CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210021 Bijlage 3. Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 na vaststelling tweede tranche

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen34.310 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 moet een vergunning worden geweigerd: a. om gevaar op de weg te voorkomen; b. als een openbare parkeerplaats door de uitweg verdwijnt, zonder dat dat nodig is; c. als door de uitweg het openbaar groen op een onaanvaardbare manier wordt aangetast; d. als de uitweg is bedoeld om een perceel te ontsluiten dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats of openbaar groen verdwijnen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel 3.4.4.4 Winkelwagentjes (APV) 1. De rechthebbende op een bedrijf dat winkelwagentjes ter beschikking stelt die mede zijn bedoeld om winkelwaren over de weg te vervoeren, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken. 2. De rechthebbende als bedoeld in het eerste lid mag buiten het door het college aangewezen winkelgebied geen onbeheerde winkelwagentjes hebben, met uitzondering van de door het betreffende bedrijf aangebrachte uitgifte-/verzamelpunten voor deze winkelwagentjes. 3. De gebruiker van een winkelwagentje mag deze niet gebruiken, aanwezig hebben of achterlaten buiten het door het college aangewezen winkelgebied. 4.

De gebruiker van een winkelwagentje mag deze na gebruik alleen achterlaten op de door het betreffende bedrijf aangebrachte uitgifte-/verzamelpunt(en).

Artikel 3.4.4.5 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (APV) Het is niet toegestaan een voorwerp of beplanting te hebben of aan te brengen op een manier dat voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat, of voor het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd. Artikel 3.4.4.6 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (APV) 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing waarin wordt voorzien door de Waterstaatsweg 1900, de Onteigeningswet, de Belemmeringenwet Privaatrecht, of de Verordening naamgeving van de openbare ruimte en nummering Leiden. Artikel 3.4.4.7 Objecten onder hoogspanningslijn (APV) 1. Binnen een afstand van 6 meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen is het niet toegestaan voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan 2 meter, te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 3.4.4.8 Veiligheid op het ijs (APV) 1. Het is niet toegestaan: a. ijsvlakten die voor het publiek toegankelijk zijn te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op welke manier dan ook te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid op de ijsvlakten als bedoeld onder a, te verplaatsen, weg te halen, te beschadigen of op welke manier dan ook het gebruik daarvan te verhinderen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel 3.4.4.9 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (APV) 1. Het is niet toegestaan een voorwerp, anders dan een vaartuig, op, in of boven openbaar water te hebben of aan te brengen als dit op enige manier gevaar of belemmering oplevert voor het doelmatig en veilig gebruiken, beheren of onderhouden van het openbaar water. 2. Het plaatsen van een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven het openbaar water is alleen toegestaan als daarvan minimaal twee weken van tevoren een melding aan het college is gedaan. 3. De melding als bedoeld in het tweede lid bevat in ieder geval de naam, het adres en de contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en de omvang van het voorwerp. 4.

De melding wordt op de gebruikelijke manier bekendgemaakt.

5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepsvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Paragraaf 3.4.5 Terrassen Artikel 3.4.5.1 Terrasvergunning (APV) 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college en daarnaast in afwijking van de regels als bedoeld in deze paragraaf, een terras in te richten, te exploiteren of in gebruik te geven op een openbare ruimte, op openbaar water of op een voor publiek toegankelijk terrein. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. een terras (op het water) niet direct grenst aan, of zich in de directe nabijheid van de horeca-inrichting van de aanvrager bevindt; b. blijkt dat het terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg en het openbaar water, of voor het doelmatig beheer van de weg en het openbaar water; c. blijkt dat het terras breder is dan de gevelbreedte van de horeca-inrichting, tenzij het college vindt dat een afwijkende breedtemaat vereist of aanvaardbaar is, gelet op onder meer de belangen van de eigenaren/gebruikers van aangrenzende percelen;’ d.

de aanvraag betrekking heeft op een terras op een binnenplaats of binnenterrein omsloten door woningen, tenzij het college vindt dat overlast voor de eigenaren/gebruikers van aangrenzende percelen kan worden voorkomen door het verbinden van voorschriften aan de vergunning; e. de aanvraag betrekking heeft op een terras op het water voor het Rapenburg (met uitzondering van de locatie hoek Rapenburg/Noordeinde), de Herengracht, de Zoeterwoudsesingel, de Witte Singel, de Morssingel, de Rijnsburgersingel, de Maresingel, de Herensingel en de Zijlsingel; f. het verlenen van de vergunning de rechten en/of vrijheden van anderen zal aantasten, dan wel voor ontoelaatbare overlast zal zorgen; g. voor het terras ook andere vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en dergelijke zijn vereist, die krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 4. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.4.5.2 Aanvraag terrasvergunning en nadere regels voor gebruik van een terras (Regels terrassen) 1. Een terras en/of een terras op het water ligt direct aangrenzend aan, of in de directe nabije omgeving van de horeca-inrichting van de aanvrager. 2.

Terrassen zijn alleen toegestaan binnen het vlak dat loodrecht op de voorgevel ligt, binnen de zijdelingse perceelgrenzen ter hoogte van de voorgevel (zie bijlage 3, voorbeeldkaartjes 1 en 2).

3. Terrassen die niet tegen de eigen gevel liggen mogen daarnaast ook niet binnen een afstand van 4 meter tot panden van derden worden geplaatst, tenzij met de eigenaar van deze panden overeenstemming is bereikt (zie bijlage 3, voorbeeldkaartje 3). 4. Een terrasboot op het water mag niet meer dan 10 centimeter boven de kademuur uitsteken. 5. Het is niet toegestaan voorwerpen zwaarder dan 15 kilogram te plaatsen, of voorwerpen in de grond te verankeren, binnen een straal van 90 centimeter rondom een brandkraan of deksel, gemeten vanuit het hart van de brandkraan of –deksel. 6. Het is niet toegestaan nooduitgangen en –toegangen voor derden met de daarbij behorende looproutes te blokkeren. 7. Het is niet toegestaan objecten te plaatsen binnen een afstand van 50 centimeter van een geleidelijn, markering of natuurlijke gidslijn die is bedoeld ter aanduiding van looproutes voor mensen met een visuele beperking. 8. Het is niet toegestaan een terras te hebben op een binnenplaats, binnenterrein of andere door woningen omsloten terrein, tenzij het college anders besluit. 9. Als zich in straten trottoirs bevinden moet de vrije breedte voor voetgangers op trottoirs minimaal 1,5 meter bedragen.

De vrije breedte moet minimaal 2 meter bedragen bij de trottoirs van de Stationsweg, de Steenstraat, de Nieuwe Beestenmarkt, de Turfmarkt, de Prinsessekade, het Kort Rapenburg, de Breestraat, de Korevaarstraat, de Lange Mare en de Doezastraat. 10. In stegen en straten die smaller zijn dan 4 meter en waar alleen voetgangers zijn toegestaan, zijn terrassen mogelijk tot 1 meter uit de eigen gevel, mits deze geen overlast (ten aanzien van geluid en vrije doorgang) voor omwonenden zullen veroorzaken en mits de looproute minimaal 1,5 meter breed blijft. 11. Op de Beestenmarkt moet voor de toegang van calamiteitendiensten een vrije breedte van minimaal 4 meter bestaan tussen de gevelterrassen en de eilandterrassen. De vrije breedte wordt gerekend vanaf de lijngoot (richting het plein) (zie bijlage 3, voorbeeldkaartje 4). Artikel 3.4.5.3 Nadere regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit van terrasmeubilair (Regels terrassen) 1. Onder terrasmeubilair vallen alle losstaande elementen op een terras. 2. De losse onderdelen van het terrasmeubilair mogen niet hoger zijn dan 1,5 meter en niet breder dan 2,5 meter. 3. Terrasmeubilair dat in aanleg niet binnen kan worden opgeslagen, kan worden aangemerkt als bouwwerk. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor een bouwwerk zijn verleend. 4. Terrasmeubilair moet passen bij de functie en beeldkwaliteit van de directe omgeving. 5.

Terrasmeubilair moet in goede constructieve en onderhouden toestand zijn. 6. Terrasmeubilair mag niet in een fluorescerende kleur zijn uitgevoerd. 7. Terrasmeubilair en/of plantenbakken mogen niet worden geplaatst op een manier waardoor ze fungeren als zijwand of terrasafscheiding. 8. Terrasmeubilair en/of plantenbakken mogen niet meer dan 50% van een zijkant/rand van een terras vullen. 9. Plantenbakken mogen maximaal 70 centimeter hoog zijn en een oppervlakte hebben van maximaal 0,7 m2. 10. Het is niet toegestaan de (straat)verharding tijdelijk dan wel permanent te bedekken.

11. Verwijderbare en/of tijdelijke schermen zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De zijschermen worden loodrecht op de gevel geplaatst, binnen de grenzen van het terras en mogen niet langer zijn dan de diepte van het terras; b. De zijschermen mogen maximaal 1,5 meter hoog zijn, waarbij een eventueel ondoorzichtig deel maximaal 70 centimeter hoog (vanaf het maaiveld) mag zijn; c. Het doorzichtig deel van de zijschermen bestaat uit helder kleurloos glas of helder kunststof; d. De zijschermen mogen geen hinder voor het verkeer veroorzaken; e. Eventueel aangebrachte logo’s of teksten op het dichte deel of het transparante deel mogen maximaal 15% van het oppervlak van dat schermdeel beslaan; f. De zijschermen moeten buiten de terrasuren worden weggehaald; g. De zijschermen moeten voldoen aan de kwaliteitseisen uit de welstandsnota; h. Terrasschermen op terrasboten zijn niet toegestaan. 12. Voor permanente zijwanden, vaste parasols of vaste parasolvoeten bij terrassen in de openbare ruimte moet een omgevingsvergunning worden verleend. 13. Het overkappen van een terras is niet toegestaan, met uitzondering van de gevallen in artikel 3.4.5.4 of een uitvalscherm waarvoor een vergunning is verleend. 14. Een terras op het water is gelegen op een dekschuit met een historische uitstraling die is uitgevoerd in een gedekte kleur. 15.

Het voeren van reclame is toegestaan op terrasmeubilair dat hoort bij het terras. De reclameboodschap mag maximaal 15% van het oppervlak van het object beslaan. 16. Gedrukte reclame op markiezen, uitvalschermen en parasols is alleen toegestaan op de volant tot maximaal 50% van de volantbreedte en een maximale hoogte van 20 centimeter. 17. Reclameboodschappen mogen uitsluitend de volgende zaken bevatten: a. De naam of het beeldmerk van het bedrijf of de inrichting waar het terras bij hoort; b. De naam van de betreffende eigenaar; c. De naam of een afbeelding van een product dat in het bedrijf wordt verkocht, en/of; d. De naam of het logo van een merk dat in het bedrijf wordt verkocht. 18. Het college kan op verzoek ontheffing verlenen van dit artikel. Artikel 3.4.5.4 Parasols (Regels terrassen) 1. Parasols die in aanleg niet binnen kunnen worden opgeslagen, kunnen worden aangemerkt als bouwwerk. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor een bouwwerk zijn verleend. 2. De afmetingen van uitgeklapte parasols mogen de grenzen van het terras niet overschrijden. 3. Tussen de bestrating en de onderkant van de volant moet minimaal 2,3 meter doorloophoogte blijven. 4. De vaste parasol mag in uitgeklapte stand niet hoger zijn dan de eerste verdiepingsvloer van het aangrenzende pand, met een maximum van 3,5 meter. 5. Een uitgeklapt, aaneengesloten parasoldak mag maximaal 36 m2 beslaan.

6. Tussen de verschillende aaneengesloten parasoldaken moet rondom minimaal 1 meter tussenruimte worden vrijgehouden. 7. Parasols moeten worden uitgevoerd in een gedekte kleur.

Paragraaf 3.4.6 Stadsschoon en handelsreclame Artikel 3.4.6.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (APV) 1. Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.4.6.2 Reclamevoertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het doel daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 3. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.4.6.3 Vergunningsplicht stadsschoon en handelsreclame (APV) 1. Zonder vergunning is het niet toegestaan voor de eigenaar of gebruiker van een onroerend goed daarop of daarin opschriften, aankondigingen of afbeeldingen te hebben, in welke vorm dan ook en op welke manier dan ook. 2.

Het verbod uit het eerste lid geldt alleen voor opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, in welke vorm dan ook, die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats, voor zover de bedoeling hiervan is een boodschap naar die plaatsen over te brengen. 3. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor: a. onroerend goed dat is gelegen in het landelijke gedeelte van de gemeente, als bedoeld in de provinciale verordening bescherming landschap en natuur ZuidHolland; b. naamborden en opschriften die betrekking hebben op de dienst, het beroep of het bedrijf dat daar wordt uitgeoefend, mits het naambord of opschrift niet groter is dan 0,15 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 0,50 meter; c. aankondigingen die worden gedaan om te voldoen aan een wettelijke verplichting, waarbij de in het wettelijk voorschrift genoemde minimum afmetingen niet mogen worden overschreden. Als er geen maten zijn vastgesteld dan geldt als maximum een oppervlakte van 0,15 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 0,50 meter; d. aankondigingen waarbij een onroerend goed geheel of gedeeltelijk te koop of te huur wordt aangeboden, mits deze worden aangebracht op dat onroerend goed dan wel daar waar de verkoping zal plaatsvinden en de aankondiging niet groter is dan 0,35 m2 en geen afmeting groter is dan 1 meter.

Per onroerend goed zijn maximaal twee aankondigingen toegestaan. De aankondigingen zijn slechts toegestaan zolang zij feitelijk betekenis hebben; e. aankondigingen die van tijdelijke aard zijn, mits de aankondiging niet groter is dan 0,75 m2 en geen afmeting groter is dan 1 meter. De aankondiging mag maximaal vier weken aanwezig zijn. Aankondigingen aan een onroerend goed die betrekking hebben op daar in gehouden wettelijk toegestane uitverkopen of opruimingen mogen niet groter zijn dan 3 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 3 meter. Voor

aankondigingen aan een bioscoop van de daarin te vertonen films gelden geen maximummaten; f. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in een onroerend goed voor zover deze niet de bedoeling hebben om een boodschap over te brengen naar de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats; g. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op zuilen, borden en muren die daarvoor door de gemeente zijn aangewezen; h. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op stationsemplacementen; i. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen die zijn aangebracht op een gebouw en waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; j. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen die dienen ter uitoefening van artikel 7 van de Grondwet; k. monumenten in de zin van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening; l. handelsreclame, voor zover deze voldoet aan de in deze verordening opgenomen regels. 4. Een opschrift, aankondiging of afbeelding dat op, aan of in een onroerend goed is aangebracht volgens het bepaalde in het derde lid, onder b tot en met h, mag niet in ernstige mate in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand.

Bij overtreding is het college bevoegd de eigenaar of de gebruiker van het onroerend goed aan te schrijven het opschrift, de aankondiging of de afbeelding binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 5. Als het college een eigenaar of gebruiker van een onroerend goed herhaaldelijk heeft aangeschreven op grond van het vierde lid, kan zij besluiten dat het verbod uit het eerste lid toch van toepassing is. 6. Bij het aanvragen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet een tekening of foto worden geleverd die aangeeft hoe het opschrift, de aankondiging of de afbeelding eruitziet, waarbij in ieder geval de materialen en kleuren worden vermeld. Deze stukken moeten in tweevoud worden aangeleverd. Het college beslist binnen acht weken nadat zij de aanvraag heeft ontvangen. 7. Het college kan een vergunning weigeren als het onroerend goed of de omgeving daarvan dreigen te worden ontsierd, of als het stadsschoon in het algemeen wordt geschaad. 8. Het college kan een vergunning in ieder geval intrekken als daar binnen zes maanden na dagtekening geen gebruik van is gemaakt, of, als de vergunning eerst wel is gebruikt, het gebruik hiervan ten minste zes achtereenvolgende maanden is gestaakt. 9.

Als een opschrift, aankondiging, of afbeelding is aangebracht op, in of aan een roerend goed en deze het stadsschoon ontsiert, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven het opschrift, de aankondiging of de afbeelding binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 10. Het bepaalde in het negende lid geldt ook voor voorwerpen of inrichtingen op, in of aan een onroerend goed die zijn bestemd of worden gebruikt voor het aanbrengen van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen. 11. De eigenaar of gebruiker van een gebouwd onroerend goed mag de muren daarvan niet zelf, of door een ander laten, verven, sausen of bepleisteren in een kleur die afwijkt van de

omgeving, voor zover deze muren zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 12. De eigenaar of gebruiker van gebouwd onroerend goed mag de ruiten daarvan niet zelf, of door een ander laten, verven, voor zover deze muren zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 13. Het bepaalde in het elfde en twaalfde lid is niet van toepassing als het college hiervoor een vergunning heeft verleend. Het bepaalde in het zevende en achtste lid is hierop van toepassing. 14. Het bepaalde in het elfde en twaalfde lid is niet van toepassing op opschriften, aankondigingen en afbeeldingen als bedoeld in het eerste en tweede lid. 15. Als de kleur(en) van een gebouwd onroerend goed in samenhang met de omgeving het stadsschoon ontsiert/ontsieren, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven de kleur(en) binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 16. Als geblindeerde ramen van een gebouwd onroerend goed in samenhang met de omgeving het stadsschoon ontsieren, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven de blindering binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 17.

Als een erf dat bij een bouwwerk hoort wordt gebruikt voor het stallen van één of meer motorrijtuigen op meer dan twee wielen op een manier waardoor het stadsschoon wordt ontsierd, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat erf aan te schrijven dat deze moet zorgen dat de betreffende motorrijtuigen van het erf of een aangewezen deel daarvan worden verwijderd en verwijderd gehouden. 18. Het bepaalde in het negende, tiende, vijftiende, zestiende en zeventiende lid geldt alleen voor zover de ontsiering van het stadsschoon zichtbaar is vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 19. Om te bepalen of er sprake is van ontsiering van het stadsschoon als bedoeld in dit artikel, wordt advies gevraagd aan de Welstands- en monumentencommissie Leiden, dan wel de opvolger daarvan. De commissie betrekt de Welstandsnota bij haar oordeel. 20. Het bepaalde in het elfde tot en met het vijftiende, en het zeventiende lid is niet van toepassing op monumenten in de zin van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening. Artikel 3.4.6.4 Vergunningsvrij (Nadere regels handelsreclame) 1. Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.6.3, eerste lid geldt niet voor: a. het wijzigen van het opschrift, de aankondiging of afbeelding van een bestaande en vergunde reclameaanduiding. b.

reclameaanduidingen waarvoor het glas wordt beplakt, mits de glasoppervlakte van de winkelpui voor niet meer dan 15% wordt beplakt; c. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen die zijn aangebracht op borden op of bij in uitvoering zijnde bouwwerken voor zover ze betrekking hebben op de naam of aard van die bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, voor zo lang als zij feitelijk van betekenis zijn.

2. Voor de criteria als bedoeld in het eerste lid geldt dat de reclameaanduiding betrekking moet hebben op de goederen of diensten die in het bedrijf worden verkocht. Paragraaf 3.4.7 Voertuigen Artikel 3.4.7.1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke (APV) 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt onder andere begrepen: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die niet langer dan een uur duren, voor zo lang als die werkzaamheden duren; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid. 3. Het is niet toegestaan voor de persoon die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van heeft gemaakt om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om: a. drie of meer voertuigen die aan hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een straal van 25 meter van een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het derde lid. 5. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 3.4.7.2 Te koop aanbieden van voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen weg, met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 3. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.4.7.3 Defecte voertuigen (APV) Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door gebreken die niet eenvoudig te verhelpen zijn, mag niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geparkeerd. Artikel 3.4.7.4 Voertuigen met verlopen APK (APV) Het is niet toegestaan om een voertuig op de weg te parkeren waarvan de Algemene Periodieke Keuring langer dan één maand is verlopen. Artikel 3.4.7.5 Staat voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat rijtechnisch onvoldoende is onderhouden en dat in een verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 3.4.7.6 Grote voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college

2.

3.

4. 5. 6.

aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, die niet langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen, van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 3.4.7.7 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat het uitzicht van de bewoners of gebruikers op een hinderlijke manier wordt verstoord of zij op een andere manier hinder of overlast ervaren. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing voor de tijd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel 3.4.7.8 Parkeren nabij een wijkcontainer (APV) Het is niet toegestaan een voertuig op de weg bij een wijkcontainer te parkeren op een manier dat het legen daarvan op een hinderlijke manier wordt belemmerd. Artikel 3.4.7.9 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (APV) 1. Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een weggedeelte, anders dan de rijbaan, dat door het college is aangewezen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam worden verricht. Artikel 3.4.7.10 Overlast van fietsen of bromfietsen (APV) 1.

Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen onbeheerd te laten staan op de door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaatsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen, om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen of op te heffen. 2. Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen die rijtechnisch onvoldoende zijn onderhouden en die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. Artikel 3.4.7.11 Weesfietsen (APV) Het is niet toegestaan om een fiets langer dan de door het college vastgestelde periode onafgebroken te stallen in de fietsparkeervoorzieningen in de door het college aangewezen gebieden.

Paragraaf 3.4.8 Kampeermiddelen Artikel 3.4.8.1 Kampeermiddelen en andere voertuigen (APV) 1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt: a. langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is niet toegestaan een woonwagen, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat niet voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel 3.4.8.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (APV) 1. Het is niet toegestaan om kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat daarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 3.4.8.3 Aanwijzing kampeerplaatsen (APV) 1. Artikel 3.4.8.2, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 3.4.8.2, vierde lid. Paragraaf 3.4.9 Standplaatsen Artikel 3.4.9.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (APV) 1. Het innemen van een standplaats is alleen toegestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend. 2. Het college weigert de vergunning als deze in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan een vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. een beperking in aantal of in plaats als gevolg van bijzondere omstandigheden nodig is in verband met een dwingende reden van algemeen belang in de gemeente of een deel daarvan.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.4.9.2 Toestemming rechthebbende (APV) De rechthebbende op een perceel mag daarop alleen een standplaats toestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend. Paragraaf 3.4.10 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 3.4.10.1 Crossterreinen (APV) 1. Het is niet toegestaan op enig terrein, anders dan een weg, met een motorvoertuig of bromfiets een wedstrijd, trainings- of proefrit te houden, voor te bereiden of daaraan deel te nemen of een motorvoertuig of bromfiets daar aanwezig te hebben met het doel dat te doen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c.

de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten, of van het publiek. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 3.4.10.2 Beperking verkeer in natuurgebieden (APV) 1. Het is niet toegestaan om zich met een motorvoertuig, bromfiets, fiets of paard te bevinden binnen voor het publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere terreinen die voor recreatief gebruik beschikbaar zijn. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. die worden gebruikt door de politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening of andere hulpverleningsdiensten die krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister zijn aangewezen.

b. die worden gebruikt in verband met het beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens een wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid liggen; e. voor het verkeer ten behoeve van het bezoek of verzorging van de personen als bedoeld onder d. 4. Het verbod is verder niet van toepassing: a. op wegen die liggen binnen de terreinen of gebieden als bedoeld in het eerste lid; b. voor motorvoertuigen die bij of krachtens de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn aangewezen als toestel binnen de bij of krachtens die verordening aangewezen stiltegebieden. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Paragraaf 3.4.11 Markten Artikel 3.4.11.1 Vergunningen (Marktverordening) 1. Het is niet toegestaan om op een markt een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen zonder een vergunning van het college voor een vaste standplaats, een seizoensplaats of een dagplaats. 2. Een vergunning voor een vaste standplaats geldt voor onbepaalde tijd en voor de standplaats die op de vergunning is vermeld, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen. 3.

Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de standplaats die op de vergunning is vermeld. 4. Het is niet toegestaan om op een markt als standwerker op te treden zonder een standwerkvergunning van het college. 5. Het is niet toegestaan om voedsel en dranken die bedoeld zijn om ter plaatse te consumeren te verkopen aan vergunninghouders en degenen die hen vervangen of bijstaan zonder een bedienvergunning van het college. Een bedienvergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij de vergunning anders bepaalt. 6. Het is niet toegestaan om marktkramen te plaatsen of daarvoor voorbereidingen te treffen zonder een vergunning van het college. 7. Er kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een vergunning die is verleend op grond van deze verordening. 8. Een vergunning kan alleen worden verleend aan een natuurlijk persoon die handelingsbekwaam is, die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten en die geen vergunning heeft voor een vaste standplaats voor de betreffende markt. 9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 3.4.11.2 Mandaatverboden (Marktverordening) De bevoegdheid om een vergunning te verlenen of in te trekken als bedoeld in deze paragraaf kan niet worden gemandateerd aan de marktmeester of een andere toezichthouder.

De dagplaatsvergunning kan als uitzondering hierop wel aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd.

Artikel 3.4.11.3 Overschrijven vergunning vaste standplaats (Marktverordening) 1. De vergunning voor een vaste standplaats, inclusief de daarbij behorende opgebouwde rechten, kan door het college worden overgeschreven op naam van de gehuwd of geregistreerd partner van de vergunninghouder, of een andere persoon met wie hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormt of vormde: a. op verzoek van de vergunninghouder als hij zelf geen gebruik meer wil maken van de vergunning; b. op verzoek van de curator van de vergunninghouder als hij onder curatele is gesteld; c. op verzoek van de erven van de vergunninghouders als hij is overleden. 2. Als de overschrijving als bedoeld in het eerste lid niet kan worden gedaan, dan kan de vergunning, exclusief de daarbij opgebouwde rechten, op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op: a. zijn kind, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren in loondienst bij de vergunninghouder heeft gewerkt direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid; b. de mede-eigenaar van diens bedrijf, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren mede-eigenaar was direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid; c.

zijn medewerker, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren in loondienst bij de vergunninghouder heeft gewerkt direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid. 3. In het geval van het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder moet de aanvraag om de vergunning over te schrijven binnen twee maanden na die gebeurtenis worden ingediend. 4. Het college kan van het bepaalde in dit artikel afwijken als het toepassen hiervan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege de bijzondere omstandigheden niet in verhouding staan tot het doel van dit artikel. 5. De aanvraag om een vergunning over te schrijven wordt alleen geweigerd als niet wordt voldaan aan de eisen uit dit artikel of aan een eis waar een houder van een vergunning voor een vaste standplaats volgens deze verordening aan moet voldoen. 6. Als de nieuwe vergunninghouder al een vergunning voor een vaste standplaats voor de betreffende markt heeft, wordt deze vergunning ingetrokken. Artikel 3.4.11.4 Intrekking en vervallen vergunning voor vaste standplaats (Marktverordening) 1. De vergunning voor een vaste standplaats wordt door het college ingetrokken als: a. de vergunninghouder daar schriftelijk om verzoekt; b.

binnen twee maanden na het overlijden of na de ondercuratelestelling van de vergunninghouder geen verzoek tot overschrijving is ingediend als bedoeld in artikel 3.4.11.3. 2. De vergunning voor een vaste standplaats kan door het college worden ingetrokken als: a. voor het verkrijgen van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. de gegevens in de vergunning niet meer kloppen met de werkelijke situatie;

c. de vergunninghouder, degene die hem vervangt of iemand die hem bijstaat op de markt zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog, of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden; d. van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt; e. de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3. Als de vergunninghouder, of zijn vervanger als bedoeld in artikel 3.4.11.6, zijn standplaats niet uiterlijk bij de aanvang van de markt heeft ingenomen, dan vervalt de vergunning voor de rest van de dag. De standplaats komt dan in aanmerking voor een dagplaats. De regels over het in acht nemen van de markttijden uit het inrichtingsplan gelden hierbij. Artikel 3.4.11.5 Tijdelijke intrekking van een vergunning voor een vaste standplaats (Marktverordening) Het college kan, eventueel voorwaardelijk, een vergunning voor een vaste standplaats telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen intrekken, als de vergunninghouder of degene die hem bijstaat: a. een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Dit geldt naast het bepaalde in artikel 3.4.11.4.

Artikel 3.4.11.6 Persoonlijk innemen standplaats; vervanging (Marktverordening) 1. De houder van een vergunning voor een vaste standplaats neemt de standplaats die aan hem is toegewezen persoonlijk in. 2. Het college kan toestaan dat de standplaats door een vervanger wordt ingenomen in geval van vakantie, ziekte of bijzondere omstandigheden. Bij de aanvraag daarvoor worden de reden en de verwachte duur van de afwezigheid (maximaal zes aaneengesloten weken) en de naam van de vervanger vermeld. 3. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het geval van ziekte of bijzondere omstandigheden die langer duren dan zes weken. 4. Voor de aanvraag als bedoeld in het tweede en het derde lid wordt het formulier gebruikt dat door het college is vastgesteld. 5. Als de vergunninghouder langer dan zes maanden ziek is moet hij zich laten keuren door een instantie die door het college wordt vastgesteld. 6. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder gelden gelijk voor de vervanger, met uitzondering van het recht op vervanging als bedoeld in dit artikel. Artikel 3.4.11.7 Vergunning voor een seizoensplaats (Marktverordening) 1.

Een vergunning voor een seizoensplaats kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt, voor de periode van 5 oktober tot en met 4 april, op plaatsen die daarvoor in aanmerking komen op grond van het inrichtingsplan.

2. Als een seizoensplaats vrijkomt zal door middel van adverteren worden geprobeerd om deze op te vullen met een ontbrekende artikelgroep of een ontbrekend product uit een artikelgroep. 3. De seizoensplaats zal worden vrijgegeven voor alle artikelgroepen als na vier weken adverteren niet kan worden voorzien in een ontbrekende artikelgroep of een ontbrekend product uit een artikelgroep. 4. De vergunningen voor seizoensplaatsen worden verleend aan de gegadigden die in aanmerking komen op volgorde van wanneer de aanvragen zijn ontvangen. 5. Een vergunning voor een seizoensplaats is gelijk aan een vergunning voor een vaste standplaats voor wat betreft de regels voor overdracht, bijstand en vervanging. Artikel 3.4.11.8 Vergunning voor een dagplaats (Marktverordening) 1. Een vergunning voor een dagplaats kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt: a. op plaatsen die daarvoor in aanmerking komen op grond van het inrichtingsplan, en; b. op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vergunning voor een vaste standplaats omdat: i. voor de plaats geen vergunning geldt; ii. de vergunning (tijdelijk) is vervallen, of; iii. de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is vervangen als bedoeld in artikel 3.4.11.6. 2.

Voor een vergunning voor een dagplaats komen degenen in aanmerking die: a. staan ingeschreven op de meeloperslijst, b. zich minstens 15 minuten vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester hebben gemeld, en; c. die niet zijn uitgesloten omdat zij tijdens een of meer van de vier voorafgaande marktdagen: i. een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden; ii. zich schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of bedrog; iii. niet of niet tijdig heb verschuldigde marktgeld hebben betaald dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3. Het college kan bepalen dat ten aanzien van een gegadigde een uitsluitingsgrond niet geldt, of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn geldt. 4. De vergunningen voor een dagplaats worden verleend aan de gegadigden die in aanmerking komen in de volgorde van hun positie op de meeloperslijst. 5. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. 6. Het is niet toegestaan om deel te nemen aan de loting als bedoeld in artikel 3.4.11.9 en daarnaast in aanmerking te willen komen voor een vergunning voor een dagplaats voor dezelfde dag. Artikel 3.4.11.9 Standwerkvergunning (Marktverordening) 1. Een standwerkvergunning kan worden verleend voor die plaatsen of gebieden die zijn aangewezen voor standwerken op grond van het inrichtingsplan.

2. In de standwerkvergunning staat vermeld voor welke markt, dag en standwerkplaats deze geldt, en welk(e) artikel(en) mag/mogen worden verkocht. 3. Een standwerkvergunning wordt verleend door middel van een loting. 4. De loting vindt plaats op de marktdag bij aanvang van de markt. 5. Iemand die staat ingeschreven op de meeloperslijst mag niet deelnemen aan de loting zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen. 6. Als een standwerker zich wil laten bijstaan, moet hij dit vooraf aan de marktmeester melden samen met de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting. 7. Een standwerker mag geen weegapparatuur gebruiken of prijskaartjes tonen bij zijn producten of aan zijn kraam. Artikel 3.4.11.10 Bedienvergunning (Marktverordening) 1. Het college kan op aanvraag een bedienvergunning verlenen. In de vergunning staat vermeld voor welke artikelen deze geldt. 2. Artikel 3.4.11.2 van deze verordening is hierop van toepassing. Artikel 3.4.11.11 Opbouwvergunning (Marktverordening) 1. Het college kan op aanvraag een opbouwvergunning verlenen. In de vergunning staat vermeld voor welke artikelen deze geldt. 2. Het college kan in de opbouwvergunning nadere eisen stellen over de opbouwtijden, het te gebruiken materiaal en de opstelplaatsen daarvan. 3. Artikel 3.4.11.2 van deze verordening is hierop van toepassing.

Artikel 3.4.11.12 Uitsluiting standwerker of houder van een vergunning voor een dagplaats (Marktverordening) 1. Het college kan een verleende vergunning voor een dagplaats of een standwerkvergunning intrekken als de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; d. niet als standwerker actief is op de standwerkplaats die aan hem is toegewezen; e. direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort. 2. Het college kan een houder van een vergunning voor een dagplaats of van een standwerkvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd uitsluiten van de toewijzing van een dagplaats of standwerkplaats als de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; d. niet als standwerker actief is op de standwerkplaats die aan hem is toegewezen; e. direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort.

Artikel 3.4.11.13 Bijstand (Marktverordening) De houder van een vergunning voor een vaste standplaats, voor een seizoensplaats, voor een dagplaats of van een bedienvergunning kan zich laten bijstaan door één of meer andere personen. Artikel 3.4.11.14 Markt schoonhouden (Marktverordening) 1. Een vergunninghouder is verplicht afval dat vrijkomt tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats te bewaren op een manier dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Daaronder valt verpakkingsmateriaal. De vergunninghouder voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af. 2. Een vergunninghouder is verplicht na afloop van de markt de standplaats die door hem is ingenomen en de naaste omgeving daarvan veegschoon achter te laten. Artikel 3.4.11.15 Versterkt geluid en muziek (Marktverordening) 1. Het is niet toegestaan om tijdens de markt op het marktterrein: a. luidsprekers, versterkers en andere middelen om geluid te versterker te gebruiken; b. radiotoestellen, afspeelapparatuur of dergelijke apparatuur te gebruiken. 2. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1.

Artikel 3.4.11.16 Vervroegd einde markt (Instellingsbesluit markten) De marktmeester kan toestemming geven aan standplaatshouders om af te wijken van de plicht om tot het einde van de markt aanwezig te blijven, in het geval van weersomstandigheden of andere dringende redenen. Afdeling 3.5 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 3.5.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Artikel 3.5.1.1 Verbodsbepalingen en vergunning (Erfgoedverordening) 1. Het is niet toegestaan een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of aan het monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding ervan noodzakelijk is. 2. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college, of in strijd met de voorschriften bij die vergunning: a. een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; b. een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt aangetast, ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid gelden niet als: a. het college nadere regels stelt met betrekking tot de manier waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, of; b.

de activiteit betrekking heeft op normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt, of; c. de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

4. De vergunning als bedoeld in het tweede lid kan alleen worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument. 5. Wanneer de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening van een beschermd religieus monument in het geding zijn, geeft het college geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel 3.5.1.2 Intrekken van de vergunning (Erfgoedverordening) De vergunning kan door het college worden ingetrokken als: a. blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave; b. blijkt dat de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.5.1.1 niet naleeft; c. de omstandigheden van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het belang van monument zwaarder moet wegen; d. gedurende 26 weken geen gebruik is gemaakt van de vergunning; e. de vergunningverlener hierom verzoekt en het belang van het monument zich hier niet tegen verzet. Artikel 3.5.1.3 Verbodsbepaling en aanvraag sloopvergunning (Erfgoedverordening) 1. Het is niet toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stadsgezicht geheel of gedeeltelijk te slopen. 2.

De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als het college het niet aannemelijk acht dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen: a. als gevolg van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet; b. waarvoor op grond van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist. Artikel 3.5.1.4 Intrekken van de vergunning voor sloop in gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) De vergunning kan door het college worden ingetrokken als: a. blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave; b. er geen begin met de werkzaamheden is gemaakt binnen de termijn die bij de vergunning is bepaald; c. de werkzaamheden langer dan een in de vergunning bepaalde termijn zijn gestaakt; d. er wordt gehandeld in strijd met de beperkingen waaronder de vergunning is verleend, of met de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden. Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren Paragraaf 3.6.1 Vellen van houtopstanden Artikel 3.6.1.1 Mededelingsplicht rechthebbende beschermde houtopstand (Bomenverordening) De rechthebbende van een beschermde houtopstand op de Groene Kaart stelt het college schriftelijk op de hoogte als:

a. de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan, met uitzondering van wanneer voor het vellen een vergunning is verleend; b. de beschermde houtopstand dreigt geheel of gedeeltelijk verloren te gaan. Artikel 3.6.1.2 Kapverbod voor beschermde solitaire houtopstand (Bomenverordening) 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een beschermde solitaire houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een beschermde solitaire houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang of onder dwangsom van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht. Artikel 3.6.1.3 Kapverbod voor houtopstand binnen beschermde boomstructuur, boomgebied en voorbomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer, gemeten op 130 cm (Bomenverordening) 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen die op de Groene Kaart is opgenomen in een beschermde boomstructuur of boomgebied. 2.

Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college een boom in de openbare ruimte te vellen die niet op de Groene Kaart is opgenomen, als deze op een hoogte van 130 centimeter boven het maaiveld een stamomtrek heeft van ten minste 45 centimeter. 3. De verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden niet voor: a. een houtopstand binnen beschermde boomstructuren of boomgebieden als deze op een hoogte van 130 centimeter boven het maaiveld een stamomtrek heeft van minder dan 30 centimeter; b. een houtopstand binnen beschermde boomstructuren of gebieden die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang of onder dwangsom van het college. De herplantplicht als bedoeld in artikel 3.85 blijft hierbij van toepassing. Artikel 3.6.1.4 Indienen aanvraag kapvergunning voor een beschermde houtopstand en voor een boom in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.2 en 3.6.1.3 wordt aangevraagd door de rechthebbende van de betreffende houtopstand. 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten: a. een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven, en waarop te zien is waarom de houtopstand moet worden gekapt; b.

welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand; c. welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht; d. de gegevens uit het register bij de Groene Kaart als het een beschermde houtopstand betreft. 3. De aanvrager kan worden gevraagd de volgende stukken te leveren: a. een boomwaardebepaling; b. een boomveiligheidscontrole (VTA).

4. Als de aanvraag is ingediend omdat de houtopstand wordt verondersteld minder stabiel en/of vitaal te zijn, moet de aanvraag worden voorzien van een rapportage door een boomdeskundige dat aantoont waarom dit het vellen rechtvaardigt. 5. Als de aanvraag wordt ingediend omdat in de buurt van beschermde houtopstanden werkzaamheden in het kader van een bouw-, renovatie- of aanlegproject gaan plaatsvinden, moet de aanvraag worden voorzien van een Bomen Effect Analyse. 6. Als de aanvraag wordt ingediend in verband met een bouw-, renovatie- of aanlegproject, moet de aanvraag worden voorzien van een compensatieplan. 7. Als voor het herplanten van een houtopstand die wordt geveld financiële compensatie nodig is, wordt de rechthebbende daarvan gevraagd om een berekening van de boomwaarde van de houtopstand aan de aanvraag toe te voegen. Artikel 3.6.1.5 Criteria voor vergunningverlening vellen beschermde houtopstanden en bomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Er kunnen voorschriften worden verbonden aan een verleende vergunning. 2. Een vergunning voor het vellen kan worden verleend als aan een of meer van de volgende criteria wordt voldaan: a. Er zijn alternatieven met betrekking tot behoud onderzocht en er is gebleken dat er geen alternatieven zijn anders dan het vellen van de houtopstand; b.

Het maatschappelijk belang van de aanvrager weegt zwaarder dan: i. de aanduiding in het register waarom de beschermde houtopstand op de Groene Kaart is opgenomen; ii. de waarde of waarden die zijn toegekend aan de boom in de openbare ruimte met een stamomtrek van ten minste 45 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld. c. De instandhouding van de houtopstand volgens boomdeskundige maatstaven niet langer verantwoord is, gelet op het belang van het voorkomen van letsel of ernstige schade; d. Als blijkt dat er sprake is van overlast op grond van de daarvoor vastgestelde beleidsnota ‘Versterken en verbinden van groen in Leiden’, met de bijlage ‘Overlast van bomen?’. Artikel 3.6.1.6 Criteria voor weigering vergunning vellen houtopstanden binnen aangewezen boomstructuren en boomgebieden en voor bomen die zich bevinden in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer (Bomenverordening) 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de belangen niet opwegen tegen de aanduiding in het register waarom de houtopstand op de Groene Kaart is opgenomen; b. voor bomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van ten minste 45 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld: als de belangen niet opwegen tegen de waarden als bedoeld in artikel 2.4.1.2, vierde lid. 2. Een vergunning kan worden geweigerd als naar boomdeskundige maatstaven: a.

de mogelijkheden en/of alternatieven voor behoud niet voldoende gemotiveerd zijn onderzocht;

b. de reden van de aanvraag verband houdt met mogelijke gevaarzetting en dit niet voldoende gemotiveerd wordt aangetoond. Artikel 3.6.1.7 Bijzondere vergunningvoorschriften; herplanten, boombeschermingsplan, storting Bomenfonds (Bomenverordening) 1. Aan de vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat herplant moet plaatsvinden. Het college geeft hiervoor een termijn en aanwijzingen voor de manier waarop. 2. Als niet ter plaatse, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving kan worden herplant met bomen van vergelijkbare waarde, kan als voorschrift worden opgenomen dat een financiële bijdrage in het Bomenfonds moet worden gestort. Deze bijdrage is gelijk aan de boomwaarde zoals genoemd in de boomwaardebepaling. 3. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat wanneer de herplant niet aanslaat, dat deze binnen één jaar moet worden vervangen op de aangegeven manier. 4. Als de aanvraag wordt gedaan vanwege een bouwplan, werken of werkzaamheden die betrekking hebben op beschermde houtopstanden, of daar vlakbij plaatsvinden, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden met de verplichting om: a. een boombeschermingsplan op te stellen en ter vaststelling aan het college voor te leggen, en; b. bij de uitvoering van de vergunning het vastgestelde boombeschermingsplan na te leven. 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9961500/1