210119 Bijlage I Nota van Uitgangspunten
Tekst van het document
Om dat mogelijk te maken moesten alle militair gedetineerden in Leiden worden geconcentreerd in het oude Pesthuis. Om het
Het personeel van de Militaire Strafgevangenis op de binnenplaats van het Pesthuis in 1880
Het personeel van de Militaire Strafgevangenis op de binnenplaats van het Pesthuis in 1880
De binnenplaats van het Pesthuis in gebruik als Legermuseum
De hoofdentree van het Pesthuis in gebruik als Legermuseum
Historische plattegrond voor de bouw van het pesthuis uit 1639 Cultuurhistorie | Pesthuis Leiden | 29
rijkswerkinrichting in gebruik, maar werd bestemd tot huis van bewaring (als vervanging van de cachotten in het Gravensteen). Door de sterke afname van het aantal vrouwelijke verpleegden in de opvolgende jaren, werd besloten een deel van het complex te bestemmen als rijksopvoedingsgesticht voor jongens. Na een wederom door Metzelaar ontworpen verbouwing bleven slechts twee van de zalen met ieder 48 alkoven over, en waren de celramen naar beneden verlengd om het gebouw geschikt te maken. Tegelijk werden in het Pesthuis weer slaapzalen voor de vrouwen ingericht. In afwijking van aanvankelijke plannen kwamen hierin niet twee, maar drie rijen alkoven tot stand. Zodoende werd ruimte bespaard en konden aanvankelijk geplande werkzalen op de zolders van het Pesthuis worden geschrapt. Ook het strafcellengebouw werd bij de bestemmingswijziging betrokken. Het ging dienst doen als woonruimte voor de zaalopzieneressen. Deze functie behield het gebouwtje maar kort, want in 1915 werd al besloten dat het zou gaan dienen voor de opsluiting van moeilijk te hanteren jongens. Het aantal vrouwelijke verpleegden bleef afnemen, terwijl de behoefte aan ruimte voor op te voeden jongens tegelijk steeds groter werd. In 1918 werden daarom enkele zalen en ruimten in het Pesthuis aan de rijkswerkinrichting onttrokken en aan het rijksopvoedingsgesticht toegewezen.
Kort daarna, in 1920, verhuisden alle vrouwen naar de nieuwe Rijkswerkinrichting voor Vrouwen in Gorinchem, en werd het gehele complex in Leiden voor de opvang van de jongens bestemd.
Rijksmonument
Het complex functioneerde tot 1927 als Rijksopvoedingsgesticht voor Jongens en werd daarna bestemd als Rijksasiel voor Psychopaten. Met de sluiting daarvan in 1933, wilde justitie echter de huurovereenkomst (tot 1943) niet verbreken, om zodoende het complex in reserve houden. In 1937 kondigde zich vanuit het Ministerie van Oorlog een nieuwe bestemming als garnizoenswerkplaatsen aan, wat door de Tweede Wereldoorlog anders gelopen is. In 1941 werd besloten om in het complex het Leger- en Wapenmuseum Generaal Hoefer (tegenwoordig het Koninklijk Militair-historisch Museum) onder te brengen. Dat museum vond zijn oorsprong in 1913 in kasteel De Doorwerth en omvatte een grote privé-verzameling van Generaal F.A. Hoefer (1850-1938). In het tweede oorlogsjaar werd de collectie overgebracht naar het Leidse Pesthuis. In 1959 werd in het Delftse Armamentarium een dependance van het Leidse legermuseum geopend, en diens studiecollectie werd vooral door militairen bezocht. Begin jaren ‘80 werd besloten om het legermuseum in Delft te concentreren, welke na een aantal verbouwingen in 1986 ten dele, en 1989 in zijn geheel werd geopend. Het Leidse Pesthuis was daarmee voor het legermuseum overbodig geworden.
Hoewel defensie tijdens het gebruik van het Pesthuiscomplex een onderhoudsverplichting had, en ondanks grootschalige restauratie in 1941-1943 (teruggebracht naar een veronderstelde zeventiende-eeuwse staat), was het gebouw eind jaren ‘80 in verval geraakt. Achterwege gelaten schilderwerk had geresulteerd in vergaande aantasting van kozijnen; balkkoppen waren vrijwel zonder uitzondering verrot; goten en hemelwaterafvoeren lekten op vele
Rijksmonument Geen monument, wel duidelijke rol in de benadering van het pesthuis als voormalig wachthuis In slechte bouwkundige staat
Dubbel woonhuis Vermoeden 17e eeuwse kern (onderwijsfuntie?)
overzicht complex huidige vorm 30 | Pesthuis Leiden
Geen onderdeel van het complex, maar belemmert de kwaliteit van het pesthuiscomplex
plaatsen. Eind jaren ‘80 werd duidelijk dat het Pesthuis zou gaan functioneren als onderdeel van een gefuseerd museum (Rjksmuseum voor Natuurlijke Historie en Rijksmuseum voor Geologie en Mineralogie). Door middel van een ruil- en koopovereenkomst zou het Rijk eigenaar van het Pesthuiscompex worden. Het Pesthuis zou, samen met te realiseren nieuwbouw, onderdak gaan bieden aan de verzamelingen die samen het grootste museum op gebied van de natuurlijke historie zouden vormen. De Rijksgebouwendienst wenste het complex echter niet in deze deplorabele staat over te nemen en verplichtte de gemeente het complex eerst op te knappen, voordat van een overeenkomst sprake kon zijn. De gemeente Leiden besloot daarop Bob van Beek als architect voor die restauratie te kiezen, en atelier Rijksbouwmeester (onder Dijkstra) en de Rijksgebouwendienst keken hierbij al raad- en instructiegevend mee (wat voor enkele onenigheden zorgden). Zo zijn de zeventiende-eeuwse kruiskozijnen en de aangetaste zolderbalken vervangen in plaats van gerepareerd, ondanks de strijd die het atelier voerde. Wel kon door de Rijksgebouwendienst de afwerking van de gevels aan de binnenzijde worden bepaald. Besloten werd deze kaal (zonder pleisterwerk) op te laten leveren, waardoor de muurstijlen werden vrijgelegd en in gelegenheid gesteld vocht kwijt te raken.
Omdat niet duidelijk was wat de toekomstige functie van het Pesthuis zou worden kon een aantal restauratiewerkzaamheden gelukkig wel worden tegengehouden. De restauratie van de overdekte omloop, de interieurafwerking en de restauratie van de regentenkamer konden zodoende worden uitgesteld. In 1990 koos Rijksbouwmeester Kees Rijnboutt de Leidse architect Fons Verheijen als ontwerper van het nieuwe museumcomplex. In dat complex zou het Pesthuis gaan functioneren als entreegebouw. Met een luchtbrug werd het Pesthuis verbonden met het eigenlijke museum, dat aan de overzijde van de Darwinweg werd gerealiseerd. In deze nieuwbouw werden naast de permanente expositie ook een depot, de laboratoria en de kantoren ondergebracht. Het Pesthuis bood plaats aan de kaartverkoop en winkel, het museumcafé, het auditorium en de tentoonstelling Nederlandse Natuur. Verheijen koos ervoor om alle nieuwe onderdelen van het Pesthuis als nieuwe, op zichzelf staande moderne eenheden te ontwerpen. Die onderdelen hebben een eenduidig modern architectonisch handschrift. Enige uitzondering hierop vormen de nieuwe hoekschoorstenen. Oorspronkelijk had het Pesthuis acht schoorstenen. Vier daarvan bevonden zich elk over de nok, in het midden van een vleugel. De schoorsteen van de regentenkamer bevond zich over het snijpunt van de nokken daarboven, op de hoek.
Vanwege de symmetrie had men in de zeventiende eeuw ook op de andere drie hoeken (loze) schoorstenen gemetseld. Alle oorspronkelijke schoorstenen waren echter in de loop der tijd verdwenen, en met name de hoekschoorstenen werden gemist. Flip Robers, die als restauratiearchitect was ingeschakeld, ontwierp de nieuwe ‘hoekschoorstenen’: houten, met lood beklede namaakschoorstenen. Hij liet zich voor de vorm en maat daarbij leiden door een foto uit circa 1900, waarop nog een oorspronkelijke (gemetselde) zeventiende-eeuwse schoorsteen was te zien. De nieuwe namaakschoorstenen functioneren als uitlaten van de airconditioninginstallatie van het Pesthuis. Het nieuwe museum Naturalis werd in 1998 geopend en vanwege uitbreidingen van de natuurhistorische verzamelingen wordt er momenteel een grote nieuwbouw aan Verheijens gebouw gebouwd, naar het ontwerp van Neutelings-Riedijk architecten. Hiermee verplaatsen de functies van die zich in het Pesthuis bevinden naar de nieuwbouw en zal het Pesthuiscomplex opnieuw een andere bestemming krijgen.
Luchtfoto uit 1973 van het pesthuiscomplex met het toen nog bestaande alkovengebouw
Foto uit 1899 van de entree van het Pesthuis, met een groot aantal schoorstenen aan de buitengevel
Fragment van een kaart van Leiden uit ca. 1928, toen het academisch ziekenhuis net was gebouwd, en daarmee de uitbreiding naar het noordwesten begon. Cultuurhistorie | Pesthuis Leiden | 31
3.2. Het Pesthuisterrein Het 17de-eeuwse terrein
In 1635 werd door het stadsbestuur ten noordwesten van de binnenstad van Leiden, buiten de Morspoort, uit de bezittingen van het Sint Catharinagasthuis een terrein van ‘3 morgen groot’ (ca. 2,5 ha) aangekocht. Het terrein lag toen nog midden in het open polderlandschap, op het grondgebied van Oegstgeest. Het Pesthuis moest zowel over land als over water te bereiken zijn. Men dacht destijds dat bij transport over het water het besmettingsgevaar kleiner was, werden de pestlijders per boot vanuit de stad naar het Pesthuis vervoerd. In het ontwerp zal daarbij gebruik zijn gemaakt van de reeds bestaande polderverkaveling. Voor een deel moesten deze waterlopen aangelegd worden. In 1636 (het noodpesthuis was toen al in grote haast gebouwd) werd door een landmeter een kaart opgesteld waarop geïnventariseerd wordt wat er reeds aan bestaande sloten is en welke waterlopen voor de aanleg van het Pesthuiscomplex gegraven moesten worden. Het ontwerp voor het Pesthuis van Leiden is geheel gestoeld op de gangbare ideeën van die tijd om uitbreiding van een pestepidemie tegen te gaan (een medicijn was er niet); het volledig isoleren en in quarantaine plaatsen van pestlijders en op hetzelfde afgesloten terrein begraven van de slachtoffers. Net als het Pesthuis van Amsterdam werd het Pesthuis van Leiden voorzien van grachten, hekken en hoge bomenhagen, om de ‘kwade geur’ tegen te gaan..
Het Pesthuis zelf was omgeven door water en het terrein als geheel ook nog eens. De binnenplaats van het Pesthuis werd in noord-zuidrichting voorzien van een gracht. Deze was onderdeel van de tweedeling in het pesthuis om mannen en vrouwen van elkaar gescheiden te houden. Bij het Amsterdamse pesthuis werden de pestzieken per boot via deze middengracht binnengebracht. Of dit in Leiden ook het geval was is onduidelijk; op een prent van de binnenplaats uit 1734 is inderdaad een bootje afgebeeld in de middengracht op een prent van de zuidgevel met plattegrond uit 1762 lijkt een opstapmogelijkheid met toegangsportaal aan de buitenzijde getekend. De verbinding met de buitengracht had onder het gebouw een dubbele overkluizing; twee bogen met elk een breedte van 2.20m. en een geringe hoogte. Op verschillende 17de-eeuwse kaarten is te zien hoe de weg- en waterwegen afgesloten waren met hekwerken en slagbomen. Men moest verschillende ‘hindernissen’ nemen om bij het Pesthuis te komen, en eenmaal binnen zal het niet gemakkelijk zijn geweest om weer buiten te komen (dit gegeven maakte het gebouw in latere fase ook zeer geschikt als penitentiaire inrichting). Het begin van de landweg vanuit de stad naar het Pesthuis bevond zich
Prent Amsterdamse Pesthuis met typerende miasme-beplanting 32 | Pesthuis Leiden
in de bocht aan de singel van de stad, tussen de Morspoort en de Rijnsburgerpoort. Hier was een eerste brug met hekwerk. De eigenlijke toegang tot het terrein was eveneens voorzien van een stenen brug met een hek. Vergelijking van de twee tekeningen uit 1670 en 1683 doet vermoeden dat toegangsweg zich aanvankelijk iets meer naar het noorden bevond, boven de ‘knik’ die het perceel hier maakt, en dat deze in oostelijke richting liep, nader onderzoek zou dat nog moeten uitwijzen. Het toegangshek met wachthuis bevond zich volgens de tekening uit 1670 haaks op de zijgevel van het huis. Korte tijd later, in elk geval voor 1683 is de brug met doorgang enkel tientallen meters naar het zuiden verplaatst zodat de brug in het verlengde van het voorterrein kwam te liggen. Tevens werd de toegangsweg gewijzigd. Via de brug kwam men op het voorterrein met de verschillende bijgebouwen (en aanvankelijk ook het houten noodPesthuis). Voor het eigenlijke Pesthuis moest men nog een derde brug over. Tegenwoordig is dit een moderne, vaste brug, oorspronkelijk was dit een klapbrug (die waarschijnlijk ’s nachts werd opgehaald en alleen vanaf het voorterrein bediend kon worden). Rondom het terrein, en op de stroken grond tussen de twee grachten, waren dubbele rijen met bomen geplant. In een beschrijving van het terrein uit 1822 is sprake van iepen.
Langs de oevers stonden essen- en elsen bedoeld voor de kap. Het voorplein was in 1742 beplant met een laan van elsen- en lindebomen. Het beplanten van het terrein met bomen paste in het beeld van de miasme-theorie. De bomen moesten de ‘slechte lucht’ tegenhouden. Hoe belangrijk deze beplanting werd geacht blijkt wel uit de vele prenten die van het Pesthuis van Amsterdam zijn gemaakt: op deze prenten wordt het gebouw telkens afgebeeld schuilgaand achter een dicht geboomte. Behalve voor het zuiveren van de lucht, zal de boomaanplant ook als windsingel gefungeerd hebben en bescherming hebben geboden aan het complex, dat immers geheel in het open polderlandschap lag. De verkoop van het essen- en elsenhakhout vormde voor de stad bovendien een bron van inkomsten. De eigenlijke ontwerptekeningen van het Pesthuis en het omliggende terrein zijn niet bewaard gebleven. Wel beschikken we over een gedetailleerde tekening van het complex uit 1683 die een goed beeld geeft van de inrichting van het terrein. De zuidelijke helft van het terrein beschrijft een vierkant terrein; het noordelijk deel heeft een trapeziumvorm. Het 17de-eeuwse Pesthuicomplex is in twee fasen aangelegd. Direct na aankoop van het terrein in 1635 werd het houten noodpesthuis opgericht, een lang, éénlaags gebouw dat zes zalen telde. Vrijwel gelijktijdig werd de dienstwoning voor de binnenvader en ander personeel gebouwd.
Hier waren ook de keukens en de regentenkamer ondergebracht. Het noodpesthuis en de woning van de binnenvader waren middels een galerij met elkaar verbonden en lagen aan een smal voorterrein, langs de noordelijke gracht van het carré waar later het pesthuis zou verrijzen. Aan de westzijde van dit terrein werden enkele kleinschaliger bijgebouwen gerealiseerd (o.a. turfhok en een lijkenhuisje). Aan de oostzijde was de toegang tot het terrein met het wachtlokaal. Het grote vierkante bouwvlak waar het uiteindelijke Pesthuis zou komen is de eerste twintig jaar in gebruik geweest als moestuin en boomgaard. Hiervoor werd door Arent van ’s Gravensande in 1645 nog een ontwerp gemaakt. In het verlengde van het woonhuis van de binnenvader, de schuine perceelsgrens volgend, werd in 1655 een zaalgebouw voor de opvang van zieke weeskinderen gerealiseerd. Bij de realisatie van het definitieve Pesthuis in 1657-1661 kwam de hoofdingang van het Pesthuis vanzelfsprekend aan de noordzijde te liggen: hier bevonden zich immers reeds alle voorzieningen
en de toegang tot het terrein over land. Een groot deel ten noorden van het noodpesthuis diende als begraafplaats. Archeologisch onderzoek dat hier in 2010 heeft plaats gevonden bevestigen dat hier op grote schaal mensen zijn begraven. Reeds vanaf 1672 kreeg het Pesthuis een militaire bestemming. Vanaf 1802 werd het militair gebruik officieel bestendigd. In de 19e eeuw werden op het terrein verschillende gebouwen bijgebouwd, zoals een smederij ten westen en het cellengebouw ten noorden van het Pesthuis, in 1861 gevolgd door een groot alkovengebouw aan de oostkant. Hiervoor was het noodzakelijk om de oostelijke binnengracht te dempen. Tussen het pesthuis en het nieuwe alkovengebouw werd een smalle, langgerekte binnenplaats gemaakt. In 1996 werd dit gebouw gesloopt en werd de gedempte gracht weer uitgegraven Verstedelijking en verdichting vanaf 1960 Tot ca. 1900 bestond het gebied rond het Pesthuis voornamelijk uit open polderlandschap. De prestedelijke polderverkaveling is na 1966 bijna volledig vergraven. Een eerste grote stedelijke ingreep in het gebied is de bouw van het door Rijksbouwmeester J.A.W. Vrijman ontworpen ‘Cité Médical’ vanaf 1923, de opvolger van het 19de-eeuwse universitaire ziekenhuis ten oosten van het Pesthuiscomplex. In 1980 is het grootste deel van dit complex afgebroken om plaats te maken voor het huidige LUMC.
De gebouwen van het LUMC staan tegenwoordig strak tegen de oostelijke begrenzing van het terrein. In de jaren ’60 moest de de buitenste gracht, de ‘pestsloot’ en de toegangsweg en naar de stad en wijken voor de aanleg van de Plesmanlaan. Gelijktijdig met de verbouwing van het Pesthuis tot Museum Naturalis in 1998 is ook het terrein opnieuw ingericht. Het ontwerp voor deze parkinrichting werd vervaardigd door de landschapsarchitecten Bosch Slabbers. De gedempte binnengracht ten oosten van het Pesthuis is daarbij weer teruggebracht. De nieuw ontstane strook grond tussen de twee grachten werd beplant met een dubbele rij kastanjes. Het noordelijk deel van het terrein opnieuw ingericht met een park. Het niet geheel uitgevoerde ontwerp was duidelijk geïnspireerd op Parc de la Vilette met een combinatie van een gridstructuur en slingerende border. Uiteindelijk is over het terrein een grid van vierkanten gelegd, van elkaar gescheiden met hardstenen banen, die elke een wisselende invulling hebben gekregen (gras, grint, versteend). De afmetingen van dit grid zijn ontleend aan de schaal van het cellengebouw. Zeer recent, in 2016, is in het noordelijk deel van het terrein het Leeuwenhoekpark met retentievijvers aangelegd.
In dit ontwerp van Lola Landscape Architects, ‘de Waterkamer’ genaamd is de centrale waterpartij omgeven door een dubbele bomenhaag (het is echter geenbewuste verwijzing naar de Miasmabeplanting). Richting het pesthuis is een opening in de bomenhaag gelaten. Het fietspad dat het Hippocratespad met de Mendelweg verbindt vormt thans een vrij harde cesuur in het terrein. Van de grid-vormige indeling van Bosch Slabbers is nog slechts een gedeelte bewaard gebleven. Tegenwoordig is het Pesthuiscomplex aan vrijwel alle zijden ingesloten door grootschalige nieuwbouw en brede wegen. Binnen dit verstedelijkte en verdichte gebied is het Pesthuisterrein van belang vanwege de open (onbebouwde) groene structuur en als relict van een verder verdwenen cultuurlandschap. Het terrein kan thans beschouwd worden als een ‘groene stedebouwkundige kamer’ waarvan de wanden gevormd worden door de bebouwing van het
Functies en gebruik in 1683 A ‘De nieuwe zaalen’ – het Pesthuis uit 1661 B ‘De oude zaalen’ – het noodPesthuis ui 1635 C ‘Woonplaats van de binnenvader’, gebouwd in 1635 D ‘Weeszaalen’ – ziekenzaal voor weeskinderen uit 1655 E ‘Backerij’ - bakkerij F ‘doodthuijs’(?) G ‘waschhuijs’ - wasserij H ‘Turfschuur’ I ‘vijver’ K ‘singel en plantage’ L ‘laan’ M Binnenplaats Pesthuis N ‘’t oude kerckhoff’ – het oude kerkhof O ‘blijckvelt’ – bleekveld voor het linnen P ‘’t nije kerckhoff’ – het nieuwe kerkhof Q ?? R ‘wijland’ – weiland
Functies en gebruik in 1822 (zie beschrijving Van der Pauw) A Vanaf 1822 – militaire en burgerlijke gevangenis B Gesloopt in 1717 C Dienstwoning D ‘Zaal nr. 8’ en ‘Timmerhok’ E Berghok F Koepel G Theatrum Anatomicum H Turfhok I Loop sloot K Laan (waar de doden van het hospitaal begraven werden) L Toegangsweg M Binnenplaats Pesthui N voorterrein met vier rijen iepenbomen O, P en Q samengevoegd tot tuin R Kruidentuin horende bij de apotheek
Kaart uit 1683 Cultuurhistorie | Pesthuis Leiden | 33
LUMC en het Naturalis en het Leids Bio Science Park. Ondanks latere veranderingen is de oorspronkelijke terreinopzet met name aan de zuidzijde nog voor een belangrijk deel herkenbaar. De waterloop aan de westzijde vanaf het Pesthuis richting de Sandifortdreeg maakt deel uit van de oude polderverkaveling. Cultuurhistorische waarde terrein Het Leidse pesthuis met bijbehorend terrein is exemplarisch voor de (nationale) aanpak van isolement en quarantaine voor het uitbannen van deze dodelijke ziekte in de 17e eeuw. Kenmerkend daarvoor was zowel de opzet van het pesthuis als de inrichting en afbakening van het terrein door middel van hekken, grachten en hoge ‘miasma beplanting’.
Foto van laat 19e eeuw met zicht vanafde toegangsweg naar het terrein, met de militaire bewaking bij het wachtershuisje
Van alle functies die het Pesthuiscomplex in de loop der eeuwen heeft gehad, zoals militair hospitaal, gevangenis, gesticht en tenslotte museum, is de functie als pesthuis het meest bepalend geweest voor de hoofdstructuur van het complex. Hoewel al deze functies een eigen deel uitmaken van de geschiedenis van het complex zijn ze wat betreft cultuurhistorische betekenis van het complex ondergeschikt aan die als pesthuis. De opzet van het terrein is nog altijd in sterke mate bepaald door de aanpak van de pest in de 17de eeuw en het functioneren van de quarantaine-inrichting. Latere functies sloten goed aan bij het afgesloten karakter van terrein en gebouw. Waarschijnlijk is dit ook de reden dat het Pesthuis, hetzij met enkele zware restauraties, na ruim 350 jaar zo intact is gebleven. Het terrein is helaas in mindere mate nog intact. Het verdient dan ook zeker aanbeveling om het beoogde gebruik als isolatie- en quarantaine-irichting voor de pest beter afleesbaar te maken in de inrichting van het terrein. De beleefbaarheid van het gebouw en het terrein als pesthuis ligt dus beslist niet besloten in alleen de aanwezigheid van het pesthuis, maar bestaat uit een ensemble van gebouwen, terreininrichting en landschappelijke elementen. De indeling van het terrein was oorspronkelijk ingegeven door functionaliteit en daardoor in feite niet-monumentaal.
Karakteristiek van de indeling van het terrein is ook de excentrische positie van de ingang van het Pesthuis zelf en de oost-west gerichte (van oorsprong stenige) voorruimte bij het Pesthuis.
Foto van laat 19e eeuw met zicht vanaf de toegangspoort op het voorplein met een stedelijk karakter. 34 | Pesthuis Leiden
Door het toevoegen van de monumentale as die is ontstaan door de parkaanleggen van 1998 en 2017 is de orientatie van het terrein 90 graden gedraaid. Hierdoor, en door een rommelige terreininrichting, heeft het oorspronkelijke voorterrein aan betekenis verloren.
Ontwerp van Bosch Slabbers uit 1998.
Situatie 1683 geprojecteerd op huidige situatie.
Monumentwaarden. Bron: Cultuurhistorische Verkenning, Bureau Monument en Cultuur, Amsterdam.
Ontwerp van LOLA Landscape architects, ‘De Waterkamer’ uit 2016. Cultuurhistorie | Pesthuis Leiden | 35
36 | Pesthuis Leiden
4. PLANOLOGISCHE INFORMATIE
| Pesthuis Leiden | 37
4. Planologische informatie Dit hoofdstuk is bedoeld om partijen zo goed mogelijk te informeren over het vigerend beleid met betrekking tot de beschikbare informatie over duurzame verstedelijking, groen- en waterstructuren, mobiliteit, functies (wonen, retail en horeca) en cultuurhistorie. Middels een ruimtescan is onderzocht op basis van het vigerende (en toekomstige) beleid (rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid) en de milieutechnische aspecten (de verschillende milieuaspecten van de initiatieven toetsen aan de vigerende wet- en regelgeving) welke functies het beste passen ter plaatse van het Pesthuiscomplex te Leiden. Hierbij zijn alle opties
opengehouden (zoals: wonen, horeca, hotel, kantoor, bedrijven, leisure maatschappelijke voorzieningen en detailhandel). Deze informatie is grotendeels afkomstig is uit de Structuurvisie Leiden 2025 (vastgesteld op 1 december 2011), vigerend bestemmingsplan Leiden Bioscience en station (vastgesteld op 23 januari 2014) en het stedenbouwkundig masterplan Leiden Bio Science Park (vastgesteld in mei 2009). Deze beleidskaders kunnen echter herzien of vervangen worden gedurende de verkoopprocedure.
4.1. Beleidskaders 4.1.1. Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Ministerie van Infrastructuur en Ruimte van kracht geworden. De structuurvisie vervangt verschillende nota’s, waaronder de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. De visie schetst de doelen, belangen en opgaven van het Rijk tot 2028 en de ambities tot 2040. Uitgangspunt is de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk over te laten aan gemeenten en provincies (decentraal, tenzij), minder nationale belangen te benoemen en eenvoudigere regelgeving toe te passen. De nationale belangen, die worden benoemd, betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoeren transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden. Leiden is op de kaart (inter)nationale bereikbaarheid van stedelijke regio’s met topsectoren) aangewezen als gebied waar nationaal belang 1 van toepassing is. Nationaal belang 1 is een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en een goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren.
De topsector in Leiden betreft het Bio Science Park, het grootste life sciences cluster in Nederland, met onder andere het Leids Universitair Medisch Centrum. Het projectgebied behoort tot het Bio Science Park, waar nationaal belang 1 van toepassing is. Ontwikkelingen binnen het projectgebied mogen hieraan geen afbreuk doen.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Situatie. *Van Leeuwenhoekpark en Naturalis niet meer actueel, zie bij ontwikkelingen in de omgeving p.16-19 38 | Pesthuis Leiden
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Per 1 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking gewijzigd: “De belangrijkste wijzigingen betreffen een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke ‘treden’ en het vervangen van het begrip ‘actuele regionale behoefte’ door: behoefte. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand ste-
delijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Tevens wordt de mogelijkheid geboden in een nieuw derde lid, om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De verwachting is dat de Ladder hierdoor beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder onderzoekslasten zal leiden.” De ladder voor duurzame verstedelijking dient doorlopen te worden indien sprake is van nieuwe stedelijke ontwikkeling. Binnen het projectgebied zullen naar alle waarschijnlijkheid nieuwe functies worden toegevoegd waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ter plaatse van het Pesthuiscomplex. Hierdoor is de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing en dient de behoefte te worden aangetoond. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd; b. b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of c. c.
indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die, i. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld, ii.passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visieruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, iii. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.
4.1.2. Provinciaal en regionaal beleid Visie Ruimte en Mobiliteit
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, in werking getreden per 1 augustus 2014 en geconsolideerd, in werking per 12 januari 2017, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is: • Ruimte bieden aan ontwikkelingen. • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit. • Allianties aangaan met maatschappelijke partners. • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen. De provincie wil de bebouwde ruimte/het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) beter benutten. De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp
gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Op de interactieve kaart van de provincie Zuid-Holland is de projectlocatie gelegen in het bestaand stedelijk gebied.
ruimte en mobiliteit en het Programma ruimte. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma ruimte. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. De meest recente versie van de Verordening ruimte Zuid-Holland dateert van 1 april 2016 (geconsolideerd).
Programma ruimte
Volgens de verordening ruimte dienen bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt aan verschillende eisen betreffende duurzame verstedelijking, kantoorlocaties, bedrijvenlocaties, en detailhandellocaties te voldoen.
Kantoren De provincie streeft ernaar om de leegstand van kantoren te beperken door plancapaciteit te reduceren en door bestaande leegstaande kantoren te herstructureren of te transformeren. De provincie heeft concentratielocaties voor kantoren vastgesteld en zowel Leiden centraal station (inclusief invloed gebied) als Leiden Bio Sciene Park zijn zo’n concentratielocatie (Leiden Bio Science Park zijn nieuwe kantoren alleen mogelijk ten behoeve van verdere versterking van de Kennisas). Overige uitzonderingen op de kantorenlocaties worden gemaakt voor onder meer kleinschalige, zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van maximaal 1.000 m² per vestiging, kantoren met een lokaal verzorgingsgebied zoals banken en gemeentehuizen en bedrijfsgebonden kantoren. Wonen De provincie wil voorzien in de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan woningen en woonmilieus. De Woningmarktverkenning Zuid-Holland is voor de provincie uitgangspunt voor gesprek over de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte met de regio’s. Dit woningbehoefte onderzoek wordt iedere drie jaar geactualiseerd. In de periode 2017 – 2039 is een lagere behoefte aan woningen dan de prognose van de bevolking in de regio Holland Rijnland, waar de projectlocatie zich bevind. Voor gemeente Leiden geldt in dezelfde periode daarentegen een hogere behoefte aan woningen dan de prognose van de bevolking.
Detailhandel Het provinciale detailhandelsbeleid is erop gericht om de detailhandelsstructuur zoveel als mogelijk te versterken door deze vooral kwalitatief te verbeteren en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. De provinciale detailhandelsstructuur bestaat uit drie categorieën: ‘te ontwikkelen centra’, ‘te optimaliseren centra’ en de ‘overige centra’. De locatie valt onder geen van deze drie locaties voor detailhandel. De provincie biedt echter ruimte voor een aantal uitzonderingen op de hoofdregel dat detailhandel in de bestaande centra moet plaatsvinden: kleinschalige detailhandel in de vorm van een gemakswinkel, als leerwerkplaats bij beroepsonderwijs, bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten of met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties. Toerisme Op provinciaal niveau wordt ingezet op toerisme aan de kust en de bijbehorende natuur. De locatie ligt te ver van de kust om hier op in te spelen.
Verordening ruimte
De Verordening ruimte Zuid-Holland is vastgesteld in samenhang met de Visie
4.1.3. Gemeentelijk en regionaal beleid Structuurvisie Leiden 2025
Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2025 vastgesteld (RV 09.0130). Deze structuurvisie is bij raadsbesluit van 1 december 2011 herzien (RV 11.0104). De structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. Op de punten die niet in deze structuurvisie zijn opgenomen, is de Boomgaard van Kennis van toepassing. Voor de overige aspecten is de structuurvisie hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de structuurvisie. De uitgangspunten van de structuurvisie zijn het bestaande beleid en de ambities en verwachtingen die in overleg met partijen en partners zijn geformuleerd.
Dit heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities: • de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet; • het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld; • de bereikbaarheid wordt verbeterd; • de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden; • de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdragen te leveren aan de versterking van de kennisstad. Het Bio Science Park wordt in de structuurvisie genoemd als een bijzonder project dat in belangrijke mate bijdraagt aan Leiden en de regio en Leiden internationaal op de kaart zet. Het Bio Science Park vormt een cluster van hoogwaardige kennisintensieve bedrijven en werkt als een magneet op andere hoogwaardige kennisintensieve bedrijven. Het Bio Science Park speelt een sleutelrol in de Leidse Structuurvisie die de positie van Leiden als kennisstad wil versterken. Het Pesthuis en omgeving is groen gemarkeerd, dus deel uitmakend van de groenstructuur op stedelijk niveau.
Ontwikkelingsvisie 2030, ‘Leiden, stad van ontdekkingen’
In 2004 is een gemeentelijke ontwikkelingsvisie 2030 vastgesteld waarin de toekomstige ontwikkeling van Leiden wordt geschetst. Deze visie is in 2012 Planologische informatie | Pesthuis Leiden | 39
T
S
S
T
S
0
40 | Pesthuis Leiden
250
500
1000
1500 m
Structuurvisie Leiden 2025: De Structuurvisie heeft ondermeer de ambitie het LBSP en de kenniseconomie verder te ontwikkelen en de groene en blauwe structuren in en rondom de stad te versterken en te verbinden. In de Structuurvisie wordt het Pesthuis e.o. groen gemarkeerd, dus deel uitmakend van de groenstructuur op stedelijk niveau. Er is een recreatieve, groene route geprojecteerd tussen Plesmanlaan/Pesthuislaan en Wassenaarseweg.
herijkt, waarbij is vastgelegd dat wordt voortgegaan op de in 2004 ingeslagen weg, maar dat Leiden zich middels deze herijking de inspanningen op het versterken van haar onderscheidende kwaliteiten nog sterker gaat richten op de twee pijlers van ‘Leiden, Stad van Ontdekkingen’: Historische Cultuur en Internationale Kennis. Daarmee beoogt het stadsbestuur een belangrijke bijdrage te leveren aan de welvaart en het welzijn van de bewoners van Leiden, van de Leidse regio, van Holland Rijnland en de zuidvleugel van de Randstad.
Stedenbouwkundig masterplan Leiden Bio Science Park – Leeuwenhoek
Dit masterplan (vastgesteld door de raad in mei 2009, RV 09.0083) is een uitwerking van het Programma van Eisen (2004) en het strategisch masterplan Knoop Leiden West (2007). In het stedenbouwkundig masterplan wordt de programmatische en ruimtelijke ontwikkeling van de Leeuwenhoek (het Leidse gedeelte van het Bio Science Park) beschreven. Het masterplan zal voor verschillende deelgebieden nader uitgewerkt worden en is de basis voor nieuwe bestemmingsplannen. Hoofddoelen van het masterplan zijn: • het behoud en de versterken van het kenniscluster in Leiden door meer ruimte te creëren voor kennisintensieve bedrijvigheid; • het ontwerpen en realiseren van een hoogwaardig stedelijk gebied met functiemenging, een goede wegeninfrastructuur, openbaar vervoer, groen en water; • het clusteren en moderniseren van de universitaire huisvesting. In september 2015 verscheen voor de westkant van het LBSP (dus niet het deel waar het Pesthuis ligt) het masterplan en ontwerp-bestemmingsplan Leiden Bio Science Park – Gorlaeus. Hierin wordt naast de ontwikkeling van
Het pesthuis in een van de twee groene dooraderingen van het Leiden Bio Science Park
LS&H-bedrijven ook de woonfunctie mogelijk gemaakt. Als onderbouwing hiervan wordt functiemenging genoemd, waarmee de levendigheid van het gebied wordt versterkt. Daarnaast is de vraag naar woningen in Leiden groot. Gedacht wordt aan woningen voor medewerkers van de kennisbedrijven, expats en internationale studenten. In dit masterplan/bestemmingsplan is ook ruimte gereserveerd voor horeca (hotel, restaurant, daghoreca) en een klein retailprogramma (640 m2).
Nota Wonen 2020
Op 13 februari 2013 heeft de gemeenteraad de nota Wonen 2020 ‘Leiden kijkt vooruit en pakt door’ vastgesteld (RV 12.0111). Met de nota Wonen wordt een betere balans tussen vraag en aanbod, versterking van de kwaliteit en voldoende aanbod voor hen die niet op de particuliere markt terecht kunnen nagestreefd. Het uiteindelijke doel is dat Leiden ook in de toekomst een aantrekkelijke internationale kennisstad blijft met ruimte voor de daarbij behorende diversiteit aan inwoners en leefstijlen. De Nota wonen signaleert de volgende trends: • Groei inwonertal Leiden: Steden en stedelijk wonen zijn weer populair na een tijd van suburbanisatie. Het CBS voorspelt een trek van zo’n miljoen mensen naar de Randstad. Vooral steden met een aantrekkelijke (historische) binnenstad, een hoogvoorzieningenniveau (waaronder cultuur) en een gunstige ligging. Leiden scoort op alle drie deze elementen goed. • Functiemening: Wonen, werken en recreëren lopen steeds meer door elkaar. Dat zien we ook terug in de stad. Functiemenging heeft als voordeel dat het de sociale veiligheid, levendigheid en aantrekkelijkheid versterkt. Een compacte stad zorgt voor draagvlak onder de voorzieningen wat juist
• • •
in deze tijden van crisis en bezuinigingen des te belangrijker is. Verschuiving in de vraag: Als gevolg van de crisis zien we een verschuiving van de vraag van koop- naar huur en van duurdere woningen naar minder dure woningen. Globalisering en internationalisering: Dit zal betekenen dat Leiden in haar woonbeleid rekening moet houden met een toenemende vraag naar woningen van vooral internationale studenten en kenniswerkers. Flexibiliteit in plattegrond en functie: Het is zeker dat er veel onzekerheden in hoe de woningmarkt zich zal ontwikkelen. Zo komen er nieuwe huisvestingsbehoeften bij, met uiteenlopende vormen van bv. nieuwe huurcontracten voor korte en/ of langere bewoning.
Waar in de Nota Wonen nog wordt uitgegaan van een sterke groei in de (nationale) behoefte aan studentenhuisvesting is de verwachting dat dit afvlakt, onder invloed van veranderingen in het studiefinancieringssysteem. Wel wordt nu nog steeds een groei van internationale studenten en kenniswerkers verwacht, gelet op de groeiende internationalisering en de positie van de regio Leiden daarin. De woningbehoefte in Leiden is groot en Leiden wil zich als internationale kennisstad in het bijzonder kenniswerkers/expats en internationale studenten faciliteren. Het Pesthuis e.o. is door de aard van het gebied gekenmerkt door de aanwezigheid van kennis(gerelateerde) bedrijven, door de nabijheid van zowel station en uitvalswegen en door de directe nabijheid van sportvoorzieningen en relatieve nabijheid van het centrum, zeer geschikt voor deze doelgroepen. Op de kansenkaart hieronder wordt weergegeven welke gebieden gemeente Leiden op langere termijn wil transformeren naar interessante woonmilieus of nader onderzoeken op mogelijkheden voor verruiming van de woningvoorraad. Het Bio Science Park behoort hier niet tot een van deze gebieden.
Kansenkaart wonen Planologische informatie | Pesthuis Leiden | 41
bestaande aanbod in de stad of de regio. Het Pesthuis is qua cultuurhistorische waarde van het gebouw natuurlijk wel een potentiële goede locatie om van deze regeling gebruik te maken.
Retailvisie Leidse regio 2025
Op 5 juli 2016 heeft de gemeenteraad van Leiden de Retailvisie Leidse Regio vastgesteld. Het belangrijkste doel wat er met deze visie bereikt dient te worden is “Het maken van een vitaal en toekomstbestendig wensbeeld voor de ontwikkeling en transformatie van winkelgebieden binnen de Leidse regio, dat draagvlak heeft bij gemeenten, ondernemers en andere maatschappelijke actoren. In de visie moet het optimaal bedienen van de consument centraal staan en moet de identiteit van de winkelgebieden aansluiten op de inwoners van het verzorgingsgebied”. In de visie is een detailhandelsstructuur 2025 opgenomen. Er zijn daarin vier verschillende winkelgebied onderscheiden. Dit zijn de recreatieve winkelgebieden, boodschappenwinkelgebieden, doelgerichte winkelgebieden en de secundaire aankooplocaties. Per gebied zijn beleidsuitgangspunten vastgesteld. Op grond van de retailvisie is het Bio Science Park aangewezen als secundaire aankooplocatie. Deze locatie blijft behouden als winkelgebied, maar zal niet terugkomen in de verdere visie op de detailhandelsstructuur. Voor deze locatie geldt dat de consument niet actief op zoek gaat naar een aankoop. Aankopen doen gebeurt vaak impulsief omdat de winkelfunctie ondergeschikt is aan een andere activiteit, zoals reizen of werken. Voor het Leiden Bio Science Park geldt dat het primaire doel werken is.
Een klein programma retail past bij deze locatie.
Ruimtelijk-economische horecavisie Leiden
De horecavisie is vastgesteld op 11 februari 2016 (RV 15.0142). De gemeente Leiden wil met behulp van deze ruimtelijk-economische horecavisie een horecaontwikkeling stimuleren die bijdraagt aan de kwaliteit en identiteit van de stad. In het algemeen bevat de horecavisie een restrictief beleid voor nieuwe horecavestigingen. Het Leiden Bio Science Park (LBSP) kent op dit moment een marginaal horeca-aanbod. Vanwege het grote economische belang, de gewenste campus-kwaliteit en het grote aantal werkplekken en studenten is uitbreiding van de horeca gewenst. De Ondernemersvereniging en de Universiteit ondersteunen deze wens. Horeca bevordert de ontmoeting en uitwisseling van kennis, die in deze omgeving centraal staat. De Universiteit wil bovendien bedrijfskantines uitplaatsen, hetgeen ruimte biedt voor ontwikkeling van horeca in categorie I. Ook is het gebied geschikt voor fastfood- en take awayconcepten en één of meer bedrijven in categorie IV, bijvoorbeeld in een mengvorm met zaal- of congresruimte met focus op de zakelijke markt. In de horecavisie wordt in drie deelgebieden horeca voorgesteld: 1. LBSP deelgebied Boerhaave (eigenaren universiteit en TNO) 2. LBSP deelgebied Entree (eigenaar universiteit) 3. Stationsgebied zijde Bio Science Park. Voor het Pesthuis e.o. wordt geen nader programma voorgesteld.
Wel kan er mogelijk gebruik worden gemaakt van een afwijking van de visie voor ‘pareltjes’, bedrijven die qua karakter, uitstraling, ligging of concept bijdragen aan een sterke uitstraling van een gebied en die vanwege uniciteit iets toevoegen aan het 42 | Pesthuis Leiden
Hotels en overige logies bedrijven Leiden In de visie zijn de uitgangspunten voor het hotelbeleid geformuleerd. De verwachte marktruimte van maximaal 250 kamers voor hotels tot en met 2020 wordt op de volgende manier ingevuld: • In principe wordt in beginsel binnen de mogelijkheden van de gemeente meegewerkt aan de planontwikkeling en het faciliteren van de vergunningprocedures van de weergegeven plannen voor hotelontwikkelingen in de binnenstad en het Stationsgebied, te weten het boetiekhotel in de Meelfabriek, het kleinschalige hotel in het voormalige wachtgebouw naast de Morspoort en de hotellocatie Rijnsburgerblok deel 2 in het Stationsgebied, waarbij de plannen aanvullend nog aan de overige relevante wet- en regelgeving worden getoetst. • de verwachte marktruimte van maximaal 250 kamers, wordt met 40 hotelkamers aangevuld tot 290 kamers, om zo de verwachte ontwikkeling van de uitbreiding van het hotel Holiday Inn te kunnen faciliteren, met toetsing van het plan aan de overige relevante wet- en regelgeving. De reden hiervan is dat genoemde ontwikkeling goed aansluit bij de recent gerealiseerde uitbreiding van de congres- en vergadervoorzieningen in het hotel en tevens voor de periode tot en met 2020 zorgt voor uitbreiding van de hotelcapaciteit ten behoeve van het Bio Science Park.
• Er wordt een uitbreidingsmarge van 5% van het geadviseerde uitbreidingspotentieel van 250 hotelkamers ten behoeve van verzoeken voor realisatie van kleinschalige logiesconcepten (B&B’s, zeer kleinschalige hotels) gehanteerd. Net als bij de overige horeca kan het college gemotiveerd van de beperkingen in deze visie afwijken voor zogenaamde ‘pareltjes’: bedrijven die qua karakter, uitstraling, ligging of concept bijdragen aan een sterke uitstraling van het gebied en die vanwege uniciteit iets toevoegen aan het bestaande aanbod in de stad of de regio. Ook inzake hotelcapaciteit is er binnen de visie voor het Pesthuis geen programma opgenomen. Wel is een afwijking voor een zogenaamd pareltje in het Pesthuis voorstelbaar. Zeker indien het bijvoorbeeld gaat om een concept dat nog niet in de stad aanwezig is zoals een vijfsterren hotel. Naar aanleiding van het ‘Advies ten behoeve van de hotelvisie gemeente Leiden’ van adviesbureau Van Spronsen & Partners, formuleren we de volgende uitgangspunten voor het hotelbeleid.
We gaan als volgt om met het advies van Van Spronsen & Partners voor invulling van de verwachte marktruimte van maximaal 250 kamers voor hotels tot en met 2020: • In principe zullen we binnen de mogelijkheden van de gemeente meewerken aan de planontwikkeling en het faciliteren van de vergunningprocedures van de weergegeven plannen voor hotelontwikkelingen in de binnenstad en het Stationsgebied, te weten het boetiekhotel in de Meelfabriek, het kleinschalige hotel in het voormalige wachtgebouw naast de Morspoort en de hotellocatie Rijnsburgerblok deel 2 in het Stationsgebied, waarbij de plannen aanvullend nog aan de overige relevante wet- en regelgeving worden getoetst. • de verwachte marktruimte van maximaal 250 kamers, wordt met 40 hotelkamers aangevuld tot 290 kamers, om zo de verwachte ontwikkeling van de uitbreiding van het hotel Holiday Inn te kunnen faciliteren, met
toetsing van het plan aan de overige relevante wet- en regelgeving. De reden hiervan is dat genoemde ontwikkeling goed aansluit bij de recent gerealiseerde uitbreiding van de congres- en vergadervoorzieningen in het hotel en tevens voor de periode tot en met 2020 zorgt voor uitbreiding van de hotelcapaciteit ten behoeve van het Bio Science Park. • We hanteren een uitbreidingsmarge van 5% van het geadviseerde uitbreidingspotentieel van 250 hotelkamers ten behoeve van verzoeken voor realisatie van kleinschalige logiesconcepten (B&B’s, zeer kleinschalige hotels). Net als bij de overige horeca kan het college gemotiveerd van de beperkingen in deze visie afwijken voor zogenaamde ‘pareltjes’: bedrijven die qua karakter, uitstraling, ligging of concept bijdragen aan een sterke uitstraling van het gebied en die vanwege uniciteit iets toevoegenaan het bestaande aanbod in de stad of de regio.
Nota mobiliteit
De Nota Mobiliteit geeft de visie van het rijk op het verkeer en vervoersbeleid weer tot en met 2020. De Nota is in samenwerking met de provincies, gemeenten, kaderwetgebieden en waterschappen tot stand gekomen. De Nota Mobiliteit is een zogenaamde planologische kernbeslissing (pkb), een planfiguur die wordt beschreven in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en die de nota zijn wettelijke status geeft. Dit betekent dat eerst een beleidsvoornemen wordt gemaakt, waarna inspraak en advies volgen en tot slot een kabinetsstandpunt met parlementaire behandeling. De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op 28 mei 2004 de hoofdlijnennotitie voor de Nota Mobiliteit aan de Tweede Kamer aangeboden. In de hoofdlijnennotitie worden de volgende beleidsdoelen aangegeven: • het verbeteren van de internationale bereikbaarheid; • het verbeteren van de interne en onderlinge bereikbaarheid van de nationale stedelijke • netwerken en economische kerngebieden; • een goed functionerend systeem voor het vervoer van personen en goederen als • essentiële voorwaarde voor economische ontwikkeling; • het inzetten op proces- en technologie-innovatie ter realisering van de beleidsdoelen. De uitgangspunten bij het realiseren van deze beleidsdoelen zijn betrouwbare reistijden, vlotte en veilige verkeersafwikkeling binnen de (inter)nationale wettelijke en beleidsmatige kaders van milieu en leefomgeving.
Een goede bereikbaarheid is een voorwaarde voor de sociale en economische ontwikkeling in Nederland. Op zijn beurt creëert die ontwikkeling weer nieuwe mobiliteit. Mobiliteit mag, maar niet altijd en overal. Mensen moeten mobiel kunnen zijn om maatschappelijk te kunnen participeren.
Regionaal verkeer- en vervoerplan (RVVP)
Begin juli 2002 is het ontwerp Regionaal Verkeer- en Vervoerplan verschenen. In dit RVVP met de titel ‘De Regio’s Verbonden’ wordt aangegeven wat de komende jaren het beleid zal zijn voor de Leidse Regio, de Duin en Bollenstreek en de Provincie Zuid-Holland. Met het plan wil men vraagstukken aanpakken die op het gebied van mobiliteit een bijdrage leveren aan een goed klimaat om te wonen, werken en ondernemen in de regio.
Ten aanzien van het plangebied zijn de volgende aandachtsvelden van belang: • Mobiliteit en ruimte; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen: 1. betere afstemming van de ruimtelijke ontwikkelingen en de vervoersnetwerken; 2. bundeling van activiteiten op locaties die goed bereikbaar zijn met de vervoermiddelen die daarbij horen; in dit geval het openbaar vervoer; 3. een uitgekiende ruimtelijke ordening, zodat gebruik van fiets en openbaar vervoer gestimuleerd worden. • De fiets; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen: 1. meer gebruik van de fiets in stedelijke gebieden; 2. gebruik van fiets als voor- en natransport bij het openbaar vervoer. • Openbaar vervoer; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen: 1. een snel en hoogwaardig verbindend regionaal hoofdnet (RijnGouweLijn); 2. het hoofdnet en het onderliggend netwerk moeten afzonderlijk en eenduidig herkenbaar zijn.
Mobiliteitsnota Leiden 2015-2022
Deze nota legt het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Leiden vast. De nota benoemt de ambities die Leiden op het vlak van mobiliteit heeft, en benoemt maatregelen om deze ambities te realiseren. De looptijd van de Mobiliteitsnota is van 2015 tot en met 2022. Deze periode komt overeen met de Investeringsagenda Infrastructuur waar Leiden ook aan werkt. In de Investeringsagenda worden de middelen belegd voor infrastructuurprojecten. In deze Mobiliteitsnota zijn zeven ambities verwoord: 1. versterken van de hoofdontsluitingsstructuur; 2. bereikbaarheid en omgevingskwaliteit in balans brengen; 3. stimuleren van langzaam verkeer;
Fragment totaalbeeld verkeer volgens Mobiliteitsnota 2015 – 2022
4. 5. 6. 7.
stimuleren van OV-gebruik; bijdragen aan duurzaamheid en aan minder milieuhinder; werken aan een gastvrij Leiden; moderne technologie meer inzetten ten behoeve van verkeer en vervoer.
Met deze ambities wordt een bijdrage geleverd aan het doel de Leidse agglomeratie een regio te maken van internationale kennis, historische cultuur, met een prettige en hoogwaardige woonomgeving, die goed bereikbaar is. Op het fragment (zie onderstaande ) van de kaart uit de Mobiliteitsnota is te zien hoe het Pesthuiscomplex ontsloten is met de verschillende infrastructuren. De locatie Pesthuis e.o. ligt midden in een web van infrastructuur waar de ‘draden’ voor alle vervoersmodaliteiten een belangrijke rol spelen. Het meest in het oog springt de Plesmanlaan die deel uitmaakt van het Leidse Ring Noord, een verbinding voor autoverkeer tussen A44 en A4. Bij de keuze voor toekomstige functies in het Pesthuis dient rekening te worden gehouden met deze wegenstructuur. Het projectgebied wordt ontsloten door de Pesthuislaan. De Pesthuislaan is aangesloten op de Plesmanweg, een ontsluitingsweg die berekend is op het verwerken van veel verkeer.
Beleidsregels parkeernormen
Op 19 mei 2015 heeft het college van B&W de 1e wijziging van de nota ‘Beleidsregels parkeernormen Leiden’ vastgesteld. Deze beleidsregels gelden als toetsingkader bij aanvragen voor ruimtelijke activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de Wabo. Het gaat om
nieuwbouw en om verbouw en/ of uitbreiding van bestaande gebouwen, maar ook om afwijkingen van het bestemmingsplan als het gaat om functiewijzigingen. Het doel van dit beleid is dat initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten op eigen terrein voorzien in parkeer-/stallingsruimte voor auto’s, dan wel laadof losruimte, als daartoe behoefte ontstaat ten gevolge van die ruimtelijke activiteiten. Op deze wijze wordt in het bijzonder de parkeerdruk in de openbare ruimte beperkt, en wordt gezorgd voor voldoende plaats voor geparkeerde auto’s bij de diverse voorzieningen en functies. De verantwoordelijkheid voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen wordt primair bij de veroorzaker van de parkeervraag gelegd. De ruimte in Leiden is namelijk schaars en de leefbaarheid van wijken hangt nauw samen met het gebruik van de openbare ruimte. Voor de verschillende zones in Leiden (“binnenstad”, “schil”en “rest’) en de twee subzones (“binnenstad bij station” en “schil bij station”) en de verschillende functies gelden eigen, specifieke normen. Aan de hand van deze normen dient per geval in de concrete situatie te worden bepaald welke parkeerbehoefte ontstaat en in hoeveel parkeer-/stallingsruimte moet worden voorzien. Het Pesthuis ligt in de zone “Binnenstad bij station”.
Bomenverordening en Groene Kaart
In de bomenverodening, vastgesteld door de raad op 11 februari 2016 (RV 15.0103) worden de Groene Kaart, uitvoering van veiligheid houtopstanden, het vergunningstelsel van houtopstanden, kapverbod voor beschermde houtopstand, criteria voor vergunningverlening en het Bomenfonds vastgelegd. Hier rechts een fragment van de Groene Kaart voor het Pesthuis e.o. Er is te zien dat er zowel een beschermde boomstructuur als een beschermd boomgebied ligt en dat er aan de onderzijde een waardevolle boom (een 66-jarige eenstijlige meidoorn, boomnummer 195626) staat. Dit betekent veel voor de bestaande groenstructuren.
Fragment uit Groene Kaart Planologische informatie | Pesthuis Leiden | 43
4.1.4. Conclusie beleid Voor herbestemmingsmogelijkheden van het Pesthuiscompex, is aansluiting gezocht bij rijks-, provincie- en gemeentelijk beleid. Hierbij is met name gekeken naar het vigerende kantoor-, bedrijven-, horeca-, hotel-, detailhandel- en woningbeleid. Veel functies zijn in principe mogelijk in het Pesthuiscomplex, maar er zijn wel voorwaarden aan de schaal, de bijzonderheid (exclusiviteit) en de mate waarin de functie bijdraagt aan levendigheid. In zijn algemeenheid scoren die invullingen het best die een kleinschalig karakter hebben, exclusief zijn en zorgen voor dynamiek. In deze paragraaf wordt per herbestemmingsmogelijkheid de conclusie ten aanzien van het vigerende beleid weergegeven. Op basis van vigerende bestemmingsplan zijn de functies: wonen, hotels, bedrijven, detailhandel niet gewenst (of alleen onder specifieke voorwaarden). Om dergelijke functies mogelijk te maken dient een planologische procedure doorlopen te worden. De functies wonen en maatschappelijke voorzieningen zijn aan specifieke plaatsen binnen de projectlocatie toegewezen. Indien deze functies op andere locaties gewenst zijn dient eveneens een planologische procedure doorlopen te worden.
De (herbestemmings)mogelijkheden die goed aansluiten bij het vigerende beleid zijn: • Kantoor; • Horeca; • Detailhandel (secundaire); • Leisure/recreatie; • Maatschappelijke voorzieningen; Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat het gewenst is dat de functie het Leiden Bio Science Park ondersteunt.
Kantoor
Ondanks dat de provincie ernaar streeft om de leegstand te beperken door plancapaciteit te reduceren en door bestaande leegstaande kantoren te herstructureren of te transformeren zijn er nog mogelijkheden om kantoor vierkante meters toe te voegen. Nieuwe kantoren mogelijkheden doen zich voor op concentratielocaties en op een aantal scienceparken ten behoeve van verdere versterking van de Kennisas, zoals Bio Science Park Leiden-Oegstgeest. Er zijn inzake het Bio Science Park tussen de gemeente Leiden, gemeente Oegstgeest, Universiteit Leiden en provincie Zuid-Holland afspraken gemaakt over branchering. Er wordt onderscheid gemaakt in drie catogorieën (zie vigerend bestemmingsplan). Alleen kantoren die ondersteunend zijn aan deze hoofdfunctie zijn toegestaan, andere kantoorontwikkeling is niet gewenst.
Bedrijven
Leiden Bio Science Park betreft een bedrijventerrein met een concentratie van ondernemingen, onderwijs en kennisinstellingen en organisaties met activiteiten in de life sciences. Op basis van de vigerende beleidsstukken wordt binnen het Bio Science Park een mengeling van functies nagestreefd. Het primaire doel blijft hier echter werken. Dat betekent dat het wenselijk is dat de andere functies in dienst staan van de life sciences bedrijven en kenniscentra. 44 | Pesthuis Leiden
Wonen
De woningbehoefte in Leiden is groot en Leiden wil zich als internationale kennisstad in het bijzonder kenniswerkers/expats en internationale studenten faciliteren. Het Pesthuis e.o. is door de aard van het gebied gekenmerkt door de aanwezigheid van kennis(gerelateerde) bedrijven, door de nabijheid van zowel station en uitvalswegen en door de directe nabijheid van sportvoorzieningen en relatieve nabijheid van het centrum, zeer geschikt voor deze doelgroepen.
Detailhandel
Het vestigen van nieuwe detailhandel dient respectievelijk voornamelijk binnen de bestaande winkelstructuur en op aangewezen locaties plaats te vinden. Het gemeentelijk beleid is gericht op clustering. Leiden Bio Science Park behoort niet tot de detailhandelstructuur van Leiden. Wel wordt het beschouwd als een secundaire aankooplocatie, ondergeschikt aan een de activiteit werken, waardoor ondersteunende detailhandel mogelijk is binnen het Pesthuiscomplex. Een klein programma retail past bij deze locatie.
Recreatie/Leisure
Het toerisme van Leiden is vooral geënt op het bieden van culturele voorzieningen zoals musea, schouwburg, monumentenzorg en archeologie, theater, universiteit en cursusinstituten. Deze toeristische centra zijn veelal in de Leidse binnenstad gelegen. Het Bio Science Park behoort hier niet toe. Aangezien het Bio Science Park redelijk dicht bij de binnenstad is gelegen biedt leisure dat gericht is life sciences wel kansen. Maatschappelijke voorzieningen passen binnen het projectgebied zijn in het vigerende bestemmingsplan binnen het projectgebied reeds toegestaan.