210078 Bijlage 2 Geanonimiseerde inspraaknota Leiden 2040 1.1-versie
Tekst van het document
G
H
p. 29 Vervangen door: Richting 2040 zijn veel keuzes gemaakt, steeds in samenhang met elkaar. Dankzij deze keuzes is er ruimte gemaakt om de stad te verdichten en tegelijkertijd aantrekkelijk, gezond en leefbaar te houden. Daarbij is vastgehouden aan het adagium ‘eerst bewegen, dan bouwen’ of breder geformuleerd ‘positief faciliteren’, waardoor de stad tussentijds niet is vastgelopen. Visiekaart p.30 Op deze kaart moeten de bereikbaarheidsknooppunten goed zichtbaar zijn, als logische plaatsen om hubs met voorzieningen te realiseren, die nodig zijn om op lange termijn de (binnen)stad leefbaar en bereikbaar te houden. Ook de A44, de A4, de N11 en de regionale doorgaande wegen dienen nadrukkelijker zichtbaar gemaakt te worden. Zodoende worden de (logische plekken voor) knooppunten zichtbaar.
Alhoewel het college deze tekstsuggesties begrijpt neemt het college deze suggestie niet over. Het is niet geheel duidelijk wat de inspreker met deze toevoeging bedoelt en daarom is het ook niet duidelijk wat de gevolgen zijn van het opnemen van deze tekst
Geen wijzigingen
De ligging van de bereikbaarheidsknooppunten is op dit moment nog niet bekend. Deze worden momenteel wel uitgewerkt in andere beleidstrajecten, maar is nog niet gereed om in omgevingsvisie over te nemen. In de tekst worden wel de diverse typen mobiliteitshubs toegelicht en het type plekken dat kansrijk is.
De visiekaarten vestigingsklimaat en Duurzame bereikbaarheid zijn hierop aangepast: de genoemde wegen de A44, de A4, de N11 en de regionale doorgaande wegen worden toegevoegd
Het college neemt de reactie met betrekking tot de wegen over. De A4, de A44 en de N11 worden in de Visiekaart, vestigingsklimaatkaart en mobiliteitskaart toegevoegd
71 I
J
K
L
Paragraaf 5.1 pg 34 Vervangen door: Om de grote en urgente opgaven op het gebied van onder andere klimaatadaptie, biodiversiteit, gezondheid, vervoer over water en ruimte voor groene recreatiemogelijkheden in en rondom de stad het hoofd te bieden, heeft Leiden niet voldoende aan de huidige groene plekken en waterlopen in de stad.
Het college is het eens met inspreker dat er aandacht besteed moet worden aan vervoer over water. Deze opgave staat genoemd bij thema duurzame mobiliteit op pagina op pag 57 van de inspraakreactie.
P.35 Vervangen door: De inrichting en vormgeving van het groen-blauwe raamwerk is afgestemd op de functie en de betekenis in dat deel van de stad en draagt bij aan de identiteit van de plek en versterkt het gebruik van het gebied. Het groenblauwe raamwerk is daarom voor de beoogde functies goed bereikbaar. De grotere structuur is steeds herkenbaar. Het groenblauwe raamwerk zorgt voor een robuuste ruggengraat. Dat vermindert de behoefte om op locaties waar dat niet mogelijk is toch per se groen toe te moeten voegen. Zoals op die delen van bedrijventerreinen waar ruimte die benodigd is voor logistiek een groene inrichting onmogelijk maakt. p. 38 Vervangen door: Hittestressgevoelige gebieden vergroenen. Het waar mogelijk vergroenen van grotere stenige gebieden, zoals op bedrijfsterreinen, delen van woonwijken, rond winkelcentra en in de binnenstad, is nodig omdat hittestress hier een steeds groter probleem wordt. De eerste functionaliteit van deze gebieden mag echter niet verloren gaan. In nieuwe ontwerpen wordt het tegengaan van hittestress standaard meegenomen.
Naast het Groen-Blauwe raamwerk zal hittestress in gebieden, zoals bedrijventerreinen tegengegaan moeten worden als deze groot is. Hittestress tegengaan kan op verschillende manieren. Vergroenen kan horizontaal (op de grond en op daken) en verticaal (op gevels). Ook kan hittestress tegengegaan worden door materiaalkeuze van stenen en gevels/daken. Ook kunnen in de zomer zonneschermen / doeken opgehangen worden. Zie ook beantwoording onder 40K. Het is vanzelfsprekend dat de eerste functionaliteit blijft bestaan. Het college neemt de toevoeging ‘delen van woonwijken’ over. Hittestress tegengaan kan op verschillende manieren. Vergroenen kan horizontaal (op de grond en op daken) en verticaal (op gevels). Verder kan hittestress tegen gegaan worden door materiaalkeuze van stenen en gevels/daken. Ook kunnen in de zomer zonneschermen / doeken op gehangen worden. Het is vanzelfsprekend dat de eerste functionaliteit blijft bestaan. Het college voegt toe dat hittestress op meerdere manieren kan worden aangepakt, volgens de hittetrits Blokkeren - ventileren - verkoelen.
Paragraaf 5.2, p 40 Vervangen door: Dit vraagt om voldoende woningaanbod, ook voor de midden- en lagere inkomens en voor specifieke of kwetsbare doelgroepen. Het vraagt om goed en toegankelijk onderwijs, volop aanbod van (duurzame) banen in de directe nabijheid die aansluiten op verschillende opleidingsniveaus, een levendig cultureel klimaat en genoeg sport en spelvoorzieningen. Het vraagt ook om nabijheid en toegankelijkheid van dagelijkse voorzieningen, zoals winkels voor dagelijkse boodschappen, zorg, basisonderwijs en maatschappelijke voorzieningen.
In de tekst bij 5.1 voegt het college de term ‘duurzame mobiliteit’ en ‘structuren’ toe.
Bij de uitwerking is in de tekst opgenomen dat ‘natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen en ontwikkelen’ uitgangspunt is, conform het convenant Klimaatadaptief Bouwen. Dat beantwoord de laatste tekstsuggestie van inspreker. Het college is het met inspreker eens dat het aanbod van banen zich in de stad en/of de regio zou moeten bevinden en niet op grote afstand. De passage “In de directe nabijheid” suggereert een te bepalen afstand die multiinterpretabel is. Suggestie overnemen in andere formulering: “in de directe nabijheid” wordt vervangen door “in de stad en/of regio”
Voorgestelde wijzigingen : in tekst onder kop ‘Groenblauwraamwerk’ hier de term ‘duurzame mobiliteit’ en ‘structuren’ toevoegen Om de grote en urgente opgaven op het gebied van onder andere klimaatadaptie, biodiversiteit, gezondheid, duurzame mobiliteit en ruimte voor groene recreatiemogelijkheden in en rondom de stad het hoofd te bieden, heeft Leiden niet voldoende aan de huidige groene plekken, structuren en waterlopen in de stad. Geen wijzigingen
Onder het kopje ‘Hittestressgevoelige gebieden vergroenen, toevoegen ‘delen van woonwijken’ en toevoegen aan de tekst (achter …probleem wordt..) dit kan op meerdere manieren worden aangepakt, volgens de hittetrits Blokkeren - ventilerenverkoelen.
Tekst onder 5.2 aantrekkelijk vestigingsklimaat is aangevuld met: in de stad en/of regio
72 M
N
O
p. 41 Vervangen door: We streven daarbij naar een stedelijke menging van wonen, werken en voorzieningen. Ruimtelijk economisch gezien wordt functiemenging in Leiden op steeds meer plekken mogelijk. De scheiding tussen wonen, werken en voorzieningen blijft echter in stand waar dat door functionele eisen of milieueffecten tot onverenigbare combinaties zou leiden. Menging waar mogelijk creëert levendige stedelijke gebieden, waar mensen in de buurt van hun werk kunnen wonen en de voorzieningen dichtbij zijn (‘nabijheid’). Werk en stedelijke voorzieningen, zoals avondhoreca, culturele voorzieningen en winkelmogelijkheden bevinden zich op loop- of fietsafstand. P 42 Vervangen door: We bieden ruimte aan bedrijvigheid In de stad is er ook ruimte nodig voor de brede economische basis. De vraag naar ruimte voor bedrijven zal blijven bestaan en zal zelfs groeien. We willen ruimte blijven bieden aan de maakindustrie, het lokaal gewortelde bedrijf dat wil groeien, het leerbedrijf dat Leidse jongeren opleidt tot vakmensen, het bouwbedrijf dat hard nodig is om in de gemeentelijke woningbouwopgave te voorzien, het logistieke depot vanwaar pakketjes worden gedistribueerd en het innovatieve bedrijf dat onze stad en regio op de kaart zet. Ook willen we ruimte bieden aan nieuwe vormen van bedrijvigheid die in de transitieeconomie ontstaan.
Inspreker wil in de tekst helder maken dat er slechts sprake kan zijn van functiemenging als dat tot verenigbare combinaties leidt. Het college neemt deze aanvulling graag over, daarbij wel uitgaande van de inzet conform de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen.
p. 42 Vervangen door; De ruimtevraag en de gewenste condities zijn divers en moeten voor sommige onderdelen verder in beeld gebracht worden (denk aan circulariteit). Het gaat om duurzaam bereikbare ruimte in de stad en om duurzaam bereikbare ruimte op bedrijventerreinen in de stad of in de regio. Voor bedrijvigheid met omgevingseffecten blijven afzonderlijke bedrijventerreinen noodzakelijk. Bedrijvigheid zonder die effecten zou ook elders in de stad een plek kunnen vinden. Leiden wil een stad zijn waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Waar nodig werken we samen met de regio om in de ruimte voor de brede economische basis te voorzien.
In het bieden van ruimte aan bedrijvigheid zal het onderdeel bereikbaarheid altijd onlosmakelijk een plek moeten krijgen. Het maakt onderdeel uit van de ‘gewenste condities’. Door enkel ‘duurzaam bereikbaar’ te noemen worden andere condities onderbelicht. Daarom wordt gesproken over ‘gewenste condities’.
Dit past ook bij de lijn zoals geformuleerd op pag 42 en 49 van de inspraakversie.
Inspreker stelt een aanscherping van de formulering voor. Het college is van mening dat de toevoeging “en zelfs zal groeien” een veronderstelling is die gedekt wordt door de zinsnede : “de vraag naar bedrijfsruimte zal blijven bestaan”. Het college voegt ‘en zal mogelijk groeien’ voor de duidelijkheid toe.
Toevoegen in de tekst op pagina 41 van de inspraakversie: De scheiding tussen wonen, werken en voorzieningen blijft echter in stand waar dat door functionele eisen of milieueffecten tot onverenigbare combinaties zou leiden. Menging waar mogelijk…
Tekst aanpassen op pagina 42 inspraakversie – Toevoegen onder het kopje We bieden ruimte aan bedrijvigheid.: ‘en zal mogelijk groeien’ toe
In het tweede deel van de tekst wordt aangegeven dat de ruimtevraag en condities divers zijn en voor sommige onderdelen nog verder in kaart moeten worden gebracht. De tekstsuggestie past in ‘innovatieve bedrijf’ en wordt verder toegelicht op pagina 42 (inspraakversie) onder het kopje ‘We bieden ruimte aan bedrijvigheid’. Dit leidt niet tot wijzigingen in de tekst.
Het onderwerp ‘bedrijvigheid met omgevingseffecten’ komt terug in hoofdstuk 5.2, onder andere onder het kopje ‘Bedrijventerreinen dragen bij aan de verstedelijkingsopgaven en verduurzamingsopgaven’, waarbij de inzet is overgenomen uit de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen.
Geen wijzigingen
73 P
P. 43 Vervangen door: Uitwerking Leiden kiest voor stadsinbreiding om te voorzien in de vraag naar woningen en banen ; stadsinbreiding door te verdichten in de potentiegebieden en nabij (H)OV-haltes
De stadsinbreiding zal vooral in de potentiegebieden plaatsvinden, maar er zal daarnaast ook buiten potentiegebieden op kleinere schaal worden verdicht.
Geen wijzigingen
Verdichting kan gaan om het intensiveren van het ruimtegebruik in woongebieden, in werkgebieden of door het mixen en intensiveren van meerdere functies. Het hoeft dus niet noodzakelijkerwijs te gaan om het combineren van wonen en werken. Zo kan er ook in werkgebieden conform de Ruimtelijke strategie bedrijventerrein geïntensiveerd worden met werkfuncties. En kan ook werken in woongebieden toegevoegd worden. Dit kan dus ook leiden tot nieuwe banen. Wat betreft de bedrijventerreinen volgt het college de lijn zoals genoemd in de Ruimtelijke strategie Bedrijventerreinen. Onder andere kopje komen de economische functies in de stad verder aan de orde, zoals op pagina 47, 48 en 49. .
Q
p. 44 Naast de groei van het aantal woningen streven we naar een evenredige groei van de werkgelegenheid. Bij deze afweging hoort ook het benoemen van nieuwe potentiegebieden voor de woningbouwopgave, waarbij vanuit de brede verstedelijkingsopgave ook het realiseren van werkplekken en voorzieningen wordt meegenomen. Deze twee slotzinnen van respectievelijk de eerste en tweede alinea blijven vaag ten aanzien van werkgelegenheid (zie de opmerking bij de Koppen op pagina 43). Dit verdient een afzonderlijke alinea met onderbouwing. Toevoegen: Werkgelegenheid binnen de stadsgrenzen is noodzakelijk om de stad leefbaar te houden. De balans wordt gevonden door de bestaande werkgelegenheid op de bedrijventerreinen te koesteren en waar mogelijk te faciliteren, en door daarnaast werkgelegenheid op andere locaties in de stad mogelijk te maken.
R
S
p. 45 De volgende gebieden worden onderscheiden: Toevoegen: 5. Bedrijventerreinen waar geen woonfuncties worden toegevoegd, maar waar zo mogelijk economische verdichting plaatsvindt door efficiënt ruimtegebruik en door ruimte te bieden aan nieuwe economische functies. p. 46 1e alinea Het is belangrijk dat er, voor zover mogelijk in een compacte stad als Leiden, voldoende afstand is tussen risicobronnen en kwetsbare groepen/locaties. Waar nodig zal daarvoor een strikte ruimtelijke scheiding bewaakt worden, zoals op de bedrijventerreinen. We spelen in op deze risico’s door bij nieuwe ontwikkelingen in de leefomgeving veiligheidsaspecten vroegtijdig in beeld te brengen, samenwerking te zoeken en lokaal maatwerk toe te passen.
Om deze redenen neem het college de tekstsuggestie niet over. Het college onderschrijft het belang van werkfuncties voor het functioneren van de stad. Dit doen we door ruimte te geven aan bedrijven die zorgen voor werkgelegenheid in de stad.
Geen wijzigingen
We zien dat de economie/ bedrijvigheid als gevolg van technologische ontwikkelingen verandert – dat kan betekenen dat het logisch is om in de loop van de tijd ruimte te bieden aan ander type werkgelegenheid De markt doet zijn werk voor de brede verstedelijkingsopgave, de gemeente faciliteert door het bieden van ruimte voor bedrijvigheid via planologische instrumenten. De economische functies in de stad komen ook aan de orde op bijvoorbeeld pagina 41, 42, 47, 48 en 49 van de inspraakversie, waarin het belang van werkfuncties in de stad aan de orde komen.. Deze passage gaat over bouwhoogte van gebieden en niet over functies van gebieden. Bedrijventerreinen vallen onder de hoogtebepalingen die passen bij het gebied waar ze in liggen.
Het college is van mening dat voor risicobronnen en kwetsbare groepen en locaties altijd maatwerk gewenst is, waarbij de gemeente de hinder die kan ontstaan door veiligheidsrisico, geluid, geur en trillingen (milieuzonering) in acht neemt. Dit wordt uitgewerkt in het omgevingsplan. Het college voegt het aspect van milieuaspecten toe aan de tekst: veiligheidsen milieuaspecten
Geen wijzigingen
Tekstaanvulling onder kopje ‘Oog houden voor omgevingsveiligheid en gezondheid bij stadsinbreiding’: veiligheids- en milieuaspecten
74 T
U
V
W
X
p. 48 Vervangen door: Technologische innovaties maken dat bestaande bedrijvigheid zich ontwikkelt en andere eisen stelt en behoeftes heeft qua fysieke ruimte dan we voorheen zagen. Het gaat dan om ontwikkelingen als de automatisering of robotisering van maakprocessen en de toenemende tendens naar online winkelen c.q. de opkomst van webshops met regionale distributiecentra, die maken dat minder of andersoortige ruimte nodig is dan wat we vandaag de dag aanbieden in de stad. Tegelijkertijd zien we ook allerlei maatschappelijke ontwikkelingen die nieuwe wensen met zich meebrengen voor de inrichting van de fysieke ruimte. Om deze reden wordt ervoor gekozen om in het Omgevingsplan niet zozeer specifieke branches aan te wijzen, maar waar mogelijk kwalitatieve kaders te stellen. Zo blijven nieuwe ontwikkelingen mogelijk, terwijl de functionaliteit en de handhaafbaarheid gewaarborgd worden. p. 49 Vervangen door: De bedrijventerreinen Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, Werninkterrein, Veilingterrein en Lammenschans zijn aangewezen om in de periode tot 2030 te transformeren tot gemengde stedelijke woon/werkgebieden, waar naast ruimte voor werken ook ruimte is voor wonen, bijbehorende voorzieningen en vergroening. Deze bedrijventerreinen liggen nabij de binnenstad en kunnen daardoor een bijdrage leveren aan de grote behoefte aan stedelijke woon- en werkmilieus.
Vanzelfsprekend wordt deze ontwikkeling gemonitord en waar nodig bijgestuurd. Als menging ten koste gaat van ruimte voor bedrijvigheid zal daarvoor een oplossing worden gezocht. p. 49 Vervangen door: Voor de overige bedrijventerreinen houden we vast aan het profiel zoals vastgelegd in de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen. Bedrijven hebben investeringszekerheid nodig om te groeien. Concreet betekent dit dat bedrijven op de bedrijventerreinen hun locatie kunnen behouden en niet zullen worden uitgeplaatst om ruimte te maken voor andere functies of door andere functies onder druk komen te staan. We monitoren de behoefte aan ruimte voor verschillende typen bedrijven en de effecten daarvan op bedrijventerreinen. Vervangen door: Zowel de kennis- als de stedelijke economie vraagt om meer gemengde gebieden. Om dit mogelijk te maken wordt op veel plekken in de stad ruimte geboden aan menging van werkfuncties, hybride bedrijfsvoering en cross-overconcepten (niet-wonen). Dit kan bijvoorbeeld in de binnenstad, de spoorzone en het Leiden Bio Science Park en in bestaande wijkcentra. Het bevorderen van meer gemengde gebieden draagt bij aan de levendigheid en aantrekkelijkheid van deze gebieden en biedt ruimte aan economische functies.
p. 53 kaart Over de kaart: Op deze kaart dienen ook de A4, de A44 en de N11 prominent zichtbaar te zijn. Daar liggen namelijk de kansen om door middel van versterking van knooppunten met voorzieningen de stad duurzaam bereikbaar te maken/houden. In een paragraaf over Duurzame mobiliteit mag dit niet ontbreken. De visie moet in de juiste richting dwingen/dringen.
Het college dankt voor de suggestie. Dit is inderdaad iets wat in het omgevingsplan geregeld moet worden. Deze suggestie geven we mee aan opstellers van het Omgevingsplan, maar is niet iets wat we nu al op kunnen nemen in de Omgevingsvisie.
Geen wijzigingen
Het college herkent zich in de inbreng van de inspreker en zal dit aanpassen in de omgevingsvisie. Het waarborgen van behoud van ruimte voor bedrijvigheid vindt plaats via de afspraken die gemaakt zijn in Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen.
Tekstvoorstel wordt overgenomen.
Er zijn meerdere belangen in de stad, die de gemeente zo goed mogelijk probeert af te wegen. De gemeente zet zich uiteraard in om ondernemers in de gemeente zo goed mogelijk te faciliteren ook in geval zij druk vanuit andere functies ervaren.
Geen wijzigingen
De betreffende tekst gaat over menging met niet-wonen functies. Dit geldt ook voor een deel van de bedrijventerreinen, waar een mix mogelijk is met andersoortige werkfuncties Hiermee wordt de bedrijfsfunctie niet onder druk gezet. Het college verwijst inspreker naar Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen over verbreding van functies, bijvoorbeeld op De Waard. Hiervoor zijn breed gedifferentieerde bedrijfsterreinen aangewezen waar verbreding van activiteiten (nietwoonfunctie) is toegestaan Dit mag niet op matig gedifferentieerde bedrijventerreinen. Het college neemt de reactie over. De A4, de A44 en de N11 worden in de Visiekaart, vestigingsklimaatkaart en mobiliteitskaart toegevoegd
Geen wijzigingen
Toevoeging onder kopje ‘Bedrijventerreinen dragen bij aan de verstedelijkingsopgave en verduurzamingsopgave. (pagina 49 inspraakversie)
Visiekaart, Vestigingsklimaat en Mobiliteit worden hierop aangepast. Zie ook 40H
75 Y
p. 55 Vervangen door: Knooppunt Leiden Centraal speelt hierin een belangrijke rol. Leiden Centraal is het zesde treinstation van Nederland wat het aantal reizigers betreft. Toevoegen: De rijkswegen A4, A44 en N11 en spoorlijnen A'dam Den Haag en Leiden - Utrecht mogen niet onvermeld blijven. Die bieden aanknopingspunten voor duurzame bereikbaarheid in 2040.
Het college neemt deze suggesties (enigszins gewijzigd) graag over
De nieuwe, aangepaste, tekst in hoofdstuk 5.3 wordt: Knooppunt Leiden Centraal speelt hierin een belangrijke rol. Dat zijn station De Vink en station Leiden Lammenschans, deze stations liggen op de drukke spoorlijnen van A'dam - Den Haag en Leiden – Utrecht en zijn essentieel bij de transitie naar duurzame bereikbaarheid. Voor beide stations geldt dat het invloedgebied zich uitstrekt over delen van Leiden en dat met een toenemende verduurzaming van de mobiliteit de potentie van beide stations zal toenemen. Daarnaast is er een tekst opgenomen over de ligging van Leiden ten opzichte van ontsluitingswegen: Leiden is gelegen aan de snelwegen A4 en A44 en de regionale wegen N206 en N11. Deze rijkswegen en regionale wegen zijn belangrijk voor de regionale en (inter)nationale bereikbaarheid. Afgelopen jaren is er al flink geïnvesteerd door de regio, provincie en het Rijk in de verbetering van autoverbindingen, zoals de Rijnlandroute. Toch hebben deze wegen nu en in de toekomst ook de nodige aandachtspunten op het gebied van doorstroming. We zijn hiervoor in overleg met regiopartners, Rijkswaterstaat en andere partijen.
De ligging ten opzichte van het landelijke hoofdwegennet (A44, A4 en N11), de aanwezigheid van regionale routes, de spoorverbindingen noord/zuid en oost/west, en ook de ligging aan meerdere vaarroutes bieden kansen voor duurzame keuzes die bereikbaarheid waarborgen en leefbaarheid vergroten.
76 Z
AA
BB
p. 55 ‘We stemmen verstedelijking en mobiliteit goed op elkaar af’ In deze alinea dient het volgende toegevoegd te worden: Er worden geen stedenbouwkundige of infrastructurele projecten (wijken of wegen) meer uitgevoerd die de ambitie blokkeren om goede fiets- of vaarverbindingen aan te leggen of in stand te houden. Er ontstaat geen barrière-werking door maaiveldverhoging door onvoldoende diepte van een verdiepte ligging bij ongelijkvloerse oplossingen. p. 56 Vervangen door: opkomst van de elektrische fiets als goed alternatief voor de regionale (woon- werk)verplaatsingen per auto. Hoogteverschillen en boogstralen in fietsroutes worden geschikt gemaakt voor alle soorten fietsverkeer, om ook ouderen en minder-validen een veilige route te kunnen bieden. Waar het fietsnetwerk hoofdontsluitingswegen kruist, worden gelijkvloerse kruisingen zoveel mogelijk vermeden. Enerzijds wordt het fietsgebruik daarmee niet belemmerd, en anderzijds wordt de duurzame bereikbaarheid van de stad in de regio niet onder druk gezet door fiets- en voetgangersverkeer. Hiermee werken we aan (sociaal- en verkeers-) veilige, directe, samenhangende, comfortabele en aantrekkelijke fietsroutes binnen de stad en naar de regio. Op pagina 58 moet een vierde punt in de opsomming worden toegevoegd: 4.
Onderzoek naar snelle busverbindingen of anderszins hoogwaardig en duurzaam OV: busbanen, om het OV aantrekkelijker te maken, vooral ook van en naar wijkcentra en bedrijventerreinen.
CC
p.76 vervangen door 3. Bedrijfsterreinen optimaal benutten voor bedrijvigheid met behoefte aan milieuruimte De bedrijfsterreinen met een (blijvende) zwaardere milieucategorie worden optimaal benut voor bedrijven die lucht-, geluid-, geur- of verkeershinder veroorzaken. Ze worden beschermd tegen ontwikkelingen in de omgeving die belemmerend werken. Er worden geen strijdige functies toegevoegd. Ze zijn voorzien van een blijvend goede ontsluiting. Het is van belang om de bedrijven op deze bedrijventerreinen te verduurzamen en tegelijkertijd de terreinen waar mogelijk klimaatadaptief in te richten om hittestress tegen te gaan. Om verkeershinder over de weg terug te dringen wordt waar mogelijk ruimte geboden voor (duurzaam) vervoer over water.
De omgevingsvisie geeft de ambities aan en schetst her en der een doorkijk in mogelijke oplossingen. Uitspraken over individuele projecten zijn geen onderdeel van de omgevingsvisie. De suggestie van inspreker voert te ver om door te voeren. Ambitie van inspreker om zo min mogelijk belemmering te hebben bij fiets- en vaarwegen is ook die van de gemeente.
Geen wijzigingen
De suggestie van de inspreker om uitvoeringscriteria te benoemen in de omgevingsvisie past niet in dit document. Dergelijke aspecten krijgen een plek in een programma van eisen bij uitvoering van projecten.
Geen wijzigingen
Leiden gebruikt bij het ontwerpproces onder meer de richtlijnen van het CROW rond het begrip Duurzaam Veilig. Hierin komt ook aan de orde of een gelijkvloerse of ongelijkvloerse kruising nodig is. Het past niet in de omgevingsvisie om dergelijk ontwerpkeuzes te beschrijven.
Omdat ‘snelle lijnen’ gemeentegrenzen overstijgen gebeuren de onderzoeken op dit gebied normaliter vanuit regionale uitvoeringsprogramma’s (zoals ROA/RSM) of de provincie. De provincie Zuid-Holland heeft in 2020 nog een verkenning gedaan naar potentiele nieuwe R-routes. Daarin is geconstateerd dat deze er op dit moment niet zijn. Leiden neemt dan in haar omgevingsvisie deze voorgestelde tekst ook niet op. Dit aandachtspunt ziet toe op bedrijven in met name hogere milieucategorie bedrijvigheid. Het college onderschrijft dat deze terreinen bereikbaar moeten zijn en blijven. De milieuzonering maakt dat er geen ontwikkelingen mogen plaatsvinden binnen de richtafstanden die belemmerend zijn voor deze bedrijfscategorie. Voor wat betreft ontwikkelingen in de omgeving zal altijd een samenhangende afweging moeten worden gemaakt om te bepalen of en in hoeverre ontwikkelingen belemmerend werken en welke maatregelen genomen kunnen worden om de belemmering weg te nemen of te verminderen. De aard en ligging van het bedrijf biedt wel/of geen ruimte voor vervoer over water. Dat is een afweging die bedrijven zelf maken en aan moet sluiten bij hun primaire proces.
41
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
77 A
B
C
D
Het busvrij maken van de Stationsweg/Steenstraat is cruciaal om de openbare ruimte van dit deel van de binnenstad naar een hoger niveau te tillen. Hiermee heten we echter niet alleen de bezoekers komend vanuit het station op een gastvrije manier welkom, maar we verkleinen we ook de (gevoelde) afstand tussen binnenstad, stationsgebied en Leiden Bio Science park door een aantrekkelijkere looproute. De inspreker stelt voor om ook dit voordeel van een busvrije stationsweg te benoemen in de Omgevingsvisie. Dat kan bijvoorbeeld op pagina 47.
Het college onderschrijft het belang van een goede en aantrekkelijke looproute tussen LBSP-station-binnenstad. Deze wordt toegevoegd aan de tekst op pagina 46. Op pagina 47 wordt het benoemen van de entreefunctie en de kwaliteitssprong die op de route tussen binnenstad en station gemaakt gaat worden toegevoegd
De Morspoortgarage is onmisbaar voor de ontwikkeling van een hoogstedelijk gemengd gebied. Woningen zonder parkeerplekken bij OV-knooppunten, daar kunnen wij ons nog iets bij voorstellen (heeft echter niet de voorkeur), maar kantoren en andere functies zoals de nieuwe bioscoop hebben een goede garage (om de hoek) nodig. Daarbij kan door slim dubbelgebruik deze garage tevens een grote waarde hebben voor de binnenstad. De inspreker zou graag zien dat de realisatie van een nieuwe Morspoortgarage wordt toegevoegd aan de Omgevingsvisie. Dat kan bijvoorbeeld op pagina 46. De bezoekerseconomie is echter niet alleen van belang voor het vestigingsklimaat maar ook voor de leefbaarheid en de aantrekkelijkheid van de hele stad en regio. Zonder bezoekers zullen namelijk veel voorzieningen geen bestaansrecht hebben en zal Leiden afglijden naar een saaie provinciestad met als gevolg dat bewoners en bedrijven zullen wegtrekken. Op verschillende plaatsen in de Omgevingsvisie wordt gesproken over de bezoekerseconomie. Echter, op bijna elke plek in de visie wordt deze anders uitgelegd. De inspreker stelt voor daarom voor om in de Omgevingsvisie een duidelijke definitie te geven van de bezoekerseconomie van de binnenstad en daarin de zakelijke congresmarkt een plek te geven.
De culturele bezoekers, de zakelijke bezoekers en de bezoekers uit de regio vormen wat de inspreker betreft het hart van deze definitie. Deze toevoeging kan bijvoorbeeld op bladzijde 27, 47 en de begrippenlijst.
Deze opmerking sluit niet aan bij het detailniveau van de omgevingsvisie, dit komt aan de orde in de gebiedsvisie voor het Stationsgebied.
De opmerking over de inrichting van de Stationsstraat sluit niet aan bij het detailniveau van de omgevingsvisie, dit komt aan de orde in de gebiedsvisie voor het Stationsgebied.
Het belang van een goede en aantrekkelijke looproute tussen LBSPstation-binnenstad wordt toegevoegd aan de tekst op pagina 46 van de inspraakversie. Op pagina 47 van de inspraakversie wordt de entreefunctie en de kwaliteitssprong die op de route tussen binnenstad en station gemaakt gaat worden, toegevoegd Geen wijzigingen
In de gebiedsvisie Stationsgebied is het parkeervraagstuk voor de auto als een onderzoeksopgave opgenomen.
Het college neemt hier kennis van en ziet het belang van de bezoekerseconomie.
Geen wijzigingen
Het college is het eens met de inspreker en neemt de suggestie over. Zakelijke bezoekers en congresfaciliteiten worden toegevoegd aan pagina 27 en 47 (inspraakversie).
Op pagina 27 en 47 van de inspraakversie wordt bij de tekst ‘zakelijke bezoekers en congresfaciliteiten de volgende tekst toegevoegd ‘Dit draagt bij aan de bezoekerseconomie.
Het college voegt daarom ook ‘bezoekerseconomie’ toe aan de verklarende woorden- en begrippenlijst: Bij bezoekerseconomie gaat het primair om bezoekmotieven die te maken hebben met vrijetijdsbesteding en activiteiten waar dit keuzemotief aan ten grondslag ligt. Dit is inclusief bezoek waarbij vrijetijdsactiviteiten óók een rol spelen (bijv. bij winkelen of congresbezoek), maar niet voor overige bezoek met andere doelen. Daarbij ligt een sterk accent op de binnenstad (horeca) en de hotel- en congresfaciliteiten en gaat het om aanbieders die zelfstandig hoge bezoekaantallen of relatief veel bezoekers van verder weg trekken (zoals Naturalis), De bezoekerseconomie bestaat uit de onderdelen Erfgoed en cultuur ; Attractiessportief en outdoor; Horeca; Detailhandel; Evenementen; Waterrecreatie; Congresmarkt.
Daarnaast is de term bezoekerseconomie in de woordenlijst opgenomen. Bezoekerseconomie; Bij bezoekerseconomie gaat het primair om bezoekmotieven die te maken hebben met vrijetijdsbesteding. Dit is inclusief bezoek waarbij vrijetijdsactiviteiten óók een rol spelen (bijv. bij winkelen of congresbezoek), maar niet voor overige bezoek met andere doelen (o.a. werk, familiebezoek, opleiding, regulier zakelijk bezoek). De bezoekerseconomie bestaat uit de onderdelen Erfgoed en cultuur ; Attracties- sportief en outdoor; Horeca; Detailhandel; Evenement en; Waterrecreatie; Congresmarkt.
78 E
F
Dat Leiden de centrumstad van de Leidse regio is, is onmiskenbaar. Dit komt echter niet zozeer uit het feit dat Leiden centraal in de regio ligt, maar omdat het een centrale functie heeft op het gebied van voorzieningen, ontspanning en werkgelegenheid. De inspreker pleit voor een betere inhoudelijke onderbouwing van de term Centrumstad. Dat kan bijvoorbeeld op bladzijde 41 of in de begrippenlijst.
Het college is het met de inspreker eens dat de geografische ligging van Leiden in de regio op zichzelf de stad geen centrumstad maakt. Het gaat hiernaast ook om de voorzieningen die de centrumstad biedt voor de omliggende gemeenten, zoals een theater, bioscoop, intercity station en middelbare scholen, universiteit en hoger onderwijs. Op deze wijze is het in de visie ook bedoeld. In de begrippenlijst wordt de definitie aangepast.
Inspreker geeft aan: De voorgestelde verdeling van de binnenstad in een levendig/reuring deel en een rustig deel kunnen wij omarmen en tevens dat dit beleidsinhoudelijke consequenties heeft. Maar daarbij is het wel cruciaal welke delen tot het levendige deel behoren en welke niet. De inspreker ziet de verdeling als volgt: ten oosten van de Hooigracht is de Leidse binnenstad voornamelijk een wijk om in te wonen, ten westen van de Hooigracht met een uitloper tot buiten de singels naar het station, klopt het economische hart van onze binnenstadseconomie. De inspreker zou deze grove verdeling graag in de Omgevingsvisie willen vastleggen. Dan kan bijvoorbeeld op bladzijde 70.
Deze opmerking sluit niet aan bij het detailniveau van de omgevingsvisie. Een nadere uitwerking van rust en reuring en wat dit betekent komt aan de orde in gebiedsgerichte of gedetailleerde beleidsplannen Bij punt 3 staat tevens vermeld dat het in het gehele Leefmilieu (Hoogstedelijk en) Dynamisch een opgave is om de balans tussen bewoners en bezoekers te bewaken om de leefbaarheid op orde te houden. Het college is het eens met de omschrijving van de inspreker waar het kloppend hart van de binnenstadseconomie zich bevindt. Wel is het zo dat ook in het oostelijk deel (ten oosten van de Hooigracht) functies aanwezig zijn die een wezenlijk onderdeel vormen van de binnenstads/bezoekerseconomie. Denk aan het Havengebied met horeca en passantenhaven, de Meelfabriek met de nieuwe economische en culturele functies en het Singelpark wat een recreatieftoeristische trekpleister is geworden.
In de verklarende woorden- en begrippenlijst wordt de uitleg bij de term ‘centrumstad’ aangepast naar; ‘de ligging van Leiden t.o.v. omliggende (kleinere) gemeenten rondom de stad en de centrale functie op het vlak van onder andere werkgelegenheid, mobiliteit, zorg, onderwijs, cultuur en ontspanning voor de inwoners van de regio. Geen wijzigingen
79 G
H
42 A
Inspreker stelt dat zij zich kan vinden in de ambitie van een compact winkelgebied. Echter, dit mag niet betekenen dat we als stad niet meer investeren in onze sterke kanten. Met name langs de Rijn (Aalmarkt, Stille Rijn, Apothekersdijk) liggen grote kansen voor Leiden. In potentie heeft dit gebied hetzelfde in zich als de Botermarkt en Nieuwe Rijn. En precies met die sfeer onderscheiden wij ons van andere binnensteden. Daarnaast zorgt de ontwikkeling van dit gebied tot een aantrekkelijk verblijfsgebied met winkels en horeca voor een sterker, compacter economisch hart en een betere verbinding tussen Breestraat en Haarlemmerstraat. Wij zouden dit graag terug zien in de Omgevingsvisie. Dat kan bijvoorbeeld op bladzijde 70.
Het college is het eens met inspreker. De tekst wordt aangepast, zij het in iets aangepaste bewoordingen en passend bij het abstractieniveau van de visie.
In hoofdstuk zes is de volgende tekst aangevuld met een iets gewijzigde tekst.
Voorgestelde tekst naar aanleiding van inspraakreactie:
Ook de ondernemers van de binnenstad zien kansen voor de versterking van de economische vitaliteit door de voetganger meer plek te geven. Cruciaal daarvoor zijn echter de bezoekersgarages van de binnenstad. Deze dienen op piekmomenten beschikbaar te zijn en te blijven voor bezoekers. In zowel de parkeervisie als de agenda autoluwe binnenstad is dit op deze wijze vastgelegd. De alinea op blz. 56 lijkt dat principe tegen te spreken. Als dat zo is dan is dat niet acceptabel. Het kan echter ook zijn dat deze alinea nog aanscherping behoeft – namelijk dat het alleen om nieuwe, toekomstige garages gaat – dan ziet de inspreker deze aanscherping graag verwerkt in de tekst op bladzijde 56.
Het college voegt het woord ‘nieuwe’ toe aan de term parkeergarages onder het kopje ‘Parkeerruimte op straat beperken’.
5. Inzetten op aantrekkelijke levendige winkelstraten in de binnenstad Retailfuncties en winkelstraten staan onder druk, onder andere door het online winkelen. De aanwezigheid van een gevarieerd aanbod aan winkels en andere functies is een belangrijke kwaliteit van de stad. Voor het gehele leefmilieu is de opgave te werken aan levendige winkelstraten en clusters die toekomstbestendig zijn en die een (boven)stedelijke functie hebben. Om het huidige zeer hoogwaardig stedelijk karakter te behouden en verder uit te bouwen zijn het creëren van onderscheidend vermogen, het aantrekken van bekende formules (passend bij de maat en schaal van de binnenstad), een goede bereikbaarheid en inzetten op totaalbeleving. Leegstand wordt tegengegaan door te zorgen voor een sterker economisch hart. Voorgestelde wijziging op pagina 56 van de inspraakversie. ‘Nieuwe parkeergarages’ in plaats van ‘garages’
De inspreker pleit gelet op de biodiversiteitscrisis en het klimaatvraagstuk, nog meer prioriteit te geven aan het vergroenen van de stad. Een van de voorgestelde voornemens is om een kwantitatieve doelstelling voor de aanplant van bomen op te nemen. Volgens de inspreker is dat er wel degelijk aanleiding is om de beleidsuitspraak betreffende het aanplanten van 10.000 bomen in de omgevingsvisie op te nemen
Het college begrijpt de opmerking en ziet het behoud van bomen en het aanplanten van bomen ook als grote opgave. Echter is dit opgenomen in de recent vastgestelde bomenverordening. Het college heeft gekozen om meer abstracte doelstellingen en ambities op te nemen in de omgevingsvisie die ook goed zijn voor het klimaatvraagstuk. Dit betekent niet dat er geen extra bomen geplant worden, er wordt echter geen concreet aantal genoemd.
5. Inzetten op aantrekkelijke levendige winkelstraten in de binnenstad Retailfuncties en winkelstraten staan onder druk, onder andere door het online winkelen. De aanwezigheid van een gevarieerd aanbod aan winkels en andere functies is een belangrijke kwaliteit van de stad. Voor het gehele leefmilieu is de opgave te werken aan levendige winkelstraten en clusters die toekomstbestendig zijn en die een (boven)stedelijke functie hebben. Om het huidige zeer hoogwaardig stedelijk karakter te behouden en verder uit te bouwen zijn het creëren van onderscheidend vermogen, het aantrekken van bekende formules (passend bij de maat en schaal van de binnenstad), een goede bereikbaarheid en inzetten op totaalbeleving. Leegstand wordt tegengegaan door te zorgen voor een sterker economisch hart.
Geen wijzigingen
80 B
C
D
Om een goede opname te maken van een kwantificeerbare hoeveelheid groen in Leiden zou in mijn visie een aanvullend een meting gedaan kunnen worden naar de aanwezige houtige en plantaardige biomassa in de stad. Hiervoor zijn goede technieken, zoals i-Tree, beschikbaar. Het tellen van alleen boomstammen is niet maatgevend: een tot wasdom gekomen oude boom heeft nu eenmaal veel meer ecologische waarde dan een pas aangeplante boom. Ook tellen planten en struiken mee in de vergroening van de stad. Veel relevanter is dan ook het totaal aan houtige en plantaardige bladmassa. De inspreker stelt voor dat bij een integrale visie op de lange termijn ook behoort dat het college een doelstelling voor de vergroening van de omgeving formuleert (en op omgevingseffect laat beoordelen) die inhoud dat gemeente Leiden de houtige en groene biomassa in de periode tot 2040 met 10% wil vergroten. De inspreker stelt voor dat in de Omgevingsvisie Leiden 2040 tot uitdrukking wordt gebracht dat het vastgestelde Uitwerkingsplan Groene hoofdstructuur (met een horizon tot 2030) in de periode tot 2040 verder wordt versterkt. De inspreker mist een verwijzing naar de vastgestelde Groene Hoofdstructuur en vindt dat aan de vastgestelde ambitie om de groene hoofdstructuur in 2030 op orde te hebben moeten worden vastgehouden.
De inspreker stelt dat in de omgevingsvisie meer beleid verwoord zou kunnen worden om de landschappelijke kwaliteit aan de stadsranden de verbeteren. Dit als antwoord op de verwachte negatieve trend “Bij landschappelijke kwaliteit en cultuurhistorie en erfgoed
E
De inspreker stelt dat het vertrouwen in de overheid er bij is gebaat als in de omgevingsvisie opgenomen dat terughoudender zal worden omgegaan met het opnemen van afwijkingsbevoegdheden in omgevingsplannen.
F
De inspreker stelt voor dat vanwege de voorziene uitbreiding van de woningbouwopgave - en dus een te verwachten uitbreiding van voorzieningen zoals horeca en evenementen - de binnenstad wordt ontzien door hiervoor een moratorium af te spreken. In de omgevingsvisie kan meer worden ingezet op uitbreiding van dergelijke voorzieningen in andere wijken.
43
Deze opmerking van de omgevingsvisie past niet bij het detailniveau van de visie. In de omgevingsvisie zet het college voornamelijk in op het verbeteren en intensiveren van kwalitatief groen. Zie bomenverordening (visualisatie en discussie over monitoren en indicatoren. Dit wordt beschreven op hoofdlijnen. De opmerking van de inspreker ziet op een nadere uitwerking.
Geen wijzigingen
In het hoofdstuk groen-blauwraamwerk zijn de hoofdlijnen uit het uitwerkingsplan Groene Hoofdstructuur opgenomen. Het college acht een verwijzing hiernaar niet noodzakelijk.
Geen wijzigingen
Het College heeft als ambitie opgenomen om binnenstedelijk te verdichten zodat de buitengebieden en dus ook stadsranden open en groen blijven. Dit acht het college vooralsnog voldoende. De negatieve trend bij landschappelijke kwaliteit en cultuurhistorie en erfgoed komt voort uit andere aspecten, waaronder de energietransitie. Het college volgt de stelling van de inspreker niet. Volgens het college is het vertrouwen van burger in overheid en vice versa zeker van groot belang, maar hangt dit vooral van andere factoren af. Daarnaast zijn de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan verschillende instrumenten onder de Omgevingswet. Tevens zal het aantal afwijkingsmogelijkheden in het toekomstig Omgevingsplan vooral afhangen van de inhoudelijke juridische regels en de mate waarin deze regels wel of geen flexibiliteit bieden, die uiteindelijk landen in het Leids Omgevingsplan (op termijn) en de algemene sturingsfilosofie van de gemeenteraad. Het college neemt deze suggestie niet over in de Omgevingsvisie omdat deze aan ander abstractieniveau kent. In het evenementenbeleid, de horecavisie en de aanpak bezoekerseconomie wordt een verdere uitwerking gegeven aan het spreiden van functies over de stad.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
81 A
B
Ten onrechte wordt in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1., onder ander op pagina 47, net als eerder in de Bedrijventerreinenstrategie is gebeurd, het bedrijventerrein Rooseveltstraat en Trekvliet opgeknipt in verschillende delen, te weten 1) Rooseveltstraat West; 2) Rooseveltstraat Trekvliet en 3) Rooseveltstraat. Daarmee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de beoogde transformaties geen betrekking hebben op bestaande bedrijventerreinen waar zwaardere milieucategorieën zijn toegestaan. De ondernemers wijzen er opnieuw op dat Rooseveltstraat West en Rooseveltstraat Trekvliet gewoon onderdeel zijn van het bedrijventerrein Rooseveltstraat en Trekvliet. Op het grootste gedeelte van het bedrijventerrein zijn categorie 3.2 bedrijven toegestaan. Dat aan de randen van het bedrijventerrein, zoals in het gedeelte aan de westzijde van de Rooseveltstraat en het gedeelte aan de overzijde van de Trekvliet, lichtere categorieën bedrijven zijn toegestaan spreekt voor zich. Dat is het resultaat van een zorgvuldige milieuzonering bij het ontwerp van het bedrijventerrein. Die bufferzones zijn nodig om het bedrijventerrein als geheel blijvend te laten functioneren.
Indien in die randen van het bedrijventerrein woningen worden toegestaan, heeft dat direct ook effect op het ondernemersklimaat en de milieuruimte in de kern van het bedrijventerrein De ondernemers constateren echter dat de ambitie voor een goed ondernemersklimaat met de concept Omgevingsvisie 2040 niet waargemaakt wordt. Uit de bedrijventerreinenstrategie en de rapporten van Stec Groep die daaraan ten grondslag liggen, blijkt dat grote behoefte bestaat aan bedrijventerreinen (47,2 tot 63,5 ha) en dat juist behoefte bestaat aan matig gedifferentieerde bedrijventerreinen (lees zwaardere industrie die zeker niet gemengd kan worden), te weten 26,7 – 33,7 ha (vgl. Figuur B1.3 Bedrijventerreinenstrategie). Desondanks is op pagina 49 van de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 een beleidskeuze geformuleerd waar de ondernemers ernstige bezwaren tegen de beoogde transformatie van de genoemde bedrijventerreinen hebben. De ruimte voor bedrijven zal afnemen. Het zal moeilijker zo niet onmogelijk zijn voor bedrijven om zich te vestigen en uit te breiden. De ondernemers roepen het college en de raad op om af te zien van de bedoelde transformatie van bedrijventerreinen.
De gemeente beschouwt bedrijventerrein Rooseveltstraat als één bedrijventerrein met twee logisch te onderscheiden plangebieden. In de strategie wordt bedrijventerrein Trekvliet als een afzonderlijk bedrijventerrein gepositioneerd vanwege de scheiding door het water. Ook is er een verschil in hoeverre er sprake is van menging met wonen. Daarom wordt er onderscheid gemaakt tussen Rooseveltstraat West (breed gedifferentieerd- met menging met wonen) en Rooseveltstraat Oost (matig gedifferentieerd- geen wonen).
Geen wijzigingen
Het college beaamt uw aandachtspunt. Een zorgvuldige milieuzonering zal nadrukkelijk onderdeel moeten zijn van de verdere planontwikkeling, want de gemeente realiseert zich dat het toevoegen van woningen in het gebied effect heeft op de omgeving.
Met de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen wordt ingezet op behoud van ruimte voor bedrijven. Een belangrijke doelstelling van de strategie is dat vraag en aanbod van bedrijfsruimte zowel kwantitatief als kwalitatief met elkaar in evenwicht moeten zijn. Dat vraagt wel een zware regionale gemeentelijke inspanning om zachte plancapaciteit om te zetten naar harde plancapaciteit, zodat voldoende ruimte voor de vraag naar bedrijventerreinen gerealiseerd wordt.
Geen wijzigingen
82 C
D
F
G
Bij de beleidsuitspraak transformatie bedrijventerreinen heeft de inspreker ernstige bedenkingen bij de formulering van, de wijze van onderzoek en wat er vervolgens met de conclusie van het OER is gedaan. De effecten worden door de woorden “met meer groen in openbare ruimte” positiever voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn en geeft een onjuist beeld van de werkelijk effecten en kansen. De ondernemers constateren dat ten aanzien van beleidsuitspraak transformatie van bedrijventerreinen vier beweerdelijke positieve effecten worden gevonden. Alle vier deze effecten zien op de betreffende groenbeleving op de bedrijventerreinen, die na de herformulering beweerdelijk verbetert met de transformatie. De inspreker meent echter dat de verbetering van de groenbeleving niet als een positief effect van deze beleidsuitspraak kan worden meegenomen. Als er niemand woont op deze bedrijventerreinen, dan hoeft er van groenbeleving ook geen sprake te zijn. Daarnaast zou het onderzoek zich moeten richten op negatieve effecten en kansen van de transformatie van bedrijventerreinen naar wonen en niet op het effect van het toevoegen van groen. Volgens de inspreker is de effectbeoordeling onjuist weergegeven bij gezonde leefomgeving, externe veiligheid, verkeersveiligheid, kwaliteit en kwantiteit werklocaties en mobiliteitseffecten.
Al met al zijn de nadelige effecten en de risico’s aanzienlijk groter dan de beweerdelijke kansen van deze beleidsuitspraak. Een deugdelijke onderbouwing voor het handhaven van deze beleidsuitspraak ontbreekt. Hoewel de beleidsuitspraak transformatie van bedrijventerreinen uitdrukkelijk betrekking heeft op enkele met name genoemde bedrijventerreinen, ontbreekt een daadwerkelijke locatie-specifieke beoordeling van de ruimtelijke effecten en de mogelijkheden van een zodanige transformatie. Op deze wijze wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bedoelde transformaties al beoordeeld is. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering, noch dat hun mogelijkheden tot uitbreiding van hun activiteiten niet worden beperkt door de beoogde transformatie. Van transformatie kan geen sprake zijn. Met ruimtelijke effecten, zoals parkeerdruk, fietsverkeer etc. is op geen enkele wijze rekening gehouden. De inspreker constateert echter dat in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 op geen enkele wijze wordt ingegaan op het geldende provinciale Omgevingsverordening en het ruimtelijke beleid van de provincie en het Rijk. Dat terwijl de Omgevingsverordening bindende regels bevat, waaraan de raad is gebonden, zoals de compensatieplicht bij transformatie.
In de Omgevingsvisie 2040 dient op dit wettelijke kader te worden ingegaan. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het ruimtelijke beleid van de provincie en het Rijk en te worden gemotiveerd in hoeverre de Omgevingsvisie al dan niet met dat beleid in overeenstemming is. De inspreker constateert dat desondanks het woord compensatie in de concept Omgevingsvisie niet voorkomt. Ook in de bedrijventerreinenstrategie is het compensatievraagstuk niet sluitend opgelost. De daarin gemaakte rekensom is afhankelijk van een groot aantal volstrekt onzekere factoren. Al met al is onduidelijk op welke wijze compensatie zal kunnen plaatsvinden en of de in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 opgenomen beleidskeuze uitvoerbaar zijn.
Het OER is uitgevoerd door een adviesbureau wat daar gespecialiseerd in is (RHDHV). Het rapport is gecontroleerd door de Commissie-m.e.r, een onafhankelijke commissie die de inhoud van het OER controleert. Er zijn door de Commissie-m.e.r. juist complimenten gegeven over de navolgbaarheid van het OER.
Geen wijzigingen
Het OER gaat daarbij uit van de situatie die voorgesteld wordt. Dus als het gaat om een te transformeren gebied met een groene inrichting, dan worden van die voorgestelde situatie de omgevingseffecten in beeld gebracht. De (mogelijke) negatieve effecten van het toevoegen van woningen zijn ook in beeld gebracht, maar het gaat om de gehele uitspraak. Niet om delen van de uitspraak. Het handhaven van deze uitspraak is gedaan vanwege het integrale belang dat de transformatie met zich mee brengt. Zo kan er een meer klimaatadaptieve inrichting ontstaan en is het mogelijk om woningen te realiseren.
In de nadere uitwerking van de transformatieplannen dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de ruimtelijke effecten, waar inspreker aandacht voor vraagt. De transformaties beogen een goede balans te vinden tussen verschillende functies, waarbij wij ons ervan bewust zijn dat sommige functies op gespannen voet kunnen staan tot elkaar. De uiteindelijke planvorming zal uiteraard moeten voldoen aan een goede ruimtelijke ordening.
Geen wijzigingen
In de Ontwerp Omgevingsvisie valt op pagina 49 (inspraakversie) te lezen dat het belangrijk is om voldoende ruimte voor bedrijvigheid te behouden. Vraag en aanbod aan ruimte voor bedrijven moet met elkaar in balans zijn. In de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen zijn afspraken vastgelegd over compensatie van verlies aan ruimte voor bedrijven. Die zijn onverminderd van toepassing.
Geen wijzigingen
Zie beantwoording bij 43 F. Het college wil voorzien in de behoefte aan ruimte voor zwaardere milieucategorie bedrijvigheid en werkt hierin indien nodig samen met de regio.
Geen wijzigingen
83 H
Inspreker stelt: Hoewel dat uit de tekst niet is op te maken blijkt uit de nauwelijks zichtbare aanduiding op de kaart op pagina 53 van de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 dat – ondanks de herhaaldelijk daartegen gerichte bezwaren van de ondernemers en anderen, nog altijd de ambitie bestaat om een fietsroute aan te leggen over het bedrijventerrein Rooseveltstraat. De ondernemers hebben daartegen ernstige bezwaren. Zoals hiervoor al aangegeven leidt het mengen van verkeersstromen op het bedrijventerrein tot verkeersonveilige situaties.
I
In dit verband valt op dat in de tabel A7 Effectbeoordeling bij het OER de effecten op de verkeersveiligheid van deze beleidsuitspraak als positief worden ervaren. Dat moge zo zijn voor fietspaden buiten de bedrijventerreinen. Dat geldt echter niet voor fietspaden over bedrijventerreinen. De Rooseveltstraat is in de huidige situatie geen doorgaande fietsroute. Er is immers geen brug over de Trekvliet. Naar de mening van de ondernemers zou het fietsverkeer juist rond het bedrijventerrein moeten worden geleid.
J
Bij de inrichting van overslagpunten wijst de inspreker op dat het van groot belang is dat het overslagpunt van water naar land is gelegen langs de Trekvliet aan de noordzijde van de Trekvlietbrug. Immers, als een dergelijk overslagpunt gelegen is aan de zuidzijde van de Trekvlietbrug, dan zal vervolgens om het bedrijventerrein Rooseveltstraat of andere plekken in de stad te bereiken het Lammenschansplein overgestoken moeten worden en de Voorschoterweg of de Lammenschansweg gebruikt moeten worden. De wegen rond het Lammenschansplein zijn in de huidige situatie ernstig overbelast en ook in de toekomst wordt een toename van het verkeer op de Churchilllaan, de Voorschoterweg en het Lammenschansplein verwacht. De ondernemers menen dat in de Omgevingsvisie aan dit knelpunt en de relatie tot de overslagpunten aandacht besteed moet worden. Het Lammenschansplein wordt in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 echter in het geheel niet genoemd.
De Rooseveltstraat is een gebiedsontsluitingsweg waar 50 km/uur gereden mag worden. Volgens de richtlijnen horen fietsers en voetgangers op dit soort wegen van elkaar te worden gescheiden. Dat wil zeggen dat er naast de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer aparte voet- en fietspaden aangelegd moeten worden. Dit in verband met de verkeersveiligheid. De verbinding haaks op de Rooseveltstraat naar de Zoeterwoudseweg is een ontbrekende schakel in het fietsnetwerk en is vastgelegd in het Ontwikkelperspectief Zuidwest en hier opgenomen. Dit Ontwikkelperspectief is ook door de gemeenteraad vastgesteld en is multidisciplinair, net zoals de Omgevingsvisie. Zie beantwoording onder 43H In het OER is bezien wat de effecten zijn van beleidsuitspraken voor de gehele gemeente. Het college is het niet eens met de inspreker dat een fietspad door een bedrijventerrein juist voor meer verkeersonveiligheid zou zorgen. Het is nu ook al mogelijk om op het bedrijventerrein te fietsen. Het scheiden van het rijverkeer voor fiets en zwaarder vervoer helpt juist bij de veiligheid. De omgevingsvisie gaat niet over de precieze invulling van het gebied rond de Trekvliet.
Het college kan u het volgende meegeven over de Trekvlietbrug: De gemeente is betrokken bij de verlaging van de Trekvlietbrug en beziet daarbij samen met de provincie en stakeholders de verdere mogelijkheden van stimuleren van vervoer over water, zodat transport van goederenvervoer over water kan blijven plaatsvinden.
Laag fietsnetwerk is beter zichtbaar gemaakt in de kaart
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
84 K
44 A
De inspreker constateert dat in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 niet wordt ingegaan op de doorvaarthoogte van de Trekvlietbrug. De ondernemers zijn ermee bekend dat de gemeente plannen heeft om de doorvaarthoogte van de Trekvlietbrug te verlagen en hebben daartegen ernstige bezwaren. Verschillende ondernemers zijn afhankelijk van de goede bereikbaarheid van de Trekvliet over het water, ook met hogere schepen en ladingen. Dat betekent overigens dat ook de Lammebrug voldoende hoog en breed moet blijven. Bovendien is deze doorvaarthoogte en breedte essentieel om de hierboven besproken hubs/overslagpunten langs het water te kunnen realiseren. Andere geschikte locaties voor een overslagpunt aan het water zijn er in Leiden niet. Het is van belang dat een en ander in samenhang wordt beschouwd.
Het college erkent het belang van het in samenhang beschouwen en aanpakken van de verschillende opgaven en het verbeteren van bereikbaarheid over water. De omgevingsvisie doet echter geen uitspraken over de specifieke doorvaarthoogte van bruggen, omdat dat niet past in het detailniveau van de visie.
De inspreker maakt zich zorgen over de ontwikkelingen en projecten (bijv. Plesmalaan 100, Verbeekstraat, Westerpoort, Werninkterrein die op stapel zijn en van invloed zijn op het leefklimaat in de wijk. De omgevingsvisie neemt deze ongerustheid niet weg
Deze zorg is bij het college bekend en is reeds bij de genoemde projecten en het ontwikkelperspectief De Mors geuit. Voor de Omgevingsvisie, die op hoofdlijnen en hoofdzaken kaders stelt en qua abstractieniveau boven de genoemde projecten zit, leidt dit niet tot aanpassingen. De omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen. Hoofdzakelijk omdat het een visie betreft voor de lange termijn, wat gevolgen heeft voor de mate van concreetheid. De evaluatie en procesbegeleidingsinstrumenten worden opgesteld na vaststelling van de omgevingsvisie. Dit omdat de evaluatie en procesbegeleidingsinstrumenten afhankelijk zijn van de definitieve inhoud, en die definitieve inhoud is pas zeker nadat de omgevingsvisie 1.1-versie is vastgesteld door de gemeenteraad. De Omgevingsvisie probeert een balans te vinden tussen de wens om groen te behouden en te versterken, de leefbaarheid en de behoefte aan woningen en voorzieningen in de stad. Er wordt ook sterk ingezet op versterking van de groenstructuur. Juist daarom zal het grootste deel van de verdichtingsopgave tot stand komen door bestaande stukken stad te transformeren. Hierdoor wordt het (omliggende) groen zo min mogelijk aangetast. Ook vindt de verdichting veelal plaats in gebieden die al aan het grotere groen gelegen zijn en de groenstructuren eventueel kunnen versterken.
Daarbij zijn de gebiedsontwikkelingen veelal gekoppeld aan locaties van goed (H)OV en/of voorzieningen waardoor het autogebruik beperkt wordt.
B
De inspreker stelt dat de omgevingsvisie nergens concreet wordt, dat er geen keuzes worden gemaakt, dat onduidelijke blijft wat prioriteit heeft en dat niets word gekwantificeerd. De inspreker mist evaluatie en procesbegeleidingsinstrumenten waarmee gemeentebestuur en inwoners kunnen beoordelen of de gemeente op de goede weg is.
C
De inspreker stelt dat woning bouwopgave waarin Leiden zich heeft gecommitteerd te ambitieus is. Om dit te realiseren zullen bestaande normen m.b.t. milieu, groen, voorzieningen en mobiliteit terzijde moeten worden geschoven en ten koste gaan van het leefklimaat. De inspreker noemt o.a. het voorbeeld Plesmanlaan 100.
In de visie kan wel worden opgenomen dat het voor de bereikbaarheid over water en mogelijkheden voor hubs/overslagpunten van belang is dat rekening wordt gehouden met de doorvaarthoogtes. Zie verder ook beantwoording onder 43J
Aanvulling op Pagina 57 van de inspraakversie paragraaf Vervoer over water onderzoeken … Distributie van grondstoffen en bevoorrading van bedrijven zijn mogelijkheden die in de toekomst wellicht ook efficiënter, schoner of rendabeler gemaakt kunnen worden over water. Nader onderzoek moet dit uitwijzen, waarbij gekeken moet worden naar de plek van specifieke overstap- of overslaghubs, waarbij ook rekening gehouden wordt met de doorvaarthoogtes van de bruggen.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
85 D
Het ontgaat de inspreker wat hoogbouw bijdraagt aan het oplossen van de woningnood in de regio. De inspreker is van mening dat de hoogbouwvisie uit april 2007 kan worden gehandhaafd en eventueel uitgebreid wordt met de hoofbouwkwaliteitstoets.
E
De inspreker verwacht niet dat de gemeente op enig termijn in staat zal zijn om een uitstootvrij mobiliteitssysteem te ontwikkelen. De inspreker geeft aan vooralsnog aanzienlijk milieuoverlast te hebben door geluid en fijnstof en met een gemeente die weigert daar iets aan te doen
F
De inspreker vindt het opvallend dat de omgevingsvisie weinig zegt over het parkeren van auto’s. Dit in tegenstelling tot de in 2020 aangenomen parkeervisie die in de omgevingsvisie zou zijn geïntegreerd
G
Het ontgaat de inspreker waar en hoe het clusteren van geparkeerde auto’s zou moeten plaatsvinden (alinea op 38)
H
De inspreker lijkt het onverstandig om nu al een voorschot te nemen op deelauto’s en het niet meer willen bezitten van eigen auto’s en noemt het verre toekomstmuziek, die waarschijnlijk nooit zal worden gerealiseerd. Voorkom dat er geen parkeercapaciteit wordt gecreëerd bij nieuwe ontwikkelingen of dat nieuwe bewoners geen parkeervergunning krijgen.
Het college constateert dat er een grote ruimtedruk op de stad ligt. We hebben een grote woningbouwopgave, met alle bijbehorende voorzieningen, maar moeten tegelijkertijd ruimte vinden voor bijvoorbeeld waterbuffering en biodiversiteit. In die context is de hoogbouwvisie van 2007 tegen het licht gehouden en heeft het gemeentebestuur geconstateerd dat het in beperkte mate verhogen van de bouwhoogte kan bijdragen aan de verstedelijkingsopgave van de stad. Juist door heel selectief te werk te gaan wordt het karakter van de stad zo min mogelijk aangetast. De gemeente zelf bepaald weliswaar niet de toelatingseisen van voertuigen op de openbare weg, maar alle signalen zijn wel dat landelijk wetgeving hieromtrent de komende jaren steeds strenger zal worden. Het aandeel fossiel aangedreven voertuigen zal dus de komende decennia zeer sterk afnemen. De Parkeervisie is door middel van de Mobiliteitsnota in verbinding met de Omgevingsvisie. Al het specifieke beleid dat in de Parkeervisie is verwoord staat in hoofdlijnen in de omgevingsvisie. De gedachte hierbij is dat het autobezit op termijn zal verminderen. Daarmee ontstaat ruimte om parkeerruimte om te zetten naar bijvoorbeeld groen of een andersoortige klimaatadaptieve inrichting De omgevingsvisie schets een toekomstbeeld. De uitwerking van de omgevingsvisie vindt plaats in diverse programma’s en regels.