CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210042 Bijlage 1 c.toelichting

raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 6 juli 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen42.011 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Conclusie Dit bestemmingsplan is in strijd met de regels voor de molenbiotoop uit de provinciale Verordening Ruimte. Door de provincie is een ontheffing verleend om de nieuwbouw alsnog toe te staan. Bij deze ontheffing heeft de provincie ingestemd met het voorstel van de gemeente om, naast de beleidsmatige overwegingen, draaiuren te compenseren door het aanstellen van extra fte bij Erfgoed Leiden en Omstreken. Hiermee kan er vaker een molenaar 'op de molen zitten' en kunnen meer draaiuren worden gemaakt dan in de huidige situatie. Een algemene aanduidingsregel 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' is in de regels en op de

64

bestemmingsplan De Geus

verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. Deze regels zorgen er voor dat De Geus, binnen de kaders van de ontheffing, gebouwd kan worden maar dat er geen andere bebouwing of beplanting kan komen die strijdig is met de molenbiotoop en waarvoor geen ontheffing is verleend.

4.2.2.5 Rijksmonumenten In het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten.

4.2.2.6 Gemeentelijke monumenten In het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke monumenten.

4.2.2.7 Karakteristieke panden In het plangebied bevinden zich geen karakteristieke panden.

4.3

Ecologie

4.3.1

Beleidskader

4.3.1.1 Europees beleid Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ's) aan te wijzen. Deze vormen samen één Europees netwerk van natuurgebieden. Dit zijn de Natura 2000-gebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is geimplementeerd (vertaald) in de Nederlandse wetgeving: de Wet natuurbescherming. Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden zijn bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden.

Doorvertaling Europees beleid In Nederland is de natuurwetgeving vervolgens verankerd in De Wet natuurbescherming.

4.3.1.2 Nationaal beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming

65

bestemmingsplan De Geus

bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.

Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend.

Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels ten opzichte van de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: a. A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.

In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. 66

bestemmingsplan De Geus

b. die streng beschermd zijn Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. waarvoor maatregelen moeten worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is.In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen.

Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.

Het wettelijke kader voor de bescherming van Natura2000-gebieden (gebiedsbescherming) is het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb (hoofdstuk 2). Hierin zijn de Vogel- en Habitatrichtlijnen van de Europese Unie doorvertaald. Het is belangrijk om de natuurwaarden van Natura2000-gebieden te behouden. De bescherming van natuurgebieden komt voort uit de Europese richtlijnen voor behoud van een Natura 2000-netwerk en uit het provinciale beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gebiedsbescherming houdt in dat wanneer er binnen of nabij een natuurgebied ruimtelijke ingrepen of menselijke activiteiten gaan plaatsvinden, er beoordeeld moet worden of de beschermde natuurgebieden niet in het geding zijn. Bij elk plan of project in of nabij een Natura 2000-gebied dient nagegaan te worden of het een significant effect kan hebben op de instandhoudingsdoelen van het betreffende gebied.

4.3.1.3 Provinciaal en regionaal beleid Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor de groep 'Andere soorten', waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland heeft deze verordening op 9 november 2016 vastgesteld. Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving zal uitgevoerd gaan worden door de provincies. Belangrijke procedurele wijziging hierbij is, dat wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de beschermde soorten vanaf de inwerkingtreding van de wet daarbij mogen aanhaken. Dat wil zeggen dat de indiener mag kiezen of hij zijn ontheffing direct bij de provincie aanvraagt, of dat hij dat doet door aan te haken bij de omgevingsvergunning. In het laatste geval moet de gemeente dan een volledigheidstoets uitvoeren. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure, en

67

bestemmingsplan De Geus

is er een wettelijke beslistermijn van maximaal 26 weken. Wanneer een ontheffing bij de provincie aangevraagd wordt waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is deze termijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging. In het provinciale beleid zijn gebieden aangewezen binnen het zogenaamde Natuurnetwerk Nederland (NNN). De toetsing van effecten op het NNN vindt plaats in de 'Toetsing NNN'. In enkele provincies kent het beschermingsregime ook een externe werking (dus ook toetsing nodig als activiteiten buiten het NNN plaatsvinden). Binnen NNN-gebieden gaat het doorgaans om effecten als ruimtebeslag, geluid (stiltegebieden) en aantasting van een leefgebied. De ingreep op het NNN moet worden getoetst op de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarbij gaat het om de uitwisselingsmogelijkheden van het NNN (verbindende functie), de natuurlijke eenheid en aaneengeslotenheid ervan en om de kwaliteit van het NNN en van het leefgebied van soorten. De toetsing levert een overzicht van de effecten op, zo nodig aangevuld met een voorstel voor mitigerende en compenserende maatregelen of bijvoorbeeld een voorstel tot toepassing van herbegrenzing of de saldobenadering.

4.3.1.4 Gemeentelijk beleid Kaderstelling Bomenbeleid De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen. De actuele Bomenverordening is begin 2016 in werking getreden. Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998) Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen. De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn: Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in. Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken. Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES.

Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting De Flora- en Faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. Dit document, de 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden' (vastgesteld door B en W op 1 november 2005), is bij B en W-besluit van 4 december 2012 komen te vervallen en vervangen door de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting'. Deze gedragscode is opgesteld door Stadswerk en goedgekeurd per 1 januari 2011. Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals

68

bestemmingsplan De Geus

sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en Faunawet.

4.3.2

Onderzoeksresultaten soortenbescherming

4.3.2.1 Quickscan Door Bureau Stadsnatuur Rotterdam (BSR) is een quickscan uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Deze quickscan (kenmerk 1599, datum 5 mei 2017) is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Ten aanzien van beschermde situaties worden door BSR de volgende conclusies getrokken: nesten van strikt beschermde vogelsoorten zijn niet aanwezig. Onzeker is echter het provinciaal beleid betreffende Zilvermeeuw. Deze soort broedt mogelijk op het platte dak; overige vogelsoorten, zoals Kleine mantelmeeuw, kunnen er broeden. In gebruik zijnde nesten mogen niet verstoord worden; verblijfplaatsen van vleermuizen, hoofdzakelijk van solitaire dieren, kunnen aanwezig zijn. BSR doet de aanbeveling om een vervolgonderzoek uit te voeren naar aanwezigheid van strikt beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen. Het onderzoekstraject loopt van mei tot en met september. Indien sprake is van een beschermde situatie die als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen wordt geschaad, is een ontheffing noodzakelijk van verbodsbepalingen zoals omschreven in de Wet natuurbescherming.

4.3.2.2 Vervolgonderzoek BSR heeft een vervolgonderzoek uitgevoerd waarin is onderzocht of er verblijfplaatsen voor vleermuizen in het pand aanwezig zijn. Dit onderzoek is op 13 november 2017 opgeleverd. De conclusie van dit vervolgonderzoek is dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn.

4.3.2.3 Conclusie Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voor uitvoering van het bouwplan zoals dat mogelijk wordt gemaakt in dit bestemmingsplan.

4.3.3

Onderzoeksresultaten gebiedsbescherming

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt niet in of in directe nabijheid van natuurgebieden. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden liggen op ruime afstand. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Meijendel & Berkheide en ligt 5,1 km ten westen van het plangebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1,2 km afstand (Endegeest en Oud-Poelgeest). Voor het beoogde plan zijn stikstofberekeningen uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase. In de bijlage (bijlage Aanmeldingsnotitie MER) zijn de stikstofberekeningen opgenomen zoals uitgevoerd met de Aerius Calculator. De grootste stikstofemissie ten gevolge van het project treedt op in het jaar 2021 als gevolg van de sloop en het bouwrijp maken en de aanleg van een kelder. De bouw van de rest van het

69

bestemmingsplan De Geus

complex alsmede de gebruiksfase geeft een lagere stikstofemissie. Uit de berekening met Aerius Calculator blijkt dat de verschillende bouwfases en de gebruiksfase geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar opleveren. Hiermee is voldoende onderbouwd dat voor de uitvoering van dit project geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming hoeft te worden aangevraagd Als gevolg van deze berekeningen kan geconcludeerd worden dat nadelige effecten op beschermde natuurgebieden uitgesloten zijn. De beoogde ontwikkeling heeft dus geen negatieve effecten op beschermde gebieden.

4.4

Explosieven

4.4.1

Toetsingskader

Wettelijk kader Arbeidsomstandigheden De Arbeidsomstandighedenwet (afgekort als Arbowet) is een Nederlandse wet die regels bevat voor werkgevers en werknemers om de gezondheid, de veiligheid en het welzijn van werknemers en zelfstandig ondernemers te bevorderen. Doel is om ongevallen en ziekten, veroorzaakt door het werk, te voorkomen. De Arbowet is een kaderwet. Dat betekent dat hierin geen concrete regels staan maar algemene bepalingen en richtlijnen over het arbeidsomstandighedenbeleid (arbobeleid) in bedrijven. De Arbowetgeving valt uiteen in vier delen: de Arbeidsomstandighedenwet het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbobeleidsregels) In het Arbobesluit staan concrete regels, ingedeeld naar onderwerp. Deze regels gaan over bijvoorbeeld arbozorg, organisatie van het werk, inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen. De Arboregeling is een nadere uitwerking van onderdelen uit het Arbobesluit. In artikel 4.10 van de Arboregeling is opgenomen hoe om te gaan met (de kans op) conventionele explosieven in de bodem.

Plangebied De Geus Het plangebied van De Geus valt, op basis van vooronderzoek naar conventionele explosieven, in verdacht gebied. In de Tweede Wereldoorlog zijn diverse brisantbommen afgeworpen in de omgeving van Leiden Centraal. Het toetsingskader voor de nieuwbouw bestaat dus ook uit het onderzoeken naar de kans op aanwezigheid van conventionele explosieven in de bodem. Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven Het opsporen van conventionele explosieven betreft een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de landelijke overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor het opsporen van conventionele explosieven.

70

bestemmingsplan De Geus

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht (WDAT-OCE) heeft betrekking op het opsporen van Conventionele Explosieven die in de (water)bodem zijn achtergebleven tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Dit werkveldspecifieke document is door de minister van SZW vastgesteld.

4.4.2

Onderzoeksresultaten

Saricon heeft een onderzoek 'Projectgebonden risicoanalyse conventionele explosieven De Geus' opgeleverd. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Saricon concludeert dat, met toepassing van enkele aanbevelingen, de bouw van De Geus deels zonder restricities en deels (heien) na dieptedetectie mogelijk is. Vanuit dit aspect is het bestemmingsplan dus uitvoerbaar.

4.5

Kabels en leidingen

Binnen het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die de voorgenomen nieuwbouw ernstig belemmeren: het betreft kabels en leidingen die eventueel verplaatst kunnen worden. Dit zal in overleg met de diverse nutsbedrijven gebeuren. De 50 KV-leiding die langs het plangebied loopt (evenwijdig aan het Stationsplein, haaks op de Stationsweg) zal niet beroerd worden. Vanuit kabels en leidingen is het plan hiermee uitvoerbaar, in financiële en technische zin.

4.6

Milieu

4.6.1

Bedrijven en milieuzonering

4.6.1.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving onevenredig worden belemmerd door de ontwikkeling van het schetsplan De Geus en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009) en de daarin opgenomen milieucategorieën, categorie-indelingen functiemenging en richtafstanden.

4.6.1.2 Onderzoeksresultaten Beoordeling Het plangebied De Geus kan worden getypeerd als een gebied met functiemenging. Binnen het gebied van functiemenging heeft men te maken met milieubelastende (bioscoop met bar en congresfunctie, een supermarkt (convenience store), overige kleinschalige detailhandel, restaurant met terras, overige horeca en een ondergrondse parkeergarage) en milieugevoelige functies (woontoren met circa 100 appartementen), die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten in het gebied van functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van drie ruimtelijk relevante categorieën A, B en C.

71

bestemmingsplan De Geus

Overige kleinschalige detailhandel, restaurant met terras en overige horeca worden voor gebieden met functiemenging ingedeeld in categorie A. Activiteiten in deze categorie kunnen aanpandig aan woningen worden uitgevoerd. De eisen uit Bouwbesluit 2012 voor scheiding tussen woningen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Een supermarkt in een gebied met functiemenging wordt ingedeeld in categorie B. De activiteiten van een supermarkt hebben een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig en ruimtelijk afgescheiden van woningen moeten plaatsvinden. Een parkeergarage en een bioscoop met congresfunctie worden in een gebied met functiemenging ingedeeld in categorie C. Deze activiteiten moeten bouwkundig en ruimtelijk afgescheiden van woningen plaatsvinden en een ontsluiting op de (hoofd)infrastructuur hebben. De omgeving van het plangebied De Geus, waaronder het inmiddels in aanbouw zijnde Rijnsburgerblok deel 1 en de voorgenomen bouw van het Rijnsburgerblok deel 2 kan feitelijk in zijn geheel als een functiemengingsgebied worden beschouwd. Er bevinden zich al of er komen nog diverse bedrijven, waaronder hotels, horeca, supermarkt, gezondheidsinstellingen en kantoren die in zijn algemeenheid inpasbaar zijn in een dergelijk gebied aangezien sprake is van een milieucategorie A, B of C.

Conclusie milieuzonering Het plangebied De Geus maar feitelijk de gehele directe omgeving waarin dit plan zich bevindt kan worden getypeerd als een gebied met functiemenging. De toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten in het gebied van functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van drie ruimtelijk relevante categorieën A, B en C. De geprojecteerde milieubelastende activiteiten in het plangebied De Geus maar ook de directe omgeving kunnen voldoen aan deze drie ruimtelijk relevante categorieën. Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit milieubeheer: De bedrijven in het plangebied De Geus - bioscoop met bar en congresfunctie, een supermarkt (convenience store), overige winkels, restaurant met terras, overige horeca en vooralsnog een ondergrondse parkeergarage met circa 60 parkeerplaatsen - betreffen inrichtingen op grond van de Wet milieubeheer (Wm), waarop het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) van toepassing is. Deze inrichtingen zijn inrichtingen type B ingevolge het Activiteitenbesluit. Voor de oprichting van een inrichting type B moet een volledige melding op grond van het Activiteitenbesluit worden gedaan. De melding kan elektronisch worden gedaan via http://aimonline.nl. De melding is overigens een indieningsvereiste voor de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen.

Activiteitenbesluit geluidhinder: Een bioscoop met congresfunctie en een supermarkt zijn geluidrelevante inrichtingen. Het is niet onaannemelijk dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in deze inrichtingen aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in deze inrichtingen verrichte werkzaamheden en activiteiten, ter plaatse van geluidsgevoelige objecten in en buiten het plangebied meer bedragen dan de geluidsgrenswaarden van het Activiteitenbesluit. Het wordt aanbevolen om een rapport van een akoestisch onderzoek te overleggen waaruit blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen dat aan de geluidsgrenswaarden van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. In het rapport kan worden aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de geluidsgrenswaarden worden overschreden. Het akoestisch onderzoek moet worden 72

bestemmingsplan De Geus

uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Onder de paragraaf geluid is meer opgenomen over dit milieuaspect in relatie tot een goede ruimtelijke ordening.

Activiteitenbesluit geurhinder: Het restaurant en overige horeca, waar voedingsmiddelen worden bereid in een (groot)keuken, moeten ten behoeve van het voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, afgezogen dampen en gassen van het bereiden van voedingsmiddelen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing afvoeren. Activiteitenbesluit parkeergarage: Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies, het voorkomen, dan wel zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging door benzeen, bij mechanische ventilatie in een parkeergarage met ten minste 20 parkeerplaatsen: a. worden de aanzuigopeningen ten behoeve van de ventilatie in een verkeersluwe omgeving, of, indien dat niet mogelijk is, op ten minste vijf meter boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht; b. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 meter boven het straatniveau of, indien binnen 25 meter van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; c.

bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde. Onder de paragrafen geluid en luchtkwaliteit is over de parkeergarage meer opgenomen in relatie tot een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Als het gaat om een goede ruimtelijke ordening zijn er, gelet op het functiemengingskarakter van het gehele gebied waarin het plangebied zich bevindt, in principe geen belemmeringen om het plan te realiseren. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er vanwege de Wet milieubeheer een melding wordt gedaan voor de geplande bedrijvigheid ter plaatse. Aandachtspunt vanwege het gestelde in het Activiteitenbesluit milieubeheer, is hierbij het beperken van geluid- en geuroverlast. De parkeergarage verdient aandacht in verband met het beperken van luchtverontreiniging.

4.6.2

Bodem

4.6.2.1 Beleidskader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden ander normen dan voor bijvoorbeeld de

73

bestemmingsplan De Geus

bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand stillbeginsel.

4.6.2.2 Onderzoeksresultaten Door de Omgevingsdienst is een inventarisatie gemaakt van de meest relevante bodemgegevens uit het plangebied. Het gaat hierbij om informatie uit tank-, bodemonderzoeken verontreinigingsbronnen. De informatie is afkomstig uit de volgende archieven: het bodeminformatiesysteem (BIS/GIS) het tankinformatiesysteem het historische bedrijvenbestand (Hbb) Historische informatie Binnen het plangebied vallen de adressen Stationsweg 36-46 en Stationsplein 24 in Leiden. Binnen het plangebied zijn in het verleden potentieel bodembedreigende activiteiten uitgevoerd. Het betreft de volgende activiteiten: Stationsweg 36: motorenrevisiebedrijf J.P Vlasveldhandel, 1964-1987; Stationsweg 36: Rijksuniversiteit Leiden, drukkerij, 1977-?; Stationsweg 36-46: Philips, HBO-tank ondergronds; Stationsplein 24-242: Philips, HBO-tank ondergronds. Uitgevoerde bodemonderzoeken Op en rond de locatie zijn in het verleden onder andere de volgende onderzoeken uitgevoerd: 1. Rapport inzake een aanvullend grondwateronderzoek aan het Stationsplein te Leiden, door Milieutechniek Zonneveld en Verhoef, met kenmerk R9243 d.d. 11-091992; 2. Rapport inzake een nader aanvullend grondwateronderzoek aan het Stationsplein te Leiden, door Milieutechniek Zonneveld en Verhoef, met kenmerk R9262 d.d. 2501-1993; 3.

Verkennend bodemonderzoek op een tweetal percelen aan de Stationsweg/plein te Leiden, door Tukkers milieu-onderzoek, met kenmerk 43100937 d.d. 19-011995; 4. Verkennend en aanvullend milieukundig bodemonderzoek Stationsweg 32 te Leiden, door Lexmond milieu-adviezen, met kenmerk 98.17064/TB d.d. mei 1998; 5. Verkennend bodemonderzoek Morssingelterrein te Leiden, door Adverbo, met kenmerk 05.10.1501.1085 d.d. 6 april 2005; 6. Verkennend bodemonderzoek Stationsweg 46 te Leiden, door IDDS BV, met kenmerk 07119420/RG/rap2, d.d. 14 december 2007; 7. Nader bodemonderzoek Stationsweg 46 te Leiden, door IDDS BV, met kenmerk 07119420/GG/rap3, d.d. 8 februari 2008; 8. Verkennend bodemonderzoek Stationsweg 34 te Leiden, door Adverbo, met kenmerk 16.10.0645.525 d.d. 29-07-2016.

Ad 1-2: De grond en het grondwater rondom de tanks is plaatselijk sterk verontreinigd met olieproducten. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De tanks zijn in 1993 verwijderd; een evaluatierapport van de bodemsanering ontbreekt. Ad 3: In het grondwater rondom de voormalige drukkerij aan de Stationsweg 36 is een sterk verhoogde concentratie aan PAK gemeten. De omvang is niet vastgesteld. Ad 4: Achter het pand Stationsweg 32 is sprake is van circa 20 m3 sterk met minerale olie

74

bestemmingsplan De Geus

verontreinigd grondwater. Ad 5: Het grondwater op het binnenterrein achter de Stationsweg is sterk verontreinigd met arseen. Er is mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ad 6-7: In de ondergrond is plaatselijk sprake van een sterke verontreiniging met lood en zink. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ad 8: Rondom de kiosk zijn in grond en grondwater slechts lichte verontreinigingen gemeten. Conclusies Op basis van de bekende gegevens wordt geconcludeerd dat voor de vaststelling van het plan vanuit het vakgebied bodem geen belemmeringen worden verwacht voor de toekomstige bestemming. Voorafgaande aan de geplande nieuwbouw zijn mogelijk wel sanerende maatregelen nodig. De meeste bodemonderzoeken zijn verouderd en/of onvolledig. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning ten behoeve van nieuwbouw dient op de locatie een nieuw verkennend bodemonderzoek volgens de geldende NEN 5740 te worden uitgevoerd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de vroegere activiteiten en in het verleden aangetoonde verontreinigingen. Indien er grond wordt afgevoerd of toegepast op een locatie, dient dit plaats te vinden conform de van overheidswege gestelde regels. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.

Voor meer informatie over uit te voeren bodemonderzoek en/ of het Besluit bodemkwaliteit kunt u contact opnemen met Omgevingsdienst. Er zal een nieuw bodemonderzoek worden uitgevoerd op het moment dat het huidige gebouw gesloopt is. Dat betekent dat voor de nieuwbouw gebouwd zal worden, er sprake zal zijn van een actueel bodemonderzoek. Eventuele maatregelen kunnen dan tijdig, dat wil zeggen voor start bouw, worden genomen.

4.6.3

Externe veiligheid

4.6.3.1 Beleidskader Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De normen voor het externe veiligheidsbeleid hebben een wettelijke status. Deze normen zijn een wettelijke verplichte toetsingsgrond bij besluiten op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. De overheid stelt grenzen aan de risico’s van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR)4, en een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR)5. Plaatsgebonden risico Het PR kent een grenswaarde van 10-6. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Verantwoordingsplicht groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico’s in relatie tot de ontwikkelingen in het plangebied. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van

75

bestemmingsplan De Geus

belang zijn bij het maken van een afweging over het risico. Behalve de hoogte van het groepsrisico zijn dat de noodzaak van de ruimtelijke ontwikkeling, risicoreducerende maatregelen en mogelijkheden tot rampenbestrijding. Landelijk beleid Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Behalve met het PR en het GR moet voor buisleidingen rekening worden gehouden met de belemmeringenstrook aan weerszijden van de leidingen die moet worden vrijgehouden ten behoeve van onderhoud en werkzaamheden aan de buisleiding. Voor transportroutes geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor wegen die onderdeel zijn van het Basisnet weg geldt de Regeling basisnet, daarin zijn veiligheidsafstanden vastgelegd: een afstand voor het risicoplafond en het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Provinciaal Beleid De provincie Zuid Holland ambieert een veilig Zuid-Holland. In de provinciale structuurvisie staat als provinciaal belang genoemd het ‘beschermen van grote groepen mensen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen’.

De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een heldere en transparante toelichting geven, waarin zij uitleggen waarom een ontwikkeling noodzakelijk is. Regio Holland-Rijnland De regio Holland-Rijnland heeft in 2014 de omgevingsvisie externe veiligheid geactualiseerd (Bestuurlijk kader Externe Veiligheid Holland Rijnland). In deze omgevingsvisie heeft de regio een beslismodel op basis van zonering van het groepsrisicodiagram opgesteld en richtsnoeren voor veilig ruimtelijk ontwerpen geformuleerd.

4.6.3.2 Onderzoeksresultaten Situatie plangebied Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt bij een spoorlijn, maar deze maakt geen deel uit van het hoofdnetwerk voor transport van gevaarlijke stoffen over het spoor en is geen EVrelevantebron. Incidenteel kunnen wel gevaarlijke stoffen over de spoorlijn getransporteerd worden. Het plangebied ligt in het effectgebied van de A4, maar op ruime afstand van circa 3 kilometer. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Een nieuwe risicoberekening is niet nodig omdat de afstand tot de transportroute A4 meer dan 200 meter bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken.

Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren

76

bestemmingsplan De Geus

en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Conclusie Externe veiligheid is geen belemmering voor het realiseren van het plan.

4.6.4

Geluid

4.6.4.1 Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai, industrielawaai en luchtverkeerslawaai van Schiphol. De eerste twee zijn relevant voor dit plangebied. Wegverkeerslawaai Ter bepaling van de geluidsbelasting moet op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing worden genomen. Dit hoeft niet als de weg binnen een woonerf ligt of voor een weg een maximum snelheid geldt van 30 km/uur of lager. De te beschouwen wegen kennen een geluidszone, dit is een aandachtsgebied waar binnen een akoestisch onderzoek moet plaats vinden. De omvang van een zone is afhankelijk van het aantal rijstroken van de weg en de typering van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Binnenstedelijk is het gebied binnen de bebouwde kom en buitenstedelijk is het gebied buiten de bebouwde kom. Op grond van artikel 82 van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming. Artikel 83 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een hogere waarde vast te stellen. Voor het buitenstedelijk gebied geldt dat er maximaal een hogere waarde mag worden vastgesteld van 53 dB. Voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen binnen de bebouwde kom is deze waarde wettelijk maximaal 63 dB.

Het vaststellen van een hogere waarde is alleen mogelijk als maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting tot 48 dB onvoldoende doeltreffend zijn dan wel stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard (artikel 110a, lid 5 Wgh). De Omgevingsdienst heeft op 4 maart 2013 de herziene versie van de “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden” vastgesteld. Op basis van deze richtlijnen stelt de Omgevingsdienst een maximale hogere waarde voor wegverkeerslawaai van 58 dB voor. Dit is 5 dB lager dan het wettelijk maximum. Een hogere waarde tot het wettelijk maximum zal alleen in uitzonderingsgevallen en bijzondere situaties aan de orde zijn. Railverkeerslawaai Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de geluidszone van een spoorweg ligt, moet bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting (artikel 4.3 Besluit geluidhinder). Een dergelijk onderzoek moet worden gedaan op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, zoals scholen en ziekenhuizen. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld als de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige bestemmingen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde genoemd in de Wgh of als de Omgevingsdienst een besluit heeft genomen om hogere waarden vast te stellen.

Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, moeten eerst maatregelen worden onderzocht om de geluidbelasting terug te dringen.

77

bestemmingsplan De Geus

De Omgevingsdienst heeft op 4 maart 2013 de herziene versie van de “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden” vastgesteld. Op basis van deze richtlijnen stelt de Omgevingsdienst een maximale hogere waarde van 63 dB voor railverkeerslawaai voor. Dit is 5 dB lager dan het wettelijk maximum. Een hogere waarde tot het wettelijk maximum zal alleen in uitzonderingsgevallen en bijzondere situaties aan de orde zijn.

4.6.4.2 Onderzoeksresultaten Wet geluidhinder (Wgh) De appartementen zijn geluidgevoelige bestemmingen in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). De appartementen liggen in de geluidzone van de spoorbaan. Daarnaast wordt wegverkeerslawaai ondervonden vanwege Stationsweg/Stationsplein. Het betreft vooral bussen en taxi’s. Het is niet bekend of dit verkeer daar blijft zoals het nu is of dat het verkeer plaatse gaat verdwijnen vanwege de ontsluiting van de parkeergarage aan de achterzijde van het gebouw. Vanwege de parkeergarage en het daarbij te verwachtte verkeer zal er sprake kunnen zijn van een toename van verkeersbewegingen. Leiden gaat uit van een extern verkeersonderzoek en op basis daarvan zal een lucht- en geluidonderzoek worden opgesteld. Daarnaast is geluidonderzoek nodig ter beperking van de geluiduitstraling van bioscoop, horeca, supermarkt, parkeergarage en congresruimte naar bestaande woningen en nieuwe appartementen. Door Goudappel Coffeng is een geluidsonderzoek uitgevoerd en op 29 oktober 2020 opgeleverd, dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. In dit onderzoek is de nieuwe positie van de toren onderzocht.

Conclusie Wgh De conclusie van het geluidsonderzoek luidt als volgt (samengevat): "Uit het onderzoek is gebleken dat ten gevolge van het verkeer op de Schipholweg voor enkele woningen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Geluidsreducerende maatregelen worden als niet reëel inpasbaar geacht. Voor de overige wegen is geen sprake van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde. Ten gevolge van het railverkeer wordt voor een groot deel van de woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden. Ook voor railverkeer worden geluidsreducerende maatregelen als niet reëel inpasbaar beschouwd. Omdat sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde, is ontheffing voor een hogere waarde benodigd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de eisen aan de maximale binnenwaarde uit het Bouwbesluit en uit het geluidsbeleid van de Omgevingsdienst West-Holland (bevoegd gezag voor verlenen hogere waarden). Woningen die ten gevolge van het railverkeer een geluidsbelasting van meer dan 58 dB ondervinden, hebben volgens het geluidsbeleid van de Omgevingsdienst recht op ‘akoestische compensatie’. Door middel van het dichtzetten van (delen van) een balkon kan worden bewerkstelligd dat een geluidsluwe gevel (<55 dB) aanwezig is.

Bij de realisatie van de woningen dient hier rekening mee gehouden te worden." Voor railverkeer geldt specifiek het volgende: De maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder van 68 dB wordt in geen geval overschreden. Vanuit het geluidsbeleid van de Omgevingsdienst West-Holland geldt een maximaal wenselijke geluidsbelasting van 63 dB. Ook deze waarde wordt niet overschreden. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 63 dB. Vanuit het geluidsbeleid geldt voor een aantal nieuwe woningen daarom wel het recht op ‘akoestische compensatie’ (voor

78

bestemmingsplan De Geus

railverkeer vanaf meer dan 58 dB). Voor de woningen is, vanwege de situering in de woontoren geen sprake van een stille (buiten)gevel. Bij de inrichting van de woningen dient te worden bekeken in hoeverre aan deze eisen voldaan kan worden of dat er een uitzondering op deze eisen gemaakt kan worden. Door middel van het dichtzetten van (delen van) een balkon kan worden bewerkstelligd dat een geluidsluwe gevel (<55 dB) aanwezig is. Bij de realisatie van de woningen dient hier rekening mee gehouden te worden. Dit wordt in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Procedureel heeft het ontwerpbesluit Hogere Waarden gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegen. Op het ontwerpbesluit zijn geen zienswijzen ingebracht. Als gevolg van het verschuiven van de toren met 1 meter is een nieuw geluidsonderzoek uitgevoerd. Uit dat onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de gevel nagenoeg gelijk, en op enkele locaties iets kleiner is dan bij de oude positie van de toren. Ten aanzien van geluid is er dus sprake van een (kleine) verbetering. De Hogere Waarden zoals die als ontwerp ter visie hebben gelegen zijn daarmee ook van kracht voor het aangepaste plan. De Hogere Waarden zijn definitief vastgesteld. Hiermee is het bestemmingsplan voor wat betreft het aspect geluid uitvoerbaar.

Terrasgeluid Door LBP Sight is een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van een horecaterras op het dak van de sokkel van het gebouw. Dit bestemmingsplan staat via de verbeelding en de regels namelijk ook een horecaterras toe op een deel van het dak van de sokkel. De effecten hiervan zijn onderzocht. Dit onderzoek van 14 mei 2020 is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Vanwege het opschuiven van de toren is in het onderzoek naar geluidscumulatie (zie hierna) ook opnieuw gekeken naar het terrasgeluid: de berekeningen zijn opnieuw uitgevoerd met de nieuwe positie van de toren als uitgangspunt.

Conclusie terrasgeluid Bij zowel de nieuwe als bestaande woningen kan voldaan worden aan 60 dB(A) etmaalwaarde zoals opgenomen in de door de gemeente Leiden opgestelde Nota toetsingskader stemgeluid. Bij de woningen wordt ten hoogste 57 dB(A) etmaalwaarde berekend. Maximale geluidniveaus hoeven conform de nota niet getoetst te worden. Ondanks dat is inzichtelijk gemaakt wat de maximale geluidniveaus bij de woningen kan zijn. Bij de nieuwe woningen kunnen maximale geluidniveaus LAmax tot 72 dB(A) optreden en bij de bestaande woningen maximale geluidniveaus LAmax van 63 dB(A).

Spoorwegemplacement Op 2 mei 2018 is namens B&W van de gemeente Leiden door de Omgevingsdienst in het kader van de Wabo een veranderingsvergunning verleend voor het Spoorwegemplacement Leiden, ter hoogte van Stationsplein 1 in Leiden (zaaknummer 2017108025).

Conclusie spoorwegemplacement Ten behoeve van deze vergunning zijn akoestische onderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken is gebleken dat het berekende geluidniveau ter plaatse van het voor deze locatie relevante beoordelingspunt (nr. 28) de gehanteerde grenswaarde niet overschrijdt.

79

bestemmingsplan De Geus

Cumulatie geluid Door LBP Sight is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de cumulatie van de diverse geluidsbronnen rond De Geus. In dit onderzoek is niet alleen gekeken naar het reeds onderzochte geluid van weg- en spoorverkeer en het horecaterras, maar ook naar geluid van laden en lossen van de in en in de omgeving van het plangebied gelegen detailhandel (Aldi, Kruidvat, Jumbo). Dit onderzoek van 19 november 2020 is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.

Conclusie cumulatie geluid LBP Sight concludeert dat ook bij het beschouwen van alle grote geluidbronnen in de omgeving van het plangebied er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen in De Geus, rekening houdend met de sterk stedelijke locatie waarin deze nieuwe woningen worden gebouw: de woningen vallen in een levendige tot luide geluidsklasse. Rekening houdend met de locatie in de binnenstad van Leiden en naast Leiden Centraal is dit een acceptabele geluidsklasse voor nieuwbouwwoningen. Conclusie is dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.6.5

Luchtkwaliteit

4.6.5.1 Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Hoofdstuk 5 Titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof ( PM10 en PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden. Vanaf 1 januari 2015 geldt er een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk. PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m3. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. De achtergrond concentraties langs de gemeentelijke wegen onder de 20 µg/m3. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn.

Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen. Hiervan zijn de volgende van belang. Besluit en regeling ‘niet in betekenende mate’' De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling ‘niet in betekenende mate’ bevat criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat

80

bestemmingsplan De Geus

betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen.

4.6.5.2 Onderzoeksresultaten Door Goudappel Coffeng is een onderzoek uitgevoerd naar luchtkwaliteit. Dit onderzoek is op 18 mei 2020 opgeleverd en als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Conclusie De volgende conclusie wordt getrokken: "Uit het onderzoek blijkt dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit plan. Het onderzoek toont in het kader van de goede ruimtelijke ordening aan, dat op de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat."

4.7

Milieueffectrapportage

4.7.1

Beleidskader

Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (MER) is dit geregeld. Er is een MERplicht voor plannen (planMER)en een MERplicht voor besluiten. Een plan is planMERplichtig als het plan kaders stelt voor MERplichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan planMERplichtig zijn. Dit is het geval als het plan kaders stelt voor latere MERplichtige activiteiten en/of als voor het plan een passende beoordeling nodig is. Daarnaast kan een plan ook MERplichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt.

4.7.2

Onderzoeksresultaten

Het plan omvat een nieuwe activiteiten die genoemd is in het Besluit milieueffectrapportage in bijlage D, onder 11.2 (stedelijk ontwikkelproject). Het aantal wooneenheden, de bedrijfsvloeroppervlakte dan wel de totale oppervlakte van het plan blijven ruim onder de drempelwaarden zoals die zijn genoemd in die bijlage. Voor wat betreft het gestelde in het Besluit is geen formele milieueffectrapportage nodig. Of een passende beoordeling/MER nodig is op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is nader onderzoek nodig in de vorm van een MER-aanmeldingsnotitie. Deze aanmeldingsnotitie is door Rho adviseurs opgesteld en als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. De conclusie hiervan luidt als volgt: "Uit de informatie in de aanmeldingsnotitie blijkt dat gelet op de kenmerken van het plan, de

81

bestemmingsplan De Geus

plaats van het plan, de kenmerken van de potentiele effecten en de te doorlopen mitigerende maatregelen, geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een MER-procedure in het kader van het bestemmingsplan voor De Geus." Door de Omgevinsgdienst West-Holland is op 4 juni 2020 een zogenaamd 'Besluit vormvrije m.e.r.- beoordeling (art. 7.19 Wet milieubeheer)' genomen voor dit bestemmingsplan. Dit besluit is ook als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Op basis van bovenstaande geldt dat dit bestemmingsplan uitvoerbaar is wat betreft milieuregelgeving.

4.8

Trillingshinder

4.8.1

Beleidskader

Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillingshinder als gevolg van de nabije ligging tot het spoor dient het aspect trillingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel te worden afgewogen indien een trillingsbron aanwezig is. In de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen zijn hiertoe handvaten opgenomen. Deze Handreiking helpt gemeenten, projectinitiatiefnemers en andere stakeholders om bij nieuwbouw langs spoor tijdig en concreet rekening te houden met trillingen als gevolg va treinverkeer, en geeft voorbeelden waarmee gemeenten, omgevingsdiensten, ingenieursbureaus en initiatiefnemers in concrete situaties aan de slag kunnen. In deze Handreiking is beschreven op welke wijze gemeenten het aspect trillinghinder kunnen onderzoeken en afwegen bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

4.8.2

Onderzoeksresultaten

Door Peutz is een onderzoek uitgevoerd naar het aspect trillingshinder als gevolg van het spoor. Dit onderzoek van 22 september 2020 is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Peutz concludeert het volgende: "Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat gezien de relatief grote afstand tot de spoorrails trillingen in de woontoren niet voelbaar zullen zijn. Dit volgt uit vele metingen verricht elders op verschillende afstanden tot spoorbanen. Daarnaast zal het gebouw vanwege de massa en stijfheid de trillingniveaus verzwakken. In het gebouw zal derhalve sprake zijn van lagere trillingniveaus dan op maaiveld. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de streefwaarden voor wonen uit de SBR Richtlijn B. Nader onderzoek is niet nodig." Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat het aspect trillingshinder de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.

82

bestemmingsplan De Geus

4.9

Verkeer en vervoer

4.9.1

Beleidskader

4.9.1.1 Nota Mobiliteit De Nota Mobiliteit geeft de visie van het rijk op het verkeer en vervoersbeleid weer tot en met 2020. De Nota is in samenwerking met de provincies, gemeenten, kaderwetgebieden en waterschappen tot stand gekomen. De Nota Mobiliteit is een zogenaamde planologische kernbeslissing (pkb), een planfiguur die wordt beschreven in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en die de nota zijn wettelijke status geeft. Dit betekent dat eerst een beleidsvoornemen wordt gemaakt, waarna inspraak en advies volgen en tot slot een kabinetsstandpunt met parlementaire behandeling. De ruimtelijke aspecten van het verkeersen vervoersbeleid komen terug in de Nota Ruimte van het ministerie van VROM. De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op 28 mei 2004 de hoofdlijnennotitie voor de Nota Mobiliteit aan de Tweede Kamer aangeboden. In de hoofdlijnennotitie worden de volgende beleidsdoelen aangegeven: het verbeteren van de internationale bereikbaarheid; het verbeteren van de interne en onderlinge bereikbaarheid van de nationale stedelijke netwerken en economische kerngebieden; een goed functionerend systeem voor het vervoer van personen en goederen als essentiële voorwaarde voor economische ontwikkeling; het inzetten op proces- en technologie-innovatie ter realisering van de beleidsdoelen.

De uitgangspunten bij het realiseren van deze beleidsdoelen zijn betrouwbare reistijden, vlotte en veilige verkeersafwikkeling binnen de (inter)nationale wettelijke en beleidsmatige kaders van milieu en leefomgeving. Een goede bereikbaarheid is een voorwaarde voor de sociale en economische ontwikkeling in Nederland. Op zijn beurt creëert die ontwikkeling weer nieuwe mobiliteit. Mobiliteit mag, maar niet altijd en overal. Mensen moeten mobiel kunnen zijn om maatschappelijk te kunnen participeren.

4.9.1.2 Provinciaal parkeerbeleid Op 6 december 2016 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland een besluit genomen over hun standpunt ten aanzien van parkeren bij OV-knooppunten. Het besluit is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd, alsmede de mede daaraan ten grondslag liggende documenten. Kern van dit besluit is dat de provincie met gemeenten in gesprek wil over (belemmerende) parkeernormen in relatie tot de verstedelijkingsopgave. Het inzetten van andere mobiliteitsvormen kan wat de provincie betreft leiden tot een lagere parkeernorm. Dit provinciale beleid is relevant voor de locatie van De Geus.

4.9.1.3 Mobiliteitsnota De Mobiliteitsnota 2020-2030 vastgesteld door de gemeenteraad op 16 juli 2020 is onderdeel van het integrale beleid zoals omschreven in de Omgevingsvisie. Vooruitlopend op de Omgevingsvisie is de noodzaak ontstaan om het huidige mobiliteitsbeleid te actualiseren omdat we aan de vooravond staan van transities zoals voor energie, klimaat en daarmee ook voor mobiliteit. De mobiliteitsnota beschrijft hoe we onze stad via een toekomstbestendig mobiliteitssysteem duurzaam bereikbaar maken.

83

bestemmingsplan De Geus

Vervoersvormen die zuinig omgaan met de ruimte en goed zijn voor de leefbaarheid en het milieu in de stad krijgen een hoofdrol. In een compacte, inclusieve, stad, die steeds drukker wordt, zijn de fiets, lopen en goed toegankelijk openbaar vervoer logische opties voor bewoners en bezoekers om zich te verplaatsen. Door het gegeven dat er woningen bijkomen, het aantal banen blijft groeien en de bezoekersstroom blijft toenemen, kunnen we concluderen dat die reizigers onmogelijk allemaal de auto kunnen gebruiken, omdat ons autonetwerk dan ontoereikend is. Alleen met meer fiets- en OV-gebruik houden we onze stad leefbaar en bereikbaar en de luchtkwaliteit op het gewenste niveau. Dit noemen we modal shift. We zorgen ervoor dat iedereen in de stad zich kan verplaatsen én kan meedoen. Hoofdambitie van het mobiliteitsbeleid is het bereiken van een modal shift naar meer schone mobiliteit. De hoofdambitie is vervolgens onder te verdelen in negen deelambities die bijdragen aan een verschuiving van vervoerswijzen door te faciliteren, stimuleren en verleiden: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Leiden als fietsstad Lopen krijgt meer ruimte Stimuleren Openbaar Vervoer Versterken van de hoofdontsluitingsstructuur Autoluwe binnenstad met meer autovrije straten Een aantrekkelijke binnenstad maken door de aanwezigheid van een emissieloos stadsdistributiesysteem 7. De juiste parkeerder op de juiste plek 8. Ondersteunen deelconcepten 9. Gebruik maken van nieuwe technologie Er gaat veel aandacht uit naar de duurzame mobiliteitsvormen lopen, fietsen en openbaar vervoer. En, hoewel het tegenstrijdig lijkt, is het noodzakelijk om de komende jaren te investeren in autobereikbaarheid. Niet alleen speelt de auto nog geruime tijd een rol bij verplaatsen van Leidenaren en bezoekers aan Leiden, maar door autoverkeer goed af te wikkelen op geschikte routes ontstaat elders tevens ruimte voor voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer.

4.9.1.4 Parkeervisie Op 16 juli 2020 heeft de raad de Parkeervisie vastgesteld. In de parkeervisie wordt het toekomstbeeld geschetst van parkeren in Leiden, samengevat in visiepunten voor de auto en de fiets. De Parkeervisie geeft een beeld van de parkeersituatie voor de auto en de fiets in Leiden in 2030 en hoe stapsgewijs naar die nieuwe situatie toegewerkt wordt. De Parkeervisie bevat de ambities en uitgangspunten voor het beleid van de komende jaren, waarbij er in het bijzonder aandacht is voor het inpassen van de verstedelijkings- en woningbouwopgave en het wijzigen van de modal shift (het bevorderen van schone vervoersvormen, zoals lopen, de fiets en het openbaar vervoer, en het terugdringen van het autogebruik en autobezit). De Parkeervisie is opgebouwd langs drie redeneerlijnen: 1. De juiste parkeerder op de juiste plek. Leiden wil duidelijkheid verschaffen over wie waar tegen welke kosten een plek kan vinden. Zodat de automobilist of fietsparkeerder weet waar hij/zij aan toe is, niet nodeloos hoeft te zoeken, en desgewenst de afweging kan maken om voor een andere vervoerswijze te kiezen als dat makkelijker, goedkoper of betrouwbaarder blijkt te zijn. 2. Openbare ruimte is, in een sterk groeiende stad, te kostbaar om nog verder te verstenen voor parkeerplaatsen. Liever kiest Leiden voor groen, water, spelen, zonnen, wandelen, dan nog meer parkeerplaatsen toe voegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10070944/1