210049 Bijlage 3. Bestemmingsplan NL.IMRO.0546.BP00165-0301, genaamd “bestemmingsplan LEAD”, gedateerd op juni 2021, bestaande uit een toelichting, regels en bijlagen bij de regels;
Tekst van het document
Fig. 3.2 Soorten ontwikkeling
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn.
30
bestemmingsplan LEAD
3.2.1.2 Onderzoeksresultaten De beoogde ontwikkeling kan worden toebedeeld aan het type ontwikkeling 'inpassing' (zie figuur 3.2), want het voornemen sluit aan bij de gebiedsidentiteit en voegt zich in de bestaande structuur. De ontwikkeling is gesitueerd aan de rand van de wijk, een zone waarin grotere, min of meer zelfstandige bouwvolumes zijn voorzien. De rand markeert daarmee de overgang naar de Willem de Zwijgerlaan, een doorgaande weg. De ontwikkeling sluit qua positionering aan op de omgeving. De ontwikkeling van planinitiatief LEAD en het nieuwe KPN-gebouw kan derhalve worden beschouwd als een gebiedseigen ontwikkeling. Om te beoordelen of de ruimtelijke kwaliteit passend is, is het project getoetst aan de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. De planlocatie is voor wat betreft de 'Laag van de ondergrond' gelegen in het 'bijzonder reliëf en aardkundige waarden' en 'Rivierdeltacomplex - jonge zeeklei'. Relevante richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn: Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Op de kwaliteitskaart behorende bij de 'Laag van de stedelijke occupatie' is het plangebied aangegeven als onderdeel van de 'steden en dorpen' en 'bouwwerken voor energie-opwekking'. Relevante richtpunten voor ontwikkelingen zijn: Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Onderhavig plan bestaat uit het type ontwikkeling 'inpassing'. Op de richtpunten kan voor dit plan als volgt worden gereageerd: De inpassing van planinitiatief LEAD en het nieuwe KPN gebouw heeft nagenoeg geen effect op de richtpunten die voortkomen uit de 'Laag van de ondergrond'. De ontwikkeling in het plangebied heeft niet tot gevolg dat de patronen en het reliëf in het landschap in het landschap onevenredig nadelig worden beïnvloed.
Ten gevolge van de beperkte archeologische potentie kan bij de ontwikkeling van het plan niet worden voldaan aan de wens om archeologische waarden meer herkenbaar te maken. Ten gevolge van de richtpunten die voortkomen uit de kaart bij de 'Laag van de stedelijke occupatie' voorziet de ontwikkeling in het plangebied in een hoogbouwontwikkeling die samenvalt met de omliggende hoogteaccenten in Leiden. Langs de Willem de Zwijgerlaan is reeds hoogbouw gesitueerd, hetgeen een afschermende werking heeft voor de achtergelegen woonbuurt. Evengoed is het effect van het planinitiatief LEAD onder andere in paragrafen 4.2 , 4.10, en bijlage 27 Hoogbouweffectrapportage 2020 in beeld gebracht. Het plan draagt bij aan de versterking van de stedelijke groenstructuur, door het bestaande groen opnieuw in te richten. In de nieuwe situatie zal het gebied daardoor meer geschikt zijn voor een recreatieve (buurt)functie. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3.2.5 Openbare ruimte. Het plan heeft geen invloed op het functioneren en/of de uitstraling van de nabijgelegen vertakking van de Maresingel. In het plangebied is geen bestaand water aanwezig.
31
bestemmingsplan LEAD
Met betrekking tot cultuurhistorie wordt verwezen naar paragraaf 4.2 en de Cultuurhistorische effectenanalyse 2019. Concluderend kan worden gesteld dat er sprake is van waardevolle beschermenswaardige objecten in het plangebied, te weten de kenmerkende reliëfs van Henk Tieman en de waardevolle klok uit de collectie van de Lakenhal, die behouden blijven. Voorts heeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen onaanvaardbare invloed op de ervaarbaarheid van de historische binnenstad vanuit het omringende gebied. Voor de effecten op zichtijnen vanuit de historische binnenstad zelf wordt verwezen naar paragraaf 4.2. Van een onevenredige aantasting van zichtlijnen is geen sprake. Bij de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied wordt aan de van toepassing zijnde relevante richtpunten voldaan. Hierdoor ontstaat geen strijdigheid met het provinciaal beleid en past het plan binnen de provinciale Omgevingsvisie.
3.2.1.3 Conclusie De provinciale Omgevingsvisie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.2.2
Provinciale omgevingsverordening
3.2.2.1 Beleidskader Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en de ladder voor duurzame verstedelijking.
Regels voor ruimtelijke kwaliteit Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. In artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening is opgenomen aan welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' (zie ook 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie) speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.
Ladder voor duurzame verstedelijking Indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient eveneens te worden voldaan aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening. Bij een stedelijke ontwikkeling in het bestaand stads- en dorpsgebied dient in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. Bij de onderbouwing van de
32
bestemmingsplan LEAD
ladder voor duurzame verstedelijking kan verwezen worden naar een regionale visie waar de behoefte van de stedelijke ontwikkeling al is gemotiveerd. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking, zoals opgenomen in het Bro, ook opgenomen in de verordening om het provinciaal belang bij de toepassing van de ladder te benadrukken. Indien de ontwikkeling niet binnen bestaand stads- of dorpsgezicht kan worden voorzien kan gebruik worden gemaakt van de aangewezen locaties in het Programma ruimte.
3.2.2.2 Onderzoeksresultaten In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan artikel 6.9 en aan artikel 6.10 van de provinciale Omgevingsverordening.
Ruimtelijke kwaliteit Het planinitiatief LEAD bestaat uit drie woontorens met verschillende hoogtes. De planontwikkeling sluit aan op de bestaande hoogbouw aan de Willem de Zwijgerlaan. Door de woontorens met een oplopende hoogte van 65 meter naar 85 meter en naar 115 meter ontstaat een visuele overgang naar de hoogbouw in de omgeving. De torens hebben verschillende maatvoering, situering en oriëntatie, waardoor er een afwisselend beeld ontstaat. De toren van 115 meter hoog is slank uitgevoerd. Ook de afschuining van de torens en de gedraaide situering zorgt ervoor dat de torens slanker ogen en wordt wandvorming voorkomen. De lichte kleurstelling zorgt voor minder nadruk in het stadsbeeld. Op het effect van planinitiatief LEAD voor bestaande zichtlijnen wordt in paragraaf 4.2 Cultuurhistorie en paragraaf 4.10 Hoogbouweffectrapportage nader ingegaan. Het planinitiatief LEAD heeft tot gevolg dat de ruimtelijke en functionele structuur binnen het plangebied wijzigt. Deze wijziging heeft echter tot gevolg dat de ruimtelijke en functionele structuur meer in overeenstemming wordt gebracht met de verschillende woningbouwontwikkelingen die in de omgeving tot uitvoering zijn gebracht. Derhalve kan nog steeds gesproken worden van een ontwikkeling type 'inpassing'. In paragraaf 3.2.1.2 is reeds getoetst aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.
Uit deze toets blijkt dat aan alle relevante richtpunten van de kwaliteitskaart wordt voldaan. Het planinitiatief LEAD is derhalve in overeenstemming met de bepalingen uit artikel 6.9 van de provinciale Omgevingsverordening.
Ladder voor duurzame verstedelijking De ontwikkeling van LEAD betreft een stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Het toevoegen van maximaal 580 woningen wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling. In de 'Regionale Woonagenda Holland Rijnland' (2017) is een totale regionale woningbehoefte vastgesteld van 22.110 nieuwe woningen in de periode tot 2029. De behoefte is in de Woonagenda gebaseerd op de Woningbehoefteraming (WBR) 2016. Specifiek voor Holland Rijnland West gaat het om 11.650 woningen, waarvan de meerderheid van de behoefte in Leiden bestaat (8.180). De onderverdeling in subregio's laat zien dat er in de subregio West het risico bestaat dat er op korte termijn te weinig wordt gebouwd. Dit risico doet zich in alle woonmilieus voor, maar het meest in de stedelijke woonmilieus. In de meest actuele prognose van de gewenste woningvoorraadtoename (2019) blijft de gewenste woningvoorraadtoename hoog. In de periode 2019-2030 bedraagt de WBR in Leiden 7.020 nieuwe woningen. Voor Holland Rijnland en zeker ook voor Leiden betekenen deze cijfers dat er in de komende jaren een aanzienlijke bouwopgave ligt om iedereen aan een woning te kunnen helpen. Uit de behoefte aan woonmilieus is derhalve in Leiden de behoefte aan het woonmilieu 'binnenstad levendig stedelijk' en 'woonwijk laag- en hoogbouw' het grootst.
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woontorens op een binnenstedelijke locatie en sluit daarmee aan op de regionale doelstellingen. Uit onder meer het Programma Ruimte (zie paragraaf 3.2.3), de 'Regionale Woonagenda 33
bestemmingsplan LEAD
Holland Rijnland 2020' (zie ook paragraaf 3.2.4) en de Woonvisie Leiden 2020-2030 (zie ook paragraaf 3.3.4) volgt dat een grote kwalitatieve en kwantitatieve behoefte bestaat aan het type woningbouw dat met het planinitiatief wordt gerealiseerd. Verwezen wordt bijvoorbeeld naar de woningbehoefteraming die in 2019 is opgesteld voor de regio Holland Rijnland.
Fig. 3.3 Gewenste woningvoorraadtoename Holland Rijnland (bron: WBR 2019).
Het planinitiatief levert een zeer belangrijke bijdrage aan de doelstellingen die zijn vervat in deze beleidsstukken, zoals het behouden en versterken van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor verschillende woongroepen, het realiseren van sociale huurwoningen en het realiseren van duurzame woningen. Het planinitiatief bevat een gevarieerd woonprogramma in diverse prijsklassen, zowel koop- als (sociale) huurwoningen, heeft uitgebreid aandacht voor duurzaamheid en levert een kwalitatieve impuls aan de woonomgeving. Minimaal 25% van het totale woonprogramma bestaat uit sociale huurwoningen. Daarnaast heeft de initiatiefnemer een inspanningsverplichting op zich genomen inhoudende de realisatie van minimaal 20% van het aantal woningen als starterswoningen in het huur- en/of koopsegment. Dit mogen ook starterswoningen betreffen in het vrije segment. Onder vrije sector starterswoningen wordt verstaan woningen met een koopsom van maximaal EUR 250.000 v.o.n. of huurwoningen met een netto huurprijs van maximaal EUR 950 per maand (prijspeil 1 juli 2019). De overige woningen betreffen een gevarieerde mix van koop- en huurwoningen in het middel dure en duurdere segment. Uit zowel de 'Regionale Woonagenda Holland Rijnland' (2017) als de Woonvisie Leiden 2020-2030, blijkt de kwantitatieve behoefte aan het voorziene woonprogramma.
Uit zowel het regionale als het gemeentelijk beleid blijkt daarnaast de behoefte aan een (hoog)stedelijk woonmilieu. Door in het planinitiatief zowel starterswoningen als woningen in het sociale, middel dure en dure segment te realiseren in combinatie met een levendige plint, wordt bijgedragen aan deze behoefte. Naast het woonprogramma voorziet het planinitiatief LEAD in de plint naast woningen in een ondersteunend programma van maximaal 600 m² aan commerciële en maatschappelijke functies, waarbij een onderverdeling van maximaal 300 m2 per functie geldt. De definitieve invulling van de plint is nog onbekend. Voor de invulling van de plint kan gedacht worden aan dienstverlenende functies zoals een kapper en een schoonheidsinstituut, aan horeca en aan maatschappelijke functies zoals een fysiotherapeut of een tandartsenpraktijk. De realisatie van zelfstandige detailhandel is uitgesloten. Gelet op de omvang van de ontwikkeling behoeven deze functies niet provinciaal of regionaal te worden afgestemd. Het ondersteunend programma voor de plint is met name bedoeld om de behoefte van de toekomstige bewoners te faciliteren en heeft tevens een wijkondersteunende functie. In paragraaf 3.3 Gemeentelijk
34
bestemmingsplan LEAD
beleid wordt nader op de behoefte aan deze functies ingegaan. De nutsvoorziening van KPN was reeds mogelijk binnen het plangebied. Een nadere behoeftetoets is derhalve niet vereist. Het planinitiatief LEAD voldoet aan de voorwaarden voor duurzame verstedelijking en is derhalve in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6.10 van de provinciale Omgevingsverordening.
3.2.2.3 Conclusie De provinciale Omgevingsverordening staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.2.3
Programma Ruimte
3.2.3.1 Beleidskader Het Programma Ruimte (20 februari 2019) is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma Ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerde Staten.
3.2.3.2 Onderzoeksresultaten Het Programma Ruimte speelt in onderhavig plan een belangrijke rol bij de motivering van de regionale behoefte aan (extra) woningen. Gemeente Leiden is gelegen binnen de regio Holland Rijnland. In 2019 is een nieuwe Woningbehoefteraming (WBR) gemaakt door de provincie Zuid-Holland. Elke drie jaar maakt Zuid-Holland een nieuwe WBR. Volgens de meest recente raming is tot 2040 behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Leiden. Zie ook figuur 3.3. De provincie wil het bestaand stads- en dorpsgebied beter benutten. Daarnaast blijkt dat tot 2030 behoefte is aan nieuwe woningen in de regio Holland Rijnland. Dit betekent dat er vanuit de provincie in zijn algemeenheid geen beperkingen worden opgelegd aan de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling van LEAD is daarmee ook in lijn met het Programma Ruimte.
3.2.3.3 Conclusie Het Programma Ruimte staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.2.4
Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020
3.2.4.1 Beleidskader De Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020, die een beleidsmatige doorkijk biedt tot 2030, is op 25 juni 2009 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst. De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio blijven, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed
35
bestemmingsplan LEAD
bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie. De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn: 1. Holland Rijnland is een top woonregio; 2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie; 3. Concentratie stedelijke ontwikkeling; 4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal; 5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open; 6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis; 7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.
3.2.4.2 Onderzoeksresultaten De beoogde ontwikkeling voorziet in een woningbouwontwikkeling met een divers programma in de binnenstad van Leiden. Het planinitiatief LEAD levert een bijdrage aan de kernbeslissingen van uit de Regionale Structuurvisie door onder andere mensen te binden aan de regio door een goed woonklimaat te realiseren. Het programma van het planinitiatief LEAD is gevarieerd en gedifferentieerd, en past binnen de eerste kernbeslissing door onder andere 25% sociale huurwoningen te realiseren. Daarnaast sluit het planinitiatief LEAD ook aan op de kernbeslissing die voorziet in concentratie van stedelijke ontwikkeling. De planlocatie ligt in een gebied dat in de afgelopen jaren grotendeels is geherstructureerd. De voorgenomen ontwikkeling sluit derhalve aan op de reeds ingezette herstructurering. Tevens is aangesloten bij de kernbeslissing in het kader van het groen-blauwe raamwerk. In het stedenbouwkundig ontwerp is het groen-blauwe raamwerk als ondergrond gebruikt.
3.2.4.3 Conclusie De regionale structuurvisie Holland Rijnland 2020 staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.2.5
Regionale Woonagenda 2017
3.2.5.1 Beleidskader Het aantal inwoners en huishoudens in Holland Rijnland neemt nog steeds toe. Daarnaast verandert de leeftijd en samenstelling van de bevolking door vergrijzing en steeds kleinere gezinnen. Om goed in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen, stelden de gemeenten in Holland Rijnland de Regionale Woonagenda 2017 op. Dit document vervangt de vorige woonagenda uit 2014. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de subregio's Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijn- en Veenstreek. Op de eerste plaats gaat het om de ontwikkeling van kansrijke bouwlocaties (woonmilieus). Andere belangrijke opgaven zijn het voorzien in voldoende sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen, waarvoor aanvullende zorg noodzakelijk is. Met de
36
bestemmingsplan LEAD
vernieuwde Regionale Woonagenda zijn gemeenten in staat hun woningbouwplannen onderling beter af te stemmen, qua bouwjaar en woonmilieu. Uitgangspunten Om de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen, maakt de regio in de woonagenda de volgende keuzes: tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor korte termijn groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren bereikbaar bouwen solidariteit Hoofdopgaven subregio west In de subregio West zijn er voor de eerste vijf jaar de nodige plannen voor de behoefte. De jaren erna blijft het aanbod ver achter bij de behoefte. Overigens doet het 'potentiële overschot' aan plannen voor de komende vijf jaren zich hoogstwaarschijnlijk niet voor. Veel plannen in de eerste jaren zijn namelijk voorzien op (stedelijke) inbreidingslocaties. De ervaring is dat daar de planontwikkeling vaak minder snel gaat.
Met de huidige programmering loopt de subregio West dan ook eerder het risico dat er op korte termijn te weinig wordt gebouwd. De potentiële plannen in categorie 2b ('beter benutten actuele kansen') of 3 ('in meerdere opzichten onzeker') zijn dan ook hard nodig om het ontwikkeltempo te garanderen. In alle woonmilieus doet dit risico zich voor. Op termijn het meest in de stedelijke woonmilieus. Naar typologie blijft op termijn toevoegingen van sociale huurwoningen nodig. Er is in de plannen reeds een redelijk aanbod voorzien van middeldure huurwoningen en goedkope koopwoningen.
3.2.5.2 Onderzoeksresultaten Het planinitiatief levert een substantiële bijdrage aan de uitgangspunten van de regionale woonagenda. Het betreft immers een inbreidingslocatie met een kwalitatief, duurzaam en gevarieerd woonprogramma, hetgeen doorstroming in de Leidse woningmarkt mogelijk maakt.
3.2.5.3 Conclusie De Regionale Woonagenda staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
37
bestemmingsplan LEAD
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Leiden 2040
3.3.1.1 Beleidskader Op 15 juli 2019 heeft de gemeenteraad de 1.0-versie van de Omgevingsvisie Leiden 2040 vastgesteld (RV. 19.0068). De Omgevingsvisie Leiden 2040 sluit aan op de Regionale agenda voor de omgevingsvisie "Hart van Holland", welke in 2017 is opgesteld door Leiden en de omliggende gemeenten. De Omgevingsvisie Leiden 2040 helpt om samenhang te brengen in de verschillende fysieke projecten in de stad, om deze meer Leids te maken, om ze beter te laten aansluiten op sociale, maatschappelijke en economische doelen en om investeringen goed te richten. De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de stad. Het bevat geen blauwdruk voor de ontwikkeling van de stad, maar beschrijft wel de waarden die de gemeente belangrijk vindt in de ontwikkeling van de stad, eigenschappen die de gemeente koestert en nieuwe ontwikkelingen die ruimte vergen. Op basis van de Leidse waarden, trends en noodzakelijke ontwikkelingen zijn er zes verhaallijnen geformuleerd; 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Leiden, stad van historie en cultuur Leiden, groene en gezonde stad Leiden, stad voor iedereen Leiden, stad van onderwijs, kennis en werk Leiden, verbonden stad Leiden, waterstad.
In de Omgevingsvisie wordt over de verhaallijn “Leiden, groene en gezonde stad” opgemerkt dat Leiden in 2040 een stad is met méér groen, met groen dat aantrekkelijker is, en met groen dat méér bijdraagt aan gezondheid, aan biodiversiteit en aan bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering. Woningen, werklocaties en andere voorzieningen bouwt Leiden in hoge dichtheden, als stedelijk hart van de regio. Daaraan wordt ook groen toegevoegd. In de verdere groei van Leiden wordt verstedelijking met groen en gezondheid gecombineerd. Voor iedereen is groen dichtbij: zichtbaar in de straat, betekenisvol, met een hoge belevingswaarde, als ontmoetingsplekken, in hofjes en in openbaar toegankelijke stadstuinen, langs groene routes, langs gevels (“verticale tuinen”), op daken en in daktuinen. In de Omgevingsvisie wordt over de verhaallijn “Leiden, stad voor iedereen” opgemerkt dat het in 2040 in Leiden normaal zal zijn dat iedereen in de stad een geschikte en betaalbare woning kan vinden, in een aantrekkelijke, duurzame en leefbare omgeving. Er is een betaalbaar en passend woningaanbod voor alle doelgroepen, waaronder mensen met een laag inkomen, ouderen, mensen die extra zorg nodig hebben, en mensen die heel snel een woning nodig hebben.
De programmering van woningbouw gebeurt toekomstgericht, met oog voor veranderingen in de bevolkingssamenstelling, met uiteenlopende woonvormen en met nieuwe mengvormen van wonen, werken en voorzieningen. De verschillende wijken en buurten kunnen daarbij hun eigen karakter behouden. Vele ontmoetingsplekken dragen bij aan dit karakter: rond de woning, langs stadsstraten, op pleinen en in hofjes, en natuurlijk in het groen.
38
bestemmingsplan LEAD
3.3.1.2 Onderzoeksresultaten Het planinitiatief draagt bij aan een aantal belangrijke doelstellingen uit de Omgevingsvisie Leiden 2040, te weten het realiseren van geschikte en betaalbare woningen, in een aantrekkelijke, duurzame en leefbare omgeving. Ook wordt ingezet op het zo groen en duurzaam mogelijk inpassen van het plan. Het sluit daarom aan bij de verhaallijnen 'groene en gezonde stad' en 'stad voor iedereen' in de Omgevingsvisie.
3.3.1.3 Conclusie De Omgevingsvisie Leiden 2040 staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.3.2
Verstedelijkingsnotitie Leiden
3.3.2.1 Beleid De Verstedelijkingsnotitie Leiden (2018) is opgesteld vooruitlopend op de aanbieding van de Omgevingsvisie om inzicht te krijgen in de aard van de stedelijke opgaven (omvang, locatie en tijd). De Verstedelijkingsnotitie laat zien waar en hoe de stad door het toevoegen en concentreren van woningen duurzaam kan verstedelijken. In totaal zijn zes potentiegebieden gedefinieerd voor duurzame intensivering en verdichting. Planinitiatieven kunnen hiermee in een grotere context geplaatst worden, zodat die niet meer ad hoc door de gemeenteraad hoeven te worden beschouwd, maar juist als bouwstenen die bijdragen aan een heldere verstedelijkingsstrategie. De afweging tot verdere verdichting vindt daarmee plaats op stadsniveau. Hoogbouw, zo wordt vermeld, is een manier van verdichting en alleen toegestaan als "eyeline en skyline" in voldoende mate bediend worden. Het gaat daarbij om zowel de aspecten die de beleving op straatniveau borgen als de aspecten die ertoe doen voor de beleving van hoogbouw op grote afstand. Een nadere uitwerking van en de toets op deze regels dient per project opgesteld te worden.
3.3.2.2 Onderzoek Het planinitiatief is gelegen in een van de zes potentiegebieden, te weten Willem de Zwijgerlaan West, midden in de voormalige industriezone grofweg lopende vanaf het gebied Groenoordplaza via de omgeving KPN-centrale tot het energiepark aan de Langegracht. Dit potentiegebied ligt op loop- en fietsafstand van de binnenstad, Leiden CS en in de nabijheid van de buurtgerichte voorzieningen van het Kooiplein, waardoor dit gebied in potentie zeer interessant is voor de groep zoekers van woningen in een stedelijk woonmilieu met wonen in hoge dichtheden en een gemiddeld lager autobezit. De wijze waarop het plan de "Eyeline en Skyline" bedient, komt aan bod in paragraaf 4.10 Hoogbouweffectrapportage.
3.3.2.3 Conclusie De Verstedelijkingsnotitie Leiden staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
39
bestemmingsplan LEAD
3.3.3
Ontwikkelingsvisie 'Leiden, stad van ontdekkingen: profiel 2030'
3.3.3.1 Beleidskader In 2004 heeft de gemeenteraad de ontwikkelingsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen" vastgesteld (RV 04.0097). In hetzelfde raadsbesluit heeft het college opdracht gekregen een cyclisch proces te ontwikkelen voor onderhoud van de ontwikkelingsvisie. De geactualiseerde uitgave van de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen" is het resultaat van dat "onderhoud". Deze actualisering is op 13 september 2012 door de raad vastgesteld (RV 12.0044). De geactualiseerde uitgave van de visie vervangt hiermee de vorige versie uit 2004. De geactualiseerde uitgave van "Leiden, Stad van Ontdekkingen" dient als leidraad voor beleidsontwikkeling en voor gesprekken over samenwerking in de stad en met de omgeving. Belangrijke ambities van de geactualiseerde visie 'Leiden, Stad van Ontdekkingen' zijn het versterken van de 'internationale kennis' en de 'historische cultuur'. Kennis vindt zijn basis in de Universiteit van Leiden, het Leids Universitair Medisch Centrum en het Leiden Bio Science Park. Historische cultuur is overal in de stad terug te vinden in de vorm van monumenten, musea en een ruim cultureel aanbod. Als Leiden deze ambities wil waarmaken moet de bereikbaarheid op orde zijn en wil de gemeente meer gebruik maken van 'de kracht van de stad'.
3.3.3.2 Onderzoeksresultaten Het planinitiatief draagt, vanwege de realisatie van een aantrekkelijk en gevarieerd woonmilieu, bij aan het binden van onder meer kenniswerkers aan onze stad. Hierdoor kan de ambitie 'internationale kennis' uit de ontwikkelingsvisie verder versterkt worden.
3.3.3.3 Conclusie De ontwikkelingsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen" staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.3.4
Wonen
3.3.4.1 Beleidskader Woonvisie Leiden 2020-2030 Op 14 november 2019 heeft de gemeenteraad van Leiden de Woonvisie Leiden 2020-2030 vastgesteld (RV19.0104). Voor de Woonvisie zijn de volgende trends en ontwikkelingen belangrijk: Vanaf 2009 is er een jaarlijkse groei van het aantal inwoners en die ontwikkeling zet zich vermoedelijk de komende acht jaar voort. Binnen de groei van de Leidse bevolking is er vooral een toename zichtbaar van het aantal ouderen. De vraag van deze groeiende groep levert een belangrijke bijdrage aan de woningbehoefte. Het aantal studenten is tussen 2009 en 2018 sterk toegenomen. De woningbehoefte is groot. Niet alleen vanwege de vergrijzing en de groei van het aantal studenten, maar ook door de uitstroom van kwetsbare inwoners uit instellingen en door 'spoedzoekers'. Er is vooral behoefte aan nieuwe woningen in het stedelijke woonmilieu. Er is sprake van een grote opgave op het gebied van duurzaamheid. Denk aan het
40
bestemmingsplan LEAD
overstappen op duurzame(re) warmtebronnen, het klimaatbestendig maken van Leiden en de ambitie op het gebied van circulariteit en duurzame mobiliteit. Er is een groeiende druk op de leefbaarheid van de stad, zeker in de Leidse wijken met veel sociale huurwoningen die zich kenmerken door een sterke instroom van kwetsbare inwoners. De belangrijkste doelstellingen, die in de Woonvisie verder zijn uitgewerkt, betreffen de volgende: 1. 2. 3. 4. 5.
te bouwen naar behoefte, met de juiste woning op de juiste plek; de voorraad wooneenheden voor studenten te vergroten; extra aandacht te geven aan kwetsbare doelgroepen; de woningvoorraad en woonomgeving duurzamer te maken; de kwaliteit van de woonomgeving te vergroten
Deze vijf doelstellingen zijn in de Woonvisie uitgewerkt.
3.3.4.2 Onderzoeksresultaten Het planinitiatief levert een zeer belangrijke bijdrage aan de doelstellingen van de Woonvisie Leiden 2020-2030. Het planinitiatief bevat immers een op behoefte gebaseerd gevarieerd woonprogramma in het stedelijk woonmilieu. Daarnaast heeft het planinitiatief uitgebreid aandacht voor duurzaamheid en levert het een kwalitatieve impuls aan de woonomgeving.
3.3.4.3 Conclusie De Woonvisie Leiden 2020-2030 staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.3.5
Horeca
3.3.5.1 Beleidskader Ruimtelijk-economische horecavisie 2016 Op 11 februari 2016 heeft de gemeenteraad van Leiden de ruimtelijk-economische horecavisie Leiden vastgesteld. Deze horecavisie is bedoeld als toetsingskader voor de beoordeling van horeca-aanvragen die niet in een geldend bestemmingsplan passen. De visie gaat in op de wenselijke concentratie en spreiding van verschillende soorten horeca-vestigingen in de stad. Hoewel voor de meeste van de gebieden uitbreiding mogelijk is, worden naast kwalitatieve kaders ook duidelijke kwantitatieve grenzen vastgelegd, door beperking van het aantal nieuwe vestigingen per horecacategorie. Dit aantal geeft weer hoeveel extra horeca er in bepaalde gebieden wenselijk wordt geacht, gelet op de beoogde functiemenging in het desbetreffende gebied. De visie is niet alleen bedoeld als toetsingskader voor individuele aanvragen (omgevingsvergunningen), maar is ook richtinggevend voor de horeca ontwikkeling die via bestemmingsplannen wordt toegestaan in bijvoorbeeld ontwikkellocaties.
41
bestemmingsplan LEAD
3.3.5.2 Onderzoeksresultaten Op grond van de ruimtelijk-economische horecavisie uit 2016 geldt in het stadsdeel waar onderhavig plangebied in is gelegen de mogelijkheid om één horecavestiging toe te staan in horecacategorie I. In deze categorie valt daghoreca, die alleen overdag geopend is. Met de term 'overdag' worden de tijden bedoeld waarop detailhandel geopend mag zijn volgens de winkeltijdenwet, dus tussen 6.00 en 22:00. In deze horecacategorie is het schenken van wijn en /of zwak-alcoholische dranken niet toegestaan. De mogelijkheid om een dergelijke horecavestiging toe te staan is in de regels juridisch-planologisch verankerd.
3.3.5.3 Conclusie De ruimtelijk-economische horecavisie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
42
bestemmingsplan LEAD
Hoofdstuk 4 4.1
Archeologie
4.1.1
Beleidskader
Omgevingsaspecten
4.1.1.1 Nationaal beleid In 1992 werd in Valletta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. In vervolg hierop is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen.
4.1.1.2 Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het projectgebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De regels voor bescherming van archeologische waarden zijn vastgelegd in artikel 6.27 'Archeologie en Romeinse Limes'. In de regels is onder andere opgenomen hoe gronden met archeologische waarden dienen te worden bestemd en wanneer werkzaamheden in de bodem niet kunnen worden uitgevoerd alvorens door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast.
4.1.1.3 Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden (zoals vastgelegd in de Erfgoednota 2014-2020) is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden. Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in het bestemmingsplan een aantal regels opgenomen. Deze regels zijn gebaseerd op een inventarisatie en evaluatie van de omvang en kwaliteit van het archeologisch bodemarchief in en om het plangebied.
43
bestemmingsplan LEAD
Leiden heeft negen verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde. Voor acht waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een vergunning dient te worden aangevraagd. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de vergunningsplicht niet, omdat het een beschermd archeologisch rijksmonument betreft, waarop de regels van de Erfgoedwet van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een rijksmonumentenvergunning vereist. De negen waarderingsgebieden zijn:
4.1.2
Onderzoeksresultaten
4.1.2.1 Inleiding Ter plaatse van het plangebied is op basis van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van Leiden sprake van een middelhoge archeologische verwachting met een beperkte archeologische potentie en lage trefkans. In maart 2019 is door IDDS in het plangebied van het planinitiatief LEAD een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) uitgevoerd (kenmerk 57571218). Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. In de hierna volgende paragrafen worden de resultaten uit het onderzoek kort weergegeven.
4.1.2.2 Bureauonderzoek IDDS heeft in het bureauonderzoek gegevens verzameld over het onderzoeksgebied. Hieruit is onder andere gebleken dat in de diepe ondergrond van het plangebied waarschijnlijk veen en wadafzettingen voorkomen. Op basis daarvan is sprake van een lage archeologische verwachting. Boven de diepe ondergrond kunnen komafzettingen worden verwacht van het Oude Rijnestuarium.
44
bestemmingsplan LEAD
4.1.2.3 Veldonderzoek In het kader van het inventariserend veldonderzoek zijn in het plangebied 14 boringen gezet. Op basis van de boringen kan worden aangenomen dat de landschappen ongunstig waren voor gebruik door de mens. In het plangebied lag eerst een rietmoeras en later een moeras(broek)bos. Later is het gebied ontgonnen, maar pas in de 20e eeuw is het gebied (na ophoging en voorbelasting) geschikt gemaakt voor bebouwing. Doordat tot aan de 20e eeuw sprake was van een relatief nat landschap hebben alle lithogenetische pakketten een lage archeologische verwachting. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat in alle boringen de kenmerken zijn aangetroffen van een relatief nat milieu, waardoor destijds sprake was van ongunstige omstandigheden voor de mens. Dit is eveneens naar voren gekomen in het bureauonderzoek; de niveaus waren ongunstig voor bewoning. De lage trefkans en beperkte archeologische potentie is door middel van het onderzoek bevestigd. Daarnaast zijn ten gevolge van de bestaande bebouwing op de planlocatie, de gronden reeds geroerd. Door de beoogde werkzaamheden zullen naar verwachting geen archeologische waarden worden bedreigd. Gelet op het voorstaande is het niet noodzakelijk om in onderhavig bestemmingsplan regels te stellen ter bescherming van archeologische waarden.
4.1.2.4 Plandeel nieuwe KPN-locatie Het door IDDS uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek voorziet in een onderzoek ter plaatse van het planinitiatief LEAD. De planlocatie van het beoogde KPN-gebouw is geen onderdeel geweest van het archeologisch onderzoek. Erfgoed Leiden en Omstreken heeft, blijkend uit navraag door IDDS, aangegeven dat de resultaten van het uitgevoerde onderzoek in het kader van het planinitiatief LEAD kunnen worden geëxtrapoleerd naar de planlocatie voor het beoogde KPN-gebouw. Nieuw onderzoek is derhalve niet benodigd. De in het plangebied LEAD aangetroffen afzettingen van riet- en moerasbos en de afwezigheid van zandige oeverafzettingen duiden erop dat het gebied in het verleden niet geschikt was om te wonen. Een vergelijkbare bodemopbouw is ook aangetroffen op locaties in de directe omgeving. Goed ontwikkelde oevers waar bewoning op kon ontstaan zijn doorgaans vrij breed en de afstand tussen de reeds onderzochte locaties is dermate klein dat het onwaarschijnlijk is dat er tussen de reeds onderzochte locaties sprake is van dergelijke oeverafzettingen.
4.1.2.5 Melding toevalsvondst Ingeval archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van archeologen van Erfgoed Leiden en Omstreken. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek.
4.1.3
Conclusie
Het aspect archeologie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
45
bestemmingsplan LEAD
4.2
Cultuurhistorie
4.2.1
Beleidskader
4.2.1.1 Nationaal beleid Erfgoedwet (2016) Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich een of meer monumenten bevinden. De wet verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied. De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf monumenten aan te wijzen.
Modernisering Monumentenzorg In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming. De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt. Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed. Besluit ruimtelijke ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het Bro is onder meer vastgelegd dat gemeenten rekening moeten houden met cultuurhistorie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat onderzoek uitgevoerd moet worden over de cultuurhistorische waarden van een bestemmingsplangebied. Het gaat om een integrale beschouwing van cultuurhistorie: een combinatie van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap.
4.2.1.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Zuid-Holland Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich in het kader van cultuurhistorie op de bescherming van onder andere molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen. De provincie wil het unieke erfgoed behouden voor toekomstige generaties en doet dit door de kroonjuwelen cultureel erfgoed ruimtelijk te beschermen. Deze waardevolle historische landschappen en ensembles bepalen de identiteit van de bebouwde en groene ruimte, en vertellen de geschiedenis. In de provinciale kroonjuwelen zijn de cultuurhistorische waarden de drager bij ruimtelijke ontwikkelingen.
46
bestemmingsplan LEAD
Omgevingsverordening Zuid-Holland In de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn regels opgenomen met betrekking tot de bescherming van molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen. Deze regels zijn vastgelegd in artikel 6.25 'Bescherming molenbiotoop' en 6.26 'Bescherming landgoed- en kasteelbiotopen'. In het kader van de bescherming van de molenbiotoop garanderen de regels vrije windvang en zicht op de molen door voorwaarden vast te leggen in het kader van het oprichten van nieuwe bebouwing. In het kader van de bescherming van de landgoed- en kasteelbiotopen voorzien de regels in het beschermen of versterken van de aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten.
4.2.1.3 Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota. Visie en ambitie De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.
Inbedding cultuurhistorie in ruimtelijke ordening Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed wordt opgenomen. Leiden continueert de aandacht voor cultuurhistorie in het bestemmingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken - uitgebreider en specifieker dan voorheen - deel uit van het bestemmingsplan. Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld. Uitgangspunt is; beschermen wat beschermingswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie. Herbestemming Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren bestemmingsplannen qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming. Monumentenverordening en monumentenlijst (2009) De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten.
De bescherming van de monumenten is geregeld in de Erfgoedwet of de gemeentelijke verordening.
47
bestemmingsplan LEAD
Karakteristieke panden Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming strekt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.
4.2.2
Onderzoeksresultaten
4.2.2.1 Inleiding In november 2019 heeft Erfgoed Leiden een cultuurhistorische effectinventarisatie uitgevoerd ter plaatse van planinitiatief LEAD. De cultuurhistorische effectinventarisatie is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. In het advies van Erfgoed Leiden is aangegeven om in een zichtlijnenonderzoek de ruimtelijke gevolgen van de ontwikkeling voor het beschermd stadsgezicht en het nationaal landschap 'Het Groene Hart' in beeld te brengen. RED Company en Powerhouse Company hebben in augustus 2020 een zichtlijnenonderzoek uitgevoerd. Het zichtlijnenonderzoek is in bijlage 27 (als onderdeel van de Hoogbouweffectrapportage) van deze toelichting opgenomen. In de hierna volgende paragrafen worden de resultaten uit de effectinventarisatie (4.2.2.2) en het zichtlijnenonderzoek (4.2.2.3) kort weergegeven.
4.2.2.2 Advies Erfgoed Leiden Uit de cultuurhistorische effectinventarisatie van Erfgoed Leiden blijkt dat het uitvaartcentrum van Monuta van cultuurhistorische waarde is. Door verschillende verbouwingen zijn de waarden van het complex aangetast. Handhaving is hierdoor geen vereiste, maar de kenmerkende reliëfs van Henk Tieman zijn van waarde en hiervoor is herplaatsing gewenst. Daarnaast is behoud van de klok vereist. De klok is afkomstig van de collectie van museum De Lakenhal en zeer waardevol. De Marekerk heeft aangegeven belangstelling te hebben voor herplaatsing van de klok in de kerk. Bij de sloop van het Monuta gebouw wordt de klok intact gehouden en overgedragen aan een door de gemeente Leiden aan te wijzen persoon of instantie, verbonden aan Marekerk te Leiden. In het kader van de sloop van de bestaande bebouwing binnen het plangebied is documentatie van het gebouw en herplaatsing van de aanwezige waardevolle objecten afdoende. Het plangebied is daarnaast gesitueerd buiten het beschermd stadsgezicht. Dit stadsgezicht kent, buiten de begrenzing van het beschermd stadsgezicht zelf, geen beschermende zone. Wel adviseert Erfgoed Leiden om de ruimtelijke gevolgen van de ontwikkeling voor het beschermd stadsgezicht 'Leiden binnen de Singels' en nationaal landschap 'Het Groene Hart' in een zichtlijnenonderzoek in beeld te brengen.
48
bestemmingsplan LEAD
4.2.2.3 Zichtlijnenonderzoek Uit het uitgevoerde zichtlijnenonderzoek (onderdeel van de Hoogbouweffectrapportage, zie bijlage 27) volgt dat het planinitiatief LEAD een gering effect heeft op het beeld van de stad. Dit effect is op het grootste deel van de gekozen zichtlijnen vanaf maaiveld vanuit de historische stad nihil, omdat het planinitiatief hier niet herkenbaar aanwezig zal zijn. Ook is het planinitiatief LEAD niet gelegen binnen (het verlengde van) de “zeer authentieke zichtlijnen vanuit de Binnenstad”, zoals in de Hoogbouwvisie (waarin de relatie met cultuurhistorie is meegewogen) vastgesteld. Op een aantal onderzochte locaties in het beschermd stadsgezicht, is het planinitiatief LEAD wel herkenbaar aanwezig. Met het in beeld komen van het planinitiatief LEAD in de betreffende zichtlijnen, wordt de vanuit cultuurhistorisch perspectief wenselijk geachte conservering van het historische stadsbeeld op enkele plekken beïnvloed. Om de effecten van het planinitiatief LEAD op deze historische gebieden te verminderen zijn de torens afgeschuind, ten opzichte van elkaar verdraaid en uit elkaar geplaatst. Hierdoor ogen ze slanker en wordt wandvorming voorkomen, hetgeen met name ervaren kan worden in het westelijke deel van de binnenstad. De lichte kleurstelling zorgt voor minder nadruk in het stadsbeeld.
Alles overwegende wordt bij dit planinitiatief een doorslaggevend belang toegekend aan duurzame verstedelijking in combinatie met het leveren van een substantiële bijdrage aan de urgente woningbouwbehoefte in de stad, waarbij dientengevolge de eerder genoemde cultuurhistorische effecten worden geaccepteerd. Naast de aanzichten vanuit het beschermd stadsgezicht zijn in het zichtlijnenonderzoek vanuit het Groene Hart eveneens diverse perspectieven getoond. Enkel in het perspectief vanaf de Leidseweg te Oud Ade is de beoogde ontwikkeling goed waarneembaar. Het planinitiatief LEAD heeft in dit aanzicht effect op het silhouet van Leiden. In de bestaande situatie is het stadssilhouet van Leiden vanaf dit punt reeds goed zichtbaar en de ontwikkeling van het planinitiatief LEAD zorgt hierin voor een toegevoegd element. De herkenbaarheid van Leiden wordt versterkt door versterking van het silhouet, zonder dat er een extra onderbreking van het landschap optreedt. Gelet op het voorgaande is van een onevenredige aantasting van zichtlijnen tussen het plangebied en het beschermd stadsgezicht geen sprake. Hierbij wordt in het bijzonder van belang geacht dat het bestemmingsplan past binnen de kaders van de Verstedelijkingsnotitie uit 2018 en voldoet aan de criteria voor Eyeline & Skyline.
Zoals in paragraaf 3.3.2 is opgemerkt, volgt uit de Verstedelijkingsnotitie Leiden dat het planinitiatief is gelegen in een potentiegebied en dat hoogbouw is toegestaan mits aan de criteria voor Eyeline & Skyline wordt voldaan. In de verstedelijkingsnotitie heeft een belangenafweging plaatsgevonden tussen enerzijds de toenemende vraag naar binnenstedelijke verdichting en anderzijds de bescherming van het beschermd stadsgezicht. Uitkomst van die belangenafweging is onder meer dat slechts onder voorwaarden hoogbouw is toegestaan. In paragraaf 4.10 (Hoogbouweffectrapportage) is uiteengezet dat aan de criteria van Eyeline & Skyline wordt voldaan, zodat ook gelet daarop geen onevenredige aantasting van de zichtlijnen plaatsvindt.
49
bestemmingsplan LEAD
4.2.2.4 Plandeel nieuwe KPN-locatie De cultuurhistorische effectinventarisatie zoals uitgevoerd door Erfgoed Leiden voorzag uitsluitend in het plangebied ter plaatse van planinitiatief LEAD. Binnen het plangebied ter plaatse van het te realiseren KPN gebouw is geen bebouwing aanwezig van cultuurhistorische waarde. De bestaande bebouwing bestaat uit een eenlaags bouwvolume wat dienst doet als stalling c.q. overkapping. De beoogde ontwikkeling voorziet derhalve niet in het slopen van een gebouw met cultuurhistorische waarde. Daarnaast heeft het beoogde KPN gebouw van maximaal 6,5 meter hoog geen invloed op de beleving van het beschermd stadsgezicht. Aanvullend onderzoek is ter plaatse van de planlocatie voor het KPN gebouw derhalve niet benodigd.
4.2.3
Conclusie
Gelet op het behoud van de kenmerkende reliëfs van Henk Tieman en de waardevolle klok, afkomstig uit het te slopen Monuta gebouw, in combinatie met de overwegingen die volgen uit het zichtlijnenonderzoek, staat het aspect cultuurhistorie de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.3
Ecologie
4.3.1
Beleidskader
4.3.1.1 Nationaal beleid Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatstgenoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Gebiedsbescherming wordt onder andere geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het
50
bestemmingsplan LEAD
kader van de Wnb moet uitgesloten worden dat significant negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar volgt, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
4.3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor de groep 'Andere soorten', waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland heeft deze verordening op 9 november 2016 vastgesteld. Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau gegaan. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving wordt sindsdien uitgevoerd door de provincies.
4.3.1.3 Gemeentelijk beleid Kaderstelling Bomenbeleid De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen. De actuele Bomenverordening is begin 2016 in werking getreden. Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998) Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen. De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn: Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in. Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken.
51
bestemmingsplan LEAD
Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES. Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting De Wet natuurbescherming stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud de werkzaamheden zo uit te voeren dat beschermde soorten in acht worden genomen. Werken conform door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscodes minimaliseert de kans op conflicten met de vigerende natuurwet. De huidige gedragscodes van Stadswerk zijn verlopen, voor Ruimtelijke Ontwikkeling in 2017 en voor Bestendig Beheer en Onderhoud in 2019. Naar verwachting worden de vervangende gedragscodes van Stadswerk eind 2020/ begin 2021 goedgekeurd en bruikbaar. Tot die tijd dienen werkzaamheden onder de grootste zorgvuldigheid plaats te vinden, op de wijze van de oude gedragscodes, zo nodig onder begeleiding van een ter zake deskundig ecoloog.