210078 Bijlage 2 Geanonimiseerde inspraaknota Leiden 2040 1.1-versie
Tekst van het document
De wenselijke situatie voor Leiden is dat het huidige watersysteem behouden moet blijven en op een aantal plekken uitgebreid moet worden. Verder staat voorop dat bij toename van verharding ook voldoende nieuw water gerealiseerd wordt. Vooralsnog zijn er geen signalen vanuit het Hoogheemraadschap van Rijnland dat het hoofdwatersysteem onvoldoende functioneert, nu en in de toekomst. In 2023 gaat Rijnland een nieuwe ‘boezemstudie’ doen op basis van nieuwe klimaatscenario's. Daar kunnen mogelijkerwijs nieuwe aandachtspunten uit naar voren komen. Water is één van de thema’s van de fysieke leefomgeving. In deze omgevingsvisie is ervoor gekozen om bepaalde thema’s te clusteren vanwege het veelvoud aan relevante thema’s voor de fysieke leefomgeving. Zo is het thema ‘water’ ondergebracht in de pijler ‘groen blauw raamwerk’. Dit past ook bij de gewenste integraliteit van de omgevingsvisie, zoals opgenomen in de wetteksten van de Omgevingswet.
Geen wijzigingen
Inspreker stelt een specifieke perspectiefparagraaf over de rol van water voor in Leiden en omgeving. Terug redenerend vanuit het geschetste eindbeeld naar de huidige situatie kunnen maatregelen en situaties worden gekozen die op middellange en korte termijn nodig zijn om tot de gewenste eindtoestand te komen. De volgende suggesties worden gedaan: Om de rol van het water bij klimaatadaptatie en biodiversiteit optimaal te laten zijn wordt er; Een twintigjarenplan (basisrioleringplan) opstellen en uitvoeren Het nieuwe water, de waterbergings- en waterretentieplaatsen e.d. worden gerealiseerd door een periodieke inventarisatie van de mogelijkheden en op basis van rollende vijfjarenplannen Er wordt een biodiversiteitsplan opgesteld dat periodiek wordt geëvalueerd en bijgesteld. Er komt een subsidieregeling die ondoorlaatbare bedekking laat vervangen voor planten en bomen
-
-
-
-
Met het IWKP 2019-2023 ligt er een meerjarenplan voor de vervanging van de riolering. Ook het wijkvervangingsprogramma 2020-2025 voor de integrale wijkaanpak voor vervanging van de riolering en het klimaat adaptief inrichten van de openbare ruimte. Het is een goed idee om de mogelijke plekken voor nieuw water in beeld te verkennen. Biodiversiteitsplan: in 2020 heeft de stadsecoloog een gemeentebreed advies uitgebracht om de biodiversiteit in Leiden te verbeteren. De meerderheid van die adviezen worden uitgevoerd. Het instellen van een subsidieregeling is nu niet voorzien. We willen vooralsnog mensen enthousiasmeren om ondoorlaatbare bedekking te vervangen door planten en bomen door het project: Samen aan de Slag!
Geen wijzigingen
19 C
Om het vervoer van personen en goederen zoveel mogelijk op schone wijze over het water in plaats van wegen te laten plaatsvinden dient er een; Weldoordacht plan te komen in samenwerking met omringende gemeente en de provincie over waar en hoe de vaarwegen komen met goede laad- en lospunten De hoogten van de bruggen wordt geïnventariseerd en er wordt een plan opgesteld voor wanneer ze voor vervanging en/of ophoging in aanmerking komen Er is een verbods- en bevorderingsregime ingevoerd en een planning gemaakt om gebruik van elektrische beroeps- en pleziervaartuigen te stimuleren
D
De beleving van het water en de grachten in de stad voor inwoners en bezoekers is versterkt door; Beleid en fasering uit te zetten voor meer en meer open en zichtbaar water in de stad De waterkwaliteit wordt gemeten en waar mogelijk worden activiteiten georganiseerd
E
De kennis wordt versterkt en er wordt een brede watertoets gebruikt; Hiervoor worden plannen opgezet Er wordt bezien welke instellingen/overheden ervaring hebben met een brede watertoets en wat daarvan te leren is
F
Inspreker vermoed dat de score van waterkwaliteit in het rad van de leefomgeving te positief is; er komen steeds meer pesticiden en medicijnresten in het water
G
De omgevingsvisie moet veel concreter een sturing geven om de autonome ontwikkeling van 2030 in het Rad bij te buigen zodat het totale plaatje voor 2040 positief is.
Het college neemt kennis van deze suggesties. Het college gaat onderzoeken of het opstellen van een vaarwegverordening wenselijk is.
Geen wijzigingen
Begin juli is de ‘Visie Bezoekerseconomie’ vastgesteld door het college van B en W. In het kader van deze visie is een analyse gemaakt van de deelmarkt watersport. In deze visie wordt ingezet op het beleefbaar maken van het water, maar niet ingezet op grootschalig watertoerisme in verband met overlast op piekmomenten. In de visie is opgenomen dat het voor de bereikbaarheid over water en mogelijkheden voor hubs/overslagpunten van belang is dat rekening wordt gehouden met de doorvaarthoogtes. Meer open en zichtbaar water is één van de uitgangspunten in de visie en zal uitwerking moeten krijgen in de projecten die plaats vinden langs het water. Het Hoogheemraadschap van Rijnland en de gemeente Leiden werken samen aan de verbetering van de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en monitort de waterkwaliteit. Activiteiten in het water kunnen alleen georganiseerd worden met toestemming van Rijnland. Door vroegtijdige betrokkenheid van het hoogheemraadschap in het planproces worden waterbelangen van nu en, gezien klimaatverandering, in de toekomst goed geborgd in de planvorming. Tevens worden andere klimaatthema's zoals hitte besproken. De score van de waterkwaliteit in het rad van de leefomgeving is gebaseerd op de ‘waterkwaliteitstoets gemengde riool overstorten Leiden’ van het Hoogheemraadschap.
De gemeente vertrouwt het Hoogheemraadschap op de betrouwbaarheid van gebruikte informatie. Daarnaast is de algemene trend dat de waterkwaliteit in Nederland vooruit gaat. Maar om de doelen van de Kaderrichtlijn Water in 2027 te halen moet nog veel gebeuren. Daarom werkt het hoogheemraadschap met gemeenten en landbouw aan het terugdringen van vervuiling vanuit land- en tuinbouw, riool, etc. Ook wordt het watersysteem natuurlijker ingericht door de aanleg van natuurlijke oevers. Medicijnresten en microverontreinigingen zijn uitdagingen voor de komende jaren om te zorgen dat deze niet in het watersysteem komen. Rijnland bouwt daarvoor een extra zuiveringsstap om de medicijnresten uit water te halen op de Zuivering in Noord. Het rad van de leefomgeving is een hulpmiddel om te kunnen zien wat de omgevingseffecten zijn van de in de omgevingsvisie benoemde ambities en doelstellingen. Waterkwaliteit is één van de aspecten die meegewogen wordt bij het afwegen van het geheel.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
20 H
I
J
K
L
Op pagina 39 wordt gesproken over verdwenen water terugbrengen binnen de singels. Dit kan ook op andere manieren dan het opengraven van gedempte grachten Water in de buitenwijken komt in de Omgevingsvisie nauwelijks aan de orde. In het Innovatiedistrict is er nauwelijks ruimte voor water
Op pagina 51/52 wordt cultuurhistorie uitgewerkt als basis voor de versterking van het vestigingsklimaat, maar vult het weinig in. Interessant is de pre-stedelijke landschapsarchitectuur met Rijn, Mare en Vliet; deze bestaat nog grotendeel, alleen de Lange en Stille Mare zijn gedempt. Hier wordt overigens niets mee gedaan, maar het wekt de suggestie dat deze in ere hersteld moet worden Op pagina 53 is weinig aandacht voor (duurzaam) vervoer te water
Inspreker hoopt dat de centrumroute de laatste grote aantasting van de historische binnenstad is. Bij verminder van de voorziene verkeersdruk kan er een aanpassing van de hoofdwegenstructuur richting water (pagina 56) plaatsvinden, maar of dit invloed heeft op de centrumroute is onduidelijk. Hier geeft de gemeente geen invulling aan
Het college staat open voor suggesties die recht doen aan de cultuurhistorische kwaliteit van het beschermd stadsgezicht. Het college heeft in de omgevingsvisie in o.a. H5.1 onder het kopje uitwerking We benutten het water beter en maken het beter beleefbaar al aandacht voor. Deze teksten gelden voor heel de stad, ook de buitenwijken en het innovatiedistrict. Ontdemping zou een goede bijdrage vormen maar is kostbaar en complex. Daarom kan het college hier nu geen concrete uitspraken over doen, dit vraagt nog meer onderzoek.
Geen wijzigingen
In H5.3 wordt onder het kopje “Vervoer over water onderzoeken” is aandacht voor de mogelijkheden voor vervoer te water. Dit vergt alleen nog meer onderzoek. De uitspraken in de Omgevingsvisie gelden richting het planjaar 2040. Het actuele verkeersbeleid tot 2030 staat in de Mobiliteitsnota die integraal onderdeel is van de Omgevingsvisie. Vanwege de grote dynamiek in de stad en de lange planduur van deze omgevingsvisie, is een dergelijke toezegging nu niet te doen.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
21 M
Het provinciale beleid van erfgoedlijnen zoals de Limes en trekvaarten is niet meegenomen in de Omgevingsvisie. Dit dient meer aandacht te krijgen
Het college is het hiermee eens en zal hier de omgevingsvisie op aanpassen. Het in stand houden, benutten en visualiseren van deze structuren is een van de pijlers van de visie.
Het college neemt dit op op twee plaatsen in de tekst (H5.1 Onder het kopje We benutten het water beter en maken het beter beleefbaar en in H5.2 onder het kopje Monumenten, cultuurhistorische bebouwing, historische waterwegen etc), met samen de volgende strekking: De historische trekvaarten van Leiden – zoals de Vliet (voormalig kanaal van Corbulo) en de Haarlemmertrekvaart – vormen een belangrijke schakel tussen stad en regio en maken deel uit van de provinciale erfgoedlijn Trekvaarten. We zetten ons in om de ruimtelijke kwaliteit en het gebruik van de trekvaarten te optimaliseren. In de tijd van de Romeinen vormde de Rijn de Romeinse rijksgrens; de Limes. Met park Matilo maakt Leiden deel uit van het internationale Unesco werelderfgoed Romeinse Limes. Een goede borging van de cultuurhistorische waarden van de Limes in Leiden (op basis van de onderzoeks-agenda archeologie en bouwhistorie) en van de beleving en verbinding van de Limes, in het bijzonder van park Matilo als Unescolocatie en stepping stone stad en ommeland, is daarbij van belang, ook als onderdeel van de provinciale erfgoedlijn Romeinse Limes In de Visiekaart is indicatief de term Limes opgenomen
22 N
Het zou interessant zijn om te zien dat in de Omgevingsvisie ook iets wordt gedaan aan de oorspronkelijke waterinfrastructuur.
O
De omgevingsvisie benadrukt het belang van het vervoer over water en zet de voor- en nadelen op een rijtje (pagina 57) maar geeft hier geen concrete sturing aan richting 2040
P
Kern van de inspraakreactie is dat Leiden ervoor zou moeten kiezen om écht Hollands waterstad te zijn door telkens en overal te kijken naar hoe water in de stad concreet een bijdrage levert aan een meer leefbare en meer duurzame stad
26
Het is zeker interessant als de oorspronkelijke waterstructuur weer teruggebracht zou kunnen worden. Maar de oude waterlopen zijn nu wegen geworden. Ook is het zeer kostbaar om dit te realiseren. Ook is het nog niet voor het watersysteem noodzakelijk gebleken. Wel is de kwaliteitswinst aangegeven in de omgevingsvisie opgenomen (pagina 39 van de inspraakversie) onder het kopje ‘Ruimte maken voor extra oppervlaktewater in de openbare ruimte’ De gedachten die verwoord zijn in de Omgevingsvisie gelden voor het planjaar 2040. In de Omgevingsvisie worden de mogelijkheden van het vervoer over water benoemt. Het is nog onduidelijk waar/wanneer/hoeveel/welke, enz. er in Leiden wordt gerealiseerd. In het kader van Zero Emissie Stadslogistiek zet de gemeente hier al de eerste stappen in. Dit wordt de komende jaren verder onderzocht en uitgewerkt in specifieke programma’s, inclusief de mogelijkheden van (elektrisch) vervoer over water.
Geen wijzigingen
Uw reactie is een duidelijk standpunt. Het college neemt hier kennis van. Het college heeft in de omgevingsvisie in o.a. H5.1 onder het kopje uitwerking We benutten het water beter en maken het beter beleefbaar al aandacht voor. In Leiden spelen meer belangen dan alleen het zijn van een échte waterstad. Het college maakt tussen alle belangen steeds een integrale afweging. De omgevingsvisie laat zien dat het college belang hecht aan het beter benutten van het water en dat water een multifunctionele bijdrage kan leveren aan andere opgaven. Echter moet hier wel een balans in gehouden worden.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
23 A
Inspreker is bezorgd om de luchtkwaliteit. In het OER is aangegeven dat de luchtkwaliteit verder verslechterd als gevolg van de voorgenomen visie. In een analyse van de WHO van 2018 was Leiden zelfs de plek met de slechtste luchtkwaliteit van heel Nederland. De uitwerking van deze plannen zal leiden tot verdere verslechtering en een nog kortere levensverwachting voor de inwoners van onze wijk
Het college begrijpt deze zorg en vindt de luchtkwaliteit een belangrijk onderwerp. De gemeente Leiden voldoet in de gehele gemeente aan de wettelijke normen rondom luchtkwaliteit. In het Schone Lucht Akkoord dat de gemeente heeft ondertekend, is als ambitie opgenomen om te voldoen aan de WHO-normen. Deze WHO-normen zijn vele malen strenger dan de wettelijke normen voor Nederland. De WHO-norm is ook als referentiekader voor het aspect in de foto van de leefomgeving opgenomen. De gemeente Leiden legt de lat dus al hoger dan dat het Rijk ons verplicht.
Geen wijzigingen
Het OER laat inderdaad zien dat er risico’s zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Dit heeft met name te maken door de ambitie om bedrijventerreinen te transformeren naar woon-werkgebieden.
B
C
27 A
Inspreker maakt zich ernstige zorgen over de betaalbaarheid van woningen in onze wijk. Het aantal sociale huurwoningen in de binnenstad zit ver onder de landelijk gestelde grens van 30 procent. In de visie stelt de gemeente voor dat 30 procent van de nieuwe woningen uit sociale huurwoningen zal bestaan waardoor het minimaal benodigde percentage van 30 procent nooit behaald zal worden. Inspreker concludeert dat hierop onvoldoende ambities worden gesteld en is van mening dat de gemeente Leiden niet voldoet aan landelijke richtlijnen. Voorgesteld wordt om een grondige analyse te doen van het aantal sociale huurwoningen en de visie bij te stellen om de benodigde 30 procent minimaal te halen in de periode tot 2040, en bij voorkeur hier nog overheen te gaan. In de visie wordt ingezet op het warmtenet door de hele stad. Echter dient Nederland in 2050 volledig over te zijn gestapt naar hernieuwbare energiebronnen. Inspreker is van mening dat dit voorstel een goede tijdelijke oplossing was geweest, maar nu te laat is. De oplossing zit volgens de insprekers niet in het warmtenet voor historische panden, maar in decentrale en individuele oplossingen die passen bij het unieke karakter van elke woning. De visie dient te worden aangepast om individuele aanpassingen te stimuleren.
Inspreker stelt dat de omgevingsvisie inconsistent is en dat er duidelijke kaders ontbreken voor toekomstige hoogbouw. Een voorbeeld hiervan is dat de indruk wordt gewekt van een visie op de stad met locaties voor drie verschillende leefmilieus maar uit paragraaf 5.2 duidelijk wordt dat de geplande hoogbouwmilieus zich niet aan die indeling houden. Zo valt LEAD buiten het leefmilieu hoogstedelijk en dynamisch.
Het OER constateert de risico’s en kansen op bepaalde effecten. Dat betekent niet dat deze met zekerheid gaan plaatsvinden. In het OER wordt ook benoemd dat de mogelijke verslechtering vooral te maken heeft met de ambitie om bedrijventerreinen te transformeren naar woon-werkgebieden. Bij concrete projectontwikkeling wordt gekeken hoe mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit gemitigeerd kunnen worden In het beleidsakkoord 2018-2022 en in de woonvisie 2020-2030 Goed wonen in Leiden is het percentage sociaal bij nieuwbouw inderdaad vastgesteld op 30%. Er zijn geen streefpercentages gedefinieerd voor de totale sociale voorraad. Het aandeel sociaal in de totale voorraad ligt op 34% (peildatum 2019). Dit is 5% hoger dan het landelijk percentage dat op 29% ligt. Via de nieuwbouwmonitor houden wij bij of het percentage sociaal bij nieuwbouw gerealiseerd wordt. Indien nodig sturen wij bij.
Geen wijzigingen
Op dit moment is het geen vastgestelde visie dat de gehele stad Leiden op een warmtenet wordt aangesloten. Wél de wijken die zijn aangewezen in bijvoorbeeld het Handelingsperspectief Energietransitie (RV 20.0032). In de dit jaar vast te stellen Transitievisie Warmte worden ook individuele oplossingen meegenomen, naast collectieve oplossingen.
Geen wijzigingen
De term ‘Hoogstedelijk en dynamisch’ betekent niet dat dat de gebieden zijn waar hoger gebouwd mag worden. Het leefmilieu ‘Dynamisch’ gaat meer over de programma’s die hier te vinden zijn, zoals musea, kernwinkelgebied, universiteit, enz. samen met onder andere een goede ovbereikbaarheid.
Geen wijzigingen
24 B
C
D
De plek voor LEAD voldoet volgens de inspreker niet aan de door de gemeente omschreven eigenschappen. Het ligt namelijk op grote afstand van het station en de snelweg en het heeft onvoldoende inpandige parkeerplaatsen. Het ontbreken van kaders blijkt ook uit het feit dat de gemeente niet alleen de maximale hoogte van 70 meter loslaat, maar helemaal geen beperkingen meer aan toekomstige hoogbouw stelt. Het is glashelder uit meerdere participatieprocessen dat de inwoners van Leiden tegen hoogbouw boven 70 meter zijn.
Inspreker maakt bezwaar tegen het opheffen van parkeerplaatsen in de stad om zo de hoeveelheid aan groen in de stad te compenseren. De zorgen over te weinig groen, hittestress en wateroverlast worden gedeeld maar daar ziet de inspreker graag oplossingen voor in de vorm van aangewezen en beschermde stukken groen die toegankelijk zijn voor alle inwoners. Daarnaast kan de gemeente een groot aantal bomen planten in de minst groene wijken
Lead ligt binnen 15 minuten lopen van Leiden Centraal en direct aan een Hoogwaardig Openbaar Vervoer halte (Rnet). Daarbij zijn er tal van voorzieningen op loopafstand te vinden. Het klopt niet dat de gemeente geen beperkingen aan toekomstige hoogbouw stelt. In de Omgevingsvisie blijft het hoogbouwbeleid uit 2007 grotendeels overeind. Op vier specifiek benoemde plekken in de stad mag hoger dan 70 meter gebouwd worden. Lead is er daar één van. Daarnaast wordt een Kwaliteitstoets voor Hoogbouw opgesteld, die extra kaders geeft waaraan hoogbouwprojecten moeten voldoen. Het probleem van te weinig groen, hittestress en wateroverlast lost zich niet op door beschermde stukken groen die toegankelijk zijn voor alle inwoners en het plaatsen van meer bomen. Daar is meer voor nodig. Zo dient de openbare ruimte ook vergroend te worden. Het transformeren van parkeerplaatsen in de openbare ruimte naar groen is een efficiënte manier om de openbare ruimte meer te vergroenen om zo om te gaan met de effecten van klimaatverandering. Deze beleidsambitie is overigens ook al vastgelegd in de recent vastgestelde Parkeervisie.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
25 E
Leiden doet te weinig moeite om de cijfers rondom het aantal vierkante meters groen per woning in de bebouwde kom te verbeteren.
In de omgevingsvisie is vastgelegd dat er een tweede groene ring wordt gerealiseerd, waar significant meer groen gerealiseerd wordt. Daarnaast heeft de gemeente ook het uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie en biodivers vergroenen vastgesteld. Hierin zijn concrete maatregelen genoemd om de stad te vergroenen. Met de aanleg van de Singelparkprojecten als het Lakenpark is er extra groen toegevoegd in de stad, maar ook wordt de kwaliteit van de bestaande parken en de Groene hoofdstructuur versterkt. Ook in de verschillende projecten die we uitvoeren in de stad voegen we extra groen toe, een voorbeeld daarvan zijn de wijkvervangingsprojecten. In de Gasthuiswijk wordt 1.845 m2 extra groen toegevoegd en worden 142 extra bomen aangeplant. In de Professorenwijk-Oost 2.482 m2 extra groen en 8 bomen. Naast deze grote projecten zijn we ook de versteende locaties uit de Groene kansenkaart in verschillende buurten aan het vergroenen. In 2020 is daarmee 3.000 m2 stad vergroend.
Geen wijzigingen
Het vergroenen van de stad kan niet alleen door de gemeente gedaan worden. Vanuit de gemeente wordt het vergroenen van wijken en buurten gestimuleerd. Via Samen aan de Slag worden geveltuintjes en boomspiegels aangelegd. Eind 2020 waren er ruim 2500 convenanten met bewoners en in dat jaar is circa 1600 m2 vergroend. Ook de subsidie groene daken draagt bij aan het vergroenen van de stad, in 2020 is er voor bijna 6.000m2 groen dak aangevraagd en een totaal van ruim 12.000 m2, sinds de start van de subsidie in 2017. F
Inspreker stelt dat de gestelde woningbehoefte van ongeveer 12.000 nieuwe woningen tot 2040 ongefundeerd is.
De woningbouwaantallen tot 2030 zijn vastgelegd. De woningaantallen voor de periode daarna moeten nog preciezer worden bepaald. Daarom is hiervoor een bandbreedte opgenomen in de Omgevingsvisie. De woningbehoefte wordt gebaseerd op de behoefte raming van de provincie: Prognose gewenste woningvoorraadtoename- Staat van Zuid-Holland. Deze prognose is gebaseerd op de te verwachten demografische ontwikkelingen (zoals migratie, vergrijzing, huishoudsamenstelling, etc.). Deze prognose wordt regelmatig geactualiseerd.
Geen wijzigingen
G
Daarnaast is de gemeente alleen gefocust op het aantal woningen en niet het soort woningen waar behoefte aan is.
In de woonvisies van de gemeente gaat het een stap verder en is de woonbehoefte vertaald naar doelgroepen en bijbehorende woningtypes. Zo zijn in de Uitvoeringsagenda Wonen behorend bij de laatste “Woonvisie 2020-2030 Goed wonen in Leiden” percentages aangegeven voor grondgebonden en gestapelde woningen (appartementen) met bijbehorende prijsklassen. Ook is vastgelegd hoeveel woningen in de koopsector en hoeveel woningen in de huursector gerealiseerd zouden moeten worden. Tot slot is een concrete opgave voor studentenwooneenheden benoemd.
Geen wijzigingen
26 H
Inspreker vraagt zich af op de woontorens tegemoetkomen aan de huidige urgentie van betaalbare woningen. Insprekers stelt dat de statige gebouwen van zes tot acht verdiepingen langs de boulevards de meest efficiënte manier zijn om te verdichten
Hoogbouw zal ook moeten voorzien in de vraag naar betaalbare woningen. Verder staat de gemeente Leiden een genuanceerd hoogbouwbeleid voor, waarin ook ruimte is voor middelhoogbouw (6-8 lagen). De stelling dat dit de meest efficiënte vorm van bebouwing is, is niet zonder meer te onderbouwen.
Geen wijzigingen
I
Inspreker stelt dat de gemeente veel vraagt van haar bewoners om mee te denken in participatieprocessen maar vervolgens niks met de uitkomsten doet en stelt dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur
Het college realiseert zich goed dat er vaak aan bewoners wordt gevraagd om mee te denken en te reageren. Het college koestert dan ook deze grote betrokkenheid van de stad. De belangen van huidige bewoners maken altijd onderdeel uit van de afwegingen waarbinnen een ontwikkeling of beleid tot stand komt. Een bestuurlijke en politieke weging van directe en indirecte belangen, van krachtige en van stillere stemmen, blijft altijd noodzakelijk om zorg te dragen voor een gelijk speelveld om het algemeen belang goed te kunnen wegen. De participatieverordening stelt duidelijke regels over de verantwoordelijkheid die college en raad daarbij hebben in een representatieve democratie. Het college herkent zich niet in de uitspraak dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur.
Geen wijzigingen
Inspreker mist de prioritering en de daaruit volgend beleidskoers. Er wordt van alles beschreven, maar geen keuzes gemaakt.
De omgevingsvisie fungeert als groter afwegingskader. De visie geeft de richting aan, afhankelijk van de opgave, worden gebiedsgericht keuzes gemaakt. In hoofdstuk vijf van de omgevingsvisie worden per thema een aantal hoofdkeuzes benoemd en omschreven. Daarnaast wordt in de kaarten aangegeven waar een deel van de keuzes landt. Waar ambities met elkaar concurreren wil het college namelijk zo veel mogelijk gebiedsgericht naar oplossingen zoeken (maatwerk) samen met de stad. Het college erkent dat de trend ‘bevolkingsgroei’ onder het kopje ‘trends en ontwikkelingen’ opgenomen had kunnen worden, en doet dat daarom n.a.v. deze inspraakreactie alsnog.
Geen wijzigingen
28 A
B
Bevolkingsgroei is een trend die niet is meegenomen in hoofdstuk drie. Het CBS stelt dat in 2050 Nederland bijna 20 miljoen inwoners zal hebben. Verdichten helpt niet meer. Nergens lezen wij dat in de nabije toekomst Leiden vol is.
Het college is het niet eens met de stelling van de inspreker dat verdichten niet meer helpt. Een deel van het probleem rondom de alsmaar stijgende huizenprijzen heeft te maken met een tekort aan geschikte huisvesting. Ook specifiek in stedelijke gebieden, zoals Leiden. Het college ziet nog voldoende plekken in de stad om de woningbouwopgave te realiseren, samen met het realiseren van andere opgaven zoals vergroening en klimaatadaptatie. Leiden heeft er daarom voor gekozen om bij te dragen aan de grote woningbouwopgave die vanuit het Rijk is geformuleerd.
Bevolkingsgroei is als trend ingevoegd in hoofdstuk 3
27 C
Inspreker stelt dat Leiden onbetaalbaar wordt. In de visie wordt gesteld dat er 30 procent sociale woningbouw komt, maar de helft van de Leidenaren heeft een midden of lager inkomen. Zonder gericht beleid betekent dit dat je alleen in Leiden kunt wonen als je genoeg geld hebt.
D
Er ontbreekt een visie die recht doet aan de thema’s gezondheid en welzijn voor de mensen die er wonen en die er passeren. In uw groen en blauwe raamwerk zien we nergens nieuw groen en blauw in ons gebied. Inspreker stelt dat als je in het leefmilieu hoogstedelijk en dynamisch woont je erg ongezond leeft.
E
De in de omgevingsvisie beschreven ontwikkelingen zijn volgens de inspreker van dusdanig kaliber dat die niet op gemeentelijk niveau hanteerbaar en oplosbaar zijn. Inspreker denkt dat het noodzakelijk is om de Randstad juridisch onder 1 leiding te brengen om aan alle doelen te voldoen. Een herstart voor het ministerie van VROM.
29 A
B
De Lammenschansweg, een vriendelijke spaak in het systeem (in 2040 groen en vriendelijke voor voetgangers en fietsers) is, en wordt, steeds meer een racebaan voor auto’s naar de binnenstad.
Inspreker is ongerust over het ontbreken van ruimte om buurtgroen en buurttuinen te ontwikkelen. In de visie wordt het belang daarvan voor de bevolking op vele plaatsen genoemd en bepleit, in de praktijk blijkt er weinig mogelijk. Er is geen grond voor groen
De betaalbaarheid van het wonen is inderdaad een probleem, niet alleen in Leiden maar in heel Nederland. Op dit moment behoort 34% van de woningvoorraad in Leiden tot de sociale sector. Bij nieuwbouw wordt 30% van alle woningen sociaal. Voldoende sociale woningbouw draagt bij aan een betaalbare stad, maar voldoende woningen (waardoor vraag en aanbod op elkaar afgestemd is) dragen ook bij aan het zijn/worden van een betaalbare stad. In de Uitvoeringsagenda van de Woonvisie 2020-2025 Goed Wonen in Leiden wordt verdere invulling hieraan gegeven Het college hecht veel belang aan het verbeteren van de gezondheid en het welzijn van de mensen in de stad. In de Omgevingsvisie is ook aandacht voor. Het intensiveren van het groen en versterken van de groenblauwstructuur gelden voor heel de stad, juist ook op plekken zoals in het leefmilieu ‘Dynamisch’ gebied. Het klopt dat er enkele (gemeente)grensoverschrijdende opgaven op de gemeente Leiden afkomen. Regionale samenwerking is van cruciaal belang om deze opgaven op te lossen. Daarom is het belang van de regionale samenwerking ook expliciet benoemd in hoofdstuk twee van deze omgevingsvisie. Over dat de Randstad juridisch onder leiding komt door een Ministerie is niet aan de gemeente.
Geen wijzigingen
Het college heeft kennisgenomen van deze opmerking. Het actuele verkeersbeleid tot 2030 staat in de Mobiliteitsnota die integraal onderdeel is van de Omgevingsvisie. In die Mobiliteitsnota zijn de aandachtspunten in het wegennet benoemd. Binnen programma’s wordt de komende jaren aan die uitgangspunten gewerkt. De omgevingsvisie is echter niet het document waar hier iets voor kan worden gedaan. Hiervoor kan een melding gemaakt worden bij de gemeente, zodat het bij het beleidsverantwoordelijk team terecht komt of dient op te worden gehandhaafd. De ruimte in de stad is inderdaad beperkt. Toch denkt het college dat er nog ruimte is voor buurtgroen en stadstuinier initiatieven. Dat kan al op kleine schaal. In de onlangs vastgestelde Visie Stadstuinieren zet de gemeente uiteen wat er allemaal mogelijk is. Dit blijkt ook uit de toename van het aantal convenanten in het kader van Samen aan de Slag, inmiddels al ruim 2500. Maar ook met het vergroenen van de versteende locaties uit de Groene Kansenkaart is er in verschillende wijken in 2020 circa 3.000m2 vergroend.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
28 C
Inspreker pleit voor het aanwijzen van de Fruitbuurt als beschermd stadsgezicht
D
Daarnaast dient een samenwerking op gang gezet te worden tussen woningcorporaties om gezamenlijk op te trekken naar verduurzaming, energiebesparing en het tegengaan van de toekomstige wateroverlast en bodemdaling door de verstening van tuinen de bestrijden.
E
30
Inspreker pleit voor een drijvende tuin op het water van het stuk Veilingkade waar een buurttuin kan worden gerealiseerd. Dit draagt namelijk bij aan een duurzame toekomst die bewoners een veilig gevoel zal geven.
De Fruitbuurt is inderdaad een gave en waardevolle historische wijk. In het Omgevingsplan zal onderzocht worden welke beschermende maatregelen opgenomen kunnen worden. In hoeverre de status van gemeentelijk beschermd stadsgezicht hiervoor noodzakelijk en/of gewenst is, kan het college nu nog bepalen, daarom is dit niet opgenomen in de omgevingsvisie. Deze samenwerking vindt al plaats. In de Prestatieafspraken 2020-2025 met corporaties en huurders is hierover het volgende opgenomen: “Partijen streven naar een woningvoorraad die in 2050 CO2 neutraal, energieneutraal, klimaatadaptief en circulair is - conform landelijke en daarmee ook gemeentelijke doelstellingen. Daarbij stijgen de woonlasten niet (huur + servicekosten + stookkosten/energielasten) en is de voorraad van voldoende kwaliteit. Corporaties participeren actief in het traject warmtetransitie (zij stellen data beschikbaar, wisselen kennis uit en nemen deel aan pilots). Partijen trekken samen op, leren van de wijkaanpak ‘van gas los’ en stemmen waar mogelijk planningen op elkaar af. Dat vraagt flexibiliteit en openheid van alle partijen. Het liefst zouden partijen ook al afspraken maken over concrete CO2-reductie. Zodra een goede meetmethode beschikbaar is, zullen zij deze concrete afspraken vormgeven. Het realiseren van een drijvende tuin is een origineel idee, maar niet iets wat in de omgevingsvisie wordt geregeld.
Op dit moment maakt het geen onderdeel uit van de plannen van de gemeente voor het gebied en zijn er derhalve geen middelen voor gereserveerd.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
29 A
In de Omgevingsvisie ontbreekt het aan een transparant en ondubbelzinnig afwegingskader. Hoe wordt in de praktijk van de planning en uitvoering van stadsontwikkelingsprojecten in wijken en buurten de afweging gemaakt tussen de verschillende ambities van de Omgevingsvisie? Hoe transparant is die afweging en hoe wordt de uitkomst democratisch gelegitimeerd?
B
Ook ontbreekt het in de Omgevingsvisie voor alle ambities aan meetbare normen en streefwaarden op het niveau van de stad én op het niveau van wijken en buurten. Deze zienswijze beperkt zich dan ook niet alleen tot de overkoepelende Omgevingsvisie, maar ziet ook op de onderliggende structuur- en gebiedsvisies voor resp. het Morsdistrict (Ontwikkelperspectief De Mors, 2020) en het Vondelkwartier (Gebiedsvisie Vondelkwartier, 2020). Deze visies laten zien hoe de Omgevingsvisie in de praktijk wordt vertaald op de schaal van resp. de wijk en de buurt.
C
Wij vragen het gemeentebestuur de Omgevingsvisie te completeren met een transparant en ondubbelzinnig afwegingskader, meetbare normen en streefwaarden voor alle ambities en een degelijk monitoringsysteem. Zonder deze elementen is de Omgevingsvisie een recept voor willekeur en sturen in den blinde. In de omgevingsvisie lijkt de gemeente daarmee achteraf de kaders te willen verantwoorden die zij op meso- en microschaal reeds in ontwikkelperspectieven/structuurvisies en gebiedsvisies voor resp. wijken en buurten heeft vastgelegd.
D
De omgevingsvisie fungeert als groter afwegingskader. De visie geeft de richting aan, afhankelijk van de opgave, worden gebiedsgericht keuzes gemaakt. Waar ambities met elkaar concurreren wil het college namelijk zo veel mogelijk gebiedsgericht naar oplossingen zoeken (maatwerk) samen met de stad. Ook zal middels monitoring worden gekeken of er tussentijds moet worden bijgestuurd of ingegrepen als doelstellingen en ambities niet gehaald worden. Het gemeentebestuur zal in andere instrumenten van de Omgevingswet uitwerken waar concretere doelstellingen kunnen worden vastgelegd en kunnen worden aangescherpt. Een bestuurlijke en politieke weging van directe en indirecte belangen, van krachtige en van stillere stemmen, blijft altijd noodzakelijk om zorg te dragen voor een gelijk speelveld om het algemeen belang goed te kunnen wegen. De participatieverordening stelt duidelijke regels over de verantwoordelijkheid die college en raad daarbij hebben in een representatieve democratie. Vooralsnog legt het college geen normen/ vuistregels in de omgevingsvisie vast. Dit past namelijk niet bij het detailniveau van de visie zoals deze nu is opgezet. Mochten er op termijn normen en voorwaarden vastgelegd worden dan moet hier eerst uitvoerig onderzoek naar gedaan worden. Daarnaast is het programma (zoals bedoeld in de Omgevingswet) meer geschikt om te voorzien van normen en voorwaarden.
Wanneer en hoe een programma opgesteld gaat worden moet nog verder uitgewerkt worden. Dit volgt na de omgevingsvisie.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Zie beantwoording onder 30A en 30B
Geen wijzigingen
Terwijl het gemeentebestuur nieuw kaderstellend beleid ontwikkeld (zoals de omgevingsvisie, ontwikkelperspectieven etc.) is de stad volop in ontwikkeling. Met verschillende projecten en vastgestelde kaders werken het gemeentebestuur samen met vele partners binnen en buiten de stad aan deze ontwikkelingen en bereiden we de stad voor op de toekomst. De kunst is om beleid en projecten in samenhang op te pakken; in het besef dat niet alle projecten en beleid op elkaar kunnen wachten. Het is een groeiproces.
Geen wijzigingen
30 E
F
G
Wat kan de gemeente doen om het draagvlak voor de Omgevingsvisie en de vele ingrijpende ontwikkelplannen voor wijken en buurten in de stad te verbeteren? Om te voorkomen dat bewoners geen andere mogelijkheden zien dan de hakken in het zand te zetten en, als ze genomen besluiten niet meer ongedaan kunnen maken, er alles aan doen om de uitvoering te vertragen? Om te beginnen moet Leiden de burgers die zich bij de ontwikkeling van hun buurt betrokken voelen koesteren én de kennis en kunde van haar burgers benutten. Dat kan door in de vroegste ontwerpfase van de omgevingsvisie en omgevingsplannen (c.q. ontwikkelperspectieven en gebiedsvisies) burgers te betrekken op de hoogste trede van de participatieladder: geef bewoners de ruimte om de toekomst van hun wijk mee vorm te geven, in co-creatie met de gemeente, eventuele private initiatiefnemers, ondernemers en aanbieders van belangrijke voorzieningen in hun buurt. Dat vergt van alle partijen vertrouwen én de bereidheid om het inhoudelijke debat te voeren over de toekomst van de wijk. Niet alle partijen zullen hun zin krijgen, het is een traject van geven en nemen, maar ook een proces dat heel veel creativiteit uitlokt. Dat stelt hoge eisen aan de kwaliteit van de participatie, niet alleen in termen van onafhankelijke procesbegeleiding, maar ook in termen van inhoudelijke deskundigheid bij de gemeente.
Het is niet voor niets dat diverse wijkverenigingen al het initiatief hebben genomen om webinars te organiseren over tal van onderwerpen die in de Omgevingsvisie aan de orde komen en waarmee grote belangen gemoeid zijn voor de bewoners en voor de toekomst van de stad. Daarnaast verwachten we van de gemeente dat zij er alles aan doet om te borgen dat het kennisniveau van het gemeentelijk apparaat state-ofthe-art is.
Het college onderschrijft het belang van het benutten van kennis en kunde uit de stad. Bewoners en ondernemers in de wijken zijn ervaringsdeskundigen, die goed kunnen aangeven wat er speelt in de wijken. Ook is het college het eens dat voor het inhoudelijk debat en in gesprekken wederzijds vertrouwen nodig is.
Geen wijzigingen
Het college is het eens met de inspreker dat de kwaliteit van participatie hoge eisen vraagt. Het gemeentebestuur en gemeentelijk apparaat leren bij elk participatietraject wat beter kan en voeren hierover ook gesprekken met de stad, zoals bijvoorbeeld met de wijkverenigingen. Ook leert het college van het participatieonderzoek wat nu gaande is. Verder wordt binnen het gemeentelijk apparaat het opleidingsprogramma omtrent participatie uitgebreid om het kennisniveau op peil te houden.
Geen wijzigingen
Participatie is geen bedreiging, maar een kans. Juist omdat Leiden zich zo graag als Kennisstad afficheert, past het onze stad om de kennis en kunde van haar bewoners voor de stad te mobiliseren. Terwijl heel veel gemeenteambtenaren niet eens in Leiden wonen, laat de gemeente de inhoudelijke kennis en ervaringsdeskundigheid van haar eigen betrokken bewoners links liggen. Zo maakt de gemeente zelf een holle frase van de slogan “Samen maken wij de stad”. Daarmee ontneemt Leiden zich een geweldige kans om zich als progressieve kennisstad te profileren: een stad waar kennis méér is dan een succesvolle economische sector, maar waar kennis door de aderen stroomt tot in de haarvaten van het openbaar bestuur
Het college onderschrijft het belang van het benutten van kennis en kunde uit de stad. Leiden floreert bij samenwerking met de stad. Door de jaren heen heeft de stad veel profijt gehad van de bereidheid om in overleg en dialoog de ontwikkeling van Leiden vorm te geven. Ook in de toekomst wil het college dit doorzetten. Het college staat voor Samen de stad maken, maar vindt de opmerking dat gemeenteambtenaren niet in Leiden wonen hier niet relevant en te kort door de bocht.
Geen wijzigingen
Het college bepaalt per opgave en project welke trede op de participatieladder gehanteerd wordt, dit doet het college met in achtneming van de eerder vastgestelde besluiten en kaders. Verwachtingsmanagement en goede communicatie hierover zijn cruciaal.
31 H
I
Tenslotte moet ons van het hart dat de gemeente grote steken heeft laten vallen in haar participatieplicht door geen enkele coulance te betrachten naar aanleiding van de Covid 19-crisis. Dat geldt niet alleen voor de Omgevingsvisie. Vooral in de eerste maanden van de coronacrisis was het voor bewoners nauwelijks mogelijk kennis te nemen van en inbreng te leveren op de ontwikkelperspectieven en gebiedsvisies voor hun wijken en buurten. Niet digitaal vaardige buurtbewoners hebben geen reële kans gehad om kennis te nemen van het Ontwikkelperspectief de Mors en de Gebiedsvisie Vondelkwartier, laat staan dat ze daarop hebben kunnen reageren. De gemeente heeft hen gewetenloos buitenspel gezet.
Het college herkent zich niet in de uitspraak dat het college grote steken heeft laten vallen in haar participatieplicht. Het college heeft ook tijdens de Covid 19-cirsis zoveel mogelijk op verschillende manieren de stad getracht te betrekken en te bereiken. Juist bij de ontwikkelperspectieven is geïnvesteerd in verschillende manieren van gesprekvoering, daar zijn bijvoorbeeld ook gesprekken op straat gevoerd.
Hoe rechtvaardigt de gemeente de afwegingen die zij in regionale verbanden maakt en de verplichtingen die zij in regionale verbanden aangaat naar haar burgers? Hoe waarborgt zij dat die afwegingen transparant zijn voor de burgers en de uitkomsten daarvan democratisch gelegitimeerd zijn? Hoe werken de kernwaarden van de gemeente en de ambities van de Omgevingsvisie door in die besluitvorming?
De afwegingen en afspraken die de gemeente Leiden maakt in regionaal verband worden behandeld en vastgesteld in de verschillende gemeenteraden en in Holland Rijnland verband, waarin wethouders en gemeenteraadsleden vertegenwoordigd zijn. Ook wordt bij regionale trajecten een passend participatietraject georganiseerd. Een recent voorbeeld zijn de Regionale Energie Strategieën. Bestaande vastgestelde kaders en gemaakte afspraken zijn belangrijke vertrekpunten bij het maken van nieuwe afwegingen, dit geldt dus ook voor de vastgestelde ambities en kernwaarden uit de Omgevingsvisie. De gemeente dient te beschermen dat de besluitvorming van college en raad goed te volgen blijft. Het college ziet de betrokkenheid van de stad en transparantie in het proces van regionale trajecten als aandachtspunt
Geen wijzigingen
Het college moedigt participatie aan van iedere Leidenaar. Het digitale platform doemee.leiden heeft juist een vlucht genomen in deze tijd. Op 12 april heeft wethouder North de gemeenteraad per brief geïnformeerd over de successen van dit instrument en de verlenging van de inzet hiervan. Dankzij dergelijke vernieuwingen lukt het de gemeente beter dan voorheen om ook moeilijker te bereiken groepen deel te laten nemen aan participatie. Geen wijzigingen
32 J
K
De Omgevingsvisie (p. 7) stelt: “Leiden is een compacte stad met veel verstedelijkt gebied en een beperkt buitengebied binnen de stadsgrenzen. Dat schept specifieke kansen en opgaven die we oppakken in deze visie. Als we breder kijken, maakt Leiden onderdeel uit van de verstedelijkte Leidse regio van Zoeterwoude tot Zee. […] Net als in het rijksbeleid, is hier het uitgangspunt binnenstedelijke verdichting. Zo kunnen we het karakter en diversiteit van de kernen behouden en de karakteristieke en waardevolle landschappen die zo belangrijk zijn voor ons leef- en vestigingsklimaat, behouden en versterken. […] Het toe te voegen programma (wonen, werken, voorzieningen) wordt zoveel mogelijk binnenstedelijk ingepast om de landschappelijke waarden aan de randen van de stad en in het buitengebied te behouden.” Dit zijn allemaal prachtige ambities, maar nadere beschouwing leert ons dat het behoud van karakteristieke en waardevolle landschappen zeker niet geldt voor de westzijde van Leiden. Van Katwijk tot aan Leiden zien we, overal langs de verbindingsas N206-Plesmanlaan, bouwactiviteiten. Vanaf de binnenstad van Leiden tot aan de kust is er een enorme verdichting gaande van de gebouwde omgeving. Onder andere de voormalige vliegbasis Valkenburg, plangebied voor 5600 woningen en 20 hectare bedrijventerrein, maakt deel uit van deze ontwikkeling.
Er is in 2040 vrijwel geen vrij buitengebied meer aan de westkant van Leiden. Het argument dat binnenstedelijke verdichting (onder meer in het Morsdistrict) noodzakelijk is om karakteristieke landschappen buiten de stad te behouden, is daarom niet houdbaar. Aan de westzijde van Leiden is tot aan de kust geen beschermwaardig landschap meer te vinden. Als nabij recreatiegebied is er alleen de zandwinningsput Valkenburgerplas, waar nauwelijks een boom te vinden is. Het duingebied en de kust zijn weliswaar een belangrijk natuur- en recreatiegebied, maar dat gebied is niet voor alle stadsbewoners gemakkelijk bereikbaar, is grotendeels waterbeschermingsgebied en wat er overblijft moet op mooie dagen gedeeld worden met een veelvoud van de regiobewoners. In de gehele zuidelijke Randstad, wordt de bouw van circa 240.000 woningen voorzien vóór 2040, zoveel mogelijk binnenstedelijk, min of meer langs het traject van de Oude Lijn tussen Leiden en Dordrecht. Daarbij worden zoveel mogelijk woningen binnenstedelijk geprojecteerd, in de nabijheid van spoorwegstations en andere OVknooppunten. Juist in dit gebied is de congestie al enorm, zowel op de Oude Lijn zelf, het drukst bereden spoortracé van Nederland, als op de rijks- en provinciewegen.
Het hoeft geen betoog dat in Leiden zelf de Leidse Ring Noord ook een problematische verbinding is, waarin nog lang niet alle knelpunten zijn opgelost, zoals bijvoorbeeld de tunnel van de Plesmanlaan onder het spoor. De Leidse Ring Noord veroorzaakt nu al veel geluidhinder en gezondheidsschade voor de bewoners in de directe omgeving, en die schade neemt alleen maar toe met de toename van de verkeersintensiteit die te verwachten is als gevolg van de enorme verstedelijking langs de N206 naar Katwijk. Dan kan de Omgevingsvisie toch niet volstaan met een gloedvol betoog over het bevorderen van OV (corona ligt nog niet achter ons), deelmobiliteit (nog een onbewezen concept) en wandelen en fietsen?
Het college is zich ervan bewust dat de verstedelijkingsopgave in de Oude Rijnzone fors is. De ingezette ontwikkelingen gaan zoveel mogelijk uit van transformatie van stedelijk gebieden of transformatie van functies, zoals het vliegveld. Op het niveau van Hart van Holland is deze lijn afgestemd met de buurgemeenten. Ook is dit in lijn met het provinciaal beleid. Het alternatief is dat de verstedelijkingsopgave ten koste gaat van (meer van de) toegankelijke landschappelijke gebieden rond de stad. Daar kiest het college uitdrukkelijk niet voor.
Geen wijzigingen
De omgevingsvisie geeft een doorkijk naar 2040. De verwachting is dat in de toekomst, nog meer dan nu, gebruik gaat worden gemaakt van duurzamere en schone mobiliteitsvormen. Zo streven we naar een verschuiving naar meer voetgangers en fiets- en OV-gebruik en een minder prominente rol voor de auto in de stad. Daarbij vindt nu al (stapsgewijs) verschuiving plaats van fossiel aangedreven auto’s en bussen naar elektrische aangedreven auto’s en bussen. Deze ontwikkelingen, die nu al gaande zijn, zullen naar verwachting een positieve impact hebben op het verminderen van congestie en het verminderen van geluidsoverlast (ook in combinatie met het stiller worden van asfalt). Het college verwacht dat deze trend zal doorzetten en dat dit een positief gevolg gaat hebben in de stad.
Geen wijzigingen
33 L
De gemeente geeft in de Omgevingsvisie onvoldoende blijk van werkelijk gevoelde verantwoordelijkheid voor de leefbaarheid van onze stad op langere termijn. In het bijzonder wijzen wij daarbij op de volgende punten, die in de Omgevingsvisie ook tot uitgangspunten moeten worden genomen is kwetsbaarheid voor klimaatverandering. In de eerste plaats gaat het dan om de huidige ontwikkelplannen te bezien in het licht van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering: ondanks de afspraken in het klimaatakkoord van Parijs, is het inmiddels zeer onwaarschijnlijk dat de wereldgemeenschap erin zal slagen om de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging de komende eeuw nog binnen de 3,5 graad te houden. De verwachte zeespiegelstijging in 2100 lijkt nu eerder in de buurt van de 80 à 100 cm uit te komen dan de 50 cm die het IPCC in 2007 nog veronderstelde.
Als het woningtekort van 1 miljoen nieuw te bouwen woningen grotendeels onder NAP in de Randstad wordt geprojecteerd, dreigen we onszelf twee keer in de staart te bijten: • op korte termijn, vanwege de noodzakelijke verzwaring en uitbreiding van het elektriciteitsnet, andere energienetten, watervoorziening, riolering, wegennetten, lightrail en spoor; • op lange termijn, vanwege de voortschrijdende bodemdaling, oxidatie van veenbodems, verergering van de funderingsproblematiek, oprukkende verzilting van grondwater, kortom, een vrijwel onoverkomelijke klimaatadaptatieopgave, nog afgezien van de noodzakelijke dijkverhogingen en -verzwaringen. Om een en ander in context te plaatsen: Nederland heeft er na de watersnoodramp van 1953 meer dan 30 jaar over gedaan om de dijken met 40 cm te verhogen. Voor deze eeuw staat ons een veel draconischer deltaplan te wachten. Met de huidige gemeentelijke ontwikkelplannen brengen we de generatie(s) na ons steeds meer in het nauw. Klimaatadaptief bouwen kan niet per bouwkavel worden geborgd, maar vraagt ook om toekomstbestendige ruimtelijke keuzen op regionale en nationale schaal. De gemeente Leiden schuift de verantwoordelijkheid voor de droge voeten van toekomstige generaties en hun drinkwatervoorziening wel erg gemakkelijk af naar andere partijen.
Het college neemt kennis van deze opmerkingen. Leiden heeft gekozen om bij te dragen aan de grote woningbouwopgave die vanuit het Rijk is geformuleerd. Er is een groot tekort een geschikte huisvesting, voor bijna alle doelgroepen. Maar ook specifiek in stedelijke gebieden, zoals Leiden. Het college ziet nog voldoende plekken in de stad om de woningbouwopgave te realiseren, samen met het realiseren van andere opgaven zoals vergroening en klimaatadaptatie. Naast verdichting met woningen en werkfuncties werkt de gemeente, samen met haar partners, aan de verbetering van de openbare ruimte, vergroening van de stad, wordt ingespeeld op klimaatverandering en wordt gewerkt aan de energietransitie. Juist om de kwaliteit en de leefbaarheid van de stad te behouden en versterken. Dit is in de verschillende thema’s in hoofdstuk 5 uitgewerkt. Het college is van mening wel degelijk verantwoordelijkheid hiervoor te nemen.
Geen wijzigingen
34 M
N
In de tweede plaats is de kwaliteit van de gebouwde omgeving een punt van zorg voor de toekomst: de omvang en urgentie van de huidige bouwopgave roepen associaties op met de periode van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. In totaal zijn er ruim 1,5 miljoen woningen gebouwd in de periode tussen 1945 en 1970. Er is in die periode meer aandacht gegeven aan kwantiteit dan aan kwaliteit, met als gevolg dat veel van de woningen uit die periode inmiddels alweer gesloopt zijn of op de nominatie staan om gesloopt te worden in het kader van de stadsvernieuwing. Het risico van herhaling van de toen gemaakte fouten is levensgroot aanwezig, mede gezien de huidige schaarste aan capaciteit bij aannemers en bouwbedrijven. Hoewel de Omgevingsvisie heel veel woorden wijdt aan de diverse eisen waaraan nieuwbouw in de stad moet voldoen, blijft het bij vage eisen. Nergens wordt de Omgevingsvisie concreet in termen van harde duurzaamheidseisen. Waarom eist de gemeente niet van initiatiefnemers én van zichzelf dat alle renovatie- en nieuwbouwprojecten in de stad én alle gebiedsvisies c.q. omgevingsplannen aan de hoogste normen voor BREEAM-certificering voldoen? De Omgevingsvisie besteedt geen aandacht aan die mismatch tussen de actuele woonwensen en het woningaanbod dat in de huidige nieuwbouwplannen ontwikkeld wordt.
De tijd van een huis met een tuin voor iedereen is voorbij, daarvoor zijn de uitdagingen te groot en de ruimte te schaars. Bijbouwen moet. Compacter ook. Maar wel met de menselijke maat in het achterhoofd. Voortbouwend op het bestaande. Dus niet radicaal breken met het Leidse karakter; dat is het kind met het badwater weggooien. Dan bouw je een stad waar je kunt wonen als dat moet, maar weggaat zodra het kan. Dat is noch in het belang van de bestaande bewoners (bijna 72% is tegen hoogbouw, blijkt uit meerdere gemeentelijke enquetes1), noch in het belang van de nieuwe stadsgenoten waarvoor je het allemaal doet. Een stad die minder aantrekkelijk is voor bedrijven, universiteit en toeristen bovendien. Gezien de enorme druk op de ruimte in de stad, dient de Omgevingsvisie een antwoord te geven op de gevolgen van de post-corona ontwikkeling naar veel meer thuiswerken voor de vraag naar kantoorruimte in en om de stad. Hoeveel kantoorruimte valt er vrij voor woningbouw? Wat betekent de toename van thuiswerken voor de eisen die bewoners stellen aan de kwaliteiten van hun woning en hun woonomgeving? Wat betekent de toename van thuiswerken voor de vervoersbewegingen? In het licht van corona en het vooruitzicht van nieuwe pandemieën is hoogbouw niet de gewenste oplossing voor de woningnood in de stad.
De Omgevingsvisie dient daarom geen voorschot te nemen op een nieuwe hoogbouwvisie, maar vast te houden aan de vigerende Hoogbouwvisie. Hoogbouw biedt niet de kwaliteit van binnen- en buitenruimte die thuiswerkers nodig hebben om productief te blijven (niet iedereen kan zich een penthouse veroorloven) en noodzaakt tot het gebruik van liften, die uit het oogpunt van besmettingsgevaar beter vermeden worden.
Het college streeft zowel naar een zorgvuldige en kwalitatief hoogwaardige gebiedsontwikkeling als een effectieve realisatie daarvan. Hierbij wordt ingespeeld op de diverse opgaven waar de stad voor gesteld staat. Het is dus niet zo dat snelheid of kwantiteit gaat voor kwaliteit.
Geen wijzigingen
Het college volgt wat betreft duurzaamheid de landelijke bouwwetgeving. Daarmee voldoen we aan de landelijk normen. Op gebieds- en projectniveau kunnen nadere eisen meegegeven worden.
Het college is het met de indieners eens dat het nodig is om aandacht te besteden aan de gevolgen van de post-corona ontwikkelingen. In het Omgevingseffectrapport is een paragraaf opgenomen over de effecten van COVID-19. Daarin wordt geconcludeerd dat de middelen lange termijn gevolgen nog te onzeker zijn. Mochten er naar aanleiding van COVID-19 structurele veranderingen optreden in aspecten die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving wordt dit aangepast in de omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie blijft het hoogbouwbeleid uit 2007 grotendeels overeind. Op vier specifiek benoemde plekken in de stad mag hoger dan 70 meter gebouwd worden. Daarnaast wordt een Kwaliteitstoets voor Hoogbouw opgesteld, die extra kaders geeft waaraan hoogbouwprojecten moeten voldoen.
Geen wijzingen
35 O
De gemeente moet een grotere regierol nemen om te zorgen dat woonruimte waar veel behoefte aan is, maar die minder profijtelijk is voor projectontwikkelaars, toch wordt gerealiseerd. Waar komen de sociale koopwoningen (tot €200.000,-) waaraan het College zich heeft gecommitteerd3? De woningbehoefte wordt voor ruim 90% bepaald door starters (met name jongeren en buitenlandse migranten) en gezinnen die willen doorstromen van een appartement naar een eengezinswoning4. De nationale nieuwbouw zal voor circa 70% uit eengezinswoningen moeten bestaan om aan te sluiten bij de woonwensen. En dat terwijl er maar 15% eengezinswoningen worden toegevoegd aan de woningvoorraad.5
Het college neemt hier een regierol op. Bij concrete bouwprojecten geeft het college zowel gewenste doelgroepen (zoals ouderen, alleenstaanden, middeninkomens) als financieringscategorieën mee zoals percentages voor sociaal, middeldure huur (en definitie van beiden) en voorkeur voor koop of huur. Ook streeft het college naar gemengde wijken door bijvoorbeeld sociale woningbouw vooral toe te voegen in buurten waar daar nog weinig sprake van is en andersom. Over de bouwopgave en woonbehoefte vindt regelmatig afstemming en overleg plaats, zowel met de provincie, als in Holland Rijnland verband (waaronder ook de Rijncorridor valt) en binnen de Leidse regio. De Leidse opgave is hierop afgestemd.
Geen wijzigingen
In stedelijke gebieden zoals Leiden is de vraag naar woonruimte voor kleinere huishoudens relatief groter dan landelijk. P
We vragen het stadsbestuur dan ook om de Omgevingsvisie aan te passen en een duidelijke keuze te maken voor het behoud van Leidens sterke, onderscheidende punten en karakteristieke identiteit en af te zien van aanpassing van de vigerende Hoogbouwvisie. Vijftig meter is meer dan zat. Alleen zo realiseert Leiden de ambitie die aan het begin als kernuitgangspunt zo kernachtig is geformuleerd: een stad waar het prettig wonen, werken en recreëren is.
Q
Inspreker ziet graag dat er in de definitieve omgevingsvisie het volgende wordt opgenomen; a) meetbare streefwaarden voor groen en blauw; aandacht voor de rol van groen in de nabije woonomgeving voor het verkleinen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen; b) een andere en volledige uitwerking van de hoogbouwvisie met bijbehorende kwaliteitstoets; c) een visie op de aanwezigheid van grote ruimtelijke barrières en de gevolgen daarvan voor de bereikbaarheid, veiligheid en gezondheid; d) meer aandacht voor de gevolgen van de gemaakte en te maken keuzes in het kader van de energietransitie die grote invloed en effect heeft op de fysieke leefomgeving; e) concretere stappen om orde te brengen in de ondergrond, nu in de Omgevingsvisie wordt gekozen voor bodem als fundament. Per punt wordt hieronder het meest belangrijke nog benoemd
Leiden zal ook in de toekomst een stad blijven die zich overwegend kenmerkt door laag- en middelhoogbouw, met op de meest dynamische plekken accenten tot 70 meter. Op vier specifiek bepaalde locaties mag hoger dan 70 meter gebouwd worden. In de ogen van het college is een goede balans tussen de druk op de ruimte in de stad en de wens om specifieke kwaliteiten van de bestaande stad te behouden noodzakelijk. a) zie beantwoording onder 30R b) zie beantwoording onder 30T c) dit is een aandachtspunt bij de gebiedsgerichte projecten en ontwikkelperspectieven, dit zijn aspecten die daar worden meegenomen. d) zie beantwoording die volgt onder andere 30V, X, Y, Z e) In de visie benoemt het college de opgave voor de ondergrond en introduceert daarmee de noodzaak van een grandsdesign, dit wordt opgepakt in een uitwerkingsplan.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
36 R
Meetbare streefwaarden Wij vragen de gemeente om ambitieuze, meetbare streefwaarden te definiëren • Voor de kwantiteit en de kwaliteit van de groenvoorziening in de openbare ruimte, niet alleen voor de stad als geheel, maar ook op het niveau van wijken en buurten; • voor de kwantiteit en de kwaliteit van de groene ringen en spaken: borgt de groeninfrastructuur voldoende leefgebied en faciliteert zij de mobiliteit die de verschillende soorten flora en fauna nodig hebben voor een gezonde ontwikkeling van de populatie? • voor de kwantiteit en de kwaliteit en voor het bomenbestand in de gemeente. Wij vragen de gemeente om zich ten minste te committeren aan het doel om de betreurenswaardig lage score van 0,4 boom per inwoner voor de toekomst te handhaven. Zonder deze en aanvullende, meetbare prestatieverplichtingen zijn de ambities van de gemeente om wateroverlast, verdroging en hittestress te bestrijden, de vitaliteit van de bodem te waarborgen en de biodiversiteit te verbeteren volstrekt ongeloofwaardig.
S
Wij vragen de gemeente om betere bescherming van de biodiversiteit en de bomen die er al zijn in onze versteende gemeente; dat betekent ook dat wij vragen niet te snoeien in de groenstructuur van groene straten, maar die juist uit te breiden en te versterken ten behoeve van de natuur in onze stad, de klimaatadaptiviteit van de stad en de gezondheid van haar bewoners en in het bijzonder ten behoeve van het verkleinen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen.
T
Inspreker vraagt om de omgevingsvisie niet vast te stellen, voordat er door een voor de inwoners van Leiden een gedragen hoogbouwkwaliteitstoets is geformuleerd
In de omgevingsvisie worden geen vooralsnog geen streefwaarden opgenomen. Met het uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie en biodivers vergroenen is de ambitie en zijn de doelen met betrekking tot klimaatadaptatie, vergroenen en biodiversiteit vastgesteld. Deze doelen zijn gekoppeld aan verschillende inspanningen die bijdragen aan het halen van de verschillende doelen. De inspanningen zijn waar mogelijk smart geformuleerd, zoals bijvoorbeeld het aanplanten van 50 bomen extra bomen per jaar. Op dit moment zijn er nog geen effectindicatoren opgenomen, omdat we voor klimaatadaptatie gebruik willen maken van indicatoren die op landelijk niveau ontwikkeld worden. Ook voor groen en biodiversiteit volgen we de landelijke ontwikkelingen op het gebied van indicatoren. Leiden is een dichtbebouwde en dichtbevolkte stad, waardoor een streefwaarde van boom per inwoner een indicator is die vergeleken met een ruim opgezette stad met landelijk gebied altijd laag zal zijn. Met een toename van het aantal inwoners in de stad en daarmee hogere dichtheid is het onwaarschijnlijk dat deze indicator gelijk zal blijven De ambitie van het college in de omgevingsvisie is om het groen en de biodiversiteit in de stad te versterken. Met de onlangs vastgestelde bomenverordening worden de bomen in de stad beter beschermd.
Daarnaast wordt bij projecten waar straten opnieuw ingericht worden gekeken naar de mogelijkheden voor vergroening. Hierbij moeten vaak wel verschillende belangen worden afgewogen, en moet er ook ondergronds voldoende ruimte zijn om bomen te kunnen aanplanten. De Omgevingsvisie zal als richtinggevend en integraal document eerst worden vastgesteld. Zo snel mogelijk daarna zal de Kwaliteitstoets voor Hoogbouw voor besluitvorming worden voorgelegd.