210078 Bijlage 2 Geanonimiseerde inspraaknota Leiden 2040 1.1-versie
Tekst van het document
Deze drempel moet worden verlaagd naar een stamdiameter van 40 cm (conform het advies van de Leidse Milieuraad over de nieuwe verordening)
E
Leiden is een compacte stad met weinig buitengebied, waardoor het aantal bomen per inwoner altijd ruim lager zal liggen dan bijvoorbeeld een gemeente als Wassenaar. De ambitie is om meer bomen in de stad te plaatsen. Naast het toevoegen van extra bomen bij projecten, zoals bijvoorbeeld de Gasthuiswijk extra worden aangeplant heeft de gemeente in het uitvoeringsprogramma Leiden biodivers en klimaatbestendig 50 extra bomen per jaar gekwantificeerd. De uitspraken uit de alternatieven zijn niet alleen gewogen op de effecten die deze uitspraken met zich meebrengen, maar ook de ruimtevraag en het belang van andere opgaven. Tijdens de integrale afweging is er voor andere beleidsuitspraken gekozen die ook een positieve impact hebben op klimaatadaptatie. In het uitvoeringsprogramma Leiden biodivers en klimaatbestendig is dit ook opgenomen, enkele voorbeelden: subsidie voor groene daken, vergroenen van versteende plekken in de stad (groene kansenkaart), extra vergroenen bij de vervanging van het riool in aantal wijken in de stad Het college is het eens dat parken een belangrijke rol vervullen in een wijk. Bij renovatie van parken is aandacht voor klimaatbestendigheid en ecologisch waardevol groen.
Geen wijzigingen
Leiden wil bomen zo goed mogelijk beschermen. Dat doen we via de Bomenverordening. De gemaakte opmerkingen van de indiener zijn in dat kader ook besproken bij de behandeling van de bomenverordening.
Geen wijzigingen
Met de nieuwe bomenverordening is er geen sprake van minder bescherming van bomen. Alle bomen in de openbare ruimte met een diameter van 14cm of meer zijn beschermd voor kap via een vergunningsplicht. Ook zijn de structuren van de Groene Kaart toegevoegd bij de behandeling van de bomenverordening. De indiener heeft de 30% regel waarschijnlijk onjuist geïnterpreteerd. Deze heeft betrekking op de meldplicht. Dit is een juridisch kader waarbij zieke en kwarrende bomen kunnen worden vervangen. De 30% hier is een garantie dat de structuur en het beeld van de houtopstand in tact blijft. De bescherming van bomen in het openbaar gebied geldt vanaf een diameter van 14cm. De stamdiameter van 80cm heeft betrekking op de bomen bij particulieren. Bomen met een waardering van 3 of meer in het Register Ecologische Bomen zijn vanaf 50cm en 50 jaar waardevol bij particulieren.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
53 F
G
Op p. 39 staat: “Goed in de wijk verankerde parken en (wijk)sportparken zijn openbaar en kunnen laagdrempelig worden gebruikt door diverse sportverenigingen, maatschappelijke organisaties en wijkbewoners.” Als dat met de parken steeds gebeurt, is het gedaan met de ongestoorde parkbeleving. Het is ook nadelig voor dieren en planten. In Omgevingsvisie 1.1 wordt met groen ook sportparken bedoeld, zo lijkt het, terwijl die niet altijd groen zijn. Op p. 37 staat dat (wijk)sportparken belangrijk zijn voor de biodiversiteit in de stad en i.h.k.v. de klimaatadaptie.). Het hele idee van wijksportparken dient na het referendum nog eens tegen het licht te worden gehouden. Wat wordt er precies mee bedoeld? Wat is het doel? In hoeverre dragen ze bij aan gemeentelijk groen?
De Leidse parken en (wijk)sportparken die onderdeel van het Groen-Blauwe raamwerk uitmaken kunnen verschillende (hoofd)doelen hebben. Het ene park is meer gericht op sport en spel en anderen meer op luwte en donker. Alle kansen voor biodiversiteit en klimaatadaptatie worden bij de wijksportparken zo veel mogelijk benut.
In welke mate levert de Omgevingsvisie 2040 een bijdrage aan de duurzaamheid (hittestress, wateroverlast, biodiversiteit, fauna) en hoe wordt dat getoetst?
In de Omgevingsvisie is het Groen-blauwe raamwerk een van de belangrijke pijlers. Dit groenblauwe raamwerk draagt bij aan duurzaamheid (hittestress, wateroverlast, biodiversiteit etc). Daarnaast wordt ook op andere plekken in de stad het vergroenen van de stad geïntensiveerd. (zie kopje ‘Uitwerking intensivering van het vergroenen van de stad waar mogelijk’. Het toevoegen en versterken van groen en blauw helpt ter voorkoming van wateroverlast en hittestress. Het levert ook een bijdrage aan de biodiversiteit en flora en fauna. De stand van zaken omtrent klimaatadaptatie wordt 1 x per 6 jaar getoetst middels de stresstesten. Leiden heeft ook sinds 2004 al een Stadsnatuurmeetnet waar flora en fauna mee kan worden gemonitord.
Het college verduidelijkt dit in de tekst en voegt het begrip wijksportpark toe aan de begrippenlijst.
Definitie wijksportpark is toegevoegd aan de begrippenlijst: wijksportparken: open sportparken waar naast georganiseerde sportverenigingen ook ruimte is voor de ongeorganiseerde sport en voor maatschappelijke organisaties uit de buurt. Tekst op pagina 36 van de inspraakversie wordt: ‘… belevingswaarde. Ze dragen waar mogelijk bij aan opvang en buffering van neerslag, koele routes en plekken en aan biodiversiteit. Delen van het raamwerk worden intensiever gebruikt. Andere delen zijn luwer en meer op natuurwaarden ingericht, met minder toegankelijke of meer donkere delen. Zo wordt bij de inrichting van de verschillende delen …etc’ Geen wijzigingen
54 H
I
36
Advies van de inspreker over gemeentelijk natuur: 1. Leiden breidt het areaal aan gemeentelijke natuur uit. a) Bij uitbreiding van het aantal woningen wordt per extra inwoner minimaal 75 m2 extra groen aangelegd (NB Leiden heeft nu 63 m2 per hoofd van de bevolking) b) In 2030 is de gemeentelijke natuur uitgebreid naar 69 m2 per hoofd van de bevolking c) In 2040 is de gemeentelijke natuur uitgebreid naar 75 m2 per hoofd van de bevolking 2. Leiden beschermt het bestaande openbaar groen in de parken. Deze krijgen een beschermde monumentale status. 3. Leiden garandeert dat openbaar groen openbaar blijft en dat de toegankelijkheid niet wordt beperkt tot specifieke doelgroepen. 4. Leiden laat de biodiversiteit aantoonbaar toenemen (conform eerdere adviezen van de Leidse Milieuraad in 2020) a) Leiden hanteert een duidelijke definitie van biodiversiteit b) Leiden maakt de ambities voor het laten toenemen van de biodiversiteit SMART Leiden zet een meetprogramma op voor het monitoren van de voortgang van de toename van de biodiversiteit Advies van inspreker over bomen; Leiden heeft met 76.000 bomen en een bevolking van 125.000 mensen nu 0,6 boom per inwoner, aldus het OER. Dit aantal wordt drastisch verhoogd. Met de gekozen woningbouwopgave in de Omgevingsvisie stijgt het aantal inwoners tot circa 150.000.
Daar hoort een stijging bij van het aantal bomen tot 100.000 bomen (hetgeen overeenkomt met circa 0,67 boom per inwoner): a) In 2030 een toename van 15.000 bomen (dan 0,64 boom per inwoner), b) In 2040 nog eens 9.000 bomen erbij (dan 0,67 boom per inwoner). Indien bomen worden gekapt worden deze binnen één jaar herplant in dezelfde buurt. Indien dit niet mogelijk is in dezelfde buurt dan gebeurt dit in dezelfde wijk (buurt en wijk obv CBS definities). De voorwaarden voor de kap van bestaande bomen moeten strenger worden. In de nieuwe bomenverordening vallen veel straten en lanen vallen van de beschermingstafel. En: de drempel voor kap ligt in de nieuwe bomenverordening bij een stamdiameter van 80 cm. Deze drempel moet worden verlaagd naar een stamdiameter van 40 cm (conform het advies van de Leidse Milieuraad over de nieuwe verordening).
Zie beantwoording onder 37G
Zie wijziging onder 37G
Vooralsnog legt het college geen normen/ vuistregels in de omgevingsvisie vast. Dit past namelijk niet bij het detailniveau van de visie zoals deze nu is opgezet. Mochten er op termijn normen en voorwaarden vastgelegd worden dan moet hier eerst uitvoerig onderzoek naar gedaan worden (hoogte van de norm en hoe dit gemonitord wordt). Daarnaast is het programma of het omgevingsplan (zoals bedoeld in de Omgevingswet) meer geschikt om te voorzien van normen en voorwaarden. Wanneer en hoe een programma opgesteld gaat worden moet nog verder uitgewerkt worden. Dit volgt na de omgevingsvisie.
Geen wijzigingen
In de Bomenverordening zijn de regels o.a. rondom kap en herplanting opgenomen.
55 A
De naam voor het gebied “Lammenschansdriehoek” wordt wisselend toepast. De ene keer wordt hier de gehele wijk Cronestein mee bedoeld de ander keer het gedeelte ten oosten van de Lammenschansweg. Door dit wisselend te benoemen kunnen bewoners en ondernemers op het verkeerde been gezet worden, iets wat niet de bedoeling kan en mag zijn (zie bijv. pg 30, 67,68).
Het college zal de tekst verduidelijken op de diverse plekken in de tekst.
B
Op pagina 49 schrijft u Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West etc.. Onder Rooseveltstraat Trekvliet wordt echter het gehele bedrijventerrein verstaan (gelegen aan de Rooseveltstraat en de Zoeterwoudseweg), Rooseveltstraat west valt hier dus ook onder.
C
Op de Visiekaart (pag30) is het gehele bedrijventerrein Trekvliet gelegen aan de Zoeterwoudseweg niet ingekleurd, dit ziet de inspreker graag aangepast conform het rapport “Ruimte voor bedrijven in de Economie 071gemeenten versie 26 juni 2020”.
Het college beschouwt bedrijventerrein Rooseveltstraat als één bedrijventerrein met twee logisch te onderscheiden plangebieden. In de strategie wordt bedrijventerrein Trekvliet daarom als een afzonderlijk bedrijventerrein gepositioneerd vanwege de scheiding door het water. Ook is er een verschil in hoeverre er sprake is van menging met wonen. Daarom wordt er onderscheid gemaakt tussen Rooseveltstraat West (breed gedifferentieerd- met menging met wonen) en Rooseveltstraat Oost (matig gedifferentieerd- geen wonen). Constatering van inspreker is inderdaad correct. De menging met wonen geldt inderdaad maar voor een deel van het gebied. Het college past dit aan in de visiekaart en de kaart vestigingsklimaat. In de tekst wordt op pagina 49 van de inspraakversie het woord (deels) toegevoegd achter Rooseveltstraat Trekvliet ‘
Tekst wordt op diverse plekken aangepast: Paginanummers verwijzen naar de inspraakversie Pag 44 Grote Lammenschansdriehoek verwijst naar beide zijden Lammenschansweg Pag 48 ‘Lammenschansdriehoek’– hier wordt het vervangen door ‘nabij station Leiden Lammenschans’ Pag 68: ‘Lammenschansdriehoek’ wordt vervangen door ‘Grote Lammenschansdriehoek (tussen spoor, Trekvliet en Rijn-Schiekanaal)’ Geen wijzigingen
Deel bedrijventerrein Trekvliet aan de Zoeterwoudseweg is nu als ongemengd bedrijventerrein aangeven, conform Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen. Zowel in de visiekaart als in de kaart vestigingsklimaat. In de tekst is op pagina 49 van de inspraakversie het woord (deels) toegevoegd achter Rooseveltstraat Trekvliet ‘(deels)
37
56 A
B
Hoewel de inspreker de visie en de daarin vastgelegde ambitie in belangrijke mate kan onderschrijven is de inspreker van mening dat deze onvoldoende concreet en in te weinig toetsbare termen wordt ingevuld. Het gemeentebestuur gaat er ten onrechte van uit dat alle doelen zijn te verwezenlijken en miskent daarbij de noodzaak van soms pijnlijke keuzes. De inspreker zou de omgevingsvisie graag aangevuld willen zien met concretere targets voor bijvoorbeeld natuur/groen en CO2 reductie en een duidelijk afwegingskader in geval van strijdige doelen. Het maken van afwegingen tussen verschillende waarden zou niet per individueel omgevingsplan moeten worden gemaakt maar in de omgevingsvisie al van duidelijke kaders/uitgangspunten moeten zijn voorzien. Het ontbreken van streefwaarden voor 2040 en een afwegingskader bij strijdigheid van doelen vindt de inspreker een groot gemis aan deze omgevingsvisie.
De komende jaren komt het accent zwaar te liggen op woningbouw. Leiden wil inzetten op zo’n 8000 extra woningen in 2040. Deze opgave is zeer ambitieus te noemen. De inspreker roept de gemeente op tot een herbezinning op de woningbouwopgave. Gezien de met de klimaatverandering toenemende kwetsbaarheid van onze regio, de congestie op het spoor en de verbindingswegen in onze regio, en criteria van duurzame leefbaarheid, is de inspreker van mening dat het verstandiger is de enorme woningbouwopgave waartoe onze regio zich heeft verplicht op een andere manier ruimtelijk te verdelen. In plaats van een verdere verstedelijking van de regio en een verdere verdichting van de dichtstbevolkte steden, met grote negatieve gevolgen voor de toekomstige leefbaarheid, zou de woningbouwopgave ook ingezet kunnen worden om de agglomeratiekracht van kleinere steden in de regio te versterken.
De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen de gewenste ontwikkeling van Leiden. Deze hoofdlijnen maken we verder concreet in ontwikkelperspectieven (tijdens deze collegeperiode onder andere voor Leiden Zuidwest, De Mors en Leiden Noord) en in het omgevingsplan, dat onder de omgevingswet alle bestemmingsplannen gaat vervangen.
Geen wijzigingen
Het college gebruikt in de omgevingsvisie bij het maken van de Leidse keuzes de vijf afwegingsprincipes, terug te vinden op pagina 33 van de inspraakversie (direct onder hfst 5). Deze principes zijn ook bij doorwerking in gebieden en projecten van toepassing. De omgevingsvisie fungeert daarmee als groter afwegingskader. De visie geeft de richting aan, afhankelijk van de opgave, worden gebiedsgericht keuzes gemaakt. Waar ambities met elkaar concurreren wil het college namelijk zo veel mogelijk gebiedsgericht naar oplossingen zoeken (maatwerk) samen met de stad. Ook zal middels monitoring worden gekeken of er tussentijds moet worden bijgestuurd of ingegrepen als doelstellingen en ambities niet gehaald worden. Het gemeentebestuur zal in andere instrumenten van de Omgevingswet uitwerken waar concretere doelstellingen kunnen worden vastgelegd en kunnen worden aangescherpt. De gemeente werkt samen met de omliggende gemeenten aan het realiseren van de regionale woningopgave. Zo dragen Leiderdorp, Voorschoten en Oegstgeest bij aan de Leidse opgave voor studentenwoningen. Deze komt overigens nog bovenop de 8000 ‘reguliere’ woningen. De ons omliggende gemeenten bouwen daarnaast ook duizenden reguliere woningen, bijvoorbeeld in gebieden als Nieuw-Rhijngeest, ’t Duyfrak en Valkenhorst.
Daarbij hanteren de regiogemeenten het gezamenlijke doel om binnenstedelijk te bouwen en het groene ommeland open te houden.
Geen wijzigingen
57 C
De inspreker ziet liever woningbouwvormen van beperktere hoogte waarbij minder windcirculatie zal optreden, meer variatie in bouw ontstaat en meer vormen van groen op straatniveau mogelijk zijn. Er zijn vele voorbeelden van compacte woningbouw met veel minder woonlagen, die juist wel een mensvriendelijke en groene woonomgeving kunnen bieden. De inspreker wijst ook nog op de relatief hoge investeringskosten bij met name hogere woningbouw (als gevolg van aanvullende eisen bij hoogbouw en hogere stichtingskosten). De inspreker vraagt de gemeente om een heroverweging van de hoogbouwvisie. Bij de keuze ten gunste van hoogbouw bepleit de inspreker bovendien het hanteren van een stringente kwaliteitstoets hoogbouw
Leiden zal ook in de toekomst een stad blijven die zich overwegend kenmerkt door laag- en middelhoogbouw, met op de meest dynamische plekken accenten tot 70 meter. Op vier specifiek bepaalde locaties mag hoger dan 70 meter gebouwd worden. Dit is nodig om een goede balans tussen de druk op de ruimte in de stad en de wens om specifieke kwaliteiten van de bestaande stad te behouden en “een stad waar het prettig wonen, werken en recreëren is”. Betaalbaarheid is een belangrijk aandachtspunt bij de realisatie van hoogbouw. Hogere bebouwing is altijd onderdeel van een ontwikkeling met verschillende bouwhoogtes en variatie in woningtypes. Een Kwaliteitstoets voor Hoogbouw wordt voorbereid, waarin deze aspecten ook aandacht krijgen.
Geen wijzigingen
D
De inspreker vraagt aan de gemeente om daadwerkelijk werk te maken van integraal bouwen. Er wordt gezorgd voor passende voorzieningen. Verkeer, parkeren, leefbaarheid, fijnstof en geluid worden niet meer per afzonderlijk plan beoordeeld maar voor een veel groter gebied. Dit betekent ook dat bij bouwplannen voldaan wordt aan alle wettelijke normen. Er worden geen ontheffingen aangevraagd.
Geen wijzigingen
E
Gezien de enorme druk op de ruimte in de stad, dient de Omgevingsvisie meer aandacht te besteden aan de gevolgen van de post-corona ontwikkeling naar veel meer thuiswerken voor de vraag naar kantoorruimte in en om de stad. Hoeveel kantoorruimte valt er vrij voor woningbouw? En wat betekent de toename van thuiswerken voor de eisen die bewoners stellen aan de kwaliteiten van hun woning en hun woonomgeving
Alle projecten moeten voldoen aan de vastgestelde beleidsregels van de gemeente Leiden en de wettelijke kaders / normen rondom milieuaspecten zoals fijnstof en geluid. Leiden heeft voor bijvoorbeeld het aspect geluid strengere normen dan wettelijk voorgeschreven. Zolang de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft is het mogelijk om middels een Besluit Hogere Waarden af te wijken van de Leidse richtlijn. Het doel van het college is om binnen de wettelijke kaders te blijven. Het college is het met de indieners eens dat het nodig is om aandacht te besteden aan de gevolgen van de post-corona ontwikkelingen. In het OmgevingsEffectRapport is een paragraaf opgenomen over de effecten van COVID-19. Daarin wordt geconcludeerd dat de middelen lange termijn gevolgen nog te onzeker zijn.
F
Meer ruimte voor bomen en groen is omwille van de leefbaarheid en recreatie volgens de inspreker nodig. Voor wat betreft het Houtkwartier kan het laankarakter van de Rijnburgerweg worden versterkt, als deze (tussen Dellaertweg en Posthofrotonde) verkeersluw wordt gemaakt en daar ruimte voor meer bomen en meer groen komt. Ook pleit de inspreker voor realisatie van het plan om vanuit het Houtkwartier de groene corridor naar het Singelpark te voltooien. Meer groen in de stad zou bovendien vooral op straatniveau moeten ontstaan om een bijdrage te kunnen leveren aan bodemvitaliteit, biodiversiteit, schaduwwerking, infiltratie- en bergingscapaciteit. Dak- en gevelgroen, waarop nu wordt gekoerst, voorzien hier niet in.
Mochten er naar aanleiding van COVID-19 structurele veranderingen optreden in aspecten die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving wordt dit aangepast in de omgevingsvisie. Het college onderstreept het belang van meer groen en bomen. Maar de ruimte in de ondergrond is beperkt. Daar liggen veel kabels en leidingen, buizen tbv riool, etc. De ambitie is om het bestaande groen zoveel mogelijk met elkaar te verbinden. De uitwerking van de ringen en spaken moet nog gebeuren. /nadere invulling nodig.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
58 G
H
Advies van de inspreker over groenvoorziening: 1. Leiden breidt het areaal aan gemeentelijke natuur uit. a) Bij uitbreiding van het aantal woningen wordt per extra inwoner minimaal 75 m2 extra groen aangelegd (NB Leiden heeft nu 63 m2 per hoofd van de bevolking) b) In 2030 is de gemeentelijke natuur uitgebreid naar 69 m2 per hoofd van de bevolking c) In 2040 is de gemeentelijke natuur uitgebreid naar 75 m2 per hoofd van de bevolking 2. Leiden beschermt het bestaande openbaar groen in de parken. Deze krijgen een beschermde monumentale status. 3. Leiden garandeert dat openbaar groen openbaar blijft en dat de toegankelijkheid niet wordt beperkt tot specifieke doelgroepen. 4. Leiden laat de biodiversiteit aantoonbaar toenemen (conform eerdere adviezen van de Leidse Milieuraad in 2020) a) Leiden hanteert een duidelijke definitie van biodiversiteit b) Leiden maakt de ambities voor het laten toenemen van de biodiversiteit SMART c) Leiden zet een meetprogramma op voor het monitoren van de voortgang van de toename van de biodiversiteit d) Boom verwijderd betekent nieuwe boom aangeplant in de wijk binnen 1 jaar De ambities worden tot nu toe onvoldoende waargemaakt. Met de energietransitie van Leiden gaat het niet voorspoedig. De gemeente ligt niet op koers met de eerder geformuleerde doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, energiebesparing en hernieuwbare energie.
In de Omgevingsvisie ontbreekt het aan reflectie op de behaalde resultaten tot 2020 en aan herijking van de doelstellingen in termen van kwantitatieve streefwaarden voor 2040 met tussentijdse mijlpalen om de voortgang van het beleid te kunnen beoordelen.
Het college hecht belang aan klimaat en gezondheid. Dit belang is ook verwoord in de visie en het college onderstreept het belang aan meer groen, bomen en klimaatadaptatie. 1. Vooralsnog legt het college geen normen/ vuistregels in de omgevingsvisie vast. Dit past namelijk niet bij het detailniveau van de visie zoals deze nu is opgezet. 2. Door de omgevingsvisie en de Groene hoofdstructuur is het groen volgens het college voldoende beschermd. 3. De ambitie is dat openbaar groen zoveel mogelijk toegankelijk is voor iedereen. 4.A Het college voegt een definitie toe aan de begrippenlijst 4.B Het college doet dit door invulling te geven aan de implementatie van adviezen uit het gemeentebrede ecologisch advies van de Stadsecoloog . 4C. Leiden heeft sinds 2004 al een Stadsnatuurmeetnet waar flora en fauna mee wordt gemonitord. 4D. In de Bomenverordening zijn de regels o.a. rondom kap en herplanting opgenomen.
Het huidige college heeft sinds haar aantreden gekozen om de duurzaamheidsopgaven op slagvaardige manier uit te gaan voeren. Om dit te bewerkstelligen is er voor gekozen om per duurzaamheidsopgaven (energietransitie gebouwde omgeving, klimaatadaptatie en biodivers vergroenen, circulaire economie, duurzame mobiliteit) en eigen uitvoeringsprogramma op te richten. Binnen deze uitvoeringsprogramma’s wordt inspanningen, projecten en processen geformuleerd om handen en voeten te geven aan de doelstellingen die per opgave zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsprogramma energietransitie gebouwde omgeving 2020-2023 (vastgesteld door college in januari 2020) volgt jaarlijks een uitvoeringsplan en eindrapportage met daarin behaalde resultaten. Voor het jaar 2020 volgt de eindrapportage nog voor de zomer van 2021 naar de raad. Overigens heeft het college zelf ook erkent dat de doelstellingen ten aanzien van de energietransitie scherper geformuleerd kunnen worden. Hiertoe is opdracht gegeven aan een adviesbureau om met behulp van een routekaart een scherp pad richting 2050 te formuleren. Vanuit deze routekaart kunnen scherpere en realistische streefwaarden per indicator worden geformuleerd. De routekaart is onderdeel van het uitvoeringsplan 2021. Ook dit uitvoeringsplan komt voor de zomer ter info naar de gemeenteraad
Definitie biodiversiteit in de begrippenlijst Biodiversiteit; de biologische verscheidenheid op meerdere niveaus: genetische variatie, variatie aan soorten (planten en dieren en andere levensvormen) en variatie aan landschappen / ecosystemen.
Geen wijzigingen
59 I
De complexiteit en benodigde projectorganisatie voor de energietransitie worden onderschat zowel binnen de gemeentelijke organisatie als in de wijken
J
Voor de gemeente Leiden is het zaak lering te trekken uit de historie van het WBR. In het eindrapport van de Raadsenquête Warmtebedrijf Rotterdam zijn er grote vraagtekens geplaatst bij de kennis en competenties van de gemeente om grip te houden op een complex project als het WBR. Die zorg kan de gemeente Leiden zich ook aantrekken. Met de Leiding door het Midden zijn grote maatschappelijke en financiële belangen én risico’s gemoeid.
K
L
De energietransitie steunt te sterk op gebruik van restwarmte en de aanpak daarvan is te risicovol
M
Er bestaat een volstrekt incompleet beeld van de kosten van verschillende mogelijke oplossingen en de opbouw van deze kosten
N
Een grootschalig warmtenet vraagt een grootschalig distributienet in de stad met hoge kosten, groot risico op kostenoverschrijdingen en vertragingen, langdurig afgesloten straten, graafwerkzaamheden etc. Volg een meersporenbeleid voor de toekomstige energie infrastructuur. Het is noodzakelijk om de verschillende mogelijke oplossingen op een transparante manier tegen elkaar af te wegen. Voorziene warmtekavels zijn te groot
O
P
Het college erkent de complexiteit van de energietransitie. Ook erkent het college de noodzaak om verder te kunnen bouwen aan een professionele uitvoeringsorganisatie. Het college is wel van mening dat de leercurve van een dergelijke op te richten organisatie vergroot wordt wanneer er met kleinschalige pilotprojecten wordt gestart. Daarbij kijkt het college ook nadrukkelijk naar het Rijk om de gemeente tegemoet te komen in de compensatie van uitvoeringslasten. Het college heeft kennis genomen van de genoemde raadsenquête. Het college neemt de leerpunten mee in de regionale samenwerking rondom de warmtetransitie die dit voorjaar in de Raad is behandeld (RV 21.0026)
Geen wijzigingen
Het college neemt kennis van deze opmerking en probeert de risico’s te mitigeren door de komende anderhalf jaar een regionale verkenning op dit dossier vorm te geven (RV 21.0026) In zowel het Handelingsperspectief Energietransitie (RV 20.0032) als de RES 1.0 is de nut en noodzaak en het belang van restwarmte uitvoerig uitgelicht. Het college herkent zich niet in deze mening. De omgevingsvisie doet uitspraken op hoofdlijnen over de hele stad. Deze opmerking van de inspreker is te specifiek. Daarom zijn in zowel het Handelingsperspectief Energietransitie (RV 20.0032) als de RES 1.0 de verschillende mogelijke oplossingen uitvoerig uitgelicht. Ook de alternatieve kosten zijn en worden in kaart gebracht, onder andere in de samenwerking rondom de warmtetransitie. Het college herkent zich niet in deze mening. Het college neemt dit punt op in de overwegingen bij de verdere verkenningen en uitvoering.
Geen wijzigingen
Het college erkent de oproep. In zowel het Handelingsperspectief Energietransitie (RV 20.0032) als de RES 1.0 is dit meersporenbeleid uitvoerig uitgelicht.
Geen wijzigingen
De voorziene warmtekavels zijn nog niet bekend. Deze veronderstelling is dus onjuist.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
60 Q
Belangen van bewoners, eigenaren en huurders en de maatschappelijke acceptatie zijn onvoldoende geborgd (keuzevrijheid (wat en wanneer), duurzaamheid, betaalbaarheid, betrouwbaarheid)
In de Leidse warmtevisie 2017 en het Handelingsperspectief gemeente Leiden in de energietransitie 2020 heeft de gemeenteraad de kaders waarbinnen de energietransitie in Leiden vorm moet krijgen vastgesteld. Deze kaders komen erop neer dat de energietransitie in Leiden betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam moet zijn. De uitgangspunten zijn leidend voor de keuzes die worden gemaakt in het verder vormgeven van de energietransitie van Leiden. In de Transitievisie Warmte zal per wijk het warmtealternatief worden gegeven. Dit is het vertrekpunt voor verdere uitwerking van de wijkaanpakken en de betrokkenheid van inwoners en bedrijven. Tevens zal de Transitievisie warmte inzicht geven in de fasering van wijken. Dit laat onverlet dat inwoners de keuze hebben om lokaal of individueel te kiezen voor een ander warmtealternatief. Zowel de Leidse warmtevisie als het handelingsperspectief zijn te vinden op www.leiden.nl/energietransitie.
Geen wijzigingen
R
Je moet voor elke woning/gebouw bekijken hoe je die kunt optimaliseren in relatie tot de keuze van een mogelijke oplossing. Stel de woning/het gebouw bij het maken van keuzes centraal in relatie tot het gewenste comfort en de te maken kosten voor het gewenste comfort
De gemeente stelt voor dit vraagstuk dit jaar een Transitievisie Warmte (TVW) vast, waarin per wijk wordt aangeduid wat het meest voor de hand liggende alternatief voor aardgas is. Dit wordt gedaan op basis van een technische analyse hoeveel warmte vragen de gebouwen in de wijk en welke (combinatie van) warmteoplossing(en) kan dit met de laagste maatschappelijke kosten invullen? Hierbij wordt op wijkniveau rekening gehouden met bouwjaren, type woningen en energielabels. Daardoor ontstaat een beeld per wijk welke oplossing het meest voor de hand ligt, maar dat kan op woningniveau natuurlijk verschillen. Daarom is het vervolg op de TVW een wijkuitvoeringsplan (WUP) waarin, binnen de kaders van de TVW, een plan wordt gemaakt dat specifieker ingaat op de verschillende woningtype, bouwjaar en energielabels binnen de wijk. Dan zal aanvullend onderzoek moet uitwijzen of de beoogde warmteoplossingen voor alle woningen geschikt is of dat er onderscheid moet worden gemaakt. Dit kan betekenen dat een collectief systeem het meest voordelig/wenselijk is voor een groot deel van de woningen, maar dat voor een aantal woningen een individuele oplossing beter is. Buiten de technische onderbouwing hiervan, hebben bewoners ook altijd keuzevrijheid om voor deze oplossing te kiezen
Geen wijzigingen
61 S
De energietransitie is een van de grootste projecten van na WOII en de rijksoverheid benadrukt keer op keer dat de participatie van de burgers essentieel is. Daarom dient in de omgevingsvisie expliciet te worden vermeld en onderbouwd hoe de participatie van bewoners, eigenaren en huurders wordt geborgd.
De omgevingsvisie doet uitspraken op hoofdlijnen over de ontwikkeling van de stad. De wijze van en eisen omtrent participatie verschilt per thema, project, fase, gebied. De omgevingsvisie doet geen specifieke uitspraken over participatie, deze staan vastgelegd in de participatieverordening en de randvoorwaarden worden per project vastgelegd.
Geen wijzigingen
In 2021 wordt in de Transitievisie Warmte verder richting gegeven aan de energietransitie en de betekenis voor inwoners en bedrijven in Leiden. Het college vindt het belangrijk om daar bewoners bij te betrekken. Het college is gestart met gespreken over de keuzes voor warmteoplossingen, het opwekken van energie en het energiezuinig maken van de stad. Deze gesprekken hebben in april en mei van dit jaar plaatsgevonden in elf interactieve online talkshows over de energietransitie. Daarin zijn bewoners en ondernemers geïnformeerd over de alternatieven voor aardgas in de wijk en het besparen van energie. Na de talkshows gaat de dialoog verder. Per wijk vinden verdiepende stadsgesprekken plaats met geïnteresseerde wijkbewoners en ondernemers. Op die manier wil de gemeente kennis uit de stad ophalen om te verwerken in het beleid over energietransitie. Dit is de start van een blijvende dialoog met de stad en straks ook op wijkniveau. Daarnaast is de afgelopen jaren geïnvesteerd in het leggen van contacten in de wijken en het opbouwen van een netwerk onder andere met behulp van de inzet van wijkambassadeurs. T
De bescherming van bodem en drinkwater is nodig; het bodemgebruik moet worden gereguleerd
Het college onderkent het belang van de bescherming van de bodem en drinkwater. Binnen de gemeentegrens van Leiden wordt geen drinkwater gewonnen. Voor een goede inrichting van de bodem en een optimale benutting van de functies die de bodem kan bieden is het van belang om alle belangen die ruimte vragen af te wegen, waarbij het natuurlijk water- en bodem systeem als voorwaarde wordt meegenomen.
Geen wijzigingen
62 U
Koester het bestaande gasnet totdat bewezen alternatieven beschikbaar komen en als reële optie voor een toekomstig waterstofnet (of andere klimaatneutrale, gasvormige energiedragers).
V
Bij de Energie Hubs gaat het nu vooral om ruimtereserveringen. Op deze locaties worden grote hoeveelheden data uitgewisseld. Privacy bescherming en beveiliging van data zijn kritische issues, die nog niet zijn benoemd Maak een pas op de plaats om een volledig beeld te krijgen van de toekomstige situatie met een bijbehorend transparant beeld van de kosten.
W
X
Y
Z
De Omgevingsvisie gaat echter voorbij aan de grote ruimtelijke barrières van de spoordijk, de gelijkvloerse spoorwegovergangen en de gelijkvloerse tracédelen van de Leidse Ring Noord die de stad opknippen in geïsoleerde kavels en de ruimtelijke ontwikkelpotentie frustreren. De Leidse Ring Noord is ontworpen op een soepele afwikkeling van het verkeer in oost-west richting, maar vormt tegelijkertijd een enorm obstakel voor de afwikkeling van snel én langzaam verkeer in noord-zuid richting en is voor omwonenden een bron van geluidhinder en luchtverontreiniging. De beste manier om de bereikbaarheid in alle richtingen en de leefbaarheid van de stad duurzaam te verbeteren, is door de LRN en het spoor te ondertunnelen. Het is teleurstellend dat de Omgevingsvisie in dit verband weinig visie toont en zich tot in de verre toekomst neerlegt bij een verkaveling van de stad in slecht verbonden stadsdelen. Leiden is meer dan de oude binnenstad. De Omgevingsvisie brengt voor de bewoners buiten de binnenstad geen wenkend perspectief.
Op diverse plekken in de stad (b.v. Willem de Zwijgerlaan, Morsweg en Rijnsburgerweg) is de leefbaarheid in het geding. De wettelijke normen voor geluidsoverlast en fijnstof worden overschreven. Dat wordt opgelost door ontheffing te vragen van de wettelijke normen. De gemeente dient op de betreffende plekken maatregelen te treffen om weer aan de wettelijke normen te voldoen b.v. door een reductie van het gemotoriseerde verkeer.
De afspraak in het Klimaatakkoord is dat in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Dat is een grote opgave en daarom is wachten geen optie. Waterstof is voorlopig niet op grote schaal beschikbaar, zeker niet groen opgewekt. In de tussentijd schakelen we woningen om met andere, bestaande technieken zoals warmtenetten. Als we dat doen en het gasnet wordt niet meer gebruikt, is de netbeheerder verplicht om het te verwijderen omdat het wordt aangemerkt als bedrijfsafval vanuit de Wet Milieubeheer. Gasnetten zijn bovendien ook weleens aan vervanging toe; in Leiden is een groot deel al voor meer dan 75% afgeschreven. In de binnenstad, waar alternatieven lastiger inpasbaar zijn, is wachten op groen gas of waterstof wel een optie. Daarom onderzoekt de netbeheerder daar of de bestaande leidingen daar eventueel geschikt voor zijn. Het college neemt deze elementen mee in de verdere zoektocht rondom Energie Hubs.
Geen wijzigingen
In zowel het Handelingsperspectief Energietransitie (RV 20.0032) als de RES 1.0 zijn de verschillende mogelijke oplossingen uitvoerig uitgelicht. Ook de alternatieve kosten zijn en worden in kaart gebracht, onder andere in de samenwerking rondom de warmtetransitie De omgevingsvisie onderkent dat er naast allerlei voordelen ook nadelen zitten aan mobiliteit en de daarbij horende infrastructuur. De omgevingsvisie is niet het document dat allerlei oplossingen aandraagt voor de negatieve aspecten bij mobiliteit. De negatieve aspecten kunnen op meerdere manieren worden opgelost. Voor de LRN zijn de kaders vastgesteld. Ondertunneling is daar geen onderdeel van. De oversteek van belangrijke infrastructuur zoals het spoor en de LRN is en worden op andere manieren opgelost.
Geen wijzigingen
Het college deelt niet de mening van inspreker. In de omgevingsvisie wordt wel degelijk een wenkend perspectief voor heel de stad geschetst. Daarin worden stadsbrede keuzes gemaakt met betrekking tot het groen-blauwe raamwerk, het vestigingsklimaat, de mobiliteit en de ondergrond, gecombineerd met specifieke aandachtspunten in de leefmilieus. Dit heeft dus ook betrekking op delen van de stad buiten de binnenstad. In de omgevingsvisie zelf worden geen normen rond geluid en dergelijke vastgelegd. Hiervoor is er een (landelijk) wettelijk kader. Binnen ruimtelijke projecten wordt getoetst of plannen voldoen aan de wettelijke kaders rond bijvoorbeeld geluidhinder en worden op dat niveau, mits noodzakelijk en wenselijk, passende maatregelen voorgeschreven.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
63 AA
BB
38 A
Er wordt geconstateerd dat er in Leiden volop participatieruimte is voor de projectontwikkelaars, maar niet voor de bewoners die moeten leven met de gevolgen van de ontwikkelingsplannen voor hun wijk. De bewoners van Leiden verdienen meer participatie dan eenzijdig geïnformeerd te worden door de gemeente nadat alle ontwerpkeuzen al zijn gemaakt. Daarbij gaat het niet om de kwantiteit maar om de kwaliteit van de participatie. De participatiegraad en de kwaliteit van de participatie moeten omhoog, als de gemeente draagvlak wil verwerven voor haar ingrijpende stedelijke ontwikkelingsplannen. De gemeente dient daadwerkelijk gebruik te maken van de kennis en ervaring van de bewoners van de stad.
Het college onderschrijft het belang van het benutten van kennis en kunde uit de stad. Leiden floreert bij samenwerking met de stad. Het is volgens het college niet de bedoeling om eenzijdig te informeren. Het college bepaalt per opgave en project welke participatiegraad gehanteerd wordt, dit doet het college met in achtneming van de eerder vastgestelde besluiten en kaders. Verwachtingsmanagement en goede communicatie hierover zijn cruciaal.
Wij pleiten voor een inhoudsvolle en tijdige participatie van bewoners(verenigingen) en belangenverenigingen bij de uitwerking van de omgevingsvisie en alle verdere plannen. Dit betekent: niet pas starten met inspraak op het moment dat de gemeente de plannen reeds opgesteld heeft en er nauwelijks nog ruimte is voor verandering op aangeven van de wijken/bewoners en belanghebbenden. De inspraak zou moeten beginnen bij het formuleren van de probleemstelling. Vervolgens is het zaak om overeenstemming te bereiken over de feiten en cijfers. Daarna kan je gezamenlijk oplossingen en alternatieven bedenken en evalueren.
Het college streeft naar inhoudsvolle en tijdige participatie en tracht dit op een zo vroeg mogelijk moment te organiseren, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande kaders en vastgestelde besluiten. Het is zaak dat de gemeente vroegtijdig aan de stad duidelijk maakt welke kaders dat dan zijn, waarom juist deze gelden en welk participatieniveau geldt.
Advies van de inspreker over groenverziening: 1. Leiden breidt het areaal aan gemeentelijke natuur uit. a) Bij uitbreiding van het aantal woningen wordt per extra inwoner minimaal 75 m2 extra groen aangelegd (NB Leiden heeft nu 63 m2 per hoofd van de bevolking) b) In 2030 is de gemeentelijke natuur uitgebreid naar 69 m2 per hoofd van de bevolking c) In 2040 is de gemeentelijke natuur uitgebreid naar 75 m2 per hoofd van de bevolking 2. Leiden beschermt het bestaande openbaar groen in de parken. Deze krijgen een beschermde monumentale status. 3. Leiden garandeert dat openbaar groen openbaar blijft en dat de toegankelijkheid niet wordt beperkt tot specifieke doelgroepen. 4. Leiden laat de biodiversiteit aantoonbaar toenemen (conform eerdere adviezen van de Leidse Milieuraad in 2020) a) Leiden hanteert een duidelijke definitie van biodiversiteit b) Leiden maakt de ambities voor het laten toenemen van de biodiversiteit SMART c) Leiden zet een meetprogramma op voor het monitoren van de voortgang van de toename van de biodiversiteit d) Boom verwijderd betekent nieuwe boom aangeplant in de wijk binnen 1 jaar
Zie beantwoording onder 37G
Geen wijzigingen
De Omgevingswet, die in 2022 wordt ingevoerd, heeft onder meer als doel om de participatie van belanghebbenden bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te verbeteren. De gemeente zal haar participatieprocessen aanpassen in lijn met de Omgevingswet. Dit vraagt ook van projectontwikkelaars dat zij goede afstemming met betrokkenen organiseren met een gedegen participatieproces. Geen wijzigingen
Inspraak is het officiële sluitstuk waarop iedereen kan reageren voordat het besloten wordt in de gemeenteraad.
Zie wijziging onder 37G
64 B
Advies van de inspreker over vestigingsklimaat; 5. Waarden recreatie, economische vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit koesteren en waarden natuur, wandelen/fietsen en sociale cohesie versterken. 6. Voortbouwen op het bestaande. Dus niet radicaal breken met het Leidse karakter en alles met de menselijke maat. 7. Bouwen voor iedere beurs, ook voor Jan Modaal. 8. Geen omgevingsvisie zonder gedragen hoogbouwkwaliteitstoets door de bevolking.
5. De waarden zoals de inspreker die adviseert komen terug in de Omgevingsvisie, onder andere in de stadskeuzes bij groen-blauw raamwerk, bij aantrekkelijk vestigingsklimaat en bij duurzame mobiliteit (hoofdstuk 5 van de visie). 6.College onderschrift deze notie, Dit is in de omgevingsvisie op diverse plekken ook zo verwoord, onder andere in paragraaf 3.1, bij de start van hfst 5 (pag 33 inspraakversie, in ‘benutten van (cultuur)historie als belangrijke waarde’ (pag 43 en 51 inspraakversie) 7. Leiden bouwt voor iedereen. Bij concrete bouwprojecten geeft het college zowel gewenste doelgroepen (zoals ouderen, alleenstaanden, middeninkomens) als financieringscategorieën mee zoals percentages voor sociaal, middeldure huur (en definitie van beiden) en voorkeur voor koop of huur. Ook streeft het college naar gemengde wijken door bijvoorbeeld sociale woningbouw vooral toe te voegen in buurten waar daar nog weinig sprake van is en andersom. 8: Een Kwaliteitstoets voor Hoogbouw wordt voorbereid. Deze zal vervolgens voor besluitvorming worden voorgelegd.
Geen wijzigingen
65 C
Advies van de inspreker over energietransitie; 9.Start met meerdere kleine projecten voor de warmtetransitie in plaats van een groot project zoals WarmteLinQ, bescherming van de consument en risicospreiding zijn van groot belang. 10.Met de kleinschalige ontwikkeling van zeer lokale duurzame warmtenetten vermijdt de gemeente het gigantische lock-in risico van de Zuid-Hollandse warmterotonde en kan zij ervaring opdoen met verschillende duurzame warmtebronnen en verschillende typen distributienetten. 11.Behoud het fijnmazig aardgasnet met het oog op een potentieel waterstofnet. Een dergelijke netwerk heeft een miljardenwaarde voor de stad Leiden. 12.De gemeente Leiden zet in op het plaatsen van zonnepanelen op de daken van publieke gebouwen voor de verduurzaming van de energievoorziening in Leiden. 13.Behoudt de marktwerking op de energievoorziening, dus leg Leiden niet vast.
9. Het college onderschrijft het belang van lokale, duurzame netten die naast grote ontwikkelingen als WLQ+ en geothermie kunnen bestaan. Als bewoners zich organiseren en gebruik maken van lokaal beschikbare bronnen als oppervlaktewater of de restwarmte van een rioolwaterzuivering, is dat een mooie aanvulling op collectieve voorzieningen die (een uitbreiding van) het stadswarmtenet voeden: autonoom of ook ingevoed op het open stadswarmtenet (indien dat technisch mogelijk is). 10 / 11. De afspraak in het Klimaatakkoord is dat in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Dat is een grote opgave en daarom is wachten geen optie. Waterstof is voorlopig niet op grote schaal beschikbaar, zeker niet groen opgewekt. In de tussentijd schakelen we woningen om met andere, bestaande technieken zoals warmtenetten. . Als we dat doen en het gasnet wordt niet meer gebruikt, is de netbeheerder verplicht om het te verwijderen omdat het wordt aangemerkt als bedrijfsafval vanuit de Wet Milieubeheer. Gasnetten zijn bovendien ook weleens aan vervanging toe; in Leiden is een groot deel al voor meer dan 75% afgeschreven. In de binnenstad, waar alternatieven lastiger inpasbaar zijn, is wachten op groen gas of waterstof wel een optie. Daarom onderzoekt de netbeheerder daar of de bestaande leidingen daar eventueel geschikt voor zijn. 12.
Leiden is een zeer verstedelijkte gemeente en de ruimte is schaars. Zonnepanelen op daken is vrijwel de enige manier om binnen de gemeente duurzame elektriciteit op te wekken. Daarom heeft dit prioriteit De gemeentelijke ambitie is om samen met de eigenaren van daken bewoners, bedrijven, maatschappelijke instellingen etc. elk jaar een stijging van 10% lokaal opgewekte duurzame energie te realiseren 13. In de omgevingsvisie worden uitspraken op hoofdlijnen gedaan en doet geen uitspraken over de marktwerking op de energievoorziening.
Geen wijzigingen
66 D
39 A
B
C
Advies van de inspreker over mobiliteit; 14.Er wordt onvoldoende aandacht besteed aan door het verkeer veroorzaakte geluidsoverlast en fijnstof, van beschermingsmaatregelen is nergens sprake. 15.De gemeente zou beter kunnen kiezen voor het ondertunnelen van de Leidse Ring Noord waardoor groen en fietsers meer ruimte krijgen. 16.Verander de huidige al grote parkeerdruk niet omdat gezien de pandemie individueel vervoer noodzakelijk blijft en deelmobiliteit op zich laat wachten. 17.Nu al uitgaan van minder autobezit en dus parkeervergunningen en -capaciteit weigeren aan nieuwe bewoners is een heilloze weg.
14. De omgevingsvisie is niet het kaderstellende document voor normeringen rond bijvoorbeeld geluidhinder. Hiervoor gelden landelijke wettelijke regels.
Geen wijzigingen
De inspreker mist een duidelijke toekomstvisie voor het derde economische cluster: de bedrijventerreinen. Daarbij is het belangrijk dat Leiden ook in 2040 wordt gezien als een inclusieve en ondernemende stad, met een sterke bezoekerseconomie, kennisindustrie, maakindustrie en lokale transitie economie. De inspreker vraagt om het belang dat de bedrijventerreinen spelen voor de lokale werkgelegenheid (diverse banenaanbod) in de Omgevingsvisie duidelijk te onderstrepen. Het is belangrijk dat er voor de bedrijventerreinen een sterk verhaal komt en dat er wordt geïnvesteerd in een duurzame gebiedsontwikkeling. Daarbij vraagt de inspreker om naast kennis en cultuur, ook het belang en de doorontwikkeling van ondernemerschap op de bedrijventerreinen op te nemen in de Omgevingsvisie, in plaats van ze slechts te zien als potentiële locatie voor het toevoegen van woningen. Denk daarbij ook aan de rol die de bedrijventerreinen kunnen spelen in de transitie economie. Ons voorstel is om tot een ontwikkelagenda per gebied te komen, met daarbij een overkoepelende visie die past bij de economische uitdagingen van morgen, zoals verduurzaming of circulair, en het profiel van Leiden.
Het college onderschrijft het belang van bedrijventerreinen. Dat is expliciet terug te lezen in hoofdstuk 5.2 van de omgevingsvisie 2040.
Geen wijzigingen
Het college ziet de bedrijventerreinen van Leiden niet slechts als potentiële locatie voor het toevoegen van woningen. Een deel van de bedrijventerreinen zullen, als gevolg van de economie van morgen en de veranderende wijze van produceren, meer gemengd kunnen worden met andere functies, zoals wonen, dan tot op heden het geval was. Ook blijft er ruimte voor bedrijvigheid die niet gemengd kan worden met andere functies. Voor alle bedrijventerreinen geldt dat wij willen werken aan toekomstbestendige bedrijventerreinen waarin de relatie gelegd wordt met de grote maatschappelijke opgaven. Expliciet hiervoor is de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen opgesteld waarin duidelijke keuzes zijn gemaakt in bedrijventerreinen waar getransformeerd worden naar wonen en waar dat expliciet niet het geval is.
Geen wijzigingen
Daarnaast wordt in de Omgevingsvisie gesproken over functievermenging, onder andere tussen wonen en werken. Ter aanvulling vragen we u om de erkenning van het onderscheid tussen functies die wel en niet mengbaar zijn op te nemen in de Omgevingsvisie. Daarbij is het verzoek het onderscheid tussen gemengde en nietgemengde gebieden in de gehele Omgevingsvisie door te laten werken en ook duidelijke consequenties te verbinden aan de niet-gemengde categorieën. Op deze manier dient de ruimte voor bedrijvigheid die niet gemengd kan worden met wonen te worden gewaarborgd.
Het college onderkent dat er functies zijn die wel en niet gemengd kunnen worden. In de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen wordt dat onderscheid ook gemaakt. Dit komt terug in de Omgevingsvisie, onder andere onder ‘Behouden ruimte voor zwaardere bedrijvigheid’ Zie antwoord bij 39 B.
Geen wijzigingen
15. Het besluit rond de LRN is reeds genomen. Voor de Omgevingsvisie is dit een uitgangspunt. 16. Het specifieke beleid rond parkeren is recentelijk vastgelegd in de Parkeervisie. 17. Het college is van mening dat dit geen heilloze weg is. Het anticiperen op een verandering in feitelijk autobezit (en daarmee gebruik) is al aan de gang. Het beleid zoals beschreven in de Parkeervisie is adaptief en houdt dus rekening met zowel de ambitie als de daadwerkelijke maatschappelijke trend rond autobezit.
67 D
Ook wordt in de visie gesproken over een tweetal ‘potentiegebieden’, namelijk de bedrijventerreinen de Waard en de Amphoraweg. Dit is niet conform de gemaakte afspraken van de Bedrijventerreinenstrategie. Hierbij is afgesproken dat beide terreinen als bedrijventerrein in het bestemmingsplan blijven gedefinieerd. Daarom vragen we u beide ‘potentiegebieden’ als bedrijventerrein te benoemen, zodat afspraken uit de Bedrijventerreinenstrategie worden nageleefd.
De term ‘potentiegebieden’ staat niet gelijk aan woningbouwgebieden, maar staat voor verdichtingsgebieden. Verdichting kan gaan om intensivering met woningbouw en werkfuncties, of alleen werkfuncties, maar ook andere functies, zoals voorzieningen, onderwijs, wetenschap en recreatie en sport. (zie ook pag 43 van de inspraakversie).
De OER is hierop aangepast
De Waard en Amphoraweg zijn in de visie beschreven als bedrijventerrein (zie onder ander bij ‘Bedrijventerreinen dragen bij aan de verstedelijkingsopgaven en verduurzamingsopgaven’, pag 49 van de inspraakversie). Dit is conform de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen. In het Omgevingseffectrapport staat deze optie wel vermeld in een van de onderzoeksalternatieven (alternatief 1). Deze optie is hier onderzocht, maar hiervoor is uiteindelijk niet gekozen in de Visie. In de visie is de lijn overgenomen uit de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen. In het OER is wel een foutief onderschrift opgenomen bij de kaart van de potentiegebieden (pagina 109), nl dat dit zou gaan om woningbouwgebieden. Dit wordt aangepast naar verdichtingsgebieden.
E
Op het gebied van mobiliteit zijn we verheugd met de komst van hubs, de inzet op een lightrailverbinding en de uitbreiding van de huidige spoorcorridor. Echter maken we ons zorgen over de volgordelijkheid van maatregelen, waarbij er eerst een alternatief moet komen, alvorens er beperkende maatregelen worden genomen. Leiden moet immers bereikbaar blijven voor inwoners, ondernemers, werknemers en bezoekers.
F
Verder ontbreekt een duidelijke visie over het knooppunt A4 – N11, waar dit naar onze mening een belangrijke toegangspoort is voor de oostzijde van de stad. Daarbij vragen we u om met een duidelijke toekomstvisie te komen waarbij wordt gekeken naar de rol en de doorontwikkeling van het knooppunt A4-N11, welke aansluit op de overige mobiliteitsdossiers en –visies, zoals de Agenda Autoluwe Binnenstad. Ook ziet de inspreker graag de volgordelijkheid van maatregelen terugkomen in de Omgevingsvisie.
Het college is het met de inspreker eens dat Leiden bereikbaar moet blijven voor inwoners, ondernemers, werknemers en bezoekers. De vraag met betrekking tot de uitwerking van alternatieven wordt niet beantwoord in de omgevingsvisie. Die volgt uit de uitwerkingen daarvan in programma’s en projecten. Naast antwoord op actuele zaken wordt er gewerkt aan de totstandkoming van alternatieven. De omgevingsvisie schetst de fysieke leefomgeving van de toekomst. Het instrument is geen uitvoeringsagenda, waarin de volgordelijkheid van maatregelen gedetailleerd wordt uitgewerkt. Voor de A4 wordt door het Rijk momenteel een planuitwerking gemaakt. Als gemeente zijn we een van de overlegpartners. De aansluiting met de N11 is onderdeel van de planuitwerking.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
68 G
In de Omgevingseffectrapportage wordt geconcludeerd dat de gemaakte keuzes leiden tot negatieve effecten op economisch gebied. Toch blijkt uit de formuleringen van de ontwerp- Omgevingsvisie dat het college, ondanks deze conclusie, de beoordeelde uitgangspunten onverkort doorzet. Willens en wetens met de negatieve effecten tot gevolg. Achteruitgang van de stad kan en mag naar de mening van de inspreker niet de bedoeling zijn van een integrale Omgevingsvisie
Het OER geeft kansen en risico’s aan die gepaard gaan met de inhoud van de omgevingsvisie. Dit betekent niet dat deze effecten ook daadwerkelijk gaan plaatsvinden, maar ook niet dat het daarom niet kan. Wel kan dit inzicht meegenomen worden bij meer concrete planvorming om hier zo goed mogelijk op in te spelen. De omgevingsvisie blijft een integrale afweging tussen verschillende beleidsvelden, waar de verbetering van het één gevolgen heeft voor een ander thema. Daarbij wordt opgemerkt dat het rad van de leefomgeving een middel is om in beeld te krijgen welke ambities welke mogelijke effecten hebben, en dat het verkrijgen of behouden van een (groene) kwaliteitsscore geen doel op zich is.
Geen wijzigingen
Het OER laat daarnaast zowel kansen op positieve effecten als risico’s op negatieve aspecten zien voor economische beoordelingsaspecten. Het is dus onjuist dat de gemaakte keuzes leiden tot negatieve effecten op basis van het OER. Daarnaast stelt het OER dat op basis van autonoom beleid er juist een verbetering (in ieder geval tot 2030) gaat plaatsvinden op de aspecten werkgelegenheid, economische zelfredzaamheid en kennis en innovatie.
40 A
B
3.3 Trends en ontwikkelingen vervangen door: • Verduurzaming: De voorraad fossiele brandstoffen en grondstoffen is eindig. In het klimaatakkoord van Parijs is afgesproken om de CO2-uitstoot te verminderen. Deze doelstelling is alleen te bereiken door op grote schaal te besparen, te kiezen voor efficiëntere alternatieven, over te stappen op schone energiebronnen (energietransitie) en grondstoffen te hergebruiken (circulariteit).
Het college neemt deze suggestie graag over
3.4 Ambities vervangen door: In 2040 heeft Leiden een goed ondernemersklimaat, met duurzaam bereikbare en florerende bedrijvigheid die werk biedt op alle niveaus. De werkgelegenheid in de Leidse regio van 2040 past bij de diverse samenstelling van de beroepsbevolking en bij het aanwezige onderwijsaanbod.
Het college is het eens met de onderbouwing, maar verandert de ambitie niet. In de omgevingsvisie wordt in het hoofdstuk 5.2 bij de stadskeuzes (en uitwerkingen daarvan) versterken en verduurzamen van de stedelijke economie en ruimte bieden aan bedrijvigheid hier juist uitgebreid op in gegaan. Daarmee is de aanvulling tekstueel al voldoende geborgd.
Onderbouwing; Het ‘passen bij de samenstelling van de beroepsbevolking’ betekent niet alleen qua type banen, maar ook qua bereikbaarheid te voet, per fiets of met het OV. Daarom dient de ambitie uitgesproken te worden dat dat blijvend en duurzaam is. En dat het bedrijfsleven floreert geeft richting aan het faciliteren daarvan.
In paragraaf 3.3 p.17 is de trend verduurzaming aangepast naar; Verduurzaming: De voorraad fossiele brandstoffen en grondstoffen is eindig. In het klimaatakkoord van Parijs is afgesproken om de CO2-uitstoot te verminderen. Deze doelstelling is alleen te bereiken door op grote schaal te besparen, te kiezen voor efficiëntere alternatieven, over te stappen op schone energiebronnen (energietransitie) en grondstoffen te hergebruiken (circulariteit). Geen wijzigingen
69 C
3.4 ambities vervangen door: In 2040 blijft de stad in beweging en bereikbaar. Dit vraagt een overstap naar meer duurzame en ruimteefficiënte mobiliteit en actieve vormen van verplaatsing als lopen, fietsen en openbaar vervoer (modal shift). Leiden Centraal is een belangrijk intercitystation, ovknooppunt en overstappunt. De ligging ten opzichte van het landelijke hoofdwegennet (A44, A4 en N11), de aanwezigheid van regionale routes, de spoorverbindingen noord/zuid en oost/west, en ook de ligging aan meerdere vaarroutes bieden kansen voor duurzame keuzes die bereikbaarheid waarborgen en leefbaarheid vergroten.
Het college is het eens met de inspreker dat het belangrijk is om de overige speerpunten van de Leidse bereikbaarheid en beweging te benoemen, maar neemt dit niet op in de ambitie. De toevoeging is namelijk meer een uitwerking van de ambitie dan een ambitie zelf. Het college betrekt deze suggestie van de inspreker graag bij het algemene deel in H5.3.
Tekstvoorstel toegevoegd bij h5.3, onder het kopje we verbeteren de regionale en (inter)nationale bereikbaarheid)
Het college herkent zich niet in uw redenering. Aardgasvrij is voor de gemeente letterlijk zonder aardgas, dat betekent niet zonder duurzame alternatieve gassen als groen gas of waterstof. Deze opties worden wel degelijk afgewogen bij de beleidsbeslissingen.
Geen wijzigingen
Deze toevoeging (…en meerdere…t/m bieden) is een explicitering van een specifiek thema in een inleidend algemeen stuk tekst van hoofdstuk 4. De tekst zoals die nu is opgenomen dekt even verderop in dezelfde alinea (‘Leiden heeft een weerbare t/m werkgebieden.’ de lading voor het creëren van ruimte ook voor banen. Dit wordt in hoofdstuk 5 verder toegelicht.
Geen wijzigingen
Onderbouwing: Door alleen Leiden Centraal te noemen, blijft de tekst eenzijdig. Dit geldt voor de gehele OntwerpOmgevingsvisie: de tekst komt over als sterk geschreven vanuit Leiden Centraal en Bio Science Park. Daardoor worden aspecten gemist. Daarom is in deze alinea de toevoeging van de overige speerpunten van Leidse bereikbaarheid en beweging noodzakelijk.
D
E
3.4 ambities Vervangen door: In 2040 is de gebouwde omgeving van Leiden voor een groot deel aardgasvrij, maar niet zonder gasleidingen, om gereed te zijn voor potentiële nieuwe ontwikkelingen. Duurzame elektriciteit wordt binnen de stad vooral opgewekt met zonnepanelen. Het overige deel zal, gezien de beperkte ruimte in de stad, vooral van buiten de stad moeten komen. Onderbouwing: Aardgasvrij is in het verleden in de praktijk meermalen vertaald naar ‘zonder gasleidingennetwerk’, wat echter op voorhand mogelijke toekomstige duurzame ontwikkelingen blokkeert. Zolang een landelijke koerswijziging of een transitie richting bijvoorbeeld duurzaam geproduceerde waterstof tot de mogelijkheden behoort, dienen er geen gasleiding-loze woningbouwprojecten gerealiseerd worden. Regeren is vooruitzien. Hoofdstuk 4, pagina 27 Leiden is in 2040 een compacte historische centrumstad met vrijwel geen landelijk buitengebied binnen de gemeentegrenzen. Dit biedt kansen en maakt tegelijkertijd keuzes noodzakelijk. Leiden heeft zich de afgelopen decennia onderscheiden in stedelijke gemengde woon- en werkmilieus met voorzieningen en meerdere binnenstedelijke niet gemengde bedrijventerreinen die werkgelegenheid binnen de stad bieden.
De ligging ten opzichte van het landelijke hoofdwegennet (A44, A4 en N11), de aanwezigheid van regionale routes, de spoorverbindingen noord/zuid en oost/west, en ook de ligging aan meerdere vaarroutes bieden kansen voor duurzame keuzes die bereikbaarheid waarborgen en leefbaarheid vergroten.
70 F
Pagina 29; De afgelopen decennia is het accent steeds meer gelegd op duurzame mobiliteit: manieren van vervoer die gezond, schoon, veilig en ruimte-efficiënt zijn. De nadruk ligt in 2040 meer op lopen en fietsen, het openbaar vervoer en vervoer over water en minder op auto’s, met als basis verbeterde voetgangers- en fietsnetwerken. De groei in mobiliteitsbehoefte is tegengegaan door werkgelegenheid in de nabijheid van woongebieden te behouden. Dankzij de uitgekiende wegenstructuur in combinatie met de waterwegen, hubs/overstapplekken en deelsystemen is de stad ook voor bijvoorbeeld bedrijven, winkels en hun toeleveranciers duurzaam bereikbaar. De afgelopen jaren is de natuurlijke neiging om bedrijventerreinen om te vormen tot gemengde gebieden tot staan gebracht, om zoveel mogelijk werkgelegenheid in de nabijheid te behouden. Bovendien is bij wijkcentra de ontwikkeling naar bijmenging van werkgelegenheid ingezet.
De aanvulling ‘en vervoer over water’ wordt toegevoegd aan de teksten in de omgevingsvisie. Dit is in lijn met de gedachte van het College dat in de toekomst er meer vervoer over het water kan gaan plaatsvinden.
In hoofdstuk 4 is de tekst ‘en vervoer over water’ toegevoegd (achter ‘het openbaar vervoer’)
Daarnaast stelt de inspreker voor om de zinssnede ‘dat de groei in mobiliteitsbehoefte is tegengegaan door werkgelegenheid in de nabijheid van woongebieden te behouden’ op te nemen in de bestaande tekst. Deze wordt niet overgenomen in de tekst. Het College heeft wel hetzelfde doel voor ogen, om een modal shift te bereiken. Het college denkt niet dat het faciliteren van werkgelegenheid in de buurt leidt tot de gewenste daling in de mobiliteitsbehoefte. Daarom zet het College in op het stimuleren van duurzame en minder ruimte-intensieve vervoerstypen. De laatste toevoeging, over tot staan gebracht hebben van gemengde gebieden, is niet in lijn met de regionale bedrijventerreinenstrategie. De omgevingsvisie volgt de vastgestelde lijn uit de regionale bedrijventerreinenstrategie.