210078 Bijlage 2 Geanonimiseerde inspraaknota Leiden 2040 1.1-versie
Tekst van het document
Inspraaknota Omgevingsvisie Leiden 2040 1.1-versie Versie 6-7-2021
2 1 Inleiding Elke gemeente moet volgens de Omgevingswet voor het eigen grondgebied een omgevingsvisie vaststellen. In hun omgevingsvisie beschrijven gemeenten onder meer de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied en de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. Het college van B en W stelt de gemeenteraad voor om de Omgevingsvisie Leiden 2040 (versie 1.1) vast te stellen. Deze omgevingsvisie vervangt de Omgevingsvisie Leiden 2040 1.0-versie uit 2019. Het gemeentebestuur merkt op dat diverse inspraakreacties betrekking hebben op de nieuwe werkwijze van de Omgevingswet en niet altijd passen bij het abstractieniveau van deze omgevingsvisie. Hieronder is ter verduidelijking een beknopte toelichting gegeven over de werking van instrumentarium Omgevingswet. Werking instrumentarium Omgevingswet De Omgevingswet onderscheidt zes (wettelijke) instrumenten in de beleidscyclus, waarvan er vier relevant zijn voor de Leidse beleidscyclus: de omgevingsvisie, de programma’s, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Daarnaast heeft Leiden gekozen om het instrument ‘ontwikkelperspectief’ op te stellen, om zo een meer gedetailleerd kader te hebben voor enkele gebieden. Het ontwikkelperspectief positioneert zichzelf als het instrument tussen de omgevingsvisie en het programma.
De omgevingsvisie en de ontwikkelperspectieven zijn de twee instrumenten waarin doelen, ambities en uitgangspunten voor de ontwikkeling van de stad (op hoofdlijnen) vastgelegd worden. De omgevingsvisie fungeert als afwegingskader. De visie geeft de richting aan, afhankelijk van de opgave, worden gebiedsgericht keuzes gemaakt. Ten opzichte van de omgevingsvisie zijn de ontwikkelperspectieven gedetailleerder, onder meer in de vorm van de typering van gewenste woon- en werkmilieus in verschillende buurten en het gewenste aanbod van functies en voorzieningen. Beide producten doen uitspraken op hoofdlijnen en zijn zelfbindend voor de gemeente. De gemeenteraad is voor beide documenten het bevoegd gezag. Dit geeft de gemeenteraad haar kaderstellende en sturende rol. De ambities en keuzes uit de omgevingsvisie en de ontwikkelperspectieven worden – indien wenselijk - juridisch geborgd in het omgevingsplan. Hier wordt uitvoering gegeven aan het door de gemeenteraad vastgestelde beleid. Het omgevingsplan wordt ook door de gemeenteraad vastgesteld. Hiermee kan zij controleren of de door haarzelf vastgestelde ambities en doelstellingen (in de omgevingsvisie en ontwikkelperspectieven) voldoende en juist juridisch geborgd zijn. Tussen de ontwikkelperspectieven en het omgevingsplan zijn programma’s gepositioneerd.
Een programma bevat maatregelen voor de ontwikkeling, het beheer, het gebruik, de bescherming of het behoud van (een deel van) het grondgebied. Hierin wordt beschreven hoe ambities en doelstellingen, die zijn vastgelegd in de omgevingsvisie of ontwikkelperspectieven (beiden dus vastgesteld door de gemeenteraad), kunnen worden behaald. Het college van B en W is bevoegd gezag voor de programma’s. Dit is zo vastgelegd in de Omgevingswet. De reden hierachter is dat de gemeenteraad verantwoordelijk is voor het vaststellen van de kaders, en het college van B en W de weg daar naartoe mag uitwerken. De manier waarop ambities en doelstellingen worden behaald is dus aan het college van B en W. Het werken met deze nieuwe instrumenten onder de Omgevingswet is nieuw en wennen. Met de omgevingsvisie en de ontwikkelperspectieven doen we nu al de eerste ervaringen op. Komende periode zal verder uitgewerkt worden hoe de ambities en doelstellingen landen in de verschillende instrumenten. Samen met de stad werken we stapsgewijs aan de verdere invulling van de instrumenten van de Omgevingswet. We bouwen zo samen aan een effectief en samenhangend beleidsstelsel voor ontwikkeling, gebruik, beheer, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving, met overzichtelijke, goed uitvoerbare en handhaafbare regels.
2 Behandeling inspraakreacties Uit de reacties op de ontwerp-omgevingsvisie blijkt dat er grote betrokkenheid is als het gaat over de toekomst van Leiden. Het college is verheugd met de grote diversiteit aan mensen en organisaties die gereageerd en meegedacht hebben. In dit document zijn de ingediende inspraakreacties in de tabel van paragraaf 4 weergegeven. In de tweede kolom zijn ze samengevat. In de derde kolom is de reactie van de gemeente opgenomen en de vierde kolom geeft aan of de inspraakreacties leiden tot aanpassingen aan de omgevingsvisie. Het college heeft, om recht te doen aan de verschillende zienswijzen en adviezen, waar mogelijk de omgevingsvisie op punten aangepast en bestaande teksten en kaarten verduidelijkt. De ontwerp-omgevingsvisie is op 23 maart 2021 door het college van B en W vastgesteld voor inspraak. Aansluitend heeft deze zes weken ter inspraak gelegen (2 april – 15 mei). In totaal zijn er 74 unieke inspraakreacties ontvangen. Van deze 74 inspraakreacties is er één niet ontvankelijk, aangezien deze ruim na eind inspraakperiode (op 24 mei) ingediend is. De overige 73 inspraakreacties zijn binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend en zijn derhalve als ontvankelijk aangemerkt. Als (vertrouwelijke) bijlage bij deze nota zijn de inspraakreacties toegevoegd.
De namen en adressen van de indieners van inspraakreacties worden vanwege privacy redenen niet vermeld in de stukken die op internet worden gepubliceerd. De rode lijn in veel inspraakreacties is dat men ziet dat de nieuwe omgevingsvisie een slag heeft gemaakt in integraliteit, nieuwe thema’s heeft toegevoegd en thema’s met elkaar in verbinding heeft gebracht. Tegelijkertijd worden ook vragen gesteld en aandachtstspunten meegegeven. Naast deze opmerkingen zijn er ook veel complimenten gegeven over het voorliggende document. Deze zijn, omdat ze vaak niet zien op de inhoud, vaak niet meegenomen in deze nota. Onderstaande de hoofdlijnen van de opmerkingen uit de inspraak en de wijzigingen op hoofdlijnen naar aanleiding van de opmerkingen; • In algemene zin wordt opgemerkt dat meerdere inspraakreacties niet direct ingaan op de inhoud van de Omgevingsvisie maar op thematische beleidsproducten of bestemmingsplanprocedures. Het college heeft om recht te doen aan de zienswijzen zoveel mogelijk inhoudelijk antwoord gegeven, maar dit heeft niet geleid tot wijzigingen in de omgevingsvisie. • Het college heeft aandacht voor de geuite zorgen rondom de snelheid van de verstedelijking ten opzichte van de verduurzaming, vergroening en leefbaarheid. Het is van belang om een goede balans te vinden tussen verstedelijking, klimaatadaptatie, groen en gezondheid.
Daarom wordt onderzocht welk middel en/of welke maatregel kan worden genomen om recht te doen aan de inspraakreacties en de uitkomsten uit het Omgevingseffectrapport. Naast dit onderzoek werkt de gemeente concreet aan de doelen richting 2040/2050 door het toevoegen van groen, zoals duizenden m² extra groen in de wijken, het verbeteren van de infrastructuur, wijkvervanging riolering in combinatie met het toevoegen van extra groen, de Groene Kansenkaart en de aanleg van nieuwe parken, zoals het Lakenpark.
3 •
•
•
•
•
•
•
Er is onduidelijkheid over de bedoeling en de opzet van hoofdstuk 6 (leefmilieus) in de Ontwerp-Omgevingsvisie. Naar aanleiding van deze opmerkingen heeft het College van B en W het zesde hoofdstuk verduidelijkt en aangepast. Hierdoor komt het doel en de meerwaarde van dit hoofdstuk beter naar voren. Er zijn drie leefmilieus te onderscheiden, namelijk ‘Dynamisch’, ‘Levendig’ en ‘Luw’. Opgemerkt wordt dat de leefmilieus slechts een verdere (gebiedsgerichte) uitwerking van enkele, in hoofdstuk 4 en 5 genoemde ambities en doelstellingen, betreffen. De leefmilieus kunnen niet los gezien worden van de stadskeuzes en genoemde uitwerking van deze stadskeuzes. Er zijn ook inspraakreacties binnengekomen over de indeling van de Vogelwijk en de Raadsherenbuurt binnen deze leefmilieus. Naar aanleiding van deze inspraakreacties is zowel de Vogelwijk als de Raadsherenbuurt onder het (nieuwe) leefmilieu ‘luw’ gepositioneerd. In de Ontwerp-Omgevingsvisie was de Vogelwijk en de Raadsherenbuurt gepositioneerd in het leefmilieu ‘stads en levendig’. Ook zijn er veel inspraakreacties binnengekomen die gaan over de verstedelijkingsopgave, hoogbouw en de toepassing van de Kwaliteitstoets Hoogbouw. Het College van B en W erkent dat er een grote ruimtedruk op de stad ligt.
Er is een grote woningbouwopgave, met alle bijbehorende voorzieningen, en tegelijkertijd moet ruimte worden gezocht voor bijvoorbeeld energie, sport, beweging, klimaatadaptatie, water, biodiversiteit. Het gemeentebestuur heeft geconstateerd dat het verhogen van de bouwhoogte kan bijdragen aan de verstedelijkingsopgave van de stad. Om goede kwaliteit te garanderen en recht te doen aan de inspraakreacties wordt aanvullend de Kwaliteitstoets voor Hoogbouw opgesteld en zo snel mogelijk, na de vaststelling van de omgevingsvisie, behandeld in de gemeenteraad Enkele reacties gaan ook over het gemis van een eenduidig afwegingskader en ontbreken van keuzes, terwijl er volgens hen veel ambities in de omgevingsvisie worden vastgelegd. Het College van B en W gebruikt de omgevingsvisie als afwegingskader. De visie geeft de richting aan, afhankelijk van de opgave, worden gebiedsgericht keuzes gemaakt. In hoofdstuk vijf van de omgevingsvisie worden per thema een aantal hoofdkeuzes benoemd en omschreven. Daarnaast wordt in de kaarten aangegeven waar een deel van de keuzes landt. Waar ambities met elkaar concurreren wil het college zo veel mogelijk gebiedsgericht naar oplossingen zoeken (maatwerk) samen met de stad. Ook zal middels monitoring worden gekeken of er tussentijds moet worden bijgestuurd of ingegrepen als doelstellingen en ambities niet gehaald worden.
Het gemeentebestuur zal in andere instrumenten van de Omgevingswet uitwerken waar concretere doelstellingen kunnen worden vastgelegd en kunnen worden aangescherpt. Verder zijn er reacties met betrekking tot de manier de manier waarop de gemeente Leiden participatietrajecten doorloopt in het algemeen. Het College van B en W hecht veel waarde aan deelname en inzet van de stad bij de verschillende participatietrajecten. Het gemeentebestuur en gemeentelijk apparaat leren bij elk participatietraject wat beter kan en voeren hierover ook gesprekken met de stad. Leiden floreert namelijk bij samenwerking met de stad. Het college bepaalt per opgave en project welke participatiegraad gehanteerd wordt, dit doet het college met in achtneming van de eerder vastgestelde besluiten en kaders. Verwachtingsmanagement en goede communicatie hierover zijn cruciaal. Daarnaast is meerdere malen aangegeven een concrete normen in de omgevingsvisie ontbreken. Dit wordt vooral gemist bij thematische aspecten die te maken hebben met klimaatadaptatie/ groen/ gezondheid. Het college hecht belang aan klimaat, groen en gezondheid. Dit belang is ook verwoord in de visie, maar het college begrijpt dat deze opgaven soms op gespannen voet kunnen staan met verstedelijking. Vooralsnog legt het college geen normen/ vuistregels in de omgevingsvisie vast.
Dit past namelijk niet bij het detailniveau van de visie zoals deze nu is opgezet. Mocht het wenselijk zijn om tot een norm te komen voor een specifiek thema, dan dient eerst uitvoerig onderzoek gedaan te worden naar de hoogte van deze norm en de gevolgen die een norm met zich meebrengt. Aspecten zoals monitoren (zodat er kan worden bijgestuurd wanneer de norm niet gehaald wordt) zijn hier ook een belangrijk onderdeel van. Tot slot zijn naar aanleiding van de reacties ook de integrale visiekaart en de thematische visiekaarten aangescherpt en verduidelijkt. Tekstueel zijn er ook aanpassingen en aanvullingen gedaan op basis van de binnengekomen inspraakreacties, adviesbrieven en nieuwe ambtelijke inzichten. Al deze aanpassingen en aanvullingen zijn in de inspraaknota opgenomen en navolgbaar gemaakt. De rode lijn in veel inspraakreacties is dat men ziet dat de nieuwe omgevingsvisie een slag heeft gemaakt in integraliteit en door het toevoegen en verbinden van thema’s. Tegelijkertijd worden ook vragen gesteld en aandachtstspunten meegegeven. Onderstaande de hoofdlijnen van de opmerkingen uit de inspraak;
3 Vervolgprocedure Het college biedt de gemeenteraad versie 1.1 aan van de Omgevingsvisie Leiden 2040. De omgevingsvisie is een “levend document” en een “groeidocument”. Telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, kan deze door de gemeenteraad worden verrijkt en aangevuld. Het college zal daartoe voorstellen doen. Op die manier kunnen nieuwe inzichten op thematische beleidsthema’s verwerkt worden en blijft de omgevingsvisie een actueel kader. Uiteraard neemt het college daarbij de spelregels voor participatie in acht.
4
4
1 A
B
2 A
B
C
3 A
Samenvatting en beantwoording inspraakreacties
Samenvatting inspraakreactie
Reactie gemeente
Gevolgen voor besluit
Inspreker stelt dat op de afbeelding op pagina 23 duidelijk is te zien dat de Zoeterwoudseweg en Fruitbuurt niet tot het hoogbouwcluster of hoofdweg behoren, maar tot het gemengde gebied. Op de afbeelding op pagina 16 lijkt het wel zo. Dit dient te worden aangepast
De rode kleur op de visiekaart op pagina 28 en 30 Spread 16) van de inspraakversie verwijst naar het leefmilieu (hoog)stedelijk en dynamisch. De hoogbouwgebieden en potentiegebieden zijn hier geduid met iconen. De potentiegebieden en hoogbouwclusters zijn als kleurvlak aangegeven in respectievelijk de kaart vestigingsklimaat op pagina 40 en de kaart hoogbouw op pagina 45 (spread 23) van de inspraakversie. Het college zal dit duidelijker in de legenda van de visiekaart aangeven. Het college zal dit in overweging nemen. De vraag wanneer de Kwaliteitstoets hoogbouw moet worden toegepast zal worden vastgelegd bij de vaststelling van de Kwaliteitstoets zelf.
In legenda van de visiekaart bij de iconen potentiegebied en hoogbouwcluster verwijzen naar respectievelijk de kaart vestigingsklimaat en de kaart hoogbouw.
Deze constatering is correct. Dit is het resultaat van voortschrijdend inzicht. Het college agendeert dit als mogelijk kansrijke ontwikkeling voor de lange termijn. Hier moet nader onderzoek naar gedaan worden. Hierbij zullen, naast gemeente Leiden, andere partijen betrokken worden zijn en hierover meebeslissen. Deze constatering is correct. Het college agendeert dit als mogelijk kansrijke ontwikkeling voor de lange termijn.
Geen wijzigingen
Inspreker lijkt het redelijk om voor gemengde gebieden ook een hoogbouwtoets te doen vanaf een bouwhoogte van 25 á 30 meter in plaats van vanaf 40 meter.
Inspreker stelt dat het op basis van de mobiliteitskaart lijkt dat de gemeente streeft naar een station bij de Merenwijk, en niet meer naar een station bij de Dr. Lelylaan. Dit wijkt af van het ontwikkelperspectief Zuidwest
Inspreker constateert dat daarnaast wordt gestreefd wordt naar een station op de spoorlijn naar Utrecht ter hoogte van het Trekschuithof, en niet meer naar nog meer stations binnen Leiden op deze lijn, zoals in de vertrekpuntennotitie van de eerste versie Inspreker constateert dat op hetzelfde punt volgens het ontwikkelperspectief wordt gestreefd naar een oversteekpunt van fietsers en voetgangers. Inspreker geeft aan dat, omdat dit volgens hem niet gelijkvloers zal kunnen, de combinatie op dit punt een aantrekkelijke gedachte is. En dat hierdoor de bereikbaarheid per trein van de Humanities Campus ook toeneemt.
Inspreker vraagt zich af of het tot dit college doordringt dat ook in de toekomst kinderen willen spelen? En inspreker heeft de volgende vragen: Moet heel Leiden
Er wordt tevens verwezen naar de beantwoording onder 10A Het college bedankt de inspreker voor deze suggestie. De gemeente zal de diverse ontwikkelingen (als deze binnen eenzelfde gebied/ periode vallen) in relatie tot elkaar bezien.
Het college is zich ervan bewust dat er ook voldoende speelruimte moet zijn voor kinderen. In de omgevingsvisie is dit belang
Tekst is aangepast in H5.2; Om hoogbouw zo goed mogelijk in te passen wordt een Kwaliteitstoets Hoogbouw voorbereid. Concrete initiatieven voor hoogbouw zullen aan deze toets worden onderworpen. Zo snel mogelijk na de vaststelling van de Omgevingsvisie zal ook de Kwaliteitstoets Hoogbouw door de gemeenteraad worden vastgesteld. Aandachtspunten in deze kwaliteitstoets zijn:
Geen wijzigingen
De kaart in H5.3 wordt verduidelijkt wat betreft de fietsroutes/ ontbrekende schakels hierin (beter leesbaar maken).
Geen wijzigingen
5 worden volgeplempt met hoge flatgebouwen, zonder mogelijkheid de auto te parkeren? Is het de bedoeling dat oud en jong met gevaar voor eigen en andermans leven door fietsstraten scheurt? Is er wel eens rekening gehouden met speeltuin en volkstuinen in de Vogelbuurt? Moeten die op den duur weg i.v.m. ambities van de wethouder? Inspreker roept het gemeentebestuur op om het verstand te gebruiken en niet alleen aan eigen ambities te denken.
ook opgenomen. De Omgevingsvisie probeert een balans te vinden tussen de wens om woningen voor alle doelgroepen toe te voegen en ruimte te bieden om te sporten, bewegen en spelen in en buiten de stad, waarbij de openbare ruimte veilig is en uitnodigt tot spelen, bewegen en sporten. Tegelijkertijd wordt er ingezet op het bereiken van een modal-shift. Dat wil zeggen een verschuiving van het belangrijkste vervoermiddel, met in dit geval een verschuiving naar meer duurzame vervoerswijzen zoals lopen, fietsen en openbaar vervoer. Het niet realiseren of beperken van parkeerplaatsen draagt bij aan het bereiken van deze modal-shift. Deze modal-shift levert enerzijds meer ruimte op (ook openbare ruimte) en bestaande ruimtes kunnen veiliger worden. Daarnaast zijn de andere vervoerstypen (lopen, fietsen en OV) allen schoner dan de auto. Dit is van belang om een gezondere leefomgeving te creëren. De speeltuinen en volkstuinen hoeven volgens deze omgevingsvisie niet weg in de Vogelbuurt. Dat is ook niet opgenomen in de omgevingsvisie.
4 A
B
Inspreker stelt dat Leiden al decennia de meest compacte stad is van Nederland met weinig groen in vergelijking tot andere steden. Inspreker stelt dat als er meer verdichting moet plaatsvinden, dat alleen kan door hoogbouw op verantwoorde plekken, dus door vervanging van bebouwing.
Inspreker stelt dat verdere bebouwing van huidige groene delen onmogelijk is, zodat het nu al matige woon- en leefmilieu niet nog meer verslechterd. Blijf dus af van het bestaande groen.
De grote woningbouwopgave waar Leiden, samen met de regio, voor staat is niet geheel op te lossen door bestaande bebouwing te slopen en daar nieuwbouw te realiseren. De woningbouwopgave vraagt van het college om verder te kijken dan alleen sloop/nieuwbouw. Een voorbeeld daarvan is het transformeren van een leeg Wernink-terrein naar een woongebied. De Omgevingsvisie probeert een balans te vinden tussen de wens om groen te behouden en te versterken en de behoefte aan woningen en voorzieningen in de stad. Er wordt ook sterk ingezet op versterking van de groenstructuur en te vergroenen waar mogelijk. Vanwege het belang van de aanwezigheid van groen is in de omgevingsvisie ook het Groen-Blauwe raamwerk opgenomen, inclusief een tweede groene ring. Hier wordt extra groen gerealiseerd om de leefbaarheid van de stad te vergroten
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
6 C
D
5 A
Inspreker stelt dat mooie groene en sociaal sterke wijken, zoals de Vogelwijk, niet op een opgeofferd mogen worden vanwege het (bedenkelijke) streven naar een nog groter bevolkingsaantal.
Inspreker stelt dat de grens van de groei eigenlijk al bereikt is en dat er genoeg andere plaatsen zijn in Nederland waar ruimte is voor uitbreiding.
Inspreker stelt dat de Vogelwijk ‘groen en luw’ moet blijven. Er zijn namelijk in de afgelopen jaren al veel nieuwe hoge flats tegen de wijk aan gebouwd.
De gemeente Leiden heeft een enorme woningbouwopgave, aangezien er op dit moment nog steeds een groot tekort aan huisvesting is voor vele doelgroepen. De gemeente gaat zorgvuldig om met wijken, zo ook de Vogelwijk. De voorgestelde indeling in leefmilieus wil niet zeggen dat de Vogelwijk wordt ‘opgeofferd’. Naar aanleiding van een nadere bestudering op basis van alle binnengekomen inspraakreacties is besloten om de Vogelwijk en Raadsherenbuurt onder het leefmilieu ‘Luw’ te scharen. Daarbij is ook opgevallen dat er veel verwarring is ontstaan over de leefmilieus. De leefmilieus zijn geen directe vertaling van alle ambities en doelstelling uit de omgevingsvisie voor deze gebieden, maar geven aandachtspunten en kenmerken mee voor ontwikkelingen in de milieus. Gebieden binnen de leefmilieus kunnen nog steeds van elkaar verschillen, waardoor niet alles van toepassing is op elk deelgebied binnen de leefmilieus. Naar aanleiding van de inspraakreacties wordt H6 herzien en wordt meer toelichting gegeven over hoe de leefmilieus bedoeld zijn. Het gemeentebestuur van leiden heeft besloten om bij te dragen aan de grote woningbouwopgave die vanuit het Rijk is geformuleerd. Er is een groot tekort een geschikte huisvesting, voor bijna alle doelgroepen. Maar ook specifiek in stedelijke gebieden, zoals Leiden. Het college ziet nog voldoende plekken in de stad om de woningbouwopgave te realiseren.
Naar aanleiding van een nadere bestudering op basis van alle binnengekomen inspraakreacties is besloten om de Vogelwijk en Raadsherenbuurt onder het leefmilieu ‘Luw’ te scharen. Daarbij is ook opgevallen dat er veel verwarring is ontstaan over de leefmilieus. De leefmilieus zijn geen directe vertaling van alle ambities en doelstelling uit de omgevingsvisie voor deze gebieden, maar geven aandachtspunten en kenmerken mee voor ontwikkelingen in de milieus. Gebieden binnen de leefmilieus kunnen nog steeds van elkaar verschillen, waardoor niet alles van toepassing is op elk deelgebied binnen de leefmilieus. Naar aanleiding van de inspraakreacties wordt H6 herzien en wordt meer toelichting gegeven over hoe de leefmilieus bedoeld zijn.
De kaart met betrekki ng tot de leefmili eus is aangep ast.
Naar aanleiding van meerdere inspraakreactie s is het hoofdstuk 6 herzien en verduidelijkt.
Geen wijzigingen
De kaart met betrekking tot de leefmilieus is aangepast.
Naar aanleiding van meerdere inspraakreacties is het hoofdstuk 6 herzien en verduidelijkt. Er zijn drie leefmilieus te onderscheiden, namelijk ‘Dynamisch’, ‘Levendig’ en ‘Luw’. Opgemerkt wordt dat de leefmilieus slechts een verdere (gebiedsgerichte) uitwerking van enkele, in hoofdstuk 4 en 5 genoemde ambities en doelstellingen, betreffen. De leefmilieus kunnen niet los gezien worden van de stadskeuzes en genoemde uitwerking van deze stadskeuzes.
7 B
Inspreker stelt dat er daarnaast geen bedrijven in de wijk passen aangezien de smalle straten nu al vaak niet geschikt zijn voor verkeer in twee richtingen
Bij het invoegen van werkfuncties in woongebieden zal steeds gekeken worden naar de effecten op de bestaande woongebieden.
Geen wijzigingen
Inspreker stelt dat de Raadsherenbuurt/Vogelwijk momenteel worden betrokken bij een herinrichtingsplan voor de riolering en een verduurzamingstraject en dat dit staat haaks op de gepubliceerde Omgevingsvisie 2040 waarbij onze buurten niet als groen en luw maar als stads en levendig worden aangemerkt. Inspreker stelt dat de Raadsherenbuurt en de Vogelwijk ‘groen en luw’ moeten blijven omdat het karakter van de buurt nu al achteruit gaat door huizen die getransformeerd worden naar 4 tot 5 appartementen. Inspreker stelt tevens dat de Leidse Hout beschermd moet blijven en dat er ruimte moet zijn voor kinderen om op straat te spelen
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A.
Zie wijziging 5A
Het college geeft aan dat de Leidse Hout gemeentelijk monument is. Er is geen voornemen dat te wijzigen. Het college onderschrijft het belang van ruimte in de stad voor kinderen om te spelen.
Geen wijzigingen
Inspreker maakt ernstig bezwaar tegen het aanmerken van de Vogelwijk en de Raadsherenbuurt als ‘stads en levendig’. Dit zijn echte woonbuurten moeten dus kindvriendelijk, autoluw en groen zijn (en blijven. Dit betekent dat er geen verdichting van de bebouwing en geen hoogbouw komt, dat de kinderspeelplaatsen behouden blijven en het verkeer langzaam blijft. Daarmee behoudt Leiden een groene schil ook aan de noordzijde van de stad en dat geeft de broodnodige lucht voor wandelaars en fietsers – ook voor die uit de stad en het BioSciencePark
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
B
Inspreker maakt bezwaar tegen het plan om de Raadsherenbuurt- en Vogelwijk verder te verstedelijken, verdichten en ontgroenen. Omdat naast ontgroening ook verdichting betreft neemt de inspreker aan dat de eigenaar-bewoners gecompenseerd worden met de waardevermindering van hun eigendom en de teloorgang van hun woonomgeving.
Geen wijzigingen
C
Inspreker verzoekt om de visie te wijzigen
Leiden is een dynamische stad met meerdere (grote) opgaven. Ondanks de wijziging van de Vogelwijk en Raadsherenbuurt naar het leefmilieu ‘luw’, merkt het college op dat verandering van de leefomgeving niet gepaard gaat met een compensatie voor waardevermindering van hun eigendom. Het college neemt dit verzoek over. De Raadsherenbuurt en Vogelwijk zijn onder een ander leefmilieu geplaatst. Zie beantwoording onder 5A
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
6 A
B
C
7 A
8 A
9 A
10
Inspreker maakt bezwaar tegen de indeling van de wijken Vogelwijk en de Raadsherenbuurt in ‘stads en levendig’ met als doel verdichting van bebouwing en verstedelijking. Hierdoor ontstaat een te groot risico dat het unieke karakter van beide wijken stuk gemaakt wordt en druist het in tegen het vergroenen van Leiden
Zie wijziging 5A
8 A
Inspreker maakt bezwaar tegen het willekeurige plaatsen van een station in de Blauwe Tramstraat. Er wonen ruim 100 kinderen in deze straat. Het kan niet dat de gemeente keer op keer ideeën heeft over de straat zonder overleg met de bewoners.
Het college agendeert dit in de omgevingsvisie als mogelijk kansrijke ontwikkeling voor de lange termijn. Dit houdt in dat nader onderzoek wenselijk is naar de mogelijkheid en haalbaarheid van een dergelijke ontwikkeling op de lange termijn, samen met andere partijen. De eventuele realisatie van een station in de omgeving van de Blauwe Tramstraat is gebaseerd op inzichten voor een veranderende mobiliteit. De locatie is gelegen tussen een belangrijk deel van de Binnenstad (met de Humanities Campus) en Leiden Zuidwest. Daarmee is een aantrekkelijk bereik van een aanzienlijk aantal woningen en andere functies. De daadwerkelijke inpassing van het station zal altijd zorgvuldig plaats dienen te vinden; dat zal voor de inpassing zelf gelden als voor het daaraan verbonden participatietraject.
Geen wijzigingen
B
Inspreker stelt daarnaast dat al jaren het plan is om van vier naar twee sporen te gaan. Tussen de twee extra sporen groeit nu veel mooi groen en grote bomen. Dit moet worden behouden.
De omgevingsvisie bevat ambities en doelstellingen op hoofdlijnen voor de gehele stad en doet geen concrete uitspraken op dit niveau.
Geen wijzigingen
Vanuit ProRail en/of de gemeente Leiden zijn er nu geen plannen om sporen te verwijderen. 11 A
12 A
13 A
14
Inspreker stelt dat de indeling van de Vogelwijk in de categorie ‘stads en levendig’ een grote vergissing lijkt en dat deze wijk in aanmerking dient te komen voor de categorie ‘groen en luw’. Het is een wijk met gemengde bebouwing en een goede sociale cohesie, omringd door groen en daarmee een ietwat besloten karakter. Het heeft veel speelgelegenheid voor kinderen en nauwelijks tot geen bedrijven.
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
Inspreker stelt dat de visie typisch een voorbeeld is waarbij een groene wijk (zoals de Vogelwijk) een downgrade krijgt naar een stedelijk concept. De visie is wanbeleid waarbij een gemakkelijke weg wordt gekozen (boom laten groeien is moeilijker dan een boom kappen)
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
Inspreker stelt dat de Vogelwijk niet moet verstedelijken maar groen moet blijven. In het centrum van Leiden is al weinig groen en daarom is de Vogelwijk een mooie tegenhanger door al het groen en alle rust. Dit moet zo blijven en daarom past het niet in de categorie ‘stads en levendig’.
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
9 A
Inspreker stelt dat de Vogelwijk en Raadsherenbuurt moet worden ingedeeld als ‘groen en luw’ in plaats van ‘stads en levendig’. Het huidige groene karakter van deze wijken is prachtig en dient te worden behouden en beschermd. Hiermee voorkomen we dat Leiden verandert in een versteende stad, en tonen we aan dat we oog hebben voor wat mooi en waardevol is en bescherming verdient.
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
Het college heeft kennisgenomen van deze opmerking, maar herkent zich hier niet in. De trek naar de stad wordt als autonome trend gezien. In heel de Randstad is de trek naar de stad zichtbaar en zijn er diverse oorzaken voor de woningnood. Het gemeentebestuur zet zich actief in om het vestigingsklimaat in combinatie met vergroening van de stad te versterken, voor zowel huidige bewoners en ondernemers als toekomstige.
Geen wijzigingen
De bedrijven op LBSP nemen ruimte in beslag waar anders woningen en studentenflats gebouwd zouden kunnen worden. Daarnaast moeten de werknemers ook nog ergens gehuisvest worden. Inspreker stelt dat er gestopt moet worden met het prestigeproject, zoals het LBSP, en gebruik die ruimte daar uitsluitend voor het opzetten van een grote universiteitscampus. Bouw er woningen voor studenten, promovendi, expats en andere tijdelijke werknemers zodat de woningnood snel afneemt en de rest van Leiden groen en leefbaar kan blijven.
LBSP is belangrijk voor economisch functioneren van Leiden. Mensen wonen niet alleen in de stad, maar willen er ook werken. Het LBSP is voor een aanzienlijk deel verantwoordelijk voor de werkgelegenheidsgroei in Leiden. Bovendien is het LBSP onlosmakelijk verbonden met de kennisinstituten in de stad. Het is geen prestigeproject, maar een succesvol innovation district in de stad. In het LBSP worden ook woningen gebouwd voor studenten, promovendi, expats en andere werknemers.
Geen wijzigingen
Inspreker vraagt zich af hoe het mogelijk is dat al deze plannen op hetzelfde oppervlakte kunnen worden gerealiseerd. Leiden is nu al één van de dichtst bebouwde steden en komt nu al ruimte voor groen, parkeren, speelplekken, stilte, varen, leven en vervoer te kort.
Het college ziet veel mogelijkheden om de verschillende plannen te realiseren in de stad. Dit vraagt echter slimme combinaties, werk met werk maken en goede afstemming met de stad.
Geen wijzigingen
De volgende kenmerken van het leefmilieu ‘stads en levendig’ leveren een bedreiging op voor het karakter van onze buurt: Stedelijke dichtheid van bebouwing Stedelijke mate van functiemenging wonen/werken/voorzieningen Groen is geen hoofddoel en krijgt maar beperkte ruimte Speelplekken voor kinderen komen in de doelstellingen niet voor Dit staat in scherp contrast met de huidige situatie, die juist perfect past binnen het leefmilieu ‘groen en luw’: lagere dichtheid van bebouwing, wonen als hoofdfunctie en veel groen en speelplekken voor kinderen.
B
C
15 A
Direct aangrenzend aan de Vogelwijk zit het Stationsgebied en LBSP. Hier vindt veel hoogbouw plaats, zitten grote bedrijven en is sprake van een hoge stedelijke verdichting. Een groene long als tegenwicht is daarom heel wenselijk. Daarnaast dient de Vogelwijk als verbinder van het groen-blauwe raamwerk en het buitengebied. Verdichting en verstedelijking – en daarmee verstening van de stad – worden nodig geacht om de verwachte bevolkingsgroei te kunnen opvangen, en de woningnood het hoofd te kunnen bieden. Maar een hoofdoorzaak van de Leidse bevolkingsgroei – de trek naar onze stad – is iets waar de gemeente zelf actief op aanstuurt.
10 B
Inspreker stelt dat toetsingskaders ontbreken
C
Inspreker vraagt zich af waarom er niet wordt gekozen voor dat het Leids grondgebied ‘vol’ is.
D
Inspreker vraagt zich af waarom er niet wordt gekozen voor kwaliteitsverbetering van de leefomgeving en leefkwaliteit voor de bewoners.
16 A
17
De komst van mobiliteitshubs, de aanleg van bedrijfsterreinen en werkplaatsen en de komst van (dag)horeca verstoren de rust en de veiligheid in de Vogelwijk die door iedereen gewaardeerd wordt. Inspreker stelt dat de algemene omschrijving van het leefmilieu ‘groen en luw’ veel beter bij de huidige en gewenste status van deze twee wijken.
De omgevingsvisie fungeert als groter afwegingskader. De visie geeft de richting aan, afhankelijk van de opgave, worden gebiedsgericht keuzes gemaakt. Waar ambities met elkaar concurreren wil het college namelijk zo veel mogelijk gebiedsgericht naar oplossingen zoeken (maatwerk) samen met de stad. Ook zal middels monitoring worden gekeken of er tussentijds moet worden bijgestuurd of ingegrepen als doelstellingen en ambities niet gehaald worden. Het gemeentebestuur zal in andere instrumenten van de Omgevingswet uitwerken waar concretere doelstellingen kunnen worden vastgelegd en kunnen worden aangescherpt. Leiden heeft gekozen om bij te dragen aan de grote woningbouwopgave die vanuit het Rijk is geformuleerd. Er is een groot tekort een geschikte huisvesting, voor bijna alle doelgroepen. Maar ook specifiek in stedelijke gebieden, zoals Leiden. Het college ziet nog voldoende plekken in de stad om de woningbouwopgave te realiseren, samen met het realiseren van andere opgaven zoals vergroening en klimaatadaptatie Naast verdichting met woningen en werkfuncties werkt de gemeente, samen met haar partners, aan de verbetering van de openbare ruimte, vergroening van de stad, wordt ingespeeld op klimaatverandering en wordt gewerkt aan de energietransitie. Juist om de kwaliteit en de leefbaarheid van de stad te behouden en versterken.
Dit is in de verschillende thema’s in hoofdstuk 5 uitgewerkt.
Geen wijzigingen
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
11 A
Inspreker stelt dat zijn grootste zorg is dat de ontwerp omgevingsvisie Leiden 2040 vanuit een sterk historische centrumstad gedachte geschreven is maar dat Leiden in 2040 juist geen compacte centrumstad is. Leiden is nu een grote forenzenstad met Randstedelijke uitdagingen
B
Inspreker mist in de omgevingsvisie een pijler met aandacht voor de grote veranderingen in demografie, klimaat en digitalisering voor de komende 20 jaar.
C
Inspreker stelt dat de pijler internationale kennis niet thuishoort in deze omgevingsvisie.
D
De pijler (historische) cultuur focust te veel op het verouderde idee dat Leiden een historisch toeristenstadje is binnen de singels. In deze pijler moet meer aandacht zijn voor de historische cultuur van de buurten en wijken buiten de singels
E
Het indelen van de gemeente in drie leefmilieus doet geen recht aan het eigen karakter van de buurten. Daarnaast is het onduidelijk op basis van welke criteria wijken en buurten een bepaald label krijgen.
Het college is het met de inspreker eens dat Leiden een stad is met Randstedelijke uitdagingen. Vandaar dat hier in H2 in de omgevingsvisie ruimschoots aandacht aan is gegeven en de uitdagingen zijn meegenomen in de stadskeuzes. Hiervoor werkt de gemeente ook samen met regiogemeenten, op provinciaal en landelijk niveau. De Omgevingswet schrijft echter voor dat een Omgevingsvisie alleen over het eigen gebied uitspraken kan doen. Het college is het niet eens met de inspreker dat de omgevingsvisie te veel is geschreven vanuit een sterke historische centrumstad gedachte. Historie is een belangrijke pijler, maar zeker niet de enige pijler, als er gekeken wordt naar de toekomstige ontwikkeling van de stad. Het college vindt het wel belangrijk om te benadrukken dat Leiden een sterke historische centrumstad in de Randstad is, die door haar historische karakter en Leidse waarden zich onderscheidt ten op zichtte van andere steden in de regio en de Randstad In hoofdstuk drie worden de trends en ontwikkelingen beschreven die op Leiden afkomen. Daar worden ook de aspecten demografie, klimaat en digitalisering benoemd. Leiden is zich bewust van deze trends en ontwikkelingen en probeert met deze omgevingsvisie een (eerste) antwoord te geven op deze grote veranderingen. Het college is van mening dat de pijler internationale kennis juist wel van belang is als het gaat om Leiden.
Leiden heeft veel internationaal georiënteerde kennisbedrijven op bijvoorbeeld het LBSP en er wonen veel expats en buitenlandse studenten in de stad wonen. Het klopt dat de historische cultuur niet beperkt is tot het centrum. Daarom wordt daar op p.43 nadrukkelijk op gewezen. Het behoud en versterken van de eigen historische kwaliteit van de wijken buiten de singels is één van de uitgangspunten van de visie. Het college erkent dat elke wijk en buurt eigen karakteristieken kent. Daarbij is ook opgevallen dat er veel verwarring is ontstaan over de leefmilieus. De leefmilieus zijn geen directe vertaling van alle ambities en doelstelling uit de omgevingsvisie voor deze gebieden, maar geven aandachtspunten en kenmerken mee voor ontwikkelingen in de milieus. Gebieden binnen de leefmilieus kunnen nog steeds van elkaar verschillen, waardoor niet alles van toepassing is op elk deelgebied binnen de leefmilieus. Naar aanleiding van de inspraakreacties wordt H6 herzien en wordt meer toelichting gegeven over hoe de leefmilieus bedoeld zijn.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Hoofdstuk 6 aangepast op basis van deze inspraakreactie
12 F
Er wordt onvoldoende toegelicht waarom het noodzakelijk is om levendige gebieden te vormen met werk en voorzieningen zoveel mogelijk op loop- en fietsafstand en meer menging van functies. Dit staat namelijk haaks op de maatschappelijke ontwikkeling waarbij door digitalisering werk en voorzieningen helemaal niet meer op loop- en fietsafstand nodig zijn. Juist in een compacte drukke stad wordt het ontwerpen van rustplekken in de wijken en buurten heel belangrijk om de leefbaarheid te behouden
G
Het streven naar duurzaamheid staat haaks op hoogbouw. Hoogbouw is namelijk niet duurzaam en leidt tot onder meer de volgende zaken; -
H
Sociale onleefbaarheid Sterke verstening van de stad Sterke opwarming van de stad Sterk gebruik van installaties voor verticaal transport, zoals liftinstallaties en druk Verhogende installaties voor watertransport Geen zonlicht meer in de straten (vb. woontoren aan de Diamantlaan) Valwinden die het fietsen onmogelijk maken (vb. Hoogbouw Vondellaan 47 en 51) Fijnstof die in de straten blijft hangen Hoogbouw in plaats grondgebonden woningen betekent geen tuinen, geen groen, geen Grond om regenwater vast te houden. Hoogbouw betekent geen plaats voor tuinvogels, planten, insecten en vleermuizen. Hoogbouw in plaats grondgebonden woningen betekent geen plaats voor kinderen.
Het streven naar een sociale en inclusieve stad, waar plek is voor alle inwoners lijkt haaks te staan op de omgevingsvisie waarin hoogbouw als een van de manieren gezien wordt om te verstedelijken. In hoogbouw zitten vaak alleen dure appartementen die geschikt zijn als tijdelijke woonruimte voor expats, studenten en kenniswerkers. Voor gezinnen, midden- en lagere inkomens is hoogbouw ongeschikt en/of onbetaalbaar
Het mengen van functies in gebieden en het organiseren van werk, woningen en voorzieningen op relatief korte afstand van elkaar biedt meerdere voordelen: het stimuleert kruisbestuiving tussen bedrijven en innovatie, het verkleint de gemiddelde (forens)afstand, deze gebieden zijn leefbaarder, het maakt het delen van voorzieningen en investeringen makkelijker en er is in Leiden veel vraag naar wonen in gemengd stedelijke gebieden. Dit past ook bij het stedelijke karakter van Leiden. Waar het al levendig is, is het van belang ook de rustige plekken te behouden of creëren en waar het nu nog tamelijk monofunctioneel is stellen we voor meer functies te combineren (efficiënt ruimtegebruik. Ook met meer op-afstand-werken zal de behoefte/noodzaak blijven bestaan naar het werk te gaan en elkaar hiervoor te ontmoeten. Daarbij combineren mensen meer en meer diverse dagelijkse activiteiten en dat is makkelijker te organiseren en met duurzamere vervoersvormen als deze activiteiten in elkaar nabijheid liggen. Daarnaast onderschrijft de gemeente het belang van rustplekken in de stad (afwisseling rust en reuring) en besteedt de Omgevingsvisie ook daar aandacht aan. De ruimte in de stad is schaars en gestapelde woningbouw is een manier om toch voldoende woningen in de stad te kunnen bouwen. Hoogbouw is daarbij geen doel op zich, maar een middel. Aan hoogbouw zitten voor- en nadelen.
Die nadelen probeert het college zoveel mogelijk te ondervangen door een Kwaliteitstoets voor Hoogbouw in te voeren. Daarin wordt onder meer aandacht besteed aan windhinder, bezonning, groen en biodiversiteit.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Sociale aspecten worden niet alleen meegenomen door het verplichten van 30% sociale woningen. Per ontwikkeling wordt zorgvuldig gekeken hoe deze de sociale cohesie kunnen versterken. Er zijn inmiddels meerdere voorbeelden van het versterken van de sociale cohesie in hogere bebouwing; bijvoorbeeld d.m.v. communale ruimtes en extra publiek programma. Ook zijn er voorbeelden van hogere bebouwing waarmee de biodiversiteit juist verbeterd. Hoogbouw moet ook bijdragen aan een inclusieve stad. Dit wordt één van de aspecten van de Kwaliteitstoets voor Hoogbouw. Zie ook beantwoording bij 17G
Geen wijzigingen
13 I
Hoogbouw mag alleen worden toegestaan onder duurzame voorwaarden: verplicht 30% openbaar groen in elk hoogbouwplan; voor mensen, kinderen, dieren, planten, insecten en de opvang van water. Stop met de opwarming van de stad
J
Gemeente moet eerst in gesprek gaan met de wijken rond het centrum en daarna moet pas deze omgevingsvisie worden ontworpen.
K
Inspreker mist in de tekening van het groen-blauw raamwerk de bestaande groene zones in de Lage Mors. Deze plantsoenen samen vormen een belangrijk groen raamwerk. De plantsoenen Jacob Catslaan, Tesselschadestraat/Van Baerlestraat en Vondellaan zijn voor bewoners van de Lage Mors het ‘Hart van de Wijk’ en ziet de inspreker graag toegevoegd worden aan het groen-blauwe raamwerk.
Het college begrijpt de zorg voor inspreker en heeft hiervoor aandacht bij alle ontwikkelingen in de stad. Het college zet vol overtuiging in op de verstedelijking in combinatie met de broodnodige verduurzaming. Het is zaak een goede balans te vinden in deze twee majeure opgaven.Het college wil daarom zoveel mogelijk ontwikkelingsgebieden in de stad koppelen aan parken en groen (intensivering). Daarnaast komen in de Kwaliteitstoets voor Hoogbouw deze aspecten ook aan de orde. Het college stelt hiervoor vooralsnog geen norm vast, omdat de groenbehoefte per locatie kan verschillen. Het college hecht veel waarde aan deelname en inzet van de stad bij de verschillende participatietrajecten. Bij de doorontwikkeling van deze Omgevingsvisie Leiden 2040 (versie 1.1) zijn inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere partijen wederom betrokken, dit als vervolgstap op de intensieve participatie van de Omgevingsvisie 1.0. In de periode februari 2020 tot en met januari 2021 hebben diverse participatieactiviteiten en informatieve activiteiten plaatsgevonden. De gesprekken vonden vooral plaats in het najaar van 2020. Er zijn diverse presentaties gegeven en gesprekken gevoerd met belangenvertegenwoordigers, stadmakers en adviesraden. Informatie over de omgevingsvisie en het daarbij behorende proces was te vinden via www.doemee.nl.
Daarnaast waren de aankondigingen van de webtalk en de enquête en de uitnodiging aan iedereen om mee te doen, opgenomen in meerdere artikelen in de stadskrant en via sociale media. Ook bij de uitwerking van de omgevingsvisie in diverse uitvoeringsplannen en projecten hecht het college belang aan tijdig overleg, betrokkenheid en transparantie in participatietrajecten In de Omgevingsvisie zijn in het GroenBlauw raamwerk de grotere/stedelijke Groen-Blauwe structuren opgenomen. Voor De Mors is dit de structuur vanuit het Singelpark, via park Kweeklust, sportpark De Mors en begraafsplaats Rhijnhof richting het Valkenburgse Meer/ Stevenshof en daarnaast de groene spoortaluds zoals verbeeld in de kaart van het Groen-Blauwe raamwerk (kaart par. 5.1). De genoemde plantsoenen zijn, hoewel belangrijk en waardevol, van een meer lokale betekenis.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
14 L
Inspreker stelt dat het park Kweeklust moet worden doorgetrokken naar de Vondellaan, en verbonden moet worden met het plantsoen met een waterpartij bij kantoor Heerema en de waterstrook langs het spoor.
De omgevingsvisie schets een aantal grote groenstructuren onder de naam Groenblauw raamwerk. Deze verbinding is ook zo verbeeld in het groen-blauwe raamwerk (kaart par. 5.1). Daarnaast is de ambitie opgenomen om (snipper)groengebieden zoveel mogelijk met elkaar te verbinden. Hoe dit wordt vormgegeven is een nadere uitwerking. Deze vindt niet binnen de Omgevingsvisie plaats maar in andere instrumenten van de Omgevingswet of projecten in de wijk.
Geen wijzigingen
M
Inspreker is bezorgd dat de ecologie ten koste gaat door de sterke verstedelijking. Er dient onderzoek te worden gedaan naar de bestaande ecologie en biodiversiteit in de verschillende woonbuurten en dat dit rapport biodiversiteit onderdeel moet zijn van de omgevingsvisie
Het college hecht veel waarde aan het behoud en het vergroten van ecologische waarde en biodiversiteit binnen en buiten de stad.
Geen wijzigingen
In Leiden wordt onderzoek gedaan naar de bestaande ecologie en biodiversiteit. Sinds 2004 kent Leiden het stadsnatuurmeetnet. Met het stadsnatuurmeetnet wordt jaarlijks de stand van zaken met betrekking tot de biodiversiteit in Leiden gemeten. De gegevens van deze tellingen zijn openbaar toegankelijk en te vinden op natuur.leiden.nl. De gegevens zijn gebruikt bij de visievorming van de Omgevingsvisie en worden gebruikt bij ruimtelijke plannen.
N
Inspreker stelt dat de Lage Mors beschermd stadsgezicht moet zijn. Dit is één de eerste uitbreidingswijken van Leiden. Het is van groots belang dat de historische waarde en de ecologie en groenwaarde van deze bijzondere buurt wordt behouden en wordt versterkt.
O
Inspreker stelt dat er een grote willekeur is waarin sommige wijken het label laagbouwgebied krijgen en andere wijken het label gemengd gebied. De professorenbuurt en de Lage Mors moeten dezelfde status krijgen vanwege dezelfde stedenbouwkundige karakteristieken. Kortom: Lage Mors moet als laagbouwgebied worden aangeduid.
Daarnaast wordt ook bij verstedelijks projecten gezocht hoe deze kunnen bijdragen aan de biodiversiteit in de stad. Projectontwikkelaars worden gestimuleerd om natuurinclusief te bouwen. Ook worden er natuurvriendelijke oevers aangelegd, gazons worden omgevormd naar kruidenrijk grasland, het maaibeheer van bermen is aangepast, en de openbare ruimte worden planten en bomen aangeplant die ecologisch waardevol zijn. Bij het opstellen van het Ontwikkelperspectief De Mors zijn de historische structuren en monumenten in beeld gebracht. Daarbij is de Lage Morsweg ook als structuur uitgewerkt. In dit perspectief staan ook de doelen “Versterken van karakteristieke buurten” en “zichtbaar maken van historische structuren”. Het benoemen van een beschermd stadsgezicht gaat veel verder. Het college ziet daar in de omgevingsvisie nu geen aanleiding om hiertoe over te gaan. Het Morskwartier is een mozaïek van buurten, waarin laagbouw- en hoogbouw elkaar afwisselen. In het Ontwikkelperspectief De Mors is aangegeven hoe we met de verschillende buurten om willen gaan. De Burgemeesters- en Professorenwijk is een hele wijk, die uit louter laagbouw bestaat en bovendien een beschermd stadsgezicht is. Het is niet onlogisch om de wijken op een verschillende manier te behandelen.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
15 P
De Lage Mors heeft enorme kwaliteiten en karakteristieken die behouden, versterkt, benut en beleefbaar gemaakt moet worden. Dit kan door het gebied als beschermd stadsgezicht en laagbouwgebied aan te duiden.
Q
Verder dient er in de hoogbouw minimaal 50 procent sociale woningbouw moeten worden gerealiseerd.
18 A
B
19 A
B
Inspreker mist dat de Leiden een besluit neemt en daartoe zelf concrete stappen zet als het gaat over de energietransitie. Het beleid rondom de energietransitie is niet voortvarend genoeg, maar juist te afwachtend.
Inspreker mist ook concrete stappen om de woningnood tegemoet te komen. Het is tijd om desnoods onorthodoxe maatregelen te nemen. Het is nu weer tijd om Leiden in de toekomst bewoonbaar te maken voor (jonge) mensen die het op dit moment niet meer kunnen betalen en wegtrekken naar omliggende dorpen/steden. Laten we een stad van alle leeftijden blijven. Er wordt opgeroepen om onorthodoxe woon- en verblijfplaatsen, veel verder en concreter dan het plan, te benoemen.
Inspreker maakt zich als bewoner van de Bockhorst grote zorgen om de leefbaarheid als de hoogbouwopties en de nieuw te vormen woonwijk naast De Bockhorst realiteit worden. Het gaat daarmee om de gepaard gaande groei van de druk op de directe omgeving om te recreëren en het extra autoverkeer. Daarnaast komt de biodiversiteit onder druk te staan. Hoewel er gesproken wordt over een groen-blauw raamwerk wordt de ontwikkeling van meer robuuste natuurgebieden direct om de stad gemist. Dit helpt om alle nieuwe bewoners ruimte te geven en draagt bij aan de ambitie dat iedereen voldoende moet bewegen. Het past ook bij de doelstelling om de stad klimaatbestendig te maken en aan de biodiversiteitsdoelstellingen
De Lage Mors is inderdaad een gave en waardevolle historische wijk. In het Omgevingsplan wordt stadsbreed gekeken naar de mogelijkheid/wenselijkheid om beschermende maatregelen opnemen. Het benoemen van een beschermd stadsgezicht gaat veel verder. Het college ziet daar in de omgevingsvisie nu geen aanleiding om hiertoe over te gaan. Het stedelijk beleid gaat uit van 30% sociale woningbouw voor de gehele stad. Dat geldt ongeacht de hoogte van een project.
Geen wijzigingen
In de zomer van 2020 is het zogenaamde Handelingsperspectief Energietransitie door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin staan de concrete stappen die de gemeente voor ogen heeft binnen de energietransitie (zie RV 20.0032.). In de Omgevingsvisie zijn de ambities uit het handelingsperspectief opgenomen. Het college is het eens met de inspreker dat Leiden een stad voor iedereen moet blijven. Er wordt in Leiden al veel gedaan om de woningnood tegen te gaan. Zo is de woningbouwambitie beleidsmatig verankerd en wordt er hard gewerkt om deze projecten te realiseren. Dit moet te allen tijde wel in samenspraak met de stad gaan en daarbij is de gemeente ook gebonden aan wettelijk vastgelegde normen en procedures.
Geen wijzigingen
De genoemde punten zijn aandachtspunten, die in de planontwikkeling worden meegenomen. Het project omvat ook een verbetering van de openbare ruimte rond de gebouwen, waardoor dit meer verblijfskwaliteit krijgt en er meer groen komt. De verkeersafwikkeling wordt via de Plesmanlaan afgehandeld. Het college is het eens met het feit dat robuuste natuurgebieden direct om de stad van groot belang zijn om de ambities van Leiden te behalen. De omgevingsvisie gaat echter alleen over het grondgebied van de opsteller (in dit geval dus enkel Leids grondgebied). Dit maakt het lastig om uitspraken te doen over natuurgebieden die niet op Leids grondgebied liggen. Wel wordt het belang van goede verbindingen van Leiden naar deze natuurgebieden onderschreven in de Leidse omgevingsvisie.
Geen wijzigingen
Het groen om de stad is van groot belang voor het leefklimaat in en om Leiden. In de visie wordt ook het belang van deze gebieden benoemd: Groene Hart, de kust, Plassengebied, Valkenburgse Meer. De robuuste groene structuur is er al en moeten we vooral zien te bewaren en te versterken. Dit is ook uitgebreid benoemd in de Visie Natuurlijke Leefomgeving en de Regionale Agenda voor de Omgevingsvisies Hart van Holland. Deze documenten dienen als basis voor de lokale Omgevingsvisie.
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
16 C
20 A
21 A
22 A
B
Inspreker mist in de visie de samenhang tussen landbouw en stad. De visie is een mooie kans om biologische landbouw voor de Leidenaar en stadstuinen zoals het Zoete Land te stimuleren.
Leiden is een dicht bebouwde stad, waar geen ruimte is voor landbouw op grote schaal. Het college erkent het belang en nut van stadstuinieren. Daarvoor is onlangs de Visie Stadstuinieren, waarin het belang van volkstuinen en andere vormen van stadstuinieren onderstreept en toegelicht is, vastgesteld. Met initiatieven zoals het Zoete Land en school en buurtmoestuinen wordt het tuinieren gestimuleerd. In de Omgevingsvisie is het belang van stadstuinieren opgenomen.
Geen wijzigingen
Inspreker heeft het gevoel dat ‘inspraak’ zoals het gepresenteerd wordt weinig nut heeft. Inspreker ziet graag dat de Vogelwijk en Raadsherenbuurt groen wordt ingetekend en niet meer valt in het leefmilieu stads en levendig
Inspreken op gemeentelijke (beleids)producten heeft wel degelijk zin. Er worden alleen soms andere keuzes gemaakt vanwege conflicterende belangen. De Vogelwijk en Raadsherenbuurt wordt, mede op basis van alle inspraakreacties, onder het leefmilieu ‘Luw’ geschaard. De aandachtspunten, die per leefmilieu worden meegegeven, zijn ook herijkt.
Zie wijziging 5A
Inspreker stelt dat de gemeente zelf aan zet moet zijn bij het stellen van eisen aan ontwikkelaars voor wat betreft groen en duurzaamheid. Dit moet niet uit handen gegeven worden
Het gemeentebestuur geeft het stellen van eisen rondom groen en duurzaamheid niet uit handen. Het gemeentebestuur heeft in de afgelopen jaren in beleid, verordeningen, gebiedsvisies, nota van uitgangspunten vastgesteld waarin eisen worden gesteld met betrekking tot het groen en duurzaamheid. Hier moeten ontwikkelaars aan voldoen. Daarnaast heeft de gemeente recentelijk een puntensysteem voor natuurinclusief bouwen geïntroduceerd. Dit puntensysteem wordt gebruikt bij nieuwbouwontwikkelingen.
Geen wijzigingen
Inspreker vindt het ongehoord dat het karakter van de Vogelwijk zo ingrijpend wordt veranderd. Deze ingrepen veranderen het woongenot significant. Het verbaast de inspreker dat er zo weinig publiciteit aan dit voornemen is gewijd. Het lijkt alsof er bewust gekozen wordt voor zo min mogelijk vraag naar invloed van de bewoners
Er wordt verwezen naar de beantwoording onder 5A
Zie wijziging 5A
Het college hecht juist veel waarde aan deelname en inzet van de stad bij de verschillende participatietrajecten. Bij de doorontwikkeling van deze Omgevingsvisie Leiden 2040 (versie 1.1) zijn inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere partijen wederom betrokken, dit als vervolgstap op de intensieve participatie van de Omgevingsvisie 1.0. In de periode februari 2020 tot en met januari 2021 hebben diverse participatieactiviteiten en informatieve activiteiten plaatsgevonden. De gesprekken vonden vooral plaats in het najaar van 2020. Er zijn diverse presentaties gegeven en gesprekken gevoerd met belangenvertegenwoordigers, stadmakers en adviesraden. Informatie over de omgevingsvisie en het daarbij behorende proces was te vinden via www.doemee.nl. Daarnaast waren de aankondigingen van de webtalk en de enquête en de uitnodiging aan iedereen om mee te doen, opgenomen in meerdere artikelen en via sociale media.
Geen wijzingen
17 23 A
Inspreker ziet dat eigenlijk maar één beleidsterrein stelselmatig de boventoon voert in de omgevingsvisie: de woningbouwopgave
B
Inspreker heeft zorgen over de bouwdrift die aan het ontstaan in de Mors
C
Inspreker stelt dat er sprake is van excel planologie (enkel gekeken worden naar toevoegen van woningen) en dat dit leidt tot extreme verdichting en daarmee veel steen
D
Inspreker stelt dat in de schetsen van het Vondelkwartier, de Verbeekstraat en het Werninkterrein iedere toevoeging van kwaliteit en kwantiteit aan openbaar verblijfsgebied ontbreekt. De aantallen woningen gaan enorm drukken op bestaand groen, buitenruimte en voorzieningen. Hij vraagt zich af wat de meerwaarde is voor de huidige inwoners van de Lage Mors. Daarnaast wordt ervan uit gegaan dat het verkeer wordt opgevangen op het bestaande net werk, maar dat is niet meer uitlegbaar met dit soort aantallen Een versteende wijk of gestapelde stad heeft een bewezen slechte invloed op het welzijn van onze eigen inwoners. Voorbeeld hiervan is het onlangs vastgestelde preventieakkoord. Het gevolg van deze versteende stad is dat we uiteindelijk alsnog de rekening betalen voor die mensen die in aanraking komen met zorginstanties.
E
24 A
Inspreker stelt dat regels en afspraken voor een verantwoorde digitale stad een solide basis vormen om geen data soevereiniteit te verliezen, privacyvraagstukken op te lossen, innovatie te stimuleren en niet ten prooi vallen aan toxische data afhankelijkheden.
De Omgevingsvisie richt zich op de diverse opgaven die op de gemeente afkomen, zoals de klimaatopgave, de energietransitie, de economische vernieuwing, de biodiversiteitsopgave, en de woningbouwopgave. De visie schetst een integraal toekomstbeeld waarin deze opgaven bij elkaar komen. Het college neemt kennis van deze zorgen. De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van de verstedelijkingsnotitie en de Omgevingsvisie 1.0 een aantal gebieden aangewezen als kansrijk voor duurzame verstedelijking. De Mors is er daar een van. Dat heeft te maken met de ontwikkelmogelijkheden die zich in de wijk voordoen en met de wijze waarop door middel van die ontwikkelingen bijgedragen kan worden aan een aantal opgaven voor de stad in zijn geheel en de wijk specifiek. In het Ontwikkelperspectief De Mors worden deze ontwikkelingen en opgaven in samenhang bekeken en helpt om deze ontwikkelingen in samenhang op te pakken. Het college herkent zich niet in deze opmerking. In de omgevingsvisie wordt juist beschreven hoe de verschillende ontwikkelingen en opgaven die op de stad afkomen in samenhang opgepakt kunnen worden. Hierbij zijn slimme combinaties noodzakelijk. Deze zorg is bij het college bekend en is reeds bij de genoemde projecten en het ontwikkelperspectief De Mors geuit.
Voor de Omgevingsvisie die op hoofdlijnen en hoofdzaken kaders stelt en qua abstractieniveau boven de genoemde projecten zit, leidt dit niet tot aanpassingen.
Geen wijzingen
Het college is het er mee eens dat de aanwezigheid van groen een positieve impact heeft op de omgeving en de leefkwaliteit. Daarom wordt er ook gesproken van duurzame of klimaatadaptieve verstedelijking.
Geen wijzigingen
Data zijn de gegevens die de stad voortbrengen. Het college is zich bewust dat we veel waardevolle data bezitten, waarmee de dienstverlening en het beleid efficiënter en effectiever kunnen maken. We willen, waar kan, onze data in eigen beheer houden en zo voor het ontsluiten van data zo min mogelijk afhankelijk zijn van externen partijen. Daarnaast doen we uitvoerige privacy toetsen wanneer we data willen gebruiken, hiervoor hebben wij ook een Functionaris Gegevensbescherming aangesteld.’’
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
Geen wijzigingen
18 B
25 A
B
Een goede basisinfrastructuur vraagt om een gedegen planning en coördinatie. Met dezelfde prioriteit, aandacht, passie en zorgvuldigheid als de werkvelden wegennet en waternet dienen deze toegepast te worden voor het datanet. De gemeente Leiden moet deze infrastructuur coördineren.
Het college onderkent het belang van een goed functionerend en veilig datanet. De gemeente faciliteert de eventuele komst van glasvezel als stabiele basis voor dataverkeer binnen de gemeentegrenzen. De uitrol van glasvezel gaat gepaard met forse investeringen waardoor de gemeente Leiden afhankelijk is van de investeringsbereidheid van providers of de gehele stad verglaast kan worden
Geen wijzigingen
Inspreker stelt dat het thema ‘water’ concreter kan worden uitgewerkt. Nergens wordt uitgewerkt welke situatie Leiden in 2040 als wenselijk beschouwt. De visie blijft in algemene termen hangen en gaat niet over tot concrete uitwerking (bijvoorbeeld waar waterlopen met elkaar worden verbonden en waar ruimte voor water hersteld wordt). Inspreker is bang dat door de vrijblijvendheid het thema ‘water’ in de verdrukking kan komen.