CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Nota versterken en verbinden groen

raadscommissie Leefbaarheid en Bereikbaarheid 27 mei 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Technische vragen29.229 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Structureel oplossen in plaats van structureel blijven betalen De gemeente gaat meer structurele oplossingen inzetten om de jaarlijkse kosten voor verhardingsherstel omlaag te brengen. De huidige methode is immers vooral gestoeld op het (moeten) herhalen van dezelfde maatregel. Structurele oplossingen vergen wel eenmalige maatregelen die hoge investeringen vergen. Deze zullen zich terugverdienen doordat geen periodiek duur verhardingsherstel nodig is. Zorgvuldig verwijderen De gemeente erkent dat het vaak onoverkomelijk is om boomwortels te verwijderen zodat verharding veilig en netjes wordt. Dat verwijderen van boomwortels gebeurt op een zorgvuldige manier om bomen niet meer te schaden dan strikt noodzakelijk is. De gemeente erkent immers ook dat elke boomschade leidt tot verminderde conditie, verhoogde onveiligheid en daarmee verhoogde beheerkosten. Dat vergt enige aanpassing in de wijze waarop de wortelkap nu plaatsvindt. De werkwijze staat in het ‘organisatorisch werkprotocol’ in bijlage 4.

6 Kappen van bomen. Met deze notitie is vastgelegd dat diverse vormen van overlast geen reden zijn om een boom te kappen. Uiteraard kunnen deze overlastvormen wel meegewogen worden bij het verlenen of aanvragen van een omgevingsvergunning of als er twijfel is over de duurzame instandhouding van de boom op een specifieke plaats van doorslaggevend belang zijn. Zoals reeds gezegd is overlast geen aanleiding voor het aanvragen of verlenen van een vergunning maar kan wel meewegen als extra argument. De volgende overlast veroorzakende situaties kunnen in geval van twijfel meewegen in het verlenen van een vergunning: Schaduw in de woning, welke over een vol etmaal aanwezig is en waarbij de schaduw niet via beheermaatregelen weggenomen kan worden Insecten zoals bladluizen: Luizen in een boom is geen aanleiding om een kapvergunning te verlenen, maar kan in een twijfelgeval wel meewegen. Bij twijfel over het al dan niet verlenen van een vergunning kan luizenoverlast de doorslag geven. Ernstige wortelopdruk Ernstige overlast van dieren en uitwerpselen (Ernstige) schade Niet als reden voor een kapvergunning geldt: bladval, bessen, vruchten stuifmeel, pluisvorming Bij bomen die in beheer zijn bij gemeente Leiden of op ontwikkellocaties staan gelden de volgende redenen als redenen die wel volstaan om een vergunning aan te vragen of te verlenen.

Uiteraard wordt als eerste voorwaarde gesteld deze factoren zo goed als mogelijk te voorkomen. Mocht dit niet het geval zijn dan zijn de volgende factoren redenen om een kapvergunning aan te vragen of te verlenen. Bovengrondse factoren: De noodzakelijke snoei is (on)verantwoord. De boom kan bijvoorbeeld ten behoeve van de bouw deskundig gesnoeid worden, zodat sprake is van een duurzame instandhouding. Omgekeerd kan de snoei dermate rigoureus zijn dat de kans op het inrotten van de wonden of andere problemen groot is. Bijvoorbeeld bij het voor de wegaanleg noodzakelijk opkronen van oude bomen. De beoordeling van de effecten hangt mede af van de boomsoort. Sommige soorten hebben een beter reactievermogen dan andere. De windbelasting gaat veranderen. Bijvoorbeeld doordat de boom meer vrijgesteld wordt of juist tegen de nieuwbouw aangeplakt komt te staan. Het uitgroeien van de kroon is (on)mogelijk. Bij het handhaven van bijvoorbeeld een halfwas beuk op een halve meter afstand van het balkon zijn klachten van toekomstige bewoners voorspelbaar. Bij deze beoordeling speelt de boomsoort ook een rol. Een paardenkastanje of beuk houdt meer licht tegen dan een berk of een iep. Het nieuwe gebouw zorgt voor reflectie en/of opwarming. De kans op zonnebrand is groot bij een beuk aan de zuidkant van een nieuw spiegelgebouw. Ook hier speelt de soortgevoeligheid een rol.

Ondergrondse factoren: De verdichting van de bodem is (on)verantwoord en is niet te vermijden door het werk anders in te richten. Door de bouwwerkzaamheden onder de kroon raakt de bodem te zeer verdicht, waardoor een te groot deel van het wortelstelsel afsterft, zeker wanneer deze activiteiten in natte omstandigheden worden uitgevoerd. De realisatie gaat gepaard met een (on)acceptabel verlies van wortels en is niet anders uit te voeren waardoor deze schade niet zal ontstaan. De boom raakt bijvoorbeeld belangrijke stabiliteitswortels kwijt door plaatsing van de fundering (verticale afgraving). Of een boom die afhankelijk is van het hangwater verliest een te groot deel van zijn wateropnamecapaciteit door het verwijderen van de toplaag (horizontale afgraving) en het werk is niet anders te realiseren. De toekomstige doorwortelbare ruimte is (on)voldoende. Een betonbak van 4 m³ voor een volwassen eik of kastanje is bijvoorbeeld onvoldoende. (zie handboek voor inrichtingsvoorwaarden) De voorgestelde ophoging of verharding (afdichting) onder de kroon is gezien de dikte van het pakket, het materiaalgebruik, het verhardingstype, het deel van de kroonprojectie en/of de boomsoort (on)verantwoord en is niet anders uit te voeren. Er vindt bronbemaling plaats hetgeen leidt tot grondwateronttrekking. Bomen in de wijde omgeving lopen in het groeiseizoen het gevaar te verdrogen.

Bomen in de stad: Opgedrukte verharding. Een groot probleem met bomen in de stad is de zogenaamde opgedrukte verharding. In het verleden zijn bomen in de verharding geplant die ondergronds te weinig groeiruimte hadden. Op zoek naar voedsel, zuurstofgebrek of door een hoge grondwaterstand groeiden wortels direct onder de verharding waardoor deze verharding werd opgedrukt. Dit probleem wordt door de afdeling Stedelijk Beheer gefaseerd aangepakt e.e.a. op basis van inventarisatie en urgentie. Zij heeft daartoe een raamovereenkomst met een aannemer afgesloten om de meest urgente problemen op te lossen en zo mogelijk mee te liften met herbestrating- en herinrichtingprojecten Bij het prioriteren speelt de mate van gevaarzetting en daarmee de aansprakelijkheid de grootste rol. Het kan betekenen dat de boom moet worden gekapt. Dit is echter niet altijd noodzakelijk. Er zijn ook oplossingen te vinden door het uitwisselen van grond. Groeiplaatsinrichting: Om in de toekomst de problematiek van de opgerukte verharding te voorkomen moet kritisch worden gekeken naar de soort boom (hoe groot en breed wordt de boom) voor de betreffende locatie maar vooral ook is er voor de toekomst voldoende ondergrondse ruimte om opgedrukte verharding te voorkomen. Tevens dient rekening te worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen in de grond.

De aanwezigheid van kabels en leidingen, onvoldoende ondergrondse groeiruimte en te verwachten klachten zoals schaduwoverlast, takken tegen gevels kan in veel gevallen betekenen dat lang niet op elke plek een boom kan worden geplant. De eisen ten aanzien van een groeiplaatsinrichting staan omschreven in het handboek openbare ruimte. Communicatie Het is belangrijk om zowel de burger als de politiek duidelijk te maken hoe de gemeente omgaat met klachten over bomen en de beperkingen die er zijn bij het planten van bomen. Dit betekent dat niet elk verzoek om een boom te kappen of flink te snoeien kan worden gehonoreerd en dat niet overal waar dat gewenst zou zijn een boom kan worden geplant. Het groen, inclusief de bomen, zijn essentieel in de stad. Schaduw, vruchten en zaden zijn geen reden in te grijpen. Als het planten van bomen niet kan omdat er ondergronds onvoldoende ruimte is, is het des te belangrijker waar mogelijk de bestaande bomen in hun volledige habitus te handhaven zodat per saldo het bomenbestand niet achteruit gaat.

Bijlage 1

Keuzematrix maatregelen hoofd- en wijkstructuur

Bijlage 2

Keuzematrix maatregelen buiten hoofd- en wijkstructuur

Bijlage 3

Toelichting keuzematrixen

Kan verharding weg? De meest structurele oplossing om het ‘conflict’ tussen boom en verharding op te lossen is het wegnemen van (een deel van) de verharding. Denk daarbij aan het verruimen van de bandenlijn, het vergroten van boomspiegels of het omvormen van verharding tot open beplanting of gras. Voor deze opties kan alleen worden gekozen als het wegnemen of omvormen van het maaiveld geen afbreuk doet aan verkeerskundige en technische eisen die worden gesteld in de richtlijnen van de CROW en het Handboek Toegankelijkheid voor het inrichten van de openbare ruimte. Hierin staat onder meer waaraan verhardingen moeten voldoen om toegankelijk en bruikbaar te worden geacht voor verschillende doelgroepen van gebruikers. Die richtlijnen kunnen daarmee beperkend werken in de mogelijkheden om verharding weg te nemen. Als er echter sprake is van een beschermde boom of een boom in de hoofd- en wijkgroenstructuur kan worden gezocht naar een alternatief voor de (weg)gebruikers, waarbij enigszins wordt afgeweken van de verkeerskundige richtlijnen. Dit gebeurt in overleg met de beleidsmedewerker verkeer. Kan de boom weg? Of kap van de boom acceptabel is, hangt af van diverse factoren. In eerste instantie wordt gekeken naar de weigeringsgronden uit de bomenverordening.

Wanneer de boom op een van deze gronden als waardevol wordt beoordeeld kan dit een betekenen dat het kappen van de boom niet gewenst is. De wergeringsgronden uit de bomenverordening zijn; a) verschijningsvorm b) natuur- en cultuurhistorie c) ecologie d) dendrologie en zeldzaamheid e) beeldbepaling f) standplaats en structuur g) toekomstverwachting en infrastructuur; Kan verharding omhoog? Verharding kan alleen omhoog als dat geen problemen geeft met bijvoorbeeld toegankelijkheid en bruikbaarheid, kantopsluitingen, hemelwaterafvoer of inritten. Deze vraag is onder andere van toepassing bij de oplossingsrichtingen Maatwerk (groeiplaatsconstructie) en glooiend omhoogstraten. Hoeveel kan de verharding omhoog? De diverse constructies hebben een minimale hoogtewerking. Welke methode kies ik Is minder dan 15 cm beschikbaar, dan kan het cunet worden opgehoogd. Hiervoor moet grof humusloos zand gebruikt worden. Dat is nodig om de noodzakelijke lucht en watertoevoer naar de wortels intact te houden. Moet er meer dan 15 cm opgehoogd worden dan kan dit alleen met behulp van maatwerk en groeiplaatsconstructies. Is wortelsnoei bedreigend voor de stabiliteit en vitaliteit? Of wortelsnoei bedreigend is voor een boom, is altijd maatwerk. Bewortelingsdiepte en –patroon kunnen namelijk per boom variëren. Daarom dient dit door een deskundige te worden beoordeeld.

De volgende vuistregel kan echter worden gehanteerd: - Vlakwortelende bomen: de straal van de stabiliteitskluit is 8 x straal stam;

-

Diepwortelende bomen: de straal van de stabiliteitskluit is 6 x straal stam; Maximale wortelsnoei: 20% wortelvolume; Wortels tot 5 cm doorsnede: verwijdering meestal mogelijk; Wortels met een doorsnede van 5 tot 10 cm: verwijdering incidenteel mogelijk; Wortels vanaf 10 cm doorsnede: verwijdering niet mogelijk. Bomen kunnen op basis van soort worden ingedeeld in een categorie vlakwortelend of diepwortelend. Echter: bodemopbouw speelt hierbij ook een rol. Op plaatsen met ondoordringbare bodemlagen of hoge grondwaterstand, kunnen zelfs diepwortelaars toch bovenin het profiel blijven met hun wortels.

Heroverweging kosten Blijkt uit de eerste afwegingen dat zowel verharding als boom moeten blijven? Dan ontstaat een dilemma. De beheerder kan het kostenaspect meewegen om alsnog tot een keuze te komen. Kosten repeterend herstel (Eenheidsprijs van wortelkap en herstraten) x (frequentie) x (verwachte restlevensduur boom) Dit bedrag geeft aan wat deze locatie kost aan verhardingsherstel, totdat hij wordt gerooid. Kosten investering eenmalige maatregel Prijs voor het eenmalig, structureel oplossen van het probleem. Dit bedrag geeft aan wat eenmalig moet worden geïnvesteerd, om vervolgens geen structurele kosten meer te hebben aan verhardingsherstel. Deze bedragen worden tegen elkaar afgewogen.

Bijlage 4

Organisatorisch werkprotocol

Stap 1 Wegenispectie Uit deze inspectie komen locaties naar voren waar wortelopdruk is geconstateerd. Deze locaties worden gebundeld in een verzamellijkst opdruklocaties met een classificatie naar ernst.

Stap 2 Buitenopname door toezichthouder Groen en Civiel

Stap 3 Beoordeling situatie en oplossing aan de hand van de keuzematrixen.

Stap 4 Uitzetten werkzaamheden Civiel

Verwijderen opsluitbanden en verharding Glooiend omhoog straten Wortelkap (onder begeleiding van toezichthouder Groen) Herstraten

Groen

Groeiplaatsverbetering Kap boom Herplant boom

Stap 5 Toezicht uitvoering werkzaamheden door toezichthouder Groen en Civiel

Stap 6 Behandelde boom een seizoen later controleren (VTA)

Stap 7 Registratie door Civiel. Wanneer is het probleem weer terug?

Bijlage 5

Overlastbeoordelingsformulier bomen in openbare ruimte

Algemene gegevens: Wijk

Straat

Past de boom bij het wegtype zoals aangegeven in de beleidsdoelstellingen van de kadernota / handboek? Aantal

Ja

□

Nee

0 punten

□

10 punten Nederlands e naam

Wetenschappelijke naam

Stamomvang in cm gemeten op 130 cm boven maaiveld Subtotaal algemene gegevens Bijzondere gegevens Kroontype

Brede kroon □

Bolvormige □ kroon Huidige kroonbree dte Max. toekomstig e breedte

Zuilvormi ge kroon

Groep

□

Straat / □ laanboom

□

-25 punten

Ecologisch waardevol

□

□

-5 punten

Dendrologis ch / zeldzaam

□

Huidige hoogte Max. toekomstige hoogte

□

Vormboom

□

Verschijningsvorm

Solitair

□

Bijzondere kenmerken

Monumenta al (groene kaart) Herdenking sboom

-5 punte n -5 punte n

Beeldbepale □ -10 nd punt en Toekomst □ -5 verwachting punt meer dan 5 en jaar

Subtotaal bijzondere gegevens Locatie specifieke gegevens Criteria

Beoordeling

Stamafstand tot bebouwing

>6m 0 punten

□

Restruimte kroon tot bebouwing

>5m 0 punten

□

Stamafstand tot tuin

>2m 0 punten

□

Restruimte kroon tot tuin

>5m 0 punten

□

3-6m 3 punten 2-5m 3 punten 0,5-2m 3 punten 2-5m 3

□ □ □ □

<3m 6 punten <2m 6 punten <0,5 m 6 punten <2m 6

□ □ □ □

Wortelopdruk verharding

Geen 0 punten

□

Beperking lichtinval woning

Weinig 0 punten

□

Ongedierte (insecten)

Geen 0 punten

□

Vruchtdragend

Nee 0 punten >10 jaar 0 punten

□

Aanvaardbaa r 0 punten Ja -10 punten

□

Restant levensduur

Algemene indicatie overlast Overlast beperken door kroonreductie

□

□

punten Matig 3 punten Matig 3 punten Matig 3 punten Ja 1 punt 5-10 jaar 3 punten Matig 3 punten Tijdelijk -5 punten

□ □ □

punten Veel 6 punten Veel 6 punten Veel 6 punten

> 35 punten 30-35 punten < 30 punten

□ □

□ □

<5 jaar 6 punten

□

□

Veel 6 punten Nee 0 punten

□

□

Subtotaal locatie specifieke gegevens

Advies: Bij een score van Bij een score van Bij een score van

□

Kappen wenselijk Hercontrole over 5 jaar Boom handhaven

□

Versterken en verbinden van groen in Leiden

November 2013

Samenvatting Met deze nota geven we invulling aan de groene ambities uit de (ruimtelijke) Structuurvisie Leiden 2025 en de prestaties ‘opstellen kaderstellend beleid openbaar groen’ en ‘beheerbeleid groen’, zoals genoemd in de programmabegroting 2013. De hoofdvraag is: Hoe gaan we de groene doelstellingen en ambities realiseren en welke (extra) acties gaan we daarvoor uitvoeren? Eerst zoomen we in op de belangrijke functies van groen voor de stad: ecologisch, stedenbouwkundig, recreatief, fysisch en cultuurhistorisch. Die functies hebben ook grote economische waarde, die nog te weinig voor het voetlicht wordt gebracht. ‘Groen’ moet in ontwikkelprojecten een gelijkwaardige rol hebben als ‘rood’ en ‘grijs’. De groene hoofdstructuur van de stad moet beschermd worden. In onze stad hebben we geen uitbreidingsmogelijkheden om nog veel groen toe te voegen. We moeten het hebben van de kwaliteit van het bestaande groen. Dat moet een hoge belevingswaarde hebben, maar ook uitnodigen tot gebruik. We willen de groenstructuren in de stad nog beter verbinden met het ommeland, zodat Leidenaren op een gezonde manier ook verleid worden om te genieten van het groen om de stad. De drie hoofddoelstellingen voor het groenbeleid voor de komende jaren: 1. beschermen en zo mogelijk verbeteren van de groene hoofdstructuur in de stad; 2.

verbinden van groengebieden in de stad onderling en met de groengebieden in het ommeland in de vorm van een recreatief netwerk; 3. het betrekken van externe partners (bijv. burgers, woningcorporaties) bij het groenbeheer. Om dit te realiseren zijn naast de al uitgevoerde en nog lopende maatregelen (zie bijlage 2) op basis van het bestaande beleidskader, de volgende aanvullende acties nodig: 1. Een beeldkwaliteitsplan groene hoofdstructuur met aansluitend een uitvoeringsprogramma 2015-2025. Dit plan omvat een vergelijking tussen het gewenste beeld /de gewenste kwaliteit van de groene hoofdstructuur en de huidige situatie, als referentie voor ruimtelijke ingrepen in die structuur; 2. Invoering van het instrument ‘groenparagraaf’ als verplicht onderdeel bij ontwikkeling van ruimtelijke plannen die direct of indirect gevolgen hebben voor groen in de hoofdstructuur en de daaraan verbonden openbare ruimte. Dergelijke plannen dienen voortaan een inhoudelijk en financieel onderbouwde groenparagraaf, inclusief compensatievoorstel, te bevatten, voordat tot uitvoering kan worden overgegaan. Die groenparagraaf zal getoetst worden op de bijdrage aan het referentiebeeld zoals bedoeld onder 1.

3. Vaststelling van het ‘beleidsvoorstel overlast gevende bomen’. Dit voorstel biedt duidelijkheid aan zowel groenbeheerders als burgers over de manier waarop de gemeente omgaat met klachten van burgers die overlast ondervinden van bomen.

I. Inleiding: waarom deze nota? Hoe kunnen we de groene ambities uit de Structuurvisie Leiden 2025 de komende jaren verwezenlijken? Met als uitgangspunt dat groen, zeker in een dichtbevolkte stad als Leiden, gekoesterd moet worden. Oud groen moet goed beheerd worden. Waar mogelijk moet nieuw groen toegevoegd worden. De aantrekkelijkheid van Leiden als kennisstad en als mogelijke vestigingsplaats voor burgers en bedrijven is sterk gebaat bij een goede, groene woonomgeving. In de programmabegroting 2013 staan de prestaties ‘opstellen kaderstellend beleid openbaar groen’ en ‘beheerbeleid openbaar groen’. Deze prestaties zijn bedoeld om nader invulling te geven aan al vastgestelde ruimtelijke, ecologische en beheermatige kaders en ambities. Deze kaders en ambities zijn vastgelegd in een veelheid aan bestuurlijke besluiten: Strategisch beleidskader: Ecologisch beleidsplan Leiden (1998) en bijbehorende uitvoeringsprogramma’s Structuurvisie Leiden 2025 (2011) Kadernota kwaliteit openbare ruimte (2012) Waterplan Leiden (2007) Duurzaamheidsagenda 2011-2014 Gezamenlijke visie biodiversiteit in en om Leiden.

Voor en door burgers (2009) Tactisch beleidskader: Bomennota (1994) en kaderstelling bomenbeleid 2004-2014 Groene Kaart (gekoppeld aan de Bomenverordening en als toetsingskader voor procedure omgevingsvergunning) Stadsnatuurmeetnet (2004) Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden. De Flora- en faunawet in praktijk (2005), opgevolgd door de Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting en de gedragscode Beheer Groenvoorzieningen (2012) Grip op groen (2006) Biodiversiteits-actieplan (2009) Handboek kwaliteit openbare ruimte (2012) Operationeel beleidskader: Groenactieplan 2008-2010 Bomenverordening (2012) Algemene beleidsuitgangspunten groenbeheermaatregelen molenbiotopen (2009) Optimalisering groen polderpark Cronesteyn (2006)

diverse beheerplannen voor parken en natuurvriendelijke oevers en bermen Voor een korte beschrijving van deze beleidskaders: zie bijlage 1. Daarnaast is in 2012 de ‘Visie Leidse singels: het langste park van Nederland! Sinds 1659’ (Singelpark) vastgesteld. Doel is om een aaneengesloten park (groene ring) van ruim 6 km rond de binnenstad te maken waar je kunt genieten van de natuur, varen, fietsen, spelen, wandelen, picknicken, sporten of juist ontspannen. Het Singelpark is een belangrijk groenproject ter ondersteuning van de hoogwaardige leefomgeving die bij een kennisstad hoort. Kort samengevat is met de bestaande beleidskaders bepaald: - welke structuurbepalende bomen er in Leiden zijn, onderverdeeld in vlakken (parken), lijnen (doorgaans langs wegen) en afzonderlijke bomen; - hoe die bomen beheerd moeten worden; - hoe parken en overige groenelementen beheerd worden; - hoe de bescherming van bomen juridisch geregeld is; - welke richtlijnen voor natuurlijk beheer en zorgvuldig handelen gehanteerd moeten worden; - welk kwaliteitsniveau van groenonderhoud in de verschillende gebieden van Leiden nagestreefd wordt; - wat de ecologisch dragende groenstructuur van Leiden is; - dat mogelijkheden tot aanleg van natuurlijke oevers en andere ingrepen die de biodiversiteit bevorderen benut moeten worden; - dat gestreefd wordt naar versterken van bewustwording van het belang van groen en

naar vergroten van bewonersparticipatie bij groenbeheer in de stad; - dat de kwaliteit van het groen in de stad verbeterd moet worden; - dat een robuuste groenstructuur wordt nagestreefd die op een aantrekkelijke manier verbonden is met het groen in de regio; - welke inrichtingsprincipes gewenst worden; kortom dat we het groen willen versterken en verbinden. Alle beleidskaders komen samen in het Meerjarenonderhoudsplan Groen (MOP Groen), waardoor het Leidse groen op een verantwoorde wijze duurzaam in stand gehouden kan worden. Dat is het vertrekpunt. Daarnaast staan we stil bij enkele actuele ontwikkelingen die – naast de veranderende maatschappelijke inzichten over de functies van groen – van invloed kunnen zijn op het groenbeleid: 1. Bedreigingen en kansen voor groen. De stad heeft de nodige ambities, met name op het gebied van bereikbaarheid. Infrastructurele of verkeerskundige ingrepen gaan spelen aan de westkant van de stad (Rijnlandroute, knoop west, Bioscience park), de binnenstad en aan de oostkant van de stad (ringweg of alternatieve oplossing). Er worden gebiedsvisies t.b.v. nieuwe ontwikkelingen opgesteld. De Nota Wonen 2020 bevat een kansenkaart voor nieuwe stedelijke woonmilieus in de gebieden rond het centrum.

Het is zaak bij deze ontwikkelingen voldoende aandacht te besteden aan knelpunten en bedreigingen voor bestaand groen en aan kansen voor nieuw groen. 2. Klimaatverandering. Het belang van het waterbergend vermogen van groen neemt door de klimaatverandering toe. Met de veranderingen die in het klimaat merkbaar zijn, treden vaker en heviger regenbuien op en mede door de hoge mate van verharding van het Leidse areaal is het niet alleen van belang dat de mogelijkheid bestaat van afvoer van hemelwater via het oppervlaktewater, maar dat er ook voldoende opnamecapaciteit via groen is. Daarnaast vervult groen ook een belangrijke functie voor de opname van vervuilende stoffen en geluid. 3. De (ontwikkel)praktijk van alledag. Bij planontwikkeling is het van belang dat de maatschappelijke en economische waarde van het groen als essentieel onderdeel wordt meegewogen. Daartoe moet in een vroegtijdig stadium van planontwikkeling een ‘groenparagraaf’ opgesteld worden met randvoorwaarden inclusief inzicht in de technische en financiële haalbaarheid voor de realisatie, zowel boven- als ondergronds. Deze aspecten worden in deze nota ‘Versterken en verbinden van groen in Leiden’ meegenomen. Voordat we daar nader op ingaan, geven we eerst een korte beschrijving van het bestaande groen in Leiden en de waarde daarvan. II. Indeling van het groen in Leiden: kengetallen, typen, functies en baten a.

Enkele kengetallen. 26 parken (excl. begraafplaatsen) met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 220 ha Ca. 37.000 bomen in beheer Ca. 308 ha groengebied in beheer ‘Groen’ in Leiden (gedefinieerd volgens de CBS-indeling recreatieterrein, agrarisch terrein en natuurlijk terrein) omvat ca. 600 ha; dit is een kwart van de totale oppervlakte binnen de gemeentegrenzen Het totale budget voor onderhoud aan het gemeentelijke groen bedraagt bijna 2,9 miljoen euro. Dit komt neer op een gemiddeld bedrag van 0,93 euro per m2. Voor dit bedrag wordt al het groen onderhouden (maaien, onkruid en zwerfvuil verwijderen, boomonderhoud). De gemiddelde Leidse burger zal al snel 5 tot 10 euro per m2 spenderen in zijn of haar tuin. b. Typen groen We kunnen het groen in Leiden op grond van specifieke kenmerken als volgt indelen: Stedelijk groen Wijk- en buurtgroen

Bomen van de Groene Kaart en straatbomen Semi-openbaar groen Waterlopen Groen van derden Groengebieden met een stedelijke functie. Groengebieden met een stedelijke functie zijn als zodanig bedoeld bij de aanleg of hebben die functie door de ligging en/of eigen karakteristieke eigenschappen. Polderpark Cronesteyn, de Leidse Hout en het nieuwe recreatieve weidegebied in de Oostvlietpolder kunnen getypeerd worden als grote(re) groengebieden met een stedelijke functie. Bijzondere groengebieden zijn het archeologisch park Matilo, de (particuliere) Hortus Botanicus en het in ontwikkeling zijnde Singelpark. Het Singelpark moet met zijn 6,3 kilometer lengte het langste stadspark van Nederland worden. Het overige groen binnen de singels (bijvoorbeeld het Van der Werfpark en het groen rond de Burcht) is kleinschaliger van karakter, maar is door de ligging en het gebruik ook van stedelijk belang. Wijk- en buurtgroen Dit betreft het kleinschalige groen en de grotere wijkparken die zijn aangelegd in directe relatie met de stedelijke ontwikkeling en bebouwing van de stad en dat een functie heeft op wijk- en buurtniveau. Tot wijk- en buurtgroen kunnen worden gerekend wijk- en buurtparken, plantsoenen, groenstroken en groen rond bedrijfs- en kantorenlocaties. Bomen van de Groene Kaart en straatbomen.

Beschermenswaardige bomen kunnen zowel op gemeentelijk terrein als op het terrein van derden staan. Deze bomen moeten voldoen aan vastgestelde criteria en worden op grond van een collegebesluit aangewezen en vastgelegd op de zogenaamde Groene Kaart. Het betreft individuele bomen, structuren en vlakken. Vooral de structuren leveren een essentiële bijdrage aan de groene, herkenbare lijnen door de stad. Er zijn eveneens straatbomen die zich binnen het profiel van een straat bevinden en die een duidelijke functie hebben in de ‘begeleiding’ van de straat. Voor veel inwoners vormen die bomen het enige groen in de directe woonomgeving. Semi-openbaar groen Groen dat is ingericht voor een specifieke gebruiksfunctie, die voorwaarden stelt aan de toegankelijkheid en de wijze waarop bezoekers van die groenvoorziening gebruik maken. Tot deze groencategorie kunnen gerekend worden de volkstuincomplexen, begraafplaatsen, sportcomplexen en kinder-/stadsboerderijen. Waterlopen Waterlopen die vanuit cultuurhistorische en/of natuuraspecten een extra bijdrage leveren aan de kwantiteit of kwaliteit van het groen, zijn ook belangrijk voor de groenstructuur. Als onderdeel van een ecologische verbindingszone dragen waterlopen en hun (natuurvriendelijke) oevers bij aan de verhoging van de soortenrijkdom van planten en dieren.

Groen van derden Groen dat niet tot het eigendom of de beheerverantwoordelijkheid van de gemeente Leiden behoort, zoals particuliere tuinen, groen van woningbouwcorporaties en van instellingen zoals de Hortus Botanicus van de universiteit Leiden. c. Functies van groen Groen heeft diverse functies: stedenbouwkundig, ecologisch, recreatief, educatief en fysisch. Daarnaast kan groen ook een cultuurhistorische waarde hebben. Hier volgt een korte, algemene beschrijving van deze functies en waarden. Stedenbouwkundige functie. Stedenbouw zonder groen maakt van een stad een kille, saaie stenenmassa. De betekenis van het groen in de ruimtelijke structuur van de stad is bepaald door de relatie tussen stad en haar omgeving, tussen de geologische opbouw van de bodem en de van nature aanwezige groenstructuren. Groen speelt een belangrijke rol bij de identiteit, de herkenbaarheid en de kwaliteit van de openbare ruimte. Bovendien maakt het verkeersgroen deel uit van het straaten wegprofiel en dient voor scheiding, geleiding en beveiliging van verkeersdeelnemers. Ecologische functie Ook allerlei dieren en (zeldzame) planten vinden hun weg in het groen. De natuurwaarde van het groen wordt bepaald door de soortenrijkdom (biodiversiteit) en de omvang van planten- en diersoorten.

Daarbij is belangrijk dat de diverse gebieden met elkaar in verbinding staan om uitwisseling van soorten mogelijk te maken. Juist in de stad zijn geschikte leefmilieus voor planten en dieren voorhanden. Het gaat hierbij om muren, gebouwen, plantsoenen, parken, spoorwegbermen, begraafplaatsen, braakliggende terreinen, extensief gebruikte verhardingen, bermen, bomen, waterlopen, oevers en kades. Door deze variëteit aan biotopen is de variëteit aan soorten in de stad groter dan in het buitengebied. Recreatieve functie Van groen kan worden genoten door er alleen naar te kijken, er te wandelen, fietsen, vissen, varen, hardlopen, voetballen of anderszins sporten, picknicken, barbecueën, paardrijden, flora en fauna bekijken, tuinieren of (pop)concerten te bezoeken. Groen nodigt uit tot bewegen. Groen vergroot zo de gezondheid en het welzijn van de inwoners van de stad en overige bezoekers. Educatieve functie Door middel van voorlichting en educatie kan de (stads)bewoner, jong of oud, aandacht krijgen voor en kennisnemen van (de waarde van) het groen in de stad, van planten en dieren. Die aandacht kan leiden tot betrokkenheid en zelfwerkzaamheid in het groen. Hoge educatieve waardes hebben bijvoorbeeld volkstuincomplexen, heem- en schooltuinen, de Hortus

botanicus, museum Naturalis, het duurzaamheidscentrum in de Merenwijk en de landgoederen en polders rond de stad. Fysische functie Het groen in de stad is van invloed op het microklimaat. Vooral grotere groenvoorzieningen, zoals parken, zijn van grote invloed op de temperatuur en de luchtvochtigheid. Groen kan daarnaast een belangrijke rol vervullen bij de bestrijding van luchtvervuiling. Bomen vangen stikstofoxide, ozon, ammoniak, zwaveldioxide en vluchtige organische stoffen op. Elke boom heeft zijn specifieke opvangcapaciteit. Ook blijkt uit recent onderzoek dat bomen en gevelbegroeiing een belangrijke rol kunnen spelen bij de opname van fijnstof. En natuurlijk zorgen bomen op warme, zonnige dagen voor schaduw en verkoeling en het voorkomen van hittestress. Groen is ook van belang voor het opnemen van regenwater. Met de voorspelde grotere kans op hevige regenbuien als gevolg van de klimaatverandering, is het behouden en zo mogelijk uitbreiden van het groenareaal noodzakelijk. Cultuurhistorische waarde De cultuurhistorische waarde van groen wordt bepaald door factoren als de periode van aanleg, zeldzaamheid, kenmerken van een stijlperiode, bekendheid van de ontwerper (bijvoorbeeld K.C. van Nes), authenticiteit van de architectuur en de beplanting, en de samenhang tussen het groen en de aanwezige bebouwing.

Hierbij kan gedacht worden aan een stadspark als de Leidse Hout, historische uitvalswegen (lanen), begraafplaatsen, landgoederen en groen binnen de beschermde stadsgezichten. d. Baten van groen en biodiversiteit. Biodiversiteit levert de stad veel zg. ‘ecosysteemdiensten’ op, bijvoorbeeld concrete producten als hout, drinkwater en schone lucht, maar ook regulerende diensten zoals de opname van koolstoffen, waterregulatie, bestuiving, reiniging en koeling. En ook culturele diensten zoals recreatie, cultuurhistorie en gezondheidsbevordering, juist in dichtbevolkte gebieden. Het maatschappelijk en ecologisch belang van groen in de stad behoeft eigenlijk geen discussie meer. Algemeen is de erkenning, gevoed door divers wetenschappelijk onderzoek, dat groen bijdraagt aan (een gevoel van) veiligheid, een betere gezondheid door ontspannen en bewegen in de natuur, aan een betere luchtkwaliteit door de opname van vervuilende stoffen, aan het reduceren van geluidsoverlast, zelfs aan arbeidsproductiviteit door de aanwezigheid van groen binnen en buiten de werkruimte. Groen verhoogt ook de sociale samenhang in de wijk. De diverse ecosysteemdiensten zijn van nut voor een heel scala aan belanghebbenden. Dit maakt het mogelijk om onder deze belanghebbenden aanvullende kostendragers te zoeken.

Ook is bekend dat de nabijheid van groen een positief gevolg heeft voor de waardevastheid van vastgoed. Uit een onderzoek in Apeldoorn (voor de huizencrisis) bleek dat ‘bij uitzicht op groen’ de waardevermeerdering voor een woning 8% bedraagt en bij groen op loopafstand (maximaal 400 meter) 6%. Een inventariserend onderzoek van de branchevereniging VHG, waaraan

de VNG en diverse grote(re) steden hebben meegewerkt, spreekt van een indicatieve meerwaarde van 10% voor woningen in het groen ten opzichte van vergelijkbare woningen zonder groen*. De groene stad loont op maatschappelijk en economisch gebied. Dit blijkt ook uit de resultaten van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de publicatie ‘Groen Loont met TEEB Stad’. Onder verantwoordelijkheid van de VN is het rapport “TEEB for National and International Policy Makers” uitgebracht. Ook in Nederland zijn TEEB-studies gedaan. TEEB Stad is een gezamenlijk initiatief van het Rijk en tien gemeenten. De gemeente Apeldoorn is trekker en er wordt samengewerkt met het bureau Witteveen en Bos. Deze studie is de derde publicatie van een serie van zes Nederlandse studies die wordt uitgebracht in het kader van TEEB (‘The Economics of Ecosystems and Biodiversity’) voor Nederland. Met TEEB voor Nederland wil het kabinet de economische en maatschappelijke waarde van ecosysteemdiensten en biodiversiteit in termen van kosten en baten inzichtelijk maken. Een algehele conclusie die naar aanleiding van dit praktijkonderzoek getrokken kan worden, is dat de maatschappelijke baten van groen en water 1,5 tot 2 keer hoger zijn dan de maatschappelijke kosten. Zoals besparing op zorgkosten, meerwaarde van onroerend goed, besparing op energiekosten en besparing op afvoer- en zuiveringskosten van regenwater.

Dit zijn relevante uitkomsten aangezien een steeds groter deel van de mensheid in stedelijk gebied woont en werkt. Op basis van eigen onderzoek pleit Wagteveld** daarom ook voor een prominentere plaats voor groen en water in te realiseren nieuwbouwprojecten. Immers, indien de huizenprijzen stijgen, leidt dit direct tot een verhoging van de totale opbrengst aan verkoop van kavels en de diverse gemeentelijke belastingen zoals de WOZ. Zo is de cirkel rond en voegt groen waarde toe zonder dat het een sluitpost is. Het besef dat groen meer is dan een geïsoleerd aandachtspunt bij ontwikkeling en beheer, is landelijk ook erkend. De Raad voor het Landelijk Gebied bracht in 2005 de publicatie ‘Recht op groen’ uit, waarin wordt gepleit voor meer aandacht voor de maatschappelijke functies van groen. Overheden beschouwen groen steeds meer als een essentieel onderdeel van een gezond en prettig woon-, werk- en leefmilieu. Groen is net zo belangrijk als rood en grijs. Groen moet daarom, in samenhang met rood en grijs, uitgangspunt zijn voor ontwerp, inrichting en beheer van de open bare ruimte. Financiering van groen daarentegen is nog vaak onderwerp van discussie. Rood en grijs zijn vaak belangrijker wegingsfactoren bij investeringen in ruimtelijke projecten.

Interessant in dit opzicht is de uitkomst van een analyse van het CPB uit 2008 (‘The costs and benefits of providing open space in cities’), waaruit blijkt dat de bereidheid van burgers om mee te betalen aan investeringen en onderhoud voor parken en plantsoenen stijgt met een stijgend inkomen. Tevens blijkt uit het onderzoek dat het hebben van een tuin leidt tot een stijging van de vraag naar stedelijk groen. Dit betekent dat openbaar en privé groen complementaire goederen zijn.

Zeker in een kennisstad die beoogt (nog meer) kenniswerkers aan zich te binden gaan we uit van voldoende draagvlak voor financiering van een kwalitatief goed ingericht en beheerd groenareaal in de stad. Het verdient daarom ook aanbeveling om de baten van groen (en blauw) ook in toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen al vooraf in beeld te brengen. Want, zoals de Staatssecretaris in zijn aanbiedingsbrief van het TEEB Stad boek aan de Tweede Kamer in september 2012 schreef: ‘Als de baten inzichtelijk zijn, is er een goede basis om gesprekken met andere partijen aan te gaan, zoals met beleggers, vastgoedontwikkelaars, gezondheidszorg, bedrijfsleven, sociale instellingen, waterschappen, grondbedrijven enzovoort. De aanleg en het onderhoud van het openbaar groen in en om de stad wordt dan niet meer per definitie als opgave voor de overheid gezien.’ Wat is de economische waarde van een stadsboom? Stadsbomen kosten geld, maar leveren ook een breed scala aan maatschappelijke baten. Denk hierbij aan aspecten als filtering van fijnstof, buffering van koolstof en positieve effecten op de volksgezondheid en het stadsklimaat. In Amerika is een ‘tool’ ontwikkeld - i-Tree waarmee aan deze baten een bedrag gekoppeld kan worden. New York heeft bijvoorbeeld 876.000 bomen die 23.1% van de stad bedekken.

Dit resulteert in $11,2 miljoen aan energiebesparing per jaar, een koolstofopslag ter waarde van $386.000 en een filtering van luchtvervuiling ter waarde van $836.000.

* Zie rapport ‘De waarde van groen, een studie naar de vraagstelling van waarde van groen in onze samenleving’, branchevereniging VHG, augustus 2010. ** Zie Wagteveld, T.: ‘De waarde van groen en water bij woningbouw, een onderzoek naar de financiële aspecten van groen en water bij de ontwikkeling van nieuwe woonmilieus’. Amsterdam school of Real Estate, 2007, zie ook http://www.ikcro.nl/artikelen/Master %20Thesis%20071123.pdf.

III. Visie, doelstellingen en acties voor de komende jaren. Groen is van groot belang is voor de leefbaarheid in de stad, zoveel is duidelijk. Groen geeft lucht, biedt ontspanning, draagt bij aan het welbevinden, bevordert de gezondheid en de biodiversiteit, neemt regenwater en luchtvervuiling op en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de stad. Groen heeft niet alleen fysieke maar ook maatschappelijke en economische waarde. Tegenover deze batenkant van groen staat een lastenkant. In tijden van bezuinigingen en een terugtredende overheid moeten we ook in het groenbeleid keuzes maken waar we de investerings- en beheermiddelen willen inzetten Die keuzes, die zo veel mogelijk moeten opleveren aan de batenkant, moeten passen in de visie wat we met groen in de stad willen. Op basis van deze beleidskaders (zie de Inleiding) willen we een visie opstellen die richting geeft aan de keuzes die we de komende tijd gaan maken, een visie die uitdrukking geeft aan de gewenste ‘groene’ identiteit van Leiden, door de koppeling te maken met de ‘Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen’ en de ‘Structuurvisie Leiden 2025’, de ruimtelijke invulling van de ontwikkelingsvisie. Die geven antwoord op de vraag waar we met de stad naar toe willen.

Met als hoofdthema Leiden als ‘stad van ontdekkingen’, een kennisstad van hoge kwaliteit op alle gebied: werkgelegenheid, woonklimaat, leefomgeving, voorzieningen, infrastructuur en bereikbaarheid, etc. Het groenbeleid moet integraal deel uitmaken van de manier waarop invulling wordt gegeven aan de ontwikkelings- en structuurvisie. Groen moet bijdragen aan een inspirerende leefomgeving die zowel bewoners als (creatieve en kennisintensieve) bedrijven trekt en vasthoudt. Een belangrijke ambitie in de structuurvisie is een goede groen- / recreatieve verbinding tussen de groengebieden in de stad en met de regio. Aldus kan de groenvisie voor Leiden, gebaseerd op de beleidskaders, de belangrijke functies van groen en de genoemde ontwikkelingen, als volgt geformuleerd worden: Leiden heeft een gevarieerd en hoogwaardig aanbod van groenvoorzieningen die zowel binnen de stad als met de regio via aantrekkelijke fiets- en wandelroutes goed verbonden zijn, die een hoge belevingswaarde hebben, die de biodiversiteit en de gezondheid in de stad bevorderen en die op een duurzame manier in stand worden gehouden.

Deze visie brengen we in praktijk door ons de komende jaren te richten op drie hoofddoelstellingen: 1. beschermen en zo mogelijk verbeteren van de groene hoofdstructuur in de stad; 2. verbinden van groengebieden in de stad onderling en met de groengebieden in het ommeland in de vorm van een recreatief netwerk; 3. het betrekken van externe partners zoals burgers, corporaties bij het groenbeheer. Ad 1. De groene hoofdstructuur: van belang voor de stad Met de vaststelling van de Structuurvisie Leiden 2025 heeft de gemeente besloten het groen in de stad te versterken en met elkaar te verbinden (zie RV 09.0130, besluit 11). Met de vaststelling van de Kadernota kwaliteit openbare ruimte is dit besluit vertaald in een belangrijk uitgangspunt voor de toekomstige inrichting van de openbare ruimte: het groene en blauwe netwerk in en rond de stad moet een robuuste structuur krijgen en met elkaar worden verbonden (besluit 8). Met de vaststelling van die kadernota is de groenblauwe hoofdstructuur vastgelegd in de vorm van een kwaliteitenkaart die een (grove) weergave biedt van die hoofdstructuur met daarin opgenomen de ‘verbindingspoorten’ van groene recreatieve routes met de omliggende groene gebieden (besluit 14, onder b).

De stedelijke groene hoofdstructuur (verder te noemen GHS) is gebaseerd op de eerder beschreven functies en omvat de volgende elementen: Vlakken: de parken en overige grotere groenzones die een bijdrage leveren aan de belevingswaarde en de leefbaarheid van de stad; Lijnen: o de bomenstructuren, ter geleiding van de verkeerskundige en/of stedenbouwkundige hoofdstructuur in de stad; o de groenstructuren als belangrijke verbindingsroutes voor natuur tussen groengebieden (ecologische functie) en als recreatieve routes (groen-recreatieve routes); hieronder valt ook het groen dat deel uitmaakt van de waterlopen (oevers e.d.); Punten: losse bomen of kleine vlakken die een functie hebben als buurtgroen of als ‘stepping stone’ binnen de grotere groenstructuur. De GHS is weergegeven op onderstaande kaart. De vlakken, lijnen en punten vormen tezamen deze hoofdstructuur. Kenmerkend is: de binnenring, gevormd door het Singelpark; de buitenring, gevormd door de grotere groengebied in de buitenwijken en rondom de agglomeratie; de lijnen hiertussen gevormd door groene recreatieve routes, wijkparken, buurtgroen en losse groene elementen; de parken en overige grotere groenzones die een bijdrage leveren aan de belevingswaarde en de leefbaarheid van de stad; de bomenstructuren, ter geleiding van de verkeerskundige en/of stedenbouwkundige hoofdstructuur in de stad;

de groenstructuren als belangrijke verbindingsroutes voor natuur tussen groengebieden (ecologische functie) en als recreatieve routes; groen dat deel uitmaakt van de waterlopen (oevers e.d.). Het ‘verbeteren’ uit doelstelling 1 ziet niet alleen betrekking op de kwantiteit, het areaal, maar ook op de kwaliteit. Bij de keuze van het type groen is de functie bepalend is, waarbij (het effect op) de biodiversiteit expliciet wordt meegewogen. Inheemse soorten brengen bijvoorbeeld een rijk insectenleven met zich mee. Daar komen weer vogels op af. Ook in het beheer wordt hier aandacht aan geschonken.

De GHS behoudt zijn betekenis alleen als deze op een duurzame manier in stand wordt gehouden. Daarom is het van belang dat de GHS zo nauwkeurig mogelijk geduid wordt op basiskaarten en dat het groen dat deel uitmaakt van de GHS zo veel mogelijk beschermd wordt. Acties met betrekking tot de GHS a Beeldkwaliteitsplan groene hoofdstructuur De prioriteit ligt bij de GHS. Die maakt deel uit van de Structuurvisie en de Kadernota Openbare Ruimte, maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord of de GHS voldoet aan de ambities van kwaliteit en robuustheid. Daarom wordt in 2014 het ‘Beeldkwaliteitsplan groene hoofdstructuur’ opgesteld. Dit plan geeft een gedetailleerd wensbeeld voor de lijnen van groen, water en wegen in de stad en is het referentiebeeld waaraan ingrepen in de openbare ruimte getoetst worden. De in de Structuurvisie en Kadernota kwaliteit openbare ruimte als wenselijk omschreven ‘robuuste groene structuur’ en de inrichtingsprincipes in het Handboek kwaliteit openbare ruimte zijn daarbij het uitgangspunt. Het plan, met een confrontatie van wensbeeld en feitelijke situatie, geeft meer gedetailleerde documentatie voor de lijnen van de GHS. Na vaststelling van dit beeldkwaliteitsplan wordt een uitvoeringsprogramma 2015-2025 opgesteld, met als uitgangspunt dat zo veel mogelijk aangesloten wordt op andere infrastructurele maatregelen.

In dit uitvoeringsprogramma wordt geschetst welk budget beschikbaar is en welk budget nodig is om aan het wensbeeld te voldoen. In dit kader stellen wij voor het Bomenfonds, voor zover niet geheel aangewend voor compensatie binnen een project zelf, gericht in te zetten voor verbeteracties in de GHS. b Verplichting groenparagraaf bij start planvorming (procesvoorstel) Ruimtelijke ontwikkelingen die ingrijpen in de GHS moeten eerst in de vorm van een groenplan of groenparagraaf inhoudelijk en financieel onderbouwd worden door de ontwikkelaar, ongeacht of de gemeente die rol vervult of dat anderen dat doen. Deze groenparagraaf moet integraal onderdeel zijn van het ontwerp, zodat de relatie tot het streefbeeld duidelijk is en de consequenties voor de uitvoering van het plan zowel in financiële als technische zin tijdig, d.w.z. vóór bestuurlijke goedkeuring van het plan, in beeld zijn gebracht. Ad 2. Verbindingen groene gebieden: het recreatieve netwerk. Leiden heeft relatief weinig groen binnen de gemeentegrenzen, maar wordt wel omgeven door diverse aantrekkelijke en verschillende soorten landschappen: de Bollenstreek en de Kagerplassen aan de noordkant van de stad, het Groene Hart aan de zuidoostkant, het landgoederengebied Duin, Horst en Weide aan de zuidwestkant en Strand en Duinen aan de westkant.

We werken daarom samen met de omliggende gemeenten en de provincie om de verschillende groene landschappen in en rond de stad op een recreatieve en duurzame wijze met elkaar te verbinden. Duurzaam wil in dit

geval zeggen dat de verbindingen naast een recreatieve waarde waar mogelijk ook een economische, maatschappelijke en ecologische waarde moeten vertegenwoordigen en daarmee op meerdere vlakken een schakel zijn tussen stad en ommeland. Aan Leiderdorpse zijde zijn al de nodige recreatieve voorzieningen aangebracht. In westelijke richting zal dit gebeuren in het kader van de uitwerking van de Rijnlandroute en de knoop west. Aldus ontstaat een groene netwerkstructuur die bestaat uit een binnen- en buitenring (de regionale landschappen), met hiertussen groene recreatieve routes. In kaart:

Acties met betrekking tot verbinden In de ‘bestemmingsreserve ontsluiting van groengebieden’ is vanuit het NUON-budget een bedrag van € 1.000.000 opgenomen. Met het door de raad vastgestelde voorbereidingsbesluit groene recreatieve routes (RV 13.0067) wordt dit bedrag in principe ingezet voor vier routes, resp. de Boterhuisroute, de Matiloroute, de Groene Hartroute en de Biodiversiteitroute. Dit besluit wordt nader uitgewerkt in uitvoeringsplannen inclusief een dekking van de beheer- en onderhoudskosten.

Het onderhavige voorstel beoogt het huidige recreatieve netwerk aan te vullen en te verbeteren. Op onderstaande kaart zijn de bestaande en geplande recreatieve routes weergegeven en zijn de knelpunten geduid voor een optimalisering van het netwerk. Om de relatie met de andere hoofddoelstelling, de verbetering en versterking van de GHS, te laten zien, is de kaart gelegd op de ondergrond van de GHS. Uit de kaart blijkt dat de routes grotendeels deel uitmaken van de GHS en dat het uitvoeren van de plannen een bijdrage kan leveren aan het versterken van die structuur, zeker als ecologische mogelijkheden benut worden.

Ad 3. Betrekken van externe partners bij groenbeheer Zoals eerder aangegeven heeft groen in de woonomgeving positieve effecten: goed voor de gezondheid, het welbevinden, economisch nut, betere sociale samenhang, enzovoort. In de stad zijn veel partijen die direct voordeel hebben bij groen dat er goed uitziet en dat er goed bij ligt. Veel partijen voelen zich ook echt betrokken bij het groen in hun omgeving. Uiteraard hebben veel burgers belangstelling, maar ook woningcorporaties, instellingen en bedrijven kunnen worden aangesproken om direct bij te dragen aan het beheer van het groen, hetzij in natura hetzij in contanten. Bedrijven doen soms graag mee in het kader van promotie of teambuilding. Woningcorporaties hebben vaak een direct belang om – eventueel samen met bewoners – te investeren in het groen rond hun woongebouwen. De corporaties in Leiden zijn bezig met het stimuleren van stadslandbouw door burgers. Stadslandbouw is in veel Nederlandse grote steden bezig aan een opmars. Het is goed voor de leefbaarheid in binnenstedelijke wijken. Vaak zijn buurtbewoners betrokken bij hun leefomgeving en willen ze zich graag inzetten voor de ontwikkeling en het behoud van het groen en spelen. Dat kan op verschillende manieren. De bewoner neemt zelf initiatieven, is een actieve partner in concrete projecten of is actief als deskundige.

In de bewonersparticipatie heeft de gemeente een belangrijke rol: afstemmen van vraag en aanbod, belangengroepen met elkaar in contact brengen, waar mogelijk initiatieven faciliteren, concrete mogelijkheden bieden om onderling kennis en diensten uit te wisselen, convenanten afsluiten. Daarnaast is het essentieel bewoners en partners tijdig te informeren over welke ontwikkelingen en beheermaatregelen wanneer plaatsvinden zodat hierop zo nodig kan worden geanticipeerd. Actie met betrekking tot samenwerking met burgers Er wordt een klankbordgroep stedelijke ecologie opgericht, met externe deskundigen die zich er met name op zal richten het stedelijke ecologische beleid nader te borgen, o.a. door deskundige input te leveren in beheerplannen, zoals die van bermen en natuurvriendelijke oevers. Het delegeren van verantwoordelijkheid voor het groenbeheer aan externe partijen past bij het beeld van de terugtredende overheid die zich meer en meer toelegt op haar regierol.

IV. Aanvullend beleidskader duurzaam boombeheer in relatie tot klachten van burgers. Zorgvuldigheid Het bestaande beleidskader biedt onvoldoende houvast voor beheerders als het gaat om klachten van burgers die overlast hebben van bomen. Duidelijkheid hoe te handelen in geval van klachten is gewenst, zowel voor de klager als de beheerder. Daarom willen we dit beleidskader hier vaststellen. Het onderhoud aan bomen in Leiden is gericht op de duurzame instandhouding van deze bomen. Aan deze doelstelling hangen een aantal randvoorwaarden. Onderhoud wordt alleen verricht indien dit om onderhoudstechnische redenen noodzakelijk is. Er zijn bewoners die last hebben van bomen en die de gemeente vragen de bomen te verwijderen dan wel door snoeimaatregelen de overlast te verminderen. Omgekeerd zijn er ook burgers die nieuwe of extra bomen willen planten. Uitgangspunt is dat een gezonde boom blijft staan en dat er geen ingrijpende maatregelen worden uitgevoerd aan/in de boom zoals snoeien en kappen. Of er aanleiding is om tot het verlenen van een kapvergunning c.q. het treffen van maatregelen over te gaan, is afhankelijk van de soort en mate van overlast. Aan bomen van de Groene Kaart worden hoe dan ook geen ingrepen gedaan, tenzij de boom gevaarlijk of besmettelijk ziek is of omdat zwaarwegende maatschappelijke belangen ingrijpen noodzakelijk maken.

Handelwijze inzake overlast door bomen De meest voorkomende klachten t.a.v. bomen zijn schaduwoverlast, bladeren in de tuin en dakgoot, bessen en vruchten die in de tuin of op de stoep of auto’s terecht komen en stuifmeel en pluizen die hinderlijk zijn. Deze klachten zijn echter geen reden om ingrijpende maatregelen te treffen. Als hier wel gevolg aan zou worden gegeven, zou dat een grote kaalslag tot gevolg hebben. Om de groene kwaliteit van de gemeente te kunnen behouden, zullen burgers zowel de lasten als de lusten moeten accepteren van het openbaar groen. Bij de beoordeling van de klachten moet een balans worden gezocht tussen juridische, praktische, financiële en beleidsmatige randvoorwaarden. Veel klachten dienen een individueel belang, terwijl gemeentelijk groen en bomen juist zijn aangeplant om het algemeen belang te dienen. Bij ingrijpen in het groen is het dan ook belangrijk dat ongewenste precedenten worden voorkomen en dat er zorgvuldig met klachten wordt omgegaan. Die zorgvuldigheid kan betekenen dat op sommige klachten terughoudend gereageerd zal worden. Het uitvoeren van één maatregel mag er niet toe leiden dat de gemeente genoodzaakt wordt om bij veel vergelijkbare situaties ook tot actie over te gaan. Daarmee zou een onacceptabel verlies aan groen kunnen ontstaan en zijn de kosten voor de uitvoering niet meer te overzien.

Signalen oppikken Anderzijds ziet de gemeente overlastklachten wel als belangrijke signalen. Het is bekend dat in de gemeente situaties voorkomen die, met de huidige kennis en kunde, als ongelukkig kunnen worden beschouwd. Soms staat een boom op de verkeerde plek, is de soortkeus voor die locatie niet de juiste of is een ontoereikende groeiplaats een bron van problemen. In enkele gevallen kan een maatregel dan leiden tot meervoudige winst: - Meer woongenot voor de burgers - Lagere onderhoudskosten voor de gemeente - Een veiliger woonomgeving In die gevallen is het belangrijk dat met het nemen van een maatregel het algemeen belang gediend (en zeker niet geschaad) wordt en dat geen ongewenst precedent ontstaat. Categorieën De verschillende overlastvraagstukken zijn op basis van het bovenstaande ingedeeld in de categorieën. Dit bepaalt of de gemeente maatregelen neemt, specifiek ten aanzien van overlastklachten. Dit zijn dus maatregelen die aanvullend zijn op het reguliere onderhoud (groenonderhoud en netheidsonderhoud). A. Geen actie door de gemeente Geen extra actie vindt plaats bij overlastklachten die horen bij de factoren die worden geschaard onder ‘redelijkerwijs’ te accepteren overlast. Ad hoc inzet van mensen of onvoorziene middelen is niet voorzien voor de overlastklachten die te maken hebben met de gevolgen van de natuurlijke groei, cyclus en leefomgeving van de boom.

B. Gerichte en repeterende actie Hierbij worden maatregelen getroffen, omdat de effecten van deze overlastvormen onacceptabel zijn in het kader van de volksgezondheid of veiligheid. De gemeente heeft de taak zorg te dragen voor een veilige openbare ruimte en vindt dat de Leidse burgers het vertrouwen mogen hebben dat de gemeente hier zorgvuldig in handelt. C. Maatwerkactie Dit zijn de situaties waarbij mogelijk sprake is van een ongelukkige keuze van soort, locatie en/of groeiplaats. Maatregelen worden alleen uitgevoerd na zorgvuldige afweging van belangen. Geen enkele boom, straat of woonsituatie is gelijk aan een andere. Toch is het belangrijk daarin een eenduidige lijn te trekken. Daarvoor wordt een overlastbeoordelingsformulier gehanteerd. Daarin wordt de meerwaarde van de boom afgewogen tegen de overlast zoals die wordt ervaren. D. Actie in heel uitzonderlijke gevallen Hierbij is het vaak zo dat de perceeleigenaar verzaakt heeft om preventieve maatregelen te treffen, terwijl dat wel zijn eigen verantwoordelijkheid is. In principe onderneemt de gemeente Leiden daarom geen actie. Wij beperken

ons tot het wettelijk verplichte (doe-plicht). De gemeente ondersteunt een perceeleigenaar als hij via openbare grond boomwortels moet verwijderen. In heel uitzonderlijke gevallen kan de gemeente meewerken aan maatregelen om herhaling van het probleem te voorkomen. Komt het tot een claim, dan wordt die via de reguliere schadeafhandeling behandeld.

Vorm van overlast

Angst voor omwaaien of afvallende takken Dieren en uitwerpselen Blad- en bloesemval Zaadval en zaadpluis Vruchtval harde vruchten Vruchtval zachte vruchten Stekels op stammen Allergie voor pollen Economische schade Schaduw Boomwortels in tuinen Boomwortels in riolering Schade aan (bouw)werken Druipende bomen Eikenprocessierupsen Spinselmotten Verhardingsopdruk door boomwortels op openbaar terrein

Visie overlast Geen actie

Gerichte repeterende actie

Maatwerkactie Actie in zeer uitzonderlijke gevallen X

X X X X X X X X

X X X X

Verschil schaduw- en overige overlastfactoren Een verschil tussen deze factoren en de overlastfactoren onder punt A, is de mate waarin de gemeente hierin kan sturen door middel van een zorgvuldig ontwerp. Waar een boom ook wordt geplant, en welke soort ook wordt gekozen: blad, bloesem, dieren en zaadval zullen altijd voorkomen. Door een juiste situering en soortkeuze kan de gemeente echter wel invloed uitoefenen op de ernst en duur van de schaduw die burgers hebben van gemeentelijke bomen.

X (X) X X X

Keuze maatregel Bij de keuze voor een maatregel is de richting die in het bomenbeleidsplan is ingeslagen bepalend. Hierin worden de hoofdgroenstructuur en wijkgroenstructuur onderscheiden als representatief groen dat van belang is voor de uitstraling van de hele gemeente. De wens bestaat daar tot het hebben van herkenbaarheid, continuïteit in beplanting en robuust en duurzaam volwassen groen. Met dat beeld in het achterhoofd is fragmentatie daar zeer ongewenst. De maatwerkactie zal daar gericht zijn op het in stand houden van de structuur. Bij het groen in de wijken zal een maatwerkactie wat eerder gericht zijn op het beperken van de overlast. Bijlage 1. Overzicht en korte omschrijving van vastgestelde beleidskaders op groengebied.

Titel Bomennota 1994 en Kaderstelling bomenbeleid 2004-2014 (actualisatie Bomennota)

Korte omschrijving Kader voor bomenbeleid aan de hand van beschrijving van drie componenten: 1. Ruimtelijke visie: een beschrijving van de structuurbepalende bomen in Leiden en de ontbrekende schakels, met als onderverdeling: Vlakken: de grotere groenvlakken als parken met grote boomgroepen Lijnen: veelal de laanbeplantingen, die de hoofd- en wijkontsluitingswegen begeleiden en de herkenbaarheid van de stad voor bezoekers vergroten Punten: de bomen in afzonderlijke straten, evenals de bomen in particuliere tuinen. Belangrijk onderscheid hierbij is de bepaling monumentaal, waardevol en/of beeldbepalend/karakteristie k 2. Beheer: een beschrijving van de groeiomstandigheden van bomen in de stad en de geconstateerde knelpunten.

3. Middelen: een onderbouwing van de middelen die nodig zijn om het bomenbestand in de stad op peil te houden op basis van de destijds voorhanden zijnde inventarisatiegegevens 4. Juridisch kader: voorstellen voor een betere juridische bescherming van bomen in de stad, m.n. uitmondend in de Bomenverordening 1996. N.a.v. de actualisatie in 2003 is vanaf 2004 in het beheerbeleid de nadruk komen te liggen op de kwaliteit van het bomenbestand i.p.v. de kwantiteit (aantal bomen volgens ‘streefnorm’) en zijn de middelen via prioriteitsstelling meer systematisch ingezet. Ook zou de Bomenverordening van 1996 naar aanleiding van deze actualisatie in 2004 vervangen worden door een nieuwe verordening, maar dat voorstel is uiteindelijk door het college ingetrokken, waardoor de verordening van 1996 geldig bleef. Zeer recent is de Bomenverordening 2012 vastgesteld. Bomenverordening 2012

Het belangrijkste doel van de Bomenverordening 2012 is het beschermen van bomen die er daadwerkelijk toe doen. Voor bomen met een diameter van minder dan 20 cm is geen omgevingsvergunning meer nodig en dat past binnen de doelstelling van het project Minder en Beter (RB 08.0036): minder administratieve rompslomp voor de burger. De belangrijkste wijzigingen van de Bomenverordening van 2012 ten opzichte van de vigerende Bomenverordening 1996 zijn: a) in de begripsomschrijving van een boom wordt de diameter 20cm op 1.30 m boven maaiveld in plaats van 10 cm

aangezien er tot nu toe voor bomen met een diameter van minder dan 20 cm geen omgevingsvergunningen voor het kappen zijn geweigerd; b) bij de Bomenverordening 2012 hoort een door het college vastgestelde kaart met daarop de huidige en voor de toekomst te beschermen houtopstanden, de Groene Kaart; c) bij het beoordelen van de houtopstanden worden objectieve, meetbare toetsingscriteria gehanteerd; d) alleen in uitzonderlijke gevallen wordt een omgevingsvergunning verleend voor houtopstanden opgenomen op de Groene Kaart; e) voor het verwijderen van bomen op openbaar terrein met een diameter van 20 cm of meer, die niet op de Groene Kaart staan, is een omgevingsvergunning vereist; f) aan een omgevingsvergunning om te kappen wordt in alle gevallen een herplantplicht opgelegd of storting van de boomwaarde in het Bomenfonds; g) bomen in particuliere tuinen die niet op deze Groene Kaart staan kunnen zonder omgevingsvergunning worden verwijderd. Ecologisch beleidsplan Leiden (1998)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10166451/1