CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210078 Bijlage 3 Het Omgevingseffectrapport

Gemeenteraad 7 oktober 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen36.456 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie 2030 2040

Gezonde leefstijl en leefomgeving

↗

☺

☺

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000/NNN)



↗

Gemeentelijke natuur



↗

☺

☺

Beschermde soorten



↗

☺

☺

Conclusie doelbereik: Het nieuwe beleid biedt voor de meeste gerelateerde beoordelingsaspecten kansen om bij te dragen aan het behalen van deze ambitie. Dit komt met name door nieuw beleid gericht op de realisatie van een groen-blauwe raamwerk, inclusief tweede stadsring

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

65

met verbindingen, aanleg van ecologische routes en verbindingen door Leiden, vergroening van de openbare ruimte door het opheffen van parkeerplekken en aanleg van groen op deze plekken. Deze groenstructuren hebben naar verwachting een positief effect op de biodiversiteit en aanwezigheid van beschermde soorten. Ook de aanleg van natuurvriendelijke oevers en de uitbouw van groen- en waterstructuren zorgt voor het bevorderen van de beleving van water en het creëren van recreatieve verbindingen. Na 2030 brengen realisatie van nieuwe woningen en een concessieplan voor WKO’s risico’s op negatieve effecten met zich mee op beschermde natuurgebieden. Dit komt onder andere door een mogelijke toename in stikstofuitstoot als gevolg van de uitbreiding van het aantal woningen als ook de onttrekking van grondwater voor WKO-systemen wat kan leiden tot verdroging.

5.

In 2040 is de gezondheidswinst toegenomen door schonere lucht en is het aantal geluidgehinderden, ondanks de verdichtingsopgave, afgenomen

Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie 2030 2040

Luchtkwaliteit

↗

Geluidhinder



=

Conclusie doelbereik: Voor luchtkwaliteit biedt het nieuwe beleid meer risico´s dan kansen op verbetering. Dat hangt samen met inbreiding van bedrijven en functiemenging, met daardoor risico op meer geluidhinder door meer verkeer dichter bij woningen. De toename van het aantal woningen door inbreidingen heeft een verkeersaantrekkende werking, wat kan leiden tot zowel een toename in geluidhinder als een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee kan overall gezien niet verwacht worden dat het nieuwe beleid bijdraagt aan behalen van meer gezondheidswinst door schonere lucht en minder geluidgehinderden. Aandachtspunten vormen hier drukkere wegen met hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen (o.a. Willem de Zwijgerlaan, Chruchillaan, Kanaalweg, Hoge Rijndijk, verbindingswegen richting het centrum) en hogere geluidbelastingen (o.a. Morsweg, Hoge Rijndijk, Hooigracht/Langegracht, Van der Werfstraat, Zijlsingel). Ook locaties waar woningbouw wordt voorzien vormen een aandachtspunt (autonoom: met name Vijf Meilaan, Plesmanlaan en Dr. Lelylaan, nieuw beleid: Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus).

6.

In 2040 is Leiden klimaatadaptiever ingericht

Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie 2030 2040

Wateroverlast

=

☺

☺

Hitte



=

☺

☺

Droogte



↘

Conclusie doelbereik: Op het vlak van wateroverlast en hitte kan het nieuwe beleid bijdragen aan deze ambitie. Nieuw beleid gericht op vergroening van de openbare en private ruimte, onder meer door aanleg van een groen-blauwe stadsring, aanleg van groen- waterstructuren, de toepassing van groene daken, het opheffen van parkeerplekken en de ontstening van tuinen wordt het percentage verhard oppervlakte gereduceerd en kan water opgenomen en vastgehouden worden wat wateroverlast en stedelijk hitte eiland effect kan verminderen.

7.

In 2040 is de uitstoot van broeikasgassen afgenomen.

Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

↗

Broeikasgassen

Omgevingsvisie 2030 2040

☺

Conclusie doelbereik: Het beleid uit de omgevingsvisie bevat zowel kansen op afname als risico´s op toename van uitstoot van broeikasgassen. Tot aan 2030 zijn er meer kansen, na 2030 meer risico´s. Dat geeft risico dat het nieuwe beleid per saldo niet bijdraagt aan afname van uitstoot van broeikasgassen. Kansen hangenvooral samen met nieuw beleid gericht op realiseren stadshubs, doorontwikkeling van Leiden Centraal Station en uitbreiding van fietsroutes. Het mogelijk maken van meer bedrijvigheid en woningen geeft zowel tot als na 2030 risico´s op toename van de uitstoot van broeikasgassen uit gebouwen en verkeer. Onder invloed van landelijk klimaatbeleid en technologische ontwikkelingen is de verwachting dat uitstoot vanwege nieuwe ontwikkelingen steeds minder zal worden.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

66

Niettemin zijn er zonder dat er specifieke voorwaarden aan nieuwe ontwikkelingen verbonden worden risico´s op toename van uitstoot.

8.

In 2040 is de gebouwde omgeving van Leiden voor een groot deel aardgasvrij. Elektriciteit wordt duurzaam opgewekt met zonnepanelen en wordt vooral geleverd van buiten de stad

Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie 2030 2040

Duurzame woningen

↗

☺

☺

Duurzame energieopwekking



↗

☺

☺

Conclusie doelbereik: Het nieuwe beleid in de omgevingsvisie biedt kansen om bij te dragen aan deze ambitie. Dit komt met name door de verduurzaming in energieopwekking door onder meer de realisatie van zonnepanelen en uitbreiding van het bestaande warmtenet. Na 2030 zet de omgevingsvisie in op het opstellen van een WKO-concessieplan voor verdere verduurzaming. Op basis van de huidige uitvoeringsagenda energietransitie gebouwde omgeving 2020-2023, is er een autonome verbeterende trend wat betreft het aantal duurzame woningen richting 2030 – wat samenhangt met de ambitie van een aardgasvrije gebouwde omgeving. In hoeverre deze verbeterende doorzet en in welke mate de gebouwde omgeving in 2040 voor een groot deel aardgasvrij is, is afhankelijk van het uitvoeringsbeleid na 2030. De gemeente Leiden werkt dat verder uit vanuit de warmtevisie, wat geen deel uitmaakt van de omgevingsvisie.

9.

In 2040 is de stedelijke economie van Leiden versterkt en verduurzaamd door op weg te zijn naar een volledig circulaire economie, waarbij Leiden zich profileert als stad van (internationale) kennis en innovatie

Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie 2030 2040

Grondstoffen en circulariteit

↗

Kwaliteit en kwantiteit werklocaties



=

☺

☺

Werkgelegenheid



↗

☺

Economische zelfredzaamheid



↗

Kennis en innovatie

↗

☺

☺

Conclusie doelbereik: Het nieuwe beleid biedt kansen om aan delen van deze ambitie bij te dragen. Dat gaat dan om de beoordelingsaspecten kwaliteit en kwantiteit werklocaties, werkgelegenheid en kennis en innovatie. Nieuwe kantoren en bedrijven zullen de stedelijke economie versterken en banen creëren. Ontwikkeling van LBSP tot Innovation District (met daarin verdere doorontwikkeling kenniscluster, mengen met wonen, voorzieningen, horeca en inrichten openbare ruimte gericht op verblijven en ontmoeten) biedt mogelijkheden voor een milieu waarin kennisoverdracht plaats kan vinden en kan leiden tot innovatie. Wat betreft circulariteit zijn er risico´s op afbreuk aan de ambitie. Toevoegen van nieuwe kantoren en bedrijvigheid kan leiden tot toename van restafval, zonder beleid om restafval te reduceren wordt de ambitie op dit punt niet behaald.

10. In 2040 heeft Leiden een goed ondernemersklimaat, met bedrijvigheid die werk biedt op alle niveaus. De werkgelegenheid in de Leidse regio van 2040 past bij de diverse samenstelling van de beroepsbevolking. Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie 2030 2040

Kwaliteit en kwantiteit werklocaties

=

☺

☺

Werkgelegenheid



↗

☺

☺

Economische zelfredzaamheid



↗

Conclusie doelbereik: Het nieuwe beleid biedt kansen om aan deze ambitie bij te dragen. Nieuw beleid gericht op functiemenging wonen-werken biedt kansen op het vergroten van gedifferentieerde woon-werkgebieden, aan daarmee op verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

67

werklocaties. Het toevoegen van voorzieningen, kantoren en horeca bevordert de werkgelegenheid. Daarbij is wel aandacht nodig voor wat aansluit bij de diverse samenstelling van de beroepsbevolking.

11. In 2040 heeft Leiden haar historische omgevingskwaliteiten en erfgoed behouden, benut, beschermd en zoveel mogelijk beleefbaar gemaakt Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie 2030 2040

Cultuurhistorie en erfgoed

↘

Archeologie



↘

Conclusie doelbereik: Het nieuwe beleid laat zowel kansen als risico’s zien op het vlak van cultuurhistorie en erfgoed en archeologie. Met nieuw beleid als groen-en waterstructuren uitbouwen tot aantrekkelijke (recreatieve) routes (bijvoorbeeld Haarlemmertrekvaart, Vliet, grachten in de binnenstad) zijn er kansen op het benutten en beleefbaar maken van historische omgevingskwaliteiten en erfgoed. Nieuwe grootschalige kantoren in het ruime stationsgebied geeft risico´s op afbreuk aan historische omgevingskwaliteit en erfgoed. Hetzelfde geldt voor het plaatsen van zonnepanelen op daken. Het verbinden van specifieke voorwaarden op die vlakken moet behoud en bescherming waarborgen.

12. Door binnenstedelijk te verdichten behouden we de landschappelijke waarden aan de randen van de stad en in het buitengebied Gerelateerde beoordelingsaspecten

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

↘

Landschappelijke kwaliteit

Omgevingsvisie 2030 2040

Conclusie doelbereik: Het nieuwe beleid laat geen kansen en risico’s zien op het vlak van landschappelijk kwaliteit. Daarmee mag verwacht worden dat het kan bijdragen aan het behouden van de landschappelijke waarden aan de randen van de stad en in het buitengebied.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

68

10

Hoe kan de leefomgeving verder verbeterd worden?

De effectbeoordeling in hoofdstuk 6 laat zien bij welke leefomgevingsaspecten het nieuwe beleid risico’s oplevert op negatieve effecten, en waar er ondanks het nieuwe beleid nog sprake is van een tekortschietend kwaliteitsniveau. Hoofdstuk 9 laat zien dat er bij die aspecten dan ook geen sprake is aan (het bijdragen) aan het behalen van ambities. Voor die aspecten geven we in dit hoofdstuk mogelijkheden voor verdere verbetering, in de vorm van beleidsopties of concrete mitigerende maatregelen. Voor Natura 2000-gebieden zijn de mitigerende maatregelen in hoofdstuk 7 beschreven. Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

↘

Grondstoffen en circulariteit

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering Geconstateerde risico’s zijn er vooral vanwege nieuw beleid gericht op het mogelijk maken van transformatie bedrijventerreinen woon-werk, inbreiding van nieuwe kantoren,de ontwikkeling van het LBSP tot Innovation District en realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030 en het na 2030 toevoegen van nieuwe woningen, dat leidt zonder specifieke randvoorwaarden en beleid tot een toename van de hoeveelheid (rest)afval. De omgevingsvisie gaat niet in op afvalscheiding. Om een toename van de hoeveelheid (rest)afval te voorkomen kunnen aan de voorkant randvoorwaarden gesteld worden. Er zijn verschillende randvoorwaarden mogelijk, deze randvoorwaarden kunnen opgenomen worden in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) zoals circulair inkopen. Circulair inkopen betreft producten die bijvoorbeeld achteraf makkelijk te scheiden zijn of biologisch afbreekbaar zijn. Daarnaast kunnen er eisen gesteld worden horeca en evenementen door deze op te nemen in de vergunningseisen. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van herbruikbare materialen of het gebruik van één type materiaal in producten zodat scheiding niet nodig is. Aan de achterkant kan de gemeente invloed uitoefenen door afvalinzameling te bundelen en daar eisen aan te stellen.

Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat Omdat de gemeente een voorbeeldfunctie heeft kiest Leiden ervoor om eerst te focussen op het gemeentelijk circulair inkoopproces. Daar is ook al een manifest voor ondertekend. Het doel is om als gemeente in 2023 100 procent circulair uit te vragen en in 2030 geheel circulair aan te besteden. Dit is opgenomen in de recent vastgestelde ‘Strategie Circulaire Economie 2020 – 2023’. In ditzelfde beleidsstuk is als doelstelling opgenomen dat het scheidingspercentage moet toenemen tot 50% en de hoeveelheid restafval per inwoner per jaar moet afnemen naar 175 kg in 2022. Daarbij wordt vooral ingezet op gerichte communicatie. Na 2023 wordt bekeken hoe de markt ook met maatregelen gestimuleerd kan worden om circulair in te kopen met als doel om restafval te verminderen. Het opnemen van circulair inkopen in de APV wordt daarbij ook onderzocht. De gemeente reageert al wel actief op signalen uit de stad. Zo is het gebruik van eco-glazen bij evenementen opgenomen in de vergunningverlening.

Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

↗

Energiebesparing

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering Geconstateerde risico’s zijn er vooral vanwege nieuw beleid gericht op het mogelijk maken van de inbreiding van kantoren en de ontwikkeling van het LBSP tot Innovation District en het tot en na 2030 toevoegen van nieuwe woningen, dat leidt tot een toename van het totale energieverbruik binnen Leiden. Toename van energieverbruik daardoor kan voorkomen worden door concrete voorwaarden en eisen aan nieuwe kantoren, voorzieningen en woningen te verbinden op het gebied van energiezuinig bouwen. Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat De gemeente Leiden neemt in de omgevingsvisie de voorwaarde op dat alle nieuwe gebouwen energieneutraal gebouwd worden.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

69

Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

↘

Bodemdaling

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering Hier zijn een aantal risico’s op negatieve effecten geconstateerd, en geen kansen op positieve effecten. Daarmee is er risico op versterking van de autonome verslechterende trend. De risico´s zijn geconstateerd vanwege beleid gericht op de inbreiding van kantoren, de ontwikkeling van het LBSP tot Innovation District, het mengen van woonmilieus met bedrijvigheid en het tot en na 2030 toevoegen van nieuwe woningen. Toevoegen van bebouwing en bijbehorende infrastructuur geeft risico op toename van zetting van grondlagen en daarmee risico op toename van binnenstedelijke bodemdaling. Autonoom gemeentelijk beleid is dat ruimtelijke ontwikkelingen bij voorkeur plaatsvinden op een draagkrachtige bodem waar rekening gehouden wordt met bodemdaling. Daarnaast is voor bouwen op een slappe bodem een goede argumentatie nodig, waar mogelijk wordt gekeken naar alternatieven voor het bouwen op een slappe bodem. Het is sterk de vraag of dat voldoende gaat zijn voor de verdichtingsopgave waar de omgevingsvisie op inzet. Geadviseerd wordt om daar nader onderzoek naar te doen en waar nodig met aanvullend beleid te komen om bodemdaling vanwege de verdichtingsopgave tegen te gaan.

Aandachtslocaties zijn de gebieden waar de betreffende nieuwe ontwikkeling voorzien zijn (nabij wijkcentra in Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest, ruime stationsgebied, LBSP, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus’. Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat De gemeente Leiden is een onderzoek gestart om te bezien waar de bodem (het meest) daalt. Naar aanleiding van deze informatie worden er concrete maatregelen om de bodemdaling tegen te gaan vastgelegd in een nog nader te bepalen beleidskader.

Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

=

Geluidhinder

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering Hier zijn meer risico’s op negatieve effecten dan kansen op positieve effecten geconstateerd. Daarmee is er risico op verslechtering van de autonome trend, terwijl vermindering van geluidgehinderden een ambitie is van de omgevingsvisie. Risico´s zijn geconstateerd vanwege beleid gericht op functiemenging wonen-werken, nieuwe kantoren, ontwikkeling LBSP met voorzieningen, woningen en horeca en het na 2030 toevoegen van nieuwe woningen. Dat heeft verkeersaantrekkende werking tot gevolg en in gemengde woon-werkgebieden risico op kortere afstanden tussen verkeer en woningen, met daardoor kans op meer geluidhinder. Autonome verbetering vanwege elektrisch verkeer is er vanwege het wegvallen van motorgeluid, maar er is nog steeds sprake van bandengeluid (maatgevend vanaf 50 km/u). Effectieve vermindering van geluidhinder is te behalen maat specifieke maatregelen langs wegen met autonoom hogere geluidbelastingen (o.a. Morsweg, Hoge Rijndijk, Hooigracht/Langegracht, Van der Werfstraat, Zijlsingel). Die maatregelen kunnen bestaan uit mobiliteitsmanagement gericht op verminderin van verkeer op de betreffende locaties, toepassing stille wegdekken en snelheidsverlaging. Voor nieuwe ontwikkelingen moeten de gebruikelijke wettelijke procedures wat betreft geluid doorlopen worden.

Met een goede ruimtelijke inpassing en passende maatregelen (bron, overdracht) kunnen hogere geluidbelastingen en daarmee samenhangende hinder voorkomen worden. Daarbij kan gedacht worden aan zorgen voor stille achterzijden bij woningen en rustige plekken in buurten. Met betrekking tot de functiemenging van wonen-werken wordt geadviseerd specifieke voorwaarden op te nemen over afstanden tussen bedrijven met uitstoot en woningen en de hoeveelheid toegestane geluidhinder. Met snelheidsbeperkingen (bijvoorbeeld 30 km/u) kan geluidhinder door verkeer verminderd worden, wat ook positief is wat betreft verkeersveiligheid. Ten aanzien van de uitbreiding van nieuwe kantoren, voorzieningen en woningen wordt geadviseerd om eisen te stellen met betrekking tot parkeernormen waarbij autogebruik geminimaliseerd wordt. Door daar een koppeling te leggen met uitzonderingen voor stil vervoer (fiets, e-bike, etc.) worden stille alternatieven actief gestimuleerd. Dit zijn dan maatregelen gericht op minimaliseren van geluidhinder door nieuw beleid. Daarmee is nog geen sprake van het verminderen van het aantal geluidgehinderden, ook autonoom is daar geen sprake van. Belangrijke bronnen voor geluidhinder zijn brommers en scooters, buren en wegverkeer met snelheden hoger dan 50 km/u.

Voor het omlaag brengen van het aantal geluidgehinderden wordt geadviseerd om een uitvoeringsprogramma op te stellen met concrete maatregelen gericht op die belangrijke bronnen voor (ernstige) geluidhinder. Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat De gemeente Leiden gaat een programma geluid (zoals bedoeld onder de Omgevingswet) opstellen waarin de benoemde aanbevelingen worden meegenomen.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

70

Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

↗

Broeikasgassen

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering Hier zijn kansen op positieve effecten, geconstateerd maar ook enkele risico’s op negatieve effecten. Geconstateerde risico’s zijn er vooral vanwege nieuw beleid gericht op het mogelijk maken van inbreiding van nieuwe kantoren, woonmilieus mengen met werkfuncties, de ontwikkeling van het LBSP tot Innovation District en het tot en na 2030 toevoegen van nieuwe woningen. Dat kan leiden tot een toename van broeikasgassen uit gebouwen en vanwege verkeersaantrekkende werking. Vanwege autonome trends en maatregelen vanuit het Klimaatakkoord is de verwachting dat gebruik van fossiel opgewekte energie en daarmee uitstoot van broeikasgassen steeds minder zal worden. Niettemin kunnen de hier geconstateerde risico’s terug gebracht worden door concrete voorwaarden aan ontwikkeling van nieuwe kantoren en voorzieningen te verbinden op het gebied van klimaatneutraliteit en schone, uitstootloze vormen van vervoer. De opgave om uit het tekortschietende rode kwaliteitsniveau te komen vergt een forse inspanning, gericht op verduurzaming van bestaande functies. Gemeentelijke doelstellingen zijn om in 2050 een aardgasvrije en klimaatneutrale gebouwde omgeving te hebben en in 2030 40% minder CO2 uitstoot dan in 1990. De wettelijke doelstelling conform de klimaatwet ligt op 49% minder uitstoot van CO2 in 2030 ten opzichte van 1990.

Bekend is dat de CO2-uitstoot in Leiden de afgelopen jaren nauwelijks is afgenomen. Autonoom beleid moet voorzien in een trendbreuk naar afnemende CO2 uitstoot. Verdere verbetering moet komen van aanvullend beleid. De grootste CO2 bijdrage binnen Leiden komt van de gebouwde omgeving. De omgevingsvisie voorziet niet in nieuw beleid om de CO2 uitstoot daarvan substantieel te verminderen. Transitie naar aardgasvrije wijken zal daarin een belangrijke rol spelen. Concrete invulling en fasering daarvan volgt met de in 2021 door de gemeente vast te stellen Transitievisie Warmte en wijkuitvoeringsplannen. Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat De gemeente stelt een Transitievisie Warmte op (vaststelling in 2021 voorzien) en wijkuitvoeringsplannen.

Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

=

☺

Wateroverlast

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering Het nieuwe beleid in de omgevingsvisie biedt qua wateroverlast meer kansen op verbetering dan risico’s op verslechtering. Om uit het rode kwaliteitsniveau te komen en de stad aan te passen aan klimaatverandering is een adequate en concrete aanpak nodig gericht op de openbare ruimte en particuliere terreinen, rekening houdend met de inbreidingsopgave waar de gemeente op in zet. De omgevingsvisie voorziet in beleid gericht op beide onderdelen, zoals bijvoorbeeld het omzetten van parkeerplekken naar groen en intensivering van stimuleren van ontstening van tuinen in particulier bezit. Aanvullende maatregelen voor vermindering van wateroverlast zijn werken met doorlatende verharding in de openbare ruimte, het aanleggen van waterpleinen en ondergrondse bergingskelders. Geadviseerd wordt om dat vooral te richten op bekende plekken met autonoom hoge aandelen verhard oppervlakte een daardoor risico op wateroverlast, zoals de binnenstad en Leiden-Noord en de wijken Tuinstad wijk, Cronestein, Dobbewijk-zuid en Schenkwijk. Autonoom beleid is realisatie van een gescheiden rioolstelsel in combinatie met een klimaatadaptievere inrichting van de openbare ruimte in zes wijken, waarmee piekbuien opgevangen kunnen worden.

Met uitbreiding van een gescheiden stelsel in combinatie met klimaatadaptieve maatregelen naar andere wijken, kan breder in de stad wateroverlast verminderd worden. Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat De gemeente Leiden werkt al waar mogelijk met doorlatende verharding in de openbare ruimte en in de recent vastgestelde hemelwaterverordening is de verplichting tot watercompensatie bij (ver)nieuwbouw opgenomen. Hierin is een minimale verplichting opgenomen dat een groot deel van de neerslag (60 mm) op privaat terrein wordt opgevangen en vertraagd wordt afgevoerd. Daarnaast is er recent een convenant klimaatadaptief bouwen ondertekend door de gemeente Leiden. Hierin is een minimale verplichting opgenomen dat een groot deel van de neerslag (50 mm) op privaat terrein wordt opgevangen en vertraagd afgevoerd. Het aanleggen van waterpleinen is vanwege de beperkte beschikbare ruimte niet de meest wenselijke oplossing. Wij zetten vooral in op het aanpassen van bestaande ruimtes. Dit wordt opgenomen en verwerkt in ons Handboek Openbare Ruimte. Inzet van de gemeente is om uiteindelijk in alle wijken een gescheiden rioolstelsel te realiseren. Dit is gekoppeld aan het vervangingsvraagstuk.

In het recent aangepaste Integraal Water Keten Plan (IWKP) is geborgd dat wanneer de riolering in de overige wijken aan vervanging toe is, er een gescheiden rioolstelsel gerealiseerd wordt. Hiervoor worden nog wijkvervangingsplannen opgesteld.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

71

Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

=

☺

Hitte

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering De algemene trend van toename van het aantal warme dagen en hittestress zal in de toekomst verder toenemen. Het nieuwe beleid uit de omgevingsvisie biedt qua hitte meer kansen op verbetering, dan risico’s op verslechtering. De omgevingsvisie voorziet vooral in het creëren van meer groenstructuren en schaduwplekken in de stad om hittestress te verminderen. Deze maatregelen kunnen bijdragen aan het komen tot een positieve trend. Om uit het tekortschietende rode kwaliteitsniveau te komen wordt geadviseerd om klimaatadaptatie nadrukkelijker integraal onderdeel te laten zijn van het nieuwe beleid. Bijvoorbeeld door het opstellen van normen voor gebieden, als vertrekpunt voor concrete maatregelen. Daarbij vergen vooral gebieden met autonoom het hoogste hitterisico (binnenstad, stationsgebied). Een norm kan bijvoorbeeld een vastgesteld percentage groen zijn dat minimaal aanwezig moet zijn in de wijk en dat gehanteerd wordt bij ontwikkeling van concrete maatregelen zoals de aanleg van een groenstructuur. Daarnaast kunnen er bouweisen gesteld worden aan nieuwbouw, deze kunnen opgenomen worden in de vergunningseisen. Door gebouwen op een bepaalde manier te ontwerpen kan er bijvoorbeeld meer wind het gebied in wat een verkoelend effect heeft of kunnen gebouwen op een natuurlijke manier gekoeld worden.

Hiermee kan bijvoorbeeld in de gebieden waar sprake is van een verdichtingsopgave (bijvoorbeeld LBSP) hittestress gereduceerd worden. Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat Leiden is een dichtbebouwde stad. Vanwege de schaarse ruimte heeft de gemeente niet gekozen voor het opnemen van een norm voor percentage groen. Om hitteoverlast tegen te gaan wil de gemeente meer afspraken maken om bestaande gebouwen en nieuwbouw te vergroenen. Waar mogelijk wil de gemeente in intentieovereenkomsten of bij gebiedsontwikkelingen een bovenwettelijke verplichting voor groene daken opnemen (voorbeeld hiervan is Duurzaamste Kilometer van Leiden – waarin dit met alle ontwikkelaars al contractueel is vastgelegd). In het ‘Convenant Klimaatadaptief Bouwen’ worden eisen gesteld om hittestress tegen te gaan.

Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

Gemeentelijke natuur

↗

☺

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering De omgevingsvisie biedt vooral kansen op positieve effecten, dat kan bijdragen aan het versterken van de positieve autonome trend. Om uit het tekortschietende rode kwaliteitsniveau te komen wordt geadviseerd om een groennorm per hoofd van de bevolking te gebruiken als maatstaf voor de uitwerking en inpassing van het nieuwe beleid. Daarnaast zou de toevoeging van groen een verdeling gemaakt kunnen worden over waar al wel of nog niet aan de gestelde maatstaf voor een groennorm voldaan wordt. Een koppeling kan gezocht worden in het inpassen van groenstructuren die daarnaast bijdragen aan andere aspecten zoals het verminderen van wateroverlast. Een voorbeeld hiervan zijn wadi’s en regentuinen. Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat Vanwege de bebouwingsdichtheid is kwaliteit van gemeentelijke natuur voor de gemeente Leiden belangrijker dan kwantiteit. Van daaruit kiest de gemeente ervoor om geen groennorm in te voeren.

Beoordelingsaspect

Kwaliteitsniveau referentiesituatie

Autonome trend

Omgevingsvisie

↗

☺

Gezonde leefstijl en leefomgeving

Beleidsopties/mitigerende maatregelen voor verbetering Het nieuwe beleid biedt vooral kansen op positieve effecten, dat kan bijdragen aan het versterken van de positieve autonome trend. Om uit het tekortschietende rode kwaliteitsniveau te komen wordt geadviseerd om de beweegrichtlijn van het RIVM als uitgangspunt te nemen bij de concrete uitwerking van de omgevingsvisie in een uitvoeringsprogramma. Autonoom wordt er op verschillende vlakken in gezet om de gezonde leefstijl en leefomgeving te verbeteren. Aanvullend kan er ingezet worden op het uitbreiden van het aantal publieke sportaccommodaties en de sport- en speelplekken en ruimtes in de stad. Ook verdere toevoeging van fiets- en wandelroutes kan bijdragen aan verdere verbetering. Manier waarop gemeente Leiden met aanbevelingen om gaat De gemeente Leiden neemt bovengenoemde aanbevelingen over in nog op te stellen uitvoerings- en beleidsprogramma’s.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

72

11

Wat gebeurt er verder na dit OER?

11.1

Beleidscyclus omgevingsbeleid

De omgevingsvisie heeft een plek binnen de beleidscyclus voor omgevingsbeleid, conform de Omgevingswet. Onderstaande figuur geeft de beleidscyclus weer, en het werkt als volgt. 1) In de beleidsontwikkeling wordt de omgevingsvisie opgesteld, deze stap wordt met vaststelling van de Omgevingsvisie Leiden 2040 voltooid; 2) In de beleidsdoorwerking worden de richtinggevende hoofdlijnen voor nieuwe uit de omgevingsvisie verder geconcretiseerd in uitvoeringsprogramma’s en andere instrumenten, zoals het omgevingsplan; 3) Tijdens de uitvoering worden de concrete besluiten en/of regels en ander instrumentarium toegepast; 4) In de terugkoppeling wordt door monitoring en evaluatie gereflecteerd op behaalde resultaten waarna deze op basis van hun betekenis input vormen voor een nieuwe beleidscyclus.

Figuur 8: Beleidscyclus [Aandeslagmetdeomgevingswet.nl, 2020]

11.2

Omgevingsprogramma en omgevingsplan

De omgevingsvisie vormt het afwegingskader voor verdere uitwerking in plannen en programma’s. In plannen en programma’s moet verder duidelijk worden hoe en op welke locaties het beleid uit de omgevingsvisie concreet uitgevoerd gaat worden. Door conclusies, aandachtspunten en aanbevelingen uit dit OER daarin mee te nemen en concreet een plek te geven, wordt geborgd dat het belang van de leefomgeving zo optimaal mogelijk meegenomen blijft worden. Een omgevingsprogramma is een niet verplicht instrument dat de Omgevingswet biedt. In zo´n programma kan vastgelegd worden hoe specifieke doelen behaald gaan te worden. Het is een flexibel document dat ruimte biedt voor adaptatie.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

73

11.3

Onzekerheden en monitoring

De Omgevingswet stelt monitoring en evaluatie van het beleid verplicht, om in beeld te krijgen of de uitwerking van het beleid daadwerkelijk bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Periodiek wordt er middels een terugkoppeling nieuwe input geleverd voor de beleidsontwikkeling wat kan leiden tot voortzetting of bijsturing van het beleid. Door monitoring en evaluatie ontstaat een gesloten beleidscyclus. De Omgevingsvisie Leiden 2040 heeft geen vastgelegde looptijd. De gemeente houdt de visie actueel door deze na een jaar (en vervolgens om het jaar) tegen het licht te houden en zo nodig aan te passen (en waar nodig inclusief OER). Hierbij wordt ook gekeken naar de uitvoering via het omgevingsprogramma. Het monitoringprogramma wordt gebaseerd op het ‘Rad van de leefomgeving’, als onderdeel van de ‘Foto van de leefomgeving’. De daarin opgenomen beoordelingsaspecten vormen het vertrekpunt. Nieuwe ontwikkelingen worden gespiegeld met de beoordelingsaspecten uit het rad van de leefomgeving om te achterhalen of doelen worden verwezenlijkt. Als ontwikkelingen in de kwaliteit van de leefomgeving aanleiding geven tot het hanteren van andere beoordelingscriteria dan wordt daarop ingespeeld.

Geadviseerd wordt om de volgende stappen te doorlopen voor het monitorings- en evaluatieprogramma: • Stap 1: Welke ontwikkelingen hebben plaats gevonden sinds de vorige check? • Stap 2: Vallen de milieugevolgen van deze ontwikkelingen binnen de acceptabel geachte grenzen? Hiervoor wordt aangesloten bij de in dit MER beschouwde beoordelingssystematiek. • Stap 3: Moeten mitigerende / aanvullende maatregelen worden getroffen om de milieugevolgen acceptabel te houden of te krijgen? • Stap 4: Zijn de doelen nog realistisch en voldoen de gestelde kaders nog of zijn ze te ruim of juist te knellend? Is er aanleiding voor bijstellen van de bestuurlijke aanpak? • Stap 5: Geeft het omgevingsplan/omgevingsprogramma aanleiding om de omgevingsvisie bij te stellen?

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

74

Begrippenlijst Ambitie (in omgevingsvisie)

Toestand van de leefomgeving die nagestreefd wordt.

Alternatieven

De mogelijke ‘manieren’ waarop het beleid gerealiseerd kan worden. Daarbij gaat het om andere manieren om de doelstellingen gekoppeld aan een bepaalde activiteit (in aanvaardbare mate) te behalen. De Wet milieubeheer stelt dat alleen de alternatieven die redelijkerwijs een rol kunnen spelen in de besluitvorming beschouwd moeten worden.

Autonome ontwikkeling

Ontwikkelingen (meestal op het gebied van de ruimtelijke ordening) die plaatsvinden op basis van ontwikkelingen waarover een besluit is genomen, ongeacht of één van de alternatieven uit het OER gerealiseerd worden.

Beoordelingskader

Set beoordelingsaspecten waarmee beoordeeld wordt a) in hoeverre met het beoogde beleid (in dit geval vooral ontwikkelprincipes) de beleidsdoelen worden gehaald ('doelbereik') en b) wat de effecten van het beleid zijn op de leefomgeving.

Beleidsinstrument

Middel dat een overheid inzet om beleid uit te voeren, bijvoorbeeld: omgevingsvisie, uitvoeringsprogramma, omgevingsvergunning, subsidieregeling.

Bevoegd gezag

Eén of meer overheidsinstanties die bevoegd zijn om over de activiteit van de initiatiefnemer het besluit te nemen.

Commissie voor de m.e.r.

Een bij wet ingestelde landelijke commissie van onafhankelijke milieudeskundigen. Zij adviseren het bevoegd gezag over de kwaliteit van de informatie in het milieueffectrapport en naar wens ook over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport.

Effect (in planMER/OER)

Gevolg van beleid op de leefomgeving.

Inspraak

Mogelijkheid om informatie te krijgen en op basis daarvan een mening, wensen of bezwaren kenbaar te maken, bijvoorbeeld voor een activiteit waarover door de overheid een besluit zal worden genomen.

Kennisgeving

Het openbaar maken van een voornemen om een m.e.r.-procedure te starten en of een m.e.r.-plichtig plan vast te stellen.

NRD

Notitie Reikwijdte en Detailniveau: notitie die beschrijft waar de m.e.r.-procedure wel en niet overgaat (‘reikwijdte’), welke aspecten in het OER onderzocht gaan worden en met welke diepgang (‘detailniveau’).

Omgevingsvisie

Plan waarin de gemeente het beleid voor de leefomgeving op lange termijn vastlegt.

Planm.e.r

M.e.r. staat voor ‘milieueffectrapportage’ en is de procedure waarbinnen een MER wordt opgesteld. De toevoeging ‘Plan’ wil zeggen dat het om een m.e.r. voor een plan gaat, zoals een omgevingsvisie.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

75

PlanMER/OER

MER staat voor ‘Milieueffectrapport’ en bevat de resultaten van het onderzoek naar de (milieu)effecten binnen een m.e.r. De toevoeging ‘Plan’ wil zeggen dat het om een MER voor een plan gaat, zoals een Omgevingsvisie. In deze NRD wordt met OER de planMER bedoeld.

Ter inzage leggen

Gedurende een bepaalde periode belanghebbende de gelegenheid geven om op een voornemen of ontwerp-plan te reageren met een zienswijze.

Uitvoeringsprogramma

Programma waarin beleidsdoelstellingen (wat gaan we doen?) worden vertaald naar concrete acties en interventies (hoe gaan we dat doen?)

Zienswijze

Reactie die een belanghebbende aan het bevoegd gezag kan sturen als reactie op de kennisgeving over een voornemen.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

76

Bijlagen

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

77

A1

25-6-2021

Foto van de leefomgeving

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

78

RAPPORT Foto van de leefomgeving gemeente Leiden Achtergronddocument OER Omgevingsvisie gemeente Leiden Klant:

Gemeente Leiden

Referentie: BG9638TPRP2106231021 Status:

Definitief

Datum:

25 juni 2021

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Transport & Planning Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Foto van de leefomgeving

gemeente Leiden Ondertitel: Foto van de leefomgeving leiden Referentie: BG9638TPRP2106231021 Status: 03/Definitief Datum: 25-6-2021 Projectnaam: OER Omgevingsvisie gemeente Leiden Projectnummer: BG9638 Auteur(s): Hanneke Koedijk, Reina Drenth

Opgesteld door: Hanneke Koedijk Gecontroleerd door: Tijmen van de Poll Datum: 23-06-2021

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Achtergrond en aanpak ‘Foto van de leefomgeving’

1

1.1

Waarom een ‘Foto van de leefomgeving’?

1

1.2

Aanpak ‘Foto van de leefomgeving’

1

1.3

Vigerend omgevingsbeleid en relevante fysiek ruimtelijke ingrepen

6

2

Rad van de leefomgeving Leiden

8

3

Gezondheid

11

3.1

Gezonde leefstijl en leefomgeving

11

3.2

Groen en waterbeleving

16

4

Veiligheid

20

4.1

Externe veiligheid

20

4.2

Sociale veiligheid

24

4.3

Verkeersveiligheid

29

5

Wonen en verstedelijking

32

5.1

Passend en toegankelijk woningaanbod

32

5.2

Duurzame woningen

37

5.3

Voorzieningenniveau

42

6

Sociaal maatschappelijke samenhang

48

6.1

Maatschappelijke participatie

48

6.2

Sociale cohesie in buurten

51

6.3

Inclusiviteit

53

7

Klimaat

60

7.1

Wateroverlast

60

7.2

Hitte

67

7.3

Droogte

70

7.4

Broeikasgassen

72

8.

Milieukwaliteit

75

8.1

Luchtkwaliteit

75

8.2

Geluidhinder

79

9

Bodem en Water

87

9.1

Bodemkwaliteit

87

9.2

Bodemdaling

89

25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

ii

Projectgerelateerd

9.3

Grond- en oppervlaktewater

91

10

Natuur en biodiversiteit

97

10.1

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000/NNN)

97

10.2

Gemeentelijke natuur

101

10.3

Beschermde soorten en leefgebieden

102

11

Ruimtelijke kwaliteit

107

11.1

Openbare ruimte

108

11.2

Landschappelijke kwaliteit

109

11.3

Cultuurhistorie en erfgoed

111

11.4

Archeologie

117

12

Energie

121

12.1

Energiebesparing

121

12.2

Duurzame energieopwekking

123

13

Grondstoffen en circulariteit

125

13.1

Grondstoffen en circulariteit

125

14

Economische vitaliteit

128

14.1

Kwaliteit en kwantiteit werklocaties

128

14.2

Werkgelegenheid

131

14.3

Economische zelfredzaamheid

132

14.4

Kennis en innovatie

134

15

Bereikbaarheid

136

15.1

Openbaar vervoer

136

15.2

Autobereikbaarheid

138

15.3

Wandel- en fietsnetwerk

141

15.4

Duurzame en slimme mobiliteit

145

16

Recreatie en toerisme

148

16.1

Recreatie en toerisme

148

17

Gevoeligheidsanalyse COVID-19

153

Afkortingen

156

Referenties

157

25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

iii

Projectgerelateerd

1

Achtergrond en aanpak ‘Foto van de leefomgeving’

1.1

Waarom een ‘Foto van de leefomgeving’?

In beeld brengen kwaliteit van de leefomgeving Als vertrekpunt voor het omgevingseffectrapport (OER) van de omgevingsvisie van Leiden is een ‘Foto van de leefomgeving’ opgesteld: het beeld hoe de Leidse leefomgeving er nu voor staat. Vervolgens is in beeld gebracht hoe de leefomgeving zich naar verwachting in de toekomst ontwikkelt (2030-2040). Dit toekomstbeeld is de autonome ontwikkeling, de verwachte toekomstige situatie bij voortzetting van het huidige beleid, rekening houdend met autonome trends (bijvoorbeeld klimaatverandering) en al genomen besluiten over ingrepen in de leefomgeving. Deze autonome ontwikkeling is de referentiesituatie voor het OER. De mogelijke effecten van het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie worden in beeld gebracht ten opzichte van deze referentiesituatie. De foto van de leefomgeving laat zien bij welke leefomgevingsaspecten er nu en in de toekomst problemen en knelpunten optreden en welke autonome trends er daarin te verwachten zijn. Zo brengt het in beeld wat de kwaliteit is van de verschillende aspecten van de Leidse leefomgeving. Hiermee kan de foto van de leefomgeving bijdragen aan het aanscherpen van de Omgevingsvisie en het maken van keuzes voor nieuw strategisch beleid. In de foto van leefomgeving wordt de leefomgeving beschreven aan de hand van de thema’s en indicatoren uit het beoordelingskader van het OER.

Basis voor effectbeoordeling OER De referentiesituatie vormt het vertrekpunt voor de effectbeoordeling in het OER. Effecten van nieuw beleid worden in termen van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve beschouwd ten opzichte van de referentiesituatie. Zo ontstaat een beeld van de te verwachten impact van het nieuwe beleid, inclusief mate van invloed dat het nieuwe (strategische) beleid heeft op autonome trends en ontwikkelingen ten opzichte van het bestaande beleid. In het OER wordt een samenvatting opgenomen van de ‘foto van de leefomgeving’. Basis voor monitoring Gezien de onzekerheid over de wijze waarop het beleid uiteindelijk wordt uitgevoerd én onzekerheid over de implicaties die het beleid op lange termijn hebben voor de fysieke leefomgeving, is het belangrijk om gedurende de uitvoering van het beleid met monitoring ‘vinger aan de pols te houden’. Ook voor deze monitoring is het belangrijk om een beeld te hebben van de uitgangssituatie waartegen autonome ontwikkelingen en het optreden van effecten, kansen en risico’s kunnen worden afgezet. Deze beschrijving van de ‘foto van de leefomgeving’ biedt daarom ook een basis voor toekomstige monitoring.

1.2

Aanpak ‘Foto van de leefomgeving’

1.2.1

De basis: beoordelingskader OER

De kwaliteiten van de leefomgeving en de effecten van de Omgevingsvisie worden in beeld gebracht aan de hand van het beoordelingskader (zie tabel 1.1). Het beoordelingskader volgt de brede en integrale benadering uit de Omgevingswet [Aan de slag met de Omgevingswet, 2019]. Dit betekent dat naast de thema’s binnen de fysieke leefomgeving het beoordelingskader ook sociale en economische thema’s bevat. Met een dergelijk breed beoordelingskader kan het OER daadwerkelijk bijdragen aan een goede weging van alle relevante belangen in de Omgevingsvisie van de gemeente Leiden. Het beoordelingskader is het resultaat van een analyse van opgaven in de fysieke leefomgeving, afstemming met het proces van raadpleging over de beoogde reikwijdte en detailniveau van het OER. 25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

1

Projectgerelateerd

Het beoordelingskader is gaandeweg binnen de procesaanpak van het OER verder aangescherpt ten opzichte van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, waarbij sommige indicatoren zijn opgesplitst of samengenomen. In het voorliggende rapport wordt per hoofdstuk een thema beschreven, met daarbij de indicatoren en onderbouwing bij toegekende kwaliteitsniveaus, de daarbij gehanteerde werkwijze en bronnen. Tabel 1.1: Beoordelingskader uit OER Omgevingsvisie Leiden

Laag

People

Thema

Indicatoren

Gezondheid

Gezonde leefstijl en leefomgeving; groen- en waterbeleving

Veiligheid

Externe veiligheid; sociale veiligheid; verkeersveiligheid

Wonen en verstedelijking

Passend en toegankelijk woningaanbod; duurzame woningen; voorzieningenniveau

Sociaal maatschappelijke samenhang

Sociale cohesie in buurten; maatschappelijke participatie; inclusiviteit

Klimaat

Wateroverlast; hitte; droogte; broeikasgassen

Milieukwaliteit

Luchtkwaliteit; geluidhinder

Bodem en water

Bodemkwaliteit; bodemdaling; grond- en oppervlaktewater

Natuur en biodiversiteit

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000/NNN); gemeentelijke natuur; beschermde soorten

Ruimtelijke kwaliteit

Openbare ruimte; landschappelijke kwaliteit; cultuurhistorie en erfgoed; archeologie

Energie

Energiebesparing; duurzame energieopwekking

Grondstoffen en circulariteit

Grondstoffen en circulariteit

Economische vitaliteit

Kwaliteit en kwantiteit werklocaties; werkgelegenheid; economische zelfredzaamheid; kennis en innovatie

Bereikbaarheid

Openbaar vervoer; autobereikbaarheid; wandel- en fietsnetwerk; duurzame en slimme mobiliteit.

Recreatie en toerisme

Recreatie en toerisme

Planet

Profit

De resultaten van de foto van de leefomgeving worden visueel weergegeven in het ‘Rad van de leefomgeving’, zie hoofdstuk 2. In het ‘Rad van de leefomgeving’ zijn van alle thema’s en indicatoren de kwaliteitsniveaus weergegeven. Het verschil tussen de referentiesituatie en de huidige situatie geeft weer in hoeverre er sprake is van een negatieve of positieve autonome trend voor de verschillende indicatoren. De kwaliteitsniveaus zijn per indicator bepaald aan de hand van de definitie en de gehanteerde schaallat voor de waardering van de huidige en autonome situatie, zoals hierna omschreven.

25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

2

Projectgerelateerd

1.2.2

Aanpak beoordeling kwaliteiten van de leefomgeving

Definitie beoordelingsaspecten Belangrijk bij de waardering van de kwaliteit van de leefomgeving aan de hand van de beoordelingsaspecten is de navolgbaarheid en reproduceerbaarheid van leefomgevingskwaliteiten. De definitie van de beoordelingsaspecten is gebaseerd op de beschikbare informatie in de huidige situatie en autonome ontwikkeling (2030, aangevuld met een doorkijk naar 2040), de (milieu)wetgeving, het beleid en expert judgement o.b.v. tijdreeksen (ontwikkelingen van de indicator over de afgelopen tijd) en geografische vergelijkingen (bijvoorbeeld landelijk gemiddelde cijfers en trends). Per beoordelingsaspect is een beoordelingscriterium gedefinieerd. Voor de invulling van het beoordelingscriterium kunnen meerdere indicatoren gebruikt zijn. Voorbeeld beoordelingsaspect, -criterium en indicatoren Binnen het thema ‘Gezondheid’ is één van de beoordelingsaspecten ‘Gezonde leefstijl en leefomgeving’. Het beoordelingscriterium daarbij is de mate van een gezonde leefstijl en de beweegvriendelijkheid van de leefomgeving. De gebruikte indicatoren bij het beoordelen van dit criterium zijn 1) mate van beweegvriendelijkheid van de leefomgeving en 2) aantal sportfaciliteiten en toegankelijkheid sportfaciliteiten. Resultaten van beoordeling: kwaliteitsniveaus De beoordeling van de aspecten resulteert per aspect in een kwaliteitsniveau: groen, oranje of rood.

Per aspect is een schaallat gedefinieerd voor de toekenning van een kwaliteitsniveau. In zijn algemeenheid geldt: bij kwaliteitsniveau groen is sprake van een overwegend goede kwaliteit, er is geen sprake van overschrijding van wettelijke of beleidsnormen, knelpunten of anderszins. Bij rood is sprake van overwegend slechte kwaliteit, dat wil zeggen: er is sprake van overschrijding van normen of knelpunten. Bij oranje is er in zijn algemeenheid sprake van risico op normoverschrijding of knelpunten, de kwaliteit zit dan tussen groen en rood in. Voor het zo objectief, navolgbaar en reproduceerbaar mogelijk toekennen van kwaliteitsniveaus zijn twee aspecten bepalend: a. Beschikbare informatie en de status daarvan; b. Beschikbare referentiewaarde voor het definiëren van kwaliteitsniveau groen, oranje, rood. Per beoordelingsaspect is een schaallat voor de kwaliteitsniveaus gedefinieerd op basis van bovenstaande twee aspecten. De schaallat is gebaseerd op indicatoren die het meest tot de kern van het beoordelingsaspect behoren en waar goede informatie beschikbaar voor is om er een kwaliteitsniveau aan toe te kennen. Het kan voorkomen dat er indicatoren zijn bij een beoordelingsaspect wel in de beschrijving van de huidige situatie terugkomen, maar niet expliciet in de schaallat voor het kwaliteitsniveau.

In dat geval behoort de indicator niet tot de kern van het beoordelingsaspect en/of is de beschikbare informatie niet voldoende geschikt om het te vertalen naar een schaallat. Beschikbare informatie en status daarvan Hierbij is onderscheid in: 1. Kwantitatieve informatie: dit betreft cijfermatige informatie, bijvoorbeeld data uit rekenmodellen of meetgegevens. 2. Kwalitatieve informatie: dit betreft niet-cijfermatige informatie, bijvoorbeeld kaartmaterieel met landschapstypen. 3. Expert-judgement: in dit geval is er geen kwantitatieve of kwalitatieve informatie beschikbaar en wordt teruggevallen op het oordeel van een vakexpert.

25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

3

Projectgerelateerd

In zijn algemeenheid geldt dat kwantitatieve informatie het meest objectief, navolgbaar en reproduceerbaar is, en expert-judgement het minst. Kwalitatieve informatie zit er tussenin. Er is daarom gestreefd om de beoordeling zoveel mogelijk op basis van kwantitatieve informatie te baseren. Bij aspecten waar dat niet beschikbaar is, is teruggevallen op kwalitatieve informatie. Daar waar ook geen kwalitatieve informatie beschikbaar is, is teruggevallen op expert-judgement.

Bronvermelding De leefomgevingskwaliteiten voor de huidige situatie en de autonome ontwikkeling zijn in beeld gebracht op basis van beschikbare (cijfermatige en kwalitatieve) informatie bij de gemeente Leiden (leiden.incijfers.nl), waarstaatjegemeente.nl, het dashboard ‘Hoe is het leven in jouw regio van het Planbureau voor de Leefomgeving in samenwerking met Telos, de Atlas van de leefomgeving, Leefomgevingstoets omgevingsvisie Zuid-Holland, PlanMER NOVI, CBS Statline, GGD Hollands Midden en het RIVM. Per thema en indicator is in de navolgende hoofdstukken aangegeven welke bronnen specifiek zijn gebruikt. In de beschouwing van de autonome ontwikkeling zijn de gevolgen van verschillende trends en ontwikkelingen voor de verschillende indicatoren meegewogen, zoals technologische ontwikkelingen (zoals in mobiliteit en digitalisering), maatschappelijke ontwikkelingen (zoals ontwikkeling van de economie en het aantal huishoudens) en andere autonome trends die de kwaliteit van de fysieke leefomgeving beïnvloeden (zoals klimaatverandering). Ook is meegewogen wat de verwachte invloed is als het bestaande beleid wordt voortgezet. Waar mogelijk worden belangrijke onzekerheden expliciet benoemd (denk bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van schone, emissieloze voertuigtechnologie).

Beschikbare referentiewaarde voor het definiëren van groen, oranje, rood Onder referentiewaarde wordt hier verstaan een waarde waaraan een kwaliteitsniveau wordt gerelateerd. Hierbij is onderscheid gemaakt in: 1. Wettelijke normen; 2. Vastgestelde beleidsnormen of -doelstellingen 3. Advieswaarden van instituten (bijvoorbeeld GGD, RIVM, WHO); 4. Vraag versus aanbod (vanuit maatschappij, markt); 5. Benchmark ten opzichte van landelijk gemiddelde, tijdreeksen (ontwikkelingen van de indicator over de afgelopen tijd) en geografische vergelijkingen (cijfers en trends van vergelijkbare gemeenten of de provincie Zuid-Holland); 6. Expert judgement. Bovenstaande opsomming moet als rangorde gezien worden qua objectiviteit, navolgbaarheid en reproduceerbaarheid. Per beoordelingsaspect is het afgelopen als een ladder, te beginnen bij 1 en eindigen bij 6. Daar waar er wettelijke normen beschikbaar zijn, zijn die gehanteerd. Bij afwezigheid van wettelijke normen is teruggevallen op vastgestelde beleidsnormen en zo verder. Daar waar geen enkele andere referentie beschikbaar is om een kwaliteitsniveau aan te relateren, is teruggevallen op expert-judgement. In de hoofdstukken met de resultaten van de beoordeling zijn telkens aan het begin de gehanteerde informatie en referentiewaarde gedefinieerd.

25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

4

Projectgerelateerd

Voorbeeld schaallat kwaliteitsniveau: luchtkwaliteit Binnen het thema ‘Milieukwaliteit is één van de beoordelingsaspecten ‘Luchtkwaliteit’. Het beoordelingscriterium daarbij is de concentratie van en blootstelling aan fijnstof (PM10, PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Beschikbare informatie: kwantitatief, concentratiekaarten op basis van modelberekeningen. Referentiewaarde: wettelijke normen (grenswaarden Wet milieubeheer) en gezondheidskundige advieswaarden (WHO). Hiermee is voor dit aspect kwantitatieve informatie beschikbaar en wettelijke normen en gezondheidskundige advieswaarden als referentiewaarden voor de definitie van kwaliteitsniveaus. Op basis hiervan is de onderstaande schaallat voor kwaliteitsniveaus toegekend.

Kwaliteitsniveau Groen Oranje Rood

Luchtkwaliteit Wettelijke grenswaarden worden overal behaald en WHO-advieswaarden worden (zo goed als) overal behaald. Wettelijke grenswaarden worden overal of bijna overal behaald, WHO-advieswaarden worden niet gehaald Op meerdere locaties worden wettelijke grenswaarden overschreden.

Op basis van de beschikbare kwantitatieve informatie en de gedefinieerde schaallat is het kwaliteitsniveau toegekend voor de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Het toegekende kwaliteitsniveau is een gemeentebreed beeld, daar waar er specifieke relevante afwijkingen zijn van het gemeente brede beeld wordt dat in de onderbouwende beschrijving benoemd. De toegekende kwaliteitsniveaus zijn voor alle beoordelingsaspecten in het Rad van de leefomgeving toegekend, zoals onderstaand weergegeven.

Groen Beoordelingskader: Thema’s en beoordelingsaspect en

Oranje

Rood Waardering per beoordelingsaspect

Figuur 1.1: Algemene schaallat van de indicatoren zoals visueel weergegeven in een uitsnede van het Rad van de leefomgeving.

25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

5

Projectgerelateerd

Waardering autonome ontwikkeling Bij de beschouwing van indicatoren is een waardering gegeven aan de autonome ontwikkeling, op basis van een kwalitatieve inschatting van ontwikkelingen die optreden als gevolg van: • De mate waarin autonome trends en ontwikkelingen leiden tot een vooruitgang of achteruitgang van de huidige situatie, zoals demografische veranderingen, klimaatveranderingen en veranderingen in de woningmarkt. • De mate waarin voortzetting van bestaand (gemeentelijk) beleid leidt tot een vooruitgang of achteruitgang. • De mate waarin besluiten over plannen, programma’s en projecten die worden geïnitieerd door andere partijen zoals Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap van Rijnland en omliggende gemeenten leidt tot een vooruitgang of achteruitgang. Toekomstjaar autonome ontwikkeling De omgevingsvisie Leiden is gericht op 2040. Omdat de meeste beschikbare informatie over autonome trends of prognoses voor leefomgevingsaspecten niet verder gaan dan 2030 of omdat de onzekerheidsmarge na 2030 groot wordt, is in het OER 2030 in beginsel als toekomstjaar gehanteerd. Aanvullend is een doorkijk gegeven richting 2040.

1.3

Vigerend omgevingsbeleid en relevante fysiek ruimtelijke ingrepen

1.3.1

Samenhang met andere kaders

Bij het opstellen van de omgevingsvisie is rekening gehouden met regelgeving en beleid van andere overheden. Daarbij gaat het om beleid en besluiten die onderdeel zijn van de volgende plannen en programma’s: • Europese regelgeving: M.e.r.-richtlijn, Vogel- en Habitatrichtlijn, NEC-richtlijn, Kaderrichtlijn water, Richtlijn luchtkwaliteit, Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB), Verdrag van Malta, Verdrag van Granada, Richtlijnen trillingen. • Nationale regelgeving en beleid: o Wetten: Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet natuurbescherming (Wnb), Wet ammoniak en veehouderij (Wav), Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), Wet milieubeheer (Wm), Waterwet, Wet geluidhinder (Wgh), Erfgoedwet 2016, Wet archeologische monumentenzorg (Wamz), Wet bodembescherming (Wbb); o Besluiten: Besluit ruimtelijke ordening (Bro), Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro en Rarro), Besluit huisvesting ammoniak en veehouderijen (Amvb Huisvesting), Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (Bevi, Revi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, Revb), Besluit externe veiligheid Transport (Bevt, Revt), Besluit bodemkwaliteit (Bbk), Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water (BKMW); o Nota’s: Nationale Omgevingsvisie (NOVI), Nationaal waterplan 2016-2021, Structuurvisie buisleidingen

(2012-2035), Waterbeleid 21e Eeuw, Klimaatakkoord, regionaal energieakkoord, Energieakkoord. • Regionaal: Provinciale Omgevingsvisie Zuid-Holland, Programma Zuid-Hollands Groen, Programma Zuid-Hollandse Economie, Provinciaal Fietsplan, Regionale rampenbestrijding en crisisbeheersing beleidsplan 2019-2022, Regionaal risicoprofiel Haaglanden t.b.v. multidisciplinair rampenbestrijding en crisisbeheersing, Regionale agenda omgevingsvisie 2040 Hart van Holland • Gemeentelijk: Structuurvisie uit de Wro, Duurzaamheidsagenda 2016-2020, Kadernota inrichting openbare ruimte 2025, Nota versterken en verbinden van groen in Leiden, Nota herijking fietsroutes Leiden 2013-2020, Handboek openbare ruimte 2013-2025, Erfgoednota 2014-2020, Mobiliteitsnota Leiden 2014-2022, Retailvisie Leidse Regio 2025, Winkelnota Leidse Binnenstad 2018-2021,

25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

6

Projectgerelateerd

Programma Leiden Kennisstad, Beleidskader Maatschappelijke zorg 2017-2025, Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond 2016-2020, Afvalbeleidskader 2018-2022, Uitwerkingsplan Groene Hoofdstructuur, Integraal Veiligheidsplan 2019-2022, Actieplan Omgevingslawaai 2018-2023, Beleidskader Sport en Gezondheid 2019-2023, Woonvisie 20202030, Uitvoeringsagenda Wonen Leiden 2020-2023, De warmtevisie van Leiden, Beleidsplan werk & participatie 2019-2023, Leiden Duurzaam Bereikbaar: Mobiliteitsnota Leiden 2020-2030, Leiden Duurzaam Bereikbaar: Beleidsprogramma Fiets 2020-2030.

1.3.2

Relevante fysiek ruimtelijke ingrepen

Onderstaand zijn relevante fysiek ruimtelijke ingrepen in (of in de nabijheid van) de gemeente Leiden opgesomd. Omdat over de ingrepen inmiddels besluiten zijn genomen, maken ze onderdeel uit van de autonome ontwikkeling): • Rijnlandroute; • Leidse Ring; • Singelpark.

25-6-2021

FOTO VAN DE LEEFOMGEVING LEIDEN

BG9638TPRP2106231021

7

Projectgerelateerd

2

Rad van de leefomgeving Leiden

De resultaten van het opstellen van de foto van de leefomgeving zijn samengevat weergegeven in het Rad van de leefomgeving Leiden op pagina 10. Het transparante lichte vlak geeft de huidige situatie weer, de blauwe stippellijn de autonome ontwikkeling in 2030. Het verschil tussen de autonome ontwikkeling en de huidige situatie geeft weer in hoeverre er sprake is van een negatieve of positieve autonome trend voor de verschillende indicatoren. De positie van de lijnen in het Rad (het transparante vlak en de blauwe stippellijn) is per indicator bepaald aan de hand van de definitie en de gehanteerde schaallat voor de waardering van de huidige en autonome situatie, zoals in de navolgende hoofdstukken per thema en beoordelingsaspect beschreven en verantwoord. Onderstaand worden voor de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen beknopte samenvattingen gegeven. De volgende hoofdstukken bevatten de volledige beschrijvingen voor alle beoordelingsaspecten. Huidige situatie: wisselend kwaliteitsbeeld De huidige staat van de fysieke leefomgeving laat een wisselend beeld zien. Vooral qua voorzieningenniveau, openbare ruimte, landschappelijke kwaliteit, cultuurhistorie en erfgoed, werkgelegenheid, kennis en innovatie, recreatie en toerisme, en openbaar vervoer staat de fysieke leefomgeving er op dit moment over het algemeen goed voor (‘groen’).

Leefomgevingsaspecten met een laag kwaliteitsniveau (‘rood’) zijn gezonde leefstijl, duurzame woningen en passend en toegankelijk woningaanbod, klimaat (wateroverlast, hitte en broeikasgassen), natuur, duurzame energieopwekking en grondstoffen en circulariteit. Autonome ontwikkeling 2030: negatieve en positieve trends De autonome ontwikkeling laat wisselende trends zien in de kwaliteit van de leefomgeving. Bij passend en toegankelijk woningaanbod, wateroverlast en hitte is ook in 2030 nog sprake van een tekortschietend kwaliteitsniveau, naar verwachting op hetzelfde niveau als in de huidige situatie. Bezien vanuit het belang van de kwaliteit van de leefomgeving liggen bij deze aspecten belangrijke opgaven voor de Omgevingsvisie. Problemen doen zich vooral voor op de volgende plekken: • Passend en toegankelijk woningaanbod: doet zich verspreid over de gemeente Leiden voor. • Wateroverlast: hoge aandelen verhard oppervlakte een daardoor risico op wateroverlast doen zich vooral voor in de binnenstad en Leiden-Noord en in de wijken de Tuinstad wijk, Cronestein, Dobbewijk-zuid en Schenkwijk. • Hitte: het stedelijk hitte-eiland effect ligt in de nagenoeg gehele bebouwde omgeving van Leiden tussen de 2°C en 3°C, met daardoor risico op hittestress. Het hitterisico is het grootst in de binnenstad en het stationsgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10409206/1