210049 Bijlage 3. Bestemmingsplan NL.IMRO.0546.BP00165-0301, genaamd “bestemmingsplan LEAD”, gedateerd op juni 2021, bestaande uit een toelichting, regels en bijlagen bij de regels;
Tekst van het document
bestemmingsplan LEAD
deze toelichting (kenmerk D2020-074573). Omdat een deel van de woningen binnen het 100%-letaliteitsgebied ligt van de ondergondse hogedrukgasleiding, is het van belang dat toch nader afgewogen wordt in hoeverre het bestuur de eventuele risico's aanvaardbaar acht. Hierbij zijn name de aspecten hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid van belang. Op deze punten is de Veiligheidsregio in haar advies ingegaan (zie bijlage 19 met kenmerk UIT-2020-089596, deels ook verwerkt in de verantwoording van het groepsrisico). Dit advies is opgesteld aan de hand van het uitgewerkte plan dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Samengevat zijn de belangrijkste conclusies: In het onverhoopte geval dat zich een calamiteit bij de gasleiding voordoet kan de (uitwendige) constructie van de bebouwing en de indeling en situering van inpandige vluchtroutes er toe leiden dat de aanwezige personen snel en veilig kunnen vluchten. Bij de inrichting van het buitengebied is rekening houden met het advies van de Veiligheidsregio om geen gebruik te maken van losliggende materialen die bij een onverhoopte calamiteit tot projectielen kunnen worden. De toekomstige bewoners van het plangebied dienen op de hoogte gesteld te worden van de in de omgeving aanwezige risico's.
Bovendien is in de regels van dit bestemmingsplan een nadere eisen regeling opgenomen waardoor de te treffen maatregelen in het kader van de verantwoording van het groepsrisico worden geborgd.
4.6.5.3 Conclusie Gelet op de Verantwoording groepsrisico 2020 wordt geconcludeerd dat de risico's vanwege de aanwezige risicobronnen verantwoord zijn. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.6.6
Luchtvaart
4.6.6.1 Beleidskader Het beperkingengebied van een luchthaven is een zone waar planologische beperkingen van kracht zijn, zoals ten aanzien van de maximale bouwhoogten in de aan- en uitvliegroutes. De omvang van het beperkingengebied en de planologische beperkingen daarin zijn onderdeel van het Luchthavenindelingsbesluit (Lib) dat ten aanzien van een luchthaven is genomen. Het Lib wordt in acht genomen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, de beheersverordening of het afwijken daarvan middels een omgevingsvergunning voor een gebied dat is gelegen binnen het beperkingengebied.
4.6.6.2 Onderzoeksresultaten De bouwhoogte van planinitiatief LEAD varieert van 65 tot 115 meter. Om de effecten van de voorziene hoogbouw op het vliegverkeer te beoordelen, is getoetst aan het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol. In fig. 4.6 is zowel het luchthavengebied als het beperkingengebied van Schiphol weergegeven. Ter plaatse van de witte stip is het gebied van onderhavig bestemmingsplan weergegeven.
74
bestemmingsplan LEAD
Fig. 4.6 Luchthavengebied en beperkingengebied van Schiphol Het bestemmingsplangebied is buiten het beperkingengebied van de luchthaven Schiphol gelegen. De voorziene hoogbouw in planinitiatief LEAD heeft daarmee geen (negatieve) invloed op de luchtvaart.
4.6.6.3 Conclusie Het Luchthavenindelingsbesluit staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.7
Milieueffectrapportage
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. De beoogde herontwikkeling bestaat uit de realisatie van 580 wooneenheden en maximaal 600 m² bvo aan commerciële en maatschappelijke voorzieningen. De nutsvoorziening voor KPN heeft een oppervlakte van circa 315 m² bvo. Dit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject,
75
bestemmingsplan LEAD
zodat sprake is van een activiteit zoals genoemd in kolom 1 van categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De grenswaarden van kolom 2 van categorie D11.2 worden echter niet overschreden. Het aantal beoogde woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen waarvoor een m.e.r.-boordeling dan wel een plan-mer plicht geldt op basis van categorie D11.2. Dit geldt eveneens voor het volume aan commerciële ruimte en het nutsbedrijf. De beoogde bedrijfsvloeroppervlakte van respectievelijk 600 en 315 m² valt ruim onder de 200.000 m², die als drempelwaarde geldt ten aanzien van de m.e.r.-beoordelingsplicht/ plan-m.e.r. plicht op basis van categorie D11.2. Het totale project ligt hiermee onder de drempelwaarden waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt (kolom 2). Op basis van Europese regelgeving dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Ten behoeve van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld, waarin het bevoegd gezag wordt gevraagd een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. De aanmeldnotitie (kenmerk 19285) is opgenomen in bijlage 20 van deze toelichting. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen.
De activiteiten / functies die mogelijk worden gemaakt in dit bestemmingsplan zijn, gelet op de kenmerken, plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage doorlopen dient te worden. Op 6 augustus 2020 heeft het bevoegd gezag het m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Dit besluit (kenmerk D2020-109981) is opgenomen als bijlage 21 van de toelichting.
4.8
Verkeer en parkeren
4.8.1
Beleidskader
4.8.1.1 Regionale mobiliteitsagenda De vigerende regionale ambities zijn vastgesteld in de 'Inhoudelijke Agenda 2016-2020' van Holland Rijnland (16 december 2015). Deze agenda benoemt de speerpunten die in verschillende coalities worden opgepakt. Holland Rijnland is een netwerkorganisatie en heeft als opdracht: “zorgdragen binnen de regio voor een optimale verbinding, ontmoeting en samenwerking op ruimtelijk, economisch en sociaal gebied”. Twee van de vier verwoorde ambities hebben een relatie met de opgaven voor mobiliteit namelijk “koploper in het toepassen van economische en technologische innovaties” en een “aantrekkelijke en vitale woon- en leefomgeving”. Enkele van de bijbehorende speerpunten van Holland Rijnland zijn het beter benutten van het regionaal mobiliteitsnetwerk en ondersteuning van de gemeenten bij het verwerven van subsidies (regionale projecten), strategische verkenningen en kennisdelen. Als uitwerking van het speerpunt mobiliteit heeft Holland Rijnland een knelpuntenanalyse uitgewerkt. Om goed voorbereid te zijn op de toekomst en om een robuust verkeer en vervoersysteem in de regio te garanderen zijn de (toekomstige) mobiliteitskansen en- knelpunten in beeld gebracht.
Hierbij is rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, zowel ruimtelijk-economisch als infrastructureel evenals met diverse trends en ontwikkelingen die effect kunnen hebben op de knelpunten en kansen. Op basis van bovenstaande analyses en met het RVVP (inclusief uitvoeringsprogramma's) en het Regionaal InvesteringsFonds als kaders, is de Regionale Mobiliteitsagenda ontwikkeld. Op het moment van opstellen van deze bestemmingsplantoelichting, wordt er in Holland Rijnland verband door de gemeenten gewerkt aan een mobiliteitsagenda die de strategie (en daarmee de keuzes en uiteindelijk de uitvoeringsprojecten) voor de langere termijn vastgelegd. Daarnaast wordt gelijktijdig gewerkt aan een ruimtelijke en economische agenda, zodat een geïntegreerde totaal visie op Holland Rijnland schaal ontstaat.
76
bestemmingsplan LEAD
4.8.1.2 Mobiliteitsnota 2020-2030 De Mobiliteitsnota 2020-2030 vastgesteld door de gemeenteraad op 16 juli 2020 is onderdeel van het integrale beleid zoals omschreven in de Omgevingsvisie. Vooruitlopend op de Omgevingsvisie is de noodzaak ontstaan om het huidige mobiliteitsbeleid te actualiseren omdat de gemeente Leiden aan de vooravond staat van belangrijke transities voor energie, klimaat en mobiliteit. De mobiliteitsnota beschrijft hoe we onze stad via een toekomstbestendig mobiliteitssysteem duurzaam bereikbaar maken. Vervoersvormen die zuinig omgaan met de ruimte en goed zijn voor de leefbaarheid en het milieu in de stad krijgen een hoofdrol. In een compacte, inclusieve, stad, die steeds drukker wordt, zijn de fiets, lopen en goed toegankelijk openbaar vervoer logische opties voor bewoners en bezoekers om zich te verplaatsen. Door het gegeven dat er woningen bijkomen, het aantal banen blijft groeien en de bezoekersstroom blijft toenemen, kan worden geconcludeerd dat die reizigers onmogelijk allemaal de auto kunnen gebruiken, omdat het autonetwerk dan ontoereikend is. Alleen met meer fiets- en OV-gebruik wordt de stad leefbaar en bereikbaar gehouden en de luchtkwaliteit op het gewenste niveau. Dit wordt modal shift genoemd. Hierdoor wordt gezorgd dat iedereen in de stad zich kan verplaatsen én kan meedoen.
Hoofdambitie van het mobiliteitsbeleid is het bereiken van een modal shift naar meer schone mobiliteit. De hoofdambitie is vervolgens onder te verdelen in negen deelambities die bijdragen aan een verschuiving van vervoerswijzen door te faciliteren, stimuleren en verleiden: 1. Leiden als fietsstad 2. Lopen krijgt meer ruimte 3. Stimuleren Openbaar Vervoer 4. Versterken van de hoofdontsluitingsstructuur 5. Autoluwe binnenstad met meer autovrije straten 6. Een aantrekkelijke binnenstad maken door de aanwezigheid van een emissieloos stadsdistributiesysteem 7. De juiste parkeerder op de juiste plek 8. Ondersteunen deelconcepten 9. Gebruik maken van nieuwe technologie Er gaat veel aandacht uit naar de duurzame mobiliteitsvormen lopen, fietsen en openbaar vervoer. En, hoewel het tegenstrijdig lijkt, is het noodzakelijk om de komende jaren te investeren in autobereikbaarheid. Niet alleen speelt de auto nog geruime tijd een rol bij verplaatsen van Leidenaren en bezoekers aan Leiden, maar door autoverkeer goed af te wikkelen op geschikte routes ontstaat elders tevens ruimte voor voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer.
4.8.1.3 Parkeervisie Op 16 juli 2020 heeft de gemeenteraad (Rv.nr. 20.0038) de Parkeervisie 2020 – 2030 vastgesteld. Hierin is de visie op zowel autoparkeren als op fietsparkeren in de gemeente Leiden vastgelegd. Duurzame, schone vervoersvormen zoals het openbaar vervoer, de fiets en de voetganger krijgen voorrang, de auto krijgt een minder prominente rol in de stad. Met oog voor de verschillende leefgebieden in de stad is gekozen voor maatwerk bij autoparkeren. Nieuw is
77
bestemmingsplan LEAD
een flexibele parkeernorm voor de auto bij nieuwbouw of een nieuwe functie van een gebouw. Niet één parkeernorm voor heel Leiden, maar de mogelijkheid om per gebied, functie en doelgroep te differentiëren. De gemeente Leiden staat voor een verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte, waardoor aangestuurd wordt op minder geparkeerde auto's op straat. Bij nieuwbouw is parkeren op eigen terrein uitgangspunt. Een nieuw onderdeel in de vastgestelde parkeervisie is de fietsparkeernorm: bij nieuwbouw of een nieuwe functie van een bestaand gebouw is een aantal fietsparkeerplaatsen vereist. De fietsparkeernorm geeft de fietser garantie op voldoende en goede stallingsplaats. Het plangebied is gelegen in de 'eerste schil rond de binnenstad'. De belangrijkste beleidsuitgangspunten van deze zone zijn: Op basis van stresstesten – dat zijn onderzoeken naar wateroverlast, hitte, droogte en overstroming – heft de gemeente straatparkeerplaatsen op. In het beste geval gebeurt dit wanneer de parkeerdruk het toelaat, maar in gesprek met de buurt kan hiervan worden afgeweken. Leiden gaat parkeren door bewoners mogelijk meer op afstand invullen en liefst op eigen terrein of in gebouwde voorzieningen. Overloop van bewonersparkeren vanuit de binnenstad blijft bestaan totdat vraag en aanbod in de binnenstad met elkaar in balans zijn.
Aanpassing van het parkeerregime moet wijkvreemde parkeerders weren. De kosten van het parkeren helpen het aantal interne autoverplaatsingen in de stad te verminderen. In de omgeving van (H)OV-locaties krijgen nieuwbouw en gebouwen die een andere functie krijgen op een verantwoorde manier minder parkeerplaatsen. Het aantal parkeervergunningen wordt beperkt. Bewoners mogen maximaal twee auto’s in de openbare ruimte parkeren. De in de visie ter zake voorgeschreven maatregelen worden gefaseerd ingevoerd.
4.8.1.4 Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020 In het bestemmingsplan dienen regels te worden opgenomen ten aanzien van parkeren en laden en lossen. Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen (nieuwbouw of functiewijziging) voldoende parkeerplaatsen en ruimte voor laden en lossen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat een nieuwe ontwikkeling onevenredige gevolgen voor de omgeving oplevert. Om te beoordelen wat 'voldoende' parkeerplaatsen voor auto- en fietsparkeren zijn, heeft het college van B&W op 17 juli 2020 de 'Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020' vastgesteld. De beleidsregels hebben ook betrekking op de wijze van bepalen van de hoeveelheid en de kwaliteit van benodigde parkeerplaatsen, in verband met aanvragen voor alle activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Wabo.
4.8.2
Onderzoeksresultaten
4.8.2.1 Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
78
bestemmingsplan LEAD
4.8.2.2 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van het plan is onderzocht door BOOT (kenmerk P18-0124-008, zie bijlage 22). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is Leiden ingedeeld in de stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk', conform de indeling van gebieden op grond van het parkeerbeleid. De ligging van het plan kan worden gekenmerkt als zijnde 'schil centrum'. Het type woningen is als volgt te categoriseren: alle huurwoningen betreffen 'huur etage goedkoop en midden', de koopwoningen met een bruto vloeroppervlak > 120 m² betreffen 'koop etage duur', de koopwoningen met een bruto vloeroppervlak 65 m² - 120 m² betreffen 'koop etage midden' en de koopwoningen met een bruto vloeroppervlak < 65 m² betreffen 'koop etage goedkoop'. De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-richtlijnen waarbij het uitgangspunt is dat er 580 woningen worden gerealiseerd. Naast de woningen is rekening gehouden met maximaal 600 m² commerciële en maatschappelijke functies alsmede de realisatie van een nutsbedrijf voor KPN. In de Regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat de bedrijfsvloeroppervlakte van de commerciële en maatschappelijke functies in zijn totaliteit maximaal 600 m2 bvo mag bedragen, met dien verstande dat: a.
commerciële functies, niet zijnde maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend zijn toegestaan met een maximum gezamenlijk bruto vloeroppervlakte van 300 m2, waarbij horeca uitsluitend tot en met categorie I is toegestaan; b. maatschappelijke functies uitsluitend zijn toegestaan met een maximum gezamenlijk bruto vloeroppervlakte van 300 m2. Het nieuwe nutsbedrijf van KPN heeft een bruto vloeroppervlak van 315 m2. Omdat binnen de commerciële functie ook horeca is toegestaan, is voor de berekening van de verkeersgeneratie worst-case uitgegaan van het volgende programma:
Tabel 4.3 Uitsnede programma voorzieningen (bron: BOOT) Op basis van het hiervoor benoemde programma is aan de hand van kengetallen van het CROW door BOOT de verkeersgeneratie berekend. De verkeersgeneratie voor de woningen bedraagt 2.025 verkeersbewegingen per werkdag. De verkeersgeneratie voor de overige functies bedraagt 254 verkeersbewegingen per werkdag. De maximale verkeersgeneratie bedraagt derhalve 2.280 verkeersbewegingen per werkdag. De werkelijke verkeersgeneratie zal naar verwachting lager liggen omdat ingezet wordt op andere vormen van transport en het autogebruik ontmoedigd wordt.
79
bestemmingsplan LEAD
4.8.2.3 Ontsluiting De planlocatie ligt aan de Willem de Zwijgerlaan. De Willem de Zwijgerlaan is één van de hoofdwegen door Leiden en onderdeel van de Leidse Ring Noord. Een deel van het verkeer van LEAD zal ontsluiting organiseren via de Willem de Zwijgerlaan, een ander deel zal via de wijk in zuidelijke richting de ontsluiting organiseren. De ontsluiting van het autoverkeer via de Schapenwei en de Pasteurstraat is onderzocht door BOOT (documentnummer P18-0124-008, zie bijlage 22). In een aanvullend onderzoek heeft Goudappel Coffeng in april 2020 een variantenstudie uitgevoerd naar drie varianten. De rapportage (kenmerk 003322.20190201.R1.07, zie bijlage 23) is in de bijlage bijgevoegd. In deze paragraaf worden de resultaten beknopt beschreven. De basisvariant bestaat uit de auto-ontsluiting via de Nieuwe Koningsstraat, Schapenwei en de Pasteurstraat. Uit het onderzoek van BOOT blijkt dat als gevolg van het planinitiatief LEAD de werkdagintensiteit in de Nieuwe Koningsstraat, Schapenwei en de Joulestraat ruim onder de 4.000 mvt/dag blijft. De Nieuwe Koningstraat heeft voldoende breedte om het autoverkeer af te wikkelen. De Schapenwei beschikt ook over voldoende breedte. Bij toenemend parkeren op de rijbaan kan de doorstroming op dit deel wel onder druk komen te staan.
Mocht deze situatie zich voordoen dan kan dit worden opgelost door het toepassen van een parkeerverbod op de Schapenwei. De Joulestraat biedt voldoende ruimte om het autoverkeer af te wikkelen. De wegbreedte heeft wel invloed op het inhalen van fietsverkeer in het geval van tegenliggers. Het onderzoek van Goudappel Coffeng heeft, in aanvulling op de basisvariant zoals onderzocht door BOOT, drie alternatieve ontsluitingen onderzocht en beoordeeld aan de hand van elf criteria. In de eerste variant is onderzocht of de Nieuwe Koningstraat voor autoverkeer kan worden aangesloten op het kruispunt Willem de Zwijgerlaan - Gooimeerlaan. De tweede variant bestaat uit een uitvoegstrook vanaf de Willem de Zwijgerlaan vanuit het westen naar de Nieuwe Koningstraat. De laatste variant is een invoegstrook vanaf de Nieuwe Koningstraat naar de Willem de Zwijgerlaan in oostelijke richting. De drie alternatieven voor de ontsluiting van LEAD zijn vergeleken met de basisvariant. Deze drie onderzochte alternatieven scoren op een aantal punten beter dan de basisvariant. Echter, twee van de drie (nieuwe aantakking en uitvoegstrook) zorgen voor een onacceptabele situatie op de Willem de Zwijgerlaan. De laatste variant (invoegstrook) zorgt voor een verslechtering op de Schapenwei. Geconcludeerd is dat de drie alternatieven daarmee geen meerwaarde opleveren ten opzichte van de basisvariant.
De gemeente Leiden heeft - onafhankelijk van het onderzoek van Goudappel Coffeng - een verkeersonderzoek uitgevoerd voor het planinitiatief LEAD d.d. 20 januari 2020. Dit verkeersonderzoek is opgenomen als bijlage 24 van de toelichting. Hierin komt de gemeente eveneens tot de conclusie dat de verkeersafwikkeling van en naar LEAD via de bestaande wegenstructuur (Schapenwei en Pasteurstraat) de meest geschikte ontsluitingsroute is. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat de toegang voor verkeer van en naar LEAD via de Schapenwei en Pasteurstraat verkeerskundig acceptabel is, als er op termijn fysieke maatregelen worden genomen. Deze maatregelen houden in dat de linksaf-strook vanaf de Willem de Zwijgerlaan naar de Pasteurstraat verlengd wordt en dat het fietspad bij het kruispunt Pasteurstraat beter wordt ingericht. De genoemde maatregelen zullen naar verwachting in 2021 worden gerealiseerd.
4.8.2.4 Parkeren Autoparkeren De parkeerbehoefte van het planitiatief LEAD is onderzocht door Spark d.d. 31 augustus 2020, zie bijlage 25. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat als gevolg van de maatgevende werkdagavond en na toepassing van de aanwezigheidspercentages, de parkeereis voor auto's 322 parkeerplaatsen betreft.
80
bestemmingsplan LEAD
Tabel 4.4 Parkeereisberekening Auto (bron: Spark) Gelet op alle maatvoeringseisen met betrekking tot openbare en niet openbare parkeerplaatsen in parkeergarages, heeft de beoogde parkeergarage voor het planinitiatief LEAD een capaciteit van 347 parkeerplaatsen. 54 van deze parkeerplaatsen gelden als compensatieplekken voor parkeerplaatsen die in het openbaar gebied verdwijnen. Per saldo zijn er 293 parkeerplaatsen beschikbaar voor het planinitiatief, waardoor er een tekort is op de maatgevende werkdagavond van 29 parkeerplaatsen. Het is voldoende aannemelijk dat afgeweken kan worden van de autoparkeereis voor deze 29 parkeerplaatsen, gezien het bepaalde in artikel 11, lid 1, sub c van de vigerende Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020, omdat: de locatie gelegen is op een loopafstand van minimaal 500 meter tot de dichtstbijzijnde gelegen openbare parkeergelegenheid buiten een betaald parkeerzone, tenminste het bezoekersaandeel plus de te compenseren 54 openbare parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd en beschikbaar gesteld worden aan de betreffende doelgroepen, en de toekomstige bewoners niet in aanmerking kunnen komen voor een bewoners en/of bezoekersvergunning.
Uit tabel 4.5 volgt dat er steeds ruim voldoende openbare parkeerplaatsen zijn om de niet-bewoners te faciliteren, daarbij rekening houdend met de compensatie van 54 parkeerplaatsen volgend uit artikel 2 lid 2 van de Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020.
Tabel 4.5 Parkeerbalans openbare autoparkeerplaatsen (bron: Spark) Voor wat betreft het laatste punt zullen de betreffende woningen in de gemeentelijke POET-lijst (parkeren op eigen terrein) worden opgenomen, op grond waarvan bewoners niet in aanmerking kunnen komen voor bewoners-/bezoekersvergunningen. Naast het planinitiatief LEAD voorziet onderhavig bestemmingsplan in een nutsvoorziening voor KPN. De parkeerbehoefte hiervoor zal op eigen terrein van de betreffende voorziening geboden worden, in de vorm van 4 parkeerplaatsen. De capaciteit zal exclusief toegankelijk zijn voor personeel die de voorziening moet kunnen bereiken. Hiervoor is ruim voldoende ruimte beschikbaar.
Fietsparkeren Naast de parkeerbehoefte voor auto's is ook fietsparkeren bij planinitiatief LEAD onderzocht
81
bestemmingsplan LEAD
door Spark. Uit de opgestelde fietsparkeerbalans blijkt dat de behoefte aan fietsparkeerplekken op de werkdagavond het hoogst is. Er is dan behoefte aan 1.472 fietsparkeerplekken. Het planinitiatief LEAD voorziet in meer dan 1.700 fietsparkeerplaatsen en dit is ruim voldoende om de volledige vraag naar fietsparkeerplekken op alle momenten in de week te faciliteren.
4.8.2.5 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het planinitiatief LEAD op een passende wijze wordt ontsloten en de ontsluiting de verkeersgeneratie als gevolg van het planinitiatief voldoende kan afwikkelen. Daarnaast is er voldoende ruimte beschikbaar om binnen de grenzen van de Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020 tot een uitvoerbaar plan te komen. In de regels van het bestemmingsplan is een dynamische verwijzing opgenomen naar de Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020. De toets of er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd vindt plaats bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, die gecoördineerd met dit bestemmingsplan wordt voorbereid. De verkeer- en parkeeraspecten vormen geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.
4.9
Water
4.9.1
Beleidskader
Waterbeheerplan 5 (2016) Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden.
Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur en uitvoeringsregels De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met
82
bestemmingsplan LEAD
bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maakt de Keur en uitvoeringsregels het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.
Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 500 m2 is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met meer dan 500 m2 dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Nota Waterkeringen Door de bevolkingsgroei, klimaatontwikkeling, zeespiegelstijging en bodemdaling neemt de druk op de schaarse ruimte binnen Rijnland toe. Tegelijkertijd worden waterkeringen ook steeds meer gebruikt voor andere functies als recreatie, natuur, infrastructuur en wonen. Om aan al deze facetten het hoofd te kunnen bieden, heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland onder meer de Nota Waterkeringen opgesteld, gericht op de primaire en regionale keringen. De Nota bestaat uit twee delen. In deel I staat de visie en doelstellingen op het waterkeringsbeheer. In deel II staan de beleidsregels.
Deel II van de Nota Waterkeringen is sinds 1 juli 2015 vervangen door uitvoeringsregels.
Waterplan Leiden (2006) Het waterplan Leiden is opgesteld door de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Met het waterplan wordt beoogd om met de partners voor het waterbeheer een visie op integraal waterbeheer in Leiden uit te werken en gezamenlijk beleid te ontwikkelen. Aan de hand van de visie worden projecten gerealiseerd die zich richten op een duurzaam watersysteem voor Leiden, waarbij het beleid, de maatregelen en het beheer tussen de verschillende waterbeherende overheden zowel bestuurlijk als technisch goed op elkaar zijn afgestemd.
Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden
83
bestemmingsplan LEAD
aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het hoogheemraadschap.
4.9.2
Onderzoeksresultaten
4.9.2.1 Algemeen Water en ruimtelijke ordening Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk. Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer.
4.9.2.2 Watertoets Vooroverleg In het kader van het bestemmingsplan heeft vooroverleg plaatsgevonden met het hoogheemraadschap van Rijnland, zie ook paragraaf 6.2.4 Vooroverleg. Het hoogheemraadschap heeft op 12 mei 2020 aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de ontwikkelingen die dit bestemmmingsplan mogelijk maakt. Mocht er eventuele grondwateronttrekking plaatsvinden dan is dit wel melding-en/of vergunningplichtig. Verder voortvloeiende afspraken en ruimtelijke gevolgen voor de benodigde waterberging zijn vastgelegd.
Beschrijving van het watersysteem De planlocatie ligt in een stedelijke omgeving. Veelal is groen en water hier schaars, maar ter plaatse van de planlocatie is dit niet het geval. De zone langs de Willem de Zwijgerlaan heeft een groen karakter en aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een groenstrook en een vertakking van de Maresingel. Deze vertakking van de Maresingel is in beheer bij het Hoogheemraadschap van Rijnland en heeft de status 'overig water'. Door Buro BOOT is voor het plangebied van onderhavig bestemmingsplan en enkele aangrenzende gronden een waterparagraaf opgesteld (kenmerk P18-0124). Dit is opgenomen in bijlage 26 van deze toelichting. Binnen dit te herinrichten gebied is in de huidige situatie sprake van ca. 10.600 m² verhard oppervlak. In de toekomstige situatie is sprake van een verhard oppervlak van ca. 10.900 m². Het verhard oppervlak neemt toe met 300 m². Hiermee geldt geen compensatieverplichting vanuit het hoogheemraadschap van Rijnland. Binnen het plangebied worden voorzieningen aangebracht om 60 mm neerslag in 1 uur in het toekomstig verhard oppervlak te kunnen verwerken. De totale bergingsbehoefte bedraagt voor
84
bestemmingsplan LEAD
het te herinrichten gebied 423 m³, zie tabel 4.6. Op de daken worden 85 mm kratten voorzien van Smart Flow control aangelegd waardoor de berging ledigt wanneer een extreme bui wordt verwacht. Hiermee wordt de berging in de kratten benut om het groen te voorzien van water en is deze ook beschikbaar bij hevige regenval. Op het parkeerdek worden 150 mm kratten voorzien van Smart Flow control aangelegd. In totaal is er sprake van een bergingsoverschot, zie tabel 4.7.
Tabel 4.6 Berekening bergingsbehoefte (bron: BOOT)
Tabel 4.7 Berekening bergend vermogen en bergingsoverschot (bron: BOOT) Het vuilwater wordt op het bestaande rioolstelsel aangesloten. In het ontwerp van het stelsel is al rekening gehouden met herontwikkeling van onderhavig plangebied, waardoor aansluiting op het stelsel zonder aanvullende maatregelen kan worden uitgevoerd. In de toekomstige situatie zal het maaiveld op ca. 0,4 tot 0,5m +NAP komen te liggen. De huidige maaiveldhoogtes variëren nog van ca 0,1 tot 0,4m +NAP. Er dienen derhalve maatregelen te worden getroffen in het kader van ontwatering. Rondom de planlocatie is reeds drainage aanwezig, maar om ter plaatse van het plangebied voldoende ontwatering te creëren dient ook hier een drainagesysteem te worden aangelegd. Doordat het plangebied niet ligt ter plaatse van een kern- of beschermingszone van een waterkering, zal geen effect optreden op de veiligheid van een waterkering. Wel dient rekening
85
bestemmingsplan LEAD
te worden gehouden met de vertraagde afvoer van hemelwater richting de vertakking van de Maresingel, ten oosten van het plangebied. De vertakking heeft een beschermingszone van 2 meter.
4.9.2.3 Conclusie Het aspect water staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.10 Hoogbouweffectrapportage 4.10.1 Inleiding In de Nota van Uitgangspunten LEAD d.d. 3 december 2018 (zoals vastgesteld op 20 juni 2019 door de gemeenteraad van Leiden) zijn de uitgangspunten en het kader voor de uitwerking van het planinitiatief LEAD opgenomen. In de Nota van Uitgangspunten LEAD wordt onder andere aandacht besteed aan de bouwhoogte van planinitiatief LEAD. Er is aangegeven dat getoetst dient te worden aan de criteria voor de relatie met de omgeving (Eyeline), de criteria voor de relatie met het stadssilhouet (Skyline) en aan de fysieke criteria als wind en schaduw. Naast de beoordeling van de criteria 'eyeline en skyline', kan een overschrijding van de hoogtegrens enkel mogelijk worden gemaakt indien dit is onderbouwd aan de hand van de criteria windhinder en -gevaar, bezonning en zichtlijnen. In een Hoogbouweffectrapportage (HER) is onderzocht wat de effecten zijn van de hoogbouw binnen planinitiatief LEAD op de omgeving. De HER is in bijlage 27 bijgevoegd (kenmerk 19285). In deze paragraaf zijn de resultaten beknopt beschreven.
4.10.2 Onderzoeksresultaten Hoogbouwvisie In de Hoogbouwvisie van 2007 heeft de gemeente Leiden beschreven op welke plaatsen en onder welke omstandigheden hoogbouw wenselijk is. Leiden is in de Hoogbouwvisie verdeeld in een viertal gebiedstypen. De Stadsboulevards, waar de projectlocatie van LEAD onderdeel van is, betreft overwegend middelhoogbouw (20 – 30 meter) met meerdere accenten (40 – 50 meter). Planinitiatief LEAD voorziet in een overschrijding van de bouwhoogtes zoals aangegeven in het gebiedstype 'Stadsboulevards'. Overschrijding van de hoogtegrens is benodigd en kan worden toegestaan mits gemotiveerd aan de hand van een aantal criteria. Voor de ontwikkeling van het planinitiatief LEAD is een hoogbouwtoets uitgevoerd aan de hand van de criteria 'eyeline en skyline'. Het onderdeel 'eyeline' gaat in op de relatie van de bebouwing met de omgeving op straatniveau en wordt gemeten aan de hand van drie criteria. Het eerste criterium betreft 'Hoogbouw heeft altijd een onderbouw'. De laagste en de middelhoge toren in het planinitiatief LEAD hebben een gezamenlijke plint. De derde toren aan de noordzijde van het plangebied kenmerkt zich met een terugliggende plint over twee bouwlagen. Aan het eerste criterium wordt dus voldaan. Het tweede criterium betreft 'De onderbouw is de schakel met de schaal van de stad c.q. van de omgeving'.
De onderbouw van planinitiatief LEAD sluit aan bij de naastgelegen bebouwing en is voorzien van een open en geactiveerde plint. Hierdoor gaat het gebouw een relatie aan met de buurt, zodat ook aan het tweede criterium wordt voldaan. Het derde en laatste criterium betreft 'Onderdeel van de onderbouw is een levendige plint'. De plint van alle bouwdelen kent een diverse invulling met onder andere op de hoeken de commerciële en maatschappelijke functies. Daarnaast zijn de centrale entrees dubbel hoog ontworpen en voorzien van een transparante gevel. Verder bevinden zich aan de parkzijde ook woningen. Aan het derde criterium wordt daarmee ook voldaan.
86
bestemmingsplan LEAD
Het onderdeel 'skyline' gaat in op de relatie van de bebouwing met de stad en het stadssilhouet en wordt gemeten aan de hand van vier criteria. Het eerste criterium betreft 'Hoogbouw is niet eenvormig'. De drie torens van het planinitiatief LEAD hebben elk een unieke vorm, zodat aan het eerste criterium wordt voldaan. Het tweede criterium betreft 'Hoogbouw vormt geen wand'. De torens hebben onder andere voldoende afstand tot elkaar en allen een eigen vorm en oriëntatie, waardoor ze als losse torens herkenbaar zijn. Aan het tweede criterium wordt daarmee tevens voldaan. Het derde criterium betreft 'Hoogbouw is niet dominant ten aanzien van monumenten'. Vanaf de Singel en de rand van de binnenstad is LEAD in enkele gevallen herkenbaar, maar stedenbouwkundig niet dominant aanwezig. Vanuit het Groene Hart is de bebouwing in de verte te onderscheiden, maar het voert nooit de boventoon. Het vierde en laatste criterium betreft 'Hoogbouw draagt bij aan het stadssilhouet'. Door de verscheidenheid in hoogte, vorm en oriëntatie van de drie torens ontstaat er vanaf de verschillende zichtlijnen een afwisselend en sterk stedelijk silhouet. Oplopend van de laagste naar de hoogste toren wordt de kroon van elke toren steeds hoger uitgevoerd waardoor er een subtiele hiërarchie ontstaat met de hoogste toren als duidelijk accent van het ensemble.
Ook aan het derde criterium wordt derhalve voldaan. Het planinitiatief is beoordeeld aan alle criteria en daarbij is geconcludeerd dat 'eyeline en skyline' in voldoende mate worden bediend.
Nota van Uitgangspunten In de Nota van Uitgangspunten LEAD is aangegeven dat naast de beoordeling van de criteria 'eyeline en skyline' ook getoetst dient te worden aan de fysieke criteria als wind en schaduw. Een overschrijding van de hoogtegrens kan enkel mogelijk worden gemaakt indien dit goed is onderbouwd aan de criteria windhinder en -gevaar, bezonning en zichtlijnen.
Windhinder en -gevaar Actiflow heeft een CFD-onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het windklimaat in de omgeving. Dit onderzoek is onderdeel van de HER en is derhalve bijgevoegd in bijlage 27 van de bestemmingsplantoelichting. De resultaten laten zien dat er geen risico op windgevaar aanwezig is, ook windhinderklasse E zones zijn niet aanwezig in de omgeving van planinitiatief LEAD. Wanneer de bestaande situatie vergeleken wordt met de nieuwe situatie dan kan geconcludeerd worden dat het windklimaat in de openbare ruimte nabij omliggende gebouwen veelal zal verbeteren door toevoeging van de nieuwbouw. Planinitiatief LEAD zorgt hierbij voor een afschermende werking voor wind vanuit de zuidelijke en westelijke richtingen. Daar waar dit niet het geval is, zal het windklimaat acceptabel blijven. In de nabijheid van de nieuwbouw treden diverse windhinderklassen op. Hierbij is het effect van seizoensgebonden verschillen nader beschouwd. Dit kan gedaan worden omdat functies, zoals langdurig verblijf, met name van toepassing zijn in de zomer. Daarnaast is er in de zomer meer blokkering door vegetatie, waardoor het windklimaat per seizoen zal verschillen. De resultaten laten zien dat het windklimaat in de zomer als ‘windluw’ kan worden omschreven, waardoor langdurig verblijf rondom planinitiatief LEAD ongehinderd kan plaatsvinden.
In de winter zijn er minder windluwe locaties, echter is er nog steeds voldoende ruimte voor langdurig comfortabel verblijf. Het windklimaat is daarbij acceptabel voor de beoogde verkeersfuncties indien het gehele jaar wordt beschouwd, zoals de norm voorschrijft. Het fietspad ten noorden en westen van de nieuwbouw kent hierbij een acceptabel windklimaat wanneer het jaargemiddelde wordt beschouwd. In de zomermaanden kan het fietspad als windluw worden aangemerkt. Onderhavige studie heeft dan ook laten zien dat het windklimaat na realisatie van planinitiatief
87
bestemmingsplan LEAD
LEAD nabij de nieuwbouw acceptabel is. Daarbij leidt het nabij bestaande bebouwing veelal tot een verbetering van het windklimaat in de openbare ruimte en nooit tot een onacceptabele situatie. Hiermee voldoet het aan de eisen voor een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot het windklimaat.
Bezonning Door iTX BouwConsult is een bezonningstudie uitgevoerd naar de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgeving. Ook dit onderzoek is onderdeel van de HER en is derhalve bijgevoegd in bijlage 27 van deze bestemmingsplantoelichting. In de Nota van Uitgangspunten LEAD is gesteld dat voor het bepalen van schaduwhinder bij planinitiatief LEAD de Haagse norm dient te worden gehanteerd. iTX BouwConsult heeft dit onderzoek uitgevoerd en is naast de Haagse bezonningsnorm ook ingegaan op de TNO-norm 'licht' en heeft een vier seizoenenonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek op basis van de Haagse bezonningsnorm, in de periode 19 februari tot 21 oktober, blijkt dat alle woningen en appartementen in de omgeving van planinitiatief LEAD blijven voldoen aan de in de norm gestelde minimale bezonningsduur van 120 minuten. Ook is onderzoek gedaan naar de afname in bezonningsduur en hieruit blijkt dat sprake is van een zekere zonafname bij het kritische appartement in de Eschertoren en in Kroon van Noord, maar voor beide appartementen geldt dat ruimschoots voldaan wordt aan de Haagse bezonningsnorm. In de toetsing aan de hand van de TNO-norm 'licht' blijkt dat alle woningen en appartementen in de omgeving van planinitiatief LEAD blijven voldoen aan de TNO-norm van 120 minuten.
Verder blijkt in het aanvullende vier seizoenen onderzoek dat slagschaduwen over een groot gebied worden geproduceerd door planinitiatief LEAD. Lange slagschaduwen trekken aan het einde snel over het gebied, waardoor de hinder beperkt blijft. In het onderzoek is geconcludeerd dat er voldaan wordt aan zowel de Haagse bezonningsnorm als de lichte TNO-norm. Een vier seizoenenonderzoek is uitgevoerd om een compleet beeld te schetsen. Hiermee voldoet planinitiatief LEAD aan de eisen voor een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot bezonning.
Zichtlijnen RED Company en Powerhouse Company hebben in het zichtlijnenonderzoek de gevolgen voor het nationaal landschap 'Het Groene Hart' en vanuit het beschermd stadsgezicht in beeld gebracht. Er zijn 35 standpunten aangewezen in de binnenstad, de stadssingel en het nationaal landschap 'Het Groene Hart'. In de binnenstad en de stadssingel zijn 30 standpunten (aanzichten) onderzocht. Het zichtlijnenonderzoek is onderdeel van bijlage 27. In deze paragraaf worden de resultaten beknopt beschreven. In het onderzoek is van ieder aanzicht de bestaande situatie en de geplande situatie weergegeven. De bebouwing van planinitiatief LEAD is in de meeste gevallen niet herkenbaar aanwezig door de smalle straten en grachten in het historische centrum. Vanaf de Singel en de rand van de binnenstad is het planinitiatief in enkele gevallen herkenbaar aanwezig, maar stedenbouwkundig niet dominant aanwezig. Er vindt geen onevenredige aantasting van de zichtlijnen plaats. Voor de specifieke overwegingen met betrekking tot cultuurhistorie, wordt verwezen naar paragraaf 4.2.2.3. In het tweede deel ('Het Groene Hart') zijn vijf standpunten (aanzichten) onderzocht. Vanuit 'Het Groene Hart' is de bebouwing van planinitiatief LEAD in de verte te onderscheiden, maar voert dit nooit de boventoon in het aanzicht. Hiermee voldoet planinitiatief LEAD aan de eisen met betrekking tot zichtlijnen.
88
bestemmingsplan LEAD
4.10.3 Conclusie In de HER is het hoogbouwplan van planinitiatief LEAD gemotiveerd. De overschrijding van de hoogbouwgrens zoals opgenomen in de Hoogbouwvisie is hiermee voorzien van een goede onderbouwing doordat voldaan wordt aan de eisen in het kader van de zichtlijnen, het bezonningsaspect en het windhinderaspect zoals aangeven in de Nota van Uitgangspunten LEAD.
89
bestemmingsplan LEAD
90
bestemmingsplan LEAD
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de bestaande situatie en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied juridisch zijn vertaald. Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels. De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
5.2
Opzet en volgorde van de regels
De regels van bestemmingsplan LEAD zijn op de volgende wijze opgebouwd. Hoofdstuk 1 Artikel 1 en 2 Inleidende regels: Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Artikel 3 t/m 7 Bestemmingsregels: Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening Artikel 4 Groen Artikel 5 Wonen Artikel 6 Leiding - Hoogspanning Hoofdstuk 3 Artikel 8 t/m 12 Algemene regels: Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Artikel 8 Algemene bouwregels Artikel 9 Algemene gebruiksregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Artikel 11 Overige regels Hoofdstuk 4 Artikel 13 en 14 Overgangs- en slotregels: Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel
91
bestemmingsplan LEAD
5.3
Uitleg van de regels
5.3.1
Inleiding
Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012).
5.3.2
Inleidende regels
Begripsbepalingen (Artikel 1) In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. Wijze van meten (Artikel 2) De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.
5.3.3
Bestemmingsregels
Bedrijf - nutsvoorziening (Artikel 3) In dit bestemmingsplan geldt de bestemming Bedrijf - Nutsvoorziening voor het nieuwe KPN gebouw. Deze bestemming is bedoeld voor nutsbedrijven of soortgelijke instellingen. Dit zijn bedrijven, gericht op de levering van elektriciteit, gas, water en warmte, de verzorging van telecommunicatie of de afvoer en verwerking van afvalstoffen. Er is gekozen om deze voorziening / dit bedrijf specifiek als nutsvoorziening te bestemmen. Een algemene bedrijfsbestemming maakt naast nutsvoorzieningen op deze locatie ook andere bestemmingen mogelijk zoals een autobedrijf en dat is hier niet wenselijk. Groen (Artikel 4) De bestemming 'Groen' is opgenomen voor groenvoorzieningen. Binnen deze bestemming zijn toegestaan: groenvoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf, calamiteitenontsluiting voor hulpdiensten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen; nutsvoorzieningen; speelvoorzieningen; straatmeubilair; inritten en uitritten; voorzieningen voor laden en lossen; kunstobjecten en ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' tevens voor een ondergrondse parkeergarage. Er is een specifieke voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van een mitigerende maatregel ten behoeve van magneetvelden.
Wonen (Artikel 5) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wonen (in gestapelde vorm ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld') en aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven,
92
bestemmingsplan LEAD
met de daarbij behorende voorzieningen zoals gezamenlijke entrees, lobby's, trappenhuizen en galerijen, gemeenschappelijke ruimten ten behoeve van de woonfunctie (waaronder een zwembad, sportruimten, gemeenschappelijke woonkamer(s) en gastenkamer(s)), ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - daktuin' tevens voor een daktuin, bergingen ten behoeve van de woningen, inritten en uitritten, voorzieningen voor laden en lossen, verhardingen, liftinstallaties, verblijfsgebied, straatmeubilair, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast zijn binnen de woonbestemming uitsluitend op de begane grond en de eerste verdieping commerciële en maatschappelijke functies toegestaan. Middels specifieke gebruiksregels is het maximum aantal te realiseren woningen en het maximum aantal m2 bruto vloeroppervlakte van de commerciële en maatschappelijke functies vastgelegd. Voorts is er een mogelijkheid opgenomen tot het stellen van nadere eisen in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan gedacht worden aan het naleven van maatregelen die genoemd zijn in de verantwoording van het groepsrisico. Tevens zijn er specifieke voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van een mitigerende maatregel ten behoeve van magneetvelden, geluid en sociale huurwoningen.
Leiding - Hoogspanning (Artikel 6) Ter plaatse van het plangebied is een tracé van kabels en leidingen van TenneT gelegen. Dit kabels en leidingentracé wordt in dit bestemmingsplan beschermd middels de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning'.
5.3.4
Algemene regels
De algemene regels bevatten de volgende artikelen: Antidubbeltelregel (Artikel 7) De antidubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. De antidubbeltelregel is opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling. Algemene bouwregels (Artikel 8) In de algemene bouwregels is aangegeven dat de bestaande maten die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste of ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden. In de algemene bouwregels zijn ook regels gegeven voor het ondergronds bouwen. De regels geven kort en bondig aan dat ondergronds bouwen is toegestaan, daar waar bovengronds bouwen is toegestaan. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel is een regeling opgenomen met betrekking tot strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) Op grond van de algemene afwijkingsregels kan afgeweken worden van het bestemmingsplan in verschillende specifieke gevallen. In onderhavig bestemmingsplan gaat het om het afwijken
93
bestemmingsplan LEAD
van de maatvoering. Overige regels (Artikel 11) In dit artikel is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het parkeren en de waterberging. Voorts is er een regeling opgenomen dat betrekking heeft op verwijzingen naar andere wetgeving.
5.3.5
Overgangs- en slotregels
Overgangsregels (Artikel 12) Het overgangsrecht is opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De overgangsregels bevatten bepalingen omtrent het voortzetten van gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is. Eenzelfde regeling is opgenomen voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een bouwvergunning. Indien zo'n bouwwerk afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, het bouwwerk 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Slotregels (Artikel 13) In de slotregels worden de regels van dit bestemmingsplan aangehaald.
94
bestemmingsplan LEAD
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Overeenkomstig artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dienen gemeentelijke kosten die worden gemaakt bij de uitvoering van bepaalde bouwplannen te worden verhaald. Wettelijk gezien dient hiervoor een exploitatieplan opgesteld te worden. De Wro biedt de mogelijkheid hiervan af te zien, als het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Met de initiatiefnemer is een koop- en ontwikkelovereenkomst gesloten, die kwalificeert als anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn tevens afspraken gemaakt over eventuele planschade. Dit zal afgewenteld worden op de ontwikkelaar. Het sluiten van deze overeenkomst is op 27 februari 2020 gepubliceerd in de Stadskrant.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Algemeen
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Het is vrijwel niet mogelijk iedereen tevreden te stemmen: bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander.
6.2.2
Vooraankondiging
Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.3.1 Bro is een vooraankondiging van dit bestemmingsplan gedaan.
6.2.3
Participatie
Voor de resultaten van het participatieproces wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 2.3.1.2 Participatieproces.
6.2.4
Vooroverleg
Voor de resultaten van het participatieproces wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 28 Resultaten vooroverleg.
6.2.5
Zienswijzen
Conform de 'Werkwijzer participatie 2018' van gemeente Leiden start de bestemmingsplanprocedure, vanwege het doorlopen participatieproces, met een ontwerpbestemmingsplan en is een voorontwerpbestemmingsplan (met daarbij gangbare inspraakmogelijkheden) niet van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter
95
bestemmingsplan LEAD
visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze tegen het ontwerp indienen. Ingediende zienswijzen zullen worden betrokken bij de uiteindelijke vaststelling van het bestemmingsplan.
96
LEAD
bestemmingsplan LEAD
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2
Wijze van meten
13
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
15
Artikel 3
Bedrijf - Nutsvoorziening
15
Artikel 4
Groen
16
Artikel 5
Wonen
18
Artikel 6
Leiding - Hoogspanning
21
Hoofdstuk 3
Algemene regels
23
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
23
Artikel 8
Algemene bouwregels
24
Artikel 9
Algemene gebruiksregels
25
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
26
Artikel 11
Overige regels
27
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
28
Artikel 12
Overgangsrecht
28
Artikel 13
Slotregel
29
2
bestemmingsplan LEAD
Regels
3