnaam; 30/95

c. De rechthebbende van de houtopstand; d. De redenen waarom de houtopstand is aangeduid als beschermde solitaire houtopstand, beschermde boomstructuur of beschermd boomgebied; 4. In de aanduiding in het register waarom de houtopstand op de Groene Kaart is opgenomen worden één of meer van de volgende waarden genoemd en inhoudelijk beschreven: a. natuur- en milieuwaarden; b. landschappelijke waarden; c. cultuurhistorische waarden; d. waarden van stadsschoon; e. waarden voor recreatie en leefbaarheid; f. waarde voor de groene hoofdstructuur van de stad. 5. Het beheersysteem openbare ruimte bevat: a. Een statische kaart met de bindende datum ‘1 oktober’ en het jaartal, en; b. Een digitale/interactieve kaart. 6. Bij verschillen tussen de statische kaart en de digitale kaart, is de digitale kaart en het bijbehorende register leidend bij het toepassen van deze verordening. Artikel 2.4.1.3 Het voorstel tot aanwijzing of afvoer (nadere regels Bomenverordening) 1. Het voorstel om een houtopstand aan de Groene Kaart toe te voegen of daarvan te verwijderen bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. De naam en het adres van degene die het voorstel doet en van de rechthebbende; b. De x- en y-coördinaten van de houtopstand; c. De soort, leeftijd en vitaliteit van de houtopstand; d.

De argumenten om een houtopstand aan de Groene Kaart toe te voegen of daarvan te verwijderen op basis van de waarden als genoemd in de Bomenverordening Leiden 2015. 2. De waarden als bedoeld in artikel 2.4.1.2, vierde lid zullen op de volgende manier worden gewaardeerd: a. Natuur- en milieuwaarden (maximaal 40 punten). i. De houtopstand heeft een ecologische functie voor beschermde plant- of diersoorten die afhankelijk zijn van de betreffende boomsoort. De beschermde soorten komen voor binnen een straal van 500 meter (20 punten). ii. De houtopstand is onderdeel van het leefgebied (voedsel of rustplaats) van één of meerdere inheemse soorten (10 punten). iii. De houtopstand draagt op zichzelf bij aan de klimaatadaptatie van de stad (opvangen hemelwater en schaduw) (5 punten). iv. De houtopstand heeft een belangrijke functie voor het opvangen van fijnstof (5 punten). b. Landschappelijke waarden (10 punten). i. De houtopstand is kenmerkend voor een van de landschapstypen (landgoederenlandschap, veenweidelandschap en waterlandschap) zoals omschreven in het ‘Ecologisch beleidsplan Leiden’ (10 punten). c. Cultuurhistorische waarden (10 punten). i. De houtopstand heeft een duidelijke relatie met de ruimtelijke kenmerken van zijn omgeving of is gekoppeld aan een historisch gebruik (10 punten). 31/95

d. Waarden van stadsschoon (maximaal 20 punten). i. De houtopstand heeft een bijzondere verkleuring in de herfst, bladvorm, herfstproducten en/of bloeiwijze (5 punten). ii. De houtopstand is geplant zoals deze architectonisch, stedenbouwkundig of landschappelijk is bedoeld (5 punten). iii. De habitus/groeivorm van de houtopstand benadert de natuurlijke vorm en is vrij uitgegroeid (5 punten). iv. De variëteit van de houtopstand is zeldzaam en vormt 2% of minder van het Leidse bomenbestand (5 punten). e. De waarden voor recreatie en leefbaarheid (10 punten). i. De houtopstand staat in een gebied voor recreatie (10 punten). f. Waarde voor de groene hoofdstructuur van de stad (10 punten). i. De houtopstand staat in de groene hoofdstructuur van Leiden, zoals vastgelegd in de structuurvisie Leiden 2025 (10 punten). Artikel 2.4.1.4 Jaarlijkse vaststelling van de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) 1. Het college kan de Groene Kaart en het bijbehorende register jaarlijks herzien. Daarbij wordt een overzicht gegeven van de tussentijdse veranderingen op de Groene Kaart. 2. Als de Groene Kaart met het bijbehorende register definitief wordt vastgesteld, wordt deze van de nieuwe bindende datum met jaartal voorzien. 3.

Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, handhavingsbesluiten en daaraan verbonden maatregelen die betrekking hebben op een beschermde houtopstand worden getoetst aan de Groene Kaart die geldt op de datum van de binnenkomst van de aanvraag of van de bekendmaking van het ontwerp handhavingsbesluit. Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Inleidende bepalingen Paragraaf 3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1.1.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving Artikel 3.1.1.2 Vergunningplicht Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning voor nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning. Paragraaf 3.1.2 Bepalingen ten aanzien van vergunningen Artikel 3.1.2.1 Beslistermijn (APV) 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2. Het college kan de termijn met maximaal acht weken verlengen. 3. Als beslist wordt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, en een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.3, tweede lid uit deze verordening, is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.

32/95

Artikel 3.1.2.2 Voorschriften en beperkingen (APV) 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 3.1.2.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing (APV) De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 3.1.2.4 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (APV) 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend; c. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn; e.

de houder dit verzoekt. 2. Naast deze intrekkings- en wijzigingsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden. Artikel 3.1.2.5 Termijnen (APV) De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 3.1.2.6 Weigeringsgronden (APV) 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Afdeling 3.2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Paragraaf 3.2.1 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Artikel 3.2.1.1 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen (Bouwverordening) 1. Het college kan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden, als zij van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. 2.

Voor het vormen van dit oordeel maakt het college van een onderzoeksrapport en/of andere bij haar bekende onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de Regeling 33/95

omgevingsrecht, dan wel een saneringsplan op grond van artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming. 3. Deze voorwaarden kunnen worden gesteld naast de voorwaarden uit artikel 3.2.1.2 en artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht. Artikel 3.2.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (Bouwverordening) Er mag niet worden gebouwd op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers is te verwachten, voor zover dat bouwen betrekking heeft op: a. een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en dat de grond raakt, of waarvan het ter plaatse toegestane gebruik wordt gewijzigd. Artikel 3.2.1.3 Het onderzoek naar bodemverontreiniging (Bouwverordening) 1. Het onderzoek met betrekking tot de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. 2. Als op basis van het vooronderzoek de aanleiding bestaat te veronderstellen dat er asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, wordt het onderzoek ook uitgevoerd volgens NEN 5707. 3.

De verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, met uitzondering van de in deze artikelen genoemde hoogtebepalingen. 4. Als voor toepassing van artikel 3.2.1.2 bij het college al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, staat het college het toe geheel of gedeeltelijk af te wijken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 5. Als voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is, dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig onderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen, kan het college toestaan dat gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 6.

Als er niet kan worden begonnen met bouwen nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek worden uitgevoerd nadat is gesloopt, maar voordat is begonnen met de bouw. Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 3.3.1 Festiviteiten en geluidhinder Artikel 3.3.1.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten (APV) 1. Het college kan per kalenderjaar collectieve festiviteiten met daarbij dagen of dagdelen aanwijzen wanneer de geluidsnormen als bedoeld in artikelen 2.17, 2.19 en

34/95

2.

3. 4.

5.

6.

2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.3.1.4 van deze verordening niet gelden. Het college kan per kalenderjaar collectieve festiviteiten met daarbij dagen of dagdelen aanwijzen wanneer de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet gelden. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing alleen geldt in een of meerdere delen van de gemeente. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college het eindtijdstip bepalen en andere maximaal toelaatbare geluidsniveaus vaststellen, maar deze mogen niet meer bedragen dan 70 dB(A) én 80 dB(C), gemeten op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid mag het equivalente geluidniveau Leq,T dat wordt veroorzaakt door de inrichting niet meer dan 55 dB(A) bedragen in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden terwijl de ramen en deuren van de woning gesloten zijn. Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3.3.1.2 Melding incidentele festiviteiten (APV) 1. Mits de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting mag maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.3.1.4 van deze verordening niet van toepassing zijn. 2. Mits de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, en tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. 5. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het college op het verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, meteen toestaat. 6.

Het equivalente geluidniveau Leq,T dat wordt veroorzaakt door de inrichting mag niet meer bedragen dan 70 dB(A) én 80 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, en 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden terwijl de ramen en deuren van de woning gesloten zijn. 7. Als dagen bedoeld in het eerste lid op een zondag tot en met donderdag vallen wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. 8. Als dagen bedoeld in het eerste lid op een vrijdag of zaterdag vallen wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen

35/95

2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 9. Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 10. Op dagen als bedoeld in het tweede lid wordt de verlichting uiterlijk om 00.00 uur gedoofd. 11. De drijver van de inrichting waar een incidentele festiviteit plaatsvindt, licht omwonenden binnen een straal van 50 meter van de inrichting minstens 48 uur voor het begin van de festiviteit daarover in op de manier die is aangegeven op het meldingsformulier. 12. Een aanwezige omroepinstallatie mag alleen worden gebruikt voor het aankondigen van het starten of beëindigen van wedstrijd- of feestonderdelen. Artikel 3.3.1.3 Wijze van geluidmeten (APV) 1. Metingen en berekeningen ter controle van de eerder genoemde geluidniveaus worden gedaan volgens de HMRI-99. 2. In tegenstelling tot de HMRI-99 worden op het gemeten signaal in dB(A) of dB(C) geen correcties meer toegepast. 3. In tegenstelling tot de HMRI-99 mogen metingen ook worden uitgevoerd met een, volgens de specificaties van IEC-publicatie 60651, type 2 geluidniveaumeter. 4. Metingen in de buitenlucht vinden plaats op een hoogte van minimaal 1,5 meter en maximaal 2 meter boven het plaatselijk maaiveld. 5.

Metingen in geluidgevoelige ruimten vinden plaats op minstens 1,5 meter boven de vloer, 1,5 meter van ramen en 1 meter van muren. 6. Als het geluidniveau op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van het geluidgevoelig gebouw gezien als geluidgevoelige ruimten alleen op de hoger gelegen etages aanwezig zijn. Artikel 3.3.1.4 Overige geluidhinder (APV) 1. Buiten een inrichting is het niet toegestaan handelingen te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening. 4. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 3.3.2 Overige milieubelastende activiteiten Artikel 3.3.2.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke (APV) 1.

In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

36/95

a. onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening van de provincie ZuidHolland. Afdeling 3.4 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Paragraaf 3.4.1 Algemene bepalingen met betrekking tot ligplaatsvergunningen Artikel 3.4.1.1 Verbodsbepalingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Het is niet toegestaan een ligplaats in het openbaar water in te nemen met een vaartuig of ander drijvend voorwerp zonder een vergunning van het college. 2. Het is niet toegestaan een vaartuig, met uitzondering van woonschepen, te gebruiken om te overnachten of voor tijdelijk of permanent woonverblijf, buiten de daarvoor in het ligplaatsenplan aangewezen passantenhavens.

Artikel 3.4.1.2 Tijdelijke ligplaatsen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Het is toegestaan een tijdelijke ligplaats in te nemen in de daartoe aangewezen passantenhavens of op de passantenligplaatsen zoals die zijn opgenomen in het ligplaatsenplan. Artikel 3.4.1.3 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een vergunning voor een ligplaats die op grond van deze verordening is verleend kan niet worden overgedragen, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. De vergunninghouder mag de ligplaats waar een vergunning voor is verleend niet verhuren of op andere wijze aan een ander in gebruik geven. 3. De vergunninghouder zorgt dat de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. Artikel 3.4.1.4 Algemene weigeringsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een vergunning voor een ligplaats op grond van deze verordening kan worden geweigerd als: a. De aanvraag niet in overeenstemming is met de voorschriften die door het college zijn gesteld; b. Dit in strijd is met het bestemmingsplan; c. De toestand van het vaartuig, bijvoorbeeld de technische en uiterlijke staat van onderhoud, daartoe aanleiding geeft; d. Alle betreffende ligplaatsen bezet zijn; e. Het innemen van de ligplaats feitelijk onmogelijk is; f.

Dit in het belang van de veiligheid, verkeersveiligheid, het milieu of de welstand noodzakelijk is. 2. Er kunnen per categorie vaartuig bij of krachtens deze verordening nog aanvullende weigeringsgronden worden bepaald.

37/95

Artikel 3.4.1.5 Algemene intrekkings- of wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De vergunning voor een ligplaats kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. De gegevens die zijn verstrekt onjuist of onvolledig blijken en op basis van de juiste gegevens een andere beslissing zou zijn genomen over de aanvraag; b. De vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend; c. De gegevens in de vergunning niet meer kloppen met de werkelijke situatie; d. Niet aan de voorschriften die bij of krachtens deze verordening zijn gegeven wordt voldaan; e. De voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nagekomen; f. De vergunninghouder hierom vraagt; g. De vergunninghouder het verschuldigde binnenhavengeld, als bedoeld in de Verordening binnenhavengeld, niet betaalt; h. Het college van mening is dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het vergunde negatief wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het vergunde; i. De toestand van het vaartuig, bijvoorbeeld de technische en uiterlijke staat van onderhoud, daartoe aanleiding geeft, of als de toestand het uiterlijk aanzien van de gemeente aantast, of het landschap verstoort; j. De ligplaats niet wordt gebruikt waarvoor deze is bedoeld. 2. Er kunnen per categorie vaartuig bij of krachtens deze verordening nog aanvullende intrekkings- of wijzigingsgronden worden bepaald.

Artikel 3.4.1.6 Voorschriften en beperkingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een vergunning voor een ligplaats kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend, afhankelijk van waar de vergunning voor bedoeld is. 2. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de hierna genoemde belangen. 3. De voorschriften en beperkingen, zoals bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: a. De bescherming van de kwaliteit van het water of de bodem; b. Het voorkomen van gevaar, schade of hinder; c. De verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer, zowel op het water als op het land; d. De bescherming en het ongestoorde gebruik van naburige ligplaatsen; e. De afstemming met andere gebruikers van het openbaar water; f. Het bepalen van het tijdstip waarop de ligplaats feitelijk in gebruik mag of moet worden genomen; g. De omvang van de ligplaats waarbinnen het vaartuig moet worden aangelegd; h. Het uiterlijk van het vaartuig als naar mening van het college afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente of het landschap verstoort; i. De bescherming van het historisch- en archeologisch erfgoed. 4. Het college kan de vergunning wijzigen met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen. 5. De vergunninghouder is verplicht de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

38/95

Artikel 3.4.1.7 Verplaatsen van vaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Het college kan de vergunninghouder schriftelijk de opdracht geven een vaartuig te verplaatsen of te doen verplaatsen naar een andere ligplaats, als dit nodig is in het kader van de bescherming van de openbare orde, de veiligheid of het milieu in, op of aan het water. 2. Als de vergunninghouder de opdracht uit het eerste lid niet opvolgt, kan het college besluiten het vaartuig te verplaatsen of te doen verplaatsen. Het risico en de kosten zijn hierbij voor de vergunninghouder. 3. In spoedeisende gevallen, of als de vergunninghouder niet bekend is, kan het college besluiten het vaartuig direct te verplaatsen of te doen verplaatsen. Het risico en de kosten zijn voor de vergunninghouder. Artikel 3.4.1.8 Nakoming aanwijzingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De vergunninghouder is bij het innemen van een ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden door de gemeente aan of nabij de ligplaats verplicht de aanwijzingen op te volgen die door of namens het college worden gegeven. Artikel 3.4.1.9 Meldingsplicht (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De vergunninghouder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, en beschadigingen, die betrekking hebben op zijn ligplaats direct te melden aan het college.

Artikel 3.4.1.10 Termijn voor verwijdering (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Als de ligplaatsenvergunning (van rechtswege) vervalt, wordt opgezegd of ingetrokken moet de vergunninghouder het/de vaartuig(en) direct, dan wel binnen een door het college te bepalen termijn, verwijderen en verwijderd houden. Paragraaf 3.4.2 Ligplaatsen voor pleziervaartuigen Artikel 3.4.2.1 Aanvraag ligplaatsvergunning voor pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De aanvraag voor een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt digitaal ingediend. Het college stelt hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. 2. Het college beslist binnen acht weken over de aanvraag van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig, gerekend vanaf de dag nadat het aanvraagformulier is ingediend. 3. Een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.4, geweigerd als: a. De aanvrager niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Leiden; b. De aanvrager niet beschikt over een pleziervaartuig en/of het niet aannemelijk is dat de aanvrager de betreffende ligplaats binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag kan innemen met een pleziervaartuig; c.

De lengte van het pleziervaartuig, wanneer het is gelegen aan een particuliere wal, groter is dan de maat van het aan het water grenzende deel van het betreffende perceel. 4. De ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt gekoppeld aan de naam van de aanvrager. De vergunning vermeldt de plaatsaanduiding van de betreffende ligplaats en de kenmerken van het pleziervaartuig, waaronder in ieder geval de lengte, breedte, kleur en naam.

39/95

Artikel 3.4.2.2 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een verleende ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig is persoonsgebonden. 2. Als de vergunninghouder komt te overlijden vervalt zes maanden na de datum van overlijden de ligplaatsvergunning van rechtswege. 3. Als de vergunninghouder niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Leiden, vervalt een jaar na de datum van uitschrijving uit de gemeente Leiden de ligplaatsvergunning van rechtswege. 4. Als de vergunninghouder komt te overlijden, kan het college de vergunning overschrijven op naam van de gehuwd of geregistreerd partner. Dit gebeurt met instemming van de gehuwd of geregistreerd partner. De overschrijving wordt binnen zes maanden geregeld. 5. Als de gehuwd of geregistreerd partner als bedoeld in het vierde lid zelf al een ligplaatsvergunning heeft, kan de vergunning van de overleden vergunninghouder niet worden overgeschreven. Artikel 3.4.2.3 Wachtlijst ligplaatsvergunning pleziervaartuig (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Gegadigden voor het verkrijgen van ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig kunnen zich (laten) inschrijven op een wachtlijst die wordt gepubliceerd op de website van de gemeente Leiden. Het college stelt hiervoor een formulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. 2.

Vergunninghouders die al in het bezit zijn van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig die in aanmerking willen komen voor een andere ligplaats kunnen zich ook op de wachtlijst (laten) plaatsen. 3. De volgorde op de wachtlijst wordt bepaald op basis van de datum en het tijdstip waarop de aanvraag is binnengekomen. 4. Het college stelt periodiek vrijgekomen ligplaatsen beschikbaar aan alle op de wachtlijst geplaatste gegadigden. 5. Nadat een ligplaats is toegewezen aan een gegadigde die op de wachtlijst stond ingeschreven, vervalt deze registratie. 6. Als aan een gegadigde zoals bedoeld in lid twee een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt verleend, vervalt de eerder aan deze gegadigde verleende ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig. Artikel 3.4.2.4 Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Als de vergunninghouder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig is begonnen met het zichtbaar gebruiken van de ligplaats zoals beschreven in de vergunning, komt de vergunning van rechtswege te vervallen. Het college kan hiervan afwijken in het besluit tot toekenning van de vergunning. 2. Het college kan, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.5, eerste lid, de ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wijzigen of intrekken als: a.

Dit nodig is vanwege het uitvoeren van werken en/of evenementen; b. Het pleziervaartuig bedrijfsmatig wordt gebruikt. Artikel 3.4.2.5 Voeren vergunningsticker (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De vergunninghouder ontvangt jaarlijks een vergunningsticker van het college.

40/95

2. De vergunninghouder is verplicht de vergunningsticker aan te brengen op zijn vaartuig. De vergunningsticker moet zo zijn aangebracht dat deze van buitenaf goed zichtbaar is. Paragraaf 3.4.3 Ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen Artikel 3.4.3.1 Nadere regels omtrent vergunningverlening (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Het college stelt nadere regels op met betrekking tot het proces van vergunningverlening, waaronder begrepen – maar niet beperkt tot – de vorm en de inhoud van de aanvraag, de verdelings- en verleningssystematiek, en de wachtlijst en wijze waarop deze wordt gebruikt. Artikel 3.4.3.2 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een verleende ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is gebonden aan de (rechts)persoon aan wie de vergunning is verleend. 2. De verleende ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen vervalt bij het faillissement van de (rechts)persoon van rechtswege. Artikel 3.4.3.3 Weigeringsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.4, geweigerd als: a. De aanvrager niet beschikt over een bedrijfsvaartuig en/of het niet aannemelijk is dat de aanvrager de betreffende ligplaats binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag kan innemen met een bedrijfsvaartuig; b.

De lengte van het bedrijfsvaartuig, wanneer het is gelegen aan een particuliere wal, groter is dan de maat van het aan het water grenzende deel van het betreffende perceel waar de beoogde ligplaats is gesitueerd en waarvan de aanvrager eigenaar of gebruiker is. Artikel 3.4.3.4 Overdracht vergunning in geval van bedrijfsoverdracht en wijzigen rechtsvorm (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. In afwijking van artikel 3.4.1.3 kan een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen worden overgedragen, als de vergunninghouder zijn gehele onderneming (waarin als activum de vergunning is opgenomen) of een afgebakend bedrijfsonderdeel (waarin als activum de vergunning is opgenomen) verkoopt en in eigendom aan een derde overdraagt. De oude en de nieuwe vergunninghouder melden dit direct schriftelijk aan het college. 2. Als de vergunninghouder in een andere rechtsvorm wordt omgezet, meldt deze dit direct schriftelijk aan het college. 3. De aanvraag voor het overschrijven van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt ten minste zes weken voor de juridische eigendomsoverdracht digitaal ingediend. Het college stelt hiervoor een formulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op de aanvraag. Deze termijn kan met acht weken worden verlengd. 4.

Het overschrijven van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt in ieder geval geweigerd als niet wordt voldaan aan wat daarover is bepaald bij of krachtens deze verordening.

41/95

Artikel 3.4.3.5 Het gebruik van de ligplaats (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De vergunninghouder van één of meerdere ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen mag die ligplaatsen voor al zijn bedrijfsvaartuigen gebruiken, mits de buitengrenzen van de individuele ligplaats niet worden overschreden. 2. De vergunninghouder van aaneengesloten ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen mag die ligplaatsen voor al zijn bedrijfsvaartuigen gebruiken, inclusief de vaartuigvrije zone van twee meter die tussen ligplaatsen wordt gerekend, mits de buitengrenzen van de gezamenlijk aaneengesloten ligplaatsen niet worden overschreden. 3. De vergunninghouder van een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is verplicht het bedrijfsvaartuig op duidelijke wijze te voorzien van de naam van de vergunninghouder. Artikel 3.4.3.6 Voorschriften en beperkingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. In de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen staat met welke categorie of categorieën bedrijfsvaartuigen de betreffende ligplaats mag worden ingenomen. 2. Door het college kunnen aan de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van het oogmerk van deze verordening. Artikel 3.4.3.7 Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.

Als de vergunninghouder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is begonnen met het zichtbaar gebruiken van de ligplaats zoals beschreven in de vergunning, komt de vergunning van rechtswege te vervallen. Het college kan hiervan afwijken in het besluit tot toekenning van de vergunning. 2. Het college kan, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.5, eerste lid, de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wijzigen of intrekken als: a. Dit nodig is vanwege het uitvoeren van werken en/of evenementen; b. Het vaartuig dat op de ligplaats is afgemeerd niet behoort tot of niet herkenbaar is als een van de bedrijfsvaartuigen van de vergunninghouder. Paragraaf 3.4.4 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare ruimten Artikel 3.4.4.1 Voorwerpen op of aan de weg (APV) 1. Het is niet toegestaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, zonder dat door het college daarvoor een vergunning is verleend. 2. De vergunning wordt als omgevingsvergunning verleend als het gebruik als bedoeld in het eerste lid een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan een vergunning worden geweigerd: a.

Als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. Als het beoogde gebruik, op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. c. Om overlast voor gebruikers van een nabij gelegen onroerende zaak te voorkomen of te beperken. 42/95

4. Het verbod is niet van toepassing op: a. Evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; b. Terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, van de APV; c. Standplaatsen als bedoeld in artikel 3.4.9.1; d. Voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. Categorieën van voorwerpen die door het college zijn aangewezen; f. Situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994. 6. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder c is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.4.4.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (APV) 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen. 2.

De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.4.4.3 Maken, veranderen van een uitweg (APV) 1. Het is niet toegestaan om zonder een omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg, of een verandering aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 moet een vergunning worden geweigerd: a. Om gevaar op de weg te voorkomen; b. Als een openbare parkeerplaats door de uitweg verdwijnt, zonder dat dat nodig is; c. Als door de uitweg het openbaar groen op een onaanvaardbare manier wordt aangetast; d.

Als de uitweg is bedoeld om een perceel te ontsluiten dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats of openbaar groen verdwijnen.

43/95

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel 3.4.4.4 Winkelwagentjes (APV) 1. De rechthebbende op een bedrijf dat winkelwagentjes ter beschikking stelt die mede zijn bedoeld om winkelwaren over de weg te vervoeren, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken. 2. De rechthebbende als bedoeld in het eerste lid mag buiten het door het college aangewezen winkelgebied geen onbeheerde winkelwagentjes hebben, met uitzondering van de door het betreffende bedrijf aangebrachte uitgifte/verzamelpunten voor deze winkelwagentjes. 3. De gebruiker van een winkelwagentje mag deze niet buiten het door het college aangewezen winkelgebied gebruiken, aanwezig hebben of achterlaten, met uitzondering van het achterlaten van het winkelwagentje op een door het betreffende bedrijf aangebracht uitgifte-/verzamelpunt. Artikel 3.4.4.5 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (APV) Het is niet toegestaan een voorwerp of beplanting te hebben of aan te brengen op een manier dat voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat, of voor het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd. Artikel 3.4.4.6 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (APV) 1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing waarin wordt voorzien door de Waterstaatsweg 1900, de Onteigeningswet, de Belemmeringenwet Privaatrecht, of de Verordening naamgeving van de openbare ruimte en nummering Leiden. Artikel 3.4.4.7 Objecten onder hoogspanningslijn (APV) 1. Binnen een afstand van 6 meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen is het niet toegestaan voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan 2 meter, te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 3.4.4.8 Veiligheid op het ijs (APV) 1. Het is niet toegestaan: a. IJsvlakten die voor het publiek toegankelijk zijn te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op welke manier dan ook te belemmeren of in gevaar te brengen; b.

Bakens of andere voorwerpen ten behoeven van de veiligheid op de ijsvlakten als bedoeld onder a, te verplaatsen, weg te halen, te beschadigen of op welke manier dan ook het gebruik daarvan te verhinderen of te belemmeren. 44/95

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel 3.4.4.9 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (APV) 1. Het is niet toegestaan een voorwerp, anders dan een vaartuig, op, in of boven openbaar water te hebben of aan te brengen als dit op enige manier gevaar of belemmering oplevert voor het doelmatig en veilig gebruiken, beheren of onderhouden van het openbaar water. 2. Degene die het voornemen heeft een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven het openbaar water te plaatsen, doet daarvan minimaal twee weken van tevoren een melding aan het college. 3. De melding als bedoeld in het tweede lid bevat in ieder geval de naam, het adres en de contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en de omvang van het voorwerp. 4. De melding wordt op de gebruikelijke manier bekendgemaakt. 5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepsvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Paragraaf 3.4.5 Terrassen Artikel 3.4.5.1 Terrasvergunning (APV) 1.

Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college of in afwijking van de regels als bedoeld in het derde lid, een terras in te richten, te exploiteren of in gebruik te geven op een openbare ruimte, op openbaar water of op een voor publiek toegankelijk terrein. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. Een terras (op het water) niet direct grenst aan, of zich in de directe nabijheid van de horeca-inrichting van de aanvrager bevindt; b. Blijkt dat het terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg en het openbaar water, of voor het doelmatig beheer van de weg en het openbaar water; c. Blijkt dat het terras breder is dan de gevelbreedte van de horeca-inrichting, tenzij het college vindt dat een afwijkende breedtemaat vereist of aanvaardbaar is, gelet op onder meer de belangen van de eigenaren/gebruikers van aangrenzende percelen;’ d. De aanvraag betrekking heeft op een terras op een binnenplaats of binnenterrein omsloten door woningen, tenzij het college vindt dat overlast voor de eigenaren/gebruikers van aangrenzende percelen kan worden voorkomen door het verbinden van voorschriften aan de vergunning; e.

De aanvraag betrekking heeft op een terras op het water voor het Rapenburg (met uitzondering van de locatie hoek Rapenburg/Noordeinde), de Herengracht, de Zoeterwoudsesingel, de Witte Singel, de Morssingel, de Rijnsburgersingel, de Maresingel, de Herensingel en de Zijlsingel; f. Het verlenen van de vergunning de rechten en/of vrijheden van anderen zal aantasten, dan wel voor ontoelaatbare overlast zal zorgen;

45/95

g. Voor het terras ook andere vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en dergelijke zijn vereist, die krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 4. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.4.5.2 Aanvraag terrasvergunning en nadere regels voor gebruik van een terras (Regels terrassen) 1. Een terras en/of een terras op het water ligt direct aangrenzend aan, of in de directe nabije omgeving van de horeca-inrichting van de aanvrager. 2. Terrassen zijn alleen toegestaan binnen het vlak dat loodrecht op de voorgevel ligt, binnen de zijdelingse perceelgrenzen ter hoogte van de voorgevel (zie bijlage 3, voorbeeldkaartjes 1 en 2). a. Terrassen die niet tegen de eigen gevel liggen mogen daarnaast ook niet binnen een afstand van 4 meter tot panden van derden worden geplaatst, tenzij met de eigenaar van deze panden overeenstemming is bereikt (zie bijlage 3, voorbeeldkaartje 3). 3. Een terrasboot op het water mag niet meer dan 10 centimeter boven de kademuur uitsteken. 4.

Het is niet toegestaan voorwerpen zwaarder dan 15 kilogram te plaatsen, of voorwerpen in de grond te verankeren, binnen een straal van 90 centimeter rondom een brandkraan of -deksel, gemeten vanuit het hart van de brandkraan of –deksel. 5. Het is niet toegestaan nooduitgangen en –toegangen voor derden met de daarbij behorende looproutes te blokkeren. 6. Het is niet toegestaan objecten te plaatsen binnen een afstand van 50 centimeter van een geleidelijn, markering of natuurlijke gidslijn die is bedoeld ter aanduiding van looproutes voor mensen met een visuele beperking. 7. Het is niet toegestaan een terras te hebben op een binnenplaats, binnenterrein of andere door woningen omsloten terrein, tenzij het college anders besluit. 8. Als zich in straten trottoirs bevinden moet de vrije breedte voor voetgangers op trottoirs minimaal 1,5 meter bedragen. De vrije breedte moet minimaal 2 meter bedragen bij de trottoirs van de Stationsweg, de Steenstraat, de Nieuwe Beestenmarkt, de Turfmarkt, de Prinsessekade, het Kort Rapenburg, de Breestraat, de Korevaarstraat, de Lange Mare en de Doezastraat. 9.

In stegen en straten die smaller zijn dan 4 meter en waar alleen voetgangers zijn toegestaan, zijn terrassen mogelijk tot 1 meter uit de eigen gevel, mits deze geen overlast (ten aanzien van geluid en vrije doorgang) voor omwonenden zullen veroorzaken en mits de looproute minimaal 1,5 meter breed blijft. 10. Op de Beestenmarkt moet voor de toegang van calamiteitendiensten een vrije breedte van minimaal 4 meter bestaan tussen de gevelterrassen en de eilandterrassen. De vrije breedte wordt gerekend vanaf de lijngoot (richting het plein) (zie bijlage 3, voorbeeldkaartje 4). Artikel 3.4.5.3 Nadere regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit van terrasmeubilair (Regels terrassen) 1. Onder terrasmeubilair vallen alle losstaande elementen op een terras.

46/95

2. De losse onderdelen van het terrasmeubilair mogen niet hoger zijn dan 1,5 meter en niet breder dan 2,5 meter. 3. Terrasmeubilair dat in aanleg niet binnen kan worden opgeslagen, kan worden aangemerkt als bouwwerk. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor een bouwwerk zijn verleend. 4. Terrasmeubilair moet passen bij de functie en beeldkwaliteit van de directe omgeving. 5. Terrasmeubilair moet in goede constructieve en onderhouden toestand zijn. 6. Terrasmeubilair mag niet in een fluorescerende kleur zijn uitgevoerd. 7. Terrasmeubilair en/of plantenbakken mogen niet worden geplaatst op een manier waardoor ze fungeren als zijwand of terrasafscheiding. 8. Terrasmeubilair en/of plantenbakken mogen niet meer dan 50% van een zijkant/rand van een terras vullen. 9. Plantenbakken mogen maximaal 70 centimeter hoog zijn en een oppervlakte hebben 2 van maximaal 0,7 m . 10. Het is niet toegestaan de (straat)verharding tijdelijk dan wel permanent te bedekken. 11. Verwijderbare en/of tijdelijke schermen zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De zijschermen worden loodrecht op de gevel geplaatst, binnen de grenzen van het terras en mogen niet langer zijn dan de diepte van het terras; b. De zijschermen mogen maximaal 1,5 meter hoog zijn, waarbij een eventueel ondoorzichtig deel maximaal 70 centimeter hoog (vanaf het maaiveld) mag zijn; c.

Het doorzichtig deel van de zijschermen bestaat uit helder kleurloos glas of helder kunststof; d. De zijschermen mogen geen hinder voor het verkeer veroorzaken; e. Eventueel aangebrachte logo’s of teksten op het dichte deel of het transparante deel mogen maximaal 15% van het oppervlak van dat schermdeel beslaan; f. De zijschermen moeten buiten de terrasuren worden weggehaald; g. De zijschermen moeten voldoen aan de kwaliteitseisen uit de welstandsnota; h. Terrasschermen op terrasboten zijn niet toegestaan. 12. Voor permanente zijwanden, vaste parasols of vaste parasolvoeten bij terrassen in de openbare ruimte moet een omgevingsvergunning worden verleend. 13. Het overkappen van een terras is niet toegestaan, met uitzondering van de gevallen in artikel 5 of een uitvalscherm waarvoor een vergunning is verleend. 14. Een terras op het water is gelegen op een dekschuit met een historische uitstraling die is uitgevoerd in een gedekte kleur. 15. Het voeren van reclame is toegestaan op terrasmeubilair dat hoort bij het terras. De reclameboodschap mag maximaal 15% van het oppervlak van het object beslaan. 16. Gedrukte reclame op markiezen, uitvalschermen en parasols is alleen toegestaan op de volant tot maximaal 50% van de volantbreedte en een maximale hoogte van 20 centimeter. 17. Reclameboodschappen mogen uitsluitend de volgende zaken bevatten: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9665635/1