CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210089 Bijlage 1 Toelichting en regels vaststelling bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Gemeenteraad 9 november 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen30.230 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.3.4.2 Onderzoeksresultaten Het initiatief voorziet in de bouw van extra woningen. Zowel de beleidsvisie Wonen Leidse Regio 2002 als de Nota Wonen 2020 hebben beiden als belangrijk uitgangspunt dat er veel woningen binnenstedelijk dienen te worden gerealiseerd in de toekomst. Hierdoor wordt de balans tussen vraag en aanbod beter, alsmede het aanbod woningen die niet op de particuliere markt terecht kunnen. De realisatie van het aantal en type woningen dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt draagt bij aan deze kernopgaven.

3.3.5

Duurzaamheidsbeleid

3.3.5.1 Beleidskader Warmtevisie Op 12 september 2017 is de Leidse Warmtevisie vastgesteld (RV 17.0072) door de gemeenteraad. Het doel van de Leidse Warmtevisie is om in 2050 een aardgasvrije stad te zijn. De Leidse Warmtevisie toont aan dat de opgave om alle Leidse huizen in 2050 niet meer met aardgas te verwarmen enorm is. Ongeveer 50.000 huizen moeten in 33 jaar anders verwarmd gaan worden. Dit zijn er gemiddeld 1.500 per jaar. Het doel in de warmtevisie is drieledig de komende jaren moeten er meer huizen aangesloten worden op het warmtenet in wijken waar het uitbreiden van het warmtenet wat complexer is kan gekozen worden voor geheel elektrische verwarming; voor de huizen die (nog) niet op het warmtenet kunnen worden op het warmtenet, geldt dat er in ieder geval flink geïsoleerd moeten worden zodat deze gebruik kunnen maken bij bijvoorbeeld een warmtepomp. Er wordt gestart in de wijken waar op dit moment de kans van slagen het grootst is, mede omdat daar ook de verstedelijkingsopgave een rol gaat spelen. In de warmtevisie zijn zes prioritaire wijken aangewezen, met als doel om daar in 2035 al aardgasvrij te zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Leiden Zuidwest; Merenwijk; De Kooi/Noorderkwartier; Bio Science Park/Stationsgebied; De Mors/Slaaghwijk; Stevenshof.

Leiden Duurzaam 2030 In het ambitiedocument Leiden Duurzaam 2030 (RV. 150105) is de lange termijn visie op wat duurzaamheid voor Leiden betekent vastgelegd. Voor Leiden zijn dit zestien concrete doelstellingen voor de periode 2016-2020. Deze ambities zijn in samenspraak met

32

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

organisaties, groepen en personen in de stad geformuleerd. In 2030 moet het stedelijk systeem zo ingericht zijn dat; het een bijdrage levert aan het terugdringen van de factoren die het leven van huidige en toekomstige generaties belasten, te weten: de CO2-uitstoot, de uitputting van grondstoffen, bodem en drinkwater, de vervuiling van lucht en water, de achteruitgang van de biodiversiteit en het produceren van (rest)afval. het is toegerust op de mogelijk effecten van het veranderende klimaat. Duurzaamheidsagenda 2016-2020 Om de ambities uit Leiden Duurzaam 2030 te bereiken is de duurzaamheidsagenda 2016-2020 opgesteld. Deze duurzaamheidsagenda volgt de duurzaamheidsagenda van 2011 2014 op. In deze duurzaamheidsagenda zijn voor zes thema's prioriteiten geformuleerd; 1. 2. 3. 4. 5. 6.

energie (energiebesparing en benutting van duurzame energie); duurzaam ondernemen; biodiversiteit; afvalstromen; mobiliteit; klimaatadaptatie.

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de ambities geformuleerd in Leiden Duurzaam 2030. Aan de hand van de duurzaamheidsagenda 2016-2020 kan een prioritering gemaakt worden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

3.3.5.2 Onderzoeksresultaten De nieuwe woningen worden allen energieneutraal (en gasloos) uitgevoerd, EPC = 0. Om deze doelstelling te behalen wordt o.a. een warmtepomp (luchtwarmtepomp bij de grondgebonden woningen en een collectieve water- of luchtwarmtepomp bij de appartementen) gebruikt en zullen zonnepanelen worden geplaatst op de daken. Voor de invulling van de gevel zal o.a. deels gebruik worden gemaakt van verduurzaamd hout. Dit zorgt voor zowel een verwijzing naar de houthandel alsmede een duurzame architectonische uitstraling. Het hemel- en rioolwater wordt gescheiden opgevangen, waarbij het hemelwater direct op de Rijn wordt geloosd, zodat het (schoonwater)riool niet onnodig extra wordt belast. Met het oog op wateroverlast en hittestress wordt de openbare ruimte rondom de woningen zo groen mogelijk ingericht en worden waar mogelijk groenbakken geplaatst. Onderzocht wordt of op het dak van het appartementencomplex naast zonnepanelen ook ruimte is voor een mossedumdak. De materialen van de bestaande loods, inclusief fundering, worden waar mogelijk zoveel mogelijk hergebruikt. En de opbouw van de loods wordt waar mogelijk verwerkt in de nieuwbouwloods in Oegstgeest en/of in de nieuw te ontwikkelen woningen.

Convenant klimaatadaptief bouwen In het convenant zijn vier onderwerpen aangegeven waar informatie wordt gegeven over adaptief bouwen om woningen klimaatbestendig te ontwikkelen. In de Leidraad 'Het stappenplan' wordt een uitleg gegeven over zes thema's met betrekking tot het klimaat. Onder deze thema's vallen; Wateroverlast; Droogte; Hittestress; Bodemdaling; Biodiversiteit; Overstromingen.

33

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Eveneens is er een Programma van Eisen opgesteld waaraan een ruimtelijk project minimaal aan moet voldoen, toegespitst op de zes klimaatthema's. De focus vanuit wateroverlast ligt op het voorkomen van hiervan, dat wil zeggen hevige neerslag lokaal vasthouden en bebouwing en voorzieningen beschermen tegen hevige neerslag. Voor droogte ligt de nadruk vooral op het voorkomen van schade aan houten funderingen, schade aan begroeiing, extra bodemdaling en een slechte waterkwaliteit. Er dient rekening gehouden te worden met droogte en aanvulling van grondwater. Hittestress betekent dat de stedelijke omgeving meer op warmt dan het buitengebied. Dit is voornamelijk in de avond en nacht merkbaar. De geformuleerde eisen voor hittestress hebben tot doel om koelere plekken te creëren en het opwarmen van het stedelijk gebied tegen te gaan. Temperatuur regulatie in gebouwen zelf is hierin niet meegenomen. Doordat er minder water aanwezig is in de bodem verzakt de bodem. Dit heeft consequenties voor het waterbeheer en funderingen van huizen (scheuren in huizen door de verzakking). De geformuleerde eis voor bodemdaling betreft het in beeld brengen van alle kosten en op het gebruik maken van beschikbare technieken om schade door bodemdaling in de toekomst te voorkomen. Door het intensieve ruimtegebruik en het veranderende klimaat neemt de biodiversiteit af.

De eis voor dit klimaatthema is gericht op het terugbrengen van biodiversiteit in de gebouwde omgeving door het ontwikkelen van geschikte habitats. Voor de versterking van dit netwerk is het van belang om aan te sluiten op de bestaande groenblauwe structuren en dat deze ontwikkelingen passen bij de mogelijkheden van de bebouwing. De veiligheid tegen overstromingen is in West-Nederland vooral gericht op de sterkte en hoogte van waterkeringen. De eisen gericht op overstromingen richten zich vooral op het doelmatig robuust maken van het gebied in verschillende scenario's met overstromingsdiepten. Het uitgangspunt is een gemiddelde waterdiepte die op zou treden in het gebied voordat de nieuwbouw plaatsvindt. Urban Greenblue Grids Urban Greenblue Grids is een website gericht op klimaatverandering en klimaatadaptatie. Het streeft naar zogenoemde 'resilient cities', in het Nederlands vertaald wil dit zeggen de capaciteit van een stad om terug te gaan naar originele staat. Dit wil zeggen dat, wanneer er een ramp heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld een storm), dat de getroffenen en de stad in staat zijn om terug te gaan naar de situatie zoals deze was voor de ramp.

Urban Greenblue Grids geeft uitleg over de thema's water, hitte, biodiverisiteit, stedelijke lanbouw, luchtkwaliteit, energie, sociale en economische belang en het proces om succesvolle klimaatadaptieve projecten te realiseren. Ook geeft de website 214 oplossingen voor problemen die door klimaatverandering worden veroorzaakt. Eveneens worden er voorbeelden van klimaatadaptieve- en klimaatmitigerende projecten welke reeds ontwikkeld zijn in de gebouwde omgeving uitgelicht. Volgens Urban greenblue Grids zijn districten een perfecte grootte waarin stedelijke kringlopen gesloten gemaakt kunnen worden. De afvalwarmte van een bedrijf kan gebruikt worden voor warmte en regenwater kan worden gebufferd en de aantrekkelijkheid van een wijk vergroten. Afvalwater kan worden gezuiverd en aan het wijkwater worden toegevoegd. Deze manier van circulair ontwikkelen is ook mogelijk op gebouwniveau waarbij gebouwen zo worden ontworpen dat het zelfvoorzienend is in de productie van duurzame energie en klimaatadaptatie.

34

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Hoofdstuk 4 4.1

Archeologie

4.1.1

Beleidskader

Omgevingsaspecten

4.1.1.1 Nationaal beleid De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.

4.1.1.2 Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het projectgebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de Visie op Zuid-Holland.

35

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.1.1.3 Gemeentelijk beleid Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed, vastgesteld door de raad op 20 december 2005 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. De Leidse bodem is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan gebieden met archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de plankaart binnen de aanduiding “Waarde – Archeologie 1” tot en met “Waarde – Archeologie 7”. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een aanlegvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan, met uitzondering van Waarde – Archeologie 1, daarvoor geldt de vergunningplicht. Initiatiefnemers dienen bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen. Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn vastgesteld.

Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten. Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor vergunninghoudende bedrijven of instanties.

4.1.2

Onderzoeksresultaten

De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. In het geldende bestemmingsplan is voor het plangebied de dubbelbestemming "Waarde Archeologie 8" opgenomen ten behoeve van het behouden van eventuele archeologie in de bodem. Binnen deze dubbelbestemming moet archeologisch onderzoek plaatsvinden wanneer bodemingrepen worden verricht die groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Deze grens zal met dit plan overschreden worden. Een archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Op dit moment is het plangebied echter geheel verhard. Een archeologisch onderzoek waarbij rondom de bestaande bebouwing wordt geboord is niet zinvol en representatief. Bureauonderzoek Er is door Aeres Milieu een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 9. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en resultaten beschreven.

36

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Op basis van het bureauonderzoek wordt duidelijk dat het plangebied in een dynamisch gebied ligt. In de ondergrond van het plangebied worden er afzettingen van het estuarium van de Oude Rijn en een gestapeld landschap verwacht. Het plangebied ligt op een middelhoge oeverwal, direct aan de huidige loop van de Rijn. Binnen het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend. In de omgeving van het plangebied bekende vindplaatsen wijzen op intensieve bewoning van het gebied vanaf de bronstijd. Uit bestudering van historisch kaartmateriaal blijkt dat direct ten oosten van het plangebied begin 19e eeuw een stellingsmolen (d’Heesterboom) staat. Deze molen werd gebouwd ten behoeve van de aanwezige houtzagerij Noordman. Sinds tenminste 1663 was direct nabij de molen "de Ruyter" met een houtwerkplaats aanwezig. Deze werd in 1697 circa 100 meter verplaatst naar de huidige locatie. Op basis van historische kaarten blijkt dat sinds tenminste het begin van de 19e eeuw bebouwing aanwezig is binnen het plangebied. Het zal hier gaan om de voorlopers van de omstreeks 1925 gebouwde houtloods. Als gevolg van de bebouwing in het plangebied zal het ophoogpakket ter hoogte van de huidige bebouwing tot onbekende diepte verstoord zijn. Hieronder worden oeverafzettingen van de Oude Rijn/ Rijn met daaronder veen en estuariene afzettingen verwacht.

De oorspronkelijke bodem is mogelijk onder het ophoogpakket nog intact, omdat de meeste recent ingrepen vermoedelijk alleen in het ophoogpakket zijn uitgevoerd. Ten tijde van het opstellen van dit rapport is de diepte van de toekomstige bodemverstoring binnen het plangebied niet bekend. Er wordt vooralsnog uitgegaan van een standaard funderingsdiepte van tenminste 0,8 - 1,0 meter beneden maaiveld. Uit archeologische onderzoeken in de nabije omgeving van het plangebied blijkt dat het recente ophoogpakket meer dan 1 meter dik is. Echter het is niet bekend hoe dik dit recent ophoogpakket in het plangebied is. Wegens het ontbreken van informatie over de dikte van het recent ophoogpakket ter hoogte van het plangebied kunnen de voorgenomen graafwerkzaamheden een negatieve impact hebben op het potentiële archeologische niveau en kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Conclusie en vervolg Omwille van bovenstaande informatie wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit kan plaatsvinden in de vorm van een verkennend booronderzoek om de intactheid van de bodem en de diepteligging van potentiële archeologische niveaus vast te stellen. Hierbij zal dan ook duidelijk worden of bodemopbouw onder het ophoogpakket intact of verstoord zijn. In dit bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming gehandhaafd.

In het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen zal er voorafgaand aan de bouw (en na de sloop) een archeologisch booronderzoek plaatsvinden.

4.2

Cultuurhistorie

37

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.2.1

Beleidskader

4.2.1.1 Nationaal beleid Erfgoedwet (2016) Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich een of meer monumenten bevinden. De wet verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied. De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf monumenten aan te wijzen. Modernisering Monumentenzorg In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming.

De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt. Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed. Besluit Ruimtelijke Ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wro. In het Bro is onder meer vastgelegd dat gemeenten rekening moeten houden met cultuurhistorie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten onderzoek moeten doen naar de cultuurhistorische waarden van een bestemmingsplangebied. Het gaat om een integrale beschouwing van cultuurhistorie: een combinatie van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap.

4.2.1.2 Provinciaal beleid Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte In de Visie Ruimte en Mobiliteit van de provincie Zuid-Holland is het behoud van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) als provinciaal belang omschreven. Voor een viertal categorien binnen dit erfgoed zijn beschermde regels opgenomen. Voor Leiden zijn van belang de regels betreffende molenbiotopen, landgoedbiotopen, archeologie en de Romeinse Limes als Unesco werelderfgoed in procedure. Gemeentelijke plannen moeten hier aan voldoen

4.2.1.3 Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Erfgoednota van de stad: Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota.

38

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Visie en ambitie: De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties. Inbedding cultuurhistorie in ruimtelijke ordening: Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed wordt opgenomen. Leiden continueert de aandacht voor cultuurhistorie in het bestemmingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken - uitgebreider en specifieker dan voorheen - deel uit van het bestemmingsplan.

Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld. Uitgangspunt is; beschermen wat beschermenswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie. Herbestemming: Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren bestemmingsplannen qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming. Erfgoedverordening Leiden De gemeente Leiden hanteert de Erfgoedverordening Leiden. Op 7 november 2017 is deze verordening vastgesteld en is op 23 november 2017 in werking getreden ter vervanging van de Monumentenverordening 2008. In de Erfgoedverordening wordt onder meer geregeld de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten en gemeentelijk beschermd stadsgezicht. De nieuwe verordening maakt ook de aanwijzing van gemeentelijke (roerende) cultuurgoederen mogelijk. De Erfgoedverordening bevat een aantal aanpassingen die mede zijn gebaseerd op de nieuwe Erfgoedwet, zoals de instandhoudingsplicht voor gemeentelijke monumenten.

Monumentenverordening en monumentenlijst (2009) De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Erfgoedwet en de gemeentelijke verordening. Karakteristieke panden Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van de karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit en de historische structuur van de stad door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. Daartoe is een driedeling gemaakt in de gebruikte aanduiding. Karakteristiek 1: Historische panden buiten een beschermd stadsgezicht die van belang zijn voor het straatbeeld. Hiervan zijn alleen de vanaf de openbare ruimte zichtbare gevels en dakvlakken beschermd tegen ingrepen die de beeldkwaliteit aantasten. Van belang zijn hierbij de hoofdvorm, gevel- of dakvlakindeling, gevel of-dakvlakdetaillering en materiaaluitdrukking.

39

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Karakteristiek 2: historische panden binnen een beschermd stadsgezicht die van belang zijn voor het straatbeeld en voor de structuur van het beschermd stadsgezicht. Daarmee wordt beoogd om naast het straatbeeld ook de ruimte binnen een bouwblok te beschermen tegen ingrepen die de ruimtelijke kwaliteit en de structuur ervan kunnen aantasten. Dit om te voorkomen dat een beschermd stadsgezicht wordt gereduceerd tot een coulisse langs de straten. Van belang zijn de hoofdvorm, gevel-of dakvlakindeling, gevel-of dakvlakdetaillering en materiaaluitdrukking van het gehele pand. Karakteristiek 3: historische panden zowel binnen als buiten een beschermd stadsgezicht die van belang zijn vanwege de bouwhistorische waarden. Daarmee wordt beoogd belangrijke bouwhistorische waarden te beschermen en te voorkomen dat, in geval van verwijdering, dit zonder deugdelijke documentatie geschiedt waarmee een belangrijke kennisbron over de ontwikkelingsgeschiedenis van de gebouwde stad ongezien wordt vernietigd. De bescherming richt zich op de bouwkundige onderdelen (zowel intern als extern) van het pand zoals bijvoorbeeld wanden, balklagen, trappen, kelders en kappen.

4.2.2

Onderzoeksresultaten

4.2.2.1 Cultuurhistorische paragraaf De Heesterboom is een rijksmonument en aangemerkt als zgn. top-100 monument. Daarmee is de zeldzaamheid en uitzonderlijke cultuurhistorische waarde van de molen benadrukt. Als nog complete en functionerende houtzaagmolen is het rijksmonument van nationaal en Europees belang. Het voortbestaan van de molen is afhankelijk van de mogelijkheid te kunnen draaien en zagen. Belemmering van de windvang moet dan ook beperkt blijven en de goede bereikbaarheid over het water dient in stand te blijven. De molen is onderdeel van een complex bestaande uit de molen en twee houtloodsen, beide eveneens rijksmonument. De huidige grote loods ter plaatse van de voorziene woningbouw dateert uit 1990-91 en vertegenwoordigt een beperkte cultuurhistorische waarde. De omgeving van de molen is van belang voor de beleving van de molen. Aan de noordwestzijde is de ligging aan de Rijn van grote cultuurhistorische waarde. De landzijde is door woningbouw en de aanleg van wegen en de Churchillbrug sterk gewijzigd. Het is daarom van belang dat de herontwikkeling van de locatie van de loods aansluit bij het industriële verleden van de locatie om te voorkomen dat de molen vervreemd raakt van zijn omgeving en om beleefbaar te houden dat deze ooit deel was van een omvangrijk complex.

4.2.2.2 Beschermd stads- of dorpsgezicht Het plangebied ligt niet binnen schermd stads- of dorpsgezicht.

4.2.2.3 Molenbiotoop Het plangebied ligt binnen een molenbiotoop, namelijk de molenbiotoop van de molen De Heesterboom. Het plangebied ligt op kortere afstand dan 100 meter van deze molen. In het geldende bestemmingsplan zijn regels opgenomen voor gebouwen die binnen deze 100 meter gebouwd worden. Er wordt beschreven dat geen nieuwe bebouwing mag worden opgericht of beplanting aanwezig mag zijn die hoger is dan de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen. In dit geval krijgen de gebouwen een hoogte van maximaal 10,4 meter. Hiermee wordt voldaan aan de regels rondom de molenbiotoop.

40

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Figuur 4.1: Kaart molenbiotopen nabij plangebied (rode pijl)

4.2.2.4 Rijksmonumenten In de nabije omgeving van het plangebied liggen, buiten de molen en beide loodsen, geen overige Rijksmonumenten. De dichtstbijzijnde Rijksmonumenten liggen aan de Haagweg 79, 81, 77, 59, 57 en 51. Het plan heeft hier gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand, geen invloed op. Voor de invloed van het plan op de molen wordt verwezen naar het kopje 'molenbiotoop'.

4.2.2.5 Gemeentelijke monumenten Aan de Haagweg in Leiden bevinden zich 3 gemeentelijke monumenten: een schoolgebouw aan de Haagweg 2-4, een Staatsspoorbrug aan de Haagweg 11 en een landhuis aan de Haagweg 49. Het plan heeft hier gezien de afstand geen invloed op.

4.2.2.6 Karakteristieke panden In of nabij het plangebied zijn geen karakteristieke panden aanwezig.

41

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.3

Ecologie

4.3.1

Beleidskader

4.3.1.1 Nationaal beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming.

Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet".

De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende

42

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: a. A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. b. die streng beschermd zijn Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. waarvoor maatregelen moeten worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is.In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'.

Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.

43

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor de groep 'Andere soorten', waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland heeft deze verordening op 9 november 2016 vastgesteld. Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving zal uitgevoerd gaan worden door de provincies. Belangrijke procedurele wijziging hierbij is, dat wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de beschermde soorten vanaf de inwerkingtreding van de wet daarbij mogen aanhaken. Dat wil zeggen dat de indiener mag kiezen of hij zijn ontheffing direct bij de provincie aanvraagt, of dat hij dat doet door aan te haken bij de omgevingsvergunning. In het laatste geval moet de gemeente dan een volledigheidstoets uitvoeren. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure, en is er een wettelijke beslistermijn van maximaal 26 weken.

Wanneer een ontheffing bij de provincie aangevraagd wordt waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is deze termijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging. Visie Natuurlijke leefomgeving Binnen het Hart van Holland is de nota 'Basis in Balans' opgesteld, die in 2020 door het college is vastgesteld. In dit besluit zijn vier leidende principes uit de visie overgenomen voor Leiden: a. Werk aan een klimaatrobuuste inrichting van het landschap en de openbare ruimte, b. Zorg voor een gevarieerde mix van biodiversiteit tot in de haarvaten van de regio, c. Behoud en versterk het landschap als framework voor de stad, d. Maak het gehele gebied bereikbaar en beleefbaar voor de recreant. De Haagweg is niet specifiek uitgewerkt in de nota.

44

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.3.1.3 Gemeentelijk beleid Bomenverordening 2018 De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen. De actuele Bomenverordening is begin 2016 in werking getreden. Nota versterken en verbinden van groen Leiden De Nota versterken en verbinden van groen Leiden is in 2013 vastgesteld. In de nota worden doelstellingen geformuleerd om het spaarzame groen in Leiden goed te verbinden en door te ontwikkelen naar een samenhangend groen netwerk in de stad. Op deze manier wordt ruimte geboden aan flora en fauna en wordt bovendien de relatie met het buitengebied geoptimaliseerd. In 2018 is de Nota 'Versterken en verbinden van groen' uitgewerkt in het uitvoeringsplan groene hoofdstructuur. In dit plan wordt concreet invulling gegeven aan de doelstellingen uit de nota die in 2030 moeten zijn gerealiseerd. De Haagweg is in het uitwerkingsplan opgenomen als laan. Het uitwerkingsplan wordt in 2022 en 2028 geëvalueerd. De groene kansenkaart In de groene kansenkaart (2019) worden ook buiten de groene hoofdstructuur buurtstraten en -pleinen vergroend.

Om verdichten en vergroenen in een beperkte ruimte hand in hand te laten gaan, zijn drie vergroeningsstrategieen uitgewerkt: a. het versterken van de ecologische waarde, b. vergroenen van tuinen en daken, c. compact vergroenen. De Haagweg is in de Groene kansenkaart opgenomen onder de eerste strategie, het versterken van de ecologische waarde, waarbij de zone langs het spoor is aangegeven als ecologisch waardevolle berm. Uitvoeringsprogramme klimaatadaptatie en biodivers vergroenen (2020) In het uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie en biodivers vergroenen (2020) zijn de ambities uit het collegeakkoord 2018 vertaald naar een uitvoeringsprogramma dat loopt tot en met 2022. In het uitvoeringsprogramma speelt Leiden in op klimaatverandering en het versterken van de stadsnatuur. De Haagweg is niet specifiek benoemd in het uitvoeringsprogramma.

45

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.3.2

Onderzoeksresultaten

Quickscan flora en fauna, november 2018 In november 2018 is door Bureau Waardenburg bv een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd in het plangebied. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 1. Hieronder wordt de conclusie beschreven: Het voorkomen van huismus in de loods van Houthandel Noordman kan op basis van de quick scan niet worden uitgesloten. Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient mogelijk rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van huismussen om negatieve effecten - en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb - te voorkomen. Om uitsluitsel te kunnen geven over de aanwezigheid van huismussen is nader onderzoek nodig in het voorjaar (tussen 1 april en 15 mei). De loods heeft geen betekenis voor andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Effecten op deze soorten zijn dan ook uitgesloten. Huismussenonderzoek, mei 2019 De opdrachtgever heeft Bureau Waardenburg naar aanleiding van de uitkomsten van een quick scan uit november 2018 (Derriks & de Boer, 2018) gevraagd om nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van huismussen in het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Hieronder worden de conclusies beschreven: Het plangebied is niet van betekenis voor huismussen. Tijdens het onderzoek zijn geen huismussen aangetroffen op of in het gebouw.

Het plangebied is matig geschikt als broedlocatie voor huismus. Geschiktere alternatieven zijn in de directe omgeving aanwezig. Rondom het plangebied broeden zeer waarschijnlijk ca. 5-10 broedparen. Actualisatie quickscan, april 2020 Bureau Waardenburg heeft op basis van een actualiserend veldonderzoek (d.d. 8 april 2020) en bronnenonderzoek de effecten van de sloop van de huidige loods en het bouwrijp maken van het terrein op beschermde soorten beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Dit dient als actualisatie op de eerdere quiskcan en het huismussenonderzoek. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Hieronder wordt de conclusie beschreven: De loods heeft geen betekenis voor beschermde soorten (waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt). Effecten op deze soorten zijn voor nu uitgesloten. De constructie van de loods is zodanig dat er geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen in zitten. De ruimtes tussen de bouwstenen zijn bij het veldbezoek te klein bevonden om als verblijfplaats voor vleermuizen te kunnen dienen. Er zijn geen spouwmuren aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen uitwerpselen aangetroffen. Op het terrein staan geen bomen met holtes die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen.

Het plangebied heeft verder door zijn aard (verhard, bebouwd, geen opgaande beplanting) geen wezenlijke betekenis als foerageergebied of als onderdeel van een trekroute voor vleermuizen. De naastgelegen rivier de Rijn word gezien als een gebied waarover meervleermuizen en andere soorten vleermuizen vliegen. Effecten van de sloop en bouw van de gebouwen op deze vleermuizen zijn uit te sluiten. Wel zijn vleermuizen lichtgevoelige soorten. Het is daarom noodzaak om zo veel mogelijk schijnend licht richting de Rijn te vermijden. Dit licht wordt voornamelijk veroorzaakt middels schijnende koplampen. In het ontwerp worden de parkeerplaatsen die gerealiseerd worden afgeschermd via de toekomstige bebouwing. De auto's die parkeren op de haaksparkeerplekken zullen dus niet voor lichthinder zorgen bij deze vleermuizen. Er is daarom geen sprake van verstoring.

46

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Wel zouden vogels kunnen gaan broeden in de loods. Struweelvogels als heggenmus en winterkoning kunnen gaan broeden in de begroeiing. Een dag / enkele dagen vóór de sloop is een korte broedvogelcontrole nodig om uit te sluiten dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden. Stikstofdepositieonderzoek De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, 'Meijendel & Berkheide' en 'De Wilck' bevinden zich respectievelijk op 5 en 6 kilometer van het projectgebied. Het Natura 2000-gebied 'De Wilck' wordt niet gezien als 'stikstofgevoelig' aangezien hier geen stikstofgevoelige habitattypen aanwezig zijn (bron: AERIUS-calcultator en www.bij12.nl). Indien er sprake zou zijn van een effect op het gebied 'Meijendel & Berkheide', betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 20 woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd.

Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen zijn de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase opgenomen, zie hiervoor bijlage 5. Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken staat het aspect ecologie de uitvoering van het voorgenomen bouwplan niet in de weg. Wel zullen de benoemde maatregelen en aanbevelingen in de onderzoeken in acht moeten worden genomen. Daarbij dient bij de definitieve uitvoering uiteraard rekening te worden gehouden met het broedseizoen en de zorgplicht.

4.4

Kabels en leidingen

In de omgeving van het plangebied lopen geen hoogspanningskabels. Buisleidingen die van invloed zijn op de externe veiligheid worden behandeld in paragraaf 4.5.3. Onder de nieuwbouw is geen sprake van planologisch relevante kabels en leidingen. Tussen de nieuwbouw en de Haagweg loopt een gasleiding onder de grond. Het is niet toegestaan om hierop te bouwen. Er worden met dit plan dan ook geen gebouwen of bouwwerken mogelijk gemaakt boven deze leiding. Er zijn geen belemmeringen vanuit kabels en leidingen.

4.5

Milieu

4.5.1

Bedrijven en milieuzonering

4.5.1.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de beoogde ontwikkeling en of ter plaatse gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de 'Handreiking Bedrijven en milieuzonering' (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimale gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere

47

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worde toegepast. Milieucategorie Richtafstand woongebied in meters Richtafstand gemengd gebied in meters 1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

48

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.5.1.2 Onderzoeksresultaten In figuur 4.2 zijn de bedrijven en functies in de omgeving van het plangebied in kaart weergegeven. Hierop is te zien dat ten noorden en zuiden van het plangebied enkele gemengde bestemmingen liggen. Hierbinnen zijn bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. De gemengde bestemming aan de Haagweg 81 kent daarnaast een horeca-aanduiding. Hier is ook een restaurant toegestaan (milieucategorie 1). De richtafstand van de gemengde bestemmingen tot milieugevoelige objecten (zoals woningen) bedraagt 10 meter. De richtafstand kan namelijk met 1 trap worden verlaagd gezien de ligging in een "gemengd gebied". De woningen liggen op grotere afstand dan 10 meter van deze bestemmingen. Ook is het terras van restaurant Woods gelegen aan de noordoost zijde van het gebouw. Door deze ligging verplaatst het geluid zich ook in noordoostelijke richting, weg van de geplande nieuwbouwwoningen. Eveneens is er in het ruimtelijk plan voorzien in een gevel zonder openingen. Mede door deze gevel wordt geluid tegen gehouden wat mogelijk afkomstig is van restaurant Woods. Voor de beoogde woningen is niet te verwachten dat er geluidshinder ontstaat door ligging van het restaurant. Ook zal de ontwikkeling geen belemmerende werking hebben op de bedrijfsvoering van restaurant Woods. De molen kent een bedrijfsbestemming.

Hierbinnen zijn ook bedrijven tot milieucategorie 2 toegestaan. De molen ligt op meer dan 10 meter afstand tot de toekomstige woningen. De woningen liggen dus buiten de richtafstand van de molen. Ondanks deze afstand zijn er in het ruimtelijk plan ook maatregelen genomen om geluidshinder te voorkomen. Zo krijgen de gevels aan de noord oostzijde een geluidswerende gevel (zonder openingen), zodat geluid vanwege de molen wordt beperkt. Ook is de positie van de molen gunstig. Doordat deze ten noorden van het plangebied geplaatst is zal het geluid dat van de molen komt in de meeste gevallen, gelet ook op de meest voorkomende windrichtingen in Nederland, in oostelijk danwel westelijke richting gaan, weg van de locatie van het voorgestelde plan. Mede hierdoor en de geluidswerende gevels, zal geluid afkomstig van de molen geen effect hebben op het voorgestelde ruimtelijke plan. Ten oosten van het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming. Deze is opgenomen voor de moskee die hier staat. Een moskee wordt gezien als "kerkgebouw" in de VNG brochure met richtafstanden. Hiervoor geldt milieucategorie 2 en dus een richtafstand van 10 meter (gezien ligging gemengd gebied). Hieraan wordt ruim voldaan. Daarnaast liggen de relevante geluidsbronnen van de moskee (ingang en minaret) niet aan de zijde van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

Het geluid uit de marinet luidt daarnaast maar op enkele momenten in de week. Ook zal er 's-nachts geen geluid vanuit de moskee ontstaan. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een industrieterrein (aan de overzijde van de Rijn). In het bestemmingsplan is voor dit industrieterrein een geluidszone opgenomen. Zoals te zien is in figuur 4.2 reikt deze geluidszone tot aan een klein deel van het bestemmingsvlak 'wonen' (inclusief de ligging van het bouwvlak voor grondgebonden woningen) en de toekomstige steiger. De toekomstige woningen zijn echter voorzien van geluidswerende gevels waardoor het effect van geluiden van buitenaf worden tegen gehouden. Hierdoor zal er geen geluidshinder optreden van het industrieterrein gezien de uiterst kleine overschrijding binnen het bouwvlak (circa 60cm) waarvan een deel van deze ruimte in beslag wordt genomen door een muur. In een akoestisch onderzoek die wordt behandeld in paragraaf 4.5.4. is hier nader aandacht aan besteed. Voorheen maakte de vrijwilligers van de molen gebruik van het Noordmanterrein voor de opslag van hout en om te vergaderen. Door de verdwijning van het bedrijf is een molenaarshuisje in het bestemmingsplan meegenomen. Het 'molenaarshuisje' heeft in dit bestemmingsplan een bedrijfsbestemming gekregen.

Binnen deze bestemming is enkel bedrijfsmatige opslag van hout en bedrijfsgebonden niet-zelfstandige kantoorruimte toegestaan (milieucategorie 2), met dien verstande dat dit gebruik uitsluitend is bedoeld ten

49

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

dienste van de naastgelegen molen De Heesterboom. Omliggende milieugevoelige objecten liggen niet binnen de richtafstand van dit gebouw. Conclusie Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. Daarnaast belemmeren de woningen omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden.

Figuur 4.2: Bedrijven en functies in de omgeving

50

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.5.2

Bodem

4.5.2.1 Beleidskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functie wijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel sanering noodzakelijk is. In de wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.5.2.2 Onderzoeksresultaten Op de locatie Haagweg 89 te Leiden is door SGS Search een verkennend bodemonderzoek verricht, gebaseerd op de NEN5740/A1 van het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI; februari 2016). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Op de locatie zijn in totaal vijftien boringen geplaatst. Twaalf hiervan kennen een diepte variërend tussen 0,3 tot 1,5 m-mv, twee boringen tot een diepte van 2,0 m-mv en een boring met een peilbuis tot 2,5 m-mv. Eveneens zijn er twee grondmengmonsters van de bovengrond en een grondmengmonster van de ondergrond onderzocht op het NEN-grondpakket. Het grondwater is volgens het NEN-grondwaterpakket geanalyseerd. Verder is er een indicatief mengmonster samengesteld en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest op basis van de NEN5898 met een voor behandeling volgens AP04. In de zintuiglijk verontreinigde bovengrond (MM01, boringnummers 04, 07, 13, 14, bijmengen met baksteen) wordt lood matig verhoogd aangetroffen en worden er licht verhoogde parameters van kwik en PAK aangetroffen. Om uit te sluiten dat er op deze locaties plaatselijk sterke verontreiniging voor komt, wordt er geadviseerd om de monsters uit te splitsen en de monsters individueel te laten onderzoeken op de aanwezigheid van lood.

Op basis van deze aanvullende analyses kan worden vastgesteld of er sprake is van een uitbijter of dat er sprake is van een locatie met sterke verontreiniging. De zintuiglijk schone bovengrond is licht verontreinigd met lood, terwijl de zintuiglijk verontreinigde ondergrond maximaal licht verontreinigd is met PAK, lood en kwik. Deze verontreiniging in de boven- en ondergrond is waarschijnlijk veroorzaakt door antropogene belasting. Licht verhoogde gehaltes aan Molybdeen en barium zijn gemeten in het grondwater. Uit de indicatief genomen grondmengsel blijkt dat er indicatief geen asbest aanwezig is op de locatie Haagweg 89 te Leiden. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “verdachte locatie” strikt genomen juist is. Middels een aanvullend onderzoek moet worden onderzocht in welke mate de bovengrond is verontreinigd met lood. Indien er sprake is van een sterke verontreiniging met lood, zijn mogelijk sanerende maatregelen noodzakelijk. Conclusie en vervolg In verband met de nog aanwezige verharding in het plangebied is nader onderzoek momenteel niet mogelijk. Om die reden zal het onderzoek na de sloop plaatsvinden bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Om te garanderen dat dergelijk onderzoek wel plaatsvindt voordat er feitelijk zogeheten 'gevoelige' bestemmingen worden toegestaan (Wonen) is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

51

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Er is nog niet met zekerheid vast te stellen of het aspect bodem al dan niet een belemmering vormt voor de ontwikkeling van de woningen. De ontwikkelaar is op de hoogte van de bodemgesteldheid en het feit dat er wellicht gesaneerd moet worden. De ontwikkelaar heeft dan ook in zijn plannen hiermee (financieel) rekening gehouden, waardoor de gemeente ook niet twijfelt aan de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan.

4.5.3

Externe veiligheid

4.5.3.1 Beleidskader Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen door bedrijven, het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen, spoorwegen en door buisleidingen en het gebruik van luchthavens. Het wettelijk kader voor risicovolle bedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Het beleid voor buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het aspect externe veiligheid geldt een norm voor het plaatsgebonden risico1 (PR) en een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico2 (GR). Voor plaatsgebonden risico zijn wettelijke grenswaarden vastgesteld. Hier mag niet van worden afgeweken.

4.5.3.2 Onderzoeksresultaten Uit informatie van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle buisleidingen of inrichtingen liggen. Het plangebied ligt in ieder geval niet binnen de risicoafstanden of invloedsgebieden van buisleidingen, inrichtingen, transportroutes over water en transportroutes over het spoor. Churchilllaan Ten zuidwesten van het plangebied loopt de Churcilllaan (N206). Uit gegevens van de risicokaart blijkt dat over deze weg gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit zijn stoffen uit de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3. Voor deze stoffen gelden de volgende invloedsgebieden: LF1: 45 meter LF2: 45 meter LT1: 730 meter LT2: 880 meter GF3: 355 meter De toekomstige woningen liggen op circa 90-100 meter van deze weg en daarom binnen het invloedsgebied (stoffen LT1: toxische vloeistoef, LT2: toxische vloeistof en GF3: brandbaar gas). Volgens artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen aandacht worden besteed in de groepsrisicoverantwoording.

Een uitgebreide risicoverantwoording is niet nodig, omdat het groepsrisico langs de Churchilllaan (N206) veel kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en niet toeneemt door de bouw van 20 woningen (art.8 Bevt).

52

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Rijksweg A4 en A44 De locatie ligt in effectgebied van de A4 op een grote afstand van circa 3 kilometer. Ook de A44 is in de omgeving gelegen van het plangebied, namelijk op een afstand van circa 1,7 kilometer. Over de A4 en A44 worden brandbare gassen, vloeibare brandstoffen en toxische vloeistoffen getransporteerd. De locatie ligt buiten het effectgebied van een calamiteit met vloeibare brandstoffen en brandbare gassen. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied (1%letaliteit) van meer dan 4 km. Een nieuwe risicoberekening is niet nodig omdat de afstand tot de A4 meer dan 200 meter bedraagt (art 8.Bevt). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (art 7. Bevt). Groepsrisicoverantwoording Volgens artikel 7 van het Bevt moet aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen aandacht worden besteed. Op grond van artikel 8 Bevt is hier een nieuwe risicoberekening niet nodig omdat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde/met minder dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Bij een incident met een LPG tankwagen kan een BLEVE ontstaan. De locatie is voldoende bereikbaar voor de hulpdiensten om de omvang van een ramp te beperken. De aanwezige personen kunnen zich in veiligheid te brengen, mits tijdig gewaarschuwd. Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de vaststelling (en latere uitvoering) van het bouwplan.

53

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart

54

bestemmingsplan Haagweg - Noordman

4.5.4

Geluid

4.5.4.1 Beleidskaders Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai van Schiphol. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kent grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moet op grond van artikel 3.3.1. Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Op 4 maart 2013 heeft de Omgevingsdienst de herziene versie van de "Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden" vastgesteld. Op basis van deze richtlijnen stelt de Omgevingsdienst een maximale hogere waarde van 58 dB voor, voor verkeerslawaai en 63 dB voor railverkeer.

Voor industrielawaai en Luchtvaartlawaai gelden de wettelijke grenswaarden. Vanuit de Wet geluidhinder (Wgh) dient aandacht te worden besteed aan weg- en railverkeer. Hiertoe zal akoestisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Naar verwachting zijn hogere waarden Wgh nodig. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het toetsingskader Richtlijnen hogere waarden Wgh van 4 maart 2013 dat vindbaar is op de website van de Omgevingsdienst.

4.5.4.2 Onderzoeksresultaten Op 12 november 2020 is er door SPA WNP Ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd, deze is te vinden in bijlage 6. Hieronder zijn de resultaten beschreven. Railverkeerlawaai Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de spoorlijn tussen Leiden en Den Haag. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook de geluidszone van de spoorlijn tussen Leiden en Gouda meegenomen in het onderzoek. Met behulp van een 3D-rekenmodel is de geluidsbelasting railverkeerlawaai bepaald. De hoogte van de geluidsbelasting van het spoor op de woningen en appartementen bedraagt repsectievelijk 55 dB en 53 dB. Dit is conform de voorkeurswaarde en de maximale toelaatbare geluidsbelasting van de Wet geluidhinder. Voor de geluidsbelasting van deze spoorweg wordt vanuit het gemeentelijke beleid geen aanvullende eisen aan het bouwplan gesteld. Wegverkeerlawaai Bij de berekening voor her wegverkeerlawaai is gebruik gemaakt van de verstrekte gegevens van de Omgevingsdienst West-Holland. De nieuwe woningen en appartementen liggen binnen de bebouwde kom, in de geluidzones van de Haagweg en de Churchilllaan / Dr. Lelylaan (hierna: Churchilllaan). Voor de Ter Haarkade/Boshuizerkade (hierna: Ter Haardkade) geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10570512/1