CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210078 Bijlage 3 Het Omgevingseffectrapport

Gemeenteraad 7 oktober 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen36.456 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

RAPPORT Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Leiden 2040

Klant:

Gemeente Leiden

Referentie: BG9638TPRP2106241655 Status:

Definitief/05

Datum:

25-6-2021

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Netherlands Transport & Planning Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Leiden 2040 Ondertitel: OER Omgevingsvisie Leiden 2040 Referentie: BG9638TPRP2106241655 Status: 05/Definitief Datum: 25-6-2021 Projectnaam: OER Leiden Projectnummer: BG9638 Auteur(s): Hanneke Koedijk, Tijmen van de Poll, Ingrid Welles

Opgesteld door: Hanneke Koedijk Gecontroleerd door: Véronique Maronier

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

i

Samenvatting Omgevingsvisie Leiden 2040 De gemeente Leiden werkt aan de vernieuwing van haar omgevingsbeleid. Het deel van het omgevingsbeleid dat beschrijft hoe de fysieke leefomgeving in Leiden zich op de langere termijn ontwikkelt en wat de gemeente daar op hoofdlijnen aan wil doen, is de omgevingsvisie. Met de omgevingsvisie bereidt de gemeente Leiden zich voor op de invoering van de Omgevingswet (verwacht in 2022). De tijdshorizon van de omgevingsvisie is 2040. Belangrijke bouwstenen van de omgevingsvisie zijn: trends en ontwikkelingen, Leidse waarden voor ontwikkeling van de stad, verhaallijnen, ambities en richtinggevende hoofdlijnen van nieuw beleid. Verdere uitwerking van hoofdlijnen van nieuw beleid vindt na vaststelling van de omgevingsvisie plaats in instrumenten zoals bijvoorbeeld het omgevingsplan en programma’s. Het OER bij de omgevingsvisie Het Omgevingsrapport (OER) levert de informatie die nodig is voor een zorgvuldig besluit over de omgevingsvisie, waarbij alle relevante belangen (waaronder die van de leefomgeving) zijn meegewogen. Daarnaast beschrijft en verantwoordt het OER de resultaten van dit proces. Het OER is opgesteld op basis van de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.). De omgevingsvisie beschrijft het beleid, wat de ambities zijn en wat de gemeente op hoofdlijnen gaat doen.

Het OER beschrijft de kwaliteiten van de leefomgeving, de gevolgen van het beleid op de leefomgeving en of het beleid bijdraagt aan het halen van de gestelde ambities. De interactie tussen beide bestond uit regelmatige wederzijdse terugkoppeling tussen de beleidsontwikkeling aan de ene kant (omgevingsvisie) en de gevolgen ervan voor de leefomgeving aan de andere kant (m.e.r.). Op deze manier is de m.e.r. gebruikt om beleid aan te scherpen en om beleidskeuzes te maken en aan te scherpen. In het OER zijn de kwaliteiten van de leefomgeving en de effecten van de Omgevingsvisie in beeld gebracht aan de hand van een beoordelingskader met beoordelingsaspecten. Het beoordelingskader volgt de brede en integrale benadering uit de Omgevingswet, met een indeling naar ‘people, planet, profit’. Voorbeelden van beoordelingsaspecten zijn gezonde leefstijl en leefomgeving, passend en toegankelijk woonaanbod, sociale cohesie in buurten, wateroverlast, hitte, broeikasgassen, gemeentelijke natuur, cultuurhistorie en erfgoed, duurzame energieopwekking, kwaliteit en kwantiteit van werklocaties, grondstoffen en circulariteit en duurzame en slimme mobiliteit. Omdat het in de Omgevingsvisie om hoofdlijnen van beleid gaat, is in het OER aansluitend daarop ook op hoofdlijnen beoordeeld wat de effecten zijn - in termen van kansen en risico’s.

Dat is gedaan op basis van deskundigenoordeel, ook wel ‘expert-judgement’ genoemd. Alternatieven voor nieuw beleid en het uiteindelijk gekozen nieuwe beleid zijn beoordeeld op basis van beleidsuitspraken. Het gaat om uitspraken die nieuw beleid betreffen, een relatie hebben met beoordelingsaspecten van het OER en voldoende concreet zijn om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. De beleidsuitspraken zijn op systematische wijze langs het beoordelingskader gehaald. Bij elk beoordelingsaspect is bepaald wat de gevolgen van de betreffende uitspraak kunnen zijn op dat aspect, gerelateerd aan de beoordelingscriteria. Vervolgens is bepaald in hoeverre het nieuwe beleid bij kan dragen aan het behalen van ambities en in hoeverre het beleid consistent is. Als onderdeel van het OER is een passende beoordeling uitgevoerd naar de mogelijke effecten van het nieuwe beleid in Natura 2000-gebieden. De staat van de Leidse leefomgeving In de Foto van de leefomgeving zijn de huidige situatie en autonome ontwikkeling tot 2030 beschreven voor de beoordelingsaspecten zoals opgenomen in het beoordelingskader, met een doorkijk naar 2040. Het is opgesteld op basis van de best beschikbare actuele informatie, data en toekomstprognoses. Het laat zien hoe de Leidse er nu en bij ongewijzigd beleid in de toekomst voor staat.

De huidige situatie en de autonome ontwikkeling vormen samen de referentiesituatie voor dit OER. De beschrijving van de huidige situatie en

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

ii

de autonome ontwikkeling is in samengevatte vorm weergeven in het ‘Rad van de leefomgeving’, in de vorm van gemeentebrede kwaliteitsniveaus hoe de leefomgeving er voor staat. De kwaliteitsniveaus zijn in gevuld op basis van navolgbare en reproduceerbare schaallatten, op basis van referentiewaarden en beschikbare informatiebronnen. Met het Rad van de leefomgeving is een overzichtelijk beeld ontstaan van waar de leefomgeving gemeentebreed op orde is, waar er problemen en knelpunten optreden en wat de autonome trends daarin zijn. De huidige staat van de fysieke leefomgeving laat een wisselend beeld zien. Vooral qua voorzieningenniveau, openbare ruimte, landschappelijke kwaliteit, cultuurhistorie en erfgoed, werkgelegenheid, kennis en innovatie, recreatie en toerisme, en openbaar vervoer staat de fysieke leefomgeving er op dit moment over het algemeen goed voor (‘groen’). Leefomgevingsaspecten met een laag kwaliteitsniveau (‘rood’) zijn gezonde leefstijl, duurzame woningen en passend en toegankelijk woningaanbod, klimaat (wateroverlast, hitte en broeikasgassen), natuur, duurzame energieopwekking en grondstoffen en circulariteit. De autonome ontwikkeling (2030) laat wisselende trends zien in de kwaliteit van de leefomgeving.

Bij passend en toegankelijk woningaanbod, wateroverlast en hitte is ook in 2030 nog sprake van een tekortschietend kwaliteitsniveau, naar verwachting op hetzelfde niveau als in de huidige situatie. Bezien vanuit het belang van de kwaliteit van de leefomgeving liggen bij deze aspecten belangrijke opgaven voor de Omgevingsvisie. Problemen doen zich vooral voor op de volgende plekken: • Passend en toegankelijk woningaanbod: doet zich verspreid over de gemeente Leiden voor. • Wateroverlast: hoge aandelen verhard oppervlakte een daardoor risico op wateroverlast doen zich vooral voor in de binnenstad en Leiden-Noord en in de wijken de Tuinstad wijk, Cronestein, Dobbewijk-zuid en Schenkwijk. • Hitte: het stedelijk hitte-eiland effect ligt in de nagenoeg gehele bebouwde omgeving van Leiden tussen de 2°C en 3°C, met daardoor risico op hittestress. Het hitterisico is het grootst in de binnenstad en het stationsgebied. Bij gezonde leefstijl en leefomgeving, uitstoot broeikasgassen, beschermde natuurgebieden, gemeentelijke natuur en duurzame energieopwekking zijn positieve autonome trends te verwachten, maar niet voldoende om ‘uit het rood’ te komen. Dat betekent dat ook hier opgaven liggen voor de Omgevingsvisie. Hier vormen de volgende plekken een aandachtspunt: • Gezonde leefstijl en leefomgeving: doet zich verspreid over de gemeente Leiden voor.

• Broeikasgassen: uitstoot van verkeer en gebouwen vindt plaats in de hele stad. • Beschermde natuurgebieden: dit gaat om Natura 2000-gebieden buiten de gemeentegrens van Leiden (Meijendel & Berkheide, De Wilck, Coepelduynen en Kennemerland-Zuid). Stikstof dat binnen Leiden uitgestoten wordt, kan in die gebieden neerslaan. • Gemeentelijke natuur: doet zich verspreid over de gemeente Leiden voor. Bij landschappelijke kwaliteit en cultuurhistorie en erfgoed zijn negatieve trends te verwachten van groen naar oranje. Negatieve trends binnen oranje zijn er bij externe veiligheid, sociale veiligheid, maatschappelijke participatie, droogte, bodemdaling en archeologie. Ook hier liggen opgaven voor de Omgevingsvisie. Locaties met aandachtspunten zijn: • Landschappelijke kwaliteit: de Oostvlietpolder en Park Cronesteyn, die liggen binnen het landschappelijke gebiedsprofiel Duin, Horst en Weide. • Cultuurhistorie en erfgoed: de binnenstad en molenbiotopen in Leiden-Noord, Stevenshof, Roomburg, het Boerhaavedistrict en het Bos- en Gasthuisdistrict. • Externe veiligheid: buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen ten noorden van de binnenstad via de Willem de Zwijgerlaan en in de Oostvlietpolder, risicocontouren bij transportroutes voor

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

iii

• • •

gevaarlijke stoffen over de rijkswegen A4, A44 en de provinciale weg N206. Daarnaast is de gasleiding naar de elektriciteitscentrale aan de Langegracht een risicobron. Sociale veiligheid: stadsdelen midden (sociale overlast) en Noord en West (fysieke verloedering). Droogte: Oostvlietpolder, Park Cronesteyn, de wijken Roomburg, Meerburg en Stevenshof. Bodemdaling: vooral het noordelijke deel van Leiden(Leiden-Noord en Merenwijk), daarnaast de Oostvlietpolder. Archeologie: in en rondom de binnenstad, Leiden-Noord, Polderpark Cronesteyn en rondom het Leiden Bio Science Park, en de archeologische limeszone en het kanaal van Corbula van oost naar west door Leiden.

Duurzame woningen, en grondstoffen en circulariteit verbeteren in de autonome ontwikkeling van rood naar oranje. Positieve trends binnen oranje zijn er bij sociale cohesie in buurten, inclusiviteit, luchtkwaliteit, gronden oppervlaktewater, beschermde soorten, energiebesparing, autobereikbaarheid en wandel- en fietsnetwerk. Groen- en waterbeleving, verkeersveiligheid, geluidhinder en kwaliteit en kwantiteit werklocaties zijn beoordelingsaspecten die autonoom geen verbetering of verslechtering ten opzichte van de huidige situatie binnen kwaliteitsniveau ‘oranje’ laten zien. Aspecten waar de kwaliteit in de huidige situatie goed is (‘groen’) en bij autonome ontwikkeling verder verbetert zijn openbare ruimte, werkgelegenheid en kennis en innovatie. Bodemkwaliteit en duurzame en slimme mobiliteit verbeteren van oranje naar groen Alternatieven voor nieuw omgevingsbeleid en de effecten daarvan Op basis van de trends en ontwikkelingen, Leidse waarden, verhaallijnen en ambities is de gemeente tot richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid gekomen. Daarbij heeft binnen het m.e.r.-proces een alternatievenbeoordeling plaatsgevonden. De alternatieven ingevuld als vier ‘hoeken van het speelveld’, met elk een dominante invalshoek qua beleidsinvulling.

De alternatieven zijn opgesteld met als doel om inzicht te krijgen in de gevolgen van keuzes voor nieuw omgevingsbeleid vanuit verschillende invalshoeken. De vier alternatieven zijn: 1. Groene en gezonde waterstad. 2. Verbonden stad voor iedereen. 3. Stad van onderwijs, kennis, werk en innovatie. 4. Stad van historie en cultuur. Uit de alternatievenbeoordeling volgt dat ‘Groene en gezonde stad’ de meeste kansen op positieve effecten laat zien, en ook de meeste risico’s op negatieve effecten. Ten opzichte van de andere alternatieven onderscheidt het zich qua kansen vooral op het vlak van ‘Planet’ (beschermde soorten, wateroverlast, gemeentelijke natuur, duurzame energie opwekking). Tegelijk onderscheidt ‘Groene en gezonde stad’ zich ook wat betreft risico’s op het vlak van ‘Planet’ (vooral bij cultuurhistorie en erfgoed en archeologie), evenals op het vlak van ‘Profit’ (vooral kwaliteit en kwantiteit werklocaties, werkgelegenheid). ‘Verbonden stad voor iedereen’ en ‘Stad van historie en cultuur’ laten overallscores zien in dezelfde orde van grootte. Waarbij ‘Verbonden stad voor iedereen’ qua aantal kansen vooral beter scoort op het vlak van ‘People’ (vooral gezonde leefstijl en leefomgeving en sociale cohesie in buurten) door aanleg van fiets- en wandelverbindingen en plekken waar inwoners kunnen bewegen en elkaar ontmoeten.

‘Stad van historie en cultuur’ scoort beter op het vlak van ‘Planet’ (vooral cultuurhistorie en erfgoed en broeikasgassen). Tegelijk kent ‘Stad van historie en cultuur’ op het vlak van ‘Planet’ ook meer risico’s dan ‘Verbonden stad voor iedereen’ (vooral beschermde soorten). ‘Stad van onderwijs, werk, kennis en innovatie’ kent in vergelijking met de andere alternatieven de meeste kansen op het vlak van ‘Profit’ (vooral werkgelegenheid). Daarnaast heeft het (gelijk aan ‘Groene en

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

iv

gezonde stad’) de meeste risico’s op het vlak van ‘Planet’. De grootste risico’s hebben betrekking op gemeentelijke natuur, beschermde soorten en landschappelijke kwaliteit. Wat verder opvalt is dat in alle alternatieven verhoudingsgewijs de meeste risico’s geconstateerd zijn op het vlak van ‘Planet’. Dit betekent dat bij het komen tot een voorkeursalternatief op het vlak van ‘Planet’ de grootste opgave ligt om risico’s op negatieve effecten weg te nemen.

Figuur S1: Cumulatieve scores van de alternatieven, onderscheiden naar People, Planet en Profit.

Het gekozen nieuwe beleid en de effecten daarvan Op basis van alternatievenbeoordeling is de gemeente Leiden gekomen tot een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Daarbij zijn elementen uit de vier alternatieven samengevoegd tot één omvattend geheel van strategische, richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw omgevingsbeleid. Hierbij heeft de gemeente gekeken naar elementen/keuzes die zoveel mogelijk positief scoren in de alternatievenbeoordeling, bijgedragen kan worden aan het halen van ambities en keuzes elkaar zoveel mogelijk versterken tot een integraal, samenhangend geheel. Een eerste versie van het nieuwe beleid is beoordeeld op effecten. De resultaten daarvan zijn tussentijds opgeleverd. Op basis van deze tussentijdse beoordeling heeft de gemeente onderdelen van het beleid verduidelijkt, gewijzigd en aangescherpt. Vervolgens is een finale effectbeoordeling uitgevoerd. De resultaten van beoordeling zijn in samengevatte vorm in het Rad van de leefomgeving opgenomen. Het nieuwe beleid laat bij de meeste thema’s meer kansen op positieve effecten zien dan risico’s op negatieve effecten, dat gaat om gezondheid, bereikbaarheid, economische vitaliteit, ruimtelijke kwaliteit, klimaat, natuur en biodiversiteit, wonen en verstedelijking.

Bij vier thema’s is dat niet het geval: milieukwaliteit, bodem en water, energie en grondstoffen en circulariteit; daar zijn er meer risico’s op negatieve effecten. De meeste impact is er op de thema’s klimaat, natuur en biodiversiteit, gezondheid en bereikbaarheid. Bij veiligheid en sociale samenhang zijn de kansen en risico’s min of meer in evenwicht. Bij recreatie en toerisme zijn geen kansen en risico´s geconstateerd.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

v

In onderstaande tabellen zijn de resultaten van de effectbeoordeling in samengevatte vorm weergegeven. Eerst voor de aspecten waar de meeste kansen en risico’s zijn geconstateerd en daarmee meeste impact. Daarna voor de aspecten met minder geconstateerde kansen en risico’s, en daardoor minder impact. In de tabellen is telkens aangeveven in welke mate het om kansen of risico’s gaat, vanwege welke beleidsuitspraken en op welke plekken. Tabel S1: Effecten van nieuw beleid 2030, meeste impact. Impact

Gerelateerde meest impactvolle beleidsuitspraken

Effectlocaties en -gebieden

Vooral kansen, beperkt of nagenoeg geen risico’s Gezondheid

Uitspraken met kans op meer ruimte voor actieve, gezonde verplaatsingen (fiets, lopen) en groenbeleving: • Autoluw stationsgebied en LBSP (1) • Groen blauwe stadsring (2) • Uitbouw groen- en waterstructuren (3)

(1) (2) (3)

Stationsgebied, LBSP Tuinen van Noord, Slaagsloot, Park Cronesteyn, Korte Vliet, Rijn-Schiekanaal, Rhijnhof, Leidse Hout. Haarlemmertrekvaart, Vliet, grachten binnenstad

Ontwikkeling LBSP tot innovation District: korte afstanden LBSP tot voorzieningen (nodigen uit tot actieve, gezonde verplaatsingen fiets of lopen), toename van groenoppervlak. Vooral kansen, ook risico’s Klimaat

Kansen Uitspraken met meer groenstructuren die leiden tot vermindering hittestress en vermindering verhard oppervlakte (wateroverlast): • Groen blauwe stadsring (1) • Uitbouw groen- en waterstructuren (2)

(1)

Realiseren extra oppervlaktewater: meer water(oppervlakte) om piekbuien op te vangen (wateroverlast) en verkoelend effect (hitte).

Zuidwest

(2)

Tuinen van Noord, Slaagsloot, Park Cronesteyn, Korte Vliet, Rijn-Schiekanaal, Rhijnhof, Leidse Hout. Haarlemmertrekvaart, Vliet, grachten binnenstad

Risico’s

1

Uitspraken met toename verhard oppervalkte (wateroverlast1/hitte) en toename transport/verkeersbewegingen en gebouwen (broeikgassen): • Woonmilieus mengen met werkfuncties (1) • Nieuwe kantoren, inbreiding (2)

(1)

Uitspraken met verkeersaantrekkende werking door nieuwe functies en/of woningen: • Ontwikkeling LBSP tot innovation district (1) • Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030 (2)

(1) (2)

(2)

Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest) Grootschalig in ruime stationsgebied, kleinschalig in potentiegebieden

LBSP Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus.

Aandachtsgebieden voor wateroverlast: binnenstad en Leiden-Noord en de wijken de Tuinstad wijk, Cronestein, Dobbewijk-zuid en Schenkwijk

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

vi

Impact

Gerelateerde meest impactvolle beleidsuitspraken

Effectlocaties en -gebieden

Vooral kansen, ook risico’s Natuur en biodiversiteit

Kansen Ecologische routes: uitbreiding ecologische verbindingen Voornamelijk in en rondom de randen van de gemeente. en hotspots, toename groenoppervlak (gemeentelijke Daarnaast ook langs de Trekvliet. natuur) Uitspraken met een toename in groenoppervlak (1) (particulier en openbaar/gemeentelijk) en daardoor een toename in leefgebieden voor (beschermde) soorten: (2) • Groen blauwe stadsring (1) • Transformatie bedrijventerreinen woon-werk (2) (3) (4) • Groene daken (3) (5) • Opheffen parkeerplekken (4) (6) • Natuurvriendelijke oevers (5) •

Tuinen van Noord, Slaagsloot, Park Cronesteyn, Korte Vliet, Rijn-Schiekanaal, Rhijnhof, Leidse Hout. Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, Werninkterrein, Veilingterrein Bedrijventerreinen LBSP, stationsgebied Buiten de Singels, geen specifieke locaties benoemd Haarlemmertrekvaart, Vliet, grachten binnenstad

Uitbouw groen- en waterstructuren (6)

Risico’s Uitspraken met een toename in uitstoot stikstof door in (1) verkeer en een vermindering van het oppervlakte groen en daarmee verlies van leefgebieden van (beschermde) (2) soorten: • Woonmilieus mengen met werkfuncties (1) • Nieuwe kantoren, inbreiding (2) Bereikbaarheid

Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest) Grootschalig ruime stationsgebied

Kansen Uitbreiden fietsroutes: alternatief voor auto (kans op minder congestie), verbetering en uitbreiding fietsroutes, toename gebruik fiets (modal split)

Buitengebied, richting Katwijk en Den Haag.

Doorontwikkeling Leiden Centraal: alternatief voor auto (kans op minder congestie), kwalitatieve verbetering fietsroutes, toename deelconcepten bij knooppunten.

Stationsgebied

Ontwikkeling LBSP tot innovation district: meer ruimte fiets/voetganger en meer gebruik fiets (modal split fiets)

LBSP

Realiseren stadshub: toename deelconcepten en gebruik Voor bezoekers nabij stations, voor distributie overslag- en elektrisch vervoer overstappunten, voor bewoners nabij wijkcentra. Risico’s Uitspraken met risico op toename in congestie door de (1) verkeersaantrekkende werking: • Transformatie bedrijventerreinen woon-werk (1) (2) • Woonmilieus mengen met werkfuncties (2) (3) • Nieuwe kantoren, inbreiding (3) • Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030 (4) (4)

Autoluw LBSP, stationsgebied: toename afstand door hoofdwegen door omrijden

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, Werninkterrein, Veilingterrein Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest) Grootschalig in ruime stationsgebied, kleinschalig in potentiegebieden Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus.

LBSP, stationsgebied

BG9638TPRP2106241655

vii

Impact

Gerelateerde meest impactvolle beleidsuitspraken

Effectlocaties en -gebieden

Meer risico’s dan kansen Risico’s

Milieukwaliteit

Transformatie bedrijventerreinen woon-werk: blootstelling Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, geluid/luchtkwaliteit bedrijven en verkeersaantrekkende Werninkterrein, Veilingterrein werking nieuwe woningen en bijbehorende hinder Uitspraken met verkeersaantrekkende werking door (1) nieuwe kantoren/functies/voorzieningen met bijbehorende hinder (lucht/geluid): (2) • Nieuwe kantoren, inbreiding (1) • Ontwikkeling LBSP tot innovation district (2) Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030: verkeersaantrekkende werking, risico op toename geluidhinder, verslechterde luchtkwaliteit

Grootschalig in ruime stationsgebied, kleinschalig in potentiegebieden LBSP

Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus.

Kansen Uitspraken gericht op schonere, stillere vormen van (1) verplaatsen: (2) (3) • Uitbreiden fietsroutes (1): alternatief voor (4) autoverkeer, kans op verbetering luchtkwaliteit en afname geluidhinder • Plaatsen laadpalen (2): kans op meer elektrisch rijden, daardoor schonere lucht, minder geluidhinder (geen motorgeluid meer) • Realiseren stadshub (3): kans op meer gebruik van schoner, stiller vervoer via hub • Doorontwikkeling Leiden Centraal (4): kans op meer OV-gebruik en minder auto, daardoor minder uitstoot.

Buitengebied, richting Katwijk en Den Haag In hele stad In hele stad In hele stad

Tabel S2: Effecten van nieuw beleid 2030, minder impact. Impact

Gerelateerde beleidsuitspraken

Effectlocaties en aandachtsplekken

Vooral kansen, beperkt of nagenoeg geen risico’s Economische vitaliteit

Uitspraken met een toename nieuwe werklocaties/ bedrijvigheid en werkgelegenheid: • Nieuwe kantoren, inbreiding (1) • Ontwikkeling LBSP tot innovaiton district (2) • Woonmilieus mengen met werkfuncties (3) • Doorontwikkeling Leiden Centraal (4)

(1)

(4)

Grootschalig in ruime stationsgebied, kleinschalig in potentiegebieden LBSP Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest) Stationsgebied

Ruimtelijke kwaliteit

Uitspraken met een verbetering van de kwaliteit openbare ruimte en versterking van cultuurhistorische waarden van oevers of routes: • Natuurvriendelijke oevers (1) • Uitbouw groen- en waterstructuren (2)

(1) (2)

Buiten de Singels Haarlemmertrekvaart, Vliet, grachten binnenstad

Wonen en verstedelijking

Uitspraken met een toename in het aantal woningen (1) (passend woningaanbod) en duurzame woningen door eisen aan nieuwbouw: (2) • Transformatie bedrijventerreinen woon-werk (1) • Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030 (2)

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

(2) (3)

Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, Werninkterrein, Veilingterrein Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus.

BG9638TPRP2106241655

viii

Impact

Gerelateerde beleidsuitspraken

Effectlocaties en aandachtsplekken

Kansen en risico’s min of meer in evenwicht Veiligheid

Kansen Ontwikkeling LBSP tot innovation district: kans op verbetering sociale veiligheid door woon-werkmilieus en verbetering verkeersveiligheid door focus op fiets/ voetganger.

LBSP

Uitbreiden fietsroutes: kans verbetering verkeersveiligheid Buitengebied, richting Katwijk en Den Haag, 3 nieuwe op fietspaden door o.a. doorfietsroutes en verbinding bruggen omringend gebied. Doorontwikkeling Leiden Centraal: kans op meer gebruik OV i.p.v. auto, verbetering verkeersveiligheid.

Stationsgebied

Risico’s

Sociale samenhang

Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030: verkeersaantrekkende werking, risico op toename verkeersonveiligheid door meer weggebruikers.

Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus.

Uitspraken met risico voor verkeersveiligheid door zwaarder verkeer (bedrijvigheid/werkfuncties) in woongebied: • Transformatie bedrijventerreinen woon-werk (1) • Woonmilieus mengen met werkfuncties (2)

(1) (2)

Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, Werninkterrein, Veilingterrein Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest)

Kansen Uitspraken die nieuwe ontmoetingsplekken creeren: • Aanpak wijkparken (1) • Elke wijk een groene verblijfsplek (2) • Ontwikkeling LBSP tot innovation district (3)

(1) (2) (3)

Wijken Wijken LBSP

Risico’s Uitspraken waarbij woningen i.c.m. bedrijvigheid kan leiden (1) tot een afname in sociale cohesie en gezelligheid in een buurt: (2) • Transformatie bedrijventerreinen woon-werk (1) (3) • Woonmilieus mengen met werkfuncties (2) • Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030 (3)

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, Werninkterrein, Veilingterrein Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest) Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus.

BG9638TPRP2106241655

ix

Impact

Gerelateerde beleidsuitspraken

Effectlocaties en aandachtsplekken

Meer risico’s dan kansen Energie

Risico’s Uitspraken met als gevolg een toename in energieverbruik door nieuwe kantoren, bedrijven, functies, woningen en laadpalen: • Nieuwe kantoren, inbreiding (1) • Woonmilieus mengen met werkfuncties (2) • Plaatsen laadpalen (3) • Ontwikkeling LBSP tot innovation district (4) • Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030 (5)

(1)

Uitbreiden elektriciteitsinfra: meer capaciteit, meer energieverbruik

Verspreid over de stad.

(2) (3) (4) (5)

Grootschalig in ruime stationsgebied, kleinschalig in potentiegebieden Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest) Geen specifieke locatie LBSP Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus.

Kansen Cascadering energieinfrastructuur: bij inzet duurzame waterstof toename duurzame energieopwekking.

Verspreid over de stad.

Uitbreiden warmtenet: benutten restwarmte voorkomt gebruik fossiele energiebronnen.

Verspreid over de stad.

Zonnepanelen op daken: toename duurzame energieopwekking

Verspreid over bebouwd gebied.

Vooral risico’s, beperkt of nagenoeg geen kansen Grondstoffen en circulariteit

Uitspraken die voorzien in nieuwe ontwikkelingen, met daardoor risico op meer (rest)afval: • Nieuwe kantoren inbreiding (1) • Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030 (2) • Ontwikkeling LBSP tot innovation district (3) • Woonmilieus mengen met werkfuncties (4)

(1) (2)

(3) (4) Bodem en water

25-6-2021

Uitspraken met een risico op zetting van grondlagen door nieuwe bebouwing: • Woonmilieus mengen met werkfuncties (1) • Nieuwe kantoren, inbreiding (2) • Ontwikkeling LBSP tot innovation district (3) • Realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030 (4)

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

(1) (2) (3) (4)

Ruime stationsgebied, kleinschalig in potentiegebieden Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus. LBSP Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest) Vaak nabij wijkcentra (Wijken Stevenshof, Merenwijk, Roomburg, Mors, Zuidwest) Stationsgebied LBSP Grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus.

BG9638TPRP2106241655

x

Figuur S2: Rad van de leefomgeving, inclusief effecten gekozen nieuwe beleid Omgevingsvisie (2030).

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

xi

Effecten in Natura 2000-gebieden Omdat het op voorhand niet is uitgesloten dat het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie een (significant) negatief effect veroorzaakt op de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling opgesteld op grond van de Wet natuurbescherming. Deze passende beoordeling is onderdeel van het OER. Het gaat om de Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide, De Wilck, Coepelduynen en Kennemerland-Zuid. In de passende beoordeling is het nieuwe beleid uit de omgevingsvisie beoordeeld aan de hand van beleidsuitspraken die in het OER zijn geselecteerd. Het doel van de passende beoordeling is het in beeld brengen: a. van de risico’s op het optreden van (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het nieuwe beleid van de Omgevingsvisie gemeente Leiden en b. met welke maatregelen geconstateerde risico’s voorkomen of beperkt kunnen worden. In de passende beoordeling is naar verschillende storingsfactoren gekeken, zoals effecten van stikstofdepositie, ruimtebeslag, effecten als gevolg van hydrologische veranderingen (bijvoorbeeld verdroging of vernatting) of verstoring door geluid of optische verstoring. Het gaat hierbij om effecten in de gebruiksfase.

Uit de passende beoordeling volgt dat enkele beleidsuitspraken uit de omgevingsvisie kunnen leiden tot significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden. De risico’s hangen veelal samen met risico’s op meer uitstoot van stikstof en daardoor neerslag (‘stikstofdepositie’) van stikstof in Natura 2000-gebieden. Dat hangt dan samen met beleidsuitspraken als transformatie bedrijventerreinen woon-werk, woonmilieus mengen met werkfuncties, realiseren nieuwe kantoren, ontwikkeling van LBSP tot innovation district en realiseren nieuwe woningen, inbreiding 2030. Er zijn mogelijkheden voorhanden om significant negatieve gevolgen binnen de omliggende Natura 2000-gebieden te voorkomen, zoals beschreven in de passende beoordeling. Het nieuwe beleid waar de omgevingsvisie in voorziet, is daarmee in beginsel uitvoerbaar in het licht van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden). De geconstateerde risico’s zijn aandachtspunten waar bij de verdere uitwerking van het beleid rekening mee gehouden moet worden. Op deze manier kan voorkomen worden dat (significant) negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden daadwerkelijk optreden.

Consistentie in het nieuwe beleid De Omgevingsvisie Leiden 2040 schetst een samenhangend, integraal beeld van de Leidse leefomgeving, de opgaven die er liggen, de ambities die de gemeente wil behalen die en wat de gemeente aan nieuw beleid voorneemt om die ambities te behalen. Omdat het om een samenhangend, integraal beeld gaat is van belang dat het voorgenomen beleid voldoende consistent is. Om een beeld te geven van die consistentie zijn in het OER zogenaamde ‘botsproeven’ uitgevoerd, waarbij de beleidsuitspraken onderling met elkaar zijn geconfronteerd en beoordeeld op potentiële onderlinge versterking en strijdigheid. Als we kijken naar kansen op synergie, dan vallen vooral de volgende beleidsuitspraken op: realiseren stadshubs, het uitbreiden van elektriciteitsinfra en cascadering energiestructuur. Die uitspraken bieden daarmee vooral kansen om andere uitspraken te versterken. Bijvoorbeeld het uitbreiden van elektriciteitsinfra, dat biedt kansen op synergie met cascadering energiestructuur en plaatsen laadpalen voor elektrische auto’s. Uitspraken met overwegend risico’s op strijdigheid zijn nieuwe kantoren door inbreiding en woonmilieus mengen met werkfuncties. De risico’s komen veelal voor vanwege conflicterende ruimteclaims die samenhangen met de inbreidingsopgave.

Inbreiden van verschillende functies zoals kantoren en tegelijkertijd meer ruimte voor groen/ecologie, minder ruimte voor de auto en een klimaatbestendige

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

xii

inrichting, vergt een uitgekiende inpassing. De genoemde uitspraken vielen ook al op bij de effectbeoordeling qua risico’s op negatieve effecten. Dat vergt aandacht bij de verdere uitwerking van het beleid. Daarvoor worden in hoofdstuk 10 adviezen gegeven. Bij de uitspraken ecologische routes, elke wijk een groene verblijfsplek en autoluw LBSP en stationsgebied en het realiseren van woningen door inbreiding in zowel 2030 en 2040 vallen ook meerdere kansen en risico’s op. De kansen en risico’s zijn overwegend in evenwicht. De kansen hangen vooral samen met synergie met uitspraken die ook gericht zijn op groen/ecologie (bijvoorbeeld natuurvriendelijke oevers, uitbouw groen- en waterstructuren en in elke wijk een groene verblijfsplek) en mobiliteit (uitbreiden fietsroutes en realiseren stadshub). Risico’s op strijdigheid hangen vooral samen met mogelijke conflicterende ruimteclaims. Bijvoorbeeld met uitspraken gericht op inbreiding van bedrijven en woningen in 2030 en 2040. Deze uitspraken conflicteren onder meer met uitspraken gericht op het vergroten van groen- en waterstructuren. Nieuw beleid en bijdragen aan het halen van ambities In de omgevingsvisie zijn 12 ambities opgenomen voor het omgevingsbeleid.

Voor de bepaling van het doelbereik zijn in het OER de 12 ambities van de omgevingsvisie gekoppeld aan de beoordelingsaspecten van het OER die een relatie hebben met de betreffende ambitie. Vervolgens is op basis van de bij de beoordelingsaspecten behorende effecten beoordeeld in hoeverre het te verwachten is dat het nieuwe beleid bijdraagt aan het halen van ambities, ook weer in termen van kansen en risico’s. Ambities waar de omgevingsvisie meer kansen dan risico’s biedt om daaraan positief bij te dragen zijn: • in 2040 is Leiden klimaatadaptiever ingericht; • in 2040 is Leiden een stad waar Leidenaars gestimuleerd worden om er een gezondere leefstijl op nahouden, onder meer door meer te bewegen en door een gezonder gewicht te hebben. Een stad waar het voor iedereen mogelijk is om te sporten, bewegen en spelen in en buiten de stad. De openbare ruimte is veilig en nodigt uit tot spelen, bewegen en sporten; • in 2040 blijft de stad in beweging en bereikbaar. Dit vraagt een overstap naar meer duurzame en ruimte-efficiënte mobiliteit, actieve vormen van verplaatsing als lopen en fietsen, OV (Modal shift); • in 2040 heeft Leiden een goed ondernemersklimaat, met bedrijvigheid die werk biedt op alle niveaus. De werkgelegenheid in de Leidse regio van 2040 past bij de diverse samenstelling van de beroepsbevolking.

• In 2040 is Leiden groen en beter verbonden met meer oppervlakte aan natuur, met een hogere biodiversiteitswaarde, bevorderen van natuurwaarden en betere ecologische en recreatieve verbindingen • Door binnenstedelijk te verdichten behouden we de landschappelijke waarden aan de randen van de stad en in het buitengebied • In 2040 is de gebouwde omgeving van Leiden voor een groot deel aardgasvrij. Elektriciteit wordt duurzaam opgewekt met zonnepanelen en wordt vooral geleverd van buiten de stad Ambities waar de omgevingsvisie deels kansen biedt om daaraan positief bij te dragen zijn: • In 2040 is Leiden een aantrekkelijke, inclusieve en gastvrije stad met een gevarieerd en passend woningaanbod, waar ruimte en aandacht is voor kwetsbare groepen en betaalbare woningen zijn voor elke inkomensgroep; • In 2040 is de stedelijke economie van Leiden versterkt en verduurzaamd door op weg te zijn naar een volledig circulaire economie, waarbij Leiden zich profileert als stad van (internationale) kennis en innovatie Wat betreft de ambitie ‘In 2040 is de gezondheidswinst toegenomen door schonere lucht en is het aantal geluidgehinderden afgenomen, ondanks de verdichtingsopgave’, is er risico dat het nieuwe beleid afbreuk

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

xiii

doet aan het behalen ervan. Voor de ambitie ‘In 2040 is de uitstoot van broeikasgassen afgenomen’ geldt dat het nieuwe beleid kansen biedt op minder uitstoot van broeikgassen, maar ook meerdere risico’s op meer uitstoot. Daarmee is er risico dat het nieuwe beleid per saldo niet bijdraagt aan afname van uitstoot van broeikasgassen. In relatie tot de ambitie ‘In 2040 heeft Leiden haar historische omgevingskwaliteiten en erfgoed behouden, benut, beschermd en zoveel mogelijk beleefbaar gemaakt’ laat de omgevingsvisie in wisselende mate enkele kansen en risico’s zien. Daarmee is niet te verwachten dat het nieuwe beleid zonder meer positief bijdraagt aan het behalen van deze ambitie. Verdere verbetering van de leefomgeving Het OER laat zien bij welke leefomgevingsaspecten het nieuwe beleid risico’s oplevert op negatieve effecten, en waar er ondanks het nieuwe beleid nog sprake is van een tekortschietend kwaliteitsniveau. Bij die aspecten is dan ook geen sprake van (het bijdragen) aan het behalen van ambities. Het OER brengt mogelijkheden in beeld voor verdere verbetering van die leefomgevingsaspecten, in de vorm van beleidsopties of concrete mitigerende maatregelen. Met die mogelijkheden kan voorkomen worden dat negatieve effecten optreden. Daar zal in het vervolgbeleid aandacht voor moeten zijn.

Wat er na dit OER gebeurt De omgevingsvisie vormt het afwegingskader voor verdere uitwerking in plannen en programma’s. In plannen en programma’s moet verder duidelijk worden hoe en op welke locaties het beleid uit de omgevingsvisie concreet uitgevoerd gaat worden. Door conclusies, aandachtspunten en aanbevelingen uit dit OER daarin mee te nemen en concreet een plek te geven, wordt geborgd dat het belang van de leefomgeving zo optimaal mogelijk meegenomen blijft worden. De Omgevingswet stelt monitoring en evaluatie van het beleid verplicht, om in beeld te krijgen of de uitwerking van het beleid daadwerkelijk bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Periodiek wordt er middels een terugkoppeling nieuwe input geleverd voor de beleidsontwikkeling wat kan leiden tot voortzetting of bijsturing van het beleid. Door monitoring en evaluatie ontstaat een gesloten beleidscyclus. Het monitoringprogramma wordt gebaseerd op het ‘Rad van de leefomgeving’, als onderdeel van de ‘Foto van de leefomgeving’. De daarin opgenomen beoordelingsaspecten vormen het vertrekpunt. Nieuwe ontwikkelingen worden gespiegeld met de beoordelingsaspecten uit het rad van de leefomgeving om te achterhalen of doelen worden verwezenlijkt. Als ontwikkelingen in de kwaliteit van de leefomgeving aanleiding geven tot het hanteren van andere beoordelingscriteria dan wordt daarop ingespeeld.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

xiv

Inhoud Samenvatting

ii

1

Waarom een omgevingsvisie en OER?

17

1.1

Omgevingsvisie gemeente Leiden

17

1.2

Waarom een OER?

17

1.3

De m.e.r.-procedure

18

1.4

Leeswijzer

19

2

Waar gaat de omgevingsvisie over en hoe is het gemaakt?

21

2.1

De inhoud van de omgevingsvisie

21

2.2

Totstandkoming van de omgevingsvisie

23

3

Hoe is dit OER gemaakt?

25

3.1

Proces en aanpak

25

3.2

Beoordelingskader

26

4

Hoe staat de Leidse leefomgeving er voor?

28

4.1

Foto van de leefomgeving

28

4.2

Wijze van beschrijving referentiesituatie

28

4.3

Kwaliteiten van de Leidse leefomgeving, huidig en autonoom

30

5

Wat zijn de beleidsalternatieven en de effecten daarvan?

34

5.1

Totstandkoming alternatieven

34

5.2

Beschrijving alternatieven

34

5.3

Wijze van beoordeling

38

5.4

Effecten van alternatieven

38

6

Wat is het gekozen nieuwe beleid en wat zijn de effecten daarvan?

42

6.1

Totstandkoming voorgenomen nieuw beleid

42

6.2

Voorgenomen nieuw beleid

42

6.3

Wijze van beoordeling

45

6.4

Effecten van voorgenomen nieuw beleid

46

6.5

Doorkijk naar 2040

56

7

Wat zijn de effecten in Natura 2000-gebieden?

57

7.1

Passende beoordeling Natura 2000

57

7.2

Resultaten passende beoordeling

57

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

15

8

Is het nieuwe beleid consistent?

62

8.1

Wijze van beoordeling

62

8.2

Kansen voor synergie, risico’s op strijdigheden

62

9

Draagt het nieuwe beleid bij aan het halen van ambities?

64

9.1

Wijze van beoordeling

64

9.2

Behalen van ambities: kansen en risico’s

64

10

Hoe kan de leefomgeving verder verbeterd worden?

69

11

Wat gebeurt er verder na dit OER?

73

11.1

Beleidscyclus omgevingsbeleid

73

11.2

Omgevingsprogramma en omgevingsplan

73

11.3

Onzekerheden en monitoring

74

Begrippenlijst

75

Bijlagen

77

Bijlagen A1

Foto van de leefomgeving

A2

Effectbeoordeling alternatieven

A3

Onderbouwing effectbeoordeling alternatieven

A4

Notitie beoordeling alternatieven

A5

Notitie beoordeling voorkeursalternatief

A6

Beleidsuitspraken opgenomen in OER

A7

Effectbeoordeling voorkeursalternatief

A8

Onderbouwing effectbeoordeling voorkeursalternatief

A9

Grafiek effectbeoordeling voorkeursalternatief

A10

Botsproeven

A11

Onderbouwing botsproeven

A12

Beoordeling doelbereik

A13

Passende beoordeling Natura 2000

A14

Verantwoording beleidsuitspraken omgevingsvisie

A15

Thematische visiekaarten

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

16

1

Waarom een omgevingsvisie en OER?

1.1

Omgevingsvisie gemeente Leiden

De gemeente Leiden werkt aan de vernieuwing van haar omgevingsbeleid. Het deel van het omgevingsbeleid dat beschrijft hoe de fysieke leefomgeving in Leiden zich op de langere termijn ontwikkelt en wat de gemeente daar op hoofdlijnen aan wil doen, is de omgevingsvisie. Deze omgevingsvisie beschrijft hoe de fysieke leefomgeving in Leiden zich zal ontwikkelen op de lange termijn en wat de gemeente daarin wil doen. Met de omgevingsvisie bereidt de gemeente Leiden zich voor op de invoering van de Omgevingswet (verwacht in 2022). In de Omgevingswet is de omgevingsvisie hét instrument om samenhang in het beleid voor de fysieke leefomgeving aan te brengen. De gemeente Leiden heeft daarvoor een eerste versie van de Omgevingsvisie Leiden 2040 (versie 1.0) opgesteld. De tijdshorizon van de omgevingsvisie is 2040. Het is een strategische beleidsvisie waarin opgaven en ambities voor de leefomgeving zijn opgenomen en richtinggevende keuzes op hoofdlijnen waarmee de gemeente invulling wil geven aan het behalen van de ambities. Verdere uitwerking van die keuzes vindt na vaststelling van de omgevingsvisie plaats in instrumenten zoals bijvoorbeeld het omgevingsplan en programma’s.

1.2

Waarom een OER?

Het OER levert de informatie die nodig is voor een zorgvuldig besluit over de omgevingsvisie, waarbij alle relevante belangen (waaronder die van de leefomgeving) zijn meegewogen. Daarnaast beschrijft en verantwoordt het OER de resultaten van dit proces. Wat is m.e.r., wat is MER en wat is OER? M.e.r. staat voor ‘milieueffectrapportage’ en is de procedure waarbinnen een MER wordt opgesteld. MER staat voor ‘Milieueffectrapport’ en bevat de resultaten van het onderzoek naar de (milieu)effecten binnen een m.e.r. De toevoeging ‘plan’ (planMER) wil zeggen dat het om een MER voor een plan gaat, zoals een omgevingsvisie. Leiden heeft ervoor gekozen om niet alleen milieueffecten maar ook andere omgevingseffecten in beeld te brengen. Daarom praten we niet over een planMER maar over een Omgevingseffectrapport (OER). Voor de juridische juistheid wordt nog wel gesproken van een m.e.r.procedure.

Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de omgevingsvisie een structuurvisie als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro artikel 2.2). De Wet milieubeheer (artikel 7.2, lid 2 Wm) schrijft voor dat voor een structuurvisie een milieueffectrapportage (m.e.r.) uitgevoerd moet worden als het kaderstellend is voor toekomstige m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. De verplichting geldt ook als een structuurvisie onderdelen bevat waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming met een Passende beoordeling uitgesloten moet worden dat er verstorende effecten in Natura 2000-gebieden optreden (artikel 7.2a, lid 1 Wm). Voorbeelden van m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten zijn: • De aanleg van autosnelwegen; • De aanleg, wijziging of uitbreiding van wegen, spoorwegen of binnenvaarwegen van een bepaalde lengte; • De realisatie van meer dan 2.000 woningen; • De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark, thermische centrales of verbrandingsinstallaties; • De onttrekking van grondwater aan de bodem.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

17

Als een m.e.r.(beoordeling) bij een structuurvisie of omgevingsvisie verplicht is, dan moet de uitgebreide m.e.r-procedure doorlopen worden. Er wordt dan een milieueffectrapport (MER) opgesteld, dat met de (ontwerp) omgevingsvisie ter inzage gaat en waar de Commissie voor de m.e.r. een advies over moet geven. Bij de uitwerking van de omgevingsvisie heeft de gemeente ingezet op een proces met interactie tussen het uitwerken van de omgevingsvisie en het opstellen van het OER. De omgevingsvisie beschrijft het beleid, wat de ambities zijn en wat de gemeente op hoofdlijnen gaat doen. Het OER beschrijft de kwaliteiten van de leefomgeving, de gevolgen van het beleid op de leefomgeving en of het beleid bijdraagt aan het halen van de gestelde ambities. De interactie tussen beide bestond uit regelmatige wederzijdse terugkoppeling tussen de beleidsontwikkeling aan de ene kant (omgevingsvisie) en de gevolgen ervan voor de leefomgeving aan de andere kant (m.e.r.). Op deze manier is de m.e.r. gebruikt om beleid aan te scherpen en om beleidskeuzes te maken en aan te scherpen. De gemeente wil het OER ook gebruiken als basis voor het monitoren en bijsturen van het beleid tijdens de uitvoering. Daarbij is het begrip ‘milieu’ breder op te vatten dan meestal gebruikelijk is in milieueffectrapportages.

Dit omdat het beleid in de omgevingsvisie de menselijke leefomgeving als geheel omvat, dus zowel fysiek, economisch als sociaal. Dit alles vraagt om een vernieuwende m.e.r.-aanpak met een breed georiënteerd proces dat de afzonderlijke beleidsterreinen overstijgt.

1.3

De m.e.r.-procedure

In het OER zijn op basis van de m.e.r.-procedure de gevolgen van de omgevingsvisie op de leefomgeving in beeld gebracht. Die informatie moet gebruikt worden bij de besluitvorming over de omgevingsvisie. De m.e.r./procedure is gebaseerd op Europese regelgeving. Het doel van m.e.r. is het bieden van voldoende informatie op basis waarvan gemeente leiden het milieu-/leefomgevingsbelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming over de omgevingsvisie kan betrekken. De m.e.r.-procedure voor de omgevingsvisie is verlopen in lijn met de wettelijke vereisten, deze is als volgt: 1) Openbare kennisgeving van het voornemen door bevoegd gezag. De m.e.r.-procedure is gestart met een bekendmaking van het voornemen via een openbare kennisgeving en publicatie van de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD). 2) Raadplegen betrokken instanties over reikwijdte en detailniveau van het OER en vaststellen reikwijdte en detailniveau. Een ieder heeft de mogelijkheid gehad schriftelijk te reageren op de terinzage gelegde NRD. Er zijn geen zienswijzen op de NRD binnengekomen. 3) Opstellen OER en passende beoordeling. Vervolgens is het OER en de passende beoordeling opgesteld.

Het OER beschrijft de kwaliteiten van de leefomgeving nu en bij autonome ontwikkeling, de effecten daarop van het nieuwe beleid in de ontwerp omgevingsvisie en in welke mate het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van de ambities van de omgevingsvisie. Omdat daarnaast significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in de omgeving van Leiden (Meijendel & Berkheide, Coepelduynen en de Wilck) op voorhand niet konden worden uitgesloten is een passende beoordeling uitgevoerd voor het voorkeursalternatief (zie hoofdstuk 7 van dit OER).

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

18

4) Ter inzage leggen OER en ontwerp Omgevingsvisie 2.0. Het OER (inclusief passende beoordeling) wordt samen met de ontwerp Omgevingsvisie 2.0 zes weken ter inzage gelegd. Eenieder heeft in deze zes weken de gelegenheid zienswijzen in te dienen. De Commissie voor de m.e.r. toetst in deze periode de kwaliteit van het OER en beoordeelt of de juiste (milieu)informatie aanwezig is om een besluit over de omgevingsvisie te kunnen nemen. 5) Besluit en vervolg [naar verwachting begin 2021] De omgevingsvisie en het OER worden vastgesteld door het bevoegd gezag, de gemeenteraad van de gemeente Leiden.

1.4

Leeswijzer

Het voor u liggende OER is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt een inleiding gegeven over de inhoud van de omgevingsvisie. Hoofdstuk 3 introduceert de totstandkoming van het OER. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de huidige staat van de leefomgeving met een blik naar de toekomst op basis van de opgestelde ‘foto van de leefomgeving’. Hoofdstuk 5 bespreekt de beleidsalternatieven. Op basis hiervan wordt een voorkeursalternatief bepaald waar hoofdstuk 6 op in gaat. Hoofdstuk 7 bevat de passende beoordeling voor Natura 2000-gebieden gelegen in de gemeente Leiden. In hoofdstuk 8 wordt middels botsproeven onderzocht of het nieuwe beleid consistent is. Vervolgens wordt in hoofdstuk 9 onderzocht in hoeverre de doelstellingen behaald worden met het beleid uit het voorkeursalternatief. In hoofdstuk 10 worden mitigerende maatregelen gepresenteerd die kunnen bijdragen aan het reduceren van negatieve effecten. Tenslotte gaat hoofdstuk 11 in op het vervolg na het OER. Aanvullingen na toetsingsadvies Commissie voor de m.e.r. Een eerdere versie van dit OER 2 is beoordeeld door de Commissie voor de m.e.r.

Naar aanleiding van dat toetsingsadvies is het OER voor de volgende onderdelen aangevuld, resulterend in de voorliggende versie van het OER: • Foto van de Leefomgeving: o Toevoeging nadere informatie over externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit en autobereikbaarheid; o Toevoeging nadere duiding op welke plekken problemen en knelpunten bij autonome ontwikkeling zich vooral voordoen; o Wijziging autonome ontwikkeling passend en toegankelijk woningaanbod: autonoom voorziene woningen die nog niet juridisch-planologisch zijn belegd zijn uit de autonome ontwikkeling gehaald. • OER: o Toevoeging beleidsuitspraak nieuw beleid 2030: Resterende opgave vanuit behoefteraming Provincie Zuid-Holland: realisatie van plm. 4.000 woningen, waarvan 30% sociale huurwoningen. Daarnaast plm 1.000 studentenwoningen (tot 2026). Te realiseren door middel van binnensteldelijke inbreiding in grote stationsgebied, grote Lammenschansdriehoek, voormalige industriezone, Willem de Zwijgerlaan, entree Plesmanlaan, Werninkterrein en Humanitiescampus. Omdat dit formeel niet tot de autonome ontwikkeling behoort is het aan de beoordeling van nieuw beleid toegevoegd. o Toevoeging nadere duiding op welke plekken kansen en risico’s van nieuw beleid zich vooral voordoen.

2

Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Leiden 2040, referentie BG9638TPRP2102231606, 10 maart 2021.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

19

Leiden: een eerste kennismaking in enkele kenmerken De gemeente Leiden ligt in het noordwesten van de provincie ZuidHolland, heeft meer dan 120.000 inwoners en is de vierde gemeente van Zuid-Holland. Ten noorden ligt Amsterdam en ten zuiden Den Haag. De oppervlakte van de gemeente Leiden is 23,3 km2 en kent, met 5.644 inwoners per km2, na Den Haag de hoogste bevolkingsdichtheid van Nederland. Leiden grenst aan acht gemeenten en bestaat uit vier stadsdelen: Midden, Noord, Zuid en West. Deze stadsdelen zijn onderverdeel in 10 wijken: Binnenstad Zuid, Binnenstad Noord, Stationsdistrict, Leiden-Noord, Roodenburgerdistrict, Bos- en Gasthuisdistrict, Morsdistrict, Boerhaavedistrict, Merenwijkdistrict en het Stevenshofsdistrict. Het polderpark Cronesteyn en Oostvlietpolder in het zuiden van Leiden staan bekend om zijn verschillende cultuurlandschappen en staan in verbinding met het Groene Hart. Historisch gezien staat Leiden bekend om de aanwezigheid van de oudste universiteit van Nederland, Universiteit Leiden uit 1575. De stad staat daarnaast bekend als Sleutelstad en wordt gekenmerkt door het evenement het Leids Ontzet, de aanwezigheid van musea, het beschermde stadsgezicht en de historische binnenstad en grachten.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

20

2

Waar gaat de omgevingsvisie over en hoe is het gemaakt?

2.1

De inhoud van de omgevingsvisie

De omgevingsvisie beschrijft hoe de Leidse leefomgeving in Leiden zich zal ontwikkelen richting 2040 en wat de gemeente daarin wil doen. Het sluit aan op de Regionale agenda Omgevingsvisie 2040 “Het Hart van Holland”3 en de stadsvisie “Leiden, Stad van ontdekkingen”4. In de omgevingsvisie wordt bestaand beleid van afzonderlijke beleidsvelden die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving samengevoegd in een integrale visie op de toekomst voor Leiden 2040. Sectorale beleidsplannen blijven voorlopig nog bestaan5. Belangrijke bouwstenen van de omgevingsvisie zijn: • Trends en ontwikkelingen; • Leidse waarden voor ontwikkeling van de stad; • Verhaallijnen; • Ambities; • Richtinggevende hoofdlijnen van nieuw beleid. Trends en ontwikkelingen De omgevingsvisie beschrijft trends en ontwikkelingen die op Leiden afkomen. Bijvoorbeeld verstedelijking, veranderingen in bevolkingssamenstelling en leeftijdsopbouw, klimaatverandering, behoefte aan nieuwe en duurzame energiebronnen, globalisering, economische en technologische vernieuwing. Het gaat om dan om trends en ontwikkelingen die in belangrijke mate optreden buiten de directe invloedssfeer van Leiden om en ruimte en verandering van ruimtegebruik kunnen vergen. Die trends en ontwikkelingen zijn daarmee bepalend voor de opgaven voor het omgevingsbeleid in de omgevingsvisie.

Leidse waarden Uit gesprekken die de gemeente met Leidenaren gehad heeft over de toekomst van Leiden, heeft de gemeente zeven waarden voor ontwikkeling van de stad afgeleid, zie onderstaande figuur. Deze waarden zijn gebruikt als ‘onderlegger’ om te komen tot ambities en invulling voor nieuw beleid.

Figuur 1: Leidse waarden voor ontwikkeling van de stad.

3

Deze is in 2017 opgesteld door Leiden en de omliggende gemeenten Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten, Zoeterwoude, Noordwijk, Teylingen, Katwijk, Wassenaar en Kaag en Braassem. 4 Vastgesteld in 2012. 5 Om thematische beleidsstukken te kunnen intrekken zonder dat er kostbare kaders verloren gaan, moeten de andere instrumenten onder de Omgevingswet (programma’s en het omgevingsplan) eerst opgezet en ingevoerd zijn. Tot die tijd blijven de thematische beleidskader bestaan. De blijvende thematische beleidsplannen passen binnen de kaders van de omgevingsvisie. Deze thematische beleidskaders hebben gefungeerd als randvoorwaarden voor het nieuwe beleid in de omgevingsvisie. Op basis van de uitkomsten van de Foto van de leefomgeving en de trends en ontwikkelingen is waar nodig bijgestuurd door aanvullende ambities en doelstellingen op een specifiek thema te benoemen. 25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

21

Verhaallijnen Als vertrekpunt voor uitwerking van de omgevingsvisie zijn zes ‘verhaallijnen opgenomen’. Deze verhalen zijn bouwstenen voor de visie en ambities voor de leefomgeving en zijn gebruikt als hulpmiddel om keuzes te maken voor nieuw beleid. De verhaallijnen zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen, gesprekken met de stad, werksessies met de gemeenteraad en de ‘Leidse waarden voor de ontwikkeling van de stad’. Deze zes verhaallijnen zijn; 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Leiden, stad van historie en cultuur. Leiden, groene en gezonde stad. Leiden, stad voor iedereen. Leiden, stad van onderwijs, kennis en werk. Leiden, verbonden stad. Leiden, waterstad.

Ambities Op basis van de Leidse waarden en de verhaallijnen in combinatie met hoofdambities uit bestaand sectoraal beleid is de gemeente tot de onderstaande ambities voor de omgevingsvisie gekomen. De in het OER beschreven huidige situatie en autonome ontwikkeling is door de gemeente gebruikt om de ambities aan te scherpen. De beoordelingsaspecten in het OER sluiten aan op de leefomgevingsaspecten in de ambities, zodat beoordeeld kon worden in hoeverre het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van deze ambities (‘doelbereik’). 1. In 2040 is Leiden een aantrekkelijke, inclusieve en gastvrije stad met een gevarieerd en passend woningaanbod, waar ruimte en aandacht is voor kwetsbare groepen en betaalbare woningen zijn voor elke inkomensgroep. 2. In 2040 is Leiden een stad waar Leidenaars gestimuleerd worden om er een gezondere leefstijl op nahouden, onder meer door meer te bewegen en door een gezonder gewicht te hebben. Een stad waar het voor iedereen mogelijk is om te sporten, bewegen en spelen in en buiten de stad. De openbare ruimte is veilig en nodigt uit tot spelen, bewegen en sporten. 3. In 2040 blijft de stad in beweging en bereikbaar. Dit vraagt een overstap naar meer duurzame en ruimte-efficiënte mobiliteit, actieve vormen van verplaatsing als lopen en fietsen, OV (Modal shift). 4.

In 2040 is Leiden groen beter verbonden met meer oppervlakte aan natuur, met een hogere biodiversiteitswaarde, bevorderen van natuurwaarden en betere ecologische en recreatieve verbindingen. 5. In 2040 is de gezondheidswinst toegenomen door schonere lucht en is het aantal. geluidgehinderden, ondanks de verdichtingsopgave, afgenomen. 6. In 2040 is Leiden klimaatadaptiever ingericht. 7. In 2040 is de uitstoot van broeikasgassen afgenomen. 8. In 2040 is de gebouwde omgeving van Leiden voor een groot deel aardgasvrij. Elektriciteit wordt duurzaam opgewekt met zonnepanelen en wordt vooral geleverd van buiten de stad. 9. In 2040 is de stedelijke economie van Leiden versterkt en verduurzaamd door op weg te zijn naar een volledig circulaire economie, waarbij Leiden zich profileert als stad van (internationale) kennis en innovatie. 10. In 2040 heeft Leiden een goed ondernemersklimaat, met bedrijvigheid die werk biedt op alle niveaus. De werkgelegenheid in de Leidse regio van 2040 past bij de diverse samenstelling van de beroepsbevolking. 11. In 2040 heeft Leiden haar historische omgevingskwaliteiten en erfgoed behouden, benut en beschermd en zoveel mogelijk beleefbaar gemaakt. 12. Door binnenstedelijk te verdichten behouden we de landschappelijke waarden aan de randen van de stad en in het buitengebied.

25-6-2021

OER OMGEVINGSVISIE LEIDEN 2040

BG9638TPRP2106241655

22

Richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid Op basis van de trends en ontwikkelingen, Leidse waarden, verhaallijnen en ambities is de gemeente tot richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid gekomen. Daarbij heeft binnen het m.e.r.-proces een alternatievenbeoordeling plaatsgevonden. De alternatieven zijn op basis van de bovenstaande verhaallijnen ingevuld als vier ‘hoeken van het speelveld’, met elk een dominante invalshoek qua beleidsinvulling. Deze vier alternatieven zijn: 1. 2. 3. 4.

Groene en gezonde waterstad. Verbonden stad voor iedereen. Stad van onderwijs, kennis, werk en innovatie. Stad van historie en cultuur.

In het OER zijn de effecten van de alternatieven in beeld gebracht. Op basis daarvan is de gemeente gekomen tot een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Daarbij zijn elementen uit de vier alternatieven samengevoegd tot één omvattend geheel van strategische, richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw omgevingsbeleid. Dat is in het OER beoordeeld op effecten, mate waarin het bijdraagt aan het behalen van ambities en synergie en strijdigheid (‘botsproeven’). Het strategische beleid op hoofdlijnen wordt na vaststelling van de omgevingsvisie doorvertaald en verder uitgewerkt in instrumenten zoals bijvoorbeeld het omgevingsplan en uitvoeringsprogramma’s.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10409206/1