210074 Bijlage 2a Toelichting Vaststelling bestemmingsplan ‘Lammenschansweg-HOF36’
Tekst van het document
Het bouwwerk is goed geïsoleerd, waardoor het een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en alarmsysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De Veiligheidsregio zal om advies moeten worden gevraagd. De beoogde ontwikkeling is in het kader van externe veiligheid geen bezwaar. 4.7.4
Geluid
Beleidskader Wet geluidhinder De op 1 januari 2007 vastgestelde Wet geluidhinder (Wgh) schrijft voor dat elke planologische maatregel waarmee nieuwe gevoelige functies worden toegestaan binnen de geluidszone van een weg of spoorweg, een akoestisch onderzoek bevat. Ook het planologisch toestaan van voorzieningen die gepaard gaan met wegreconstructies dienen te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Uit het onderzoek moet blijken of de geldende voorkeursgrenswaarde voor geluid op de gevels van de gevoelige functies worden gehaald. Wanneer die voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegen en 53 dB bij
52
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
spoorwegen niet worden gehaald na het realiseren van nieuwe geluidgevoelige functies, dienen maatregelen te worden onderzocht waarmee alsnog aan de waarde kan worden voldaan. Wanneer, ook na gebruik van redelijkerwijs toepasbare maatregelen, zoals de aanleg van stiller asfalt, het aanbrengen van raildempers, het verlagen van maximumsnelheden of het bouwen van geluidsschermen, niet aan de voorkeursgrenswaarden kan worden voldaan, is het bevoegd gezag bevoegd om hogere grenswaarden vast te stellen tot een maximum van 63 dB voor wegverkeer en 68 dB voor spoorverkeer. Daarmee wordt niet toegestaan dat de (spoor)weg meer geluid mag produceren, maar wordt voor een specifiek bouwplan een hogere gevelbelasting toegestaan. De bevoegdheid tot het stellen van hogere waarden is in Leiden gemandateerd aan de Omgevingsdienst West-Holland. Voor het uitvoeren van die taak is door de Omgevingsdienst een set richtlijnen vastgesteld, die aangeven wanneer hogere waarden worden verleend. Die richtlijnen bevatten 5 dB strengere normen dan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder, met uitzondering van onder andere plaatsen langs drukke verkeersroutes en in de binnenstad van Leiden. Daarnaast geldt op basis van de richtlijnen dat nieuwe woningen langs wegen met een geluidsbelasting van meer dan 53 dB op één of meerdere gevels ook minimaal één geluidsluwe gevel dienen te hebben, met een buitenruimte.
Voor woningen langs spoorwegen geldt datzelfde bij een geluidsbelasting hoger dan 58 dB. Wanneer dat niet haalbaar is, zal zogenaamde 'akoestische compensatie' moeten plaatsvinden, waarbij de buitenruimte bijvoorbeeld af te dichten is met schuifbare geluidwerende puien. Wet ruimtelijke ordening Wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30km-gebied vallen niet onder de Wgh en hoeven daarom niet te voldoen aan de verschillende grenswaarden, ook niet wanneer sprake is van een wegreconstructie. Wanneer de uitvoering van een bestemmingsplan echter aannemelijkerwijs tot significante wijzigingen in verkeersintensiteiten leidt, is het inzichtelijk maken van de gevolgen voor geluidhinder nog steeds nodig vanuit het toetsingsstramien van 'een goede ruimtelijke ordening'. Onderzoeksresultaten Er is door Nieman een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Voor het complete onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Geluidbelasting op de gevel Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting op het project “Lammenschans – Hof 36” te Leiden een overschrijding ten gevolge van wegverkeer van de voorkeursgrenswaarde kent. De berekende geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de N206 ligt m.u.v. drie rekenhoogtes onder de voorkeursgrenswaarde. Bij de rekenpunten 063 en 064 wordt de voorkeursgrenswaarde met 2 dB overschreden.
De hoogst berekende waarde bedraagt 50 dB. De berekende geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Lammenschansweg/Lammenschansplein en de Kanaalweg ligt lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in binnenstedelijke gebieden. De hoogst berekende waarde bedraagt respectievelijk 59 en 57 dB (inclusief 5 dB aftrek art. 110g). Op een aantal woningen overschrijdt de geluidbelasting met 0,1 / 0,4 dB de ambitie van de gemeente om te voldoen aan 58 dB (de gemeente Leiden hanteert het beleid bij het vaststellen van hogere waarden, dat is vastgelegd in het beleidsstuk “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder” vastgesteld in maart 2013). Aangezien het om een beperkt aantal woningen gaat, is het verdedigbaar om - in belang van het totale plan en gelet op de beperkte overschrijding bij een beperkt aantal woningen - ook voor deze woningen een hogere waarde te verlenen. Hogere grenswaarden Indien de geluidbelasting op de gevels van woningen hoger is dan 53 dB worden bij het verlenen van de hogere grenswaarden, vanuit het gemeentelijk geluidbeleid voorwaarden gesteld aan de aanwezigheid van een geluidluwe gevel en een geluidluwe balkon.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
53
Voor de woningen/appartementen die beschikken over een balkon en de geluidbelasting hoger is dan 53 dB zijn maatregelen (balkonafscherming) nodig om ervoor te zorgen dat de gevel achter het balkon een geluidluwe gevel wordt. Een aantal appartementen van blok A zijn eenzijdig georiënteerde appartementen (voorgevel) die niet kunnen beschikken over balkons (appartementen tussen stramien A2-A3 en A4-A9). Voor deze appartementen kan geen geluidluwe gevel gecreëerd worden. Conform het gemeentelijke beleid dient voor deze appartementen een akoestisch compensatie plaats te vinden. Voor deze appartementen is op de 6e verdieping tussen stramien A9-A11 een gezamenlijke geluidluwe binnentuin gecreëerd. Daarnaast dient voor de appartementen die een hogere geluidbelasting ondervinden dan 53 dB akoestisch compensatie maatregelen (+5 dB contact- en luchtgeluidisolatie en geluidwering ten opzichte van het Bouwbesluiteisen) te worden getroffen. In het als bijlage toegevoegde akoestisch onderzoek is een tabel opgenomen met de aangevraagde hogere waarden per woning/appartement. De ontwerpbeschikking voor het verlenen van de benodigde hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan gepubliceerd.
Geluidwering gevel en binnenniveau Om de geluidwering van de gevel te kunnen bepalen worden de bijdragen van de reeds berekende gezoneerde wegen (exclusief de aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder) moeten worden gecumuleerd. De gevels van de appartementen van het onderhavig plan worden niet tegelijk meer dan 48 dB geluidbelast. De bijdrage van de Lammenschans op de gevels van de appartementen aan de kant van de Kanaalweg is veel lager dan de voorkeursgrenswaarde. Hetzelfde geldt ook andersom. Hierdoor is de gecumuleerde geluidbelasting van alle geluidbronnen niet hoger dan de bijdrage per geluidbron. Dit betekent dat de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting wat een voorwaarde is voor aan te vragen hogere waarde. Indien de berekende gecumuleerde geluidbelasting kwalitatief wordt beoordeeld op basis van de milieukwaliteitsmaat (conform Methode Miedema), zal de kwalificatie van de gevels, conform onderstaande tabel, variëren van Goed tot tamelijk slecht. Mede hierom wordt akoestische compensatie toegepast. Deze wordt bereikt door het toepassen van technische maatregelen aan de vloer, zodat voldoende contactgeluidisolatie wordt bereikt die 5 dB beter is dan de Bouwbesluit eis. Luchtgeluidsisolatie kan niet worden toegepast aangezien dit een te grote impact heeft op de oppervlakte van de appartementen.
Ter bepaling van de gevelgeluidwering zijn de geluidbelastingen als gevolg van wegverkeer gecumuleerd. Daar waar het +5 dB compensatie geregeld kan worden, zal dit worden uitgevoerd. Daar waar het niet kan, is aangeven welke compensatie maximaal haalbaar is. Dit betreft voornamelijk delen van de gevels aan de Lammenschansweg. Om het binnenniveau van 33 dB niet te overschrijden is een onderzoek naar de geluidwering van de gevel nodig. De uitwerking van de geluidwering gevel is opgenomen in een integrale bouwbesluitrapportage. Hierbij is uitgegaan van de gecumuleerde belastingen. 4.7.5
Luchtkwaliteit
Beleidskader Wet milieubeheer (Wm) Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit en bevat kwaliteitseisen voor de buitenlucht. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen luchtverontreiniging. Daartoe zijn in bijlage 2 van de Wm grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 / PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland
54
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen in bijlage 2 komen alleen in hogere mate voor in de nabijheid van specifieke bedrijven, zoals tankstations. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) De 'Wet luchtkwaliteit' vormt de Nederlandse uitwerking van de Europese normen voor de luchtkwaliteit. Op grond van de Europese regelgeving moest vanaf 2005 overal in Europa worden voldaan aan de grenswaarde voor fijn stof. Voor stikstofdioxide gold de grenswaarde vanaf 2010. In Nederland is het niet gelukt om overal aan de grenswaarden te voldoen, waarna de regering de Europese Commissie om uitstel heeft verzocht. Op 7 april 2009 is dat gevraagde uitstel gegeven, waarna de jaargemiddelde norm voor fijn stof in juni 2011 alsnog overal gehaald moest zijn en de daggemiddelde en jaargemiddelde norm voor NO2 uiterlijk op 1 januari 2015. Om deze normen te halen is een maatregelenpakket opgesteld, dat in een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid en de lagere overheden wordt uitgevoerd. Dit pakket wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) genoemd. Het NSL is op 1 augustus 2009 van kracht geworden en vormt de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren.
Het Rijk coördineert het programma. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in Amvb's en ministeriële regelingen, waarvan de onderstaanden hier van belang zijn. Besluit en regeling 'niet in betekenende mate' De 'Wet luchtkwaliteit' maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel 'niet in betekenende mate' (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit op de desbetreffende locatie. Grotere projecten die in betekenende mate bijdragen kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project al dan niet als 'in betekenende mate bijdragend aan een verslechtering van de luchtkwaliteit' moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is, gelet op de bestaande concentraties. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen, zoals ouderen, zieken en kinderen. Besluit gevoelige bestemmingen Met het Besluit gevoelige bestemmingen wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale wegen en rijkswegen beperkt. Het besluit is daarmee niet van toepassing op dit bestemmingsplan, want het plangebied ligt niet in de nabijheid van provinciale wegen en rijkswegen. Regionaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit In het Regionale Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit Zuid Holland is een aantal maatregelen ingebracht, die in de regio Holland Rijnland worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn opgenomen in het NSL. De uitvoering van deze maatregelen wordt gecoördineerd door de Omgevingsdienst West-Holland. Onderzoeksresultaten Hof 36 Dit bestemmingsplan ziet programmatisch op de realisatie van 444 appartementen. Daarmee valt het project ruimschoots onder de 'NIBM-criteria' en kan een toets aan de Wet milieubeheer formeel achterwege blijven. Op basis van het 'Besluit niet in betekenende mate' kan op voorhand worden
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
55
uitgesloten dat het project een merkbaar effect op de luchtkwaliteit ter plaatse zal hebben. Invloed initiatief op luchtkwaliteit In de paragraaf 'Verkeer en vervoer' is een inschatting gegeven van de toekomstige verkeersgeneratie van appartementencomplex. Hierin is tevens beschreven dat bedrijven en functies die conform het vigerende bestemmingsplan op dit moment al zijn toegestaan op de locatie een vergelijkbare of hogere verkeersgeneratie hebben dan het appartementencomplex zal hebben. Bij het opstellen van dat bestemmingsplan is dus ook al rekening gehouden met de toename van de verkeersgeneratie die daarmee gepaard gaat. In planologische zin neemt de verkeersgeneratie dus niet toe. De invloed op de luchtkwaliteit wegens deze verkeersbewegingen verslechterd dan ook niet vergeleken met die situatie. In de huidige feitelijke situatie ligt het plangebied echter geheel braak en heeft het terrein dus een te verwaarlozen verkeersgeneratie. Uit de paragraaf 'Verkeer en vervoer' blijkt dat het appartementencomplex een verkeersgeneratie zal hebben van 1.867 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Om een inschatting te geven van de feitelijke effecten op de luchtkwaliteit is dit gegeven gebruikt in de NIBM-tool. Middels deze tool wordt inzicht gegeven in de bijdrage van het verkeer met betrekking tot stikstof en fijnstof. In figuur 4.5 zijn de resultaten van deze tool weergegeven.
Geconcludeerd wordt dat ook de feitelijke toename aan verkeer 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Figuur 4.5: Resultaten NIBM-tool Woon- en leefklimaat Hieronder zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van het plangebied weergegeven. Hieruit kan worden opgemerkt dat de achtergrondwaarden bij de dichtstbijzijnde meetpunten (ruim) onder de norm liggen. Om deze reden kan worden gezegd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabele luchtkwaliteit. Er is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige appartementen.
56
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
Figuur 4.6: Achtergrondwaarden luchtkwaliteit (bron: NSL-monitoringstool)
Het aspect 'luchtkwaliteit' zorgt om bovengenoemde redenen niet voor belemmeringen. Zirkzee en Schouls Voor zowel Zirkzee als Schouls geldt dat er geen ontwikkelingen in dit bestemmingplan zijn voorzien. De vigerende bestemmingen en het huidige gebruik worden in stand gehouden. In beide gevallen wordt daarmee niet voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
57
4.7.6
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Het bestemmingsplan ziet op de realisatie van max. 444 appartementen in plaats van een bestemming waar middelzware bedrijvigheid mogelijk is, en valt daarmee in principe onder categorie D11.2 (stedelijke ontwikkelingsprojecten). Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. Gelet op de omvang van het project, die aanzienlijk lager is dan de drempelwaarde van 2.000 woningen, en de aard en ligging van het projectgebied (in stedelijk gebied) is beoordeeld dat het opstellen van een Milieueffectrapport niet noodzakelijk is. Met deze beoordeling is rekening gehouden met: 1. de kenmerken van het project; 2.
de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Zo is er geen sprake van de normen voor luchtkwaliteit, is sprake van het wegbestemmen van potentieel hinderlijke bestemmingen in het transformatiegebied 'Lammenschansdriehoek', zijn de verkeerseffecten aanvaardbaar en zijn heeft het plan geen negatieve invloed op beschermde soorten en gebieden (zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland).
58
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
4.8
Hoogbouwtoets
4.8.1
Beleidskader
Leiden kent één van de hoogste adresdichtheden van Nederland, en binnen de gemeentegrenzen zijn geen uitleggebieden meer aanwezig. Dit terwijl Leiden en de omliggende gemeenten als onderdeel van een groeiregio een sterke vraag naar nieuwe woningen kennen (zie paragraaf 3.2.2). In lijn met de uitgangspunten in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, de provinciale structuurvisie en Verordening Ruimte, en alle andere relevante vigerende ruimtelijke beleidskaders, streeft de gemeente Leiden daarom - deels noodgedwongen vanwege de beperkte ruimte, maar ook vanwege de behoefte aan centrumstedelijke woonmilieus - naar verdichting binnen het bestaande stedelijke veld. Die verdichtingsopgave heeft in 2007 geleid tot de noodzaak beleid op te stellen op het gebied van hoogbouw: de Hoogbouwvisie. De Hoogbouwvisie bestaat uit twee onderdelen, namelijk een overweging en aanwijzing van locaties waar hoogbouw gewenst is vanuit het oogpunt van herkenbaarheid, zichtbaarheid en de toegevoegde waarde van verdichting, en een proces voor de nadere afstemming en onderbouwing van concrete hoogbouwinitiatieven: de zogenaamde 'hoogbouwtoets'.
Ten aanzien van het eerste onderdeel is de Hoogbouwvisie inmiddels achterhaald door de vaststelling van de Ontwikkelstrategie Lammenschansdriehoek (zie paragraaf 3.4.2), waarin nauwkeurigere uitspraken zijn gedaan over de gewenste bouwhoogtes in de Lammenschansdriehoek. De hoogbouwtoets geldt echter nog steeds als procesvereiste bij de vaststelling van bestemmingsplannen, waarin bouwvolumes hoger dan 25 meter worden toegestaan. De hoogbouwtoets bestaat uit het in beeld brengen van de zichtbaarheid van hoogbouwelementen vanaf belangrijke zichtpunten in de omgeving, het in beeld brengen van schaduweffecten en het onderzoeken van eventuele windhinder.
Figuur 4.7: Kaart met hoogbouwzones uit de Hoogbouwvisie Leiden
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
59
4.8.2
Onderzoeksresultaten
Voor dit plan heeft een hoogbouwtoets plaatsgevonden. Er is een onderzoek gedaan naar windhinder en schaduwwerking. Daarnaast is gekeken naar zichtlijnen. De onderzoeken zijn opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hieronder worden enkele conclusies beschreven. Windhinder Uit de simulatieresultaten blijkt dat er geen windgevaar en geen slecht windklimaat voor doorlopen in de beschouwde buitengebieden te verwachten zijn. Een aantal knelpunten met betrekking tot windhinder zijn er wel geconstateerd op enkele plekken. Voor de knelpunten zijn eerste oplossingsrichtingen gesuggereerd. Het toekomstige windklimaat ten noordoosten van het project zal afhankelijk van de toekomstige bebouwing op de percelen die ten noordoosten aan het project grenzen. De mate van windhinder (en mogelijk windgevaar) zal mede sterk van de hoogte en vorm van die nieuwbouw afhangen. Zichtlijnen Vanuit 5 zichtpunten is de geplande nieuwbouw niet of enkel in bepaalde jaargetijden zichtbaar door aanwezigheid van bebouwing en begroeiing. Vanuit 3 zichtpunten is enkel één toren minimaal zichtbaar, doordat deze boven gebouwen of begroeiing uitsteekt. Vanuit drukke ontsluitingswegen is in 4 gevallen HOF 36 duidelijk zichtbaar, ondanks de duidelijke zichtbaarheid is de nieuwbouw nabij deze infrastructuur passend. De uitstraling, maat en schaal van de geplande nieuwbouw sluit aan bij de drukke infrastructuur.
Door de geringe afstand en verschillend karakteristiek staat de aangrenzende woonwijk in het noordwesten het meest in contrast met de geplande ontwikkeling, echter is de impact beperkt doordat de geplande nieuwbouw niet of nauwelijks zichtbaar is vanuit deze woonwijk. Bezonning/schaduwwerking Wanneer de geplande bebouwing gerealiseerd wordt, zal de bezonningssituatie voor woningen aan de Lammenschansweg en Kanaalweg en de bedrijfspanden ten noorden van de geplande ontwikkeling verslechteren. Echter zijn de veranderingen voor de gehinderde woonfuncties in de directe omgeving klein, omdat deze voor een zeer korte periode (zowel tijdstippen als periode van het jaar) gelden. De achteruitgang van de bedrijfspanden in de directe omgeving is door de overwegend gesloten gevels eveneens zeer klein. De geplande ontwikkeling doet op het gebied van bezonning geen onredelijke afbreuk aan woon- of gebruikskwaliteit van de bewoners aan de Lammenschansweg en Kanaalweg en de gebruikers van de bedrijfspanden ten noorden van de geplande ontwikkeling. Conclusie Voor zowel windhinder, zichtlijnen en bezonning zullen bepaalde zones in de omgeving als gevolg van de geplande ontwikkeling veranderingen ondervinden. Per specifiek onderdeel (wind, zicht en bezonning) zijn de veranderingen op verschillende locaties waarneembaar.
Deze specifieke locaties waar verandering optreedt, hebben weinig overlap met elkaar. Hoewel er aantoonbare achteruitgangen zijn, kan geconcludeerd worden dat de veranderingen minimaal zijn en elkaar niet versterken door overlap waardoor er geen afbreuk wordt gedaan aan de gebruiks- en ruimtelijke kwaliteit in de openbare ruimte rondom de geplande ontwikkeling.
60
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
4.9
Verkeer en vervoer
4.9.1
Beleidskader
Nota Mobiliteit De Nota Mobiliteit geeft de visie van het rijk op het verkeer en vervoersbeleid weer tot en met 2020. De Nota is in samenwerking met de provincies, gemeenten, kaderwetgebieden en waterschappen tot stand gekomen. De Nota Mobiliteit is een zogenaamde planologische kernbeslissing (pkb), een planfiguur die wordt beschreven in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en die de nota zijn wettelijke status geeft. Dit betekent dat eerst een beleidsvoornemen wordt gemaakt, waarna inspraak en advies volgen en tot slot een kabinetsstandpunt met parlementaire behandeling. De ruimtelijke aspecten van het verkeers- en vervoersbeleid komen terug in de Nota Ruimte van het ministerie van VROM. De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op 28 mei 2004 de hoofdlijnennotitie voor de Nota Mobiliteit aan de Tweede Kamer aangeboden. In de hoofdlijnennotitie worden de volgende beleidsdoelen aangegeven: het verbeteren van de internationale bereikbaarheid; het verbeteren van de interne en onderlinge bereikbaarheid van de nationale stedelijke netwerken en economische kerngebieden; een goed functionerend systeem voor het vervoer van personen en goederen als essentiële voorwaarde voor economische ontwikkeling; het inzetten op proces- en technologie-innovatie ter realisering van de beleidsdoelen.
De uitgangspunten bij het realiseren van deze beleidsdoelen zijn betrouwbare reistijden, vlotte en veilige verkeersafwikkeling binnen de (inter)nationale wettelijke en beleidsmatige kaders van milieu en leefomgeving. Een goede bereikbaarheid is een voorwaarde voor de sociale en economische ontwikkeling in Nederland. Op zijn beurt creëert die ontwikkeling weer nieuwe mobiliteit. Mobiliteit mag, maar niet altijd en overal. Mensen moeten mobiel kunnen zijn om maatschappelijk te kunnen participeren. Nota Beleidsregels Parkeernormen Leiden De parkeernormen van Leiden zijn opgenomen in de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020. De beleidsregels bevatten parkeernormen voor allerlei verschillende functies, met bijbehorende bezettingspercentages per dagdeel, en stellen plantoetsers op die manier in staat te bepalen wat de parkeerbehoefte vanuit een ontwikkeling precies is. In beginsel dient elke ontwikkeling op of onder eigen terrein te voorzien in de toename van de parkeerbehoefte. Een eventueel parkeertekort in de bestaande situatie hoeft niet te worden opgelost. Het beleid borgt zodoende dat ontwikkelingen kunnen plaatsvinden wanneer reeds sprake is van een tekort op de parkeerbalans, zolang dat tekort maar niet toeneemt. In de Beleidsregels Parkeernormen Leiden wordt uitgegaan van een gebiedsindeling. De projectlocatie bevindt zich in het gebied ‘2e schil rond de binnenstad’.
De parkeernormen en zone-indeling zijn hieronder weergegeven.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
61
Figuur 4.8: Zone-indeling Leiden en parkeernormen
Parkeervisie Leiden heeft een nieuwe visie op parkeren ontwikkeld, voor zowel de auto als de fiets. Leiden heeft flinke ambities voor de toekomst, zo bleek bij het aantreden van het nieuwe college in 2018 en het nieuwe beleidsakkoord 2018-2022. Ambities op het gebied van onder meer duurzaamheid, mobiliteit en parkeren. In de parkeervisie is een duidelijk tijdspad aangegeven van de maatregelen tussen nu en 2030. Een belangrijke doelstelling is om met alle maatregelen de bouw te faciliteren en het autogebruik te beperken. Hiermee zal ook een bijdrage geleverd worden aan het op peil houden van de bereikbaarheid van de stad, ook nadat er vele extra bewoners en bezoekers bijkomen.
62
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
Beleidsprogramma Fiets 2020-2030 De gemeente Leiden heeft fietsparkeernormen. Deze zijn weergegeven in de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020. In onderstaande tabel is de fietsparkeerbehoefte per type woning weergegeven.
4.9.2
Onderzoeksresultaten
Verkeer Dit initiatief voorziet in een appartementencomplex met ruimte voor 444 woningen. De woningen bestaan uit verschillende woontypen en hebben verschillende oppervlaktes. Deze oppervlaktes variëren tussen circa 25 en 125 m2. Om de toekomstige verkeersgeneratie te berekenen van deze woningen is gebruik gemaakt van de CROW-tool. Deze tool geeft op basis van CROW-kengetallen een schatting van de toekomstige verkeersgeneratie. In de CROW-tool wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten woningen. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Voor 86 woningen met een oppervlakte < 50 m2 is het type 'koop, etage, goedkoop' aangehouden; Voor 126 woningen met een oppervlakte < 50 m2 is het type 'etagewoning, sociale huur' aangehouden; Voor woningen met een oppervlakte tussen 50 m2 en 80 m2 is het type 'koop, etage, midden' aangehouden; Voor woningen met een oppervlakte > 80 m2 is het type 'koop, etage, duur' aangehouden. Volgens deze systematiek vallen 212 woningen binnen het type 'goedkoop', 205 woningen binnen het type 'midden' en 27 woningen binnen het type 'duur'. Voor alle woningen is een ligging in de regio 'schil centrum' gehanteerd. Om voor de gemengde functies in de plint aan de Lammenschansweg (van maximaal 675 m2) ook een verkeersgeneratie in te kunnen schatten is in de CROW-tool hiervoor een 'wijkcentrum (gemiddeld)' gehanteerd.
De resultaten van de CROW-tool met betrekking tot de verkeersgeneratie zijn hieronder weergegeven.
Figuur 4.9: Indicatie toekomstige verkeersgeneratie (conform CROW-tool) Uit de tabel blijkt dat in de toekomstige situatie voor deze locatie op een gemiddelde weekdag een verkeersgeneratie ontstaat van 1.867 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal). In de huidige situatie ligt het plangebied geheel braak en heeft daarom ook een te verwaarlozen verkeersgeneratie. Echter is op basis van het bestemmingsplan op deze locatie (met een bouwvlak van circa 11.000 m2) al veel toegestaan, zoals allerlei bedrijven (tot en met milieucategorie 3.2) of een groothandel. Een groothandel (in levensmiddelen) met 11.000 m2 bvo genereert conform de CROW-tool
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
63
al ruim 3.600 mvt/etmaal. In planologische zin neemt de verkeersgeneratie dus niet toe op deze locatie. Wel moet gezorgd worden dat de verkeerstructuur rondom het plangebied de verkeersgeneratie van het appartementencomplex kan verwerken. In het kader van de ontwikkelstrategie van de Lammenschansdriehoek is hierover al veel nagedacht. Zo worden op deze locatie nieuwe ontsluitingswegen aangelegd. In de uiteindelijke situatie zal, zoals beschreven in paragraaf 2.3.2, een nieuwe weg aangelegd vanaf het plangebied in noordoostelijke richting het ROC Leiden. Deze nieuwe ontsluiting gaat gepaard met de herontwikkeling van de andere percelen in de Lammenschansdriehoek. Daarnaast wordt er vanaf het plangebied richting het zuiden een nieuwe ontsluiting op de Kanaalweg gerealiseerd. Deze weg zal bij de realisatie van het appartementencomplex Hof 36 al aangelegd worden. Deze ontsluiting is tijdelijk de enige nieuwe ontsluiting van de locatie Hof 36 en de 'brill-locatie'. Bij ontwikkeling van de overige percelen van de Lammenschansdriehoek blijft deze weg wel behouden. Voor een soepele verkeersafwikkeling op het nieuwe kruispunt op de Kanaalweg is in onderhavig plan rekening gehouden met een reservering van een ontsluitingsstructuur. Bij voorkeur zal deze bestaan uit een voorrangskruissing (variant 1).
Figuur 4.10: Beoogde ontsluiting op de Kanaalweg Er is aan de hand van verkeerstellingen en een VISSIM simulatie bekeken op welke wijze de toekomstige kruising de verkeersstromen vlot en veilig kan verwerken en wat het definitieve ruimtebeslag van de kruising moet worden. Er zijn drie varianten onderzocht voor de ontsluiting aan de oostzijde van de Lammenschansdriehoek, via de verlegde Plantijnstraat op de Kanaalweg. Hiervan zijn er twee varianten die het verkeer op een acceptabele wijze kunnen verwerken bij de geprognosticeerde intensiteiten: de variant met een brede middenberm op de Kanaalweg (variant 2) en de variant waarbij een deel van de Plantijnstraat slechts voor één richting open is (variant 3). De kwaliteit van de verkeersafwikkeling (dat wil zeggen, minder vertraging) op het kruispunt Kanaalweg Plantijnstraat is bij de variant met de éénrichtingssituatie op een deel van de Plantijnstraat (variant 3) beter dan bij de variant met de brede middenberm. Echter, het instellen van éénrichting heeft ook belangrijke nadelen: minder goede bereikbaarheid voor hulpdiensten, minder flexibiliteit bij calamiteiten en wegwerkzaamheden, en onnodige omrijdbewegingen die de bereikbaarheid van de Lammenschansdriehoek minder goed maken en zorgen voor extra verkeer op andere delen van het wegennet waar dat minder wenselijk is.
64
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
De voorkeur gaat daarom uit naar de variant met de brede middenberm (variant 2), waarbij alle verkeersbewegingen op het kruispunt en van en naar de wijk mogelijk zijn. Met de geprognosticeerde intensiteiten is er bij deze variant gedurende de spits, en dan vooral de avondspits, wel sprake van opbouw van wachtrijen, die ook enige tijd van een behoorlijke lengte kunnen zijn. Er is echter geen sprake van structurele overbelasting. De wachtrijen verdwijnen ook weer gedurende de spitsperiode. De voordelen van de variant met de brede middenberm komen niet zo duidelijk naar voren bij een gemiddelde situatie, maar wel in situaties met een piekaanbod. De uitgevoerde robuustheidsanalyse heeft wel laten zien dat de reservecapaciteit van variant 2 zeer beperkt is, terwijl variant 3 duidelijk meer rek heeft. Binnen de verkeersruimte die nodig is voor variant 2, is het uiteindelijk ook altijd nog mogelijk variant 3 te realiseren. Mocht daarom in de praktijk blijken dat variant 2 tot problemen leidt, dan is variant 3 altijd nog een goed functionerende terugvaloptie. Een definitief ontwerp voor de kruising moet nog gemaakt worden, maar duidelijk is dat er afwikkelingsen ontsluitingsvarianten mogelijk zijn waarbij negatieve effecten op verkeersdrukten niet te verwachten zijn. In de bijlagen bij deze toelichting is het verkeersonderzoek met de resultaten van de VISSIM-simulatie opgenomen.
Parkeren Door Goudappel Coffeng is een parkeeronderbouwing opgesteld. De volledige onderbouwing is in de bijlagen opgenomen. Een samenvatting van de belangrijkste bevindingen is hieronder opgenomen. Parkeerbehoefte op basis van gemeentelijke parkeernormen De parkeerbalans op basis van de gemeentelijke normen is weergegeven in navolgende tabel.
Aangezien er op eigen terrein 205 parkeerplaatsen worden gerealiseerd maar de parkeerbehoefte 223 parkeerplaatsen is, worden er 18 parkeerplaatsen minder gerealiseerd dan in beginsel zou moeten op basis van de gemeentelijke parkeernormen die zijn vastgelegd in het document Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020. Artikel 11 van dit beleidsdocument biedt echter een mogelijkheid om (gemotiveerd) van deze normen af te wijken. Dit artikel luidt als volgt:
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
65
Bij onderhavig plan zijn de onderdelen c en d van het eerste lid specifiek van belang. Op het eerste lid, onderdeel c, kan op dit moment nog geen beroep worden gedaan. Dat heeft te maken met het gegeven dat zich binnen 500 meter loopafstand twee parkeerterreinen (respectievelijk op circa 400 en 490 meter) bevinden waar gratis kan worden geparkeerd. Mede om die reden wordt dan ook een beroep gedaan op artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020. Er zijn zwaarwegende redenen van algemeen belang die het doen van een beroep op onderdeel d, en het daarmee doorgang laten vinden van de voorgenomen ontwikkelingen, rechtvaardigen. Een eerste reden is dat Zinc Real Estate voornemens is een duurzaam mobiliteitsconcept te ontwikkelen dat uitgaat van deelmobiliteit. Deelauto's zullen naar verwachting voor een deel van de bewoners reden zijn om geen auto (meer) in eigendom te hebben. In het kader van duurzaamheid en het verkleinen van ruimtebeslag voor parkeren is het van belang om dit concept doorgang te laten vinden en een kleiner aantal te realiseren parkeerplaatsen aan te houden dan nodig zou zijn volgens de geldende normen. Hoofdstuk 4 van deze notitie bevat een verdere uitwerking van het deelmobiliteitsconcept.
Een tweede zwaarwegende reden om af te wijken van de gestelde parkeernormen aan de hand van het eerste lid, onderdeel d, is dat onderdeel c van dit lid binnen afzienbare tijd wel van toepassing zal zijn. Dat heeft te maken met het feit dat de gemeente Leiden voornemens is een nieuw parkeerregime in te voeren voor de twee parkeerterreinen die zich binnen 500 meter loopafstand bevinden en waar thans gratis geparkeerd kan worden. Vanwege de mogelijkheid die nu (nog) bestaat om hier gratis te parkeren, kan nog niet aan de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, worden voldaan. Vanaf het moment dat er een nieuw gereguleerd parkeerregime is ingevoerd, zou daarmee wel kunnen worden voldaan aan de eisen die in onderdeel c van het eerste lid gesteld worden. Daarnaast geldt dat bewoners, in overeenstemming met hetgeen bepaald is in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel iii., dat toekomstige bewoners van de te realiseren woningen niet in aanmerking zullen komen voor een bewoners- en/of bezoekersparkeervergunning.
Aangezien het gratis parkeren binnen 500 meter afstand van HOF36 slechts nog voor beperkte duur van toepassing is, zou het onevenredig bezwaarlijk zijn om toch te moeten voldoen aan de geldende parkeernormen behorende bij de situatie waarbij gratis parkeren mogelijk is binnen 500 meter afstand, zeker omdat wordt aangenomen dat het beoogde nieuwe parkeerregime (waarin deze gratis
66
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
parkeerplaatsen worden opgeheven) al van kracht zijn wanneer de woningen worden opgeleverd. De oplevering is naar verwachting eind 2023/begin 2024. HOF36 wil, ondanks dat zij gebruik wil maken van artikel 11, lid 1, onder d, een groot aantal autoparkeerplaatsen overeind houden: 205 parkeerplaatsen. Conform artikel 11 zou dit geen noodzaak meer zijn: 44 parkeerplaatsen zijn dan benodigd voor bezoekers. In de parkeergarage zijn 41 parkeerplaatsen opgenomen voor bezoekers. Het aandeel bezoekersparkeren ligt daarmee op maximaal 20%, waardoor er conform de NEN2443:2013 sprake is van een niet-openbare parkeergarage. In het voorlopig ontwerp waren 3 bezoekersparkeerplaatsen op eigen terrein buiten de parkeergarage opgenomen. Afwijken naar de gemeentelijke openbare parkeercapaciteit mag niet conform de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020 voor woonfuncties. Om wel af te wijken voor de genoemde 3 bezoekersplekken naar de gemeentelijke openbare parkeerplaatsen in de omgeving is het daarom noodzakelijk dat dit wordt voorgelegd aan het College conform artikel 11 lid 1 d van de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020. Minder validen Van de totale parkeercapaciteit moet 2% worden aangelegd als ‘minder validen’ parkeerplaats. Dit komt neer op 4 parkeerplaatsen. Deze zijn opgenomen in het plan.
Laden en lossen Bij de inrichting van de openbare ruimte zal aandacht zijn voor laden en lossen door afvalinzamelaars, pakketdiensten, toeleveranciers en dergelijke. Dit zal op een nader tijdstip ingevuld worden door de gemeente bij het voorlopig en definitief ontwerp van de openbare ruimte. Mobiliteitsconcept Doelgroep In de ontwikkeling wordt een nieuwe duurzame wijk ontwikkeld waar gezond, gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen en samen leven centraal staan. Dit is dus geen ‘doorsnee’ nieuwbouwwijk. Met slimme mobiliteitsconcepten wordt gezorgd voor een aangenaam duurzaam leefklimaat met oog voor de menselijke maat. Autogebruik wordt daarom zoveel mogelijk beperkt. Ingezet wordt op lopen, fietsen en gezamenlijk gebruik van vervoersmiddelen (deelauto’s en openbaar vervoer). De locatie ligt op fietsafstand van de belangrijke bestemmingen in het centrum van Leiden. Via de Lammenschansweg is het centrum te bereiken binnen 10 minuten. Station Leiden Lammenschans ligt op slechts 4 minuten fietsafstand. De locatie ligt gunstig ten opzichte van de bushalte van lijn 45 (Leiden – Den Haag). Dit project speelt in op de duurzame mobiliteitsbehoefte door gebruik te maken van: optioneel deelgebruik (‘carsharing’); stimuleren van de goede langzaam verkeersverbindingen; stimuleren van goede verbindingen van het openbaar vervoer.
Parkeren Het plan gaat uit van geconcentreerd parkeren op eigen terrein. De woningen zullen deels geen eigen parkeerplaats hebben (dus niet op naam of nummerbord) en voor dit deel zal de parkeerplaats gedeeld worden met de bezoekers van de woningen. Dubbelgebruik van parkeerplaatsen leidt ertoe dat efficiënt wordt omgegaan met de ruimte. Parkeren op eigen terrein In de omgeving van het gebouw geldt betaald parkeren. Bewoners en werknemers van de commerciële ruimten komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning in de omliggende straten in de openbare ruimte. Hierdoor wordt gestimuleerd om gebruik te maken van de parkeercapaciteit op eigen terrein.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
67
Deelauto’s (optioneel) De doelgroep waarvoor gebouwd wordt staat open voor het delen van allerlei zaken waaronder vervoersmiddelen. Het voordeel van autodelen is dat bewoners wel gebruik kunnen maken van een auto, maar deze niet hoeven te bezitten. Op deze locatie worden optioneel 6 deelauto’s aangeboden. De norm van de gemeente Leiden gaat uit van het volgende principe: elke deelauto vervangt 4 parkeerplaatsen (bedoeld voor bewoners). In het plan worden optioneel deelauto’s ingezet als alternatief voor eigen autobezit. Het faciliteren van het deelautogebruik betekent dat het autodelen zo eenvoudig mogelijk wordt gemaakt. Dit betekent onder meer dat: de deelauto’s binnen de ontwikkeling (op eigen terrein) beschikbaar moeten zijn; variëteit wordt geboden in het aanbod van de deelauto’s; gemak en flexibiliteit wordt geboden aan de gebruikers van de deelauto’s, bijvoorbeeld door een huismeester die praktische zaken regelt in geval van pech, onderhoud en schoonmaken. Stimuleren andere vervoersmodaliteiten: fiets / voet / openbaar vervoer Andere alternatieven voor de auto zijn de fiets, de benenwagen en het openbaar vervoer. Ingezet wordt op goede en veilige fietsenstallingen voor bewoners en hun bezoekers. De looproutes naar de omliggende gebieden en halten van het openbaar vervoer zijn kort, gestrekt en comfortabel.
Parkeerbehoefte met mobiliteitsconcept Het mobiliteitsconcept dat beschreven is in de vorige deelparagraaf is betrokken in een berekening van de parkeerbehoefte voor te ontwikkelen woningen aan de Lammenschansweg te Leiden. Deze verwachte parkeerbehoefte is verder uitgewerkt hierna. Van belang met betrekking tot de verwachte parkeerbehoefte is de parkeerbalans, die weergegeven is in onderstaande tabel. De parkeerbalans gaat uit van de inzet van 6 deelauto’s. Met de inzet van deelmobiliteit wordt een duurzame invulling gegeven aan de mobiliteit van de toekomstige bewoners. Zoals blijkt uit onderstaande tabel worden er met toepassing van dit mobiliteitsconcept voldoende parkeerplaatsen voor de beoogde doelgroepen gerealiseerd, waarmee afwijken van de parkeernorm verdedigbaar is. Aangezien op dit moment weliswaar niet wordt voldaan aan de criteria zoals vermeld in artikel 11 lid c van de parkeernota, maar in de nabije toekomst wel een zodanige situatie gecreëerd wordt dat hieraan wel wordt voldaan, is het verdedigbaar dat gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid zoals opgenomen in artikel 11, eerste lid, onderdeel d van de parkeernota.
Parkeercapaciteit In totaal worden met dit plan 205 parkeerplaatsen gerealiseerd in de toekomstige parkeerkelder. De overige berekende parkeerbehoefte kan in de omgeving worden opgevangen. Fietsparkeren De gemeente Leiden heeft fietsparkeernormen. Deze zijn weergegeven in de Beleidsregels
68
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
Parkeernormen Leiden 2020. De fietsparkeerbehoefte op basis van de fietsparkeernormen zijn weergegeven in navolgende tabel.
Zinc Real Estate maakt een inpandige fietsparkeervoorziening met 1.041 fietsparkeerplaatsen. Deze zal voor zowel bewoners als bezoekers gebruikt kunnen worden. Bezoekers kunnen de fietsparkeervoorziening betreden via het bellenplateau naast de toegangsdeur.
De fietsparkeerplaasten zullen daarnaast voldoen aan de kwaliteitseisen fietsparkeren (artikel 5 Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020). Conclusie Verkeer Met betrekking tot de verkeersgeneratie die gepaard gaat met de voorgenomen ontwikkeling geldt dat, hoewel de verkeersgeneratie in feitelijke zin zal toenemen met dit initiatief, dit niet voor onevenredig negatieve effecten zal zorgen op de verkeersdrukte en -veiligheid bij de omliggende wegenstructuur. Dit omdat ook in de huidige planologische situatie sprake is van een grote verkeersaantrekkende bestemming. Daarnaast zorgt de planologisch mogelijk gemaakte wijziging in de verkeersstructuur voor een adequate verkeersafwikkeling. Parkeren De projectlocatie bevindt zich in het gebied ‘2e schil rond de binnenstad'. Met toepassing van het beschreven mobiliteitsconcept dat uitgaat van deelmobiliteit is er sprake van voldoende geprognostiseerde parkeergelegenheid voor zowel auto's als fietsen. Wel dient te worden afgeweken van het gemeentelijk parkeerbeleid. Om te kunnen afwijken wordt een beroep wordt gedaan op de afwijkingsbevoegdheid van artikel 11 van de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020. Meer specifiek gaat het om een beroep op het eerste lid, onderdeel d. Als motivatie voor deze afwijking zijn twee zwaarwegende redenen van algemeen belang benoemd.
Eén van de redenen die is aangevoerd is dat artikel 11, eerste lid, onderdeel c, waarschijnlijk binnen afzienbare tijd van toepassing zal zijn. De reden daarvoor is dat voor de twee parkeerlocaties die binnen een afstand van 500 meter van het plangebied liggen en waar nu nog gratis geparkeerd kan worden het voornemen bestaat om een betaaldparkerenregime in te voeren. Bewoners van Hof 36 komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning voor parkeren deze parkeerlocaties. Een tweede reden is dat afwijking van de parkeernormen de kans biedt om een duurzaam deelmobiliteitsconcept in te voeren. De keuze voor dit concept gaat tevens gepaard met een verkleining van het ruimtebeslag voor parkeren.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
69
4.10
Water
4.10.1 Beleidskader Nationaal Waterplan 2016-2021 Deze structuurvisie is in december 2015 door het Rijk is vastgesteld als opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het Nationaal Waterplan richt zich met name op landelijke watersystemen en het bieden van ruimte voor die systemen op de tijdstippen dat ruimte nodig is, bijvoorbeeld met behulp van de beschikbaarstelling van uiterwaarden bij grote rivieren. Het Nationaal Waterplan heeft geen direct raakvlak met dit bestemmingsplan, omdat in het plangebied geen bovenlokale watersystemen aanwezig zijn. Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 In het Regionaal Waterplan Zuid-Holland is de provinciale sturingsvisie met betrekking tot de waterhuishouding in de provincie voor de periode tot 2021 aangegeven. De provinciale rol in het waterveld spitst zich met name toe op kaderstelling en toezicht. Voor de provincie Zuid-Holland zijn vier kernopgaven geformuleerd, waar het provinciale waterbeleid zich met name op richt. De vier kernopgaven zijn in het waterplan vervolgens verder uitgewerkt en betreffen het waarborgen van de waterveiligheid, het realiseren van mooi en schoon water, de ontwikkeling van een duurzame (zoet)watervoorziening en het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem.
Waterbeheerplan 2016-2021 Het plangebied voor dit bestemmingsplan valt geheel binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het beheer van een deel van de watergangen en de bijbehorende kunstwerken in het plangebied, en heeft in het kader van die taak beleidsregels vastgesteld in het zogenaamde Waterbeheerplan. Onder het motto 'droge voeten en schoon water' staat het werk van het hoogheemraadschap in het teken van drie hoofddoelen: veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water, inclusief goed beheer van de afvalwaterketen. Het zwaartepunt ligt bij de verbetering van regionale keringen, implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Bestuursakkoord Water, renovatie van boezem- en poldergemalen en het uitvoeren van het reguliere baggerprogramma voor polder en boezem. Keur en beleidsregels 2020 De “Keur en Beleidsregels” maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. De meest actuele versie van de “Beleids- en Algemene Regels Keur 2020” is in werking getreden op 1 juni 2020. Keur en Beleidsregels van Rijnland zijn te vinden op de website van het Hoogheemraadschap. Het compenseren van verharding is belangrijk voor het functioneren van het watersysteem dat Rijnland beheert. Hemelwater kan ook tot overlast leiden voordat het watersysteem wordt bereikt. Deze overlast kan worden voorkomen door een klimaat adaptieve inrichting. In het Zuid-Hollandse “convenant klimaat adaptief bouwen” dat Rijnland ook heeft ondertekend zijn eisen, werkwijze en voorbeelden opgenomen die een leidraad bieden voor klimaat adaptieve inrichting niet alleen voor wateroverlast maar ook andere klimaatopgaven. Bij nieuwe ontwikkelingen waarbij sprake is van een toename in het verhard oppervlak dient de versnelde afvoer van hemelwater te worden gecompenseerd. De algemene regel is van toepassing op het
70
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
aanleggen van 500 tot 5.000 m². Bij kleine uitbreidingen (< 500 m²) van verharding zullen de negatieve effecten op de omgeving beperkt zijn. In die gevallen volstaat een zorgplicht. Bij uitbreidingen van het verharde oppervlak met meer dan 5.000 vierkante meter, kan het effect van de toename aan verharding op de omgeving aanzienlijk zijn. Bij deze grote oppervlakken is het belangrijk dat het verhard oppervlak wordt gecompenseerd. Er is geen compensatie benodigd wanneer gebruik wordt er sprake is van een afname aan verharding. Het aanbrengen van de verharding moet worden gecompenseerd door het graven van compenserend wateroppervlak ter grootte van 15% van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuw oppervlaktewater wordt gegraven moet dit voorafgaand aan, of gelijktijdig met, het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. In afwijking hoeft geen compenserend wateroppervlak te worden gegraven voor zover er ten behoeve van de toename aan verharding een alternatieve waterberging wordt aangelegd. Een alternatieve waterberging is een voorziening waarbij op een andere wijze dan door middel van het graven van oppervlaktewater, hemelwater al dan niet tijdelijk kan worden geborgen. Onder alternatieve waterberging worden onder andere verstaan: wadi’s, polderdaken en bergingskelders.
In de uitvoeringsregel over alternatieve waterbergingen zijn de eisen opgenomen waaraan een alternatieve waterberging moet voldoen, wanneer deze dient ter compensatie van een toename aan verhard oppervlak. Ook als een alternatieve waterberging wordt verwijderd of opgeheven, kunnen hier regels voor gelden. Het aanleggen van een alternatieve waterberging is toegestaan indien: 1. de alternatieve waterberging een bergingscapaciteit heeft van minimaal 55 liter per m² verharding, en; 2. de alternatieve waterberging een afvoer heeft van 0,6 liter/uur/m², en; 3. indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan 5 ha, maximaal 20% van de toename aan verhard oppervlak wordt gecompenseerd in een alternatieve waterberging. Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'watertoets' genoemd.
De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna een digitale watertoets moet uitwijzen of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2014-2018 De functie van riolering is het beschermen van de volksgezondheid, het tegengaan van wateroverlast en het beschermen van het milieu. Vanwege het belang van de functie van riolering, de economische waarde van het rioolstelsel en de interacties tussen riolering, wegen en groen, is het voor de gemeente van belang een goede integrale beleidsafweging te maken. De gemeente Leiden heeft daarom in 2013 het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan vastgesteld. In tegenstelling tot het eerdere gemeentelijke rioleringsplannen zijn in dit 'verbrede' plan ook de zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater opgenomen.
Die taken vallen sinds de inwerkingtreding van de 'Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken' in 2008 ook onder de gemeenten. Het gemeentelijke rioleringsplan bevat onder andere de doelstelling om het hemelwater en afvalwater los
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
71
te koppelen bij nieuwe ontwikkelingen of wanneer onderhoud van het bestaande riool loskoppeling toelaat. In tegenstelling tot gemengde rioolsystemen worden het hemelwater (regenval) en afvalwater bij losgekoppelde rioolsystemen apart opgevangen en wordt het hemelwater afgevoerd naar het oppervlaktewater, terwijl het afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) wordt getransporteerd. Dat maakt dat minder water door de RWZIs hoeft te worden verwerkt, hetgeen kostenbesparend en duurzamer is. 4.10.2 Watertoets Door Econsultancy is een watertoets met bijbehorende waterparagraaf opgesteld. Voor dit onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. De planlocatie is in het verleden, tot circa 2015, nagenoeg volledig bebouwd en verhard geweest met verschillende bedrijfspanden. Circa 900 m2 was destijds onverhard en in gebruik als groen. Door de gemeente Leiden - en in afstemming met het Hoogheemraadschap - is aangegeven dat de verhardingssituatie uit 2011 aangehouden mag worden. Op basis van de meest actuele luchtfoto’s is de planlocatie momenteel en voor zover bekend onbebouwd en onverhard. Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van een wooncomplex met 444 woningen een tweetal commerciële ruimtes en een inpandige parkeergarage.
De ontsluiting van de planlocatie over watergang '410-058-00010' richting de Kanaalweg vormt daarbij een onderdeel van de onderbouwing. In het kader van de watertoets wordt als aanname beschouwd dat de totale planlocatie in de toekomstige situatie verhard zal zijn. Ten opzichte van de situatie in 2011 resulteert de nieuwe ontwikkeling in een verhardingstoename van 900 m². In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten. Conform het beleid van de gemeente Leiden en Hoogheemraadschap van Rijnland is ten aanzien van de ontwikkeling een compenserende berging benodigd van ca. 50 m³ (900 m2 x 0,055 m). Om de toename in het verhard oppervlak te compenseren is de initiatiefnemer voornemens een alternatieve waterberging aan te leggen in de vorm van een retentiedak (2.800 m²). Constructief kan in het retentiedak maximaal 50 mm/m² water geborgen worden. Dit komt overeen met een berging van ca. 140 m³. Hiermee wordt dus meer waterberging gerealiseerd dan nodig is. Deze alternatieve waterberging is dan ook een effectievere oplossing dan 50 m3 waterberging realiseren in de vorm van oppervlaktewater. Bij de aanleg van een alternatieve waterbergingsvoorziening is het is van groot belang dat de berging blijvend goed functioneert en dat deze van voldoende capaciteit is.
Omdat de alternatieve waterberging wordt aangelegd ter compensatie van de aanleg van verharding is deze vergunningplichtig. De alternatieve waterberging zal worden voorzien van een (vertraagde) afvoer naar het hemelwaterriool. Om te voorkomen dat het water vanuit de alternatieve waterbergingsvoorziening via het hemelwaterriool versneld in het oppervlaktewater terecht komt mag de maximale afvoersnelheid van een alternatieve waterberging niet meer bedragen dan 0,6 liter/uur/m². Voor de ontsluiting van het plan is de aanleg van een brug of een dam met duiker voorzien. Omdat in beide situaties de maximaal toelaatbare breedte wordt overschreden is voor zowel de aanleg van een dam met duiker als een brug, volgens de keur, een vergunning in het kader van de Waterwet benodigd. Ook het afkoppelen van hemelwater op deze locatie is vergunninmgslichtig. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Conform het planontwerp zullen er in totaal 444 wooneenheden worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een vuilwateraanbod van circa 90 m³/dag.
72
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten wordt er vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. De waterparagraaf is voorgelegd aan en afgestemd met het Hoogheemraadschap van Rijnland. Voor de reactie van het Hoogheemraadschap en de beantwoording van de gemeente Leiden wordt verwezen naar paragraaf 6.2.2 en de bijlagen bij deze toelichting.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
73
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de in de vorige hoofdstukken toegelichte beoogde ruimtelijke situatie in het plangebied juridisch is vertaald in planregels en de bijbehorende verbeelding. De regels bevatten bepalingen voor het gebruik van de gronden en het oprichten van bebouwing op of onder die gronden. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels en vervult een functie in de visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers én gemeente bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan, maar heeft slechts een functie in het onderbouwen dat het plan getuigt van 'een goede ruimtelijke ordening'.
5.2
Opzet en volgorde van de regels
De regels zijn, conform de SVBP2012, ondergebracht in een viertal hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van de regels per hoofdstuk.
5.3
Uitleg van de regels
5.3.1
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1) In de begrippenlijst zijn begrippen omschreven om interpretatieverschillen te voorkomen. De begripsbepalingen zijn niet uitputtend. Alleen de belangrijkste en doorgaans onbekende begrippen zijn opgenomen in dit artikel. Wanneer een begrip niet is opgenomen in dit eerste artikel en er ontstaat een interpretatieverschil, dan is het normale taalgebruik zoals vastgelegd in het Van Dale-woordenboek maatgevend. Wijze van meten (artikel 2) De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. 5.3.2
Bestemmingsregels
De bestemmingsplanregels bevatten de volgende artikelen: Bedrijventerrein (artikel 3) Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2', bedrijven toegelaten die vallen binnen categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Detailhandel wordt niet toegestaan, met uitzondering van productiegebonden en ondersteunende detailhandel. Daarnaast zijn ondersteunende (lichte) horeca, bedrijfsgebonden kantoorruimte, opslag en uitstalling en bij de functies toegelaten voorzieningen toegelaten, zoals opgenomen in de regels. Het plan bevat een afwijkingsbevoegdheid voor bedrijven die niet voorkomen op de Staat van bedrijfsactiviteiten. Gebouwen en overkappingen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden.