210074 Bijlage 2a Toelichting Vaststelling bestemmingsplan ‘Lammenschansweg-HOF36’
Tekst van het document
Figuur 3.3: Functiekaart voor de plintlagen in de Ontwikkelstrategie Lammenschansdriehoek
30
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
3.4.3
Woonvisie 2020-2030
Op 14 november 2019 heeft de gemeenteraad de Woonvisie Leiden 2030 'Goed wonen in Leiden' vastgesteld (RV 19.0104). Deze visie vormt een beleidskader voor de keuzes in het woonbeleid. De woonvisie is een echte visie in de zin dat deze het gewenste toekomstbeeld van de stad schetst en niet tevens de acties benoemt die nodig zijn om het toekomstbeeld te realiseren. De acties die de komende jaren nodig zijn zijn opgenomen in de bijbehorende Uitvoeringsagenda 2020-2023. Het wensbeeld (ambitie), als 'stip op de horizon' ziet er als volgt uit: Samen met omliggende gemeenten vormt Leiden een aaneengesloten gebied met meer dan 200.000 inwoners. De binnenstad, het Stationsgebied en Leiden Bio Science Park vormen het kloppende hart van het aaneengesloten stedelijke gebied. In dit hart liggen niet alleen alle Leidse vestigingen van de Universiteit en Hogeschool Leiden, maar ook vele andere voorzieningen die van belang zijn voor inwoners uit de wijde omtrek. De binnenstad biedt niet alleen vertier, maar ook een uitmuntend woonmilieu voor huishoudens die de drukte van de stad en de nabijheid van voorzieningen waarderen. Vanwege een gevarieerd woningaanbod kunnen alle groepen in de stad terecht. Niet alleen de huishoudens met een hoog inkomen, maar - dankzij de keuzes die de gemeente heeft gemaakt in de Woonvisie 2020-2030 - ook die met een midden- of laag inkomen.
De Leidse regio heeft zich voortvarend ontwikkeld, ondanks de crisis op de woningmarkt in de periode 2008-2013. Niet alleen het aantal inwoners en studenten is gegroeid, maar ook de werkgelegenheid en het kenniscluster. De zone Leiden - Katwijk/Noordwijk heeft zich ontwikkeld tot een aaneengesloten en welvarend stedelijk gebied. Bij de formulering van de bovenstaande ambitie zijn de onderstaande trends en ontwikkelingen belangrijk geweest: vanaf 2009 is er jaarlijkse groei van het aantal inwoners en die ontwikkeling zet zich vermoedelijk de komende acht jaar voort; binnen de groei vn de Leidse bevolking is er vooral een toename zichtbaar van het aantal ouderen. De vraag van deze groeiende groep levert een belangrijke bijdrage aan de woningbehoefte; het aantal studenten is tussen 2009 en 2018 sterk toegenomen; de woningbehoefte is groot. Niet alleen vanwege de vergrijzing en de groei van het aantal studenten, maar ook door de uitstroom van kwetsbare inwoners uit instellingen en door 'spoedzoekers'; er is vooral behoefte aan nieuwe woningen in het stedelijke woonmilieu; we staan voor een grote opgave op het gebied van duurzaamheid.
Denk aan het overstappen op duurzame(re) warmtebronnen, het klimaatbestendig maken van Leiden en de ambitie op het gebied van circulariteit en duurzame mobiltieit; er is een groeiende druk op de leefbaarheid van de stad, zeker in de Leidse wijken met veel sociale huurwoningen die zich kenmerken door een sterke instroom van kwetsbare inwoners. Om de uitgesproken ambitie waar te kunnen maken streeft Leiden ernaar om: te bouwen naar behoefte, met de juiste woning op de juiste plek; de voorraad wooneenheden voor studenten te vergroten; extra aandacht te geven aan kwetsbare doelgroepen; de woningvoorraad en woonomgeving duurzamer te maken; de kwaliteit van de woonomgeving te vergroten. De gemeente Leiden stelt zich in regionaal verband daarom tot doel het centrum stedelijk woonmilieu in Leiden uit te breiden. De Lammenschansdriehoek in een gebied waar een centrumstedelijk woonmilieu beoogd is. Het initiatief tot realisatie van het appartementencomplex past dan ook goed in het gemeentelijke en regionale woonbeleid. Verder maakt het plan een mix aan woningtypen mogelijk met een substantieel deel in de sociale huursector.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
31
3.4.4
Ruimtelijke strategie Bedrijventerreinen 2020-2030
Op 8 oktober 2020 heeft de gemeenteraad de 'Ruimtelijke strategie Bedrijventerreinen 2020-2030' vastgesteld ( RV 20.0080). In deze strategie, die is vastgesteld door de vijf gemeenten uit de Leidse regio en Katwijk, is voor de komende tien jaar vastgelegd waar in de regio bedrijventerreinen blijven, komen of verdwijnen. Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor de lokale en regionale economie en werkgelegenheid, vormen de ruimtelijke hotspots voor innovatie en economische groei, hebben (potentieel) een belangrijk aandeel in verduurzamingsambities en zijn van belang voor regionale mobiliteitsopgaven. Gemeenten streven naar een evenwicht voor wonen en werken in de regio, zodat een inclusieve regio wordt gevormd. De schaarse ruimte in de regio wordt optimaal benut door slim om te gaan met de beschikbare ruimte. Er is net genoeg aanbod aan bedrijventerreinen in de regio om aan de vraag te voldoen. Een deel daarvan is direct beschikbaar en in bestemmingsplannen als bedrijventerrein aangewezen. Er zijn ook locaties die mogelijk de bestemming bedrijventerrein kunnen krijgen maar nog in onderzoek zijn zoals de Vlietzone in Leiden. Deze locaties zijn nodig om in de vraag te kunnen voorzien. De gemeenten spannen zich in om de onderzoeklocaties daadwerkelijk als bedrijventerrein te bestemmen en de ruimte op bedrijventerreinen intensiever in te richten en te gebruiken.
De bestaande hectares bedrijventerrein of bedrijfsbestemmingen die plaatsmaken voor woningbouw moeten elders terugkomen. Deze compensatie wordt in eerste instantie gezocht binnen de gemeentegrenzen. In de strategie zijn lopende plannen voor woningbouw op bedrijventerrein die doorgaan moeten vinden genoemd. De Lammenschansdriehoek wordt hier ook bij opgesomd. De locatie van Hof 36 heeft in het vigerende bestemmingsplan een bedrijfsbestemming en zal met dit bestemming komen te verdwijnen.De maximaal toegestane milieucategorie binnen de huidige gemengde bestemmingen ter plaatse van de locatie Hof36, maar ook ter plaatse van de locatie Zirkzee is 3.2. De gemeente gaat het verlies aan deze bedrijfsbestemmingen compenseren door het realiseren van een bedrijventerrein in de Vlietzone.
32
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
Onder een 'goede ruimtelijke ordening' valt naast de passendheid van een ontwikkeling binnen het ruimtelijke beleid echter ook de passendheid binnen allerlei wettelijke normen en grenswaarden voor verschillende ruimtelijke aspecten, die zijn vastgesteld in verschillende wetten, verordeningen, NEN-maatstaven of andere harde toetsingskaders. Voorbeelden daarvan zijn de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, het Besluit bodemkwaliteit en de Keur van Rijnland. In dit vierde hoofdstuk is per relevant ruimtelijk aspect telkens eerst het geldende wettelijke of beleidsmatige kader samengevat weergegeven en is vervolgens de passendheid van het bestemmingsplan binnen die kaders beschreven.
4.2
Archeologie
4.2.1
Beleidskader
Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden is vastgelegd in de Erfgoednota 2014-2020. Ook in het geldende bestemmingsplan zijn regels met betrekking tot archeologie opgenomen. De archeologische waarde of archeologische verwachtingswaarde is ingedeeld in negen verschillende waarderingscategorieën, die op basis van het onderzoek 'Archeologische waarden en verwachtingen op het grondgebied van Leiden, inventarisatie, kaarten en vertaling naar ruimtelijk beleid' (Hessing, Sueur en Van Zalinge, 2004, Amersfoort) en de vereisten uit de actualisatie van de provinciale Verordening Ruimte aan het gehele Leidse grondgebied zijn toebedeeld. Voor acht waarderingscategorieën wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarbij de bovengenoemde omgevingsvergunning is vereist bij projecten die zien op het verstoren van de grond over verschillende oppervlakten en diepten. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de omgevingsvergunningsplicht niet, omdat de daarmee bestemde gronden een beschermd archeologisch rijksmonument betreffen, waarop de regels van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een monumentenvergunning vereist.
De negen waarderingscategorieën zijn: Waarde archeologie 1 Waarde archeologie 2 Waarde archeologie 3 Waarde archeologie 4 Waarde archeologie 5 Waarde archeologie 6 Waarde archeologie 7 Waarde archeologie 8 Waarde archeologie 9
Archeologisch rijksmonument Gebied van archeologische waarde binnen de singels Gebied van archeologische waarde buiten de singels Gebied met een hoge archeologische verwachting binnen de singels Gebied met een hoge archeologische verwachting buiten de singels Gebied met een middelhoge archeologische verwachting Gebied met een lage archeologische verwachting Romeinse Limeszone, bescherming conform Verordening Ruimte AMK-terreinen, bescherming conform Verordening Ruimte
De archeologische bepalingen in nieuwe bestemmingsplannen, zoals dit bestemmingsplan, zullen de rol van de regels uit het geldend bestemmingsplan overnemen. Wanneer het nog steeds aannemelijk is dat zich in het plangebied archeologische waarden bevinden, zal het nieuwe bestemmingsplan of wijzigingsplan regels moeten bevatten waarin die archeologische waarden voldoende worden beschermd en de noodzaak tot het verkrijgen van een "omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden" nog steeds is vereist. In bestemmingsplannen die niet zien op
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
33
ontwikkelingen waarbij in de grond wordt geroerd bestaat geen noodzaak de kennis over archeologische waarden te actualiseren. Wanneer tijdens de planperiode van het bestemmingsplan een project wordt uitgevoerd waarbij in de grond wordt geroerd over een oppervlakte en diepte die de bovengenoemde omgevingsvergunning noodzakelijk maken, zal de aanvrager van het project aannemelijk moeten maken dat een eventueel aanwezig archeologisch archief niet onevenredig wordt aangetast. Daartoe vraagt het Erfgoed Leiden onder mandaat van het College in beginsel om een archeologisch bureauonderzoek. Wanneer de resultaten uit dat onderzoek daartoe aanleiding geven wordt vervolgens een verkennend veldonderzoek met boorstaven uitgevoerd. Wanneer ook dat onderzoek de aanwezigheid van archeologische waarden aannemelijk maakt, wordt gedetailleerder onderzoek uitgevoerd, bijvoorbeeld door middel van het graven van proefsleuven. Op basis van de resultaten uit de onderzoeken stelt de gemeente vast op welke manier met eventueel gevonden archeologische waarden moet worden omgegaan. Het uitgangspunt daarbij is deze waarden in de grond te conserveren en het (bouw)project zodanig aan te passen dat de waarden niet worden verstoord.
Dat uitgangspunt is overgenomen uit hogere archeologische beleidskaders, namelijk de paragraaf 'Archeologie' in de provinciale structuurvisie en Verordening Ruimte, de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) en uiteindelijk valt het uitgangspunt te herleiden naar het Europese Verdrag van Malta uit 1992. Wanneer conserveren niet mogelijk blijkt kan een gedeeltelijke of gehele opgraving noodzakelijk zijn. Het terrein van Hof 36 heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Deze verwachtingswaarde is gebaseerd op de geologische en geomorfologische ondergrond in relatie tot de mate waarin het gebied geschikt was voor bewoning. 4.2.2
Onderzoeksresultaten
Hof 36 Voor gebieden met een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' geldt een onderzoeksplicht bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 75 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 500 m2. Naar verwachting zullen bij de aanleg van de toekomstige bebouwing deze grenswaarden worden overschreden. Om de archeologische waarden ter plaatse van het plangebied te bepalen, is door Econsultancy een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in de bijlagen toegevoegd. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Resultaten Op basis van het door 'Bureau voor Archeologie' uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de perioden vanaf het Neolithicum. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied binnen de monding van de Oude Rijn, ofwel het Oude Rijn estuarium, waarbij de oeverwallen geschikte bewoningslocaties vormden. Op de oeverafzettingen is de verwachting dat een één meter dik ophogingspakket opgebracht, op basis van resultaten van eerder gezette milieukundige boringen. Daarna is een deel van het plangebied bebouwd. Aan het einde van de 20e eeuw heeft binnen een deel van het plangebied een sanering plaatsgevonden van verontreinigingen met minerale olie en vluchtige aromatische koolwaterstoffen in de grond en het grondwater.
De exacte locatie van de afgravingen en de diepte is niet bekend. De bebouwing is in het begin van de 21e eeuw gesloopt. De aangetroffen bodemopbouw bevestigt de aanwezigheid van een ophogingspakket, echter de gemiddelde dikte ervan is aanzienlijk dikker dan de verwachte meter. Het ophogingspakket heeft een gemiddelde dikte van circa 160 cm en vooral ter plaatse van het zuidwestelijke en noordoostelijke deel van het plangebied reikt het pakket aangebracht zand tot bijna dan wel voorbij 2 m -mv (2 meter dik pakket). Onder het recente ophogingspakket zijn de verwachte oeverafzettingen niet aangetroffen. De ondergrond bestaat uit bedding-, verlandings- en komafzettingen. Het bovenste aangetroffen natuurlijke
34
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
pakket zware komklei laat zien dat het plangebied tijdens de vorming van het Oude Rijn estuarium een positie innam in een vrij nat gebied. De zandigere en drogere oeverwallen moeten meer gezocht worden dichter bij de hoofdloop van de Oude Rijn, in de omgeving van de huidige loop van de Oude Rijn. Het plangebied zal daarom een minder aantrekkelijke bewoningsplaats zijn geweest. Daarnaast laten de boringen ook zien dat er in de top van de komafzettingen (sterk siltige tot venige klei) geen begraven bodem (vegetatiehorizont/laklaag) aanwezig is, erop duidend dat de oorspronkelijke top van de komafzettingen is verstoord dan wel afgegraven, meest waarschijnlijk tijdens bouw van de voormalige bebouwing binnen het plangebied. Hoewel het terrein in de (Late-)Middeleeuwen en Nieuwe tijd door bemaling mogelijk beter betreedbaar was, blijkt uit het historisch kaartmateriaal, geraadpleegd tijdens het eerder uitgevoerde bureauonderzoek, dat het plangebied nooit is ingericht, buiten de vermoedelijke aanleg van verkavelings-/- drainagesloten. Geconcludeerd wordt, op basis van de aangetroffen bodemopbouw, dat de middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de perioden vanaf het Neolithicum kan worden bijgesteld naar een lage tot geen verwachting. Er zijn voor de archeologie geen gevolgen vanuit de voorgenomen bodemingrepen.
Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Tijdens het bestaan van het Oude Rijn estuarium heeft het plangebied geen gunstige landschappelijke positie in genomen als potentiële bewoningslocatie. Tevens is de oorspronkelijke top van het pakket natuurlijke afzettingen ontgraven, waardoor eventueel toch aanwezige archeologische resten en/of sporen verloren zijn gegaan. Erfoed Leiden en Omstreken heeft daarnaast een advies gegeven over het archeologisch onderzoek. Dit advies is opgenomen in de bijlagen. Het volgende wordt geconcluseerd: De archeologische onderzoeken die in het plangebied zijn uitgevoerd worden als representatief beschouwd voor het gehele plangebied. De ondergrond blijkt op beide locaties zeer nat en daarmee ongunstig voor bewoning geweest. Hierdoor is de kans klein dat archeologische resten aanwezig zijn in de nog niet onderzochte zones. Vanwege het feit dat een deel van het plangebied in de provinciale limeszone ligt, heeft de provincie aangegeven toch een aanvullend booronderzoek te willen laten uitvoeren om er zeker van te zijn dat er geen archeologische resten verloren gaan. De locatie van Hof 36 is naar aanleiding van het advies vrijgegeven van archeologie, waardoor hiervoor geen dubbelbestemming is opgenomen.
Groenstrook en brug/duiker ten zuiden van Hof 36 en de limeszone Naar aanleiding van dit advies is door de gemeente Leiden aangegeven dat de opgenomen dubbelbestemming ten zuiden van Hof 36 (waar de groenstrook ligt en de gewenste brug/duiker komt) niet overeenkomt met het provinciale beleid. Op dit moment is hier de dubbelbestemming "Waarde Archeologie 5" opgenomen. In dit bestemmingsplan is deze dubbelbestemming, conform het beleid van de provincie Zuid-Holland, omgezet naar de dubbelbestemming "Waarde - Archeolige 8", waarbinnen een hogere archeologische waarde geldt. De grens tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek bij bodemroeringen is hierbij dan ook strenger, namelijk groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Om de toekomstige ontsluiting te realiseren zal een brug/duiker noodzakelijk zijn richting de Kanaalweg. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor deze brug/duiker wordt gekeken of de onderzoeksgrenzen van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 8" overschreden worden of niet. Een eventueel aanvullend archeologisch onderzoek kan dan nog uitgevoerd worden.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
35
Zirkzee en Schouls De locaties van Zirkzee en Schouls zijn niet onderzocht ten aanzien van archeologie. Bij eventuele herontwikkeling in de toekomst zal een archeologisch booronderzoek moeten uitwijzen of de bouwplannen effect hebben op eventuele archeologische resten in de bodem. De bestaande dubbelbestemmingen zijn hier overgenomen. Voor de locatie Schouls is tevens ook de dubbelbestemming van "Waarde Archeologie 5" gewijzigd naar "Waarde Archeologie 8". Verder onderzoek voor deze locaties met betrekking tot het aspect archeologie is op dit moment niet noodzakelijk, aangezien het plan niet voorziet in nieuwe ontwikkelmogelijkheden voor bedrijven en bouwwerken ten opzichte van wat mogelijk is onder het vigerende bestemmingsplan.
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1
Beleidskader
Nationaal beleid Erfgoedwet (2016) Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich een of meer monumenten bevinden. De wet verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied. De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf monumenten aan te wijzen. Modernisering Monumentenzorg In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming.
De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt. Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed. Besluit Ruimtelijke Ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wro. In het Bro is onder meer vastgelegd dat gemeenten rekening moeten houden met cultuurhistorie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten onderzoek moeten doen naar de cultuurhistorische waarden van een bestemmingsplangebied. Het gaat om een integrale beschouwing van cultuurhistorie: een combinatie van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap. Provinciaal beleid Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte In de Visie Ruimte en Mobiliteit van de provincie Zuid-Holland is het behoud van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) als provinciaal belang omschreven. Voor een viertal categorien binnen dit erfgoed zijn beschermde regels opgenomen. Voor Leiden zijn van belang de regels betreffende molenbiotopen, landgoedbiotopen, archeologie en de Romeinse Limes als Unesco werelderfgoed in procedure.
36
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
Gemeentelijke plannen moeten hier aan voldoen. Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en de gemeente samen voor de uitvoering van de ambities in de Erfgoednota. De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met haar (internationale) kennis en collecties, haar aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners een onderscheidende kracht in huis op het gebied van erfgoed. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt waar mogelijk aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties. 4.3.2
Onderzoeksresultaten
In het plangebied behorend bij dit bestemmingsplan zijn geen historische bouwwerken, monumentale panden of structuren met een cultuurhistorische- of beeldbepalende waarde aanwezig. Het plangebied is daarnaast geen onderdeel van een molenbiotoop, landgoed- of kasteelbiotoop, beschermd stadsgezicht of anderszins cultuurhistorisch beschermd landschap. Er worden dan ook geen belemmeringen op het gebied van 'cultuurhistorie' verwacht.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
37
4.4
Ecologie
4.4.1
Beleidskader
Het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming wordt gevormd door de Wet natuurbescherming, die op 1 januari 2017 in werking is getreden en de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet heeft vervangen. Ter invulling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan de Minister van Economische Zaken gebieden als Natura 2000-gebied of als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen. Voor deze gebieden geldt op basis van de Wet natuurbescherming een zorgplicht, en voor Natura 2000-gebieden geldt bovendien een vergunningsplicht voor het uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Daarnaast draagt de wet Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk, het zogenaamde Natuurnetwerk Nederland. De provincie regelt die bescherming bij provinciale verordening. In de verordening van de provincie Zuid-Holland draagt dit netwerk nog de naam Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
De provincie kan in haar verordening ook andere gebieden met een bijzondere natuurwaarde beschermen, zoals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Soortenbescherming is onder de nieuwe Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. De bovengenoemde verboden zijn niet van toepassing wanneer Provinciale Staten in haar verordening een algemene vrijstelling heeft opgenomen voor specifieke soorten of wanneer wordt gehandeld volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer een activiteit ziet op een verbod uit de Wet natuurbescherming, niet wordt gehandeld volgens een goedgekeurde gedragscode én de betreffende activiteit niet is vrijgesteld in de provinciale verordening, is een ontheffing van Gedeputeerde Staten vereist.
Een dergelijke ontheffing wordt in de regel uitsluitend verleend wanneer de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort voldoende wordt geborgd door middel van mitigerende en compenserende maatregelen. Voorbeelden daarvan zijn het zoveel mogelijk buiten het broed- of slaapseizoen laten plaatsvinden van de verstoringen, en het tijdig beschikbaar stellen van alternatieve, gelijkwaardige habitats of nesten. In de toelichting van bestemmingsplannen die ontwikkelingen planologisch toestaan moeten de gevolgen voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de bovengenoemde regels. Als bij voorbaat vaststaat dat een ontwikkeling niet kan voldoen aan de Wet natuurbescherming en ook niet in aanmerking komt voor een ontheffing, kan die ontwikkeling ook niet worden bestemd. In dat geval is immers geen sprake van een uitvoerbaar bestemmingsplan.
38
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
4.4.2
Onderzoeksresultaten
Flora en fauna Hof 36 Er is door Koenders & Partners een onderzoek naar flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is in de bijlage opgenomen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen beschreven. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het NNN (voorheen EHS) of een ecologische verbindingszone binnen het NNN. Gezien de afstand tot deze gebieden en het verschil in biotoop zijn effecten op het dichtstbijzijnde deel van het NNN niet aannemelijk. Het is dus niet nodig een procedure in verband met gebiedsbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming of in het kader van provinciale regelingen voor het NNN te starten. Soortenbescherming In onderstaand overzicht zijn de resultaten en conclusies van het onderzoek samengevat. Vervolgstappen worden in het volgende hoofdstuk uitgelegd. De conclusies zijn gezien de tijd van het jaar voornamelijk gebaseerd op biotoopkenmerken van het plangebied en het vooronderzoek.
Figuur 4.1: Resultaten onderzoek soortengroepen
Op basis van deze quickscan wordt geconcludeerd dat enkel niet beschermde soorten en soorten met een provinciale vrijstelling worden verwacht. Voor de Wet natuurbescherming is dus geen ontheffing benodigd. Wel is het belangrijk om rekening te houden met broedvogels en met amfibieën, die zich mogelijk in de sloten bevinden. Aangezien geen noodzaak bestaat tot een nader onderzoek of een ontheffing op de Wet natuurbescherming, is deze quickscan voldoende om: te worden geaccepteerd als een voldoende dragend onderdeel van een goede ruimtelijke
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
39
onderbouwing; te dienen als basis voor een ontheffing tijdelijke natuur, voor als het plangebied minstens een jaar braak ligt; te dienen als basis voor een natuurrapportage in het kader van BREEAM-NL.. Aanbevelingen Bij buitenwerkzaamheden dient in alle gevallen, maar zeker bij dit braakliggende gebied met een kleine watergang, rekening te worden gehouden met de aanwezige flora en fauna. Naast de regelingen omtrent (streng) beschermde soorten, is in de Wet natuurbescherming namelijk ook een algehele zorgplicht opgenomen. De zorgplicht geldt te allen tijde en voor alle flora en fauna, ongeacht eventuele beschermingsstatus en verkregen ontheffingen. De zorgplicht stelt dat 'iedereen, indien redelijkerwijs mogelijk, voldoende zorg in acht moet nemen voor alle planten en dieren en hun leefomgeving'. Onderdeel hiervan is het zo veel mogelijk vermijden en beperken van schade aan de te beschermen natuurwaarden (mitigatie), waardoor de noodzaak tot compenserende maatregelen zoveel mogelijk wordt verkleind. De volgende maatregelen worden in het kader van mitigatie en zorgplicht aangeraden: Werkzaamheden vanaf één kant aanvangen. Indien kappen of rooien van bomen, heggen en struiken nodig is, moet dit voorafgaand aan overige werkzaamheden en buiten het vogelbroedseizoen (indicatie: half maart tot half juli) gedaan worden.
Anders voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving controleren op broedende vogels. De werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang plaats laten vinden. Het gebruik van licht op het terrein na zonsondergang zo veel mogelijk beperken. Indien het gebruik van licht na zonsondergang onvermijdelijk is: gebruik maken van gerichte lichtbronnen (afschermen aan de boven- en achterzijde). Het ontstaan van plassen zoveel mogelijk tegengaan, om ervoor te zorgen dat amfibieën en reptielen het plangebied niet koloniseren; Eventueel op een naastgelegen locatie ondiepe plassen creëren zodat juist deze plassen gekoloniseerd worden. Tijdens de werkzaamheden alert zijn op de aanwezigheid van (beschermde) dieren op het terrein en deze de ruimte en tijd geven om te vluchten. Indien nodig de dieren voorzichtig van het terrein verjagen. Waar nodig de hulp van een deskundige inschakelen; Indien het beschermde soorten betreft, altijd het advies van een deskundige inwinnen. Aanvulling flora en fauna september 2020 In september 2020 heeft een aanvullend onderzoek naar flora en fauna ter plaatse van het profiel voor de ontsluitingsweg vanuit de Lammenschansdriehoek op de Kanaalweg plaatsgevonden. In huidige situatie staan een 30-tal bomen op de zoeklocatie waar deze ontsluiting wordt gerealiseerd. Drie van de bomen bevatten holten.
Middels een interne controle van deze boomholten is vastgesteld of deze in gebruik zijn als vaste rust- of verblijfplaats voor een boombewonende vleermuissoort. Tijdens de controle zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen in de boomholten. Bij het uitvoeren van de voorgenomen plannen zullen er geen rust- of verblijfplaatsen van een boombewonende vleermuissoort verloren gaan. De zorgplicht is echter altijd geldend. Stikstofdepositie Hof 36 Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn 'Meijendel & Berkheide' en 'De Wilck' op respectievelijk circa 6,5 kilometer ten westen van het plangebied en circa 4,2 kilometer ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Gezien de schaal en aard van voorgenomen ontwikkeling, kan een
40
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase en bij de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen zijn de door AERIUS gegenereerde rapportage voor de aanlegfase opgenomen.
4.5
Kabels en leidingen
4.5.1
Beleidskader
Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geldt een verplichting om voor een zone van enkele meters aan weerszijden van gasleidingen met een werkdruk van 16 bar of meer en voor brandstofleidingen een beschermende regeling in het bestemmingsplan op te nemen. Voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in die zone, of het bebouwen ervan, is vanuit die beschermende regeling een aanvullende omgevingsvergunning vereist, zodat een te zware belasting van de leiding of het raken van de leiding bij grondwerkzaamheden kan worden voorkomen. Naast deze leidingen kunnen ook andere kabels en leidingen planologisch relevant zijn. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan hoogspanningsverbindingen en rioolpersleidingen. Ook voor dergelijke leidingen kunnen bestemmingsplannen passende regelingen bieden. Voor bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaten is bovendien van belang dat die ontwikkelingen niet worden belemmerd door de aanwezigheid van kabels en leidingen, zowel vanuit veiligheidsoogpunt als kostenoogpunt. Het verwijderen of verplaatsen van bestaande kabels en leidingen vormt in veel gevallen een significante kostenpost die op de uitvoerbaarheid van projecten drukt. 4.5.2
Onderzoeksresultaten
In de paragraaf 'Externe veiligheid' zijn de risicovolle buisleidingen in de omgeving van het plangebied behandeld. Hieruit blijkt dat deze leidingen niet voor belemmeringen zorgen. Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan is te zien dat ten noorden en westen van het plangebied twee gasleidingen lopen. Deze leidingen zijn niet opgenomen op de Risicokaart. De leidingen hebben ook geen aan te houden richtafstand, anders dan de opgenomen dubbelbestemming. De toekomstige nieuwbouw wordt niet gerealiseerd boven deze leidingen. De leidingen worden dan ook vrijgehouden en blijven daardoor bereikbaar voor eventueel onderhoud. Eventueel aanwezige leidingen of kabels onder de toekomstige nieuwbouw worden waar nodig verlegd. Op dit punt worden geen belemmeringen verwacht. Ter plaatse van het plangebied en de gewenste nieuwbouw zijn tevens geen planologisch relevante kabels aanwezig. Ook lopen er geen hoogspanningsleidingen binnen en rondom het plangebied. Het aspect 'kabels en leidingen' zorgt niet voor belemmeringen.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
41
4.6
Explosieven
De gemeente Leiden heeft gemeentebreed vooronderzoek naar explosieven laten doen door gespecialiseerd bureau Saricon. Dat vooronderzoek is een bureaustudie geweest, waarbij talloze luchtfoto's, verslagen, nieuwsberichten en andere bronnen uit WOII zijn bestudeerd. Het onderzoek heeft geleid tot de onderstaande risicokaart. In Leiden is een aantal spoorbruggen en de omgeving van Leiden Centraal gebombardeerd door de geallieerden. Er zijn geen bronnen die wijzen op de aanwezigheid van explosieven (groot of klein) op de Hof 36-locatie, en overigens ook niet ter plaatse van de omliggende bouwkavels in Lammenschans-Zuid. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Figuur 4.2: Bodembelastingskaart (verdachte locaties explosieven)
42
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
4.7
Milieu
4.7.1
Bedrijven en milieuzonering
Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht om, in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening', aan te tonen dat toekomstige en bestaande bewoners en gebruikers een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, maar ook dat bestaande bedrijven niet in hun belangen worden geschaad. Hiertoe kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelige functie noodzakelijk zijn. Die afstand wordt 'milieuruimte' genoemd. Milieuzonering omvat het stelsel van verschillende gradaties van milieuruimte, die rondom verschillende typen bedrijven noodzakelijk is, ingedeeld in zogenaamde milieucategorieën. Milieuzonering werkt wederkerig. Dat betekent dat nieuwe bedrijven afstand moeten houden tot gevoelige objecten, maar ook dat nieuw te ontwikkelen (gevoelige) objecten voldoende afstand moeten houden tot bestaande bedrijven. Die afstand is noodzakelijk, omdat de bedrijfsvoering van een bestaand bedrijf kan worden aangetast of er hinder kan ontstaan voor bewoners en gebruikers wanneer er onvoldoende afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies bestaat. Ter bepaling van de noodzakelijke afstanden zijn het 'Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer' (oftewel het Activiteitenbesluit) en de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 leidend.
Onderzoeksresultaten Invloed initiatief op omgeving Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een appartementencomplex met maximaal 444 appartementen mogelijk gemaakt. Appartementen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. De appartementen zullen daarom ook geen invloed hebben op het woon-, leef- en verblijfsklimaat ter plaatse van milieugevoelige functies in de omgeving. Naast woonfuncties zijn er ook enkele commerciële functies toegestaan op de begane grond en op de eerste verdieping, te weten: aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten; dienstverlening horeca in categorie I, I* en II maatschappelijke voorzieningen sport- en welnessvoorzieningen bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen en Bevi-inrichtingen, zelfstandige kantoren. De genoemde functies kennen een richtafstand van maximaal 10 meter tot milieugevoelige functies in de omgeving. Hieraan wordt voldaan. De te vestigen bedrijven moeten zich daarnaast houden aan de eisen/normstellingen uit het Activiteitenbesluit. In planologische zin is menging vanuit deze type functies met wonen in beginsel aanvaardbaar. Milieueffecten vanuit Hof 36 op de omgeving zijn daarmee uit te sluiten.
Zowel in de huidige als toekomstige situatie zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat bij woningen in de omgeving. Invloed omgeving op initiatef Om te bepalen wat de invloed is van milieubelastende bedrijven en functies in de omgeving op het woonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe appartementen, is een analyse gedaan op basis van het vigerende bestemmingsplan en de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In figuur 4.2 zijn de verschillende bedrijven in de omgeving weergegeven. Ook zijn hier de milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden per bedrijf weergegeven. Uit de tabel blijkt dat de toekomstige milieugevoelige appartementen binnen de richtafstanden worden gerealiseerd van de huidige bedrijfsbestemmingen ter
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
43
hoogte van de Lammenschansweg 124-138 en het aannemersbedrijf aan de Kanaalweg 171. Hierna wordt verder ingegaan op de effecten van deze bedrijven op de appartementen. De overige bedrijven in de omgeving zorgen niet voor belemmeringen.
44
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
Figuur 4.2: Bedrijven in de omgeving (locatie appartementencomplex rood omkaderd)
Locatie Zirkzee Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de perifere detailhandel ten noordoosten van Hof 36 is bestemd als 'gemengd' met een maximale toegestane milieucategorie van 3.2. Feitelijk heeft perifere detailhandel (conform de richtafstandentabel uit de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering) een milieucategorie 2. De bijbehorende richtafstand in een gemengd gebied is dan 10 meter. De toekomstige appartementen zullen op een afstand die groter is dan 10 meter van de detailhandel gerealiseerd worden. Feitelijk zal er dus geen onevenredig negatieve milieuhinder ontstaan. Deze perifere detailhandel is meegenomen in dit bestemmingsplan. De gemengde bestemming zal hierbij gehandhaafd blijven. Aangezien bij het aspect bedrijven en milieuzonering moet worden uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden, en dus van de maximale milieucategorie die gegeven is voor een bepaald stuk grond, is het handhaven van de huidige maximale milieucategorie (3.2) problematisch, zoals ook blijkt uit figuur 4.2. Om die reden wordt de maximaal toelaatbare milieucategorie verlaagd tot categorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. Daardoor kan worden uitgegaan van de richtafstand van 10 meter die geldt voor bedrijven uit milieucategorie 2. Een goed woon- en leefklimaat in de toekomstige appartementen van Hof 36 is daarmee in beginsel geborgd.
Locatie Schouls Het aannemersbedrijf aan de Kanaalweg 171 ligt op circa 10-20 meter van de toekomstige
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
45
appartementen. Voor het grootste deel van dit bedrijf is een milieucategorie 3.1 opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, waardoor de bijbehorende richtafstand (in gemengd gebiedstype) neerkomt op 30 meter. Verlaging naar milieucategorie 2 Omdat de planontwikkeling van Hof 36 al verder was, is er voor gekozen om voor de woningbouwontwikkeling op de locatie 'Zirkzee wonen & slapen' en Schouls een separaat bestemmingsplan op te stellen en in het voorliggende bestemmingsplan te volstaan met het beperken van de toegestane bedrijvigheid om te zorgen dat ten tijde van de ingebruikname van Hof 36 sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De bestaande bestemming 'Bedrijventerrein' blijft daarom gehandhaafd, waarbij de milieucategorie voor de grond waarop Schouls gevestigd is verlaagd van 3.1 naar 2. Een categorie 2 bedrijf laat zich, gelet op de richtafstand voor een gemengd gebiedstype (10 meter) goed mengen met de woonbestemming op de locatie Hof 36. Specifiek e gebruiksregel in geval van voortzetting huidig gebruik Het huidige gebruik van Schouls kan aan de hand van overgangsrechtelijke bepalingen worden gehandhaafd en extra hinder wordt middels een specifieke gebruiksregel, die toezien op het treffen van bronmaatregelen op de locatie Schouls, voorkomen.
Privaatrechtelijk is afgesproken dat het bedrijf Schouls, mocht deze vanaf 31 juli 2023 nog in de huidige staat en bedrijfsvoering functioneren, zich zal houden aan het in dit bestemmingsplan opgenomen geluidsplafond, dat vanaf die datum geldt. Dit geldt buiten de reguliere normstellingen vanuit het Activiteitenbesluit. De woningen zullen niet vóór de genoemde datum in gebruik worden genomen volgens de planning. De milieubelasting van Schouls komt voornamelijk neer op het aspect 'geluid'. In 2019 is daarom een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd om de geluidseffecten van dit bedrijf op de toekomstige appartementen te bepalen. Later is dit onderzoek geüpdatet (2020). Beide onderzoeken zijn in de bijlagen opgenomen. Deze onderzoeken geven inzicht in de akoestische situatie die zou ontstaan wanneer er zich op grond van het overgangsrecht een ander aannemersbedrijf zich zou vestigen op de locatie of wanneer Schouls bij ingebruikname van de woningen van Hof 36 nog niet is verhuisd. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat in voorkomend geval de maximale geluidniveaus hoger zullen zijn dan de grenswaarden.
Echter uitgaande van een minimale gevelweringeis van het Bouwbesluit van 20 dB, die waarschijnlijk vanwege energie-eisen 25 dB zal bedragen, wordt (ruimschoots) voldaan aan de geldende richtwaarde van het binnenniveau van 45 dB(A) in de nachtperiode, waarbij nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een maximaal geluidniveau van 65 dB(A) op de gevel resulteert door de gevelwering van minimaal 20 dB, altijd in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De berekende maximale geluidniveaus op de gevel zullen dan in maatwerkvoorschrift worden vastgelegd. Een dergelijk maatwerkvoorschrift waarborgt in voorkomende gevallen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Fysieke maatregelen op de locatie Schouls die de benodigde reductie kunnen bewerkstelligen zijn onder andere: Het oprichten van een nieuwe (bedrijfs)hal; Het gedeeltelijk sluiten van openingen in de bedrijfshal tijdens werkzaamheden (o.a. laden en lossen). Ter borging van zowel de maximaal toelaatbare gevelbelastingen (al dan niet door vastlegging in een maatwerkvoorschrift, zie hierna) als het binnenniveau zijn in de planregels waarborgen opgenomen die toezien op het treffen van maatregelen bij de bron om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Deze specifieke gebruiksregel is gekoppeld aan de ingebruikname van de woningen van Hof 36.
Het niet voldoen aan deze bepaling leidt tot een strijdig gebruik van de gronden op de locatie Schouls. In de bestemming 'Bedrijventerrein' is gelet hierop een nadere gebruiksregel opgenomen. Hierin is bepaald dat er sprake is van strijdig gebruik wanneer niet kan worden voldaan aan een maximaal geluidniveau van 65 dB(A) op de gevel, voor zover veroorzaakt door het bestaande bedrijf op de locatie Schouls, op moment van ingebruikname van woningen binnen de aanduiding 'milieuzone aandachtsgebied geluid' binnen de bestemming van Hof 36. Deze woningen mogen niet vóór 31 juli 2023 in gebruik worden genomen, tenzij de bedrijfsvoering van Schouls voor die tijd is beëindigd. Op deze manier geldt er een geluidsplafond voor Schouls dat vanaf 31 juli 2023 in werking treedt. De planning is overigens dat de woningen pas na deze datum gerealiseerd zijn en in gebruik worden genomen. Met
46
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
inachtneming van dit geluidsplafond kan er mogelijk zonder aanvullende maatregelen voldaan worden aan een goed woon- en leefklimaat. In geval er zich een ander bedrijf dan Schouls vestigt, geldt hetzelfde geluidsplafond, met uitzondering van de middels maatwerkvoorschrift mogelijk gemaakte piekbelasting van 65 dB(A) in de nachtperiode. Hiervoor geldt dan de reguliere norm van 60 dB(A) conform het Activiteitenbesluit. Op deze wijze is in alle gevallen een goed woon- en leefklimaat in de toekomstige appartementen van Hof 36 gewaarborgd. Ook wanneer bijvoorbeeld een ander bedrijf zich zou vestigen op het terrein van Schouls of Schouls bij ingebruikname van de woningen van Hof 36 nog niet is verhuisd. Maatwerkvoorschriften De gemeente kan maatwerkvoorschriften opstellen zodat Schouls niet wordt belemmerd in de huidige bedrijfsvoering. Volgens artikel 2.20 lid 2 kunnen hogere piekgeluidniveaus worden opgenomen. De voorwaarde is dat moet worden voldaan aan een binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde. Ervan uitgaande dat de piekbronnen (rijden rupskraan op dieplader, laden en lossen van rijplaten) slechts zeer kortstondig optreden, kan op grond van een bedrijfsduurcorrectie een gemiddeld geluidniveau worden vastgesteld tengevolge van deze piekbronnen.
Als de hoogste piekbronnen in totaal 30 seconden optreden kan een bedrijfsduurcorrectie van 30 dB worden toegepast in de nachtperiode op de berekende piekgeluidniveaus. Dat resulteert in 35 dB(A) op de gevel als gemiddeld geluidniveau, waarmee een gemiddeld inpandig geluidniveau, bij een minimaal vereiste gevelwering van 20 dB, wordt bereikt van 15 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de eis conform artikel 2.20 lid 2 van het Activiteitenbesluit van 25 dB(A) in de nachtperiode. Dan wordt voldaan aan de eis om hogere maatwerkvoorschriften op te stellen voor de berekende maximale geluidniveaus. Bij nieuwbouw is deze standaard gevelwering in alle gevallen te behalen, zodat een acceptabele binnenwaarde gegarandeerd wordt. Conclusie Het woon- en leefklimaat in de woningen is met een combinatie van de maatwerkvoorschriften en de specifieke gebruiksregels voor eventueel te treffen maatregelen op de locatie Schouls voldoende geborgd.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
47
4.7.2
Bodem
Beleidskader Onder het stramien van 'een goede ruimtelijke ordening' geldt dat het gebruik dat planologisch wordt toegestaan voor een bepaald stuk grond moet passen binnen het gebruik dat de bodemkundige staat van de grond toelaat. Zo gelden voor een speelplaats of tuin hogere eisen met betrekking tot de bodemkwaliteit dan voor bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Of de bodemkwaliteit een planontwikkeling in de weg staat, wordt bepaald door middel van een bureauonderzoek, eventueel aangevuld met een verkennend veldonderzoek. De resultaten van het historisch bureauonderzoek, het veldonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden met het planologische besluit bekendgemaakt. Uit het onderzoeksrapport moet blijken of sprake is van ernstige verontreiniging van de bodem of het grondwater. In de Wet bodembescherming zijn grenswaarden opgenomen, die bepalen wanneer voor een bepaald gebruik een grondsanering noodzakelijk is (de zogenaamde saneringscriteria) en hoe schoon de grond moet zijn na een saneringsoperatie (ook saneringsdoelstelling genoemd). Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft het lokale bevoegd gezag de mogelijkheid om bodemkwaliteit binnen haar gebied actief te beheren. Daarbij kan het bevoegd gezag ten aanzien van bodembeheer kiezen voor landelijk geldend generiek beleid of voor zelf opgestelde gebiedsspecifieke beleidsregels.
Hangende die keuze geldt in het gebied dat valt onder de bevoegdheid van de Omgevingsdienst West-Holland (voor milieuzaken via mandaat gemachtigd door onder andere de gemeente Leiden) het overgangsbeleid uit het Besluit bodemkwaliteit. Dat betekent dat voorlopig het nu geldende bodembeheerbeleid van kracht is, waarbij geldt dat grondverzet is toegestaan: als de toe te passen grond beter of gelijk in kwaliteit is als de ontvangende bodem; als de toe te passen grond beter of gelijk in kwaliteit is dan de op de betreffende plek geldende bodemfunctieklasse. Onderzoeksresultaten Hof 36 De locatie van Hof 36 ligt in de huidige situatie geheel braak. Met dit plan wordt een appartementencomplex op het braakliggende terrein gerealiseerd. Tot 2015 heeft op het plangebied een groot (bedrijfs)pand gestaan. Voorafgaand aan de realisatie van dit pand en na de sloop van dit pand zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. De volgende conclusies konden worden getrokken.
Voorafgaand aan de ontwikkeling ter plaatse omstreeks de jaren 50 van vorig jaar zijn drie sloten gedempt met onbekend materiaal; De locatie is vervolgens een halve eeuw in gebruik geweest door Fasson / Avery-Dennison als sticker- en lijmfabriek, waarbij tevens diverse brandstoftanks aanwezig zijn geweest; In de jaren 90 zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd, waaruit bleek dat de locatie verontreinigd was met hoofdzakelijk minerale olieproducten en vluchtige aromaten; In dat kader is een bodemsanering uitgevoerd. Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat de sanering in voldoende mate is uitgevoerd en dat nadere sanerende handelingen niet noodzakelijk waren; In 2012 is, voorafgaand aan de sloop van de opstallen, een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn ten hoogste lichte (chemische) verontreinigingen aangetoond. Geconcludeerd is dat de locatie geschikt was voor industrieel gebruik, maar mogelijk niet voor wonen met tuin, met name vanwege het aangetroffen puin in de bodem. Geadviseerd is om voorafgaand aan eventuele woningbouw een schone leeflaag van 1 meter te creëren; In 2015 is een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de formele beëindiging van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse, waarbij rekening is gehouden met de meest verdachte locaties voor bodemverontreiniging.
Hierbij zijn geen significante verontreinigingen aangetoond; In 2017 is een verkennend bodemonderzoek naar asbest uitgevoerd. Hierbij is geen asbest aangetoond. Opmerkelijk is echter dat er in de bodem geen puinbijmenging is waargenomen. Mogelijk is op de locatie gesaneerd en/of een schone leeflaag aangebracht. Aanvullend op de eerdere bodemonderzoeken is in april 2020 opnieuw een verkennend bodemonderzoek
48
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Uit de resultaten van het onderzoek naar asbest op het achterterrein (perceelnummers 5257 en 5259) blijkt dat zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond ter plaatse van het achterterrein (MM1 en MM2) licht verhoogd is met minerale olie en som PCB. De bovengrond van het voorterrein is plaatselijk licht verhoogd met som PCB (MM3). In de geanalyseerde mengmonsters van de ondergrond (MM5 en MM6) en het separaat geanalyseerde grondmonster B06-1 (M7) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Op basis van de resultaten van het onderzoek naar PFAS kan geconcludeerd worden dat de grond voldoet aan de tijdelijke achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater afkomstig uit peilbuis 11 (achterterrein) licht verhoogd is met barium, molybdeen, xylenen en naftaleen. Het grondwater afkomstig uit peilbuis 22 (voorterrein) is licht verhoogd met molybdeenen naftaleen. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Zirkzee en Schouls De locaties van Zirkzee en Schouls zijn niet onderzocht ten aanzien van bodemkwaliteit.
Bij herontwikkeling in de toekomst zal een bodemonderzoek uitgevoerd worden.
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
49
4.7.3
Externe veiligheid
Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op het gebruik, de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's die rondom inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen toelaatbaar zijn. Die normen zijn voor inrichtingen (bedrijven) opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transport van gevaarlijke stoffen in het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) en voor het transport in leidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen deze beleidskaders staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die voortdurend op die plaats aanwezig is. Het PR kan op een kaart worden weergegeven met zogenaamde risicocontouren. Dat zijn lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Binnen de 10-6 contour, welke als wettelijke norm fungeert, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkte kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het GR kan niet op een kaart worden weergegeven, maar wordt weergegeven in grafieken waarop de kans op een ongeval (f) wordt afgezet tegen het aantal slachtoffers (N): de zogenaamde fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. In het Bevi, het Btev en Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot de planologische keuzes, die gevolgen heeft voor het groepsrisico, moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of (de wijziging van) het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht, waarbij onderwerpen als bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij de afweging dienen te worden betrokken. In het Bevi en de Btev zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen.
Onderzoeksresultaten Om te bepalen wat de invloed zou kunnen zijn van risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen, is een analyse uitgevoerd op basis van de Risicokaart. In figuur 4.4 zijn deze risicobronnen in kaart weergegeven. Hieronder worden de bronnen benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
50
Zwembad Vijf Mei RWZI Leiden Zuidwest Zwembad De Vliet N206 Hoeve Cronesteijn Kampeerboerderij Stochemhoeve Cronesteijn Gasleiding Gasunie Gasleiding Gasunie Rijksweg A4
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
Figuur 4.4: Risicobronnen in de omgeving (locatie nieuw appartementencomplex paars aangeduid)
Inrichtingen Het plangebied ligt buiten alle PR- en GR-contouren van de inrichtingen met nummers 1, 2 en 3. Aan het adres Cronensteyn 1 en 3 bevinden zich twee propaantanken. Het invloedsgebied bedraagt 235 meter, de afstand tot de planlocatie bedraagt 140 meter (nr. 5) respectievelijk 230 meter (nr. 6). Het plangebied ligt daarom binnen het invloedsgebied van deze propaantanken. De propaantanks hebben een inhoud van respectievelijk 3000 en 5000 liter. Deze hoeveelheden zijn lager dan het minimum om onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen te vallen; aangesloten wordt daarom bij het Activiteitenbesluit. Hieruit volgt een afstand tot kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten van maximaal 20 meter, welke in beide gevallen niet reikt tot aan het plangebied. Voor objecten/functies waarin verminderd zelfredzame personen (kunnen) verblijven, zoals scholen, ziekenhuizen en bejaardentehuizen, geldt een afstand van 25 meter. Ook deze afstand vormt geen knelpunt voor de ontwikkeling van het plangebied. Buisleidingen Ten zuiden van het plangebied lopen twee aardgasleidingen. De ene leiding heeft een 100%-letaliteitsafstand van 80 meter en de andere van 180 meter. De leidingen hebben een 1%-letaliteitsafstand van 170 en 430 meter. Het plangebied ligt op ruim 1 kilometer afstand. Nader onderzoek of een verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.
Wegen De afstand van de N206 tot de planlocatie bedraagt 220 meter. Het invloedsgebied van de N206 bedraagt 355 en 880 meter als het gevolg van het transport van zeer brandbare gassen respectievelijk
Bestemmingsplan "Lammenschansweg-HOF36" (vastgesteld)
51
toxische stoffen. Het invloedsgebied van de Rijksweg A4 bedraagt > 4 km. Als het gevolg van de transport van toxische stoffen. De afstand tot de planlocatie bedraagt 1,1 km. Een verantwoording van het groepsrisico vanwege deze wegen is dan ook noodzakelijk. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, aangezien het plangebied op meer dan 200 meter ligt. Het (doorgaand) vervoer van gevaarlijke stoffen zal na het in gebruik nemen van de Rijnlandroute geen gebruik meer mogen maken van de N206. De Wet vervoer gevaarlijke stoffen stelt immers dat transporten met gevaarlijke stoffen de bebouwde kom moeten vermijden, tenzij dit de enige route is om hun bestemming te bereiken. Met de Rijnlandroute ontstaat een mogelijkheid om van de A4 naar de A44 te rijden buiten de bebouwde kom om. De risico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N206 zullen daarmee binnen afzienbare tijd weggenomen worden, uitgezonderd mogelijk een zeer beperkt aantal transporten die alleen via de N206 hun bestemming kunnen bereiken. Gelet op de omgeving en de mogelijke bestemmingen zal hiervan echter naar verwachting nauwelijks sprake zijn. Beperkte verantwoording groepsrisico In dit geval zijn toxische vloeistoffen en gassen het maatgevende risico.
Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. Bestrijdbaarheid In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch vloeistof is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas of vloeistof en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.