210049 Bijlage 3. Bestemmingsplan NL.IMRO.0546.BP00165-0301, genaamd “bestemmingsplan LEAD”, gedateerd op juni 2021, bestaande uit een toelichting, regels en bijlagen bij de regels;
Tekst van het document
4.3.2
Onderzoeksresultaten
4.3.2.1 Inleiding Bureau Stadsnatuur heeft in het kader van het plan een quickscan ecologie en een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Tevens is er is een bomeninventarisatie uitgevoerd door Bomenwacht Nederland B.V. Daarnaast is door Peutz een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In de hierna volgende paragrafen worden de resultaten uit de onderzoeken kort weergegeven.
4.3.2.2 Quickscan Ecologie Door Bureau Stadsnatuur is een quickscan ecologie uitgevoerd. De quickscan (kenmerk 1769b) is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. In de quickscan is geconstateerd dat de beschermde flora uit de Wet natuurbescherming niet te verwachten zijn in het plangebied. De beschermde soorten komen nauwelijks voor in urbaan gebied en het plangebied is daarnaast ongeschikt als leefgebied voor enkele typische muurplanten. In de quickscan is verder geconstateerd dat het leefgebied voor beschermde ongewervelde dieren, amfibieën, reptielen en vissen ontbreekt. Broedende vogels kunnen ten hoogste worden verwacht op het platte dak van het bestaande KPN-gebouw. Aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels is uitgesloten, maar mogelijk zijn nesten aanwezig in de heesters rondom de bebouwing. Potentie als nestlocatie en leefgebied voor de huismus en gierzwaluw is uitgesloten. Wel broeden een paar slechtvalken op zo'n 450 meter afstand van het plangebied. Echter, zijn binnen het plangebied geen nestlocaties van de soort aangetroffen. De bestaande bebouwing biedt geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen, door de aanwezigheid van open stootvoegen. Geschikte open stootvoegen zijn volgens de quickscan slechts aanwezig in de noordgevel. Gebruik van bebouwing zal enkel kunnen plaatsvinden door de Gewone en Ruige dwergvleermuis.
Verblijfsplaatsen van de Meervleermuis, de Laatvlieger en de Tweekleurige vleermuis zijn uitgesloten. Verblijfplaatsen in bomen zijn niet mogelijk, gezien de leeftijd en de staat van onderhoud. Ook kan op voorhand worden uitgesloten dat sprake is van een essentieel foerageergebied of een belangrijke vliegroute van vleermuizen, gezien het hoog stenige karakter van het plangebied en het beperkt aanwezige groen. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In paragraaf 4.3.2.5 wordt hier nader op ingegaan.
52
bestemmingsplan LEAD
4.3.2.3 Vervolgonderzoek In de quickscan ecologie (zie paragraaf 4.3.2.2) worden verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet uitgesloten. Bureau Stadsnatuur heeft in het veldseizoen van 2018 daarom een vleermuisonderzoek uitgevoerd (kenmerk 1828b). Het vleermuisonderzoek is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden in de periode mei tot en met september 2018 en op basis hiervan is geconstateerd dat het plangebied en de directe omgeving van beperkt belang is voor vleermuizen. Onder andere de zomerverblijfplaatsen en kraamkolonie zijn uitgesloten op basis van de voorjaars- en zomerronde. In het najaar zijn paarverblijfplaatsen in de bebouwing eveneens uitgesloten. De naburige bebouwing is potentieel de fysieke verblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis die door de onderzoeker werd waargenomen. Ook de grote winterverblijfplaats ontbreekt in het plangebied. Na uitbreiding van het plangebied in 2020 met de nieuwe KPN-locatie, heeft Bureau Stadsnatuur beoordeeld of vleermuizen in de huidige bebouwing op deze locatie zijn uit te sluiten. Het vleermuisonderzoek is hierop aangevuld. Conclusie is dat verblijfplaatsen van vleermuizen in de aanvullende locatie zijn uitgesloten en de veldbezoeken in 2018 voldoende dekking gaven om hierover uitsluitsel te kunnen geven.
Er is gedurende het veldwerk geen enkele vleermuisactiviteit waargenomen rondom dit gebouw. Op basis van het vervolgonderzoek is aangetoond dat beschermd gebiedsgebruik door vleermuizen en aanwezigheid van overige beschermde soorten flora en fauna kan worden uitgesloten.
4.3.2.4 Bomeninventarisatie In 2020 is er door Bomenwacht Nederland een bomeninventarisatie uitgevoerd (kenmerk 20073), zie bijlage 8. Alle aanwezige bomen in het plangebied zijn geïnventariseerd en daarbij ingedeeld in kwaliteitscategorieën. Ook is op basis van een bovengrondse beoordeling en indien relevant ondergronds onderzoek, de verplantbaarheid aangegeven. Verder zijn de boomsoorten, standplaatsen, afmetingen (waaronder stam- en kroondiameter), conditie, veiligheid, beheerbaarheid en toekomstverwachting van alle bestaande bomen opgenomen. Uit de inventarisatie is gebleken dat er voor de realisatie van onderhavig plan circa 33 bomen verwijderd of verplaatst dienen te worden. Deze bomen vallen niet binnen de gemeentelijke Groene Kaart en zijn daarom uitsluitend omgevingsvergunningplichtig wanneer deze een stamomtrek hebben van meer dan 45 centimeter en zich in de openbare ruimte bevinden. Het aantal nieuwe bomen is groter dan het aantal te verwijderen/ te verplanten bomen, waardoor het aantal bomen binnen het plangebied per saldo toeneemt. Alle te verwijderen/ te verplanten bomen worden derhalve gecompenseerd binnen het plangebied.
4.3.2.5 Stikstofdepositieberekening In het kader van gebiedsbescherming is door Peutz (zie bijlage 9) een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofemissie en de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling (kenmerk O 16298-2-RA-004). Uit het onderzoek volgt dat de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden voor de beoogde gebruiksfase en de aanlegfase niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve is geen sprake van een vergunningplicht onder de Wet natuurbescherming. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn hierdoor uit te sluiten. In vergelijking met de referentiesituatie is er zelfs sprake van een positief effect.
53
bestemmingsplan LEAD
4.3.3
Conclusie
Het aspect ecologie en het aspect stikstofdepositie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.4
Explosieven
4.4.1
Beleidskader
De opslag van munitie en/of explosieven valt niet onder het toepassingsgebied van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. In tegenstelling tot het Bevi is geen sprake van risicobenadering maar van een effectbenadering bij de opslag van munitie en/of explosieven. Per categorie explosieven zijn aan te houden afstanden onderscheiden. Kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen binnen deze afstanden niet aanwezig zijn.
4.4.2
Onderzoeksresultaten
4.4.2.1 Vooronderzoek Conventionele Explosieven In 2014 is door Saricon Safety & Risk Consultancy een vooronderzoek Conventionele Explosieven uitgevoerd in de gehele gemeente Leiden. Uit het vooronderzoek blijkt dat als gevolg van bombardementen en de aanwezigheid van diverse Duitse stellingen conventionele explosieven (CE) aanwezig kunnen zijn. Het vooronderzoek heeft geresulteerd in onder andere een CE-bodembelastingkaart. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek kan voorafgaand aan werkzaamheden worden bepaald of sprake is van een verdacht gebied en hierdoor een projectgebonden risicoanalyse benodigd is.
54
bestemmingsplan LEAD
Fig. 4.1 Uitsnede van CE-bodembelastingkaart Leiden. Bron: Saricon Safety & Risk Consultancy.
Op basis van de CE-bodembelastingkaart van Leiden is de planlocatie niet aangeduid als verdacht gebied voor kleinkalibermunitie, hand- en geweergranaten, geschutmunitie of afwerpmunitie. Voorliggend plan is niet ter plaatse van een verdacht gebied gelegen, waardoor er geen aanleiding bestaat voor een projectgebonden risicoanalyse.
4.4.3
Conclusie
Het aspect explosieven staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.5
Kabels en leidingen
4.5.1
Beleidskader
4.5.1.1 Algemeen Planologisch relevante leidingen dienen in een bestemmingsplan te worden opgenomen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. Onder planologisch relevante leidingen vallen hoofdnutsvoorzieningen. Dit betreffen leidingen voor het transport van brandbare en/of ontplofbare stoffen en aardgasleidingen. Leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid.
55
bestemmingsplan LEAD
Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.
4.5.1.2 Magnetische velden Bij het gebruik van elektrische infrastructuur ontstaan magnetische velden. Sterke magnetische velden kunnen bij mensen biologische effecten (zoals effecten op zintuigen) en gezondheidseffecten veroorzaken. Om mensen te beschermen tegen de mogelijke effecten van magnetische velden zijn er internationaal vastgestelde blootstellingslimieten. In 1998 heeft ICNIRP, de International Commission for Non-Ionizing Radiation Protection, de blootstellingslimiet voor velden van 50 hertz vastgelegd op 100 microTesla. De Europese Unie heeft deze blootstellingslimiet in 1999 overgenomen in Richtlijn 1999/519/EC. Daarnaast wordt er al tientallen jaren wetenschappelijk onderzoek gedaan naar effecten van langdurige blootstelling aan magnetische velden in de woon- en werkomgeving, bij veldsterkten die veel lager zijn dan de maximale grenswaarde van 100 microTesla. Uit dit onderzoek is gebleken dat er een zwakke, maar statistisch significante relatie is tussen langdurig verblijven in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen en het vóórkomen van leukemie bij kinderen. Uit onderzoek naar de oorzaak is geen biologische verklaring of causaal verband gevonden voor de gestelde samenhang. De waarde voor de veldsterkte waarboven dit verband bij langdurige blootstelling toeneemt, ligt rond 0,4 microTesla.
Voorzorgbeleid Voor bovengrondse hoogspanningslijnen wordt door de Nederlandse Rijksoverheid sinds 2005 een voorzorgbeleid gehanteerd. Dit beleid houdt in dat zo veel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden moet worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig kunnen verblijven in het gebied rond hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Dit gebied wordt een magneetveldzone genoemd. Derhalve mag in nieuwe situaties de magnetische veldsterkte gedurende enige tijd wel hoger zijn dan 0,4 microTesla, zolang het gemiddelde over een jaar maar lager is dan 0,4 microTesla. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de uitgangspunten die aan het magneetveldvoorzorgbeleid (dat oorspronkelijk betrekking heeft op bovengrondse hoogspanningslijnen) ten grondslag liggen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, in beginsel ook moeten worden toegepast bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. In 2018 heeft de Gezondheidsraad een nieuw advies uitgebracht over mogelijke gezondheidseffecten van magneetvelden.
Hierbij geeft de Gezondheidsraad de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (voorheen VROM) in overweging om het voorzorgbeleid rondom bovengrondse hoogspanningslijnen uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen die oorzaak kunnen zijn van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk. Momenteel wordt door de minister verkend of dat een verbreding van het voorzorgbeleid naar andere bronnen in het elektriciteitsnetwerk wenselijk is.
56
bestemmingsplan LEAD
4.5.2
Onderzoeksresultaten
4.5.2.1 Algemeen In het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) worden veiligheidsafstanden aangegeven die moeten worden aangehouden ten opzichte van buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen. Onderhavige paragraaf gaat in op buisleidingen die geen normstelling in het Bevb kennen en waarvoor geen risicobenadering uit het Bevi dient te worden aangehouden. Dergelijke buisleidingen komen aan bod in paragraaf 4.6.5.
4.5.2.2 Beschermingszone kabels en leidingen Ter plaatse van het plangebied is een tracé van kabels en leidingen van TenneT gelegen. In afstemming met de betreffende leidingbeheerder is er een dubbelbestemming 'Leiding-Hoogspanning' opgenomen voor de aanleg, het beheer en instandhouding van de hoogspanningskabel; met de daarbij behorende beschermingszone en voorzieningen.
4.5.2.3 Magnetische velden Binnen het plangebied LEAD zijn in de context van (ondergrondse) magnetische velden alleen woningen relevant. Andere in deze context gevoelige bestemmingen zijn in onderhavig bestemmingsplan niet aan de orde. In verband met de ligging van de beoogde woningen in het planinitiatief LEAD ten opzichte van het 150 kV transformatorstation en de daarbij behorende ondergrondse kabelverbindingen, heeft DNV-GL de magneetveldcontour van de ondergrondse 150kV verbinding van TenneT onderzocht, zie bijlage 10. Daarbij is tevens de magneetveldsterkte van de kabelverbinding berekend. Uit het onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de aanbeveling voor de magneetveldsterkte van maximaal 100 microTesla uit de Europese Richtlijn 1999/519/EC. Ter verantwoording van een goede ruimtelijke ordening is specifiek onderzoek verricht naar de ligging van de magneetveldcontour van 0,4 microTesla. DNV-GL heeft deze magneetveldcontour op meerdere locaties bij planinitiatief LEAD berekend en getoond in dwarsdoorsnedes. In de planregels is geborgd dat wonen binnen een magneetveldcontour hoger dan 0,4 microTesla niet is toegestaan. Uit het onderzoek blijkt voorts dat in drie van de vijf onderzochte locaties waar woningen worden voorzien, geen sprake is van een magneetveldcontour hoger dan 0,4 microTesla.
Om te borgen dat alle voorziene woningen in het gecoördineerde bouwplan voor het planinitiatief LEAD buiten de magneetveldcontour van 0,4 microTesla komen te liggen, is aangetoond dat dit bereikt kan worden door het laten zitten van de benodigde damwanden op twee plaatsen in het plangebied. Daar waar mitigerende maatregelen in de vorm van een damwand dienen te worden toegepast, is op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan een specifieke bouwaanduiding opgenomen welke is gekoppeld aan bouwregels. Een voorwaardelijke verplichting borgt daarnaast de instandhouding.
57
bestemmingsplan LEAD
4.5.3
Conclusie
Een dubbelbestemming met betrekking tot de beschermingszone van kabels en leidingen zorgt ervoor dat ook bij toekomstige ontwikkelingen de kabels en leidingen worden beschermd. Ten aanzien van magnetische velden is in het bestemmingsplan een planregel opgenomen dat woningen niet zijn toegestaan binnen de 0,4 microTesla magneetveldcontour. Daar waar uit onderzoek is gebleken dat de voorziene woningen in het bouwplan voor het planinitiatief LEAD wel (deels) binnen die magneetveldcontour zouden liggen, borgt het bestemmingsplan het nemen en in stand houden van mitigerende maatregelen, waardoor alle voorziene woningen in het bouwplan buiten de magneetveldcontour van 0,4 microTesla komen te liggen. Het aspect kabels en leidingen staat de uitvoering van het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.
4.6
Milieu
4.6.1
Bedrijven en milieuzonering
4.6.1.1 Begrip milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen.
4.6.1.2 VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord.
58
bestemmingsplan LEAD
Fig. 4.2 Richtafstandenlijst per omgevingstype. Bron: VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).
De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden uitgeoefend, dan kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting in plaats van de richtafstanden.
4.6.1.3 Onderzoeksresultaten Kwalificatie plangebied De planlocatie heeft in de huidige situatie de bestemmingen 'Gemengde doeleinden' en 'Nutsdoeleinden'. Het plangebied kenmerkt zich in de beoogde situatie door met name woonfuncties, maar naast de woonfunctie worden eveneens commerciële en maatschappelijke functies in de plint en een nutsvoorziening van KPN binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Doordat het plangebied overwegend uit de woonfunctie bestaat wordt niet gesproken van een gebied met functiemenging. Wel kan het plangebied gedefinieerd worden als een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt gedefinieerd als “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging". Voorbeelden van gemengde gebieden uit de VNG-brochure zijn woningen die direct naast andere functies liggen, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven of lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere
59
bestemmingsplan LEAD
bedrijvigheid, of gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. De situering nabij het 150 kV-station en aan de Willem de Zwijgerlaan (als hoofdinfrastructuur) zorgt ervoor dat het plangebied en de nabije omgeving gekwalificeerd wordt als een omgevingstype 'gemengd gebied' in de zin van de VNG-brochure. Doordat sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één stap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Binnen het plangebied Binnen het plangebied zijn de woningen zoals onderdeel van planinitiatief LEAD gelegen nabij het nutsbedrijf van KPN. Het te realiseren KPN gebouw aan de zuidzijde van het plangebied wordt in de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 1. De activiteiten zijn het best vergelijkbaar met die van een telecommunicatiebedrijf (SBI-code 2008 61 A). Bij een dergelijke bedrijfsactiviteit is een milieucontour van 10 meter van toepassing in een rustige woonwijk. De richtafstand komt voort uit het aspect geluid, de overige aspecten (geur, stof, gevaar) hebben allen een contour van 0 meter in een rustige woonwijk. Onder 'kwalificatie plangebied' is geconcludeerd dat in onderhavig plangebied sprake is van een gemengd gebied. De milieucontour wordt derhalve met één stap verlaagd van 10 meter naar 0 meter zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Buiten het plangebied Buiten het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is het nabijgelegen 150 kV transformatorstation gesitueerd. De VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering noemt voor wat betreft elektriciteitsdistributiebedrijven verschillende richtafstanden ten opzichte van gevoelige functies. De richtafstand is afhankelijk van het gestelde transformatorvermogen. Volgens recente gegevens is bekend dat het totale transformatorvermogen van het transformatorstation 365 MVA bedraagt. Het 150 kV transformatorstation valt onder SBI-code 2008 35 C4 en heeft een milieucategorie 4.2. Bij een dergelijke bedrijfsactiviteit geldt op basis van de VNG-handreiking in een gemengd gebied een milieucontour van 200 meter voor het aspect geluid en 30 meter voor het aspect gevaar. Het dichtstbijzijnde gebouw(deel) van het planinitiatief LEAD, waar gevoelige functies zoals wonen mogelijk worden gemaakt, is gelegen op een afstand van circa 10 meter. Zoals in 4.6.1.1 aangegeven blijkt dat indien bekend is welke activiteiten concreet worden uitgevoerd, er kan worden uitgegaan van de daadwerkelijke milieubelasting in plaats van de richtafstanden. De VNG-brochure schaalt de activiteit onder de milieucategorie 4.2. vanwege de mogelijke geluidbelasting op de omgeving van het transformatorstation.
Omdat geluid bij een transformatorstation bepalend is voor de richtafstand is onderzocht of de activiteiten ter plaatse van het 150 kV station qua geluidbelasting passend is in milieucategorie 4.2. In het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het 150 kV station op planinitiatief LEAD (zie bijlage 14, kenmerk 2316 ER - 239 WO 009-02-11-20 V4) is naar voren gekomen dat het 150 kV station aan te merken is als een type B inrichting op basis van het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit staan geen specifieke regels voor het in werking hebben van een transformatorstation. Hierdoor zijn de algemene geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit van toepassing. De berekeningen tonen aan dat de geluidbelasting op de woningen ten hoogste 42 dB(A) bedraagt. Er wordt hiermee ruimschoots aan de normstelling van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit voldaan. Een 150 kV-transformatorstation valt niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid (BEVI). Daarnaast staan in het Activiteitenbesluit geen specifieke regels voor het in werking hebben van een transformatorstation. Omdat voor een transformatorstation wel een potentieel (brand)veiligheidsrisico bestaat, geldt er in het kader van bedrijven en milieuzonering een aan te houden richtafstand van 30 meter voor 'gevaar'. Aan
60
bestemmingsplan LEAD
deze richtafstand wordt met het planinitiatief LEAD niet voldaan. Derhalve dient gemotiveerd te worden afgeweken van deze richtafstand. Het transformatorstation dient in de huidige situatie al te voldoen aan de (brand)veiligheidseisen die gelden voor een transformatorstation op basis van het Bouwbesluit. Om dit te kunnen beoordelen is naast het aanleveren van informatie door TenneT, op 14 oktober 2020 het 150kV station aan de Nieuwe Koningstraat in Leiden geïnspecteerd door de veiligheidsregio. De inspectie is gedaan om uitsluitsel te geven over de risico's en effecten van het 150kV station voor het project LEAD. Op grond van de waarnemingen en de informatie uit het noodplan is het scenario 'brand' het meest waarschijnlijk. De kans dat dit scenario optreedt is zeer klein door de getroffen veiligheidsmaatregelen. In het geval er brand ontstaat in een transformator, dan zijn er voorzieningen die het effect beperken. Bijvoorbeeld door het sluiten van de ventilatieluiken zal minder rook vrijkomen en de zuurstoftoevoer wordt beperkt waardoor de brand minder heftig wordt. Belangrijk is dat de brandweer pas kan blussen als de installaties zijn uitgeschakeld door TenneT, in verband met de levensgevaarlijke spanningen in de installaties. Hierdoor kan er gedurende langere tijd rookoverlast zijn voor de omgeving.
In het planinitiatief zijn reeds maatregelen getroffen in het kader van externe veiligheid (zie paragraaf 4.6.5) die de toekomstige woningen voldoende bescherming bieden tegen een eventueel (brand)veiligheidsrisico. Op grond van vorenstaande kan gemotiveerd afgeweken van de richtafstand van 30 meter voor het onderdeel 'gevaar'. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het transformatorstation vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkelingen vice versa.
4.6.1.4 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.6.2
Bodem
4.6.2.1 Beleidskader Wet ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt bepaald door middel van een historisch onderzoek, eventueel aangevuld met een bodemonderzoek. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.
61
bestemmingsplan LEAD
Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).
Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.
Lok aal bodembeleid De regels voor grondverzet volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. In de gemeente Leiden is het generieke beleid van kracht. Dat betekent dat toe te passen grond altijd aan twee eisen moet voldoen: toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als de ontvangende bodem - (op niveau van bodemkwaliteitsklasse); toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als geldt voor de op betreffende plek geldende bodemfunctieklasse. De gemeente Leiden beschikt over een bodemfunctieklassenkaart. Eventueel aanvullende regels worden opgenomen in de regionale bodembeheernota.
4.6.2.2 Onderzoeksresultaten Inleiding In 2019 is een verkennend onderzoek inclusief asbest uitgevoerd door BOOT op het plangebied van planinitiatief LEAD. Op basis van het advies uit het verkennend bodemonderzoek van mei 2019, heeft BOOT in maart 2020 een nader bodemonderzoek asbest conform NEN 5707 uitgevoerd. Daarnaast is ter plaatse van de nieuwe KPN-locatie door BOOT op 3 juni 2020 een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd. In de hierna volgende alinea's worden de resultaten uit de onderzoeken kort weergegeven.
Verk ennend bodemonderzoek inclusief asbest ter plaatse van planinitiatief LEAD BOOT heeft in mei 2019 een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd voor het plangebied van planinitiatief LEAD (Willem de Zwijgerlaan 177, 179 en 181). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting (kenmerk P18-0124-027). Middels een vooronderzoek is door BOOT in kaart gebracht of en zo ja waar verontreinigingen in de bodem verwacht worden. Op basis van de beschikbare dossierinformatie wordt de (boven)grond voor chemische parameters en asbest als verdacht aangemerkt. Verder is de grond en het grondwater aldaar onderzocht volgens de strategie van een verdachte locatie ter plaatse van een ondergrondse opslagtank conform NEN 5740. Op basis van het laboratoriumonderzoek en veldwerkonderzoek door BOOT is de onderzoekshypothese 'verdachte locatie' aangenomen voor het gehele plangebied en de
62
bestemmingsplan LEAD
ondergrondse tank. In één boring is een asbestconcentratie aangetoond. Nader onderzoek conform NEN 5707 wordt geadviseerd. Verder zijn in de bodem licht verhoogde concentraties aangetroffen welke waarschijnlijk verband houden met bodemvreemde bijmengingen. De licht verhoogde concentraties zijn geen aanleiding om een nader onderzoek en/of saneringsmaatregelen te treffen. Hoewel de dieseltank slechts lichte concentraties met minerale olie in de bodem heeft veroorzaakt wordt geadviseerd om, indien sanering gewenst is, dit gelijktijdig met de tanksanering uit te voeren.
Nader bodemonderzoek asbest ter plaatse van planinitiatief LEAD Op basis van het advies uit het verkennend bodemonderzoek van mei 2019, heeft BOOT in maart 2020 een nader bodemonderzoek asbest conform NEN 5707 uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting (kenmerk P18-0124-052). Er is onder andere een proefsleuf gegraven om de verontreinigde laag te bemonsteren en de exacte asbestconcentratie te kunnen bepalen. Ter plekke van de proefsleuf is een sterke verontreiniging met asbest aangetoond. Geadviseerd wordt om de verontreiniging te saneren bij herontwikkeling van de locatie.
Verk ennend bodemonderzoek inclusief asbest ter plaatse van nieuwe KPN-locatie (Nieuwe Koningsstraat 343 te Leiden) Ter plaatse van de nieuwe KPN-locatie is door BOOT een verkennend bodemonderzoek (inclusief onderzoek naar asbest) uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 13 met kenmerk P18-0124-062. Uit het bodemonderzoek is gebleken dat de humeuze bovengrond bestaande uit zand ter plaatse licht verontreinigd is met zink, kwik, lood en PAK. De humusloze ondergrond bestaande uit zand is licht verontreinigd met PCB. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, molybdeen en nikkel. Op de locatie is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Barium wordt vaker in het grondwater aangetroffen zonder duidelijk aanwijsbare bron. In dergelijke gevallen wordt gesproken van een verhoogde waarde met een natuurlijke oorsprong. De oorzaak van de overige verontreinigingen is onbekend. In de omgeving zijn op twee plekken restverontreinigingen achtergebleven in de grond, op één plek met minerale olie en één plek met PAK. Uit de resultaten van het veldwerk en de analyses blijkt dat er geen of geen noemenswaardige verontreinigingen met deze stoffen op de locatie aanwezig zijn.
Er kan worden geconcludeerd dat er sprake is van lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater welke geen belemmering vormen voor het toekomstige gebruik als nieuwe nutsvoorziening van KPN en de daarmee gemoeide (grond)werkzaamheden en nieuwbouw.
4.6.2.3 Conclusie Als gevolg van de resultaten van de bodemonderzoeken dient rekening te worden gehouden met de verwijdering van de ondergrondse dieseltank, inclusief het leidingwerk, ter plaatse van het bestaande KPN-gebouw. Hierbij is het ook nodig de zintuiglijk met minerale olie verontreinigde grond te verwijderen. Ter plekke van de proefsleuf is een sterke verontreiniging met asbest aangetoond. Om de locatie geschikt te maken voor de nieuwe bestemming 'wonen' is het nodig de verontreiniging te saneren. Om de verontreiniging te saneren zal een BUS-melding of een saneringsplan ingediend worden bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb). Gelijktijdig met de tanksanering zal de bodem ter plaatse van de tank worden gesaneerd. In de uitgevoerde bodemonderzoeken is geen onderzoek gedaan ter plaatse van de huidige
63
bestemmingsplan LEAD
bebouwing. Mogelijk is onder deze bebouwing ook asbest aanwezig. Omdat de bodem onder de bebouwing verdacht is op bodemverontreiniging zal, na sloop van de bebouwing, een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 en de NEN5707 worden uitgevoerd. Het aspect bodem staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. De ontwikkelaar heeft met kosten voor verwijdering en sanering rekening gehouden in de exploitatie.
4.6.3
Geluid
4.6.3.1 Beleidskader Nationaal beleid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wet geluidhinder biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder is daarom sterk gelinkt aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Wegverkeerslawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Een andere beperking is dat de Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. Een eventueel noodzakelijke akoestische afweging wordt in dergelijke gevallen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening gemaakt.
Industrielawaai De Wgh verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen.
Spoorweglawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai bij de aanleg/wijziging van spoorwegen of bij de bouw van woningen in de buurt van spoorwegen. De reikwijdte van de Wet geluidhinder (Wgh) is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs spoorwegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing.
Normstelling
64
bestemmingsplan LEAD
De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) bedraagt voor wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevel van een geluidgevoelige bestemming. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk. De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde. De maximaal vast te stellen hogere waarde voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen binnen de bebouwde kom bedraagt 63 dB.
Gemeentelijk geluidbeleid Het gemeentelijk geluidbeleid is vastgelegd in de Geluidsnota Leiden (2004). In het geluidbeleid is lokale differentiatie mogelijk gemaakt, waardoor er per gebied een passend geluidsniveau wordt opgeleverd. Ter plaatse van het plangebied geldt is het gebiedstype conform de Geluidsnota Leiden 'gemengde bedrijventerreinen'. Voor weg-, spoor- en industrielawaai gelden de geluidsklassen -1 (onrustig) tot en met -4 (zeer lawaaiig). Voor verkeerslawaai geldt de geluidsklasse 50-55 als ambitie voor dit gebiedstype. Voor industrielawaai geldt de geluidsklasse 48-52 als ambitie. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Op 4 maart 2013 heeft de Omgevingsdienst de herziene versie van de “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden” vastgesteld. Op basis van deze richtlijnen stelt de Omgevingsdienst een maximale hogere waarde van 58 dB voor, voor verkeerslawaai en 63 dB voor railverkeer. Voor industrielawaai en luchtvaartlawaai gelden de wettelijke grenswaarden. Indien een verzoek om een hogere waarde dient te worden beoordeeld wordt dit uitgevoerd door de Omgevingsdienst. De Omgevingsdienst West-Holland is tevens degene die namens de gemeente Leiden de procedure hogere waarde uitvoert.
Naast de Geluidsnota Leiden heeft de gemeente een Geluidskaart Leiden (2017) en een actieplan Leiden (2018) opgesteld. De geluidskaart brengt de geluidsproductie in beeld en het actieplan zorgt voor het beheersen en waar nodig verlagen van de geluidsniveaus in de leefomgeving.
4.6.3.2 Onderzoeksresultaten Inleiding Westerveld Advies heeft een onderzoek uitgevoerd in het kader van industrielawaai in relatie tot het beoogde plan. Hierin is de geluidbelasting van het 150 kV station onderzocht. Buro Bouwfysica heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai en ook naar het effect van het planinitiatief LEAD op de bestaande bebouwing. In de hierna volgende alinea's worden de resultaten uit de onderzoeken kort weergegeven.
Akoestisch onderzoek industrielawaai In paragraaf 4.6.1.3 is reeds aangegeven dat op korte afstand van het plangebied een 150 kV transformatorstation is gesitueerd. Transformatorstations zijn enkel zoneringsplichtige inrichtingen indien de transformatoren niet in een gesloten gebouw zijn ondergebracht en het maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen 200 MVA of meer is. Bij het nabijgelegen 150 kV station zijn alle transformatoren en compensatiespoelen in een gesloten gebouw ondergebracht. Het buiten opgestelde vermogen is zeer laag. De milieucontour op basis van de VNG-brochure is derhalve niet van toepassing. Wel is in een akoestisch onderzoek door Westerveld Advies (zie bijlage 14 kenmerk 2316 ER - 239 WO 009-02-11-20 V4) onderzocht of het nabijgelegen transformatorstation leiden tot een onaanvaardbaar
65
bestemmingsplan LEAD
geluidniveau ter plaatse van de te realiseren woningen. In deze paragraaf worden de onderzoeksresultaten beknopt weergegeven. In het onderzoek is naar voren gekomen dat 150 kV station aan te merken is al een type B inrichting op basis van het Activiteitenbesluit. Hierdoor zijn standaard geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit van toepassing. Er is een akoestisch rekenmodel opgesteld op basis van de representatieve bedrijfssituatie waarmee de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ter plaatse van de maatgevende woningen zijn berekend. Indien het geluid ter plaatse van de woningen als tonaal herkenbaar is, wordt een toeslag van 5 dB in rekening gebracht. Volledigheidshalve is de toeslag meegenomen in het onderzoek. De berekeningen tonen aan dat de geluidbelasting op de woningen ten hoogste 42 dB(A) bedraagt. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat de geluidbelasting op de woontorens hoogstens 42 dB(A) bedraagt, hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de toetswaarde van 50 dB(A) voor gemengd gebied (woonwijk in de stad) en wordt tevens voldaan aan de kwaliteitsnorm van 45 dB(A) geldend voor een rustige woonwijk in de stad.
In de Nota van Uitgangspunten wordt opgemerkt dat er wellicht nader onderzoek benodigd is ten aanzien van de productie en de beperking van laagfrequent geluid door de transformatoren in de frequenties van 50 Hz en 100 Hz om aan de kwaliteitsnorm van 45 dB(A) te kunnen voldoen. Uit de onderzoeksresultaten volgt echter dat de geluidbelasting op de woontorens hoogstens 42 dB(A) bedraagt en daarmee ruimschoots aan de kwaliteitsnorm van 45 dB(A) kan voldoen, nader onderzoek naar verdergaande maatregelen (in 2018 zijn de 2 maatgevende transformatoren TR1 en TR4 reeds vervangen door geluidarme types) is gezien voornoemde niet nodig. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Buro Bouwfysica heeft in 2020 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai ten behoeve van planinitiatief LEAD (zie bijlage 15 kenmerk 18189.15v3). De planlocatie ligt binnen de geluidzone van de Willem de Zwijgerlaan, de Gooimeerlaan en diverse gedezoneerde wegen. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De maximale geluidbelastingen vanwege het verkeer op de 30 km/uur wegen zijn lager dan 48 dB en het is niet mogelijk om middels bronen overdrachtsmaatregelen de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde.
In het onderzoek is verder aangetoond dat op drie (delen van) gevels van planinitiatief LEAD de geluidbelasting van 53 dB wordt overschreden. Aldaar dient aandacht te zijn voor geluidluwe gevels en - buitenruimten en akoestische compensatie. De hogere waarde voor de Willem de Zwijgerlaan bedraagt niet meer dan 58 dB. Geconcludeerd wordt dat door het vaststellen van hogere waarden en het opnemen van de verplichting (via een voorwaardelijke verplichting in de planregels) tot het realiseren van compenserende maatregelen voor de woningen binnen planinitiatief LEAD met een geluidbelasting van meer dan 53 dB vanwege de Willem de Zwijgerlaan, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai - effecten op bestaande bebouwing Buro Bouwfysica heeft in 2020 in het kader van een goede ruimtelijke ordening eveneens een akoestisch onderzoek uitgevoerd dat het effect inzichtelijk maakt op de bestaande woningen in de directe omgeving van planinitiatief LEAD (zie bijlage 16 kenmerk 18189.27v2). Realisatie van LEAD heeft immers een wijziging in de verkeersstroom op bestaande wegen tot gevolg. In aansluiting op de eisen in de Wet geluidhinder betreffende de reconstructies van wegen, wordt een toename van 2 dB beoordeeld als akoestisch relevant. Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van de wijziging van de verkeerintensiteiten, dit bij 26 bestaande woningen het geval is. Het treffen van maatregelen zorgt ervoor dat de toename in geluid tot maximaal 1 dB wordt beperkt, waardoor er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om geluidsbeperkende maatregelen te borgen.
66
bestemmingsplan LEAD
Nieuwe nutsvoorziening voor KPN In het plangebied van onderhavig bestemmingsplan wordt voorzien in een nieuwe nutsvoorziening voor KPN, dat zal fungeren als 'schakelstation' waar onderhoud en aanpassingen aan het netwerk van KPN worden verricht. Ten aanzien van het aspect geluid wordt het volgende overwogen. Een dergelijke bedrijfsfunctie is zelf niet geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder. De nieuwe nutsvoorziening zorgt voor een beperkt geluidseffect op de omgeving. Voor het beoordelen van het optredende geluidniveau wordt de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' gehanteerd en wordt het Activiteitenbesluit in acht genomen. De VNG-publicatie geeft voor elke bedrijfscategorie een “veilige” afstand (richtafstand) voor geluid. De nieuwe nutsvoorziening voor KPN valt in milieucategorie 1. Gelet op de ligging van de nieuwe nutsvoorziening in gemengd gebied (zie paragraaf 4.6.1.3) wordt geen onacceptabele geluidbelasting naar de omgeving verwacht. De minimale richtafstand voor het milieuaspect 'geluid' bedraagt 0 meter en wordt niet overschreden. Voor de beoordeling van eventuele geluidhinder is in de VNG-publicatie een stappenplan opgenomen. De eerste stap uit dit stappenplan betreft de beoordeling of de aan te houden richtafstand wordt overschreden.
Als daar geen sprake van is, kan een verdere toetsing achterwege blijven en is aanvullend akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Daar komt bij dat de beoogde nutsvoorziening aan te merken is als type B inrichting op basis van het Activiteitenbesluit. De (geluid)voorschriften uit het Activiteitenbesluit zijn derhalve van toepassing. Doordat de richtafstand niet wordt overschreden en er moet worden voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit wordt geborgd dat de nutsvoorziening geen (negatieve) invloed heeft op een goed woon- en leefklimaat van de woningen in de omgeving.
4.6.3.3 Conclusie Het aspect geluid staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.6.4
Luchtkwaliteit
4.6.4.1 Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Hoofdstuk 5 Titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof (PM10 en PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden. Vanaf 1 januari 2015 geldt er een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m3. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. De achtergrond concentraties langs de gemeentelijke wegen onder de 20 µg/m3. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn.
Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen. Hiervan zijn de volgende van belang.
67
bestemmingsplan LEAD
Besluit en Regeling 'niet in betekenende mate' De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevat criteria waarmee kan worden bepaald of een project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/ kinderdagverblijf aan de gebied ontsluitende wegen.
4.6.4.2 Onderzoeksresultaten Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 580 woningen mogelijk. Hiermee draagt het plan niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Volledigheidshalve is voor de ontwikkeling de NIBM-tool ingevuld. Daarbij is ervan uitgegaan dat de ontwikkeling leidt tot extra verkeersaantrekkende werking van 2.280 verkeersbewegingen per werkdag, zoals in het rapport van BOOT kenmerk P18-0124-008 (zie bijlage 22) inzichtelijk is gemaakt. Planinitiatief LEAD is voor het overgrote deel van de vloeroppervlakte een woonlocatie en voor woonlocaties is de verdeling in verkeerssoorten: 98% personenauto en 2% vrachtauto. Het aandeel vrachtverkeer is derhalve 2%. De motorvoertuigbewegingen worden afgewikkeld via de Nieuwe Koningsstraat, Schapenwei of Joulesstraat naar Pasteurstraat.
Deze wegen kennen een breedte van ca. 6 meter (Koningsstraat en Schapenwei) en 5,4 meter (Joulesstraat). De defaultwaarde in de NIBM-tool bedraagt 5 meter. Op basis van voorgaande uitgangspunten tezamen met de verkeersgeneratie van het plan is de NIBM-tool ingevuld voor het jaar van planrealisatie, te weten 2026.
68
bestemmingsplan LEAD
Fig. 4.3 NIBM-tool jaar 2026.
Door middel van de NIBM-tool is een worst-case berekening gemaakt voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de realisatie van planinitiatief LEAD op de luchtkwaliteit. In de worst-case berekening blijft de bijdrage aan NO2 niet onder de grens voor “niet in betekenende mate” van 1,2 µg/m3. Er moet derhalve getoetst worden aan de grenswaarden. De maximale bijdrage van het extra verkeer zoals aangegeven in figuur 4.3 (voor NO2: 1,23 µg/m3 en voor PM10 0,36 µg/m3 ) wordt derhalve onder 'goed woon- en leefklimaat' opgeteld bij de achtergrondconcentraties ter plaatse van het plangebied.
Tabel 4.1 Achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 t.p.v. plangebied incl. bijdrage NIBM-tool De grenswaarden voor de achtergrondconcentraties worden, bij het optellen van de maximale bijdrage van verkeer, niet bereikt dan wel worden overschreden. Hierdoor kan er zonder meer worden aangenomen dat ook na realisatie van het plan de achtergrondconcentraties nog steeds laag zijn en in ieder geval nog steeds ver onder de wettelijke grenswaarden liggen. Daar komt nog bij dat in het jaar 2027 (circa een half jaar na afronding van het plan) volgens de NIBM-tool geen sprake is van een bijdrage van verkeer dat de luchtkwaliteit in betekende mate verslechterd. Dit is weergegeven op onderstaand figuur.
69
bestemmingsplan LEAD
Fig. 4.4 NIBM-tool jaar 2027. Ook schrijft de NSL-monitoringstool voor dat de achtergrondconcentraties in het jaar 2030 verbeteren ten opzichte van het jaar 2020. De achtergrondconcentraties in het jaar 2030 zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 4.2 Achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 t.p.v. plangebied jaar 2020 en 2030 De luchtkwaliteit zal in de toekomst derhalve enkel verbeteren. Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan de wettelijke normen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.
Pluim Leidse Energiecentrale Planinitiatief LEAD is gesitueerd op circa 400 meter afstand van (de schoorsteen van) de Leidse Energiecentrale. Aan Peutz is gevraagd om te beoordelen of nader onderzoek naar de gebouwinvloed van het planinitiatief LEAD op de pluim van de Leidse Energiecentrale noodzakelijk is. Op basis van ervaring en vergelijkbare berekeningen concludeert Peutz dat voor een afstand van ca. 400 meter geldt dat de pluim van de Leidse Energiecentrale niet meer zichtbaar is. Gelet op de afstand is voldoende verdunning van de (inmiddels) afgekoelde pluim opgetreden, waardoor de waterdamp volledig is opgelost in de lucht. Ook op een hoogte van ca. 100 meter is geen pluim meer zichtbaar. Op basis van ervaring en vergelijkbare berekeningen kan worden geconcludeerd dat de gebouwinvloed van het planinitiatief LEAD op de pluim van de energiecentrale te verwaarlozen is. De beschikbare en goedgekeurde rekensoftware (NNM in bijvoorbeeld Geomilieu) is ook niet in staat een dergelijke invloed te berekenen op een zodanige afstand (ca. 400 meter). Verder wordt hier nog opgemerkt dat zowel ter plaatse van het planinitiatief LEAD als de Leidse Energiecentrale voldaan wordt aan 70
bestemmingsplan LEAD
de wettelijke grenswaarden (milieukwaliteitseisen) voor luchtkwaliteit.
Activiteitenbesluit Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er in het kader van het Activiteitenbesluit voorschriften van toepassing zijn met betrekking tot het doelmatig verspreiden van emissies en het voorkomen van geurhinder vanuit inrichtingen. Dit wordt in de uitwerking van de plannen betrokken.
4.6.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.6.5
Externe veiligheid
4.6.5.1 Beleidskader Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Hierbinnen worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour).
Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar.
Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in
71
bestemmingsplan LEAD
tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde.
Besluit externe veiligheid transportroutes Sinds 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht. In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogt dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen.
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) / Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds.
Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is sinds 27 oktober 2004 van kracht. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen.
Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Hierin zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen.
4.6.5.2 Onderzoeksresultaten Ten behoeve van de beoordeling van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande figuur bevat hier een uitsnede van.
72
bestemmingsplan LEAD
Fig. 4.5 Uitsnede risicokaart. Buisleiding t.p.v. rode streeplijn (bron: QGIS, eigen bewerking) Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het plangebied ligt niet binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen. Het betreft de hogedruk aardgasleiding (W-515-05-deel-1). Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor of water; het plangebied ligt op een afstand van ca. 3 km van de A4. Voor de hogedruk aardgasleiding is door Peutz in augustus 2020 een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd. In het onderzoek is uitgegaan van een worst-case invulling van het plangebied, namelijk de situatie waarbij alle personen in het plangebied geconcentreerd zijn in het dichtst bij de hogedrukaardgasleiding gelegen woongebouw. Uit het onderzoek blijkt dat de beoogde bebouwing op een dusdanige afstand van de buisleiding is gelegen, dat er wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar. Daarnaast volgt uit het onderzoek dat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie 0,041* de oriëntatiewaarde bedraagt.
De oriëntatiewaarde wordt derhalve niet overschreden en er is geen sprake van een toename. Het plangebied ligt op een afstand van ca. 3 km van de A4 en ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de A4 (ruim 4 km). Het invloedsgebied van de A4 wordt veroorzaakt door het mogelijk bij een calamiteit vrijkomen van giftige dampen. Gelet op deze afstand kan gesteld worden dat het plan geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. Het vervoer van gevaarlijke stoffen moet wel meegenomen worden in de afweging van de risico's. Er is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 18 van 73