210078 Bijlage 3 Het Omgevingseffectrapport
Tekst van het document
2.2
Totstandkoming van de omgevingsvisie
De gemeenteraad heeft op 15 juli 2019 de eerste versie van de omgevingsvisie vastgesteld: de Omgevingsvisie Leiden 2040, versie 1.0. Vervolgens is verder gewerkt aan de vervolgversie 1.1 die in dit OER is beoordeeld. In onderstaande tabel is aangegeven welke onderdelen van de visie zijn opgenomen in de versie 1.0 en versie 1.1, wie daarbij betrokken zijn en op welke manier daar milieu/leefomgevingsinformatie bij is gebruikt.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
23
Tabel 1: Versies omgevingsvisies, inhoud en totstandkoming. Versie omgevingsvisie
Onderdelen
Betrokkenen/participatie
Gebruikte informatie milieu/leefomgeving
1.0
Trends en ontwikkelingen
Resultaten gepubliceerd in Omgevingsvisie Leiden 2040 versie 1.0, waar eenieder op heeft kunnen reageren, o.a. middels een enquête.
Desk-research, omgevingsvisie Hart van Holland.
Leidse waarden
Inwoners d.m.v. ‘Week van het Stadsgesprek’, gesprekken met ‘stadmakers’6 en scholieren.
N.v.t.
Verhaallijnen
Gesprekken met ‘stadmakers’, inwoner enquêtes, werksessies gemeenteraad.
Trends en ontwikkelingen conform bovenstaand.
Ambities
Ambities zijn afgeleid vanuit het Beschrijving huidige situatie en proces als doorlopen bij de 1.0 autonome ontwikkeling OER versie van de omgevingsvisie, zie (‘Foto van de leefomgeving’) bovenstaand de daarbij betrokkenen/participatie.
Strategische, richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid
Inwoners, bedrijven, Alternatievenbeoordeling, maatschappelijke organisaties, effectbeoordeling, botsproeven, door middel van: doelbereik OER. - presentaties en gesprekken met belangenvertegenwoordigers, stadmakers en adviesraden. - ‘webtalk’ waarin inwoners konden meepraten over de nieuwe strategische richtinggevende uitspraken en keuzes in de omgevingsvisie. - enquete voor inwoners. Voor meer informatie: zie het participatieverslag, als bijlage bij de omgevingsvisie.
1.1
6
Inwoners die beroepsmatig bezig zijn met de ontwikkeling van Leiden.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
24
3
Hoe is dit OER gemaakt?
3.1
Proces en aanpak
Onderstaand figuur geeft de procesaanpak van dit omgevingseffectrapport (OER) schematisch weer. In deze paragraaf worden de stappen op hoofdlijnen beschreven. In de overige hoofdstukken van dit OER worden deze stappen uitgebreider beschreven. Figuur 2: Procesaanpak.
NRD De m.e.r.-procedure is gestart met de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD). Het beschrijft wat er in het OER onderzocht wordt (‘reikwijdte’) en op welke manier en met welke diepgang (‘detailniveau’). De NRD is op 8 oktober 2019 door het college van B&W vastgesteld (besluitnummer 19.0483). Beoordelingskader In het beoordelingskader zijn leefomgevingsaspecten opgenomen die in dit OER beoordeeld zijn. Het vormt daarmee het kader voor de beschrijving van de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen en de effecten van de omgevingsvisie. Huidige situatie en autonome ontwikkeling In de Foto van de leefomgeving zijn de huidige situatie en autonome ontwikkeling tot 2030 (trends, ontwikkelingen en vigerend beleid) beschreven voor de beoordelingsaspecten zoals opgenomen in het beoordelingskader. Het is opgesteld op basis van de best beschikbare actuele informatie, data en toekomstprognoses. Effectbeoordeling alternatieven In het OER zijn vier alternatieven voor nieuw beleid onderzocht. Elk alternatief is ingevuld vanuit een bepaalde dominante invalshoek, waarbij elk alternatief een bepaalde nadruk kent qua beleidsinvulling. Aan de hand van het beoordelingskader zijn de effecten van de alternatieven in beeld gebracht.
Effectbeoordeling voorkeursalternatief Op basis van alternatievenbeoordeling is de gemeente gekomen tot een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Daarbij zijn elementen uit de vier alternatieven samengevoegd tot één omvattend geheel van strategische, richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw omgevingsbeleid. Aan de hand van het beoordelingskader zijn de effecten van het nieuwe beleid in beeld gebracht.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
25
Passende Beoordeling Natura 2000 Omdat op voorhand niet uitgesloten kon worden dat het nieuwe beleid tot significante negatieve effecten in Natura 2000-gebieden leidt, is een passende beoordeling opgesteld. Daarin is beoordeeld of het nieuwe beleid tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kan leiden en zo ja, op welke manier die effecten voorkomen kunnen worden (‘mitigerende maatregelen’). Beoordeling consistentie in beleid Met zogenaamde ‘botsproeven’ is beoordeeld in hoeverre het nieuwe beleid consistent is, verschillende beleidsonderdelen elkaar versterken en kunnen conflicteren. Beoordeling doelbereik Op basis van de beoordelingsaspecten van het OER die samenhangen met de ambities van de omgevingsvisie, is beoordeel in hoeverre het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van die ambities. Mitigerende maatregelen Voor leefomgevingsaspecten waar het nieuwe beleid risico’s oplevert op negatieve effecten, en waar er ondanks het nieuwe beleid nog sprake is van een tekortschietend kwaliteitsniveau mogelijkheden voor verdere verbetering gegeven. Dat is gedaan in de vorm van beleidsopties of concrete mitigerende maatregelen. Effectbeoordeling in lijn met karakter omgevingsvisie De omgevingsvisie bevat strategisch beleid op hoofdlijnen, verdere uitwerking van beleid vindt plaats in bijvoorbeeld programma’s of het omgevingsplan.
Omdat het om hoofdlijnen van beleid gaat, is in het OER aansluitend daarop ook op hoofdlijnen beoordeeld wat de effecten zijn - in termen van kansen en risico’s. Dat is gedaan op basis van deskundigenoordeel, ook wel ‘expert-judgement’ genoemd. Modelberekeningen kunnen vanwege het karakter van het strategische beleid op hoofdlijnen niet gedaan worden en zijn ook niet zinvol. Bij verdere uitwerking van het beleid kan sprake zijn van m.e.r.(beoordelings)plicht, waarvoor voor het betreffende onderdeel dan een MER opgesteld moet worden. Dit OER kan dan als basis gebruikt worden, waarbij verdere detaillering noodzakelijk kan zijn. Bijvoorbeeld in de vorm van modelberekeningen.
3.2
Beoordelingskader
De kwaliteiten van de leefomgeving en de effecten van de omgevingsvisie zijn in beeld gebracht aan de hand van het beoordelingskader (zie onderstaande tabel). Het beoordelingskader volgt de brede en integrale benadering uit de Omgevingswet. Dit betekent dat naast de thema’s binnen de fysieke leefomgeving het beoordelingskader ook sociale en economische thema’s bevat. Met een dergelijk breed beoordelingskader kan het OER daadwerkelijk bijdragen aan een goede en brede weging van alle relevante belangen in de omgevingsvisie van de gemeente Leiden. Het beoordelingskader is het resultaat van een analyse van opgaven in de fysieke leefomgeving en de ambities voor de omgevingsvisie. Bij het opstellen van te beschouwen beoordelingsaspecten is ook in ogenschouw genomen welke gegevens er beschikbaar waren. Het beoordelingskader is gaandeweg binnen de procesaanpak van het OER verder aangescherpt ten opzichte van de NRD, waarbij sommige beoordelingsaspecten zijn opgesplitst of samengenomen.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
26
Tabel 2: Beoordelingskader OER. Laag
Thema
Beoordelingsaspecten
Gezondheid
Gezonde leefstijl en leefomgeving, groen- en waterbeleving
Veiligheid
Externe veiligheid, sociale veiligheid, verkeersveiligheid
Wonen en verstedelijking
Passend en toegankelijk woningaanbod, duurzame woningen, voorzieningenniveau
Sociaal maatschappelijke samenhang
Maatschappelijke participatie, sociale cohesie in buurten, inclusiviteit
Klimaat
Wateroverlast, hitte, droogte, broeikasgassen
Milieukwaliteit
Luchtkwaliteit, geluidhinder
Bodem en water
Bodemkwaliteit, bodemdaling, grond- en oppervlaktewater
Natuur en biodiversiteit
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000/NNN), gemeentelijke natuur, beschermde soorten en leefgebieden
Ruimtelijke kwaliteit
Openbare ruimte, landschappelijke kwaliteit, cultuurhistorie en erfgoed, archeologie
Energie
Energiebesparing, duurzame energieopwekking
Grondstoffen en circulariteit
Grondstoffen en circulariteit
Economische vitaliteit
Kwaliteit en kwantiteit werklocaties, werkgelegenheid, economische zelfredzaamheid, kennis en innovatie
Bereikbaarheid
Openbaar vervoer, autobereikbaarheid, wandel- en fietsnetwerk, duurzame en slimme mobiliteit
Recreatie en toerisme
Recreatie en toerisme
People
Planet
Profit
Effecten van nieuw beleid en verdere doorwerking daarvan De mate waarin positieve dan wel negatieve effecten van het nieuwe beleid in de omgevingsvisie zich in de praktijk voor zullen doen is afhankelijk van de manier waarop het beleid na vaststelling van de omgevingsvisie verder wordt uitgewerkt in bijvoorbeeld omgevingsplan of uitvoeringsprogramma’s. De in dit OER beschreven kansen en risico’s op positieve en negatieve effecten zijn gebaseerd op kwalitatieve expert-inschattingen, voor zover die nu op basis van de omschrijving van het strategische beleid op hoofdlijnen in de omgevingsvisie gegeven kunnen worden.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
27
4
Hoe staat de Leidse leefomgeving er voor?
4.1
Foto van de leefomgeving
De ‘Foto van de leefomgeving’ beschrijft de staat van de leefomgeving in de gemeente Leiden. Hierbij wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling tot 2030 gemeentebreed beschreven. De huidige situatie en de autonome ontwikkeling vormen samen de referentiesituatie voor dit OER. De beschrijving van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling is in samengevatte vorm weergeven in het ‘Rad van de leefomgeving’, in de vorm van kwaliteitsniveaus hoe de leefomgeving er voor staat (zie Figuur 3). In dit hoofdstuk wordt eerst op hoofdlijnen beschreven hoe de beschrijving van de referentiesituatie heeft plaatsgevonden, gevolgd door de resultaten daarvan. De volledige Foto van de leefomgeving en onderbouwing daarbij is opgenomen in bijlage A1.
4.2
Wijze van beschrijving referentiesituatie
De huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn beschreven aan de hand van het toekennen van kwaliteitsniveaus. Daarmee is een overzichtelijk beeld ontstaan van waar de leefomgeving gemeentebreed op orde is, waar er problemen en knelpunten optreden en wat de autonome trends daarin zijn. Voor de toekenning van een kwaliteitsniveau aan de beoordelingsaspecten is per beoordelingsaspect een schaallat gedefinieerd. Op basis van deze schaallat is een kwaliteitsniveau toegekend aan de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. In zijn algemeenheid geldt: bij kwaliteitsniveau groen is overwegend sprake van een goede kwaliteit, dat wil zeggen: er is geen sprake van overschrijding van wettelijke of beleidsnormen, knelpunten of anderszins. Bij rood is sprake van overwegend slechte kwaliteit, dat wil zeggen: er is sprake van overschrijding van normen of knelpunten. Bij oranje is er sprake van een wisselend beeld ten aanzien van de aanwezigheid van problemen en/of het risico op problemen, de kwaliteit zit dan tussen groen en rood in. Rad van de leefomgeving De resultaten van de beoordeling van de huidige situatie en autonome ontwikkeling worden weergeven in het zogenaamde ‘Rad van de leefomgeving’. Het rad visualiseert hoe de kwaliteit van de leefomgeving er in de gemeente Leiden voor staat voor alle thema’s en beoordelingsaspecten.
In de beoordeling van de beoordelingsaspecten zijn de volgende kwaliteitsniveaus gehanteerd: Gemeentebreed overwegend geen sprake van knelpunten of problemen (‘goed’) Gemeentebreed overwegend wisselend sprake van wel en geen knelpunten/problemen of risico (‘oranje’) Gemeentebreed overwegend sprake van knelpunten/problemen (‘slecht’) In het rad wordt de huidige situatie weergeven door de witte aaneengesloten lijn, de autonome ontwikkeling wordt weergeven door de donkerblauwe stippellijn.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
28
Voor het zo objectief, navolgbaar en reproduceerbaar mogelijk toekennen van kwaliteitsniveaus zijn de volgende factoren bepalend: 1. Beschikbare informatie en status daarvan Hierbij is onderscheid in: 1) Kwantitatieve informatie: dit betreft cijfermatige informatie, bijvoorbeeld data uit rekenmodellen of meetgegevens. 2) Kwalitatieve informatie: dit betreft niet-cijfermatige informatie, bijvoorbeeld kaartmaterieel met landschapstypen. 3) Expert-judgement: in dit geval is er geen kwantitatieve of kwalitatieve informatie beschikbaar en wordt teruggevallen op het oordeel van een expert. In zijn algemeenheid geldt dat kwantitatieve informatie het meest objectief, navolgbaar en reproduceerbaar is, en expert-judgement het minst. Kwalitatieve informatie zit er tussenin. Er is daarom gestreefd om de beoordeling zoveel mogelijk op basis van objectieve, kwantitatieve informatie te baseren. Bij beoordelingsaspecten waar dat niet beschikbaar is, is teruggevallen op kwalitatieve informatie. Daar waar ook geen kwalitatieve informatie beschikbaar is, is teruggevallen op expert-judgement. In de Foto van de leefomgeving (zie bijlage A1) is per beoordelingsaspect aangegeven welk type informatie is gebruikt. 2. Beschikbare referentiewaarde voor het definiëren van groen, oranje, rood Onder referentiewaarde wordt hier verstaan een waarde waaraan een kwaliteitsniveau wordt gerelateerd.
Hierbij is onderscheid gemaakt in: 1) Wettelijke normen; 2) Vastgestelde beleidsnormen of -doelstellingen; 3) Advieswaarden van instituten (bijvoorbeeld GGD, RIVM, WHO); 4) Vraag versus aanbod (vanuit maatschappij, markt); 5) Benchmark ten opzichte van landelijk gemiddelde, tijdreeksen (ontwikkelingen van het beoordelingsaspect over de afgelopen tijd) en geografische vergelijkingen (cijfers en trends van vergelijkbare gemeenten of de provincie Zuid-Holland); 6) Expert-judgement. Bovenstaande opsomming moet als rangorde gezien worden qua objectiviteit, navolgbaarheid en reproduceerbaarheid. Per beoordelingsaspect is het afgelopen als een ladder. Daar waar er wettelijke normen beschikbaar zijn, zijn die gehanteerd. Bij afwezigheid van wettelijke normen is teruggevallen op vastgestelde beleidsnormen en zo verder. Daar waar geen enkele andere referentie beschikbaar is om een kwaliteitsniveau aan te relateren, is teruggevallen op expert-judgement. In de Foto van de leefomgeving (zie bijlage A1) is per beoordelingsaspect aangegeven wat voor referentiewaarde is gebruikt voor het toekennen van het kwaliteitsniveau.
Waardering autonome ontwikkeling Ten aanzien van de autonome ontwikkeling is een beoordeling opgesteld op basis van een kwalitatieve inschatting van ontwikkelingen die optreden als gevolg van: • De mate waarin autonome trends en ontwikkelingen leiden tot een vooruitgang of achteruitgang van de huidige situatie, zoals demografische veranderingen, klimaatveranderingen en veranderingen in de woningmarkt. • De mate waarin voortzetting van bestaand (gemeentelijk) beleid leidt tot een vooruitgang of achteruitgang. • De mate waarin besluiten over plannen, programma’s en projecten die worden geïnitieerd door andere partijen zoals Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap van Rijnland en omliggende gemeenten leidt tot een vooruitgang of achteruitgang. 25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
29
4.3
Kwaliteiten van de Leidse leefomgeving, huidig en autonoom
Hieronder wordt op hoofdlijnen de referentiesituatie beschreven aan de hand van onderstaand Rad van de leefomgeving (Figuur 3Error! Reference source not found.). Het rad laat de gemeentebrede kwaliteiten van de beschouwde leefomgevingsaspecten zien, in de huidige situatie (witte lijn) en bij autonome ontwikkeling in 2030 (stippellijn). De volledige beschrijving van de referentiesituatie en de onderbouwing daarbij is opgenomen in de Foto van de leefomgeving in bijlage A1. Huidige situatie: wisselend kwaliteitsbeeld De huidige staat van de fysieke leefomgeving laat een wisselend beeld zien. Vooral qua voorzieningenniveau, openbare ruimte, landschappelijke kwaliteit, cultuurhistorie en erfgoed, werkgelegenheid, kennis en innovatie, recreatie en toerisme, en openbaar vervoer staat de fysieke leefomgeving er op dit moment over het algemeen goed voor (‘groen’). Leefomgevingsaspecten met een laag kwaliteitsniveau (‘rood’) zijn gezonde leefstijl, duurzame woningen en passend en toegankelijk woningaanbod, klimaat (wateroverlast, hitte en broeikasgassen), natuur, duurzame energieopwekking en grondstoffen en circulariteit. Autonome ontwikkeling 2030: negatieve en positieve trends De autonome ontwikkeling laat wisselende trends zien in de kwaliteit van de leefomgeving.
Bij passend en toegankelijk woningaanbod, wateroverlast en hitte is ook in 2030 nog sprake van een tekortschietend kwaliteitsniveau, naar verwachting op hetzelfde niveau als in de huidige situatie. Bezien vanuit het belang van de kwaliteit van de leefomgeving liggen bij deze aspecten belangrijke opgaven voor de Omgevingsvisie. Problemen doen zich vooral voor op de volgende plekken: • Passend en toegankelijk woningaanbod: doet zich verspreid over de gemeente Leiden voor. • Wateroverlast: hoge aandelen verhard oppervlakte een daardoor risico op wateroverlast doen zich vooral voor in de binnenstad en Leiden-Noord en in de wijken de Tuinstad wijk, Cronestein, Dobbewijk-zuid en Schenkwijk. • Hitte: het stedelijk hitte-eiland effect ligt in de nagenoeg gehele bebouwde omgeving van Leiden tussen de 2°C en 3°C, met daardoor risico op hittestress. Het hitterisico is het grootst in de binnenstad en het stationsgebied. Bij gezonde leefstijl en leefomgeving, uitstoot broeikasgassen, beschermde natuurgebieden, gemeentelijke natuur en duurzame energieopwekking zijn positieve autonome trends te verwachten, maar niet voldoende om ‘uit het rood’ te komen. Dat betekent dat ook hier opgaven liggen voor de Omgevingsvisie. Hier vormen de volgende plekken een aandachtspunt: • Gezonde leefstijl en leefomgeving: doet zich verspreid over de gemeente Leiden voor.
• Broeikasgassen: uitstoot van verkeer en gebouwen vindt plaats in de hele stad. • Beschermde natuurgebieden: dit gaat om Natura 2000-gebieden buiten de gemeentegrens van Leiden (Meijendel & Berkheide, De Wilck, Coepelduynen en Kennemerland-Zuid). Stikstof dat binnen Leiden uitgestoten wordt, kan in die gebieden neerslaan. • Gemeentelijke natuur: doet zich verspreid over de gemeente Leiden voor. Bij landschappelijke kwaliteit en cultuurhistorie en erfgoed zijn negatieve trends te verwachten van groen naar oranje. Negatieve trends binnen oranje zijn er bij externe veiligheid, sociale veiligheid, maatschappelijke participatie, droogte, bodemdaling en archeologie. Ook hier liggen opgaven voor de Omgevingsvisie. Locaties met aandachtspunten zijn: • Landschappelijke kwaliteit: de Oostvlietpolder en Park Cronesteyn, die liggen binnen het landschappelijke gebiedsprofiel Duin, Horst en Weide. • Cultuurhistorie en erfgoed: de binnenstad en molenbiotopen in Leiden-Noord, Stevenshof, Roomburg, het Boerhaavedistrict en het Bos- en Gasthuisdistrict.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
30
•
• • • •
Externe veiligheid: buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen ten noorden van de binnenstad via de Willem de Zwijgerlaan en in de Oostvlietpolder, risicocontouren bij transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de rijkswegen A4, A44 en de provinciale weg N206. Daarnaast is de gasleiding naar de elektriciteitscentrale aan de Langegracht een risicobron. Sociale veiligheid: stadsdelen midden (sociale overlast) en Noord en West (fysieke verloedering). Droogte: Oostvlietpolder, Park Cronesteyn, de wijken Roomburg, Meerburg en Stevenshof. Bodemdaling: vooral het noordelijke deel van Leiden(Leiden-Noord en Merenwijk), daarnaast de Oostvlietpolder. Archeologie: in en rondom de binnenstad, Leiden-Noord, Polderpark Cronesteyn en rondom het Leiden Bio Science Park, en de archeologische limeszone en het kanaal van Corbula van oost naar west door Leiden.
Duurzame woningen, en grondstoffen en circulariteit verbeteren in de autonome ontwikkeling van rood naar oranje. Positieve trends binnen oranje zijn er bij sociale cohesie in buurten, inclusiviteit, luchtkwaliteit, gronden oppervlaktewater, beschermde soorten, energiebesparing, autobereikbaarheid en wandel- en fietsnetwerk. Groen- en waterbeleving, verkeersveiligheid, geluidhinder en kwaliteit en kwantiteit werklocaties zijn beoordelingsaspecten die autonoom geen verbetering of verslechtering ten opzichte van de huidige situatie binnen kwaliteitsniveau ‘oranje’ laten zien. Aspecten waar de kwaliteit in de huidige situatie goed is (‘groen’) en bij autonome ontwikkeling verder verbetert zijn openbare ruimte, werkgelegenheid en kennis en innovatie. Bodemkwaliteit en duurzame en slimme mobiliteit verbeteren van oranje naar groen.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
31
Figuur 3: Rad van de leefomgeving huidige situatie en autonome ontwikkeling.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
32
7
Autonome ontwikkeling en COVID-19 Tijdens het opstellen van het OER vond een uitbraak plaats van het coronavirus COVID-19. Om de verspreiding en gevolgen van dit virus in te dammen zijn door de Rijksoverheid maatregelen ingesteld, met impact op economische en maatschappelijk activiteiten en gebruik van de openbare ruimte. Deze maatregelen hebben ook impact op de leefomgeving. Bijvoorbeeld zoveel mogelijk thuiswerken, wat in korte tijd leidde tot minder autogebruik en afname van reizigers in het OV. Op de korte termijn zijn er onder andere daardoor positieve effecten op de leefomgeving: verminderde druk op natuur en milieu, schonere lucht en een stillere leefomgeving4. De vraag is wat de gevolgen voor de middellange en lange termijn kunnen zijn, en daarmee ook op de autonome ontwikkeling zoals in dit OER in beeld gebracht. De in dit OER beschreven autonome ontwikkeling (zichtjaar 2030, doorkijk naar 2040) is op basis van de best beschikbare actuele inzichten en (model)prognoses opgesteld. Mogelijke gevolgen van COVID-19-maatregelen op de middellange en lange termijn zijn op dit moment per definitie onzeker en nog niet in (model)prognoses opgenomen. Het is daarom op dit moment niet mogelijk om tot een robuust onderbouwde prognose te komen van de mogelijke gevolgen van COVID-19-maatregelen op de langere termijn. Een daarop aangepaste autonome ontwikkeling is dan ook niet zinvol.
In die zin is de in dit OER beschreven autonome ontwikkeling een best mogelijk in beeld gebrachte toekomstprognose. Wat wel kan is op basis van expert-inschatting en inzichten van nu een beeld geven van leefomgevingsaspecten die potentieel gevoelig zijn voor impact van COVID-19-maatregelen op de langere termijn. Dat is in de Foto van de leefomgeving gedaan, voor de leefomgevingsaspecten die in dit OER beschouwd zijn (zie bijlage A1, hoofdstuk 17). Het moet gezien worden als een gevoeligheidsanalyse op de in beeld gebrachte autonome ontwikkelingen (2030-2040).
7
Verwest, F., J. Nooteboom, O.-J. van Gerwen (2020), Van coronacrisis naar duurzaam herstel. Den Haag: Planbureau voor de leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4209. 28 juni 2020. 25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
33
5
Wat zijn de beleidsalternatieven en de effecten daarvan?
5.1
Totstandkoming alternatieven
De gemeente Leiden heeft vanuit de verhaallijnen uit de Omgevingsvisie 1.0 (zie hoofdstuk 2) en de Foto van de Leefomgeving vanuit het OER vier alternatieven opgesteld. Elk alternatief is ingevuld vanuit een dominante invalshoek, zie onderstaande tabel. De alternatieven zijn opgesteld met als doel om inzicht te krijgen in de gevolgen van keuzes voor nieuw omgevingsbeleid vanuit verschillende invalshoeken. De resultaten van de alternatievenbeoordeling zijn tussentijds in een notitie aan de gemeente Leiden opgeleverd, zie Notitie beoordeling alternatieven. Tabel 3: Alternatieven, invalshoeken en gerelateerde beoordelingsaspecten OER. Alternatief
Dominante invalshoek
Dominante gerelateerde beoordelingsaspecten OER
Groene en gezonde waterstad
Meest duurzaam, veel ruimte voor groen en water, gericht op gezondheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie.
Gezonde leefstijl en leefomgeving, groen- en waterbeleving, wateroverlast, hitte, droogte, broeikasgassen, gemeentelijke natuur en beschermde soorten, duurzame energieopwekking.
Verbonden stad voor iedereen
Meest inclusieve stad: alle Leidenaren tellen Passend en toegankelijk woningaanbod, mee. Meest lokaal gericht. Extra woningen. maatschappelijke participatie, sociale Bewoners zijn goed verbonden met elkaar en de cohesie in buurten, inclusiviteit. rest van de buurt en stad. Meest gemixte stad.
Stad van onderwijs, werk, kennis en innovatie
Stad waar kennisoverdracht centraal staat. Meest Kwaliteit en kwantiteit werklocaties, accent op vitale stedelijke economie, met werkgelegenheid, kennis en innovatie, (inter)nationale aantrekkingskracht. Meest openbaar vervoer. regionaal/(inter)nationaal gericht georiënteerd.
Stad van historie en cultuur
Historie en cultuur gaan hand in hand, in een levendige en veranderende stad.
5.2
Passend en toegankelijk woningaanbod, cultuurhistorisch erfgoed, archeologie.
Beschrijving alternatieven
Voor de alternatievenbeoordeling in het OER is per alternatief een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER (zoals opgenomen in het beoordelingskader); • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
34
Alternatief 1: Groene en gezonde waterstad Meest duurzaam, veel ruimte voor groen en water, gericht op gezondheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Tabel 4: Beleidsuitspraken behorende bij alternatief 1. Beleidsuitspraken 1.
Duurzame opwekking vergroten door drie windmolens in Oostvlietpolder te realiseren.
2.
Zonneopwekking op alle daken (woningen, bedrijven en ook monumenten - uitgangspunt is 6 panelen per dak).
3.
Extra 150 kV onderstation aan de oostzijde en een extra 50kV onderstation in Leiden.
4.
Warmtenet (grotendeels restwarmte Rotterdamse haven) ook door de binnenstad en bouwkundige aanpassingen aan gebouwen (ook monumenten).
5.
Al het nieuwe groen wordt zo biodivers mogelijk ingericht, en bestaand groen wordt geleidelijk een zo biodivers mogelijk invulling gegeven en alle nieuwbouwontwikkelingen worden natuurinclusief gebouwd met meer ruimte voor variëteit aan dieren plantsoorten.
6.
Ecologische hotspots beschermen en verbinden door ecologische routes te maken (conform advies stadsecoloog).
7.
Maken tweede groene stadsring met boombeplanting t.h.v. Lelylaan, Churchilllaan, Vliet, Stinksloot en landgoederenzone + groene verbindingen met boombeplanting tussen Singelgracht en tweede ring en buitengebied. Dit zijn ook koele routes en lange lijnen de stad uit – naar aantrekkelijke landschappen.
8.
Planten 10.000 (diverse soorten) bomen.
9.
Bodemdaling tegengaan door reguleren grondwater. Dit doen wij door het polderpeil aan te passen, voornamelijk aan de noord- en oostzijde Merenwijk en de Zeeheldenbuurt.
10.
Nieuw oppervlaktewater maken voor onder andere klimaatopgave. Concreet wordt de Mendelssohnkade in Zuidwest en de kade in de Surinamestraat doorgetrokken.
11.
Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen wordt ten minste 1 waterkant openbaar toegankelijk gemaakt.
12.
Bestaande (versteende) oevers (alles buiten singelgracht) worden natuurvriendelijk gemaakt waardoor er meer groenoppervlak bij komt.
13.
We gaan groene fietsstraten ontwikkeld. Dit wordt gedaan door een tweede singelring te creëren en deze singelring te verbinden met bestaande fietsringen, waarin de fiets meer ruimte krijgt door bredere fietspaden ten koste van ruimte van de auto te realiseren maar ook meer meters fietspad te realiseren door ontbrekende schakels te realiseren.
14.
Daarnaast worden er drie nieuwe bruggen naar de Oostvlietpolder, Park Cronesteyn en Boterhuispolder voor langzaam verkeer (fiets en voetganger) gerealiseerd. Ook wordt de bestaande route naar het Valkenburgse meer verbeterd door hem te verbreden.
15.
HOV+ (lightrailachtig concept) realiseren van de kust, via Leiden en naar Leiderdorp.
16.
Auto luwe stad –Leidse ring is enige route voor doorgaand verkeer, daarnaast introduceren lussenstructuur vanaf ring i.c.m. buurtgarages.
17.
Bedrijfsterrein Amphoraweg en de Waard worden getransformeerd naar gemengde woon/werklandschappen.
18.
Binnenstedelijke bedrijventerreinen transformeren naar ander type bedrijvigheid met een maximale milieucategorie van 2 Vooral gericht op duurzame en circulaire bedrijvigheid i.v.m. luchtkwaliteit en gezonde leefomgeving.
19.
We realiseren 4500, waarvan dertig procent sociaal, woningen tussen 2020 en 2030, en nog eens 2000 (ook 30% sociaal) woningen extra van 2030 tot 2040. Deze extra woningen komen als compacte nieuwbouw met een hoge dichtheid bij HOVlocaties.
20.
Alle nieuwbouwontwikkelingen worden “natuurinclusief” gebouwd, met ruimte voor een grote variëteit aan dier- en plantsoorten.
21.
Meer ruimte voor sporten door drie sportvelden op binnenstedelijke bedrijventerreinen te realiseren.
22.
Meer ruimte voor spelen maken door vrij te komen ruimte door het weghalen parkeerplaatsen te gebruiken als speelruimte. Deze speelruimtes worden zo biodivers mogelijk ingericht.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
35
Alternatief 2: Verbonden stad voor iedereen Meest inclusieve stad: alle Leidenaren tellen mee. Meest lokaal gericht. Extra woningen. Bewoners zijn goed verbonden met elkaar en de rest van de buurt en stad. Meest gemixte stad. Tabel 5: Beleidsuitspraken behorende bij alternatief 2 Beleidsuitspraken 1.
Ruimte voor collectieve/lokale energieopwekking. Dit betekent dat er circa 15-20 initiatieven op buurtniveau worden gerealiseerd.
2.
Er wordt substantieel meer gebruiksgroen (in de vorm van grasvelden en laag struikgewas) in iedere wijk/buurt gerealiseerd. Elke wijk heeft eigen park welke goed en veilig bereikbaar is. Concreet betekent dit dat er in LBSP nog een park bij moet komen, en dat drie bestaande parkeren opgeplust en uitgebouwd dienen te worden.
3.
Er wordt substantieel meer water en speelruimten in de woonwijken gerealiseerd.
4.
Veilige wandel- en fietsroutes, voor iedereen. Fietsers, wandelaar en voetgangers voorrang; grote delen van de stad autoluw.
5.
Er worden drie extra NS-stations gerealiseerd: Merenwijk, Wernink, Humanities.
6.
Naast het feit dat de binnenstad autoluw wordt, voeren we buiten de binnenstad een maximale snelheid van 30 kilometer per uur in en wordt in er in de woonbuurten een maximale snelheid van 20 kilometer per uur ingevoerd.
7.
De gemeente faciliteert deelconcepten mobiliteit op buurtniveau door aanpassingen te doen in de openbare ruimte (parkeerplaatsen voor deelconcepten) en ruimte te behouden in de openbare ruimte voor bijvoorbeeld oplaadpalen (buurthubs, inclusief pakketjes etc.).
8.
We realiseren 5750, waarvan dertig procent sociaal, extra woningen tussen 2020 en 2030, en nog eens 4000, waarvan 40 procent sociaal, extra tot 2040. Deze 4000 woningen tussen 2030 zijn vooral een mix van gezinswoningen, ouderenwoningen en kleinere woningen. Er wordt extra verdicht bij NS-stations en bij wijkcentra. Er is meer hoogbouw mogelijk.
9.
In elke buurt worden extra ontmoetingsplekken gerealiseerd. Rond de woning, langs stadsstraten, op pleinen en in hofjes, buurthuizen en in het openbaar groen. Veel ruimte voor gezamenlijke activiteiten ten behoeve van een rijk verenigingsleven.
10.
Elke wijk heeft één woonzorgzone(s): goede en toegankelijke basisvoorzieningen zoals winkels, zorg, daghoreca, werkplekken en ruimten voor verenigingen. Voor iedere doelgroep passend aanbod en meer diverse voorzieningen.
11.
In woonwijken worden de functies wonen, werken en voorzieningen gemengd. Dit betekent meer ruimte voor kleinschalige maakbedrijfjes en startende ondernemers, ook rondom de binnenstad en meer aan de buitenkant van de stad. Dit doen we door: • Wonen met werken te mengen in woonwijken • Beleid voeren zodat goedkope werkgebouwen gerealiseerd kunnen worden • Matig gedifferentieerde bedrijventerreinen te behouden
12.
De Oostvlietpolder wordt getransformeerd naar een recreatielandschap door o.a. 3 extra sportvelden, een volkstuin en een stadsbos te realiseren.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
36
Alternatief 3: Stad van onderwijs, kennis, werk en innovatie Stad waar kennisoverdracht centraal staat. Meest accent op vitale stedelijke economie, met (inter)nationale aantrekkingskracht. Meest regionaal/(inter)nationaal gericht georiënteerd. Tabel 6: Beleidsuitspraken behorende bij alternatief 3 Beleidsuitspraken 1.
Er wordt een datacentrum (internetknooppunt) in Leiden toegevoegd (om de vestigingsvoorwaarden te versterken). Hierdoor hebben bedrijven toegang tot sneller internet.
2.
De bestaande groenstructuur wordt aangevuld met meer groene en blauwe openbare ruimtes gericht op informeel en formeel ontmoeten.
3.
Accent op mooie en bijzondere plekken in stad en regio door ontmoetingsplekken te realiseren op deze locaties. Voor kenniswerkers en businessmeetings.
4.
Leiden Bio Science Park wordt ook autoluw. Naar LBSP rijdt de auto vanaf randwegen via inprikkers naar P-garages (gelegen in LBSP).
5.
Openbaar vervoer staat op 1! HOV+ (lightrailachtig systeem) van ESA-ESTEC – Katwijk-middenas LBSP-Leiden CS- + extra station Humanities campus (+ Heineken in Zoeterwoude).
6.
LBSP ontwikkelt zich verder tot innovatiedistrict door ook een hoogbouwmilieu te omarmen, meer te mengen met wonen en uit te breiden naar randlocaties (Paardenwei en Vondelkwartier).
7.
Ruimte voor uitbreiding van scholen en kennisinstellingen. Er wordt geëxperimenteerd met start ups en scale-ups. Er wordt ruimte gereserveerd voor 1 internationale school, 1 basisschool en 1 middelbare school. Verbinden top-bedrijven en instellingen met meer lokaal gerichte/maakindustrie, bedrijven en kennisinstellingen.
8.
We realiseren 7000, waarvan dertig procent sociaal, woningen tussen 2020 en 2030, en nog eens 8000 (ook 30% sociaal) woningen tot 2040. Het merendeel van deze 8000 woningen zijn kleine woningen gericht op de student en kenniswerker, maar ook voor de eenpersoonshuishoudens, starters en ouderen.
Alternatief 4: Stad van historie en cultuur Historie en cultuur gaan hand in hand, in een levendige en veranderende stad. Tabel 7: Beleidsuitspraken behorende bij alternatief 4 Beleidsuitspraken 1.
Lokale opwekking gaat niet ten koste van erfgoedwaarde in het straatbeeld. Dit betekent dat er minder zonnepanelen op erfgoed dan autonoom en (net als autonoom) geen windmolens zichtbaar aan de horizon (dus geen windmolens in Leiden).
2.
Historische structuren worden weer herkenbaar gemaakt. Er worden drie gedempte grachten hersteld.
3.
Er wordt nieuw water ingepast (wel rekening houdend met oude ontginningsstructuren). Verschil in verschijningsvorm van de waterlopen wordt beter gebruikt (gracht, rivier, sloot en kade etc.).
4.
Historische groen- en verkavelingsstructuren worden zichtbaar gemaakt en beter benut voor recreatie. Singelpark is de belangrijkste groenstructuur, gecombineerd met parken en historische routes en structuren.
5.
Historische routes herkenbaar inrichten en terugbrengen voor hoofdzakelijk de fiets- en voetganger. Gevolgen hiervan is minder ruimte voor de auto (zowel in bereikbaarheid als parkeergelegenheid).
6.
Er wordt laanbeplanting (voornamelijk laag struikgewas) toegevoegd.
7.
Historische routes, voor de fietser en voetganger, langs de oevers van de Rijn worden hersteld in de Mors, Stevenshof en Zuidwest.
8.
Er wordt extra ingezet op Mobility as a Service (MaaS).
9.
AutoVRIJ binnenstad; ook geen parkeren in openbare ruimte. Beleving historie wordt versterkt. Parkeren in binnenstadgarages. Bezoekers gaan naar (nieuwe) parkeergarages rand van de stad – Hubs aan de rand van de stad bij Leidse Ring.
10.
We bouwen 5750, waarvan dertig procent sociaal, nieuwe woningen tussen 2020 en 2030, van 2030 tot 2040 bouwen we niets extra.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
37
11.
Accent op culturele kant en toerisme in de economie: meer ruimte voor manifestaties, creatieve broedplaatsen, evenementen, horeca, hotels, musea, terrassen en culturele voorzieningen– ook in gebiedsontwikkelingen.
12.
Molenbiotopen worden gerespecteerd. Dit betekent geen nieuwe ontheffingen (m.u.v. Stationsgebied en Schipholweg) en dus minder (hoge) hoogbouw in de stad.
5.3
Wijze van beoordeling
Van elk alternatief zijn de beleidsuitspraken beoordeeld. Elke uitspraak is op systematische wijze langs het beoordelingskader gehaald. Bij elk beoordelingsaspect is bepaald wat de gevolgen van de betreffende uitspraak kunnen zijn op dat aspect ten opzichte van de autonome ontwikkeling in 2030, gerelateerd aan de beoordelingscriteria zoals beschreven in de Foto van de leefomgeving. Het gaat daarbij om een kwalitatieve beoordeling op basis van expert-judgement in termen van kansen op positieve en risico’s op negatieve effecten. De beoordeling is uitgevoerd door een m.e.r.-specialist, een milieu-specialist en een ecoloog. Benadrukt wordt dat het om alternatieven ter verkenning van mogelijkheden voor nieuw beleid gaat, met richtinggevende uitspraken op hoofdlijnen. De beoordeling van kansen en risico’s op positieve en negatieve effecten is daarop aansluitend ook op hoofdlijnen gedaan. Daarbij zijn de beoordelingskarakteristieken gehanteerd zoals opgenomen in onderstaande tabel. Met deze beoordeling is een totaalbeeld ontstaan van alle kansen en risico´s op positieve en negatieve effecten van de alternatieven, de mate waarin de alternatieven zich onderscheiden van de autonome ontwikkeling en van elkaar en op welke aspecten ze onderscheidend zijn. Tabel 8: Beoordelingskarakteristieken alternatievenbeoordeling Beoordeling +
Kans op positief effect
-
Risico op negatief effect
+/-
Zowel kans op positief als risico op negatief effect
0
Geen effecten te verwachten
n.v.t.
5.4
Geen relatie tussen uitspraak en beoordelingsaspect
Effecten van alternatieven
Onderstaand figuur laat voor alle alternatieven het totaalbeeld zien van alle toegekende kansen op positieve en risico’s op negatieve effecten per laag (People, Planet, Profit). Het gaat om een rekenkundige optelling, geen gewogen optelling8. Het geeft daarmee een beeld van het aantal geconstateerde kansen en risico’s en laat zien hoe de alternatieven zich qua aantallen kansen en risico’s tot elkaar verhouden. De volledige beoordeling en bijbehorende onderbouwing is opgenomen in bijlage A2 en A3.
8 Elke + en – is even zwaar geteld. Bij +/- is in de optelsom zowel een + als een – gerekend.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
38
Figuur 4: Cumulatieve scores van de alternatieven, onderscheiden naar People, Planet en Profit.
Beeld op hoofdlijnen Alternatief 1 ‘Groen en gezonde stad’ laat de meeste kansen op positieve effecten zien, en ook de meeste risico’s op negatieve effecten. Ten opzichte van de andere alternatieven onderscheidt het zich qua kansen vooral op het vlak van ‘Planet’ (beschermde soorten, wateroverlast, gemeentelijke natuur, duurzame energie opwekking). Tegelijk onderscheidt alternatief 1 zich ook wat betreft risico’s op het vlak van ‘Planet’ (gelijk aan alternatief 3 de meeste toegekende risico’s, onderscheidend vooral bij cultuurhistorie en erfgoed en archeologie), evenals op het vlak van ‘Profit’ (vooral kwaliteit en kwantiteit werklocaties, werkgelegenheid). Bezien vanuit het totaal aantal toegekende kansen en risico’s zitten alternatief 2 ‘Verbonden stad voor iedereen’ en alternatief 4 ‘Stad van historie en cultuur’ in dezelfde orde van grootte. Waarbij alternatief 2 qua aantal kansen vooral beter scoort op het vlak van ‘People’ (vooral gezonde leefstijl en leefomgeving en sociale cohesie in buurten) door aanleg van fiets- en wandelverbindingen en plekken waar inwoners kunnen bewegen en elkaar ontmoeten. Alternatief 4 scoort beter op het vlak van ‘Planet’ (vooral cultuurhistorie en erfgoed en broeikasgassen).
Beleidsuitspraken die hieraan bijdragen zijn met name gericht op het herstellen van historische structuren, zowel verkavelingsstructuren als oude grachten, en het autovrij maken van de binnenstad en de inzet op duurzame mobiliteit. Tegelijk kent alternatief 4 op het vlak van ‘Planet’ ook meer risico’s dan alternatief 2 (vooral beschermde soorten). Dit komt onder meer door het herstel van historische structuren (routes) in gebieden die nu groengebieden zijn wat kan leiden tot verstoring van leefgebieden van beschermde soorten. Alternatief 3 ‘Stad van onderwijs, werk, kennis en innovatie’ kent in vergelijking met de andere alternatieven de meeste kansen op het vlak van ‘Profit’ (vooral werkgelegenheid). Kansen voor werkgelegenheid worden onder andere gevormd door verdere ontwikkeling van het LBSP, de toename van het aantal scholen en het realiseren van ontmoetingsplekken voor kenniswerkers en businessmeetings. Daarnaast heeft het (gelijk aan alternatief 1) de meeste risico’s op het vlak van ‘Planet’. De grootste risico’s hebben betrekking op gemeentelijke natuur, beschermde soorten en landschappelijke kwaliteit. Hierbij worden de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen verspreidt over de stad gezien als risico voor de aanwezigheid van groen en daarmee samenhangende leefgebieden van beschermde soorten. Ook worden de ruimtelijke
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
39
ontwikkelingen in de randgebieden gezien als risico op aantasting van aanwezige zichtlijnen en landschappelijke structuren. Wat verder opvalt is dat in alle alternatieven verhoudingsgewijs de meeste risico’s geconstateerd zijn op het vlak van ‘Planet’. Dit betekent dat bij het komen tot een voorkeursalternatief op het vlak van ‘Planet’ de grootste opgave ligt om risico’s op negatieve effecten weg te nemen. Voor elk alternatief zijn er meer overwegend meer risico’s dan kansen op het gebied van landschappelijke kwaliteit, cultuurhistorie en erfgoed en archeologie. Deze risico’s worden met name gevormd door de inpassing van duurzame energieopwekking in de leefomgeving. Uitzondering hierop vormt alternatief 4. Overallbeeld in relatie tot kwaliteitsniveaus bij autonome ontwikkeling In de Foto van de leefomgeving zijn de kwaliteitsniveaus van de beoordelingsaspecten bij autonome ontwikkeling in 2030 in beeld gebracht. Als daarin gekeken wordt naar aspecten met kwaliteitsniveau rood (problemen of knelpunten geconstateerd), dan zijn er voor al deze aspecten kansen geconstateerd in de alternatieven. Het gaat dan om gezonde leefstijl en leefomgeving, verkeersveiligheid, klimaat (wateroverlast, hitte en broeikasgassen), natuur (beschermde natuurgebieden en gemeentelijke natuur) en energiebesparing.
Dit betekent dat de alternatieven ingrediënten bevatten voor verbeteringen op aspecten waar kwaliteiten bij de autonome ontwikkeling tekort schieten. Beeld per alternatief Alternatief 1: ‘Groene en gezonde stad’ Alternatief 1 ‘groene en gezonde stad’ is het meest onderscheidend van de alternatieven en kent het grootste aantal toegekende kansen en risico’s. Het alternatief richt zich sterk op het vergroenen en het toevoegen van biodiversiteit. De meest onderscheidende kansen bevinden zich op het gebied van de beoordelingsaspecten: wateroverlast, beschermde soorten en gemeentelijke natuur. Dat is vooral vanwege beleidsuitspraken gericht op het toevoegen van groenstructuren in de vorm van een groene stadsring, het planten van 10.000 bomen, het creëren van ecologische hotspots en het natuurvriendelijk maken van versteende oevers. Daarnaast scoren hitte, groen- en waterbeleving, duurzame energieopwekking en verkeersveiligheid ook positief. Overige kansen (niet zozeer onderscheidend t.o.v. andere varianten) bevinden zich bij de beoordelingsaspecten gezonde leefstijl en leefomgeving, sociale cohesie in buurten, droogte, broeikasgassen, luchtkwaliteit, geluidhinder, wandel- en fietsnetwerk, duurzame en slimme mobiliteit.
Risico’s zijn vooral geconstateerd bij beleidsuitspraken gericht op cultuurhistorie en erfgoed en archeologie en ontstaan met name door de inpassing van duurzame energieopwekking en de woningbouwopgave. Alternatief 2: ‘Verbonden stad voor iedereen’ Dit alternatief focust op het verbinden van wijken (bijvoorbeeld met wandel- en fietsroutes), ruimte creëren voor ontmoeting (bijvoorbeeld speelplekken en ontmoetingsplekken) en veiligheid. De meest onderscheidende kansen bevinden zich op het gebied van het beoordelingscriterium gezonde leefstijl en leefomgeving. Dat is vooral vanwege beleidsuitspraken gericht op het toevoegen van speel- en beweegmogelijkheden in de openbare ruimte en het toevoegen van groenstructuren die gebruikt kunnen worden voor recreatieve doeleinden. Ook onderscheidend positief is het beoordelingsaspect sociale cohesie in buurten. Overige kansen (niet zozeer onderscheidend t.o.v. andere varianten) bevinden zich op het vlak van groen- en waterbeleving, verkeersveiligheid, luchtkwaliteit, geluidhinder, duurzame en slimme mobiliteit, werkgelegenheid en gemeentelijke natuur.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
40
Risico’s zijn vooral geconstateerd bij beleidsuitspraken gericht op cultuurhistorie en erfgoed en archeologie door inpassing van duurzame energieopwekking en autobereikbaarheid als het gevolg van het opleggen van snelheidsbeperkingen voor gemotoriseerd vervoer. Alternatief 3: ‘Stad van onderwijs, kennis, werk en innovatie’ Het alternatief richt zich op het creëren van werklocaties, voornamelijk kennisinstellingen (bijvoorbeeld uitbreiding Leiden Bio Science Park). De meest onderscheidende kansen bevinden zich daarmee ook op het vlak van werkgelegenheid en kennis en innovatie. Ook zijn er ten opzichte van andere alternatieven veel kansen op het gebied van kwaliteit en kwantiteit werklocaties en voorzieningen (voornamelijk onderwijs). Overige kansen (niet zozeer onderscheidend ten opzichte van andere alternatieven) betreffen voornamelijk een gezonde leefstijl en leefomgeving, luchtkwaliteit, geluidhinder, autobereikbaarheid en wandel- en fietsnetwerk. Risico’s op negatieve effecten zijn ten opzichte van andere alternatieven niet prominent aanwezig. Over het algemeen bevinden de meeste risico’s zich op het vlak van de beoordelingscriteria gemeentelijke natuur, beschermde soorten, landschappelijke kwaliteit, beschermde natuurgebieden, luchtkwaliteit en geluidhinder.
Die risico’s hangen vooral samen met beleidsuitspraken gericht op woningbouw in verschillende vormen verspreid over de gemeente. Alternatief 4: ‘Stad van historie en cultuur’ De meest onderscheidende kansen bevinden zich op het gebied van het beoordelingscriterium cultuurhistorie en erfgoed. Veel beleidsuitspraken focussen zich op het versterken van de belevingswaarde van cultuurhistorie in de stad en in de omgeving. Dat is vooral vanwege beleidsuitspraken gericht op het herstellen van historische structuren en verkavelingspatronen. Overige kansen (niet zozeer onderscheidend ten opzichte van andere alternatieven) bevinden zich voornamelijk op het vlak van een gezonde leefstijl en leefomgeving, duurzame en slimme mobiliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, wateroverlast, hitte, droogte, broeikasgassen, verkeersveiligheid, groen- en waterbeleving en beschermde soorten. Deze effecten ontstaan door de maatregelen die genomen worden om cultuurhistorie en erfgoed meer zichtbaar te maken, zoals het inpassen van nieuwe waterlopen, historische routes voor fietsers en voetgangers en een autovrije binnenstad. De meeste risico’s zijn geconstateerd bij beoordelingsaspect beschermde soorten. Dit komt met name door het herstellen van historische structuren en deze toegankelijk maken voor recreatieve doeleinden waardoor aanwezige leefgebieden van beschermde soorten mogelijk verstoord worden.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
41
6
Wat is het gekozen nieuwe beleid en wat zijn de effecten daarvan?
6.1
Totstandkoming voorgenomen nieuw beleid
Na de alternatievenbeoordeling is de gemeente gekomen tot een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Daarbij zijn elementen uit de vier alternatieven samengevoegd tot één omvattend geheel van strategische, richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw omgevingsbeleid. Hierbij heeft de gemeente gekeken naar elementen/keuzes die zoveel mogelijk positief scoren in de alternatievenbeoordeling, en tegelijkertijd samengebracht kunnen worden in een integraal, samenhangend voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. In bijlage A14 is een verantwoording opgenomen van de beleidsuitspraken die in de omgevingsvisie terecht zijn gekomen, wat de link is met de onderzochte alternatieven en waarom er voor gekozen is om het in de omgevingsvisie op te nemen, ook in relatie tot de resultaten van de alternatievenbeoordeling. In de omgevingsvisie heeft de gemeente Leiden rekening gehouden met bovenliggend beleid in de Nationale Omgevingsvisie de Omgevingsvisie Zuid-Holland.
Daarnaast zijn keuzes gemaakt op basis van de volgende uitspraken: • voortbouwen op lijn van de stad en versterken van bestaande Leidse identiteit en waarden; • inspelen op de transitieopgaven waar de gemeente voor staat, geen afwenteling op volgende generaties; • slim combineren van opgaven en meervoudig en flexibel ruimtegebruik mogelijk maken (zowel ondergronds als bovengronds); • bijdragen aan de leefbaarheid in de stad; • waar nodig regionale opgaven agenderen. Een eerste versie van het nieuwe beleid is beoordeeld op effecten. De resultaten daarvan zijn in een tussentijdse notitie opgeleverd (zie bijlage A5). Op basis van deze tussentijdse notitie heeft de gemeente onderdelen van het beleid verduidelijkt, gewijzigd en aangescherpt. In bijlage A6 is opgenomen welke wijzigingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de tussentijdse effectbeoordeling. Vervolgens is een finale effectbeoordeling uitgevoerd, zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Het nieuwe beleid uit de omgevingsvisie is visueel weergeven in Figuur 5. Bijlage A15 geeft het beleid uit de omgevingsvisie thematisch weer.
6.2
Voorgenomen nieuw beleid
Voor de effectbeoordeling van het voorgenomen nieuwe beleid is net als bij de alternatievenbeoordeling een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER; • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. De effectbeoordeling is in aansluiting op de autonome ontwikkeling primair op 2030 gericht. Voor de uitspraken waarvan doorwerking/uitvoering na 2030 is voorzien, is een doorkijk naar 2040 gemaakt. In de onderstaande zijn de beoordeeld beleidsuitspraken opgenomen. Beleidsuitspraken waarvan doorwerking/uitvoering na 2030 is voorzien, zijn apart benoemd.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
42
Tabel 9: Beleidsuitspraken 2030. Beleidsuitspraken 2030 1.
Transformatie van bedrijventerreinen naar gemengde woon-werkgebieden met meer groen in openbare ruimte. Betreft tot 2030: Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, Werninkterrein, Veilingterrein, Lammenschans. Omvang bedrijven neemt daar af, er komen plm 3.000 woningen bij, waarvan 30% sociale huurwoningen.
2.
Toestaan van meer functiemenging (horeca, ateliers en winkels, kleinschalig werk) in de wijkcentra in de groen-blauwe monofunctionele woonmilieus aan de rand van de stad (dus niet in de woonwijk zelf), onder voorwaarde dat het aantal geluid- en geurgehinderden niet toeneemt. Het gaat om de wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg en een deel van Mors en Zuidwest.
3.
Nieuwe grootschalige (>1.000 m2 bvo) kantoren alleen nog erbij in het (ruime) stationsgebied (met een parkeernorm van 0) en het LBSP. Totale toevoeging circa 90.000 m2 bvo. Daarnaast realiseren we kleinschalige kantoorruimte (<1000 meter) circa 2.500 m2 per 1000 inwoners in nieuwe gebiedsontwikkelingen (in de potentiegebieden9). Leegstaande kantoorpanden buiten ruime stationsgebied of LBSP worden waar mogelijk getransformeerd naar een andere functie (wonen).
4.
Plaatsen laadpalen voor elektrische auto’s in parkeergarages en later op laadpleinen bij diverse soorten hubs (overstappunten)/parkeergarages. Omvang nog onbekend.
5.
Autoluw maken stationsgebied, LBSP (autoluwe binnenstad is autonome ontwikkeling). Bestemmingsverkeer rijdt dan via een beperkt aantal lussen of inprikkers vanaf de Leidse Ring naar de plaats van bestemming of naar een hub.
6.
Verder uitbreiden netwerk van regionale fietsroutes, voor doorfietsroutes voor woon-werkverkeer en voor recreatief fietsverkeer naar het omringende buitengebied (nieuwe verbinding richting Katwijk en naar Den Haag langs de A4). Voor zowel het stedelijke als regionale fietsnetwerk worden ontbrekende schakels aangelegd (o.a. drie nieuwe bruggen) en bestaande routes opgewaardeerd.
7.
Obstakelvrije en verkeersveilige ruimtes creëren rond wijkcentra.
8.
Realisatie van een nieuwe groen-blauwe stadsring met verbindingen (‘spaken’) tussen de nieuwe en bestaande ringen die de meest bijzondere/betekenisvolle groene plekken in de stad en het buitengebied met elkaar verbinden. Met uitbreiden en versterken van het groen-blauwe raamwerk wordt voorzien in meer informele sport- en spelruimte in de stad. En ruimte voor klimaatadaptatie en biodiversiteit.
9.
Realisatie van ecologische routes waardoor solitaire ecologische hotspots (verschillende verschijningsvormen van flora en fauna) verbonden worden. Ecologische verbindingen en dagelijkse routes voor soorten zijn gemarkeerd en dienen meegenomen te worden in ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast realisatie van meerdere ecologische verbindingen verspreid over de stad.
10.
Wijkparken rookvrij maken, en mogelijkheden bieden voor diverse sportverenigingen en maatschappelijke organisaties en wijkbewoners met verbindingen voor langzaam verkeer.
11.
In elke wijk een groene verblijfsplek met schaduw creëren.
12.
Op bedrijventerreinen groene daken realiseren en bomen planten.
13.
Opheffen van parkeerplekken in gebieden met een lage parkeerdruk en toekomstige autoluwe gebieden stationsgebied LBSP. Vrijkomende ruimte vergroenen.
14.
Intensiveren stimulering van ontharding/ontstenen van tuinen en groene daken van woningen.
15.
Buiten de singels worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd, binnen de singels dient hierover een bredere afweging (met cultuurhistorische waarden) plaats te vinden.
16.
Groen- en waterstructuren uitbouwen tot aantrekkelijke (recreatieve) routes, bijvoorbeeld de Haarlemmertrekvaart, Vliet en grachten in de binnenstad.
17.
Creëren energiestructuur met cascadering van warmte met behoud van bestaande aardgasnet, en de mogelijke inzet van waterstof als brandstof of buffer om energie op de meest efficiënte manier over de gebruikers te verdelen.
18.
Uitbreiden bestaande warmtenet, als basis van het energienetwerk in de gehele gemeente, m.u.v. binnenstad.
19.
Verzwaren en uitbreiden elektriciteitsinfrastructuur om wijken die niet aangesloten kunnen worden op een warmtenet een alternatief te bieden. Ook in wijken die op een warmtenet worden aangesloten wordt het elektriciteitsnetwerk uitgebreid. D.m.v. verbreding van de tracés, vergroting van schakelkasten en transformatorhuisjes en de uitbreiding van de benodigde 20, 50 en 150 kV onderstations.
9
Benoemde potentiegebieden: de spoorzone (ruime stationsgebied), de omgeving van de voormalige industriezone westzijde Willem de Zwijgerlaan inclusief Energiepark, de omgeving oostzijde Willem de Zwijgerlaan, de omgeving kruising Plesmanlaan-Haagse Schouwweg, het centrum van Leiden Zuidwest, de grote Lammenschansdriehoek, op het Werninkterrein, bij de Humanities Campus aan de Witte Singel, bedrijventerrein De Waard en de Vlietzone tussen de Voorschoterweg en de Vliet. 25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
43
20.
Stimuleren zonnepanelen op daken (bedrijfspanden, gemeentelijk bezit en particulieren). Stimuleren combinatie van zonnepanelen en groene daken om hitte eilanden tegen te gaan. Daarbij rekening houden met historische waarden
21.
Het doortrekken en beter verbinden van watergangen. Dit leidt tot extra oppervlaktewater omdat ontbrekende schakels aangelegd worden. Uitgegaan wordt van het doortrekken van circa vijf watergangen.
22.
Het LBSP (met delen van de Mors en Transvaal) wordt ontwikkeld tot Innovation District, een gemengd stedelijk gebied waarin woningen, voorzieningen en horeca worden toegevoegd. De openbare ruimte krijgt een kwaliteitsimpuls, met primaat bij ruimte voor fiets en voetganger en meer groen, schaduw en biodiversiteit te realiseren gericht op verblijven en ontmoeten.
23.
Realiseren stadshubs: overstappunten van auto op fiets, lopen, openbaar vervoer of deelsysteem; overslag van goederen van grote vrachtwagens naar kleinere elektrische voertuigen en bakfietsen om de stad te bevoorraden en pakketjes op hun plek van bestemming te krijgen. Bij hubs ruimte benutten voor deelconcepten en opladen elektrisch vervoer.
24.
Doorontwikkeling Station Leiden Centraal zowel kwalitatief als kwantitatief om in te spelen op de groei van het aantal reizigers, het mogelijk maken van de verstedelijkingsopgave, de doorontwikkeling van het LBSP, het stimuleren van schone mobiliteit en de betekenis van het knooppunt in stad en regio. Met doorontwikkeling wordt bedoeld dat de capaciteit van vier corridors dwars op de sporenbundel wordt verbeterd, verbeteren natransport voor OV, fiets en deelconcepten, 20.000 fietsparkeerplaatsen erbij realiseren, hoogwaardige busterminal realiseren met daarboven stedelijk programma (maximale menging van functies), herinrichting d.m.v. van de openbare ruimte rondom het station.
25.
Resterende opgave vanuit behoefteraming Provincie Zuid-Holland: realisatie van plm. 4.000 woningen, waarvan 30% sociale huurwoningen. Daarnaast plm 1.000 studentenwoningen (tot 2026). Te realiseren door middel van binnensteldelijke inbreiding in grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan en Humanitiescampus.
Tabel 10: Beleidsuitspraken 2040 Beleidsuitspraken 2040 1.
Realiseren 3.000 tot 5.000 woningen, verspreid over LBSP, nabij voorzieningen, rondom OV-knooppunten en op enkele bedrijventerreinen. Voornamelijk compact/hoogbouw. Alle doelgroepen bedienen: sociale huur, middelduur, ouderen, starters, kleine gezinnen. Geen of slechts beperkt aantal parkeerplaatsen realiseren nabij deze woningbouw.
2.
Opstellen concessieplan voor WKO’s om gebruik van de ondergrond te reguleren. Voorzien zijn enkele nieuwe WKO-systemen.
25-6-2021
OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040
BG9638TPRP2106241655
44
Figuur 5: Visuele weergave omgevingsvisie Leiden 2040.
6.3
Wijze van beoordeling
Elke geselecteerde beleidsuitspraak is op dezelfde systematische wijze langs het beoordelingskader gehaald als gehanteerd bij de beoordeling van de alternatieven. Bij elk beoordelingsaspect is bepaald wat de gevolgen van de betreffende uitspraak kunnen zijn op dat aspect ten opzichte van de autonome ontwikkeling, gerelateerd aan de beoordelingscriteria zoals beschreven in de Foto van de leefomgeving. Het gaat daarbij om een kwalitatieve beoordeling op basis van expert-judgement in termen van kansen op positieve en risico’s op negatieve effecten. De beoordeling is uitgevoerd door een m.e.r.-specialist, een milieu-specialist en een ecoloog. Aanvullend is expertise ingewonnen bij specialisten op het gebied van hitte, droogte, duurzaamheid en energietransitie, stedelijk water en circulariteit. De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen het nieuwe beleid voor de lange termijn. De beoordeling van kansen en risico’s op positieve en negatieve effecten is daarop aansluitend ook op hoofdlijnen gedaan. Daarbij zijn de beoordelingskarakteristieken gehanteerd zoals opgenomen in onderstaande tabel. De mate waarin nieuw beleid daadwerkelijk positieve dan wel negatieve effecten oplevert, is er van afhankelijk hoe het strategische beleid uit de omgevingsvisie in vervolgbeleid of instrumenten wordt doorvertaald en de sturingsfilosofie die gemeente daarin voor ogen heeft.