210078 Bijlage 2 Geanonimiseerde inspraaknota Leiden 2040 1.1-versie
Tekst van het document
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
37 U
De Omgevingsvisie maakt op geen enkele manier aannemelijk dat de belofte van gezondheidswinst in 2040: “schonere lucht en vermindering van het aantal geluidgehinderden, ondanks de verdichtingsopgave” - en ondanks de te verwachten toename in verkeersintensiteit op de Leidse Ring Noord, gerealiseerd kan worden, en hoe dan wel. Ook in dit verband ontbreekt het aan een helder afwegingskader en aan meetbare streefwaarden.
De OER geeft risico’s op negatieve effecten en kansen op positieve effecten weer voor de gehele stad. Het klopt dat de conclusie is dat de ambitie rondom gezondheidswinst meer risico’s heeft dan dat het kansen betreft. En dat daarom wordt geconcludeerd dat deze ambitie mogelijk niet gehaald wordt. Dit komt voornamelijk door het transformeren van bedrijventerreinen naar woon-werkgebieden. Het mengen van wonen met kleinschalige bedrijvigheid brengt mogelijke risico’s met zich mee als het gaat om luchtkwaliteit en geluidsoverlast. Dit betekent dat de risico’s dus vooral gebiedsgericht optreden en niet voor de gehele stad hetzelfde zijn. Het college gaat bij deze gebieden extra rekening houden met het mitigeren van deze mogelijke gevolgen. Over het algemeen wordt er alsnog gezondheidswinst verwacht door de transitie naar schonere mobiliteit en een meer klimaatadaptieve inrichting.
Geen wijzigingen
38 V
CE Delft signaleert dat de gemeente sinds het opstellen van de Duurzaamheidsagenda een veelheid van activiteiten heeft ondernomen om haar doelstellingen voor CO2-reductie, energiebesparing en opwek van hernieuwbare energie te behalen, maar concludeert dat de gemeente de doelstellingen op het thema energietransitie nog niet heeft gerealiseerd. Als de trend in CO2-reductie gedurende de periode 2010-2018 zich voortzet, wordt de doelstelling van 40% CO2-reductie in 2030 zeker niet gehaald. Op het gebied van energiebesparing is de ontwikkeling positief, maar niet voldoende: ten opzichte van 2010 is in 2018 het energiegebruik met circa 5% afgenomen. Dit komt neer op 0,6% reductie per jaar. Het doel van een gemiddelde besparing van 1,5% per jaar is daarmee niet gerealiseerd in de periode tussen 2010 en 2018. Vooral wat betreft opwek van duurzame energie blijft de gemeente achter: het aandeel hernieuwbare energie is licht gestegen van 1,9% in 2010 naar 2,5% in 2017. Dit aandeel is fors lager dan het landelijke gemiddelde (6,7% in 2017). Zelfs bij het verduurzamen van het eigen gemeentelijke vastgoed lopen de plannen niet in de pas met het gemeentelijke energietransitiebeleid. CE Delft merkt hierbij op dat er in de gemeente Leiden niet structureel op projectniveau wordt bijgehouden wat het effect is van het gemeentelijke beleid.
In de jaarstukken wordt weliswaar op hoofdlijnen gerapporteerd wat er is bereikt, maar er is geen compleet overzicht van de projecten die zijn uitgevoerd in de periode 2016-2020, en de kosten van die projecten. Ook op projectniveau worden nauwelijks doelen geformuleerd. Het ontbreken van een overzicht van gerealiseerde maatregelen en projectdoelen maakt het erg lastig te controleren wat de bijdrage is geweest van Leids beleid aan het doelbereik en de doeltreffendheid en doelmatigheid van de maatregelen.
Het huidige college heeft sinds haar aantreden gekozen om de duurzaamheidsopgaven op slagvaardige manier uit te gaan voeren. Om dit te bewerkstelligen is ervoor gekozen om per duurzaamheidsopgaven (energietransitie gebouwde omgeving, klimaatadaptatie en biodivers vergroenen, circulaire economie, duurzame mobiliteit) en eigen uitvoeringsprogramma op te richten. Binnen deze uitvoeringsprogramma’s wordt inspanningen, projecten en processen geformuleerd om handen en voeten te geven aan de doelstellingen die per opgave zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsprogramma energietransitie gebouwde omgeving 2020-2023 (vastgesteld door college in januari 2020) volgt jaarlijks een uitvoeringsplan en eindrapportage met daarin behaalde resultaten. Voor het jaar 2020 volgt de eindrapportage nog voor de zomer van 2021 naar de raad. Overigens heeft het college zelf ook erkent dat de doelstellingen ten aanzien van de energietransitie scherper geformuleerd kunnen worden. Hiertoe is opdracht gegeven aan een adviesbureau om met behulp van een routekaart een scherp pad richting 2050 te formuleren. Vanuit deze routekaart kunnen scherpere en realistische streefwaarden per indicator worden geformuleerd. De routekaart is onderdeel van het uitvoeringsplan 2021. Ook dit uitvoeringsplan komt voor de zomer ter info naar de gemeenteraad.
Geen wijzigingen
Wij vragen: welke lering heeft de gemeente getrokken uit de evaluatie van CE Delft? In de Omgevingsvisie ontbreekt het aan reflectie op de werkwijzen en behaalde resultaten tot 2020 en aan herijking van de doelstellingen. Welke kwantitatieve streefwaarden stelt de gemeente voor 2040? Wat zijn de tussentijdse mijlpalen op weg naar 2040? Wat gaat de gemeente tussen nu en 2040 anders doen om de energietransitiedoelstellingen voor 2040 te halen?
W
Gezien de natuurschaarste in de regio en binnen de stad, zou de gemeente absolute prioriteit moeten geven aan de benutting van het beschikbare dakoppervlak in de gebouwde omgeving voor zon-PV, te beginnen met het gemeentelijke vastgoed
Het college is het met u eens dat zon op dak voor de Gemeente Leiden één van de belangrijkste bouwstenen is. Dit is dan ook uitdrukkelijk bevestigd in het Handelingsperspectief Energietransitie (2020) en in de RES 1.0 (2021).
Geen wijzigingen
X
Inspreker stelt dat de gemeente er verstandig aan zou doen voorlopig pas op de plaats te maken en af te wachten hoe de warmtemarkt zich ontwikkelt
Het college is het niet met de inspreker eens dat er een pas op de plaats moet worden gemaakt, mede omdat simpelweg de tijd ontbreekt in de warmtetransitie. Wél wordt er rekening gehouden in het beleid met toekomstig verwachte wet- en regelgeving zoals de Energiewet en de Warmtewet 2
Geen wijzigingen
39 Y
Z
Het is de vraag welke rol de gemeente kan spelen in het beschermen van haar burgers als captive users van lokale/regionale warmtemonopolies. Heeft de gemeente voldoende kennis om de plannen van verschillende aanbieders te beoordelen en om, in een situatie van informatie-asymmetrie, effectief toezicht te houden op de concessiehouder? Hoe worden de duurzaamheid, betaalbaarheid, leverbetrouwbaarheid en voorzieningszekerheid geborgd? Wat gebeurt er als de concessiehouder failliet gaat? Hoe wordt de dienstverlening dan geborgd? Hoe worden andere publieke waarden (bijv. transparantie, democratische legitimiteit, rechtvaardigheid) geborgd? Wij bevelen aan dat de gemeente haar burgers pas overlevert aan de warmtemonopolisten als zij absolute waarborgen heeft voor de duurzame beschikbaarheid, duurzaamheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de warmtelevering voor haar burgers en nadat zij zich verzekerd heeft van de maatschappelijke acceptatie. Zolang die waarborgen ontbreken, doet de gemeente er verstandig aan pas op de plaats te maken en het bestaande gasnet te koesteren als reële optie voor een toekomstig waterstofnet. Dat is verstandig ‘no-regret’ beleid. Wij vragen de gemeente ons te informeren over geothermische exploratieboringen die in onze regio voorzien zijn of al gedaan zijn, door welke partijen, en wat de bevindingen daarvan zijn.
Zijn er al vergunningen verleend voor exploitatieboringen?
Het college dankt de inspreker voor dit bruikbare advies. Het college is namelijk van mening dat de Rijksoverheid een belangrijke rol te spelen heeft in het in staat stellen van de decentrale overheden om hun taken in de energietransitie op een goede manier uit te kunnen voeren. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over het beschikbaar stellen van het juiste instrumentarium, zorgen voor de juiste waarborgen op betaalbaarheid en gemeenten compenseren voor uitvoeringslasten. Zonder dit soort randvoorwaarden is het voor de gemeente onmogelijk om de energietransitie op een betaalbare, haalbare en duurzame manier te laten verlopen. De nieuwe warmtewet, Wet Collectieve Warmtevoorziening, zal hier hopelijk de goede aanzetten voor doen.
Geen wijzigingen
Op 16 februari heeft het College dit thema behandeld. In de Leidse regio is door vijf partijen een opsporingsvergunning voor geothermie aangevraagd. Het Leidse college van Burgemeester en Wethouders is door de Provincie Zuid-Holland gevraagd een reactie te geven op het conceptadvies aan het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het College kan zich grotendeels vinden in de concept-reactie van de Provincie. Zoals ook in het deze zomer vastgestelde beleidskader genaamd Handelingsperspectief Energietransitie aangegeven, is voor de Gemeente Leiden een open warmtenet, gevoed door meerdere bronnen, een gewenst toekomstbeeld. Dat naast de mogelijkheden voor gebruik van restwarmte uit de Rotterdamse haven nu ook zes lokale initiatieven voor de winning van aardwarmte worden geïnitieerd, is voor het realiseren van de beleidsdoelstellingen in de energietransitie zeer positief. Wel adviseert het College in regionaal verband afstemming te zoeken voor de verdeling van de aardwarmte. Dit omdat ook uit de Concept - Regionale Energie Strategie en de bijbehorende reactie van de regio Holland Rijnland blijkt dat teneinde te kunnen sturen op een optimale inzet van de schaarse warmtebronnen, een coördinerende rol van de RES-regio essentieel is.
Ook adviseert het College op tijd het gesprek aan te gaan met de diverse belanghebbenden, zodat bij de keuze voor mogelijke boorlocaties rekening kan worden gehouden met de Leidse en regionale gebiedsontwikkeling. Ook ziet het college graag meer in detail terug hoe in de beoogde keuzes voor de locaties ook rekening is gehouden met overige risico’s voor de omgeving zoals overlast, afstand tot bebouwing en mogelijke risico’s voor de drinkwatervoorzieningen.
Geen wijzigingen
40 AA
Ook blijft het in de Omgevingsvisie verre van duidelijk wat Leiden voor ogen heeft met een Smart City grid.
BB
Waarom gaat de omgevingsvisie niet in op de problemen van sociale ongelijkheid, die door de coronacrisis nog zijn verdiept? Bij de energietransitie hoort ook een visie op de bestrijding van energiearmoede. Heeft de gemeente Leiden dat in kaart gebracht? Hoe helpt zij de burgers die niet beschikken over een eigen dak voor zonnepanelen, niet kunnen investeren in structurele energiebesparing en woningverbetering en dus ook niet kunnen profiteren van desbetreffende subsidies, op weg in de energietransitie?
CC
Daarbij getuigt het ook van weinig ambitie dat de gemeente in 2040 (eindelijk) volgens de principes van Asset Management (AM) wil opereren. AM is een volwassen vakgebied en het geeft weinig vertrouwen in het beheer van de gemeentelijke assets dat AM op dit moment nog niet als werkwijze is omarmd. De gemeente zou zich minstens ten doel moeten stellen om ISO certificering voor AM te behalen (ISO 55001) op termijn van een jaar of vijf, en niet pas in 2040. Inspreker stelt dat de manier waarop de gemeente omgaat met Ontwikkelperspectieven en Gebiedsvisies, naar eigen zeggen in de geest van de Omgevingswet, geen waarborgen biedt voor een integrale gebiedsontwikkeling op het niveau van wijken en buurten, waarin alle ambities van de omgevingsvisie zorgvuldig gebalanceerd worden. In de Omgevingsvisie (p. 46) stelt de gemeente: “We streven steeds een goed woon- en leefklimaat na bij de ontwikkelingen in Leiden. Dit betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de gezondheid niet negatief beïnvloed mag worden door geluid-, trilling-, en geuroverlast of door een slechte luchtkwaliteit.” Wij merken op dat dit streven minder ver gaat dan de ook in de Omgevingsvisie geformuleerde ambitie om het aantal geluidgehinderden, ondanks de verdichtingsopgave, te doen afnemen (Omgevingsvisie, p. 22). Welke belofte wil de gemeente nu waarmaken?
DD
EE
FF
We vragen van de gemeente zich ten minste te committeren aan de belofte dat de geluidhinder voor de bewoners van de Lage Mors niet zal toenemen en dat de luchtkwaliteit langs de Plesmanlaan niet zal verslechteren.
Op dit moment zijn er nog veel ontwikkelingen op dit gebied. Wat dit betekent voor Leiden wordt nader uitgewerkt. Leiden sluit zich verder aan bij de landelijke afspraken over het gunnen en onderhouden van slimme netwerken. De bestrijding van het thema energiearmoede is iets waar het college veel aandacht aan besteed. Zo sloot het college onlangs een Green Deal met Zon op Leiden, een energiecoöperatie die zonnedaken realiseert. In deze Green Deal stelt het college eigen daken ter beschikking, zodat ook mensen zonder eigen dak gebruik kunnen maken van zonnepanelen. Daarnaast worden er verschillende activiteiten op het gebied van bestrijding van energiearmoede ontplooit. Reeds vorig jaar stelde het college vouchers ter beschikking voor mensen om kleine maatregelen door te voeren, worden er energiecoaches opgeleid om mensen te helpen maatregelen door te voeren en worden er verregaande afspraken met de woningbouwcorporaties gemaakt om verduurzaming te stimuleren. Het college wacht niet tot 2040 met het invoeren van de principes van Asset Management. Daar zijn we nu al mee bezig en de werkwijze van AM wordt nu al omarmd. Het college ziet echter geen toegevoegde waarde in het behalen van de ISO-certificering.
Geen wijzigingen
Het college neemt kennis van deze reactie.
Geen wijzigingen
Het college begrijpt deze zorg. Alle projecten moeten voldoen aan de vastgestelde beleidsregels van de gemeente Leiden en de wettelijke kaders / normen rondom milieuaspecten zoals fijnstof en geluid. Leiden heeft voor bijvoorbeeld het aspect geluid strengere normen dan wettelijk voorgeschreven. Zolang de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft is het mogelijk om middels een Besluit Hogere Waarden af te wijken van de Leidse richtlijn. Het doel van het college is om binnen de wettelijke kaders te blijven. Zie beantwoording 30EE
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
41 GG
HH
II
JJ
Wij vragen de gemeente dan ook met klem om af te zien van de herinrichting van de kruising volgens het Kaderbesluit 2019. Herinrichting van LRN tracé Plesmanlaan vinden wij slechts acceptabel als het tracé ondertunneld wordt of op zijn minst zodanig verdiept wordt aangelegd, dat de kruising van de Lage Mors naar het BioScience-park op maaiveldniveau komt te liggen. De ‘goedkopere’ oplossing van de gemeente is achterhaald. Het is een oplossing die níet goedkoper en níet veiliger is, die de fietsers laat omrijden en de bewoners van de Lage Mors in de kou laat staan. Het plan staat haaks op de ambitie van Leiden om ruim baan te geven aan fietsers en voetgangers, het schaadt de gezondheid van bewoners en verbetert ook al niet de bereikbaarheid van de wijk. Wij vragen de gemeente af te zien van de herinrichting van LRN tracé Plesmanlaan, dan wel te kiezen voor de verdiepte uitvoering conform het Kaderbesluit 2016. Als bewoners stellen we dus vast dat het Ontwikkelperspectief en de Gebiedsvisie misleidend zijn én dat elke bereidheid om de bewoners in hun wensen tegemoet te komen, bij de gemeente ontbreekt. Er is geen enkele bereidheid bij de gemeente gebleken om “de bestaande buurt te betrekken in de planvorming
Wij constateren dat het in de Gebiedsvisie, het Ontwikkelperspectief én in de Omgevingsvisie ontbreekt aan een transparant afwegingskader; aan meetbare normen en streefwaarden voor duurzame verstedelijking, klimaatadaptatie, de robuustheid van het groen-blauwe raamwerk en alle andere aspecten van de leefomgevingskwaliteit; dat er wordt afgeweken van de vigerende Hoogbouwvisie, terwijl een hoogbouwkwaliteitstoets nog ontbreekt; dat er wel aandacht is voor regionale bereikbaarheid, maar niet voor lokale bereikbaarheidsknelpunten; dat een adequaat monitoringssysteem ontbreekt; dat het ontbreekt aan waarborgen voor een samenhangende en consistente beleidsontwikkeling voor alle domeinen die raken aan de leefomgevingskwaliteit, en dat de stem van de bewoners niet wordt gehoord. De Omgevingsvisie schiet schromelijk tekort als kaderstellend document voor de stedelijke ontwikkelingsambities van Leiden tot 2040. De Omgevingsvisie is een vrijbrief voor de gemeente om haar burgers over te leveren aan de projectontwikkelaars. De Omgevingsvisie biedt de huidige en toekomstige burgers van Leiden geen enkele waarborg voor een duurzame leefbaarheid van de stad. De burgers van Leiden kopen er niets voor.
Het kaderbesluit voor dit deel van de LRN is genomen. Inclusief alle beraadslagingen en procedures die hierbij horen. De omgevingsvisie bouwt op deze bestaande kaders verder. De oplossing wordt in het kader van deze omgevingsvisie niet heroverwogen.
Het college herkent zich niet in deze uitspraak. Het college heeft ook tijdens de Covid 19-cirsis zoveel mogelijk op verschillende manieren de stad getracht te betrekken en te bereiken. Juist bij de ontwikkelperspectieven is geïnvesteerd in verschillende manieren van gesprekvoering, daar zijn bijvoorbeeld ook gesprekken op straat gevoerd Zie specifieke beantwoording bij andere punten uit de inspraak 30.
Geen wijzigingen
Het college is het niet eens met deze uitspraak. De omgevingsvisie fungeert als groter afwegingskader. De visie geeft de richting aan, afhankelijk van de opgave, worden gebiedsgericht keuzes gemaakt. Waar ambities met elkaar concurreren wil het college namelijk zo veel mogelijk gebiedsgericht naar oplossingen zoeken (maatwerk) samen met de stad. Ook zal middels monitoring worden gekeken of er tussentijds moet worden bijgestuurd of ingegrepen als doelstellingen en ambities niet gehaald worden. Het gemeentebestuur zal in andere instrumenten van de Omgevingswet uitwerken waar concretere doelstellingen kunnen worden vastgelegd en kunnen worden aangescherpt.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
42 KK
31 A
Tot slot verzoeken wij u dringend om rekening te houden met de ervaringen die wij hebben opgedaan met het Ontwikkelperspectief De Mors en de Gebiedsvisie Vondelkwartier en deze ervaringen te betrekken in de te maken keuzes voor de Omgevingsvisie. Daarbij willen we er nogmaals op wijzen dat de participatiegraad en de kwaliteit van bewonersparticipatie in de uitwerking van de Omgevingsvisie op de schaal van hun wijken, buurten en straten, fors verhoogd moeten worden, als de gemeente draagvlak wenst voor haar draconische verdichtingsplannen.
Het college is het eens met de inspreker het goed is om rekening te houden met de verschillende ervaringen omtrent participatie. Het gemeentebestuur en het gemeentelijk apparaat leren bij elk participatietraject wat beter kan.
Aandachtspunt Erfgoed als basis: • Leg een ambitie vast, waarmee de historische omgevingskwaliteit minimaal op hetzelfde (groen) niveau blijft Er bestaan bij de inspreker zorgen over de ontwikkeling die op de pagina’s 18 en 19 in de Omgevingsvisie in het “Rad van de Leefomgeving” wordt voorzien voor de aspecten cultuurhistorie en erfgoed. Deze aspecten scoren in het rad momenteel kennelijk nog in het groene bereik, maar de verwachting is dat bij deze aspecten negatieve trends te zijn verwachten, van groen naar oranje of wellicht rood. Een duiding van de oorzaken van deze verslechterde positie ontbreekt echter. Een ambitie op pg. 22 over historische omgevingskwaliteiten en het erfgoed is wel geformuleerd. Maar hoe de zaak dan ten goede word gekeerd ontbreekt.
Leiden zal ook in de toekomst een stad blijven die zich overwegend kenmerkt door laag- en middelhoogbouw, met op de meest dynamische plekken accenten tot 70 meter. Voor de door U genoemde gebieden worden plannen verder uitgewerkt. Voor zover in die gebieden sprake is van hoogte-accenten worden die ook beoordeeld op hun visuele effecten.
Geen wijzigingen
Het college bepaalt per opgave en project welke trede op de participatieladder gehanteerd wordt, dit doet het college met in achtneming van de eerder vastgestelde besluiten en kaders. Verwachtingsmanagement en goede communicatie hierover is cruciaal. Bij de uitwerking op wijkniveau vindt altijd participatie plaats. Daarbij wordt vooraf bepaald of mensen mee weten, mee praten, mee denken of mee beslissen.
Geen wijzigingen
De autonome ontwikkeling in het OER is in beeld gebracht door de huidige situatie aan te vullen met autonome trends en vigerende beleidsstukken. Dit heeft laten zien dat er een verandering van de kwaliteitsscore gaat plaatsvinden voor het aspect Erfgoed. Het doel is niet om ten alle tijden voor alle aspecten een groene score te behouden, zo dient het rad van de leefomgeving ook niet gelezen te worden. De grote transitieopgaven, zoals de energietransitie en de woningbouwopgave, hebben een impact op het bestaande cultuurhistorisch erfgoed. Het terug naar een groene score voor erfgoed is geen doel op zich. Door het OER is het college zich bewust van de mogelijke negatieve trends.
B
Aandachtspunt Erfgoed als basis: • De inspreker pleit voor hoogwaardige herbestemming, ook van niet beschermde monumenten, waar mogelijk met publiek(e)/toegankelijke functies. Erfgoed moet mede-bepalend zijn als richtinggevend voor een kwalitatief hoogwaardige doorontwikkeling van de stad, niet als een ‘aankleding, waar in te passen’. Dit laatste zou afbreuk doen aan de ambitie, vooral op plekken waar in de komende jaren kansen op herbestemming kunnen ontstaan van soms nog niet beschermd erfgoed, zoals bij scholen, nutsgebouwen en kerken. Bovendien doet een dergelijke ‘decor’-benadering afbreuk aan het feit dat ‘historisch van belang’ niet altijd hetzelfde is als ‘mooi’.
Het college zal de negatieve trend tegen gaan door in andere instrumenten van de Omgevingswet eventuele maatregelen op te nemen en regels te borgen Het college ziet cultuurhistorische waarden als belangrijke pijler bij de doorontwikkeling van de stad en is in iedere ontwikkeling een afweging. Dit vraagt maatwerk in de stad.
Geen wijzigingen
43 C
D
E
Aandachtspunt Erfgoed als basis: • Versterk de passages over het tegengaan van onnodige vernietiging van ons bodemarchief Datgene wat in situ, onder het maaiveld, is achtergebleven als van cultuurhistorische en archeologische waarde, wordt beschermd door bestemmingsplannen. De inspreker gaat er van uit dat deze bescherming, waar mogelijk verscherpt, ook in het Omgevingsplan gecontinueerd zal worden. In gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde zal zorgvuldig moeten worden omgegaan met het medebestemmen van die gebieden voor functies die door bouwactiviteiten een bedreiging kunnen vormen voor het erfgoed in situ. De inspreker maakt zich in dit opzicht zorgen over te veel ruimte voor toename van het ondergronds gebruik van gronden, zoals bij bouw van (inpandige) ondergrondse parkeervoorzieningen. Aandachtspunt Erfgoed als basis: • Stel een nieuwe nota Buitenreclame en beeldkwaliteit vast Het verantwoord gebruik van de openbare ruimte in de historische binnenstad vereist een goed handhaafbaar beleid over de plaatsing en de vormgeving van buitenreclame, terrassen en uitstellingen. De inspreker vraagt om een terughoudend reclamebeleid dat in overeenstemming is met de door de reconstructies (van o.a. wegen en winkelpuien) bevorderde verbetering van de historische kwaliteiten.
De bescherming van het bodemarchief zal worden voortgezet in het Omgevingsplan. Behoud in situ is alleen mogelijk in het geval van een Rijks – of gemeentelijk archeologisch monument. Op dit moment kent Leiden nog geen gemeentelijke archeologische monumenten, maar de verordening Fysiek Leefomgeving (voorheen Erfgoedverordening) voorziet wel in deze mogelijkheid
Geen wijzigingen
Het college handhaaft een hoge ambitie op de inrichting van de openbare ruimte en particuliere initiatieven die daarop van invloed zijn. Het college zal dit verduidelijken in de tekst.
H5.2 Monumenten, cultuurhistorische bebouwing, historische waterwegen en landschappelijke structuren behouden, benutten en beleven.
Aandachtspunt het Groen-Blauwe Raamwerk: • Versterk de zichtbaarheid van de historische structuren in het raamwerk Het raamwerk is door de vele structuurelementen bij uitstek de drager van zichtbare en beleefbare historie. Dit dient bij de ontwikkeling en uitvoering van het raamwerk te worden versterkt.
Het college is het eens met de inspreker dat bij de ontwikkeling en uitvoering van het raamwerk zichtbare en beleefbare historie mee te nemen. Het Groen-Blauwe Raamwerk heeft inderdaad een historische oorsprong en de cultuurhistorische waarden spelen hierin een belangrijke rol. We zullen dit duidelijker in de tekst tot uitdrukking brengen.
Het college heeft recent het beleidskader buitenreclame 2021 vastgesteld. Het doel van dit beleidskader is om ruimte te geven aan reclame, zonder de voor Leiden belangrijke waarden uit het oog te verliezen en is aangepast op de vragen van deze tijd over onder meer digitale reclame.
Dit vraagt een hoge ambitie op de inrichting van de openbare ruimte en particuliere initiatieven die daarop van invloed zijn. H5.1 onder het kopje “We realiseren een robuust groen-blauw raamwerk voor klimaatadaptatie, mens en natuur”): … We maken een groenblauw raamwerk voor mens en natuur door bestaande groengebieden en waterlopen met elkaar te verbinden via groene routes tot een samenhangend stadsnetwerk met groene ringen en spaken. We maken daarvoor gebruik van de historische groenelementen die al voorhanden zijn, versterken de kwaliteit en identiteit van die gebieden en verbinden deze tot een hoogwaardig netwerk. Dit raamwerk draagt bij aan klimaatadaptatie, het versterken van de biodiversiteit, gezonde leefomgeving en het verbeteren van de luchtkwaliteit, leefbaarheid, recreatiemogelijkheden en de beweegvriendelijkheid van de stad. Daarnaast versterkt het raamwerk de beleefbaarheid van de historische structuur van de stad.
44 F
Aandachtspunt het Groen-Blauwe Raamwerk: • Behoud en herstel van historische elementen langs oude toegangswegen Onverminderde aandacht verdient in dit verband ook het beter benutten van de historische waarden (monumentale bebouwing en groen) van de historische toegangswegen buiten de binnenstad. Onder de verbindingswegen moeten ook die over het water worden gerekend. Het langs de Vliet gelegen Delftse Jaagpad verdient het om, gezien de voormalige functie voor het verkeer te water, in de huidige toestand te worden gehandhaafd en te worden gerespecteerd bij de eventuele doorontwikkeling van het potentiële woongebied de Vlietzone.
In de omgevingsvisie is er ook aandacht voor het benutten van historische waarden in de verbindingen in het groen-blauw raamwerk en duurzame mobiliteit. Dit komt onder andere terug onder 5.2 onder het kopje ‘Historische routes beter beleefbaar maken’. Dit heeft zowel betrekking op de routes binnen en buiten de binnenstad.
G
Aandachtspunt het Groen-Blauwe Raamwerk: • Geef gedempt en overkluisd water terug aan de stad; De inspreker bepleit op cultuurhistorische gronden om een aantal van die verdwenen watergangen weer in het stadsbeeld te laten terugkeren. Het zou een goede zaak zijn als u het herstel van gedempt en overkluisd water opneemt in het Groen-Blauwe raamwerk.
H
Aandachtspunt het Groen-Blauwe Raamwerk: • Respecteer open ruimten als waardevolle landschapselementen De stad kent een aantal aantrekkelijke, grotere groengebieden die van grote waarde zijn voor het beeld van de stad, de beleefbaarheid daarvan en voor de aanpassing aan de klimaatverandering. Deze “stadslandschappen” en “stadstuinen”, verdienen met respect te worden beheerd waarbij natuurbelangen een volwaardige rol moeten spelen. De inspreker pleit er voor om in deze gebieden aandacht te besteden aan het belang van de open ruimten, al dan niet als verbinding tussen stad en land. Aandachtspunt het Groen-Blauwe Raamwerk: Wijs polderpark Cronesteyn aan als gemeentelijk monument
Het is zeker interessant als de oorspronkelijke waterstructuur weer teruggebracht zou kunnen worden. Maar de oude waterlopen zijn nu wegen geworden. Ook is het zeer kostbaar om dit te realiseren. Ook is het nog niet voor het watersysteem noodzakelijk gebleken. Wel is de kwaliteitswinst aangegeven in de omgevingsvisie opgenomen (pag 39 van de inspraakversie) onder het kopje ‘Ruimte maken voor extra oppervlaktewater in de openbare ruimte’ Het college vindt dit een terecht aandachtspunt en is van mening dat de omgevingsvisie hier ook aandacht voor heeft.
I
Bij 5.3, onder kopje ‘Historische routes waar mogelijk voor voetgangers en fietsers benutten’ is de tekst licht gewijzigd en aangevuld.
Het Polderpark Cronesteyn is een belangrijk onderdeel van de gemeentelijke groenstructuur. Via opname in de Groene Hoofstructuur, opname in deze Omgevingsvisie en het bestemmingsplan is het park en groen volgens het college voldoende beschermd. Het aanwijzen van afzonderlijke monumenten is niet op z’n plaats in een Omgevingsvisie. Cultuurhistorisch waardevol groen heeft wel onze aandacht bij het opstellen van het Omgevingsplan.
Toegevoegd onder 5.3, onder kopje ‘Historische routes waar mogelijk voor voetgangers en fietsers benutten’ is de tekst licht gewijzigd en aangevuld: De historische routes zijn van oudsher de belangrijkste verbindingsroutes tussen centrum en gebieden daaromheen en tussen Leiden en de historische kernen in de regio. Deze wegen zijn, samen met de historische bebouwing erlangs, waardevolle cultuurhistorische structuren. Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
45 J
Aandachtspunt een aantrekkelijk vestigingsklimaat; • Intensiveer het benutten van de bestaande woningvoorraad Het valt de inspreker op dat in verband met de woningbouwopgave in de Omgevingsvisie weinig aandacht wordt besteed aan de bestaande woningvoorraad. Bij sloop van delen van de bestaande woningvoorraad zouden de vrijkomende locaties ook als “Soetersgebied” kunnen worden aangewezen. Een betere verdeling van de bestaande woningvoorraad zou eveneens kunnen helpen om aan de woningbouwopgave te kunnen voldoen. Een beleid dat proactief de doorstroming van (alleenstaande) ouderen uit grote woningen naar kleinere zou bevorderen, zou per saldo woonruimtewinst opleveren.
K
Aandachtspunt een aantrekkelijk vestigingsklimaat; • Stringentere bescherming van molenbiotopen Molenbiotopen worden vastgelegd in het Omgevingsplan. Van de regels kan echter via de provincie vrijstelling worden verleend. De afgelopen jaren zijn op deze wijze de molen-biotopen van molen De Valk en molen De Put aanmerkelijk verslechterd. De inspreker bepleit dan ook met klem om bij de definitieve besluitvorming over de Schipholweg en het Stationsgebied aan de molenbiotopen geen verdere afbreuk te doen.
Het klopt dat er veel aandacht uitgaat naar de woningbouwopgave. Dit is het gevolg van de grote opgave waar Leiden voor staat. Dit laat echter onverlet dat het college bij de match van vraag en aanbod ook kijkt naar de bestaande voorraad waaronder doorstroming van huurders en kopers naar, zowel in prijs als in omvang en kwaliteit, meer geschikte woningen. De overgrote meerderheid van de appartementen is levensloop geschikt. En ook houdt het college, waar aan de orde, bij nieuwbouwprojecten rekening met eventuele wensen van bijvoorbeeld ouderen voor een woning die beter is afgestemd op hun levensfase. Hiermee speelt de gemeente weer meer woningen voor gezinnen vrij. Een voorbeeld hiervan is het nieuwbouwproject Nieuweroord dat een aantal vooral voor ouderen geschikte woningen bevat. Ook is de gemeente in overleg met het Ouderenberaad van de Professorenwijk om te kijken of er een manier is om tegemoet te komen aan hun wensen voor een, op hun levensfase afgestemde, woonvorm in de eigen buurt. Binnen de sociale voorraad maakt de gemeente samen met de corporaties optimaal gebruik van de lokale beleidsruimte om bepaalde groepen voorrang te geven om daarmee de doorstroming naar een voor hen geschiktere woning te bevorderen. Zie hiervoor onder andere de Uitvoeringsagenda Wonen Leiden 2020-2023, blz 18-19 De omgevingsvisie zet in op het bouwen rond openbaar vervoersknooppunten.
Hiermee wordt duurzame mobiliteit zo veel mogelijk gestimuleerd. De Schipholweg en het Stationsgebied zijn die gebieden waar Leiden en de provincie graag willen bouwen: hier is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de historische binnenstad, ruimte voor hoogbouw. De gemeente dient bij het opstellen van een omgevingsplan rekening te houden met de provinciale omgevingsverordening waarin onder andere de regels voor de molenbiotoop zijn vastgelegd. Met de provincie worden afspraken gemaakt om de invloed van de voorgenomen nieuwbouw in het Stationsgebied en aan de Schipholweg op de molenbiotopen te compenseren. Hierbij blijft het uitgangspunt dat de voorgenomen hoogbouw rond Leiden Centraal doorgang vindt.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
46 L
M
Aandachtspunt een aantrekkelijk vestigingsklimaat icm hoogbouw; • Zoek naar stedenbouwkundige alternatieven voor hoogbouw Volgens de inspreker zou er meer oog moeten zijn voor alternatieven die aan de doelstelling van de woningbouwopgave kunnen bijdragen. In gebieden waar men bouwt met een mix van (middel)hoogbouw en laagbouw kan, in combinatie met een fijnmazig stedelijk maaiveld, ook in hogere dichtheden worden gebouwd. In Leiden zouden de gebieden tussen Boerhaavelaan en spoorbaan, aan de noordkant van de Willem de Zwijgerlaan tussen Gooimeer-en IJsselmeerlaan, het Vondelkwartier en de Watergeuslocatie tussen Zoeterwoudseweg en de Trekvliet, zich goed lenen voor een dergelijke alternatieve benadering. Door deze gebieden als “Soetersgebieden” te ontwikkelen kunnen visuele botsingen tussen de beschermde stadgezichten en laagbouwgebieden enerzijds en hoogbouw anderzijds, worden voorkomen of beperkt. Aandachtspunt een aantrekkelijk vestigingsklimaat icm hoogbouw; • Stadsbrede toepassing van de Hoogbouwkwaliteitstoets (HKT). In de Omgevingsvisie worden op pg. 45 vier hoogbouwclusters aangewezen waarin gebouwen van meer dan 70 m. hoog mogen worden gerealiseerd.
Deze aanwijzing op het niveau van de Omgevingsvisie is op zich een goede zaak, maar drie van deze locaties, te weten LEAD, Stationsgebied/Trafolocatie en de Schipholweg, zijn al in een vergevorderd stadium van besluitvorming. De herziening van de Hoogbouwvisie 2007 loopt al te lang achter op deze recente ontwikkelingen. In hoeverre de in de Omgevingsvisie en in de Hoogbouwkwaliteitstoets vast te leggen uitgangspunten nog van belang hadden kunnen zijn voor de keuze en de verdere ontwikkeling van deze prominente hoogbouwlocaties blijft nu ongewis. De Omgevingsvisie laat in het midden of de huidige en voorgestelde locatiekeuzen voor hoogbouw -die vooral zijn bepaald door hun ligging bij knooppunten van (openbaar) vervoer en langs belangrijke wegen- mede zijn bepaald door zichtlijnenonderzoeken.
Leiden zal ook in de toekomst een stad blijven die zich overwegend kenmerkt door laag- en middelhoogbouw, met op de meest dynamische plekken accenten tot 70 meter. Voor de door u genoemde gebieden worden plannen verder uitgewerkt. Voor zover in die gebieden sprake is van hoogte-accenten worden die ook beoordeeld op hun visuele effecten..
Geen wijzigingen
Van de door u genoemde locaties is het project Lead inderdaad al in een vergevorderd stadium. Bij dat plan wordt de vigerende hoogbouwvisie 2007 nog als toetsingskader gebruikt met de mogelijkheid om hiervan af te wijken, mits onderbouwd. Voor de onderbouwing is een hoogbouweffectrapportage gemaakt. Dit plan zal dus inderdaad niet meer worden getoetst aan een nog op te zetten Kwaliteitstoets Hoogbouw, al zullen veel van de relevante aspecten daaruit ook in de hoogbouweffectrapportage terug te vinden zijn. Voor de andere locaties geldt dat wel op gebiedsniveau uitgangspunten zijn geformuleerd, maar dat er nog geen concrete initiatieven voor ontwikkelingen op de kavels zijn. Daar is toetsing aan de Kwaliteitstoets in de toekomst dus nog mogelijk. De hoogbouwlocatie in het Stationsgebied (Trafolocatie) is bepaald op basis van een zichtlijnenstudie vanuit de Binnenstad. De hoogbouwlocatie op de Schipholweg is het gevolg van een amendement van de Gemeenteraad bij de besluitvorming over de gebiedsvisie. Daarbij is besloten dat op de Schipholweg, buiten de molenbiotopen, waar mogelijk tot 90 meter gebouwd mag worden. Bij de kavelontwikkeling zal – als onderdeel van de Kwaliteitstoets Hoogbouw - ook het effect op de belangrijke zichtlijnen van de Binnenstad worden meegenomen in de beoordeling.
Geen wijzigingen
47 N
Aandachtspunt een aantrekkelijk vestigingsklimaat icm hoogbouw; • Toepassing HKT in de fasen planontwikkeling en uitvoering Volgends de inspreker zou een zichtlijnenonderzoek op het niveau van de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan altijd moeten worden gebruikt in de fase waarin wordt gezocht naar in beginsel stedenbouwkundig aanvaardbare hoogbouwlocaties. Dat is de fase voorafgaand aan de planologische besluitvorming. Daarbij zijn ook aspecten zoals het stadssilhouet, windhinder en de bezonningssituatie, de relatie met de directe omgeving en de inrichting op maaiveldniveau inclusief de verkeersafwikkeling en overige mobiliteitsaspecten- te betrekken. Vervolgens kunnen bij de verdere uitwerking van een bouwinitiatief de overige aspecten uit de HKT worden getoetst, met name die op de architectonische kwaliteit en de vormgeving van de plint. Een dergelijke getrapte toepassing past in het vergelijkbare systeem van de Omgevingswet waarbij aanvragen om omgevingsvergunningen bouw ook eerst op de planologische eisen en vervolgens op constructieve en bouwkundige eisen zullen worden getoetst.
O
Aandachtspunt een aantrekkelijk vestigingsklimaat icm hoogbouw; • Verifieerbare en erkende onderzoeksmethodieken in de HKT voorschrijven Indien deze onderzoeken worden gedaan in opdracht van de initiatiefnemer, moet in de HKT uitdrukkelijk worden geëist dat deze onderzoeken worden gedaan door een van de initiatiefnemer onafhankelijke persoon of organisatie. Ook moet het onderzoek altijd worden verricht op basis van een erkende en verifieerbare onderzoeksmethode die borg staat voor een waarheidsgetrouwe visualisatie van de gewenste nieuwe toestand.
P
Aandachtspunt een aantrekkelijk vestigingsklimaat icm hoogbouw; • In ruimtelijke plannen werken met bebouwingshoogteprofielen De inspreker is van mening dat het een goede zaak zou zijn de HKT niet te beperken tot hoogbouwlocaties, maar ook in twee andere gevallen van toepassing te laten zijn als instrument om hoger bouwen beter te kunnen beoordelen op zijn omgevingseffecten. De grens van 25 m. zou daarbij dan moeten worden losgelaten, in bestaande laagbouwgebieden kan bouwen tot 20 m. al een aanzienlijke invloed hebben de omgeving. 1. In de eerste plaats bij elke wijziging van het Omgevingsplan waarbij (verschillende) bouwhoogten moeten worden beoordeeld op de omgevingseffecten. 2. In de tweede plaats in alle gevallen waarbij in bestaande situaties (zie ook de gebiedsomschrijvingen op pg. 45) het voornemen bestaat tot nieuwbouw of tot optopping van bestaande gebouwen en waarbij van de in het Omgevingsplan vastgelegde bouwhoogte wordt afgeweken. Het kan daarbij gaan om een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid dan wel om een buitenplanse afwijkingsprocedure. Het werken met bebouwingshoogteprofielen zou zowel bij het opstellen van (een wijziging) van het Omgevingsplan als in de hiervoor genoemde gevallen moeten worden voorgeschreven. Op die wijze wordt het voor de burger inzichtelijk welke effecten hij van hoogbouw of optoppingen kan verwachten.
De Hoogbouwtoets zal inderdaad getrapt plaatsvinden. De Omgevingsvisie is van het hoogste abstractieniveau. Het is een richtinggevend document. Hierin worden gebieden aangewezen waar al dan niet hoger gebouwd mag worden, maar de Omgevingsvisie spreekt zich nog niet uit over concrete locaties (m.u.v. vier plekken waar hoger dan 70 meter mag worden gebouwd). De hoogtes in het Stationsgebied zijn mede gebaseerd op de effecten op de zichtlijnen vanuit de Binnenstad. Op het niveau van een gebiedsvisie kan gedetailleerder worden waar hoogbouw al dan niet gewenst is op basis van omgevingseffecten. De gebiedsvisie kan ook de basis vormen voor het Omgevingsplan. Zaken als bezonning, bereikbaarheid en skyline spelen op dit niveau. Uiteindelijk zal een bouwplan de meeste concrete informatie leveren voor de toetsing. Daarin kunnen zaken als windhinder en architectuur worden uitgewerkt. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het aanleveren van de informatie. Die moet uiteraard betrouwbaar en verifieerbaar zijn. Het is aan de gemeente om te zorgen dat degelijk getoetst wordt. De wijze van visualisatie is in de stadgesprekken een onderwerp van discussie geweest. Die input zullen we meenemen bij het opstellen van de Kwaliteitstoets.
Geen wijzigingen
Het is duidelijk als er één hoogte wordt vastgesteld vanaf waar de Kwaliteitstoets voor Hoogbouw toegepast moet worden. De vraag wanneer de Kwaliteitstoets hoogbouw moet worden toegepast zal worden vastgelegd bij de vaststelling van de Kwaliteitstoets zelf.
Tekst is aangepast in H5.2; Om hoogbouw zo goed mogelijk in te passen wordt een Kwaliteitstoets Hoogbouw voorbereid. Concrete initiatieven voor hoogbouw zullen aan deze toets worden onderworpen. Zo snel mogelijk na de vaststelling van de Omgevingsvisie zal ook de Kwaliteitstoets Hoogbouw door de gemeenteraad worden vastgesteld.
Voor alle bouwprojecten geldt dat ze moeten voldoen aan een goede ruimtelijke ordening en integraal beoordeeld moeten worden. De Kwaliteitstoets voor Hoogbouw is specifiek bedoeld voor aspecten die samenhangen met hogere gebouwen
Geen wijzigingen
48 Q
Inspreker heeft het volgende aandachtpunt in de leefmilieus: De binnenstad afzonderlijk erkennen en typeren als historisch-dynamisch, bijv. conform eerdere ‘yin/yang’-filosofie uit o.a. Programma Binnenstad Dit gebiedt vraagt immers bij bouwvolumes en openbare ruimten om een geheel andere aanpak in ontwerp en beheer dan het Bio Science Park of de Lammenschansdriehoek.
Het college is het met de indieners eens dat de binnenstad een belangrijk economisch en historisch dynamisch gebied is voor stad en regio, waar een andere aanpak in het ontwerp gewenst is dan in de andere gebieden. De binnenstad verdient daarmee ook zelfstandig aandacht in de omgevingsvisie. Daarom is dit ook bij de verschillende opgaven in H5 apart verwoord.
Geen wijzigingen
Het college beaamt dat er grote verschillen zijn tussen de deelgebieden wat betreft historie, functie en ruimtelijke verschijningsvorm. Tegelijkertijd vormen deze deelgebieden gezamenlijk het meest dynamische deel en het hart van de stad. Daarbij zijn dit de gebieden in de stad waar de (boven)regionale functies gevestigd zijn. R
Aandachtspunt werken met de omgevingsvisie: • strikte gemeentelijke regie op alle ruimtelijke participatieprocessen Over participatie zou de Omgevingsvisie duidelijke en krachtige uitgangspunten moeten bevatten. Voor breed gedragen besluiten over plannen en projecten zijn goed toegesneden vormen van participatie een absolute voorwaarde. Dat een initiatiefnemer moet aangeven of hij en zo ja hoe, heeft uitgenodigd tot participatie, staat haaks op wat de gemeente zou behoren te doen: het vooraf stellen van eisen aan participatie. Participatie onder het motto “De stad is van ons allemaal” verdient derhalve een volwaardige plaats in de Omgevingsvisie.
S
Aandachtspunt werken met de omgevingsvisie: • strikte gemeentelijke regie op alle ruimtelijke participatieprocessen De inspreker vindt het een gemiste kans dat het college op pg. 81 verwijst naar een verdere uitwerking van de HKT die los staat van de Omgevingsvisie. Waar u op pg. 82 stelt dat er bij zgn. uitnodigingsplanologie uwerzijds sprake is van “pro-actieve stimulatie van initiatiefnemers” rekenen wij het tot de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om vanaf het begin daarbij ook de burger als volwaardige partner te betrekken. En niet alleen bij voorgenomen plannen op hoogbouwlocaties. Ten aanzien van de in de HKT op te nemen eis van het verwerven van draagvlak in de omgeving, merken wij op dat wij draagvlakverwerving uitdrukkelijk als een verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur zien.
Het college hecht aan samenwerking en integrale aanpak bij de uitwerking van ambities: “Samen maken we de stad!”. Het college vindt het van groot belang dat initiatiefnemers goede afstemming met betrokkenen organiseren met een gedegen participatieproces. Verdere uitwerking van deze participatieplicht vindt los van deze omgevingsvisie plaats. De Omgevingswet, die in 2022 wordt ingevoerd, heeft onder meer als doel om de participatie van belanghebbenden bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te verbeteren. De gemeente zal haar participatieprocessen aanpassen in lijn met de Omgevingswet, dit heeft ook gevolgen voor initiatiefnemers. In het kader van de Omgevingswet zoekt het college naar de beste manier om dat vorm te geven en waar dat het beste geregeld moet worden.
Geen wijzigingen
Het college streeft naar inhoudsvolle en tijdige participatie en tracht dit op een zo vroeg mogelijk moment te organiseren, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande kaders en vastgestelde besluiten. Het is zaak dat de gemeente vroegtijdig aan de stad duidelijk maakt welke kaders dat dan zijn, waarom juist deze gelden en welk participatieniveau geldt.
Geen wijzigingen
De Participatieverordening uit 2019 is een belangrijke leidraad. De participatieverordening stelt duidelijke regels over de verantwoordelijkheid die college en raad hebben in een representatieve democratie. De Omgevingswet, die in 2022 wordt ingevoerd, heeft onder meer als doel om de participatie van belanghebbenden bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te verbeteren. De gemeente zal haar participatieprocessen komende periode aanpassen in lijn met de Omgevingswet. Verdere uitwerking van deze participatieplicht vindt los van deze omgevingsvisie plaats
32
49 A
33 A
De inspreker heeft een groot bezwaar met betrekking tot de indeling van de Vogelwijk in de categorie Stads en Levendig en vindt de categorie Groen en Luw meer passend, namelijk; - Ondanks dat deze wijk op de kaart op het eerste gezicht dicht bij het centrum ligt, heeft deze wijk een volledig ander karakter dan de stad. De wijk ligt afgescheiden van het centrum door het Bos van Bosman en heeft zeer weinig (drie) toegangs- en uitvalswegen. Hierdoor kan de wijk niet op een natuurlijke manier 'blenden' in een bruisende stadsomgeving. Pogingen dit te forceren zullen wellicht uiteindelijk leiden tot een onnatuurlijk ingerichte, verpauperde buitenwijk. - Aan de andere kant grenst de wijk aan het Landje van Bremmer, een zeer uniek en kwetsbaar natuurgebied. Op dit gebied rust een drievoudige bescherming. Rust is voor dit gebied van het grootste belang en een aangrenzende 'stads- en levendige wijk' kan fatale gevolgen hebben voor dit gebied. - In de wijk komt de als 'zeer zeldzaam' geklassificeerde Zwartsteelvaren voor. De wijk is een van de noordelijkste plekken in Nederland waar deze varen voorkomt. Het is daarom niet alleen in het belang van de natuur in Leiden maar van heel Nederland dat deze biotoop behouden blijft.
Zie beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
De inspreker mist de rol en functie van de volkstuinen in de omgevingsvisie. Weliswaar wordt er gesproken over stadstuinieren hetgeen op zich als noemer de lading zou moeten kunnen dekken. Echter, in alle uitwerkingen wordt het stadstuinieren omschreven als een activiteit in de stad en in de nabijheid van de woonplekken. Dat is iets heel anders dan volkstuinieren.
In de onlangs vastgestelde Visie Stadstuinieren is het belang van volkstuinen en andere vormen van stadstuinieren onderstreept en toegelicht. In de Omgevingsvisie zullen we ook het belang benadrukken en hier een verwijzing naar opnemen.
Dit is aangevuld in de omgevingsvisie.
De inspreker vraagt de zes volkstuincomplexen en hun rol in de biodiversiteit, flora en fauna en in erfgoed een betere plaats te geven in de visie van Relatie met de visie stadstuinieren.
B
C
D
De inspreker doet een dringende aanbeveling om bij de verdere uitwerking van de omgevingsvisie meer aandacht te besteden aan de benoemende statements en voor een consequente doorvertaling en waar de beleidslijnen recht doen aan de visie stadstuinieren De inspreker uit zijn zorg en verbazing over een plan om een fietspad aan te leggen dwars door Ons Buiten. Doorsnijdingen met fietspaden en wat dies meer zij hebben een onverantwoord grote negatieve invloed op biodiversiteit, flora en fauna. En op de rust ook voor de mens, zowel de volkstuinder als de wandelende recreant. De inspreker is tegen plaatsing van windmolens in de Oostvlietpolder en kan zich hier absoluut niet in vinden gelet op alle gevolgen die dit heeft voor zowel de natuur als de mens.
Het college neemt kennis van deze aanbeveling en zal bij de verdere uitwerking hier rekening mee houden.
We benoemen de volkstuinen in ‘We intensiveren het vergroenen van de stad’ en in ‘We realiseren een robuust groen-blauw raamwerk…’ bij de opsomming van de elementen die vallen binnen het groen blauw raamwerk (op pag35 van de inspraakreactie) Geen wijzigingen
Dit plan staat niet in de Omgevingsvisie en zal ook niet worden opgenomen in het ontwerp-ontwikkelperspectief voor LeidenNoord. De zorg die de inspreker uit is ongegrond.
Geen wijzigingen
In de Regionale Energie Strategie (RES 1.0) is ook in de Oostvlietpolder een zoekgebied voor windmolens opgenomen. De haalbaarheid van windmolens op deze locatie is onderdeel van vervolgonderzoek.
Geen wijzigingen
In de Omgevingsvisie benadrukt het college dat de Oostvlietpolder open blijft, onbebouwd en groen en wordt doorontwikkeld als een duurzame, groene en recreatieve schakel die de omliggende groengebieden met elkaar verbindt. En dat initiatieven binnen de Oostvlietpolder bij moeten dragen aan de versterking van het duurzaam groene karakter.
50 34 A
De inspreker vindt dat de paragraaf over hoogbouw in de ontwerp Omgevingsvisie onvoldoende uitgewerkt om een toereikend hoogbouwkader te kunnen stellen voor hoogbouw in het algemeen en in het bijzonder voor de verdichtingsopgave waar Leiden voor staat.
B
De Omgevingsvisie sorteert voor op nog hogere hoogbouw dan tot op heden is toegestaan. Hoogbouw boven de 70 meter is duurbouw, niet duurzaam en tast de karakteristieke identiteit van Leiden op een onomkeerbare wijze aan. Het zal tot gevolg hebben dat niet aan de ambitie “een stad waar het prettig wonen, werken en recreëren is” kan worden voldaan. De inspreker vraagt de gemeente daarom om af te zien van aanpassing van de vigerende Hoogbouwvisie en zich te verdiepen in betere manieren om op een slimme wijze verdichting te bewerkstelligen die betaalbaar is voor de gewone Leidenaar.
C
In de Omgevingsvisie 1.1 worden hoogbouwclusters aangewezen waar tot 70 meter hoog mag worden gebouwd, een hoogte die zoals aangegeven in de documentatie wordt beschouwd als het maximum. Desondanks worden, zonder enige onderbouwing, 4 locaties aangewezen waar de mogelijkheid geboden wordt om hoger dan 70 meter te bouwen, nl Trafolocatie (max. 100 m), Schipholweg (max. 90 m), Westerpoort (max. 100 m) en KPN/Monuta (LEAD) (max. 115 m). Het is onvoorstelbaar dat de gemeente een nieuwe visie ontwikkeld waar deze projecten niet in passen en dan maar als uitzonderingslocatie worden aangemerkt. Dit heeft een overduidelijke schijn van vooringenomenheid waarop een algemeen verbod geldt conform artikel 2:4 van de Algemene Wet Bestuursrecht. Om deze schijn van vooringenomenheid weg te nemen dienen de uitzonderingslocaties te worden verwijderd uit de Omgevingsvisie 1.1.
D
De hoogbouwkwaliteitstoets dient te zijn uitgewerkt voordat de Omgevingsvisie 1.1 kan worden vastgesteld zodat de gemeente de juiste kaders kan meegeven aan de projectontwikkelaars in plaats van het beleid vast te stellen op basis van initiatieven van derden
De omgevingsvisie is een abstract document dat richtinggevend is. Concretisering vindt plaats in gebiedsvisies. Daarnaast wordt een Kwaliteitstoets opgesteld om concrete initiatieven te kunnen toetsen. Bij elkaar is dit in onze ogen voldoende kader om tot een goede invulling van hoogbouw te komen. Leiden zal ook in de toekomst een stad blijven die zich overwegend kenmerkt door laag- en middelhoogbouw, met op de meest dynamische plekken accenten tot 70 meter. Op vier specifiek bepaalde locaties mag hoger dan 70 meter gebouwd worden. In onze ogen een goede balans tussen de druk op de ruimte in de stad en de wens om specifieke kwaliteiten van de bestaande stad te behouden en “een stad waar het prettig wonen, werken en recreëren is”. Betaalbaarheid is een belangrijk aandachtspunt bij de realisatie van hoogbouw. De Omgevingsvisie constateert dat er een grote ruimtedruk op de stad ligt. We hebben een grote woningbouwopgave, met alle bijbehorende voorzieningen, maar moeten tegelijkertijd ruimte vinden voor bijv. waterbuffering en biodiversiteit. In die context is de hoogbouwvisie van 2007 tegen het licht gehouden en heeft het gemeentebestuur geconstateerd dat het in beperkte mate verhogen van de bouwhoogte kan bijdragen aan de verstedelijkingsopgave van de stad. Juist door heel selectief te werk te gaan wordt het karakter van de stad zo min mogelijk aangetast.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Het college herkent zich niet in de opmerking over vooringenomenheid. Het hoogbouwbeleid is naar participatie in de ontwerp Omgevingsvisie beland. Eenieder kan daarop inspreken en die inspraakreacties worden meegenomen en meegewogen bij de definitieve besluitvorming door de gemeenteraad. Het opnemen van uitzonderingslocaties betekent niet dat het bestuur vooringenomen is. De Kwaliteitstoets voor Hoogbouw wordt zo snel mogelijk na vaststelling van de Omgevingsvisie in besluitvorming gebracht. Waar de Omgevingsvisie vooral richtinggevend is, zal de Kwaliteitstoets worden gebruikt om concrete initiatieven te beoordelen.
Geen wijzigingen
51 E
F
35
Volbouwen van schaarse open ruimte, groen opofferen voor steen en een grootstedelijk milieu creëren brengt de leefbaarheid van de stad in gevaar en daarmee het vestigingsklimaat voor alle partijen. Hoogbouw wordt vaak gepresenteerd als de manier om groen in de stad te behouden terwijl er wel woningen kunnen worden toegevoegd. Dit gaat echter voorbij aan het feit dat de hoeveelheid groen in de stad per inwoner als maatstaf dient te worden genomen. Toevoegen van nieuwe hoogbouw, zonder dat 75m2 groen per inwoner van hoogbouw wordt toegevoegd betekent per definitie vermindering van de hoeveelheid groen per inwoner in Leiden en moet dus worden voorkomen. Ook als gevolg van de aanzienlijke toename van het verkeer in de Leidse wijken waar hoogbouw wordt gerealiseerd zal de leefbaarheid worden aangetast, onder meer als gevolg van een aanzienlijke toename van het verkeer, wat weer leidt tot meer fijnstof uitstoot, ziekmakende geluidbelasting op de woningen en onveilige verkeerssituaties.
De Omgevingsvisie probeert een balans te vinden tussen de wens om groen te behouden en te versterken en de behoefte aan woningen en voorzieningen in de stad. Vooralsnog legt het college geen normen/ vuistregels in de omgevingsvisie vast. Dit past namelijk niet bij het detailniveau van de visie zoals deze nu is opgezet. Er wordt sterk ingezet op versterking van de groenstructuur. Juist daarom zal het grootste deel van de verdichtingsopgave tot stand komen door bestaande stukken stad te transformeren. Hierdoor wordt het (omliggende) groen zo min mogelijk aangetast.
De effecten van de coronapandemie en thuiswerken op de woningmarktvraag van Leiden dienen te worden onderzocht en in de Omgevingsvisie te worden meegenomen. Uit het nieuwe planaanbod sinds 2018 blijkt dat de gemeente Leiden het overschot aan huurappartementen verder aan het vergroten is zonder goed zicht te houden op de daadwerkelijke woningmarktvraag nu en op de lange termijn. Als gevolg van de pandemie zal de woningmarktvraag nog sterker verschuiven richting grondgebonden woningen en daarnaast prognosticeert een afname van de groei van het aantal huishoudens na 2021 tot slechts 10.000 per jaar in 2040 voor heel Nederland. In dat licht is hoogbouw boven de 70 meter, dat ook zeer moeilijk te herbestemmen is, uiterst onverstandig.
Het college is het met de indieners eens dat het nodig is om aandacht te besteden aan de gevolgen van de post-corona ontwikkelingen. In het OmgevingsEffectRapport is een paragraaf opgenomen over de effecten van COVID-19. Daarin wordt geconcludeerd dat de middelen lange termijn gevolgen nog te onzeker zijn. Mochten er naar aanleiding van COVID-19 structurele veranderingen optreden in aspecten die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving wordt dit aangepast in de omgevingsvisie.
Geen wijzigingen
Ook vindt de verdichting veelal plaats in gebieden die al aan het grotere groen gelegen zijn en de groenstructuren eventueel kunnen versterken. Daarbij zijn de gebiedsontwikkelingen veelal gekoppeld aan locaties van goed (h)ov en/of voorzieningen waardoor het autogebruik teruggedrongen wordt
In Leiden worden woning gebouwd in de categorie hoogstedelijk milieu in Leiden, passend bij een stad van de omvang en uitstraling als Leiden. De omliggende gemeenten bieden meer ruimte om te voorzien in de vraag naar grondgebonden woningen. Bovendien neemt de vraag aan een gezins-woningen in Leiden af en is er juist veel behoefte aan appartementen. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat er veel mensen (internationals bijvoorbeeld ) zijn die voor een beperkte periode naar Leiden komen als postdoc, phd of kenniswerker op het Bioscience Park of bij een van de andere internationaal georiënteerde elders in de stad. De ligging (veel werkgelegenheid in de buurt en de nabijheid van Schiphol) en het karakter van een stad (met o.a. sterke internationaal gerichte kennissector en een aantrekkelijke binnenstad met veel voorzieningen) Leiden maakt dat er nog steeds een grote vraag naar woningen zal blijven, ook in de toekomst. Hoogbouw van meer dan 70 meter zal daarbij in heel beperkte mate mogelijk zijn.
Geen wijzigingen
52 A
Het verschil tussen 0,6 boom per inwoner in Leiden tegenover een gemiddelde van 4,2 per inwoner elders, is schrijnend. Niet voor niets behoort Leiden tot de meest versteende gemeenten van Nederland. Her en der wordt in versie 1.1 gemeld dat er bomen en plekken met bomen bij komen, zonder enige kwantificering. De inspreker pleit voor deze kwantificering.
B
De inspreker pleit ervoor om enkele beleidsuitspraken uit alternatief 1; Groene en gezonde waterstad, die niet in de Omgevingsvisie zijn opgenomen op te nemen in het voorkeursalternatief. Zoals beleidsuitspraak 8 “Planten 10.000 (diverse soorten) bomen.” In de effectbeoordeling scoort deze beleidsuitspraak goed; toch is deze niet in het voorkeursalternatief opgenomen.
c
Zorg voor een toename van de hoeveelheid gemeentelijke natuur per hoofd van de bevolking. Niet alleen wandel- en fietspaden door groen, groene daken en tuintjes, maar ook parkgebieden, groene oppervlaktes zijn belangrijk, ook als ze niet een specifieke functie hebben.
D
De inspreker pleit ervoor dat de beleidsuitspraak “in elke wijk een wijkpark” alsnog in de Omgevingsvisie wordt opgenomen. Deze beleidsuitspraak is het voorkeursalternatief vervangen door “in elke wijk een groene verblijfsplek met schaduw creëren”. In de Omgevingsvisie is dat verwoord als “Het ‘Hart van de wijk’ vergroenen. De inspreker vindt dat parken in een wijk onmisbaar zijn en alleen al vanwege klimaatverandering en toenemende hittestress uitbreiding en versterking behoeven. Ondertussen laat de nieuwe Bomenverordening zien dat bestaande bomen minder bescherming krijgen. • Wat de verschillen zijn tussen de huidige Groene Kaart en de slechts 17 lanen en straten die staan in de nota waarnaar wordt verwezen in art. 2.4.1.2 lid 2 sub b. Veel straten en lanen vallen van de beschermings-tafel. Wat is de rechtvaardiging daarvan? Is bijvoorbeeld de mooie karakteristieke groene strook van de Van den Brandelerkade opeens zo gedevalueerd? • Wat hier nog bijkomt is dat in de ‘gewone’ openbaar toegankelijke ruimte zonder vergunning gekapt mag worden als de kap beperkt blijft tot 30% van de “als zodanig te herkennen boomstructuur”. Zie art. 3.6.1.6 lid 1 sub b, waarin staat dat dan kan worden volstaan met een melding. De drempel ligt in de nieuwe bomenverordening bij een stamdiameter van 80 cm.