210074 Bijlage 4 Bijlagenbundel Vaststelling bestemmingsplan ‘Lammenschansweg-HOF36’
Tekst van het document
Bosch, 2005
Rapport 7284.002 versie 1
Pagina 2 van 6
2.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De opbouw van de bodem kan schematisch als volgt worden weergegeven: Tabel I.
Algemene bodemopbouw plangebied
Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot minimaal 105 en maximaal 230, gemiddeld tot 160
Lichtbruin tot lichtgrijsgeel gekleurd, zwak siltig, matig fijn zand, veelal vermengd met schelpresten en bovenin resten bouwpuin
Bouwzand/stabilisatiezand, deels vermengd met brokken klei, aangebracht/gestort tijdens bouw dan wel na de sloop van de voormalige bebouwing en de uitgevoerde sanering
Tussen 105 en gemiddeld 180 bij de boringen 3, 6, 9, 11 en 12
Groengrijs tot donkerbruingrijs gekleurde, sterk siltige klei en venige klei, zwak gleyvlekken en kalkloos
Cg-/Cr-horizont, vrij zwaar getextureerde komafzettingen, gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de Oude Rijn stroomgordel en binnen de monding van de Oude Rijn. Geen begraven bodem (vegetatiehorizont/laklaag) waargenomen, erop duidend dat de oorspronkelijke top is afgegraven, meest waarschijnlijk tijdens bouw van voormalige bebouwing binnen het plangebied.
Tussen gemiddeld 180 tot 300 (maximale einddiepte boringen)
Lichtgrijs gekleurd, sterk tot uiterst kleiig, sterk siltig, zeer fijn zand, kalkrijk met zeer fijne schelpresten en gelaagd (afwisseling van lagen sterk zandige klei en kleiig zand)
Cr-horizont, verlandingsafzettingen, gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de Oude Rijn stroomgordel en sterk door getijde beïnvloed/binnen estuarium
Tussen 280 en 300 bij de boringen 2, 8, 9 en 12
Grijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand, kalkrijk
Cr-horizont, beddingafzettingen, gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de Oude Rijn stroomgordel en sterk door getijde beïnvloed/binnen estuarium (overgang tussen riviergeul en kreekgeul)
De bodemopbouw ter plaatse van het plangebied bestaat vanaf het maaiveld tot minimaal 105 (0,65 m -NAP), maximaal 230 (1,90 m -NAP) en gemiddeld tot 160 cm -mv (1,2 m -NAP) uit lichtbruin tot lichtgrijsgeel gekleurd, zwak siltig, matig fijn zand dat veelal vermengd is met schelpresten, plaatselijk met brokken klei en bovenin resten bouwpuin bevat. Dit betreft het pakket zand dat ook tijdens eerder gezette milieukundige boringen is aangetroffen en waarschijnlijk aangebracht/gestort is tijdens de e bouw, de sloop van de voormalige bebouwing dan wel de eind jaren 90 van de 20 eeuw uitgevoerde sanering (van minerale olie en vluchtige aromatische koolwaterstoffen in de grond en het grondwater). Op grond van de archeologische boringen is dit pakket veelal dikker dan een meter, wat verwacht werd op basis van het eerder uitgevoerde bureauonderzoek. Vooral ter plaatse van het zuidwestelijke en noordoostelijke deel van het plangebied (boringen 4, 5, 8 en 10) reikt het pakket aangebracht zand tot bijna dan wel voorbij 2 m -mv (2 meter dik pakket). De onverstoorde, natuurlijke bodemopbouw bestaat ter plaatse van de boringen 3, 6, 9, 11 en 12 (waar minder diep is ontgraven) tussen gemiddeld 105 (0,65 m -NAP) en 180 cm -mv (tussen 0,65 en 1,4 m -NAP) uit groengrijs tot donkerbruingrijs gekleurde, kalkloze, sterk siltige klei en venige klei met zwak gleyvlekken.
Vooral het bovenste deel van dit pakket heeft een groengrijze verkleuring is secundair van aard, typisch voor grond die verstikt is na het opbrengen van een luchtafdichtende laag (ophogingszand). Het onderste deel is veelal een sterk organische component, waardoor het venig aandoet. Het gaat echter nog wel om klastische afzettingen. In zijn totaliteit betreffen het vrij zwaar getextureerde afzettingen die zijn geïnterpreteerd als komafzettingen die gesedimenteerd zijn aan het einde van de actieve fase van de Oude Rijn stroomgordel en binnen de monding van de Oude Rijn. Daarbij geldt ook een sterke invloed van getijde, waarbij het rivierwater tijdens vloed wordt opgestuwd, het estuarium overstroomde en bij lager stroomsnelheden sedimentatie van het zware komkleipakket mogelijk maakt. Er is in de top van dit pakket sterk siltige tot venige klei geen begraven bodem (vegetatiehorizont/laklaag) waargenomen, erop duidend dat de oorspronkelijke top van de komafzettingen is verstoord dan wel afgegraven, meest waarschijnlijk tijdens bouw van de voormalige bebouwing binnen het plangebied.
Rapport 7284.002 versie 1
Pagina 3 van 6
Vanaf gemiddeld 180 cm -mv (1,4 m -NAP) komen gelaagde afzettingen voor van sterk zandige klei en kleiig zand, welke kalkrijk zijn en zeer fijne schelpresten bevatten. Dit betreffen verlandingsafzettingen die gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de Oude Rijn stroomgordel, maar ook weer sterk door getijdewerking zijn beïnvloed. Binnen het estuarium krijgt het dan ook de vorm van kreekgeulen met naastgelegen ruggen en waar de tussenliggende gebieden vlakten vormden vergelijkbaar met komgebieden (kweldergebied dan wel supragetijdengebied). Ter plaatse van de boringen 2, 8, 9 en 12 is helemaal onderin nog grijs gekleurd, kalkrijk, zwak siltig, zeer fijn zand aangetroffen (vanaf circa 2,4 m -NAP) en dit betreffen beddingafzettingen. De gehele bodemopbouw laat verder zien dat er sprake is van een verfijning van textuur in opwaartse richting, een zogenaamde een fining upward sequentie. Deze opbouw met beddingzand onderin tot sterk siltige klei in de top is kenmerkend voor verlandende geulsystemen en bevestigd de ligging van het plangebied binnen het estuarium van de Oude Rijn. Archeologie In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen in het opgeboorde en vervolgens versneden en verbrokkelde bodemmateriaal.
Er dient echter gemeld te worden te worden dat het inventariserend veldonderzoek een verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat de oorspronkelijke top van de afzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de Oude Rijn (binnen het Oude Rijn estuarium) in het gehele plangebied vergraven is (meest waarschijnlijk tijdens bouw van de voormalige bebouwing binnen het plangebied). Hierdoor worden archeologische resten dan ook niet meer in situ verwacht (archeologisch potentiële sporen-/vondstniveau is verstoord/vergraven)
3 3.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van het door Bureau voor Archeologie uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de perioden vanaf het Neolithicum. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied binnen de monding van de Oude Rijn, ofwel het Oude Rijn estuarium, waarbij de oeverwallen geschikte bewoningslocaties vormden. Op de oeverafzettingen is de verwachting dat een één meter dik ophogingspakket opgebracht, op basis van resultaten van eerder gezette milieukundige boringen. Daarna e is een deel van het plangebied bebouwd. Aan het einde van de 20 eeuw heeft binnen een deel van het plangebied een sanering plaatsgevonden van verontreinigingen met minerale olie en vluchtige aromatische koolwaterstoffen in de grond en het grondwater. De exacte locatie van de afgravingen en e de diepte is niet bekend. De bebouwing is in het begin van de 21 eeuw gesloopt. De aangetroffen bodemopbouw bevestigd de aanwezigheid van een ophogingspakket, echter de gemiddelde dikte ervan is aanzienlijk dikker dan de verwachte meter. Het ophogingspakket heeft een gemiddelde dikte van circa 160 cm en vooral ter plaatse van het zuidwestelijke en noordoostelijke deel van het plangebied reikt het pakket aangebracht zand tot bijna dan wel voorbij 2 m -mv (2 meter dik pakket).
Onder het recente ophogingspakket zijn de verwachte oeverafzettingen niet aangetroffen. De ondergrond bestaat uit bedding-, verlandings- en komafzettingen. Het bovenste aangetroffen natuurlijke pakket zware komklei laat zien dat het plangebied tijdens de vorming van het Oude Rijn estuarium een positie innam in een vrij nat gebied. De zandigere en drogere oeverwallen moeten meer gezocht worden dichter bij de hoofdloop van de Oude Rijn, in de omgeving van de huidige loop van de Oude Rijn. Het plangebied zal daarom een minder aantrekkelijke bewoningsplaats zijn geweest.
Rapport 7284.002 versie 1
Pagina 4 van 6
Daarnaast laten de boringen ook zien dat er in de top van de komafzettingen (sterk siltige tot venige klei) geen begraven bodem (vegetatiehorizont/laklaag) aanwezig is, erop duidend dat de oorspronkelijke top van de komafzettingen is verstoord dan wel afgegraven, meest waarschijnlijk tijdens bouw van de voormalige bebouwing binnen het plangebied. Hoewel het terrein in de (Late-)Middeleeuwen en Nieuwe tijd door bemaling mogelijk beter betreedbaar was, blijkt uit het historisch kaartmateriaal, geraadpleegd tijdens het eerder uitgevoerde bureauonderzoek, dat het plangebied nooit is ingericht, buiten de vermoedelijke aanleg van verkavelings-/drainagesloten. Geconcludeerd wordt, op basis van de aangetroffen bodemopbouw, dat de middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de perioden vanaf het Neolithicum kan worden bijgesteld naar een lage tot geen verwachting. Er zijn voor de archeologie geen gevolgen vanuit de voorgenomen bodemingrepen. 3.2
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Tijdens het bestaan van het Oude Rijn estuarium heeft het plangebied geen gunstige landschappelijke positie in genomen als potentiële bewoningslocatie. Tevens is de oorspronkelijke top van het pakket natuurlijke afzettingen ontgraven, waardoor eventueel toch aanwezige archeologische resten en/of sporen verloren zijn gegaan. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag (gemeente Leiden). Na beoordeling wordt door het bevoegd gezag een besluit genomen. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur 6 en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ) en de gemeente Leiden.
6
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 7284.002 versie 1
Pagina 5 van 6
LITERATUUR Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Gemeente Leiden, 2010: “Bestemmingsplan Archeologie.” Hanemaaijer, M., 2016: Lammenschansweg 140, Leiden, gemeente Leiden: een bureauonderzoek. Bureau voor Archeologie Rapport 325, Utrecht.
Rapport 7284.002 versie 1
Pagina 6 van 6
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Leiden (gemeente Leiden) – Lammenschansweg-Kanaalweg Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 7284.002 versie 1
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Leiden (gemeente Leiden) – Lammenschansweg-Kanaalweg Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 7284.002 versie 1
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Leiden (gemeente Leiden) – Lammenschansweg-Kanaalweg Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda
Rapport 7284.002 versie 1
Figuur 4.
Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto
Leiden (gemeente Leiden) – Lammenschansweg-Kanaalweg Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda Plangebied
Rapport 7284.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 7284.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 10.150
11.755 12.745
Atlanticum warm vochtig
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 7284.002 versie 1
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
Rapport 7284.002 versie 1
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
Rapport 7284.002 versie 1
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e
e
Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 7284.002 versie 1
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 7284.002 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 7284.002 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 7284.002 versie 1
Bijlage 4
Rapport 7284.002 versie 1
Inrichtingsplan
Bijlage 5
Overzichtsfoto’s en foto’s van de opgeboorde profielen
Vanuit zuidwestelijke richting nabij boring 1
Vanuit noordelijke richting nabij boring 9
Vanuit zuidoostelijke richting nabij boring 12
Vanuit zuidelijke richting nabij boring 5
Boring 1
Boring 2
Rapport 7284.002 versie 1
Boring 3
Boring 4
Boring 5
Boring 6
Boring 7
Boring 8
Rapport 7284.002 versie 1
Boring 9
Boring 10
Boring 11
Boring 12
Rapport 7284.002 versie 1
Bijlage 6
Rapport 7284.002 versie 1
Boorprofielen
Bijlage 6
Boorstaten
01 X: Y:
02 93483,00 462010,00
0,3
0
X: Y:
m +NAP
03 93503,00 462039,00
0,3
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin
0
X: Y:
m +NAP
04 93517,00 462007,00
0,3
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruin, bouw-stabilisatiezand
0
X: Y:
m +NAP
05 93532,00 461975,00
0,3
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin
0
X: Y:
m +NAP
93546,00 461943,00
0,3
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijsbruin, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin
0
m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bouw-stabilisatiezand
30
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijsgeel, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin
40
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht grijsgeel, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin
50
50
50
50 60
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijsbruin, bouw-stabilisatiezand
65
Klei, matig zandig, donkergrijs, recent geroerd, teruggestorte grond, kalkrijk
75
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin 90
100
90
Zand, zeer fijn, kleiïg, licht bruingrijs, recent geroerd, teruggestorte grond, kalkrijk
100
Klei, sterk zandig, grijs, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, opgemengd met kleibrokken
100
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
110
Klei, sterk siltig, groengrijs, Cg-/Cr-horizont, komafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, bruingrijs, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
125
Klei, uiterst siltig, zwak humeus, donkergrijs, recent geroerd, teruggestorte grond, kalkrijk
135
140
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht grijsgeel, recent geroerd, teruggestorte grond, kalkrijk
145
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin
150
150
165
Klei, matig zandig, grijs, Cr-horizont, kom-/oeverwalafzettingen, getijdeinvloed, kalkarm
180
Zand, zeer fijn, kleiïg, lichtgrijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
150
150
180
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk 200
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk 200
210
Zand, zeer fijn, kleiïg, lichtgrijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
225
230
190
200
200
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
210
Klei, sterk zandig, donkergrijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
250
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
200
230
Zand, zeer fijn, kleiïg, donkergrijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk 250
Klei, uiterst siltig, sterk humeus, donker grijsbruin, Cg-/Cr-horizont, venige komkleiafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
Klei, uiterst siltig, zwak humeus, donkergrijs, recent geroerd, teruggestorte grond, kalkrijk
195
210
150
165
Klei, uiterst siltig, groengrijs, Cg-/Cr-horizont, kom-/oeverwalafzettingen, getijdeinvloed, kalkarm
200
145
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk 250
250
250
270
Klei, sterk zandig, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
280
Zand, zeer fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beddingafzettingen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
300
300
Projectcode: 7284.002
300
300
300
300
300
300
300
300
Bijlage 6
Boorstaten
06 X: Y:
07 93566,00 461971,00
0,4
0
X: Y:
m +NAP
08 93552,00 462003,00
0,4 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bouw-stabilisatiezand
0
X: Y:
m +NAP
09 93537,00 462035,00
0,4 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
0
X: Y:
m +NAP
10 93523,00 462067,00
0,4 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht grijsbruin, bouw-stabilisatiezand
0
X: Y:
m +NAP
0
93572,00 462032,00
0,5
m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, bouw-stabilisatiezand
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht oranjebruin, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin
35
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, bouw-stabilisatiezand
50
45
50
50
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, groengrijs, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, opgemengd met kleibrokken
50
50
65
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, bouw-stabilisatiezand
70
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijsbruin, bouw-stabilisatiezand 85
100
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker bruingrijs, bouw-stabilisatiezand vermengd met brokken klei, recent geroerd
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, bruingrijs, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, opgemengd met kleibrokken
105
Klei, sterk siltig, groengrijs, Cg-/Cr-horizont, komafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkergrijs, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, opgemengd met kleibrokken, recent geroerd
100
115
Klei, sterk siltig, groengrijs, Cg-horizont, komafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
135
145
150 155
145
Klei, uiterst siltig, sterk humeus, donker grijsbruin, Cg-horizont, venige komkleiafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijsbruin, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
150
Zand, zeer fijn, kleiïg, groengrijs, Cg-horizont, komafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
150
150
150
Klei, uiterst siltig, sterk humeus, donker grijsbruin, Cg-/Cr-horizont, venige komkleiafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos Zand, zeer fijn, kleiïg, zwak humeus, donkergrijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
170
Klei, sterk siltig, groengrijs, Cg-horizont, komafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
180
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk 200
200
210
Klei, uiterst siltig, sterk humeus, donker grijsbruin, Cg-/Cr-horizont, venige komkleiafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
200
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
250
150
200
200
200
220
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
250
230
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, enkele verspoelde houtresten, kalkrijk
225
250
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, enkele verspoelde houtresten, kalkrijk
250
250
280
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
275
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
300
300
Projectcode: 7284.002
290
300
300
300
300
290
Zand, zeer fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beddingafzettingen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
300
300
Zand, zeer fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beddingafzettingen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
300
300
Bijlage 6
Boorstaten
11 X: Y: 0
12 93586,00 462000,00
0,5
m +NAP
X: Y: 0
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, bouw-stabilisatiezand, resten bouwpuin
0
93601,00 461968,00
0,5
m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
30
Zand, matig fijn, zwak siltig, bruin, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
40
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijsbruin, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
50
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, bruingrijs, bouw-stabilisatiezand, fijne schelpresten, afgegraven strandzand
50
100
115
Klei, sterk siltig, bruingrijs, Cg-horizont, komafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
140
Klei, sterk siltig, groengrijs, Cg-horizont, komafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
150
150
160
160
Klei, uiterst siltig, sterk humeus, donker grijsbruin, Cg-/Cr-horizont, venige komkleiafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, enkele verspoelde houtresten, kalkrijk
180
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk 200
185
Klei, uiterst siltig, sterk humeus, donker grijsbruin, Cr-horizont, venige komkleiafzettingen, getijdeinvloed, kalkloos 200 210
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, enkele verspoelde houtresten, kalkrijk
240
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
250
250
290
300
300
Zand, zeer fijn, kleiïg, grijs, Cr-horizont, gelaagd/afwisseling van zand- en kleilaagjes, verlandingsafzettingen binnen Oude Rijn estuarium, kalkrijk 320
Projectcode: 7284.002
300
300
Zand, zeer fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beddingafzettingen Oude Rijn estuarium, kalkrijk
ARCHEOLOGISCH ADVIES Erfgoed Leiden en Omstreken Locatieaanduiding:
Lammenschansdriehoek Zuid
Aanvraagnummer:
n.v.t.
Omschrijving:
Herinrichting
Opgesteld door / datum:
mevr. C.Brandenburgh / 25-6-2019
Planomschrijving Het plangebied Lammenschansdriehoek Zuid wordt in de toekomst opnieuw ingericht met vier bouwblokken. In Blok 1 komt een ondergrondse garage tot een diepte van ca. 3m onder peil (ca. 2,5m –NAP). Mogelijk komt ook onder Blok 2 zo’n verdiepte garage. Onder Blok 3 komt in ieder geval geen kelder: hier worden parkeren en bergingen op twee bovengrondse bouwlagen opgelost. Bij Blok 4 wordt waarschijnlijk ook voor een bovengrondse oplossing wordt gekozen. Alle blokken worden gefundeerd met diepe funderingspalen.
Archeologie in het bestemmingsplan De bovenste helft van Blok 1 ligt in het bestemmingsplan Leidse Schans, waarvoor in 2011 / 2012 al archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Op basis van dat onderzoek is dat stukje grond al vrijgegeven van een dubbelbestemming archeologische waarde. De overige delen van dit plan worden gerealiseerd in een zone waarvoor op grond van het Bestemmingsplan Lammenschansdriehoek de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 6 geldt (gebieden met een middelhoge archeologische verwachting). De voor WaardeArcheologie 6 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. In dit gebied gelden voor ruimtelijke plannen de volgende criteria: archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, indien de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 500 m2 en dieper dan 75 cm. Bij doorgang van de plannen worden bovenstaande criteria overschreden. Archeologisch waarden en onderzoek Het plangebied is op de archeologische waardenkaart grotendeels aangeduid als een zone waarvoor een middelhoge archeologische verwachting geldt. De zuidelijke strook die grenst aan de Kanaalweg valt binnen de limeszone. Ter plaatse van het huidige Rijn-Schiekanaal heeft gedurende de Romeinse tijd het Kanaal van Corbulo gelegen en op de oevers van dit
kanaal kunnen bewoningssporen uit de Romeinse tijd aanwezig zijn. Deze zone krijgt normaliter in ruimtelijke plannen een dubbelbestemming met een kleine vrijstelling (100m2 en 50 cm).
Uitsnede uit de archeologische waardenkaart van Leiden. Het plangebied is met een zwart kader aangeduid. Het rode kader is de zone die in 2018 is onderzocht.
In het plangebied zijn twee onderzoeken uitgevoerd. Ter plaatse van de noordelijke helft van blok 1 en ten noordoosten hiervan is in 2011 een booronderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat de eerste 1,5 tot 2 meter grond bestaat uit een subrecent ophogingspakket en dat hieronder geen archeologische resten aanwezig waren. Dit gebied is vervolgens vrijgegeven. Het onderzoek is vastgelegd in het volgende rapport: - Haar, L. van der & P.C. Teekens, 2012: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende boringen) Leidse Schans, Leiden, Heerenveen (Archeologische rapporten Oranjewoud 2011/94). De gehele oppervlakte van blok 3 is in 2018 archeologisch onderzocht. Hieruit bleek eveneens dat de bovenste 1,6-2 meter uit opgebrachte grond bestaat. Hieronder waren afzettingen aanwezig die in het verleden te nat waren voor bewoning. Er zijn langs het kanaal van Corbulo geen oeverafzettingen aangetroffen en ook werden geen (relatief) hoge kreekruggen waargenomen. Het onderzoek is vastgelegd in het volgende rapport: - Broeke, E.M. ten, 2018: Archeologisch verkennend booronderzoek Lammenschansweg-Kanaalweg te Leiden gemeente Leiden Direct ten zuidwesten van het plangebied heeft het volgende onderzoek plaatsgevonden: - Steen, E.J., van der, 2005: Inventariserend Veldonderzoek Brill-Plantijnstraat, Leiden (Bodemonderzoek in Leiden 15).
Uit dit onderzoek bleek dat het terrein tot 1,5 meter onder maaiveld geen archeologische waarden heeft. Het plangebied is op de archeologische waardenkaart vrijgegeven. Aanbevelingen t.b.v. nieuw bestemmingsplan De twee archeologische onderzoeken die in het plangebied zijn uitgevoerd worden als representatief beschouwd voor het gehele plangebied. De ondergrond blijkt op beide locaties zeer nat en daarmee ongunstig voor bewoning geweest. Hierdoor is de kans klein dat archeologische resten aanwezig zijn in de nog niet onderzochte zones. Vanwege het feit dat een deel van het plangebied in de provinciale limeszone ligt, heeft de provincie aangegeven toch een aanvullend booronderzoek te willen laten uitvoeren om er zeker van te zijn dat er geen archeologische resten verloren gaan.
Dit onderzoek moet worden uitgevoerd door een daartoe gecertificeerde instelling (www.sikb.nl) onder toezicht van archeologen van Erfgoed Leiden en Omstreken. planarchverg.dotx
Het bureau- en booronderzoek moet voldoen aan de eisen die daarvoor zijn gesteld in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (www.sikb.nl). Afzettingen uit deze periode bevinden zich op een diepte van 1,5 meter of meer. Boringen moeten daarom gezet worden tot een diepte van 4 meter. Er wordt geboord in een grid van 20x25 meter De boringen worden zo gelijkmatig mogelijk over het terrein gezet.
Procedure archeologisch onderzoek Het archeologisch onderzoek begint met het opstellen van een Plan van Aanpak. Daarin wordt vastgelegd aan welke voorwaarden een onderzoek moet voldoen. Op grond van specifieke terreinomstandigheden wordt aangegeven hoe het onderzoek zal worden uitgevoerd, hoe de gemeente daarbij betrokken wordt en wat gedaan wordt als oudheidkundige sporen worden aangetroffen. Teneinde te voorkomen dat een onderzoek niet voldoet, behoeft een Plan van Aanpak gemeentelijke goedkeuring. Chrystel Brandenburgh Erfgoed Leiden en Omstreken Senior adviseur archeologie 071 516 7959 Boisotkade 2A Postbus 16113 2301 GC Leiden www.erfgoedleiden.nl
planarchverg.dotx
Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeer
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
73
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
In ’t Hart van de Bouw
Lammenschans te Leiden – Hof 36
NIEMAN RAADGEVENDE INGENIEURS
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Lammenschans te Leiden – Hof 36
Zinc Real Estate Group Parnassusweg 819 1082 LZ Amsterdam
Vertegenwoordigd door: De heer B. van den Bichelaer
Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V. Vestiging Utrecht Postbus 40217 3504 AA Utrecht T 030 - 241 34 27 utrecht@nieman.nl www.nieman.nl
Uitgevoerd door:
De heer R. Sarkez Mevrouw I. Du Ry
Wij gaan vertrouwelijk met uw gegevens om, geheel volgens de richtlijnen voor Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Lees onze privacyverklaring.
Referentie:
20181054
Status:
definitief
Datum:
16-11-2020
Hoofdstuk 1 Inleiding
2
Wettelijk kader
3
2.1
Wet geluidhinder
3
2.2
Normstelling
4
2.3
Hogere grenswaarden
4
2.4
Lokaal geluidbeleid
5
2.5
Bouwbesluit
8
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3 Uitgangspunten
9
3.1
Ruimtelijke Situatie
9
3.2
Overige gegevens
9
3.3
Verkeersintensiteiten
10
3.4
Wegdekken en maximum snelheden
10
3.5
De omgeving
10
3.6
Waarneempunten
10
3.7
Rekenmethode
11
Hoofdstuk 4 Resultaten
12
4.1
Geluidbelasting op de gevel
12
4.2
Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen
16
4.3
Hogere grenswaarden
18
4.4
Geluidwering gevel
23
4.5
Akoestisch compensatie
24
Hoofdstuk 5 Conclusie
27
5.1
Geluidbelasting op de gevel
27
5.2
Hogere grenswaarden
27
5.3
Geluidwering gevel en binnenniveau
28
Bijlagen Bijlage 1
Gemodelleerde situatie
Bijlage 2
Invoergegevens rekenmodel
Bijlage 3
Ligging rekenpunten
Bijlage 4
Rekenresultaten
Bijlage 5
Maatregelen geluidluwe gevels/balkons
Bijlage 6
Rekenresultaten berekeningen geluidluwe balkons
Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V.
Lammenschans te Leiden – Hof 36
In opdracht van Zinc Real Estate Group, vertegenwoordigd door de heer B. van den Bichelaer, is voor het project “Lammenschans te Leiden – Hof 36” een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de woningen en het kinderdagverblijf in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Dit rapport is opgesteld voor het maatgevende jaar 2030.
Het onderzoek is noodzakelijk omdat het gebied binnen de Wet geluidhinder vastgelegde geluidzones van de N206, de Lammenschansweg/Lammenschansplein en de Kanaalweg ligt. De woningen en het kinderdagverblijf binnen deze zone moeten getoetst worden aan de Wet geluidhinder.
In dit rapport zijn de resultaten als gevolg van wegverkeer per wegvak en de gecumuleerde waarden weergegeven. Deze cumulatieve waarden zijn nodig voor het onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevel conform afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. Bovendien is het aantal aan te vragen hogere waarden voor het project geïnventariseerd. In dit rapport zijn de resultaten van het onderzoek weergegeven.
Dit rapport vervangt eerder rapport met hetzelfde kenmerk d.d. 11 september 2020. In dit rapport zijn alle opmerkingen van de Omgevingsdienst ontvangen per mail d.d. 5 oktober 2020 verwerkt en goedgekeurd per mail d.d. 3 november 2020.
20181054 - 16-11-2020
Pagina 2
Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V.
2.1
Lammenschans te Leiden – Hof 36
Wet geluidhinder
Volgens de Wet geluidhinder moet bij nieuwbouw van een geluidgevoelige bestemming, gelegen binnen de geluidzones van één of meer verkeersbronnen een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Woningen, onderwijs- en zorgfuncties vormen geluidgevoelige bestemmingen. Bij dit onderzoek dient de geluidbelasting t.g.v. de verschillende geluidsbronnen op de gevels te worden bepaald.
De grootte van de geluidzone is afhankelijk van het type weg, het aantal rijstroken en of de weg binnenstedelijk is of buitenstedelijk. De zonebreedtes zijn opgenomen in tabel 1.
Tabel 1: Breedte van de geluidszones [m] Type Weg
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 m
250 m
3 of 4 rijstroken
350 m
400 m
5 of meer rijstroken
350 m
600 m
Figuur 1: Gezoneerde wegen en projectlocatie
Figuur 1 geeft de gezoneerde wegen weer waarvan de geluidbelasting op de gevels moet worden bepaald. In tabel 2 zijn de relevante gezoneerde wegen en het aantal rijstroken weergegeven. Tevens is de breedte van de geluidzone van de wegen weergegeven. De planlocatie is gelegen in stedelijk gebied.
20181054 - 16-11-2020
Pagina 3
Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V.
Lammenschans te Leiden – Hof 36
Tabel 2: Breedte van de geluidszones per weg [m] Wegvak
Aantal rijstroken
Breedte van de geluidzone
N206
3 of 4
350 m
Lammenschansweg/Lammenschansplein
3 of 4
350 m
2
200 m
Kanaalweg
Voordat de geluidbelasting op de gevel getoetst wordt aan de wettelijke norm, moet bij een binnenstedelijke weg met een maximumsnelheid van 50 km/uur een aftrek van 5 dB worden toegepast op de berekende Lden-waarde conform de Wet geluidhinder, art. 110g.
De achtergrond van deze aftrek is de veronderstelling, dat het motorgeluid van voertuigen in de toekomst ten gevolge van technische innovaties zal afnemen. Voor het bepalen van de karakteristieke geluidwering van de gevel, mag deze reductie niet worden toegepast.
2.2
Normstelling
De Lden wordt berekend door de equivalente geluidniveaus van de dag-, avond-, en nachtperiode logaritmisch te middelen, waarbij de duur van de periode in rekening wordt gebracht. Voor de avondperiode geldt dat er een correctiefactor van 5 dB in rekening moet worden gebracht, voor de nacht geldt een correctiefactor van 10 dB. De A-gewogen geluidbelasting op de gevel ten gevolgde van zowel wegverkeerslawaai wordt voor Lden uitgedrukt in dB en niet meer in dB(A), ondanks dat het resultaat van Lden wel gewogen is conform de Aweging. De definitie voor Lden is als volgt:
Lden = 10 log (12/24 x 10 Lday/10 + 4/24 x 10 (Levening+5)/10 + 8/24 x 10 (Lnight+10)/10 uitgedrukt in de eenheid [dB]
De Lden dient te worden getoetst aan de in de Wet geluidhinder genoemde grenswaarden. Er zijn twee soorten grenswaarden, de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde. In tabel 3 zijn de hier relevante grenswaarden samengevat
Tabel 3: Grenswaarden voor nieuwbouw in een binnenstedelijke situatie Grenswaarde
Wegverkeer
Voorkeursgrenswaarde [dB]
48 dB
Maximale ontheffingswaarde [dB]
63 dB
2.3
Hogere grenswaarden
Uitgaande van tabel 3 uit paragraaf 2.2 zijn er drie situaties mogelijk: 1. De geluidbelasting op een geluidgevoelige bestemming ligt onder de voorkeursgrenswaarde. Het gebouw wordt als niet- geluidbelast of geluidluw beschouwd; er zijn geluidstechnisch geen nadere acties nodig om het gebouw te realiseren.
20181054 - 16-11-2020
Pagina 4
Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V.
2. De
geluidbelasting
Lammenschans te Leiden – Hof 36
ligt
boven
de
voorkeursgrenswaarde
maar
onder
de
maximale
ontheffingswaarde. In dat geval dienen er bij voorkeur maatregelen genomen te worden om de geluidbelasting terug te dringen onder de voorkeursgrenswaarde. Dat kan door bronmaatregelen (aantal voertuigen, wegdek) of overdrachtsmaatregelen (geluidsschermen).
Indien er bezwaren zijn vanuit stedenbouwkundig, verkeerskundig, landschappelijk of financieel standpunt, zal er bij van de gemeente hogere waarden moeten worden aangevraagd en zullen er geluidwerende maatregelen in de gevel moeten worden toegepast. Dat om te waarborgen dat de maximaal toegestane binnenniveaus in verblijfsruimten van de geluidgevoelige bestemmingen niet hoger zijn dan de in de Wet geluidhinder voorgeschreven maximale niveaus. Voor woningen bedraagt het maximale toegestane binnenniveau als gevolg van wegverkeer 33 dB.
3. De geluidbelasting ligt hoger dan de maximale ontheffingswaarde. In deze situatie kan er alleen gebouwd worden indien er gewerkt wordt met dove gevels of als de geluidbelasting wordt teruggebracht tot een waarde die lager is dan de maximale ontheffingswaarde.
2.4
Lokaal geluidbeleid
De gemeente Leiden hanteert het beleid bij het vaststellen van hogere waarden, dat is vastgelegd in het beleidsstuk “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder” vastgesteld in maart 2013. Hieronder wordt aangegeven welke voorwaarden de gemeente stelt bij het verlenen van hogere waarden:
Doelstellingen
Bron: Geluidbeleid gemeente Leiden Noot b onder punt f: in de vorm van bijvoorbeeld extra isolatie naar de buren, creëren extra stille gevel of hogere geluidwering van de gevel
20181054 - 16-11-2020
Pagina 5
Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V.
Lammenschans te Leiden – Hof 36
Voorwaarden en criteria voor het vaststellen van hogere waarden De criteria zijn onder te verdelen in algemene criteria en specifieke criteria.
Algemene voorwaarden en criteria Een hogere waarde kan slechts worden vastgesteld als maatregelen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, of als er ernstige bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijk of financiële aard.
Een hogere waarde kan alleen worden toegepast als de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare (indien niet kan worden voldaan aan de geluidweringeisen volgens het Bouwbesluit) geluidbelasting.
Specifieke voorwaarden en criteria voor woningen
Bron: Geluidbeleid gemeente Leiden
20181054 - 16-11-2020
Pagina 6
Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V.
Lammenschans te Leiden – Hof 36
Bron: Geluidbeleid gemeente Leiden
Het geluidbeleid van de Omgevingsdienst is er op gericht om niet tot het wettelijke maximum te gaan. De maximale hogere waarden die nu landelijk wettelijk mogelijk zijn geven niet die kwaliteit van de leefomgeving die de Omgevingsdienst voor ogen heeft. Dit betekent dat de dienst als maximaal mogelijke hogere waarden voor nieuwe woningen, 5 dB lagere geluidbelastingen aanhoudt dan op grond van de Wet geluidhinder maximaal mogelijke waarden. In de onderhavige situatie geldt in principe een maximale hogere waarde van 58 dB voor wegverkeerslawaai.
20181054 - 16-11-2020
Pagina 7
Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V.
2.5
Lammenschans te Leiden – Hof 36
Bouwbesluit
Indien maatregelen aan de bron of overdrachtsmaatregelen niet opportuun zijn, dient de uitwendige scheidingsconstructie van de geluidbelaste gevel te worden aangepast. Hierbij geldt het Bouwbesluit, art. 3.2: de karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied binnen een nieuw te bouwen woning moet voldoen aan de eis, dat deze groter of gelijk is aan de waarde van het verschil tussen de uitwendige geluidbelasting excl. aftrek art. 110g en het binnenniveau met een minimumniveau van 20 dB.