220008 Bijlage 2 Lammenschansweg - Omega-locatie Toelichting aangepast
Tekst van het document
te bouwen naar behoefte, met de juiste woning op de juiste plek; de voorraad wooneenheden voor studenten te vergroten; extra aandacht te geven aan kwetsbare doelgroepen; de woningvoorraad en woonomgeving duurzamer te maken; de kwaliteit van de woonomgeving te vergroten;
Deze vijf doelstellingen zijn in de Woonvisie uitgewerkt.
Verstedelijkingsnotitie Op dinsdag 18 december 2018 is de Verstedelijkingsnotitie door de gemeenteraad van Leiden vastgesteld (RV 18.0093). De Verstedelijkingsnotitie biedt inzicht in de aard van de stedelijke opgaven en laat op basis van dit inzicht zien waar en hoe de stad door het toevoegen en concentreren van woningen duurzaam kan verstedelijken. Uit deze Verstedelijkingsnotitie komt naar voren dat er een aantal gebieden in Leiden zijn waar veel opgaven met hoge dynamiek en/of urgentie samen komen. Wanneer de verdere stedelijke ontwikkeling in Leiden de komende jaren in deze gebieden plaats zou vinden, kan verstedelijking als aanjager en middel dienen voor de aanpak van sociale problematiek, energietransitie, klimaatadaptatie en biodiversiteit. In de Verstedelijkingsnotitie zijn zes potentiegebieden aangewezen waar een overlap aan opgaven aan de orde is en ruimte is ontstaan, of in de toekomst ontstaat, voor woningbouw. 1. Grote Stationsgebied
32
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
2. 3. 4. 5. 6.
Centrum Zuidwest Grote Lammenschansdriehoek Voormalige industriezone Willem de Zwijgerlaan Oost Kruising Plesmanlaan-Haagse Schouwweg
3.3.4.2 Onderzoeksresultaten Met voorliggend plan wordt voorzien in 114 woningen in de vorm van appartementen in de vrije sector huur/koop in het noordelijk deel, alsmede maximaal 161 wooneenheden, waarvan minimaal 30% sociale huur, in het nader uit te werken zuidelijk deel. Met name in de verstedelijkingsnotitie komt de Lammenschansdriehoek nadrukkelijk naar voren als zijnde potentiële duurzame verstedelijkingslocatie. Het gebied is primair aangewezen voor herontwikkeling door middel van woningbouw vanwege de strategische ligging ten opzichte van de Leidse binnenstad en de toegang tot verschillende vervoersmodaliteiten. Tevens worden maatschappelijke thema's zoals het bevorderen van sociale cohesie, het tegengaan van ruimtelijke segregatie en klimaatadaptatie zo goed mogelijk bij de planvorming betrokken. Het beoogde bouwplan voor het noordelijk deel en de uitwerkingsregels voor het zuidelijk deel zijn deels in lijn met de kwalitatieve uitgangspunten, zoals gesteld in de woonvisie, door een gestapeld huur-/koopprogramma te realiseren. Er wordt gesteld dat in de periode 2017-2030 wordt ingezet op het realiseren van een woonprogramma, waarbinnen ongeveer 40% van de woningen in de koopsector valt en ongeveer 60% tot de categorie huur behoort. Verder geldt dat grotendeels ingezet wordt op de realisatie van gestapelde woningen, namelijk circa 85%.
In de woonvisie wordt in principe het uitgangspunt gehanteerd dat 30% in de sociale huursector valt. Voorliggend plan (noordelijk deel) vormt hierop een uitzondering. Voor dit deel zijn in het verleden bestuurlijke afspraken (in het kader van de actualisatie van de Ontwikkelstrategie Lammenschansdriehoek in 2019) gemaakt voor wat betreft programmering, waarbinnen geen sociale huurwoningen zijn opgenomen. Dit sluit niet aan bij de inzet op 30% sociaal per project. Wel wordt onderzocht om vrije sector huurwoningen te realiseren. Door hier vrije sector huurwoningen te realiseren binnen de Lammenschansdriehoek ontstaat er wel een evenwichtig en divers woonprogramma waarmee diverse doelgroepen een passende woning kunnen vinden in het gebied. Uitgangspunt is en blijft tegelijkertijd dat er binnen de gehele ontwikkeling van de Lammenschansdriehoek minimaal voor 30% aan sociale huurwoningen wordt gerealiseerd. Voor het zuidelijk deel geldt wel dat minimaal 30% van het woonprogramma moet bestaan uit sociale huurwoningen. Dit tezamen maakt dat kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen de gemeentelijke ambities op het gebied van wonen.
3.3.5
Duurzaamheidsbeleid
3.3.5.1 Beleidskader Leiden is een fijne stad om in te wonen, te werken en te leven. Dat willen we graag zo houden. In de komende jaren staat Leiden voor grote uitdagingen op het gebied van wonen, werken, duurzaamheid en mobiliteit, zoals benoemd in het coalitieakkoord 'Samen maken we de stad'. Om slagvaardig met de omvangrijke opgave van duurzame verstedelijking aan de slag te gaan zijn vier belangrijke opgaven benoemd (Aanpak Duurzaamheidsopgaven 2019 (Z-1348277): de energietransitie, klimaatadaptatie en biodiverse vergroening, circulaire economie en duurzame mobiliteit. Voor elk van deze opgaven is een uitvoeringsprogramma opgesteld. Deze uitvoeringsprogramma richten zich op de ambities, doelen, benodigde inspanningen en beoogde resultaten. Klimaatadaptatie en biodivers vergroenen
33
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Leiden heeft de ambitie om in 2050 een klimaatbestendige stad te zijn, waarbij Leiden zichtbaar groener is geworden en de biodiversiteit is vergroot (Leiden Biodivers en Klimaatbestendig, Samen maken we Leiden groener! Uitvoeringsprogramma 2020-2023 (RV 20.0074, 2020)). De ambities en doelen voor klimaatadaptatie, vergroenen en biodiversiteit kennen veel samenhang en kunnen niet los van elkaar gezien worden. Deze ambitie sluit aan op de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie, waarin als doel is gesteld dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig is ingericht voor wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen.
3.3.5.2 Onderzoeksresultaten De bouwopgave van het noordelijk deel, Omega, biedt de kans om de woningen klimaatadaptief en natuurinclusief te ontwikkelen en hiermee bij te de dragen aan de doelen met betrekking tot klimaatadaptatie en biodivers vergroenen. Zo worden de woningen gasloos gebouwd en maakt het plangebied onderdeel uit van een warmteplan dat voor de gehele Lammenschansdriehoek is opgesteld. De Leidse Warmtevisie toont aan dat de opgave om alle Leidse huizen in 2050 niet meer met aardgas te verwarmen enorm is. Met voorliggend plan wordt aan deze opgave tegemoet gezien. In het kader van de verdere uitwerking van het bouwplan wordt nog een groenvisie opgesteld zodat het plangebied een zo groen mogelijke uitstraling kan krijgen, passend bij de ontwikkelambities van het gebied. In deze visie wordt onder meer ingezet op een groene binnentuin met ruimte voor inheemse planten en kruiden welke tevens bij- en vlinder vriendelijk zijn. Ook is in het plan ruimte voor het realiseren van groene plantenbakken langs de galerij en zullen ingebouwde nestgelegenheden in het plan geïntegreerd worden. Met een groene daktuin doen zich kansen en mogelijkheden voor om het gebied van opvangen en vasthouden van hemelwater en klimaatadaptatie.
Bij de eerste inrichtingsideeën van de daktuin is onder meer rekening gehouden met het afschot van hemelwater zodat de daktuin ook daadwerkelijk goed kan functioneren om het hemelwater op een deugdelijke manier kan opvangen. Onder de daktuin zal een waterbergende laag worden aangebracht. Op deze manier wordt er toch een waterbergend vermorgen in het plangebied gerealiseerd. Het gebouw zal voldoen aan de BENG-eisen conform bouwbesluit. Samenvattend worden de volgende concrete duurzaamheidsmaatregelen getroffen: Omega en Kempeneers voorziet in een collectieve Warmte Koude Opslag (WKO) systeem met gezamenlijke bronnen waarbij grondwater gebruikt wordt om het gebouw te verwarmen en te koelen; De gevels en begane grond vloer gaat uit van hoogwaardige RC-waarde, daken krijgen een warmteweerstand van ca. 7,0m²K/W; Tevens worden bij alle kozijnen glas met een totale U-waarde (incl. kozijn) van 1,0 W/m²K toegepast; Het plan kent een luchtdichtheid met een infiltratiewaarde (Qv10) van ca.
0,35; Er worden zonnepanelen voorzien op de lage daken; Onder de daktuin worden retentiekratten voorzien die het overtollige water bufferen/opslaan voor drogere perioden, om zo het groen te voorzien van water maar ook de riolering te ontlasten en meer gespreid aan te kunnen bieden bij hevige neerslag De buitenruimten van Omega aan het binnengebied zullen voorzien wordt van plantenbakken met inheemse planten; Het ventilatieprincipe gaat uit van mechanische toe- en afvoer met warmteterugwinning; Raam oriëntaties zijn zodanig afgestemd op de maatvoering dat de warmtelast in het appartement beperkt blijft met ZTA-waarde glas van 0,5.
34
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Hoofdstuk 4 4.1
Archeologie
4.1.1
Beleidskader
Omgevingsaspecten
4.1.1.1 Nationaal beleid In 1992 werd in Valletta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. Na enkele malen uitstel is het wetsvoorstel in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en enkele andere wetten. De Monumentenwet 1988 is inmiddels opgegaan in de Erfgoedwet (9 december 2015). Met de huidige wetgeving is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'.
Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek). Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen. Met de huidige wetgeving zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen.
35
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
4.1.1.2 Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de Erfgoedwet op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Op 12 januari 2017 is door Gedeputeerde Staten de Verordening Ruimte vastgesteld. In deze verordening regelt de provincie de bescherming van twee typen gebieden die als provinciaal belang zijn aangemerkt: gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden (de zogeheten AMK-terreinen, op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur aangeduid) en de Romeinse limeszone. Voor deze gebieden dienen gemeenten de bescherming conform de richtlijnen van de provincie op te nemen in ruimtelijke plannen. In overige gebieden hebben gemeenten de vrijheid om gemotiveerd (op basis van een gemeentelijke archeologische waardenkaart) af te wijken van de in de Erfgoedwet voorgeschreven vrijstellingsgrenzen. Voor de AMK-terreinen geldt bij uitstek het uitgangspunt van behoud in situ. Hier zijn bodemingrepen in het geheel niet toegestaan. In de limeszone gaat de voorkeur uit naar behoud in situ, maar dient het behoud van archeologische resten in ieder geval via onderzoek te worden gewaarborgd.
4.1.1.3 Gemeentelijk beleid Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Erfgoednota 2014-2020, vastgesteld door de raad op 19 december 2013 - is er op gericht de in de bodem aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. De Leidse bodem is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan gebieden met archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de plankaart binnen de aanduiding “Waarde – Archeologie 1” tot en met “Waarde – Archeologie 9”. Voor werkzaamheden waarbij in deze gebieden de bodem verstoord wordt, is een omgevingsvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan. Uitzondering op deze regel zijn de gebieden die zijn aangeduid als Waarde – Archeologie 1, waarvoor een rijksmonumentenvergunning vereist is. Initiatiefnemers kunnen verzocht worden om bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen.
Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn vastgesteld. Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten. Teneinde onnodige procedures te vermijden wordt initiatiefnemer verzocht vooraf contact op te nemen met de gemeente Leiden (Erfgoed Leiden en Omstreken). Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor gecertificeerde bedrijven of organisaties.
36
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
4.1.2
Onderzoeksresultaten
Ter plaatse van de noordelijke helft van de ontwikkellocatie en ten noorden en oosten hiervan is in 2011 een booronderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat de bovenste 1,5 tot 2 meter grond bestaat uit een subrecent ophogingspakket en dat hieronder geen archeologische resten aanwezig waren. Dit gebied is vervolgens vrijgegeven waardoor er in het vigerende bestemmingsplan geen dubbelbestemming meer op rust. Het onderzoek is vastgelegd in het volgende rapport: Haar, L. van der & P.C. Teekens, 2012: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende boringen) Leidse Schans, Leiden, Heerenveen (Archeologische rapporten Oranjewoud 2011/94). 80 Meter ten zuidwesten van de planlocatie (direct grenzend aan Lammenschansweg 138) is in 2018 eveneens onderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat de bovenste 1,6-2 meter uit opgebrachte grond bestaat. Hieronder waren afzettingen aanwezig die in het verleden te nat waren voor bewoning. Het onderzoek is vastgelegd in het volgende rapport: Broeke, E.M. ten, 2018: Archeologisch verkennend booronderzoek Lammenschansweg-Kanaalweg te Leiden gemeente Leiden De bodemopbouw die in beide genoemde onderzoeken is waargenomen is uniform en op diverse andere plaatsen binnen een straal van 200 meter van het plangebied aangetroffen. Denk daarbij aan de locaties Brill-Plantijnstraat en Kanaalpark.
Steen, E.J., van der, 2005: Inventariserend Veldonderzoek Brill-Plantijnstraat, Leiden (Bodemonderzoek in Leiden 15). Geer, P. van de 2016: Verkennend booronderzoek in plangebied Kanaalpark te Leiden, Leiden. Op basis van deze onderzoeken mag worden aangenomen dat het deel van het plangebied dat nog niet is onderzocht een vergelijkbare bodemopbouw heeft en de kans dat hier archeologische resten aanwezig zijn is zeer klein. Om deze reden is geen dubbelbestemming archeologie opgenomen voor het gehele plangebied.
4.2
Cultuurhistorie
4.2.1
Beleidskader
4.2.1.1 Nationaal beleid Erfgoedwet (2016) Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich een of meer monumenten bevinden. De wet verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied. De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf monumenten aan te wijzen.
37
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Modernisering Monumentenzorg In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming. De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt. Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed. Besluit Ruimtelijke Ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wro. In het Bro is onder meer vastgelegd dat gemeenten rekening moeten houden met cultuurhistorie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten onderzoek moeten doen naar de cultuurhistorische waarden van een bestemmingsplangebied. Het gaat om een integrale beschouwing van cultuurhistorie: een combinatie van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap.
4.2.1.2 Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Erfgoednota van de stad: Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota. Visie en ambitie: De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.
Inbedding cultuurhistorie in ruimtelijke ordening: Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed wordt opgenomen. Leiden continueert de aandacht voor cultuurhistorie in het bestemmingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken - uitgebreider en specifieker dan voorheen - deel uit van het bestemmingsplan. Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld. Uitgangspunt is; beschermen wat beschermenswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie.
38
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Herbestemming: Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren bestemmingsplannen qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming. Monumentenverordening en monumentenlijst (2009) De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening. Karakteristieke panden Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming sterkt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.
4.2.2
Onderzoeksresultaten
4.2.2.1 Cultuurhistorische paragraaf In het plangebied zijn geen historische bouwwerken, monumentale panden of structuren met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. Ook buiten de plangrenzen zijn geen cultuurhistorisch relevante bouwwerken aanwezig die een beperkende invloed hebben op de realisatie van het plan, zoals traditionele windmolens met een molenbiotoop. Het plangebied is geen onderdeel van een landgoed, Rijksbufferzone of anderszins cultuurhistorisch beschermd landschap.
4.3
Ecologie
4.3.1
Beleidskader
4.3.1.1 Nationaal beleid De Wet Natuurbescherming (Wnb) In de Wet natuurbescherming staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wet natuurbescherming geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De provincies gaan over het natuurbeleid en zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het natuurbeleid van grote wateren en internationaal beleid. In 2022 gaat de Wet natuurbescherming op in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt straks richtlijnen voor regels en maatregelen die de natuur beschermen.
39
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
In de wet zijn algemene verbodsbepalingen opgenomen waarin onder meer is bepaald dat beschermde dieren niet opzettelijk gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Werken conform een door het Rijk goedgekeurde gedragscode kan er voor zorgen dat verbodsbepalingen overtreden worden. Voorts is een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De bovengenoemde verboden zijn niet van toepassing wanneer Provinciale Staten in haar verordening een algemene vrijstelling heeft opgenomen voor de betreffende soorten of wanneer wordt gehandeld volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer overtreding van een verbod niet vermeden kan worden, is een ontheffing van Gedeputeerde Staten vereist. Een dergelijke ontheffing wordt uitsluitend verleend wanneer de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort voldoende wordt geborgd, er sprake is van wettelijk belang, én er geen alternatief voor activiteit is, waarmee de beschermde situatie kan worden ontzien.
In de toelichting van bestemmingsplannen die ontwikkelingen planologisch toestaan moeten de gevolgen voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt dat de ontwikkeling voldoet aan de bovengenoemde regels.
4.3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor de groep 'Andere soorten', waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland heeft deze verordening op 9 november 2016 vastgesteld. Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving zal uitgevoerd gaan worden door de provincies. Belangrijke procedurele wijziging hierbij is, dat wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de beschermde soorten vanaf de inwerkingtreding van de wet daarbij mogen aanhaken. Dat wil zeggen dat de indiener mag kiezen of hij zijn ontheffing direct bij de provincie aanvraagt, of dat hij dat doet door aan te haken bij de omgevingsvergunning. In het laatste geval moet de gemeente dan een volledigheidstoets uitvoeren. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure, en is er een wettelijke beslistermijn van maximaal 26 weken.
Wanneer een ontheffing bij de provincie aangevraagd wordt waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is deze termijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging. Visie Natuurlijke leefomgeving Binnen het Hart van Holland is de nota 'Basis in Balans' opgesteld, die in 2020 door het college is vastgesteld. In dit besluit zijn vier leidende principes uit de visie overgenomen voor Leiden: a. Werk aan een klimaatrobuuste inrichting van het landschap en de openbare ruimte, b. Zorg voor een gevarieerde mix van biodiversiteit tot in de haarvaten van de regio, c. Behoud en versterk het landschap als framework voor de stad, d. Maak het gehele gebied bereikbaar en beleefbaar voor de recreant. De Omega-locatie is niet specifiek uitgewerkt in de nota.
4.3.1.3 Gemeentelijk beleid Ecologisch beleidsplan Leiden (1998) Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen
40
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen. Ecologisch advies stadsecoloog (2020) Het ecologisch advies van de stadsecoloog is een uitwerking van het ecologisch beleidsplan. De biodiversiteit - de verscheidenheid aan dieren, planten en andere organismen - staat mondiaal, nationaal en lokaal onder druk. In een dichtbebouwde stad als Leiden is het vinden van de juiste balans tussen het gebruik van het gebied en de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en natuur een uitdaging. Om de stad voor mens én natuur leefbaar te maken, is het nodig de stad natuurinclusief in te richten. Zo ontstaat een basiskwaliteit aan natuur in de stad. Uit het adviesrapport van de stadsecoloog zijn 29 concrete adviezen door het college omarmd om de stadsnatuur in Leiden te versterken, en worden tot uitvoering gebracht. Het gaat hier om maatregelen ten aanzien van beheer en beleid, alsmede gerichte locatiespecfieke aanpassingen in de openbare ruimte. De effecten worden gemonitord middels het Stadsnatuurmeetnet. Gedragscode soortbescherming gemeenten De Wet natuurbescherming stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud de werkzaamheden zo uit te voeren dat beschermde soorten in acht worden genomen.
Werken conform door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscodes minimaliseert de kans op conflicten met de vigerende natuurwet. De Gedragscode soortbescherming gemeenten is per 17 december 2020 goedgekeurd. Deze gedragscode voorziet in een juiste handelwijze bij ruimtelijke ontwikkeling of inrichting, en bestendig beheer of onderhoud binnen het kader van de Wet natuurbescherming. Boomregels en Kaderstellend Bomenbeleid De regels rondom het beschermen en kappen van bomen zijn opgenomen in de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020, onderdeel bomen en de Beleidsregel van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de afwegingen voor aanwijzing en bescherming van bomen, hierna genoemd: de boomregels 2021. Deze regels zijn op 12 augustus 2021 in werking getreden. De boomregels 2021 voorzien in de bescherming van bomen (vallend binnen de hierin genoemde categorieën), of deze nu bovengronds (kap, snoei) of ondergronds (bijv. middels bodemverdichting of wijzigingen in hydrologie) beïnvloed worden. Het bepalen van wat waardevolle bomen en structuren zijn, vindt ook plaats via de boomregels 2021. Naast bomen die waardevol zijn door hun leeftijd of omvang zijn nieuw hierin boomsoorten die als ecologisch waardevol worden beschouwd. Dit is uitgewerkt het bij de boomregels 2021 vastgestelde Register ecologische bomen.
Met dit geheel aan regels is de beschermde status van bomen voldoende geborgd en is het niet noodzakelijk om deze bomen in het bestemmingsplan van een beschermende regeling te voorzien. Nota versterken en verbinden van het groen in Leiden (2013), Kadernota kwaliteit openbare ruimte (2015) & Uitwerkingsplan Groene Hoofdstructuur (2018) De Nota vertaalt de groene ambities uit de Ruimtelijke Structuurvisie voor Leiden tot 2025, en de 'Kadernota kwaliteit openbare ruimte' in concrete acties, gericht op het verbinden van het groene en blauwe netwerk in en rond de stad, opdat dit een meer robuust structuur krijgt. Dit wordt bereikt door o.a. de volgende doelstellingen: 1. Beschermen en zo mogelijk verbeteren van de Groene Hoofdstructuur in de stad; 2. Verbinden van groengebieden in de stad met elkaar en met de groengebieden buiten de stad met als resultaat een recreatief netwerk; 3. Bij het groenbeheer betrekken van externe partners (bijv. burgers, woningcorporaties) 41
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Bij vaststelling van de Nota Versterken en verbinden van het groen in Leiden (2013) is tevens besloten dat ruimtelijke ontwikkelingsprojecten die ingrijpen in de Groene Hoofdstructuur voortaan een groenparagraaf moeten bevatten, die inhoudelijk en financieel onderbouwd wordt, en die ook inzicht geeft in de mate waarin het plan bijdraagt aan de gewenste kwaliteit (het referentiebeeld) van het betreffende deel van de Groene Hoofdstructuur. In de Nota Versterken en verbinden van het groen in Leiden (2013) is de Groene Hoofdstructuur aangekondigd. Het uitwerkingsplan hiervan is in 2018 vastgesteld.
4.3.2
Onderzoeksresultaten
SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het noordelijke deel van het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Voor het zuidelijke deel van het plangebied waar de gronden worden voorzien van een uit te werken woonbestemming geldt dat in het kader van het uitwerkingsplan een quick scan natuur uitgevoerd zal worden om de aanwezigheid van eventuele beschermde natuurwaarden in dit plandeel te kunnen bepalen.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden "De Wilck" en "Meijendel & Berkheide" in de omgeving van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van één van deze Natura 2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een onderzoek stikstofdepositie is daarom uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijken dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase de gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten.
42
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.
Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. Een houtopstand is gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. Dergelijke beplanting is niet in het plangebied aanwezig. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is met voorliggend plan geen sprake van een beschermde houtopstand en is nader onderzoek niet benodigd. Er staan wel bomen binnen het plangebied. Onderzocht is of het behoud van deze bomen mogelijk is. De overgrote meerderheid van de bomen bevindt zich echter ter plaatse van de beoogde bebouwing dan wel op locaties waar het behoud niet mogelijk is, bijvoorbeeld ter plaatse van entrees van woningen of van de parkeergarage. Voor deze bomen moet een kapvergunning worden aangevraagd. De gekapte bomen worden in openbare ruimte van de Lammenschansdriehoek op een later moment gecompenseerd. Tot slot wordt in het kader van de verdere uitwerking van het bouwplan een groenvisie opgesteld zodat het plangebied een zo groen mogelijke uitstraling kan krijgen, passend bij de ontwikkelambities van het gebied.
In deze visie wordt onder meer ingezet op een groene binnentuin met ruimte voor inheemse planten en kruiden welke tevens bij- en vlinder vriendelijk zijn. Ook is in het plan ruimte voor het realiseren van groene plantenbakken langs de galerij en zullen ingebouwde nestgelegenheden in het plan geïntegreerd worden.
4.4
Kabels en leidingen
Er bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied, die van invloed kunnen zijn op de beoogde ontwikkeling. Uiteraard is een melding bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (een zogenaamde KLIC-melding) noodzakelijk voorafgaand aan de benodigde bodemingrepen.
4.5
Milieu
4.5.1
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1.1 Beleidskader Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van hinder en gevaar van milieubelastende activiteiten. Dit betekent dat bij nieuwe ontwikkelingen die voorzien in milieugevoelige functies voldoende afstand in acht moet worden genomen met bestaande bedrijven. Daarnaast biedt het zekerheid aan omliggende bedrijven die zo hun activiteiten kunnen blijven uitoefenen. Om in te kunnen schatten of een bepaalde ontwikkeling mogelijk is, moeten er drie vragen beantwoord worden: Zijn er bestaande bedrijven die een beperking kunnen vormen voor nieuwe gevoelige functies op de locatie? Zijn er in de omgeving gevoelige functies die gehinderd kunnen worden door nieuwe
43
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
functies op de locatie? Worden er nieuwe functies op de locatie zelf voorgesteld die niet verenigbaar zijn met elkaar?
4.5.1.2 Onderzoeksresultaten Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van woningen in combinatie met circa 635 m2 aan commerciële plint voor het noordelijk deel en maximaal 600 m2 voor het zuidelijk deel via een uit te werken bestemming. Deze plinten zijn beoogd voor functies op het gebied van kleinschalige werkvormen, horeca, dienstverlening, sport- en recreatieve voorzieningen, (para)medische zorgconcepten en culturele voorzieningen voor het noordelijk deel en dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, (para)medische zorgconcepten, horeca, bedrijven en perifere detailhandel voor het zuidelijk deel. Deze functies vallen grotendeels binnen categorie A uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging. Gelimiteerd zijn echter ook functies denkbaar uit categorie B. Deze activiteiten zijn weinig milieubelastend en met inachtneming van de eisen van het Bouwbesluit (A), dan wel met een bouwkundige afscheiding (B), is er geen sprake van een belemmering voor woningen in en rondom het plangebied ten aanzien van bedrijven en milieuzonering. In de regels van het dit bestemmingsplan is daarom een specifieke bedrijvenlijst voor functiemenging opgenomen, waarin enkel functies binnen de categorieën A en B zijn opgenomen.
Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Appartementen zijn aan te duiden als milieuhindergevoelig.
Bedrijfssoort
Adres
Omschrijving VNG
Woonwinkel
Lammenscha Overige grth nsweg 130K (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.)
10 (geluid)
± 45
Sportwinkel
Lammenscha Detailhandel voor nsweg 130H zover n.e.g.
0
± 30
Garagebedrijf
Lammenscha Handel in auto's en nsweg 130 motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven
10 (geluid en gevaar)
±8
Autodealer
Lammenscha Handel in auto's en nsweg 138E motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven
10 (geluid en gevaar)
± 50
Woonwinkel
Lammenscha Overige Grth nsweg 138 (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.)
10 (geluid)
± 85
44
Grootste richtafstand Gemeten (m) afstand (m)
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Aannemersbedri Kanaalweg jf 171
Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m2
30 (geluid)
Waterdistributie Kanaalweg ong. bedrijf
Waterdistributiebedrijv 10 (geluid en gevaar) en met pompvermogen: < 1 MW
± 10
± 15
Op basis van voorgaande inventarisatie is beoordeeld dat voor de adressen Lammenschansweg 130 (garagebedrijf Kwik-fit) en Kanaalweg 171 (Aannemersbedrijf) nader onderzoek moet worden verricht. Deze adressen zijn daarom nader bestudeerd en beoordeeld in de vorm van een akoestisch onderzoek industrielawaai. Opgemerkt wordt dat het aannemersbedrijf enkel relevant is voor de gronden met de uit te werken woonbestemming. Het noordelijk deel van het plangebied ligt namelijk op voldoende afstand om aan de richtafstand te kunnen voldoen. In het onderzoek is de haalbaarheid voor het woonprogramma dat middels een uit te werken bestemming wordt mogelijk gemaakt bestudeerd. In het kader van het uitwerkingsplan zal een nadere beschouwing plaatsvinden. Daarbij geldt eveneens dat voor de locatie van het aannemersbedrijf eveneens plannen lopen om deze tot ontwikkeling te brengen ten behoeve van woningbouw. Navolgend wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten.
Langtijdgemiddelde geluidsbelasting: Kwik-Fit De langtijdgemiddelde geluidsbelasting afkomstig van de Kwik-Fit bedraagt maximaal 45 dB(A). Deze geluidsbelasting wordt berekend op de begane grond en eerste verdieping op de aangrenzende gevel aan de noordoostzijde (toetspunt B1). In totaliteit wordt voldaan aan de richtwaarde (stap 2) van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009. Daarnaast wordt in totaliteit voldaan aan de grenswaarde vanuit het Activiteitenbesluit.
Aannemersbedrijf Schouls B.V. Stap 2 van de VNG-publicatie en de grenswaarden van het Activiteitenbesluit worden in de avond- en nachtperiode in totaliteit niet overschreden. Wel wordt deze overschreden in de dagperiode met maximaal 1 dB (51 dB) . De overschrijding is enkel waarneembaar vanaf de vierde verdieping ter hoogte van waarneempunt F3. Voor de locatie van het huidige bedrijfspand is nog geen bouwplan ontwikkeld. Voorgesteld wordt om te zijner tijd maatregelen bij de ontvanger te treffen die erop gericht zijn om te kunnen voldoen aan een binnenwaarde horende bij een goed woon- en leefklimaat. Een en ander zal inzichtelijk moeten worden gemaakt in een nader gevelmaatregelenonderzoek. De cumulatieve belasting dient hierbij als basis te worden gebruikt. De gemeente Leiden kan (mits goed onderbouwd) door middel van maatwerkvoorschriften hogere geluidniveaus vergunnen (51 dB voor het langtijdgemiddelde op basis van de maximaal planologische mogelijkheden).
Maximale geluidsbelasting: Kwik-Fit De maximale geluidsbelasting afkomstig van de Kwik-Fit bedraagt maximaal 67 dB(A) in de dagperiode. De maximale geluidsbelasting wordt berekend op de noordoostgevels grenzend
45
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
aan de Kwik-Fit (toetspunt B1). In totaliteit wordt voldaan aan de richtwaarde (stap 2) van 70 dB(A) uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009. Daarnaast wordt in totaliteit voldaan aan de grenswaarde vanuit het Activiteitenbesluit. Op basis van de resultaten kan een goed woon- en leefklimaat worden gewaarborgd.
Aannemersbedrijf Schouls B.V. Stap 2 (en 3) van de VNG-publicatie worden overschreden voor de dag-, avond- en nachtperiode (en tevens etmaalwaarde). Dit vindt plaats voor de beoogde woningen grenzend aan het aannemingsbedrijf. De grenswaarden van het Activiteitenbesluit worden overschreden in de dagperiode met maximaal 5 dB (75 dB) overschreden, in de avondperiode met maximaal 2 dB (67 dB) en in de nachtperiode met maximaal 15 dB (75 dB). Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar zijn niet mogelijk of doeltreffend. Maatregelen bij de ontvanger zijn erop gericht om te kunnen voldoen aan een binnenwaarde horende bij een goed woon- en leefklimaat. Dit kan door middel van het treffen van gevelmaatregelen. Een en ander zal inzichtelijk moeten worden gemaakt in een nader gevelmaatregelenonderzoek. De cumulatieve dient hierbij als basis te worden gebruikt. De gemeente heeft de mogelijkheid om (mits goed onderbouwd) door middel van maatwerkvoorschriften hogere geluidniveaus te vergunnen waarbij Schouls niet zal worden belemmerd in haar bedrijfsvoering. Middels maatregelen bij de ontvanger kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Toekomstige bewoners kunnen ramen op eigen initiatief openen (en sluiten bij waarneembare piekgeluiden). Wel dienen de kortstondige piekgeluiden als acceptabel te worden geacht.
Nu sprake is van een grootschalige transformatie van de gehele Lammerschansdriehoek naar een gemengd stedelijk milieu zal aannemingsbedrijf Schouls hoogstwaarschijnlijk worden geamoveerd. Indien ten tijde van oplevering van het woonprogramma aan de zuidzijde sprake is van een niet geamoveerd aannemingsbedrijf Schouls zal slechts sprake zijn van tijdelijke waarneembare overschrijdingen.
Indirecte hinder: Kwik-Fit De geluidsbelasting afkomstig van de indirecte hinder bedraagt maximaal 44 dB(A). Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Schrikkelcirculaire in totaliteit niet overschreden.
Gecumuleerde geluidsbelasting: De gecumuleerde geluidbelasting (ten gevolge van wegverkeerslawaai en industriewaai) is berekend op de randen van het bouwvlak en de daarmee maximaal planologische mogelijkheden. Deze gecumuleerde geluidbelasting is eerder worst-case, daar is gerekend met de aanwezigheid van beide bedrijven (Kwik-Fit en Schouls B.V.) terwijl Schouls B.V. reeds is verkocht en over geringe tijd zal verhuizen naar een andere locatie buiten de Lammenschansdriehoek. De gecumuleerde geluidbelasting is inzichtelijk gemaakt conform reken- en meetvoorschrift geluid 2012, bijlage 1 hoofdstuk 2 (Methode van Miedema). De gecumuleerde geluidbelasting voor dit onderzoek is conform de methode Miedema te classificeren van goed tot tamelijk slecht. Op grond van het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan de akoestische binnenwaarde bij woningen. Afhankelijk van de maatgevende geluidbelasting (wegverkeerslawaai of industrielawaai) wordt de minimaal benodigde karakteristieke gevelwering bepaald. Ten gevolge van wegverkeerslawaai dient voldaan te worden aan een binnenwaarde van 33 dB. Ten gevolge van industrielawaai dient voldaan te worden aan een binnenwaarde van 35 dB. In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek dienen de benodigde gevelmaatregelen bij de ontvanger te worden bepaald.
46
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Conclusie: Uit het onderzoek blijkt dat voor Kwik-Fit geldt dat aan de geluidnormen van zowel het langtijdgemiddelde geluidniveau als voor de maximale geluidniveaus als voor de indirecte hinder wordt voldaan. Voor Schouls B.V. ligt deze situatie iets anders. Hier geldt dat ter hoogte van de uitwerkingsplicht niet aan de geluidnormen kan worden voldaan. Bij het uitwerkingsplan dient deze situatie opnieuw in ogenschouw genomen te worden, waarbij geldt dat de gronden van Schouls B.V. zullen worden herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Dat maakt dat hinder vanuit deze gronden op de gronden van de uitwerkingsplicht in het ergste geval slechts tijdelijk is. In de regels van het bestemmingsplan wordt juridisch-planologisch vastgelegd dat de woningen niet eerder in gebruik genomen kunnen worden dan nadat is aangetoond dat voldaan wordt aan de geldende geluidsnormen.
4.5.2
Bodem
4.5.2.1 Beleidskader In het kader van een planprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling.
4.5.2.2 Onderzoeksresultaten Door IDDS is ter plaatse van het plangebied voor de nieuwbouw voorzien in een verkennend (asbest)bodemonderzoek, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: In de grond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen; Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen; De grond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink en PCB; De grond is zintuiglijk en analytisch niet verontreinigd met asbest; Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen. De gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Grenzend aan de ontwikkelingslocatie (ten noorden, onder de Deltaweg) is een kleine restverontreiniging met vinylchloride in het grondwater aanwezig (locatie AA054600391). Om verspreiding van de restverontreiniging te voorkomen wordt voorafgaand aan de grondwateronttrekking contact opgenomen met de Omgevingsdienst. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem van het noordelijk deel van het plangebied vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
Bekend is dat het zuidelijke deel van het plangebied verdacht is op de aanwezigheid van minerale olie. In het kader van het uitwerkingsplan zal te zijner tijd voor het zuidelijk deel van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden om de bodemkwaliteit ter plaatse te kunnen bepalen en te kunnen bezien in hoeverre minerale olie in de bodem aanwezig is.
47
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
4.5.3
Externe veiligheid
4.5.3.1 Beleidskader Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt.
Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.
4.5.3.2 Onderzoeksresultaten Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat er verschillende risicobronnen aanwezig zijn rondom het plangebied. Navolgend is een uitsnede van de risicokaart weergegeven, met daarop het plangebied globaal paars aangeduid.
48
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Uitsnede risicokaart, met daarop het plangebied globaal paars omkaderd (bron: risicokaart.nl)
Binnen een straal van één kilometer van het plangebied bevinden zich vier stationaire risicobronnen. Uit de gegevens van de risicokaart blijkt dat het plangebied buiten de invloedsgebieden valt van alle inrichtingen. Een nadere beschouwing van deze soort risicobron is daarmee niet noodzakelijk. Dit geldt ook voor de nabijgelegen buisleiding. Enkel voor 4 wegvakken in de omgeving van het plangebied geldt dat het plangebied in het invloedsgebied ligt van deze risicobronnen. Het betreft de volgende 4 wegvakken: Wegvak Z3: N206: Plesmanlaan/Haagse Schouwweg-A4/N206 (A4 afrit 7 Zoeterwoude Dorp); Wegvak Z118: A4: afrit 6a (Zoeterwoude Rijndijk) - afrit 7 (Zoeterwoude Dorp); Wegvak Z6: A4: Knp. Burgerveen - afrit 6a (Zoeterwoude Rijndijk); Wegvak Z7: A4: afrit 7 (Zoeterwoude Dorp) - Knp. Prins Clausplein. Deze wegvakken dienen daarom nader te worden beschouwd. Gelet op het feit dat de ontwikkellocatie voor alle wegvakken buiten de meest relevante zone van het groepsrisico ligt (de 200 meter zone), hoeft het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook de Veiligheidsregio moet in de gelegenheid gesteld worden om een advies uit brengen.
49
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid.
Scenario's Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. 1. Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: Bestrijden rampscenario Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk. Dit kan door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Aangezien het hier bestaande wegvakken betreft met daarom heen al kwetsbare objecten kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is; tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn. Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van de ontwikkellocatie en de specifieke risicolocatie cruciaal.
De brandweer kan snel via de Vrijheidslaan, Zoeterwoudseweg en Tomatenstraat de ontwikkellocatie bereiken in geval van een calamiteit. De inschatting is dat de brandweer binnen circa 10 minuten aanwezig kan zijn. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. Bij de Veiligheidsregio dient advies te worden ingewonnen of de bereikbaarheid en daarmee de opkomsttijden voldoende zijn gewaarborgd. Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen). Daarbij wordt beschouwd of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit van één van de twee scenario's. Op dit punt dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd. 2. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.
Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet. Binnen de ontwikkellocatie moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op de weg en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze
50
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
toxische stof en weten hoe te handelen. Primair gaat NL-Alert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen. Ten slotte maakt ook de aanwezigheid van BHV onderdeel uit van de alarmering van personen ter plaatse van de beoogde commerciële plint. Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor de ontwikkellocatie geldt dat zal worden voorzien in voldoende vluchtroutes.
Advies Veiligheidsregio Het verdient de aanbeveling dat bij het scenario gifwolk, de mechanische ventilatie in het bouwwerk centraal dan wel handmatig af te sluiten is door de toekomstige bewoners en gebruikers. De toekomstige gebruikers dienen door middel van risicocommunicatie geïnformeerd te worden over de mogelijke risicoscenario's in de omgeving. Om de zelfredzaamheid te vergroten dienen de bewoners over de werking voor het kunnen afsluiten van de ventilatie in het bouwwerk, voor in gebruik name geïnstrueerd te worden. Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid zijn geen probleem. Op basis van de scenario's zijn de bluswatervoorzieningen afdoende. De opkomsttijd is in dit gebied rond de 5,6 minuut. Gezien de kleine overschrijding is er geen redenen tot aanvullende voorzieningen behalve op vrijwillige basis.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5.4
Geluid
4.5.4.1 Beleidskader De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterrein.
4.5.4.2 Onderzoeksresultaten Met voorliggend plan wordt voorzien in geluidgevoelige objecten in de vorm van woningen. Daarom is door SAB een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In dit onderzoek is tevens getoetst aan de haalbaarheid voor het woonprogramma dat middels een uit te werken bestemming wordt mogelijk gemaakt. In het kader van het uitwerkingsplan zal een nadere beschouwing plaatsvinden. Op basis van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Rekenresultaten: De geluidbelasting vanwege de Lammenschansweg bedraagt maximaal 59 dB. Dit is hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, lager dan de maximale ontheffingswaarde, maar hoger dan de grenswaarde uit het hogere waarden beleid van de gemeente Leiden. Er is sprake van een volledig geluidsluwe binnenplaats. Op basis van
51
bestemmingsplan Lammenschansweg - Omega-locatie
het concept bouwplan (op de locatie van de huidige parkeerplaats) is mogelijk niet overal sprake van geluidsluwe gevels. Voor de locatie van het bedrijfspand is nog geen bouwplan ontwikkeld. Maatregelen dienen derhalve te worden onderzocht en daar waar mogelijk worden toegepast; De geluidbelasting vanwege de Kanaalweg bedraagt maximaal 40 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder (Wgh). De geluidbelasting vanwege de 30 km/uur weg Tomatenstraat bedraagt maximaal 45 dB. De gehanteerde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting vanwege de (toekomstige) 30 km/uur ontsluitingswegen bedraagt maximaal 56 dB. De gehanteerde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt hiermee overschreden. Er is sprake van een volledig geluidsluwe binnenplaats en geluidluwe gevels. Op basis van het concept bouwplan is mogelijk niet overal sprake van geluidsluwe gevels (op de locatie van de huidige parkeerplaats). Voor de locatie van het bedrijfspand in het plangebied is nog geen bouwplan ontwikkeld. Maatregelen dienen derhalve te worden onderzocht op basis van een goede ruimtelijke ordening.