CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210021 Bijlage 3. Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 na vaststelling tweede tranche

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen34.310 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Verordening fysieke leefomgeving Leiden Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage 1 van deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. Artikel 1.2 Toepassingsbereik 1. Deze verordening gaat over: a. de fysieke leefomgeving, en; b. activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: a. bouwwerken; b. infrastructuur; c. watersystemen; d. water; e. bodem; f. lucht; g. landschappen; h. natuur; i. cultureel erfgoed; j. werelderfgoed. 3. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan; b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt; d. het nalaten van activiteiten. 4. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt, of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. 5. Deze verordening is niet van toepassing op bijzondere markten en/of braderieën waarvoor het gebruiken van gemeentegrond op grond van privaatrecht is met het college is geregeld en/of waarvoor op grond van de Algemene plaatselijke verordening een evenementenvergunning is verleend.

Artikel 1.3 Doel van deze verordening Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Artikel 1.4 Wijze van meten 1. Onder peil wordt verstaan: a. Voor bouwwerken die in of op het water worden gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse van het bouwwerk; b. Voor bouwwerken waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 2 cm; c. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 2 cm. 2. De afstand van de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is voor bomen vastgesteld op 50 centimeter en voor heesters en heggen op 0 centimeter. Artikel 1.5 Meest recente versie Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Bebouwde kom Paragraaf 2.1.1 Terrassen Artikel 2.1.1.1 Algemene voor terrassen (Regels terrassen) Het college kan gebieden aanwijzen waar het niet is toegestaan een terras te hebben. Paragraaf 2.1.2 Markten Artikel 2.1.2.1 Reguliere warenmarkten (Instellingsbesluit markten) Het college stelt de volgende reguliere warenmarkten in: a. Dinsdag, bij winkelcentrum de Luifelbaan/Bevrijdingsplein in Leiden Zuidwest, van 08.00 tot 13.00 uur; b. Woensdag, in het centrum, Nieuwe Rijn, Vismarkt, Visbrug, Botermarkt, Aalmarkt en de Koornbeursbrug, van 08.00 tot 17.00 uur. Een deel van deze markt is exclusief bestemd voor de biologische markt. Op de inrichtingskaart die bij het inrichtingsplan van deze markt hoort, is ingetekend welke standplaatsen daarvoor zijn bestemd; c. Donderdag, bij winkelcentrum de Stevensbloem in de Stevenshof, van 09.00 tot 16.00 uur; d. Vrijdag, bij winkelcentrum de Kopermolen in de Merenwijk van 10.00 tot 17.00 uur; e. Zaterdag, in het centrum, Nieuwe Rijn, Vismarkt, Visbrug, Botermarkt, Gangetje, Karnemelksbrug, Aalmarkt, Koornbeursbrug en Koornbrugsteeg, en de Nieuwstraat, van 08.00 tot 17.00 uur. Artikel 2.1.2.2 Inrichtingsplan (Marktverordening) 1. Het college stelt voor iedere markt een inrichtingsplan vast. Dat plan bevat in ieder geval: a.

een aanduiding van de dagen en de uren waarop en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd); b. een kaart van de markt; c. indien van toepassing: de mededeling dat het anciënniteitsstelsel van toepassing is; d. een aanduiding van de manier waarop vergunning op grond van deze verordeningen kunnen worden verleend;

e. voor zover van toepassing: dat het verbod om te bedienen zonder vergunning geldt, en het maximum aantal bedienvergunningen dat kan worden verleend. 2. Op de kaart moeten de volgende zaken worden aangegeven: a. de grenzen van de markt; b. de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor houders van een vergunning voor een vaste standplaats; c. voor zover van toepassing: de afmetingen of maten van de standplaatsen; d. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar een of meer branches of artikelgroepen voorrang hebben, en indien van toepassing de maximum aantallen vaste standplaatsvergunningen die kunnen worden afgegeven voor één of meer branches of artikelgroepen, of combinaties daarvan; e. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar houders van een dagplaatsvergunning voorrang hebben; f. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar houders van een standwerkvergunning voorrang hebben; g. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor standplaatsen die zijn voorzien van bakinstallaties of andere voorzieningen die bedoeld zijn voor het verhitten of warmhouden van voedingsmiddelen; h. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor houders van een bedienvergunning; i. voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor het opstellen van kraammateriaal. 3.

Als bij de aanvang van de markt een standplaats die is bedoeld voor de houder van een vergunning voor een vaste standplaats nog niet door de vergunninghouder of zijn plaatsvervanger is ingenomen, kan voor die plaats een dagplaatsvergunning worden afgegeven. 4. Het inrichtingsplan is tijdens de markttijd bij de markt aanwezig en in te zien. Artikel 2.1.2.3 Biologische markt (Marktverordening) 1. Het college kan een biologische markt instellen. 2. Op de biologische markt mogen uitsluitend biologische producten worden verhandeld. 3. Voor deze markt wordt een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.2 vastgesteld. Artikel 2.1.2.4 Lakenmarkt en 3 oktobermarkt (Marktverordening) 1. Het college kan een speciale markt instellen voor de Lakenmarkt tijdens de Lakenfeesten en voor de 3 oktobermarkt tijdens de viering van Leidens Ontzet. 2. Voor deze markten worden een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.2 vastgesteld. Artikel 2.1.2.5 Geen markt op feestdagen (Instellingsbesluit markten) Op Nieuwjaarsdag, eerste en tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinksterdag en op eerste en tweede Kerstdag wordt geen markt gehouden. Op verzoek van de Commissie Ambulante Handel kan worden bekeken of de warenmarkt op een andere dag kan worden gehouden. Als 3 oktober op een woensdag of een zaterdag valt wordt er geen markt gehouden.

Artikel 2.1.2.6 Afwijking reguliere warenmarkt (Instellingsbesluit markten) Het college kan afwijken van artikel 2.1.2.1 en bepalen dat om dringende redenen een markt tijdelijk zal plaatsvinden op: a. een andere dag; b. een andere tijd, of; c. een andere plaats. Artikel 2.1.2.7 Afgelasten of anders inrichten markt (Instellingsbesluit markten) Het college kan een markt geheel of gedeeltelijk afgelasten of opdragen dat een markt geheel of gedeeltelijk anders wordt ingericht, als dit nodig is in het kader van het algemeen belang, ter uitvoering van werken of in het geval van extreme weersomstandigheden. Artikel 2.1.2.8 Mandaatverboden (Marktverordening) De bevoegdheid om inrichtingsplannen vast te stellen en te wijzigen kan niet worden gemandateerd. Afdeling 2.2 Water Paragraaf 2.2.1 Ligplaatsenplan Artikel 2.2.1.1 Categorieën bedrijfs- en pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De gemeenteraad kan bij of krachtens deze verordening in het ligplaatsenplan verschillende categorieën ligplaatsen vaststellen voor bedrijfs- en pleziervaartuigen. Artikel 2.2.1.2 Vaststelling ligplaatsenplannen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De gemeenteraad stelt een ligplaatsenplan vast waarin staat op welke locaties ligplaatsvergunningen voor pleziervaartuigen en bedrijfsvaartuigen zijn toegestaan (bijlage 2 van deze verordening). 2.

Per ligplaats kunnen voorschriften worden gegeven over: a. de toegestane categorie of categorieën vaartuigen; b. het toegestane aantal vaartuigen; c. de minimale afstand tussen vaartuigen of tussen ligplaatsen; d. de maximale afmetingen en diepgang die vaartuigen mogen hebben om een ligplaats in te nemen. 3. In het ligplaatsenplan kunnen bestaande afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens worden vastgelegd. 4. Het college kan aan bestaande afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens nadere eisen stellen. 5. Het college kan nieuwe afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens aanwijzen en daaraan nadere eisen stellen. Afdeling 2.3 Cultureel erfgoed Paragraaf 2.3.1 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2.3.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister (Erfgoedverordening) 1. Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien. 2. In het gemeentelijk erfgoedregister staan:

a. Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten; b. Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat; c. Gegevens over de afschriften die het college heeft ontvangen van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister zoals bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. Paragraaf 2.3.2 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument Artikel 2.3.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Erfgoedverordening) 1. Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. 2. Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 3. De zakelijk gerechtigden kunnen gedurende vier weken na de bekendmaking van de agenda van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden schriftelijk reageren op het voornemen tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument. 4. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten; b.

monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel 2.3.2.2 Termijn aanwijzingsbesluit Het college beslist binnen 14 weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden zoals bedoeld in artikel 6.2.1.1, maar in ieder geval binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel het bekendmaken van het voornemen als bedoeld in artikel 2.3.2.1, tweede lid. Artikel 2.3.2.3 Voorlopige aanwijzing bij spoed (Erfgoedverordening) 1. In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument, zonder toepassing van artikel 2.3.2.1, tweede en derde lid, en artikel 6.2.1.1, eerste lid. 2. Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikel 3.5.1.1, 3.5.1.2 en 6.2.3.1 van deze verordening van toepassing. 3. De voorlopige aanwijzing vervalt na 26 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing. 4. Bij het voorbereiden van het definitieve besluit over de aanwijzing zijn artikel 2.3.2.1 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.3.2.4 Bekendmaking en registratie (Erfgoedverordening) 1. De aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, en in artikel 2.3.2.3, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Wanneer een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 3. In het erfgoedregister staan in ieder geval de locatie en kadastrale gegevens van het beschermd gemeentelijk monument, de datum van de aanwijzing en een beschrijving van het gemeentelijk monument. Artikel 2.3.2.5 Wijzigen van de aanwijzing (Erfgoedverordening) 1. Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, de aanwijzing wijzigen. 2. Bij het wijzigen van de aanwijzing zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing. 3. Als de wijziging volgens het college van ondergeschikte betekenis is, zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 niet van overeenkomstige toepassing. 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Artikel 2.3.2.6 Intrekken en vervallen van de aanwijzing (Erfgoedverordening) 1. Het college kan de aanwijzing intrekken. 2.

Als het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing. 3. De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop het wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. 4. De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Paragraaf 2.3.3 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht Artikel 2.3.3.1 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, groepen van onroerende zaken aanwijzen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. 2. Als een stadsgezicht is aanwezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening, kunnen deze niet worden aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Artikel 2.3.3.2 Termijn aanwijzingsbesluit en registratie in erfgoedregister (Erfgoedverordening) 1. De gemeenteraad beslist binnen 14 weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden als bedoeld in artikel 6.2.2.1, maar in ieder geval binnen 26 weken na de adviesvraag. 2.

Een aangewezen gemeentelijk beschermd stadsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 2.3.3.3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Hierop zijn artikel 2.3.3.2, eerste lid, en artikel 6.2.2.1, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het gaat om een aanpassing van ondergeschikte betekenis, of het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig teniet is gegaan. 2. Een aanwijzing vervalt zodra het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stadsgezicht op grond van een provinciale verordening. 3. Wanneer de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 2.3.3.4 Vaststellen beschermend bestemmingsplan (Erfgoedverordening) 1. De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro vast ter bescherming van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht wordt hier een termijn voor gesteld. 2.

Het college bepaalt bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht of de geldende bestemmingsplannen als beschermende plannen kunnen worden aangemerkt, dan wel een beheersverordening als bedoeld in de Wro kan worden vastgesteld. Afdeling 2.4 Groen Paragraaf 2.4.1 Groene Kaart Artikel 2.4.1.1 Aanwijzing beschermde houtopstand (Bomenverordening, Nadere regels Bomenverordening) 1. Het college stelt de Groene Kaart en het bijbehorende register vast. 2. Belanghebbenden en eigenaren kunnen aan het college een voorstel doen om een houtopstand aan de Groene Kaart toe te voegen of te verwijderen. 3. Houtopstanden op gronden die eigendom zijn van een particulier, kunnen alleen met schriftelijke toestemming van die rechthebbende aan de Groene Kaart worden toegevoegd of verwijderd. 4. Het college besluit één keer per jaar, bij de actualisatie van de Groene Kaart, over de voorstellen om houtopstanden aan de Groene Kaart toe te voegen of daarvan te verwijderen. Artikel 2.4.1.2 De Groene Kaart en het bijbehorende register (Bomenverordening, Nadere regels Bomenverordening) 1. De Groene Kaart bestaat uit een topografische ondergrond waarop de beschermde solitaire bomen, boomstructuren en boomgebieden zijn ingemeten. 2.

Beschermde solitaire houtopstanden worden op de Groene Kaart en in het bijbehorende register verder aangeduid als herdenkingsboom, monumentale boom, toekomstboom of waardevolle boom.

3. Het register bevat: a. de x- en y-coördinaten van de houtopstand; b. de Nederlandse soortnaam en de wetenschappelijke soortnaam; c. de rechthebbende van de houtopstand; d. de redenen waarom de houtopstand is aangeduid als beschermde solitaire houtopstand, beschermde boomstructuur of beschermd boomgebied; 4. In de aanduiding in het register waarom de houtopstand op de Groene Kaart is opgenomen worden één of meer van de volgende waarden genoemd en inhoudelijk beschreven: a. natuur- en milieuwaarden; b. landschappelijke waarden; c. cultuurhistorische waarden; d. waarden van stadsschoon; e. waarden voor recreatie en leefbaarheid; f. waarde voor de groene hoofdstructuur van de stad. 5. Het beheersysteem openbare ruimte bevat: a. een statische kaart met de bindende datum ‘1 oktober’ en het jaartal, en; b. een digitale/interactieve kaart. 6. Bij verschillen tussen de statische kaart en de digitale kaart, zijn de digitale kaart en het bijbehorende register leidend bij het toepassen van deze verordening. Artikel 2.4.1.3 Het voorstel tot aanwijzing of afvoer (nadere regels Bomenverordening) 1. Het voorstel om een houtopstand aan de Groene Kaart toe te voegen of daarvan te verwijderen bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de naam en het adres van degene die het voorstel doet en van de rechthebbende; b. de x- en y-coördinaten van de houtopstand; c.

de soort, leeftijd en vitaliteit van de houtopstand; d. de argumenten om een houtopstand aan de Groene Kaart toe te voegen of daarvan te verwijderen op basis van de waarden als genoemd in de Bomenverordening Leiden 2015. 2. De waarden als bedoeld in artikel 2.4.1.2, vierde lid zullen op de volgende manier worden gewaardeerd: a. Natuur- en milieuwaarden (maximaal 40 punten). i. De houtopstand heeft een ecologische functie voor beschermde plant- of diersoorten die afhankelijk zijn van de betreffende boomsoort. De beschermde soorten komen voor binnen een straal van 500 meter (20 punten). ii. De houtopstand is onderdeel van het leefgebied (voedsel of rustplaats) van één of meerdere inheemse soorten (10 punten). iii. De houtopstand draagt op zichzelf bij aan de klimaatadaptatie van de stad (opvangen hemelwater en schaduw) (5 punten). iv. De houtopstand heeft een belangrijke functie voor het opvangen van fijnstof (5 punten). b. Landschappelijke waarden (10 punten).

i. De houtopstand is kenmerkend voor een van de landschapstypen (landgoederenlandschap, veenweidelandschap en waterlandschap) zoals omschreven in het ‘Ecologisch beleidsplan Leiden’ (10 punten). c. Cultuurhistorische waarden (10 punten). i. De houtopstand heeft een duidelijke relatie met de ruimtelijke kenmerken van zijn omgeving of is gekoppeld aan een historisch gebruik (10 punten). d. Waarden van stadsschoon (maximaal 20 punten). i. De houtopstand heeft een bijzondere verkleuring in de herfst, bladvorm, herfstproducten en/of bloeiwijze (5 punten). ii. De houtopstand is geplant zoals deze architectonisch, stedenbouwkundig of landschappelijk is bedoeld (5 punten). iii. De habitus/groeivorm van de houtopstand benadert de natuurlijke vorm en is vrij uitgegroeid (5 punten). iv. De variëteit van de houtopstand is zeldzaam en vormt 2% of minder van het Leidse bomenbestand (5 punten). e. De waarden voor recreatie en leefbaarheid (10 punten). i. De houtopstand staat in een gebied voor recreatie (10 punten). f. Waarde voor de groene hoofdstructuur van de stad (10 punten). i. De houtopstand staat in de groene hoofdstructuur van Leiden, zoals vastgelegd in de structuurvisie Leiden 2025 (10 punten). Artikel 2.4.1.4 Jaarlijkse vaststelling van de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) 1. Het college kan de Groene Kaart en het bijbehorende register jaarlijks herzien.

Daarbij wordt een overzicht gegeven van de tussentijdse veranderingen op de Groene Kaart. 2. Als de Groene Kaart met het bijbehorende register definitief wordt vastgesteld, wordt deze van de nieuwe bindende datum met jaartal voorzien. 3. Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, handhavingsbesluiten en daaraan verbonden maatregelen die betrekking hebben op een beschermde houtopstand worden getoetst aan de Groene Kaart die geldt op de datum van de binnenkomst van de aanvraag of van de bekendmaking van het ontwerp handhavingsbesluit.

Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Inleidende bepalingen Paragraaf 3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1.1.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving Artikel 3.1.1.2 Vergunningplicht Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning voor nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning.

Paragraaf 3.1.2 Bepalingen ten aanzien van vergunningen Artikel 3.1.2.1 Beslistermijn (APV) 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2. Het college kan de termijn met maximaal acht weken verlengen. 3. Als beslist wordt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, en een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.3, tweede lid uit deze verordening, is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. Artikel 3.1.2.2 Voorschriften en beperkingen (APV) 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 3.1.2.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing (APV) De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 3.1.2.4 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (APV) 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.

voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend; c. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn; e. de houder dit verzoekt. 2. Naast deze intrekkings- en wijzigingsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden. Artikel 3.1.2.5 Termijnen (APV) De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 3.1.2.6 Weigeringsgronden (APV) 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.

2. Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Afdeling 3.2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Paragraaf 3.2.1 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Artikel 3.2.1.1 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen (Bouwverordening) 1. Het college kan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden, als zij van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. 2. Voor het vormen van dit oordeel maakt het college van een onderzoeksrapport en/of andere bij haar bekende onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de Regeling omgevingsrecht, dan wel een saneringsplan op grond van artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming. 3. Deze voorwaarden kunnen worden gesteld naast de voorwaarden uit artikel 3.2.1.2 en artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht. Artikel 3.2.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (Bouwverordening) Er mag niet worden gebouwd op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers is te verwachten, voor zover dat bouwen betrekking heeft op: a.

een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en dat de grond raakt, of waarvan het ter plaatse toegestane gebruik wordt gewijzigd. Artikel 3.2.1.3 Het onderzoek naar bodemverontreiniging (Bouwverordening) 1. Het onderzoek met betrekking tot de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. 2. Als op basis van het vooronderzoek de aanleiding bestaat te veronderstellen dat er asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, wordt het onderzoek ook uitgevoerd volgens NEN 5707. 3. De verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, met uitzondering van de in deze artikelen genoemde hoogtebepalingen. 4.

Als voor toepassing van artikel 3.2.1.2 bij het college al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, staat het college het toe geheel of gedeeltelijk af te wijken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 5. Als voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is, dan wel dat de gerezen verdenkingen

een volledig onderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen, kan het college toestaan dat gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 6. Als er niet kan worden begonnen met bouwen nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek worden uitgevoerd nadat is gesloopt, maar voordat is begonnen met de bouw. Paragraaf 3.2.2 Huisvesting Artikel 3.2.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte (Huisvestingsverordening) 1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college: a. woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, dan wel met een huurprijs beneden de huurprijsgrens, geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar; b. woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, dan wel een huurprijs beneden de huurprijsgrens, geheel of gedeeltelijk samen te voegen, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar; c. zelfstandige woonruimten om te zetten in onzelfstandige woonruimten; d. woonruimten te verbouwen tot twee of meer zelfstandige woonruimten, als ten minste één van de te vormen woonruimten een gebruiksoppervlakte heeft van 40m2 of minder. 2.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: a. ten aanzien van woonwagens; b. ten aanzien van woningen van een woningcorporatie die ten behoeve van herstructurering worden gesloopt; c. in gevallen waar sprake is van inwoning. Artikel 3.2.2.2 Aanvraag vergunning (Huisvestingsverordening) 1. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag worden, naast het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, ten minste de volgende gegevens verstrekt: a. Het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; b. De naam en het adres van de aanvrager, zijnde de eigenaar van de woonruimte of het gebouw; c. Straat, huisnummer(s), kadastrale aanduiding(en) en huur- of koopprijs van de betrokken woonruimte(n); d. Een omschrijving van de activiteit waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, waarbij ten minste wordt aangegeven: i. Ten behoeve van welke (andere) bestemming een woonruimte aan de bestemming tot bewoning wordt onttrokken, en welk deel van de woonruimte dit betreft, of; ii. Welke woonruimten worden samengevoegd, of;

iii. Het aantal (on)zelfstandige woonruimten waarin een zelfstandige woonruimte wordt omgezet; e. De gewenste vergunningstermijn; f. De gegevens over de bestaande situatie, waaronder, voor zover van toepassing, de huur- of koopprijs, het aantal kamers, de gebruiksoppervlakte, de woonlaag en de staat van onderhoud; g. De gegevens over de beoogde situatie, waaronder, voor zover van toepassing, de huurprijs, het aantal kamers, het aantal bewoners en de bouwtekening of omgevingsvergunning; h. Bij een aanvraag om een vergunning voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte: gegeven waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de regels zoals gesteld in de vastgestelde Beleidsregel onttrekking en woningvorming, zoals een geluidsisolatieplan. Artikel 3.2.2.3 Voorwaarden en voorschriften (Huisvestingsverordening) Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 kunnen voorwaarden en voorschriften worden verbonden over onder andere: a. een beperkte geldingsduur van de vergunning als deze voorziet in een tijdelijke behoefte; b. de periode waarbinnen van de vergunning gebruik moet worden gemaakt; c. de voorwaarde dat de huurprijs wordt bepaald op grond van het woningwaarderingssysteem volgens de Huurprijzenwet woonruimte; d. geluidsisolatie-eisen; e. goed verhuurderschap; f. het voorkomen van overlast; g.

het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning waarop de aanvraag betrekking heeft, als de vergunning betrekking heeft op het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimten of meerdere zelfstandige woonruimten. Artikel 3.2.2.4 Weigeringsgronden (Huisvestingsverordening) 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt in ieder geval geweigerd als: a. Naar het oordeel van het college het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het belang dat met het onttrekken, samenvoegen, omzetten of woningvorming wordt gediend; b. Het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de betreffende woning; c. De onder a en b genoemde belangen niet voldoende kunnen worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning; d. Het verlenen van de vergunning zou leiden tot strijdigheid met de voorschriften uit het bouwbesluit of het ter plaatse geldende bestemmingsplan. 2. Een vergunning als bedoeld in artikel 21, onder c, van de Huisvestingswet, wordt in ieder geval ook geweigerd als: a. Het verlenen van de vergunning zou leiden tot het overschrijden van het maximum percentage onttrokken woningen per straat, zoals bedoeld in de vastgestelde Beleidsregel onttrekking en woningvorming;

b. Er tussen de woningen met onzelfstandige ruimte horizontaal, en indien van toepassing verticaal, niet ten minste 2 aaneengesloten zelfstandige woonruimten of andere panden niet zijnde woonruimte zijn. 3. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 onder d, van de Huisvestingswet, wordt geweigerd als ten minste één van de te realiseren woonruimtes een gebruiksoppervlakte heeft van minder dan 24m2. 4. Het college kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid als de aanvraag voor een onttrekkingsvergunning is bedoeld voor het huisvesten van kwetsbare groepen. Artikel 3.2.2.5 Intrekking (Huisvestingsverordening) Het college kan in aanvulling op het bepaalde in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.2.1 intrekken als: a. de woning niet in goede staat van onderhoud wordt gehouden; b. er sprake is van aantoonbare en stelselmatige overlast waardoor het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen niet langer aanvaardbaar is, en dit niet kan worden opgelost door het stellen van nadere voorwaarden en voorschriften; c. de feitelijke situatie of het feitelijk gebruik niet meer in overeenstemming is met de vergunde situatie. Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 3.3.1 Festiviteiten en geluidhinder Artikel 3.3.1.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten (APV) 1.

Het college kan per kalenderjaar collectieve festiviteiten met daarbij dagen of dagdelen aanwijzen wanneer de geluidsnormen als bedoeld in artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.3.1.4 van deze verordening niet gelden. 2. Het college kan per kalenderjaar collectieve festiviteiten met daarbij dagen of dagdelen aanwijzen wanneer de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet gelden. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing alleen geldt in een of meerdere delen van de gemeente. 4. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college het eindtijdstip bepalen en andere maximaal toelaatbare geluidsniveaus vaststellen, maar deze mogen niet meer bedragen dan 70 dB(A) én 80 dB(C), gemeten op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. 5. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid mag het equivalente geluidniveau Leq,T dat wordt veroorzaakt door de inrichting niet meer dan 55 dB(A) bedragen in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden terwijl de ramen en deuren van de woning gesloten zijn. 6. Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht.

Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 3.3.1.2 Melding incidentele festiviteiten (APV) 1. Mits de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting mag maximaal 12 incidentele

festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.3.1.4 van deze verordening niet van toepassing zijn. 2. Mits de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, en tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. 5. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het college op het verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, meteen toestaat. 6. Het equivalente geluidniveau Leq,T dat wordt veroorzaakt door de inrichting mag niet meer bedragen dan 70 dB(A) én 80 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, en 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden terwijl de ramen en deuren van de woning gesloten zijn. 7.

Als dagen bedoeld in het eerste lid op een zondag tot en met donderdag vallen wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. 8. Als dagen bedoeld in het eerste lid op een vrijdag of zaterdag vallen wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 9. Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 10. Op dagen als bedoeld in het tweede lid wordt de verlichting uiterlijk om 00.00 uur gedoofd. 11. De drijver van de inrichting waar een incidentele festiviteit plaatsvindt, licht omwonenden binnen een straal van 50 meter van de inrichting minstens 48 uur voor het begin van de festiviteit daarover in op de manier die is aangegeven op het meldingsformulier. 12. Een aanwezige omroepinstallatie mag alleen worden gebruikt voor het aankondigen van het starten of beëindigen van wedstrijd- of feestonderdelen. Artikel 3.3.1.3 Wijze van geluidmeten (APV) 1. Metingen en berekeningen ter controle van de eerder genoemde geluidniveaus worden gedaan volgens de HMRI-99. 2.

In tegenstelling tot de HMRI-99 worden op het gemeten signaal in dB(A) of dB(C) geen correcties meer toegepast. 3. In tegenstelling tot de HMRI-99 mogen metingen ook worden uitgevoerd met een, volgens de specificaties van IEC-publicatie 60651, type 2 geluidniveaumeter. 4. Metingen in de buitenlucht vinden plaats op een hoogte van minimaal 1,5 meter en maximaal 2 meter boven het plaatselijk maaiveld. 5. Metingen in geluidgevoelige ruimten vinden plaats op minstens 1,5 meter boven de vloer, 1,5 meter van ramen en 1 meter van muren.

6. Als het geluidniveau op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van het geluidgevoelig gebouw gezien als geluidgevoelige ruimten alleen op de hoger gelegen etages aanwezig zijn. Artikel 3.3.1.4 Overige geluidhinder (APV) 1. Buiten een inrichting is het niet toegestaan handelingen te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening. 4. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 3.3.2 Overige milieubelastende activiteiten Artikel 3.3.2.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke (APV) 1.

In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Afdeling 3.4 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Paragraaf 3.4.1 Algemene bepalingen met betrekking tot ligplaatsvergunningen Artikel 3.4.1.1 Verbodsbepalingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Het is niet toegestaan een ligplaats in het openbaar water in te nemen met een vaartuig of ander drijvend voorwerp zonder een vergunning van het college. 2.

Het is niet toegestaan een vaartuig, met uitzondering van woonschepen, te gebruiken om te overnachten of voor tijdelijk of permanent woonverblijf, buiten de daarvoor in het ligplaatsenplan aangewezen passantenhavens. Artikel 3.4.1.2 Tijdelijke ligplaatsen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Het is toegestaan een tijdelijke ligplaats in te nemen in de daartoe aangewezen passantenhavens of op de passantenligplaatsen zoals die zijn opgenomen in het ligplaatsenplan.

Artikel 3.4.1.3 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een vergunning voor een ligplaats die op grond van deze verordening is verleend kan niet worden overgedragen, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. De vergunninghouder mag de ligplaats waar een vergunning voor is verleend niet verhuren of op andere manier aan een ander in gebruik geven. 3. De vergunninghouder zorgt dat de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. Artikel 3.4.1.4 Algemene weigeringsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een vergunning voor een ligplaats op grond van deze verordening kan worden geweigerd als: a. de aanvraag niet in overeenstemming is met de voorschriften die door het college zijn gesteld; b. dit in strijd is met het bestemmingsplan; c. de toestand van het vaartuig, bijvoorbeeld de technische en uiterlijke staat van onderhoud, daartoe aanleiding geeft; d. alle betreffende ligplaatsen bezet zijn; e. het innemen van de ligplaats feitelijk onmogelijk is; f. dit in het belang van de veiligheid, verkeersveiligheid, het milieu of de welstand noodzakelijk is. 2. Er kunnen per categorie vaartuig bij of krachtens deze verordening nog aanvullende weigeringsgronden worden bepaald. Artikel 3.4.1.5 Algemene intrekkings- of wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.

De vergunning voor een ligplaats kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. de gegevens die zijn verstrekt onjuist of onvolledig blijken en op basis van de juiste gegevens een andere beslissing zou zijn genomen over de aanvraag; b. de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend; c. de gegevens in de vergunning niet meer kloppen met de werkelijke situatie; d. niet aan de voorschriften die bij of krachtens deze verordening zijn gegeven wordt voldaan; e. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nagekomen; f. de vergunninghouder hierom vraagt; g. de vergunninghouder het verschuldigde binnenhavengeld, als bedoeld in de Verordening binnenhavengeld, niet betaalt; h. het college van mening is dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het vergunde negatief wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het vergunde; i. de toestand van het vaartuig, bijvoorbeeld de technische en uiterlijke staat van onderhoud, daartoe aanleiding geeft, of als de toestand het uiterlijk aanzien van de gemeente aantast, of het landschap verstoort; j. de ligplaats niet wordt gebruikt waarvoor deze is bedoeld. 2. Er kunnen per categorie vaartuig bij of krachtens deze verordening nog aanvullende intrekkings- of wijzigingsgronden worden bepaald.

Artikel 3.4.1.6 Voorschriften en beperkingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een vergunning voor een ligplaats kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend, afhankelijk van waar de vergunning voor bedoeld is. 2. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de hierna genoemde belangen. 3. De voorschriften en beperkingen, zoals bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: a. de bescherming van de kwaliteit van het water of de bodem; b. het voorkomen van gevaar, schade of hinder; c. de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer, zowel op het water als op het land; d. de bescherming en het ongestoorde gebruik van naburige ligplaatsen; e. de afstemming met andere gebruikers van het openbaar water; f. het bepalen van het tijdstip waarop de ligplaats feitelijk in gebruik mag of moet worden genomen; g. de omvang van de ligplaats waarbinnen het vaartuig moet worden aangelegd; h. het uiterlijk van het vaartuig als naar mening van het college afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente of het landschap verstoort; i. de bescherming van het historisch- en archeologisch erfgoed. 4. Het college kan de vergunning wijzigen met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen. 5. De vergunninghouder is verplicht de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 3.4.1.7 Verplaatsen van vaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Het college kan de vergunninghouder schriftelijk de opdracht geven een vaartuig te verplaatsen of te doen verplaatsen naar een andere ligplaats, als dit nodig is in het kader van de bescherming van de openbare orde, de veiligheid of het milieu in, op of aan het water. 2. Als de vergunninghouder de opdracht uit het eerste lid niet opvolgt, kan het college besluiten het vaartuig te verplaatsen of te doen verplaatsen. Het risico en de kosten zijn hierbij voor de vergunninghouder. 3. In spoedeisende gevallen, of als de vergunninghouder niet bekend is, kan het college besluiten het vaartuig direct te verplaatsen of te doen verplaatsen. Het risico en de kosten zijn voor de vergunninghouder. Artikel 3.4.1.8 Nakoming aanwijzingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De vergunninghouder is bij het innemen van een ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden door de gemeente aan of nabij de ligplaats verplicht de aanwijzingen op te volgen die door of namens het college worden gegeven. Artikel 3.4.1.9 Meldingsplicht (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De vergunninghouder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, en beschadigingen, die betrekking hebben op zijn ligplaats direct te melden aan het college.

Artikel 3.4.1.10 Termijn voor verwijdering (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Als de ligplaatsenvergunning (van rechtswege) vervalt, wordt opgezegd of ingetrokken moet de vergunninghouder het/de vaartuig(en) direct, dan wel binnen een door het college te bepalen termijn, verwijderen en verwijderd houden. Paragraaf 3.4.2 Ligplaatsen voor pleziervaartuigen Artikel 3.4.2.1 Aanvraag ligplaatsvergunning voor pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De aanvraag voor een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt digitaal ingediend. Het college stelt hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. 2. Het college beslist binnen acht weken over de aanvraag van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig, gerekend vanaf de dag nadat het aanvraagformulier is ingediend. 3. Een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.4, geweigerd als: a. de aanvrager niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Leiden; b. de aanvrager niet beschikt over een pleziervaartuig en/of het niet aannemelijk is dat de aanvrager de betreffende ligplaats binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag kan innemen met een pleziervaartuig; c.

de lengte van het pleziervaartuig, wanneer het is gelegen aan een particuliere wal, groter is dan de maat van het aan het water grenzende deel van het betreffende perceel. 4. De ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt gekoppeld aan de naam van de aanvrager. De vergunning vermeldt de plaatsaanduiding van de betreffende ligplaats en de kenmerken van het pleziervaartuig, waaronder in ieder geval de lengte, breedte, kleur en naam. Artikel 3.4.2.2 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een verleende ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig is persoonsgebonden. 2. Als de vergunninghouder komt te overlijden vervalt zes maanden na de datum van overlijden de ligplaatsvergunning van rechtswege. 3. Als de vergunninghouder niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Leiden, vervalt een jaar na de datum van uitschrijving uit de gemeente Leiden de ligplaatsvergunning van rechtswege. 4. Als de vergunninghouder komt te overlijden, kan het college de vergunning overschrijven op naam van de gehuwd of geregistreerd partner. Dit gebeurt met instemming van de gehuwd of geregistreerd partner. De overschrijving wordt binnen zes maanden geregeld. 5.

Als de gehuwd of geregistreerd partner als bedoeld in het vierde lid zelf al een ligplaatsvergunning heeft, kan de vergunning van de overleden vergunninghouder niet worden overgeschreven.

Artikel 3.4.2.3 Wachtlijst ligplaatsvergunning pleziervaartuig (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Gegadigden voor het verkrijgen van ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig kunnen zich (laten) inschrijven op een wachtlijst die wordt gepubliceerd op de website van de gemeente Leiden. Het college stelt hiervoor een formulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. 2. Vergunninghouders die al in het bezit zijn van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig die in aanmerking willen komen voor een andere ligplaats kunnen zich ook op de wachtlijst (laten) plaatsen. 3. De volgorde op de wachtlijst wordt bepaald op basis van de datum en het tijdstip waarop de aanvraag is binnengekomen. 4. Het college stelt periodiek vrijgekomen ligplaatsen beschikbaar aan alle op de wachtlijst geplaatste gegadigden. 5. Nadat een ligplaats is toegewezen aan een gegadigde die op de wachtlijst stond ingeschreven, vervalt deze registratie. 6. Als aan een gegadigde zoals bedoeld in lid twee een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt verleend, vervalt de eerder aan deze gegadigde verleende ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig. Artikel 3.4.2.4 Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.

Als de vergunninghouder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig is begonnen met het zichtbaar gebruiken van de ligplaats zoals beschreven in de vergunning, komt de vergunning van rechtswege te vervallen. Het college kan hiervan afwijken in het besluit tot toekenning van de vergunning. 2. Het college kan, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.5, eerste lid, de ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wijzigen of intrekken als: a. dit nodig is vanwege het uitvoeren van werken en/of evenementen; b. het pleziervaartuig bedrijfsmatig wordt gebruikt. Artikel 3.4.2.5 Voeren vergunningsticker (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De vergunninghouder ontvangt jaarlijks een vergunningsticker van het college. 2. De vergunninghouder is verplicht de vergunningsticker aan te brengen op zijn vaartuig. De vergunningsticker moet zo zijn aangebracht dat deze van buitenaf goed zichtbaar is. Paragraaf 3.4.3 Ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen Artikel 3.4.3.1 Nadere regels omtrent vergunningverlening (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Het college stelt nadere regels op met betrekking tot het proces van vergunningverlening, waaronder begrepen – maar niet beperkt tot – de vorm en de inhoud van de aanvraag, de verdelings- en verleningssystematiek, en de wachtlijst en manier waarop deze wordt gebruikt.

Artikel 3.4.3.2 Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Een verleende ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is gebonden aan de (rechts)persoon aan wie de vergunning is verleend.

2. De verleende ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen vervalt bij het faillissement van de (rechts)persoon van rechtswege. Artikel 3.4.3.3 Weigeringsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.4, geweigerd als: a. de aanvrager niet beschikt over een bedrijfsvaartuig en/of het niet aannemelijk is dat de aanvrager de betreffende ligplaats binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag kan innemen met een bedrijfsvaartuig; b. de lengte van het bedrijfsvaartuig, wanneer het is gelegen aan een particuliere wal, groter is dan de maat van het aan het water grenzende deel van het betreffende perceel waar de beoogde ligplaats is gesitueerd en waarvan de aanvrager eigenaar of gebruiker is. Artikel 3.4.3.4 Overdracht vergunning in geval van bedrijfsoverdracht en wijzigen rechtsvorm (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. In afwijking van artikel 3.4.1.3 kan een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen worden overgedragen, als de vergunninghouder zijn gehele onderneming (waarin als activum de vergunning is opgenomen) of een afgebakend bedrijfsonderdeel (waarin als activum de vergunning is opgenomen) verkoopt en in eigendom aan een derde overdraagt. De oude en de nieuwe vergunninghouder melden dit direct schriftelijk aan het college. 2.

Als de vergunninghouder in een andere rechtsvorm wordt omgezet, meldt deze dit direct schriftelijk aan het college. 3. De aanvraag voor het overschrijven van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt ten minste zes weken voor de juridische eigendomsoverdracht digitaal ingediend. Het college stelt hiervoor een formulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op de aanvraag. Deze termijn kan met acht weken worden verlengd. 4. Het overschrijven van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt in ieder geval geweigerd als niet wordt voldaan aan wat daarover is bepaald bij of krachtens deze verordening. Artikel 3.4.3.5 Het gebruik van de ligplaats (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. De vergunninghouder van één of meerdere ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen mag die ligplaatsen voor al zijn bedrijfsvaartuigen gebruiken, mits de buitengrenzen van de individuele ligplaats niet worden overschreden. 2. De vergunninghouder van aaneengesloten ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen mag die ligplaatsen voor al zijn bedrijfsvaartuigen gebruiken, inclusief de vaartuigvrije zone van twee meter die tussen ligplaatsen wordt gerekend, mits de buitengrenzen van de gezamenlijk aaneengesloten ligplaatsen niet worden overschreden. 3.

De vergunninghouder van een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is verplicht het bedrijfsvaartuig op duidelijke manier te voorzien van de naam van de vergunninghouder. Artikel 3.4.3.6 Voorschriften en beperkingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. In de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen staat met welke categorie of categorieën bedrijfsvaartuigen de betreffende ligplaats mag worden ingenomen.

2. Door het college kunnen aan de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van het oogmerk van deze verordening. Artikel 3.4.3.7 Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1. Als de vergunninghouder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is begonnen met het zichtbaar gebruiken van de ligplaats zoals beschreven in de vergunning, komt de vergunning van rechtswege te vervallen. Het college kan hiervan afwijken in het besluit tot toekenning van de vergunning. 2. Het college kan, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.5, eerste lid, de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wijzigen of intrekken als: a. dit nodig is vanwege het uitvoeren van werken en/of evenementen; b. het vaartuig dat op de ligplaats is afgemeerd niet behoort tot of niet herkenbaar is als een van de bedrijfsvaartuigen van de vergunninghouder. Paragraaf 3.4.4 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare ruimten Artikel 3.4.4.1 Voorwerpen op of aan de weg (APV) 1. Het gebruiken van de weg of een weggedeelte, anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, is alleen toegestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend. 2.

De vergunning wordt als omgevingsvergunning verleend als het gebruik als bedoeld in het eerste lid een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik, op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. c. om overlast voor gebruikers van een nabij gelegen onroerende zaak te voorkomen of te beperken. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, van de APV; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 3.4.9.1; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. categorieën van voorwerpen die door het college zijn aangewezen; f. situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994. 6.

De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder c is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.4.4.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (APV) 1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.4.4.3 Maken, veranderen van een uitweg (APV) 1. Het maken van een uitweg naar de weg, of een verandering aanbrengen in een bestaande uitweg naar de weg, is alleen toegestaan als het college daar een omgevingsvergunning voor heeft verleend. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9961500/1