210021 Bijlage 3. Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 na vaststelling tweede tranche
Tekst van het document
Verder kunnen de volgende voorschriften aan de vergunning worden verbonden: a. een verbod om een houtopstand te vellen binnen een bepaalde periode vanwege een vaste rust- en verblijfplaats van een diersoort die volgens de Wet natuurbescherming beschermd is; b. de verplichting om een natuurtoets op te stellen over de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna; c. de verplichting om maatregelen te nemen om flora- en fauna die in en rond de houtopstand voorkomt te beschermen; d. aanwijzingen om nabijgelegen houtopstanden te beschermen. Artikel 3.6.1.8 Behandeling afvoeren beschermde houtopstand van de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) 1. Nadat de rechthebbende of de vergunninghouder een schriftelijke melding heeft gedaan van de datum van het feitelijk vellen van een beschermde houtopstand waarvoor de omgevingsvergunning onherroepelijk was, wordt de houtopstand doorgehaald op de Groene Kaart en in het bijbehorende register bij de jaarlijkse herziening. 2. Het doorhalen gebeurt pas als blijkt dat de voorschriften en beperkingen in de vergunning volledig zijn nagekomen. 3.
Een beschermde houtopstand die door illegale handelingen of mechanische kracht verloren is gegaan, wordt pas doorgehaald op de Groene Kaart en in het bijbehorende register, als de handhavingsbesluiten en -maatregelen die betrekking hebben op het verloren gaan van de houtopstand volledig en onherroepelijk zijn uitgevoerd.
Artikel 3.6.1.9 Herplant-/instandhoudingsplicht bij vellen zonder vergunning (Bomenverordening) 1. Als een houtopstand zonder vergunning is geveld terwijl daar wel een vergunning voor nodig was, kan het college bij een last onder bestuursdwang of onder dwangsom de verplichting opleggen aan de overtreder om te herplanten. De herplant vindt plaats volgens de bij een last onder bestuursdwang of onder dwangsom aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan de rechthebbende van de gevelde houtopstand en/of degene die de houtopstand heeft geveld of heeft laten vellen. 2. Als er niet fysiek kan worden herplant, moet de boomwaarde van de gevelde houtopstand als financiële bijdrage worden gestort in het Bomenfonds. 3. Bij de verplichting als bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat wanneer de herplant niet aanslaat, dat deze binnen één jaar moet worden vervangen op de aangegeven manier. 4. Als het voortbestaan van een beschermde houtopstand wordt bedreigd door menselijk handelen, kan het college aan de rechthebbende van de houtopstand, of aan degene die op een andere manier bevoegd is voorzieningen te treffen, in het kader van de op te leggen last onder bestuursdwang of last onder dwangsom, de verplichting opleggen om: a.
de activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stoppen en een onherroepelijk geworden omgevingsvergunning voor het kappen te hebben, voordat de activiteiten mogen worden voortgezet; b. volgens de aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn voorzieningen te treffen die de bedreiging wegnemen; c. de activiteiten die de bedreiging veroorzaken onmiddellijk te stopen en een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan het college voor te leggen; d. de schade die wordt veroorzaakt aan bomen die eigendom zijn van de gemeente te vergoeden door het bedrag van een boomschade taxatie door overtreder te laten vergoeden door een storting in het Bomenfonds. Artikel 3.6.1.10 Inhoud compensatieplan (nadere regels Bomenverordening) 1. Een compensatieplan maakt deel uit van de te verlenen omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, nadat het college het heeft goedgekeurd. 2. In het compensatieplan wordt het volgende bepaald: a. waar zal worden herplant, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving, aangegeven op een voldoende gedetailleerde kaart, of met x- en y-coördinaten; b. een omschrijving van de te herplanten houtopstand (soortnaam, maatvoering) en groeiplaats (bovengronds en ondergronds); c. een onderbouwing dat de waarde van de aanplant in verhouding staat tot die van de te vellen houtopstand; d.
een beheerplan voor de eerste drie jaren, gerekend vanaf de aanplant, waarin onder andere de termijn voor de eerste aanplant, inboetperioden, aanwijzingen voor plantgatvoorbereiding, verzorging- en groeibevorderende maatregelen, welk plantmateriaal, welke soort, de stamomtrek en het aantal is opgenomen. Artikel 3.6.1.11 Bestrijding iepziekte en andere boomziekten (Bomenverordening) 1. Als op een erf of terrein één of meer iepen zich bevinden die volgens het college gevaar opleveren voor het verspreiden van de iepziekte of voor vermeerdering van de
iepenspintkever, is de rechthebbende die daarvoor door het college is aangeschreven verplicht binnen de daarvoor gegeven termijn: a. de iepen te vellen als deze in de grond staan; b. de iepen ter plaatse te ontschorsen en de schors te vernietigen, of; c. de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of te behandelen zodat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is niet toegestaan gevelde iepen of delen daarvan te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede van minder dan 4 centimeter. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. Artikel 3.6.1.12 Noodkap (Bomenverordening) 1. Het college kan toestemming geven of de verplichting opleggen tot het uitvoeren van noodkap, als er sprake is van ernstig gevaar voor zaken of personen door instabiliteit van een houtopstand of een vergelijkbaar spoedeisend belang. 2. Als de rechthebbende daarvoor door het college is aangeschreven is hij verplicht, binnen de termijn die is gesteld bij de last onder dwangsom of onder bestuursdwang, aan de daarin gestelde verplichtingen en voorschriften te voldoen. Paragraaf 3.6.2 Dieren Artikel 3.6.2.1 Loslopende honden (APV) 1. De eigenaar of houder van een hond mag deze niet laten verblijven of laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en duidelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, of op een andere door het college aangewezen plaats; b. zonder dat die hond is aangelijnd; c. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of een sociale hulphond lat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 3.6.2.2 Bijen (APV) 1. Het is niet toegestaan bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven. b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot bodem en ondergrond Paragraaf 3.7.1 Algemene bepalingen met betrekking tot bodem en ondergrond Artikel 3.7.1.1 Handboek Leidingen (Leidingenverordening) Het college stelt ter uitvoering van deze verordening een Handboek Leidingen vast, waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de aanleg, het houden, het wijzigen en het verwijderen van kabels en leidingen. Paragraaf 3.7.2 Leidingen Artikel 3.7.2.1 Verbodsbepaling (Leidingenverordening) 1. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning, in, op of boven de openbare ruimte, leidingen: a. aan te leggen; b. te houden; c. te onderhouden; d. te verwijderen. 2. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning, in of op infrastructurele voorzieningen, leidingen: a. aan te leggen; b. te houden; c. te onderhouden; d. te verwijderen. 3. Het is niet toegestaan om zonder of in afwijking van een vergunning bestaande leidingen: a. te wijzigen; b. te verplaatsen; c. een andere functie te geven dan in de vergunning is omschreven. Artikel 3.7.2.2 Aanvragen vergunning (Leidingenverordening) 1. Het college verleent een vergunning op aanvraag aan de leidingexploitant, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 2.
De aanvraag om een vergunning wordt digitaal ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat is gepubliceerd op de website van de gemeente Leiden. 3. Het college stelt in het Handboek Leidingen vast welke gegevens en documenten nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4. In het geval van reparaties en het maken van huisaansluitingen met een maximale lengte van 25 meter in de openbare ruimte geldt een verkorte procedure. Het college verleent toestemming voor de beoogde werkzaamheden als de leidingexploitant ten minste twee werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden daarvan digitaal een melding heeft gedaan op de manier die door het college is vastgesteld. Het college kan voorwaarden stellen aan de toestemming. Artikel 3.7.2.5 tweede lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing. 5. Het vierde lid is niet van toepassing op hoogspanningskabels van meer dan 380 Volt en leidingen ten behoeve van stadsverwarming. 6. Bij storingen, waarvoor uitstel van de reparatie niet mogelijk is, of wanneer de storing buiten de normale werktijden plaatsvindt, wordt de digitale melding als bedoeld in het vierde lid, gedaan binnen een week na aanvang van de reparatiewerkzaamheden.
Artikel 3.7.2.3 Naleven vergunningvoorschriften (Leidingenverordening) 1. Een vergunning die is verleend voor een leiding geldt alleen voor die leiding. De leidingexploitant zorgt ervoor dat de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 2. Als de leiding waarvoor een vergunning is verleend wordt overgedragen, of als de leidingexploitant in een andere rechtsvorm wordt omgezet, melden de oude en de nieuwe leidingexploitant, respectievelijk de nieuwe rechtspersoon, dit direct schriftelijk aan het college. 3. Het college kan in afwijking van het eerste en tweede lid in de vergunning bepalen dat de vergunning alleen geldt voor de leidingexploitant. 4. Een vergunning die is verleend op grond van deze paragraaf geldt, voor zover van toepassing ook als een vergunning op basis van artikel 3.4.4.2 van deze verordening. Artikel 3.7.2.4 Beslistermijn (Leidingenverordening) 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De termijn als bedoeld in het eerste lid kan met acht weken worden verlengd. 3. Het college houdt een beslissing op de aanvraag om een leidingvergunning aan als er op grond van artikel 3.4.4.2 van deze verordening ook een omgevingsvergunning nodig is voor het aanleggen, verplaatsen of verwijderen van de leiding, en er verder geen andere redenen zijn om de aanvraag om een leidingvergunning te weigeren.
Dit geldt niet als de omgevingsvergunning is verleend en er zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend, of als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en op dat verzoek is beslist. 4. De vergunning wordt in ieder geval niet verleend als niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Artikel 3.7.2.5 Vergunningvoorschriften (Leidingenverordening) 1. Het college kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden met inachtneming van het Handboek Leidingen. 2. De voorschriften en beperkingen als bedoeld in het eerste lid hebben betrekking op: a. de bescherming van de openbare orde; b. de bescherming van de bodem; c. het voorkomen van gevaar, schade of hinder; d. de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer; e. het verschaffen van nadere informatie; f. de afstemming met andere werken; g. de verzekering van de toestand waarin het tracé na voltooiing van het werk moet worden opgeleverd; h. het bepalen van het tijdstip waarop de feitelijke werkzaamheden aan de leiding mogen of moeten beginnen; i. de vaststelling van het in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend; j. het tijdschema voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding; k. de voorwaarden waaronder afwijken van het werkplan of het tijdschema is toegestaan;
l. het tracé waar de leiding moet worden gelegd en gehouden. 3. Het college kan met het oog op de belangen als bedoeld in het tweede lid een verleende vergunning wijzigen. Artikel 3.7.2.6 Wijzigings- en intrekkingsgronden (Leidingenverordening) Het college kan, onverminderd het bepaalde in artikel 3.7.2.5, derde lid, de vergunning wijzigen of intrekken als: a. de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden is begonnen zoals die zijn omschreven in de vergunning; b. de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden staakt, of de leiding op een andere manier gedurende een periode van ten minste zes maanden niet in gebruik is; c. blijkt dat de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; d. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is verleend; e. het bij of krachtens deze verordening bepaalde niet wordt nageleefd door de leidingexploitant; f. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nageleefd door de leidingexploitant; g. dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken. Artikel 3.7.2.7 Intrekken vergunning (Leidingenverordening) 1.
Het college trekt de vergunning in als de leidingexploitant schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van de vergunning. 2. Degene die een verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als leidingexploitant, tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere persoon. In dat geval wordt de laatstgenoemde persoon als leidingexploitant beschouwd. 3. In afwijking van het tweede lid wordt in het geval van een persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 3.7.2.3, derde lid, de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd, tot aan het moment dat hij schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van de vergunning en de exploitatie van de leiding staakt, of de leiding waar de vergunning betrekking op heeft in eigendom overdraagt en hij daarvan bij het college schriftelijk melding heeft gedaan, met dien verstande dat hij het bewijs van de overdracht kan leveren. Artikel 3.7.2.8 De aanleg (Leidingenverordening) 1.
Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een vast te stellen termijn na het verlenen van de vergunning, en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding, bij het college documenten in te dienen zoals aangegeven in het Handboek Leidingen. 2. De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
Artikel 3.7.2.9 Oplevering (Leidingenverordening) 1. De leidingexploitant zorgt ervoor dat het leidingtracé na afloop van het werk wordt opgeleverd in de oorspronkelijke, dan wel in de staat die in de vergunning is omschreven. 2. Als door de leidingexploitant werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte worden uitgevoerd, brengt het college de kosten in rekening bij de leidingexploitant voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van die openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden, volgens het Besluit vaststelling tarieven voor schade veroorzaakt door ingravingen in verhardingen gemeente Leiden. Artikel 3.7.2.10 Ondergrondse obstakels (Leidingenverordening) 1. De leidingexploitant meldt het direct aan het college als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ondergrondse obstakels worden gevonden. 2. Het college kan bij gebleken ondergrondse obstakels in of nabij het tracé van de leiding aan de leidingexploitant maatregelen opdragen ter bescherming van de belangen waartoe deze verordening strekt en opschorting van de werkzaamheden gelasten. De kosten van de te nemen maatregelen zijn voor rekening van de vergunninghouder. 3. De opschorting als bedoeld in het tweede lid wordt pas gelast als: a. is gebleken dat er geen uitvoering is gegeven aan de maatregelen die door het college aan de leidingexploitant zijn opgedragen, of; b.
naar het oordeel van het college de maatregelen als bedoeld onder a niet mogelijk zijn. Artikel 3.7.2.11 Ter beschikking stellen tekeningen (Leidingenverordening) Het college kan de leidingexploitant verplichten na de voltooiing van het werk tekeningen kosteloos aan het college ter beschikking te stellen waaruit de feitelijke situatie na de uitvoering van de werkzaamheden blijkt. Artikel 3.7.2.12 Verontreiniging, gevaar en hinder (Leidingenverordening) De leidingexploitant is verplicht om verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden onmiddellijk te melden aan het college. Artikel 3.7.2.13 Verwijderen van leidingen (Leidingenverordening) 1. De leidingexploitant is verplicht de leidingen te verwijderen binnen een door het college te bepalen termijn na het verlopen, opzeggen of geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning. 2. De artikelen 3.7.2.1, 3.7.2.8, 3.7.2.9, 3.7.2.10 en 3.7.2.11 zijn van overeenkomstige toepassing op de verwijderingen als bedoeld in het eerste lid. Paragraaf 3.7.3 Rioleringen Artikel 3.7.3.1 De aanvraag voor een aansluiting (Rioolverordening) 1. Een nieuwe aansluiting of een wijziging van een bestaande aansluiting moet bij de gemeente worden aangevraagd door de rechthebbende van het betreffende perceel. 2.
Als er werkzaamheden in de openbare weg nodig zijn bij de uitvoering van de aanleg of wijziging van de aansluiting van het particulier riool op de openbare riolering, of bij de verwijdering van een bestaande aansluiting als bedoeld in artikel 3.7.3.2, worden deze alleen
3.
4.
5. 6.
door of namens de gemeente uitgevoerd. De kosten daarvan zijn op basis van de werkelijke kosten geheel voor rekening van de rechthebbende. De uitvoering van de aanleg of wijziging van de aansluiting door of namens de gemeente vindt alleen plaats als het aan te sluiten riool tot aan het aansluitpunt aanwezig is, en als het voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De datum en de voorlopig begrote kosten van de aanleg of wijziging van de aansluiting worden zo snel mogelijk na het ontvangen van de aanvraag vastgesteld en aan de rechthebbende meegedeeld. Bij het vaststellen van het tijdstip voor de uitvoering wordt zo veel mogelijk met de wensen van de rechthebbende rekening gehouden. Pas als de voorlopig begrote kosten door de rechthebbende aan de gemeente zijn betaald en door de gemeente zijn ontvangen, gaat de gemeente de feitelijke werkzaamheden uitvoeren. Als de werkzaamheden zijn uitgevoerd worden de werkelijke kosten daarvan vastgesteld in een definitieve afrekening. Deze worden verrekend met de voorlopig begrote kosten die door de rechthebbende zijn betaald.
Artikel 3.7.3.2 (Sloop)werkzaamheden, verwijdering aansluiting (Rioolverordening) 1. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een perceel dat op het openbare riool is aangesloten, moet de rechthebbende voorzieningen treffen aan de particuliere afvoerleiding zodat verzanding van het openbare riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen. 2. De gemeente heeft de bevoegdheid de aansluiting op het openbare riool af te sluiten als de rechthebbende niet voldoet aan de zorgplicht als bedoeld in het eerste lid. De kosten daarvan zijn voor rekening van de rechthebbende. 3. De rechthebbende is verplicht de gemeente op de hoogte te stellen als het gebruik van de perceelaansluitleiding definitief wordt beëindigd. 4. De gemeente verwijdert de aansluiting als het gebruik van een aansluiting van een particulier riool op de openbare riolering definitief wordt en/of is beëindigd. De kosten daarvan zijn voor rekening van de rechthebbende. Artikel 3.7.3.3 Storingen (Rioolverordening) 1. Bij een verstopping, lekkage of een andere storing in de particuliere afvoerleiding onderzoekt de rechthebbende of de gebruiker of het gaat om een storing in de particuliere afvoerleiding (terreinleiding) of in de perceelaansluitleiding. Aan de perceelaansluitleiding mogen onder geen enkele voorwaarde werkzaamheden worden uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van de gemeente. 2.
Als uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat er sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding, of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbare riool, neem de rechthebbende of de gebruiker met de gemeente contact op voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden. De ontstoppingsvoorziening moet worden vrijgehouden totdat deze werkzaamheden zijn verricht. Als de rechthebbende of de gebruiker zelf aan een derde de opdracht geeft om werkzaamheden te verrichten, zonder dat de gemeente voorafgaand toestemming heeft gegeven, komen de kosten daarvan voor rekening van de rechthebbende of de gebruiker. 3. Als uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat er sprake is van een verstopping, lekkage, breuk of storing in de particuliere afvoerleiding moet de rechthebbende of de
gebruiker deze zelf verhelpen. De kosten daarvan zijn voor de rechthebbende of de gebruiker. 4. Als er sprake is van een verstopping of storing als bedoeld in het tweede lid, moet de rechthebbende of de gebruiker, voordat de gemeente met de werkzaamheden start, schriftelijk akkoord gaan met de voorwaarde dat de kosten van die werkzaamheden aan de rechthebbende of de gebruiker in rekening worden gebracht als blijkt dat deze kosten voor de rechthebbende of de gebruiker zijn.
Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud Afdeling 4.1 Groen Paragraaf 4.1.1 Uitvoeren boomveiligheidscontrole Artikel 4.1.1.1 Programma boomveiligheidscontrole (nadere regels Bomenverordening) 1. Het college stelt een programma boomveiligheidscontrole vast. 2. Het programma betreft vier uitvoeringsjaren en vier verschillende stadsdelen. 3. Per uitvoeringsjaar wordt binnen het aangewezen stadsdeel de boomveiligheidscontrole in opdracht van het college uitgevoerd. 4. Het jaarprogramma betreft alle houtopstanden in de openbare ruimte. Artikel 4.1.1.2 Inhoud van een beheerplan (nadere regels Bomenverordening) 1. Het beheerplan geeft per onderdeel of type beplanting aan hoe vaak bestendig beheer plaatsvindt, in welke tijd van het jaar, met welke gereedschappen en machines werkzaamheden worden uitgevoerd, en of er gefaseerd wordt gewerkt. Ook kunnen voorschriften worden opgenomen voor compensatiemaatregelen. 2. Het beheerplan moet door het college worden goedgekeurd voordat het voor het uitvoeren van bestendig beheer kan worden gebruikt.
Afdeling 4.2 Overige bepalingen Paragraaf 4.2.1 Water en riolering Artikel 4.2.1.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (APV) Sloten en andere wateren, en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen opleveren. Artikel 4.2.1.2 Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging (Rioolverordening) 1. Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij het aannemelijk is dat deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een onjuist gebruik van het particuliere riool. In dat geval zijn de kosten voor rekening van de rechthebbende of de veroorzaker. 2. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen: a. Het via deze aansluiting lozen van stoffen die door hun aard en samenstelling voor verstoppingen in de aansluitleiding of het openbare riool kunnen zorgen; b. Het via deze aansluiting lozen van stoffen die door hun aard of concentratie de constructie van de aansluitleiding of het riool aantasten;
c. Het lozen van hemelwater en/of drainagewater op de drukriolering. 3. De kosten voor het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de particuliere afvoerleiding (terreinleiding) zijn voor rekening van de rechthebbende, tenzij vaststaat dat de noodzaak voor onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbare riool. Dit geldt ook voor verzamelleidingen in particuliere grond die zijn aangelegd voor de gezamenlijke afvoer van twee of meer woningen. 4. Als de hoogteligging van het aansluitpunt door de gemeente wordt gewijzigd, moet de rechthebbende ervoor zorgen dat de particuliere afvoerleiding hierop kan worden aangesloten zodat de afvoer vanuit het perceel ongehinderd kan plaatsvinden. Paragraaf 4.2.2 Stadsverwarming Artikel 4.2.2.1 Stadsverwarming (Leidingenverordening) De beheerder van de stadsverwarming moet aan de gemeente aannemelijk maken dat de veiligheidsaspecten van de stadsverwarmingsleidingen in voldoende mate zijn gewaarborgd. De beheerder kan dit onder andere aannemelijk maken door een daartoe strekkende verklaring van de Autoriteit Consument & Markt aan te leveren. De hiervoor genoemde verplichting voor de beheerder van de stadsverwarming vervalt als een toereikende regeling voor de veiligheidsaspecten in de Warmtewet wordt opgenomen.
Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen Afdeling 5.1 Groen Paragraaf 5.1.1 Bomenfonds Artikel 5.1.1.1 Bomenfonds (Bomenverordening, Nadere regels Bomenverordening) 1. In het door het college ingestelde Bomenfonds worden financiële bijdragen gestort door: a. vergunninghouders ter uitvoering van een voorschrift dat is opgenomen in de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand; b. rechthebbenden en/of overtreders in situaties als bedoeld in artikel 3.6.1.11, tweede lid. 2. Als aan de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand het voorschrift is verbonden dat de waarde van de houtopstand geheel of gedeeltelijk moet worden gecompenseerd, dan moet deze financiële compensatie in het Bomenfonds worden gestort. 3. Het college beheert het Bomenfonds. 4. Het Bomenfonds wordt gebruikt voor de versterking van het bomenbestand in de stad. Artikel 5.1.1.2 Financiële compensatie (nadere regels Bomenverordening) 1. De boomwaardebepaling wordt gedaan op grond van de op dat moment actuele gepubliceerde methode van de Nederlandse Vereniging van Beëdigde Taxateurs van Bomen (NVTB). 2. Als de waarde van de houtopstand niet kan worden bepaald door middel van de methode als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het college een financiële vervangingswaarde. 3.
Het kan voorkomen dat de vergunning voorschrijft dat de compensatie deels plaatsvindt op basis van het compensatieplan en deels via het storten van een financiële compensatie in het Bomenfonds.
Artikel 5.1.1.3 Storting in het Bomenfonds is geoormerkt (nadere regels Bomenverordening) 1. De financiële compensatie die volgens een vergunningvoorschrift aan de uitvoering van de vergunning als waarborgsom in het Bomenfonds moet worden gestort, is geoormerkt als bedrag dat is bestemd voor de herplant in een aangewezen aanplantproject. 2. De geoormerkte gelden in het Bomenfonds kunnen alleen worden gebruikt voor het feitelijke aanplantproject dat in het vergunningvoorschrift is aangeduid. 3. In het vergunningvoorschrift over de herplantplicht in een aangewezen aanplantproject wordt aangegeven waar, wanneer, hoe en waarmee de vergunninghouder de feitelijke aanplant dient uit te voeren. Artikel 5.1.1.4 Voorwaarden teruggave storting in Bomenfonds (nadere regels Bomenverordening) 1. Als na de oplevering van het aanplantproject is voldaan aan de vergunningvoorschriften kan de vergunninghouder verzoeken tot teruggave van de gehele of van een deel van de financiële compensatie in het Bomenfonds. 2. Een aanvraag om een teruggave moet uiterlijk binnen één jaar na oplevering van het aanplantproject schriftelijk worden ingediend. Daarna bestaat er geen recht meer op teruggave van de financiële compensatie en vervalt het oormerk van de storing in het Bomenfonds. 3. De aanvraag moet gemotiveerd zijn en zijn ondertekend door de aanvrager.
De aanvraag bevat ten minste de opgave van de kosten van het aanplanten van de bomen en de begroting van het verzorgen van de aanplant om te zorgen dat deze volledig aanslaat en gezond doorgroeit. 4. Het college beoordeelt de aanvraag en de bijbehorende documenten en beoordeelt de feitelijke toestand van de aanplant op gezondheid en bestendigheid. Het terug te storten bedrag wordt hierop afgestemd. 5. Het terug te storten bedrag is niet hoger dan de financiële compensatie die de vergunninghouder in het Bomenfonds heeft gestort. Alleen de kosten voor het aankopen van de houtopstand, het planten (inclusief volledig aanslaan en doorgroeien) en drie jaar beheerkosten worden teruggestort. 6. De gelden in het Bomenfonds die niet meer geoormerkt zijn worden gebruikt voor de versterking van het bomenbestand in de stad. Afdeling 5.2 Schadevergoeding Paragraaf 5.2.1 Schadevergoedingsverzoek op grond van Wet natuurbescherming Artikel 5.2.1.1 Schadevergoedingsverzoek op grond van Wet natuurbescherming (Bomenverordening) Het college is het bevoegde bestuursorgaan om te beslissen op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming.
Afdeling 5.3 Nadeelcompensatie Paragraaf 5.3.1 Nadeelcompensatie leidingen Artikel 5.3.1.1 Nadeelcompensatie (Leidingenverordening) Als blijkt dat een leidingexploitant als gevolg van een besluit van het college om de vergunning in te trekken of te wijzigen als bedoeld in artikel 3.7.2.6, onder g, schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend, en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kent het college op verzoek aan hem een vergoeding toe. Een
dergelijke vergoeding wordt toegekend zo lang de gemeente op grond van artikel 228 van de Gemeentewet precario kan heffen.
Hoofdstuk 6 Procesregels Afdeling 6.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf 6.1.1 Groen Artikel 6.1.1.1 Behandeling van de voorstellen tot plaatsing op de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) 1. Ieder jaar, na 1 oktober, start het college met de procedure voor het actualiseren van de Groene Kaart. Degenen die voor 1 oktober een voorstel hebben ingediend voor het toevoegen van een houtopstand aan, of het verwijderen daarvan van de Groene Kaart, worden schriftelijk geïnformeerd over het begin en het verloop van de procedure. 2. Het college stelt een ontwerpbesluit op naar aanleiding van de voorstellen. De voorstellen worden getoetst op de manier als bedoeld in artikel 2.4.1.3, tweede lid. Als een boom meer dan 75 punten behaald, is deze voldoende onderscheidend en komt de boom in aanmerking om aan de Groene Kaart te worden toegevoegd. De uitkomst van de toetsing wordt als motivering opgenomen in het ontwerpbesluit. 3. Het ontwerpbesluit geeft aan of het gaat om een solitaire boom, een boomstructuur of een boomgebied. 4. Solitaire bomen krijgen een nadere aanduiding: a. monumentale boom als ze ouder zijn dan 80 jaar; b. herdenkingsboom als status die door het college wordt toegewezen; c. toekomstboom, of; d. waardevolle boom in alle overige gevallen. 5. De belanghebbenden en eigenaren krijgen zes weken de tijd om een zienswijze op het ontwerpbesluit in te dienen. 6.
Het college geeft een gemotiveerde reactie op de ingediende zienswijzen. De Groene Kaart wordt door het toevoegen van houtopstanden gedeeltelijk herzien. 7. Op de procedure voor het toevoegen van houtopstanden aan de Groene Kaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Paragraaf 6.1.2 Cultureel erfgoed Artikel 6.1.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Erfgoedverordening) Het college kan bepalen dat een nader waardestellend onderzoek moet worden verricht ten behoeve van de aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument. Afdeling 6.2 Advies Paragraaf 6.2.1 Advies bij aanwijzing beschermd gemeentelijk monument Artikel 6.2.1.1 Termijn advies en aanwijzingsbesluit (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden, voordat zij een besluit neemt over de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument. 2. De Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het college.
Paragraaf 6.2.2 Advies bij aanwijzing gemeentelijk beschermd stadsgezicht Artikel 6.2.2.1 Advies bij aanwijzen gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden voordat de gemeenteraad een besluit neemt over de aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 2.3.3.1. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven. 2. De Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het college. Paragraaf 6.2.3 Advies bij omgevingsvergunning monument Artikel 6.2.3.1 Advies van de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (Erfgoedverordening) 1. Het college vraagt advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden, voordat zij een besluit neemt op de aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 3.5.1.3. 2. Als de aanvraag betrekking heeft op een gemeentelijk archeologisch monument, dan betrekt de Welstands- en Monumentencommissie Leiden een extern deskundig senior archeoloog bij haar advies.
Artikel 6.2.3.2 Advies omgevingsvergunning beschermd rijksmonument (Erfgoedverordening) Het college stuurt een afschrift van een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beschermd rijksmonument, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo, direct door voor advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden.
Hoofdstuk 7 Handhaving, overgangs- en slotbepalingen Afdeling 7.1 Handhaving en strafbepalingen Paragraaf 7.1.1 Toezichthouders en handhaving Artikel 7.1.1.1 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de toezichthouders belast die bij besluit van het college zijn aangewezen. Artikel 7.1.1.2 Marktmeester (Marktverordening) Het college stelt één of meerdere marktmeesters aan, en bepaalt zijn of hun taken en bevoegdheden. Artikel 7.1.1.3 Legitimatieplicht (Marktverordening) Degene die een standplaats of een standwerkplaats op een markt inneemt of wil innemen, of die handelt met een bedienvergunning of opbouwvergunning, is verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is bij het eerste verzoek van een toezichthouder. Artikel 7.1.1.4 Onmiddellijke verwijdering (Marktverordening) Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat of vervangt gelasten onmiddellijk van de markt te vertrekken als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog, of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden.
Paragraaf 7.1.2 Strafbepalingen Artikel 7.1.2.1 Strafbepaling bedrijfs- en pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Het overtreden van artikel 3.4.1.1 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 7.1.2.2 Strafbepaling bomen (Bomenverordening) 1. Degene die handelt in strijd met het bij of krachtens artikel 3.6.1.7 en 3.6.1.11 bepaalde kan worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke veroordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde. 2. De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de mogelijkheid van het instellen door het college van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan bomen of een houtopstand waarvan de gemeente de rechthebbende is. Artikel 7.1.2.3 Strafbepaling erfgoed (Erfgoedverordening) Het overtreden van de artikelen in afdeling 3.5 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie, als deze overtreding niet al strafbaar is gesteld krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 7.1.2.4 Strafbepaling markten (Marktverordening) Het overtreden van de artikelen in paragraaf 3.4.11 en artikelen 7.1.1.3 en 7.1.1.4 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 7.1.2.5 Bestuurlijke boete (Huisvestingsverordening) 1. Het overtreden van de verboden als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014, of het handelen in strijden met de voorwaarden of voorschriften als bedoeld in artikel 24 van de Huisvestingswet 2014, kan worden beboet met een bestuurlijke boete. 2. De boete voor het overtreden van de verboden als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 bedraagt: a. voor de eerste overtreding, en herhaalde overtreding na 24 maanden: €2.500,- voor niet-bedrijfsmatige exploitatie en €5.000,- voor bedrijfsmatige exploitatie; b. voor herhaalde overtreding binnen 24 maanden: €5.000,- voor niet-bedrijfsmatige exploitatie en €10.000,- voor bedrijfsmatige exploitatie. 3. De boete voor het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften als bedoeld in artikel 24 van de Huisvestingswet 2014 bedraagt: a. voor de eerste overtreding, en herhaalde overtreding na 24 maanden: €1.000,- voor niet-bedrijfsmatige exploitatie en €2.500,- voor bedrijfsmatige exploitatie; b.
voor herhaalde overtreding binnen 24 maanden: €2.500- voor niet-bedrijfsmatige exploitatie en €5.000,- voor bedrijfsmatige exploitatie. Artikel 7.1.2.6 Hardheidsclausule (Huisvestingsverordening) Het college kan van het bepaalde in paragraaf 3.2.2 en in artikel 7.1.2.5 van deze verordening afwijken door te besluiten een aanvraag om een onttrekkingsvergunning niet te weigeren, als door
bijzondere omstandigheden het strikt toepassen van deze bepalingen volgens het college zou leiden tot een onrechtvaardige uitkomst. Artikel 7.1.2.7 Strafbepaling leidingen (Leidingenverordening) Het overtreden van de artikelen 3.7.2.1, 3.7.2.3, tweede lid, 3.7.2.8, tweede lid, 3.7.2.10, eerste lid, en 3.7.2.13 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maande of een geldboete van de tweede categorie. Afdeling 7.2 Overgangsrecht Paragraaf 7.2.1 Overgangsrecht Artikel 7.2.1.1 Overgangsrecht 1. In deze verordening zijn de bepalingen uit de, middels raadsbesluit RV20.0079, navolgende ingetrokken en gewijzigde verordeningen, beleidsregels en nadere regels opgenomen: a. Algemene plaatselijke verordening gemeente Leiden 2020; b. Bedrijfs- en Pleziervaartuigenverordening Leiden 2017; c. Beleidsregels en Nadere regels Terrassen 2019; d. Bomenverordening Leiden 2015; e. Bouwverordening 1992; f. Erfgoedverordening Leiden 2017; g. Huisvestingsverordening, onderdeel woonruimtevoorraad, Leiden 2020; h. Instellingsbesluit Markten Leiden 2016; i. Leidingenverordening gemeente Leiden 2012; j. Ligplaatsenplan Bedrijfs- en Pleziervaartuigen 2017; k. Marktverordening Leiden 2015; l. Nadere Regels handelsreclame 2010; m. Nadere Regels uitvoering Bomenverordening 2015, versie februari 2018; n. Rioolverordening Buitenriolering Leiden 2015; 2.
Besluiten, genomen krachtens de in het vorige lid bedoelde bepalingen, worden geacht besluiten krachtens het bepaalde in deze verordening te zijn. 3. Aanvragen voor vergunningen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening. Artikel 7.2.1.2 Overgangsrecht leidingen (Leidingenverordening) 1. Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van de Leidingenverordening 2012 aanwezig waren en in gebruik zijn, geldt de schriftelijke toestemming of vergunning op grond waarvan die leidingen zijn gelegd, als een vergunning krachtens deze verordening. Voorschriften die zijn verbonden aan een eerder verleende schriftelijke toestemming of vergunning zijn daarop niet van toepassing. 2. Als het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming of een eerder verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening, dan kan het college de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het college meer informatie over de leiding moet geven of een vergunning moet aanvragen. Als de leidingexploitant dat niet doet komt de schriftelijke toestemming te vervallen op een tijdstip dat door het college wordt bepaald.
Artikel 7.2.1.3 Overgangsrecht markten (Marktverordening) 1. De krachtens de Marktverordening Leiden 2015 vastgestelde wacht- en anciënniteitslijsten gelden als lijsten krachtens deze verordening. 2. Degenen die op de dag van inwerkingtreding van deze verordening op de wacht- of anciënniteitslijst stonden, behouden de rechten die daaruit voortvloeien volgens de regels die op die dag gelden gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening. Afdeling 7.3 Slotbepalingen Paragraaf 7.3.1 Slotbepalingen Artikel 7.3.1.1 Nadere regels Het college is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze verordening nadere regels vast te stellen. Artikel 7.3.1.2 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Paragraaf 3.2.2 en artikelen 7.1.2.5 en 7.1.2.6 vervallen op 1 juli 2024 en worden dan herzien. Artikel 7.3.1.3 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020.
Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving
Bijlage 1. Begrippenlijst 1. 2.
3. 4.
5.
6.
7. 8. 9.
10.
11. 12.
Aansluitleiding: Combinatie van perceelaansluitleiding en/of ontstoppingsstuk en/of terreinleiding; Aansluitpunt: Het punt waar de perceelaansluitleiding aansluit op het openbare riool. Bij openbare vrijvervalriolering betreft die de inlaat in de buis van het openbaar riool. Bij openbare drukriolering betreft dit de inlaat in de punt van het drukrioolgemaal; Aanvaardbaar woon- en leefklimaat: Een leefbare woonomgeving die aansluit bij voorwaarden en behoeften die in zijn algemeenheid daaraan worden gesteld; Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden: De commissie of instantie die door het college is ingesteld om volgens het Reglement voor de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden het college te adviseren over de aanwijzing van monumenten, de toepassing van de Erfgoedwet, de bepalingen uit deze verordening met betrekking tot erfgoed en het monumentenbeleid. Het adviseren over het verlenen van vergunningen bij wijziging, verbouw of sloop van monumenten valt hier niet onder; Afgebakend bedrijfsonderdeel: Een onderdeel van een onderneming met een watergebonden bedrijfsactiviteit, die verschilt van de andere onderdelen van de onderneming.
Een bedrijfsonderdeel heeft zijn eigen plannen, inkomsten, kosten en bedrijfsmiddelen en gebruikt deze om met goederen en/of diensten waarde toe te voegen voor zijn klanten; Anciënniteitslijst: De genummerde lijst van vergunninghouders van een vaste standplaats, met vermelding van de datum waarop de betrokkenen voor het eerst een vaste standplaatsvergunning werd verleend en met vermelding van de branche waartoe zij behoren of de artikelen die zij verhandelen; Artikelgroepen: Door het college vastgestelde lijst van producten die bij voorkeur op een markt worden aangeboden; Bedienvergunning: Een vergunning voor het serveren van eten en/of drinken bestemd voor consumptie ter plaatse aan personen werkzaam op het marktterrein; Bedrijfsvaartuig: Een vaartuig dat voornamelijk wordt gebruikt en bestemd is voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf, of daarvoor bestemd is, waaronder begrepen: goederenvervoer, goederenopslag, rondvaarten en/of verhuur ten behoeve van de pleziervaart.
Hieronder vallen ook vaartuigen die feitelijk niet geschikt zijn om zich door het water te verplaatsen, met uitzondering van terrasboten waar een terrasvergunning voor is verleend en waarvan de locatie de aanduiding “terrasboot” heeft in het vigerende bestemmingsplan; Beheerplan: Een beschrijving van de werkzaamheden die moeten worden opgesteld om houtgewassen, boomstructuren en boomgebieden zich optimaal te laten ontwikkelen. Een beheerplan geldt voor 5, 10 of 15 jaar; Biologische producten: Door Stichting Skal gecertificeerde biologische producten; Beschermd gemeentelijk monument: Een onroerend monument dat is aangewezen op grond van deze verordening en: a. een zaak betreft die van algemeen belang is vanwege haar schoonheid, betekenis voor de wetenschap of (cultuur)historische waarde, of;
13. 14. 15.
16.
17.
18.
19.
20. 21.
22. 23. 24. 25.
26.
b. een terrein betreft dat van algemeen belang is vanwege de aanwezigheid van overblijfselen, voorwerpen of andere sporen dat mensen daar in het verleden zijn geweest, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; Beschermde houtopstand: Een houtopstand die op de Groene Kaart is opgenomen; Beschermde solitaire houtopstand: Een houtopstand die op de Groene Kaart is opgenomen als herdenkingsboom, monumentale boom, toekomstboom of waardevolle boom; Bestendig beheer: Alle handelingen die door de eigenaar volgens een beheerplan worden uitgevoerd ten behoeve van het in stand houden van de vorm of functie en ter bevordering van de gewenste ontwikkeling van de houtopstand; Bomen Effect Analyse: Een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom op het betreffende perceel, uitgevoerd door een boomdeskundige op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting; Bomenfonds: Het door het college ingestelde fonds waarin vergunninghouders gelden storten ter uitvoering van in de omgevingsvergunning opgenomen voorschrift tot financiële compensatie van de houtopstanden die met de vergunning worden geveld; of ter uitvoering van handhavingsmaatregelen voor als een houtopstand zonder de benodigde vergunning is gekapt en er geen herplantplicht op het perceel kan worden opgelegd; Boom: Een houtachtig, opgaand gewas, levend of afgestorven, met
een stamomtrek van minimaal 30 centimeter, gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld. Bij meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam; Boombeschermingsplan: een beschrijving van handelingen en werkzaamheden, gebaseerd op een Bomen Effect Analyse, ter voorkoming van schade aan bomen op het perceel in verband met een voorgenomen bouw of aanleg; Boomdeskundige: Een natuurlijk persoon die in het bezit is van een geldig European Tree Technician-certificaat; Boomgebied: Een gebied met veel groen, zoals een park, volkstuincomplex, begraafplaats of botanische tuin. In een boomgebied kunnen alleenstaande bomen staan en/of bosvormige elementen en smalle lijnvormige houtopstanden, zoals houtwallen; Boomstructuur: Een lijnvormige, ecologische of ruimtelijke functionele groep bomen in de midden- en/of zijbermen van een weg; Boomveiligheidscontrole: Visual Tree Assessment (VTA), uitgevoerd door een boomdeskundige; Boomvormer: Een houtachtig gewas met één of meer hoofdtakken, dat kan uitgroeien tot een één- of meerstammige boom; Boomwaardebepaling: Volgens de NVTB uitgevoerde systematiek om de waarde, uitgedrukt in Euro’s, van een boom vast te stellen.
In een boomgebied geldt een waarde per m2; Bouwwerk: Een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal, of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties. Hieronder valt niet een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;
27.
28. 29. 30.
31.
32.
33.
34.
35.
36. 37.
38.
39. 40. 41.
42.
Buitenriolering: De afvoerleiding(en) met inbegrip van alle hulpstukken, stankafsluiters, zettingsconstructies, ontlastputten en verbindingen tussen gebouwaansluiting en perceelsgrens; Collectieve festiviteit: Een festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden; Compensatieplan: Een document dat door het college is vastgesteld, waarin door de eigenaar en de vergunninghouder is aangegeven waar en hoe compensatie zal plaatsvinden van de houtopstand die wordt geveld. Bij het document is in ieder geval een tekening met maatvoering toegevoegd van de situatie voor en na het vellen; Cultureel erfgoed: Materiële en immateriële bronnen uit het verleden, die in de loop der tijd door mensen, eventueel in wisselwerking met hun omgeving, tot stand zijn gebracht.
Deze bronnen worden gezien als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en bieden een referentiekader aan de huidige en toekomstige generaties; Dagplaats: De standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen; Dekschuit: Een bedrijfsvaartuig met een vlak en gesloten dek, zonder opbouw op aandrijving, dat niet wordt gebruikt als terrasboot waarvoor een terrasvergunning is verleend; Drijvend voorwerp: Een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in principe niet wordt verplaatst, met uitzondering van drijvende bouwsels die omgevingsvergunningplichtig zijn; Drukriool: Het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater, exclusief hemelwater, waarbij het transport door het riool plaats vindt door middel van met pompinstallaties veroorzaakte druk; Drukrioolgemaal: De rioolput van de gemeente, waar de terreinleiding op loost en het afvalwater in het drukriool wordt gepompt. Dit gemaal kan niet het hemelwater afvoeren; Duurzame gemeenschappelijke huishouding: Een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling hebben om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen.
Er dient sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen; Eigen toegang: Elke deur die direct toegang geeft tot de woning, bereikbaar via de straatzijde, dan wel vanuit een gemeenschappelijke verkeersruimte en die is voorzien van een van gemeentewege verleend huisnummer; Gebruiksoppervlakte: Gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580; Gebouw: Een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; Gebouwaansluiting: De buiten het gebouw gelegen overgang van de gebouwriolering op de buitenriolering, gelegen op een afstand van maximaal 0,5 meter vanaf het gebouw of zoveel korter dan een zettingsconstructie in de buitenriolering vereist; Gebouwriolering: Stelsel van afvoerleidingen en ontspanningsleidingen, met inbegrip van alle hulpstukken, dakafvoeren, stankafsluiters, afdichtingen en bevestigingen – voor zover
43. 44.
45. 46.
47. 48. 49. 50. 51. 52.
53. 54. 55. 56. 57.
58. 59. 60. 61.
geen deel uitmakend van lozingstoestellen – dat zich binnen een gebouw bevindt, of buiten een gebouw voor zover het aan het gebouw is bevestigd; Gebruiker: In het geval van riolering: de perceeleigenaar, de zakelijk gerechtigde van het perceel of de huurder die gebruik maakt van de aansluiting op het openbaar riool; Geluidgevoelige gebouwen: Woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; Geluidgevoelige ruimte: Een ruimte binnen een woning die als slaap-, woon- of eetkamer is bestemd of daarvoor wordt gebruikt, evenals keuken van minimaal 11 m2; Gemeentelijk beschermd stadsgezicht: Groepen van onroerende zaken die op grond van deze verordening als gemeentelijk beschermd stadsgezicht zijn aangewezen, omdat deze van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, of wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde; Gemengd stelsel: Het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater, inclusief hemelwater; Gescheiden stelsel: Het openbaar riool met een buizenstelsel voor de afvoer van hemelwater en een buizenstelsel voor de afvoer van het overige afvalwater; Groene Kaart: De kaart bij deze verordening die door het college is vastgesteld waarop de locaties van beschermde houtopstanden zijn
aangegeven, met het bijbehorende register; Handboek Leidingen: Door het college vastgestelde of nader vast te stellen regels betreffende het aanleggen, het houden en verwijderen van kabels en leidingen; Handelsreclame: Iedere openbare aanprijzing van goederen en/of diensten, waarmee kennelijk wordt beoogd een commercieel belang te dienen; Herstructurering: Planmatig en veelal grootschalig ingrijpen in de gebouwde omgeving om verouderde en verloederde gebieden zodanig te vernieuwen dat zij voldoen aan de huidige eisen op het gebied van wonen, werken, recreëren en mobiliteit; Hoogspanningslijn: Een leiding behorend tot het landelijk hoogspanningsnet, zoals bedoeld in de Elektriciteitswet; Houder van een inrichting: Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; Houtopstand: Een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend; HMRI-99: Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie van Vrom, uitgave 1999; Huishouden: Een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren.
Alleenstaanden die bij elkaar wonen, vormen in de regel geen huishouden; Huurprijs: Prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte, uitgedrukt in een bedrag per maand; Huurprijsgrens: De subsidiabele huurprijs per maand zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag; Incidentele festiviteit: Een festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; Infrastructurele voorziening: Voor de geleiding van een leiding specifiek aangebrachte constructie, waaronder in ieder geval wordt verstaan: leidingentunnels en
62. 63. 64. 65.
66. 67. 68. 69.
70.
71. 72. 73. 74. 75. 76.
77. 78. 79. 80.
81.
leidingenviaducten, en in infrastructuur aanwezige constructies waar ook leidingen in, op of aan kunnen worden bevestigd; Inrichting: Inrichting type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; Inwoning: Bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen; Kamer: Een verblijfsruimte zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416); Kampeermiddel: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; Koopprijs: De prijs die voor de enkele koop van een woonruimte daadwerkelijk is of zal worden betaald; Koopprijsgrens: De prijs van een woning onder de maximale koopsom zoals deze wordt genoemd in de Wet bevordering eigenwoningbezit; Kwetsbare doelgroepen: Mensen die begeleid worden door maatschappelijke instanties en enige vorm van zorg ontvangen van maatschappelijke instanties; Leiding: Een buis bestemd voor het transport van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen, of een kabel gelegen in, op of boven de grond, met uitzondering van bovengrondse hoogspanningskabels, of in infrastructurele voorzieningen, met alle daarbij behorende
voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, afsluiters, brandkranen, kasten, etc.; Leidingexploitant: Degene onder wiens verantwoordelijkheid een leiding wordt aangelegd, beheerd of geëxploiteerd, waaronder tevens wordt begrepen degene die een vergunning voor het aanleggen van een leiding heeft aangevraagd; Ligplaats: Een deel van het openbaar water waar het is toegestaan een vaartuig af te meren gedurende ten minste de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst; Ligplaatsvergunning: Een vergunning die door het college is verleend waarmee het is toegestaan een ligplaats in te nemen met een vaartuig of ander drijvend voorwerp; Markt: De door het college ingestelde warenmarkt; Marktmeester: De persoon die als zodanig is aangewezen door het college; Meeloper: Een gegadigde voor een standplaats die zich heeft gemeld voor het innemen van een dagplaats; Meeloperslijst: De doorgenummerde lijst van meelopers voor een dagplaatsvergunning, waarbij meelopers bij inschrijving hebben aangegeven of zij in aanmerking willen komen voor een vaste standplaatsvergunning; NEN: Een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; NVTB: Nederlandse Vereniging van Taxateurs voor Bomen; Omgevingsvergunning: Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Ondergrondse obstakels:
Bodemverontreiniging, materialen, objecten en stoffen die nadelige beïnvloeding van de staat van de aan te leggen of gelegde leiding tot gevolg hebben of kunnen hebben; Ontstoppingsstuk: Voorziening die toegang geeft tot het inwendige van een leiding en waarmee beheer en onderhoud van de leiding van binnenuit mogelijk wordt;
82. 83. 84.
85. 86.
87. 88.
89.
90.
91. 92. 93. 94.
Onttrekken: Het slopen of het gebruiken van een (deel van de) woning voor een ander doel dan permanente bewoning door één huishouden; Onttrekkingsvergunning: De vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014; Onzelfstandige woonruimte: Een deel van een woning dat dient voor de huisvesting van één huishouden. Kenmerkend is niet het hebben van een eigen toegang, het gezamenlijke gebruik (met bewoners van andere onzelfstandige woonruimte in de woning) van sanitaire voorzieningen en/of een keuken met kooktoestel. Een onzelfstandige woonruimte kan uit meerdere kamers bestaan; Openbaar riool: Buitenriolering zoals bedoeld in de NEN3215:2011, exclusief de aansluitleiding; Openbaar water: a. In geval van ligplaatsen voor bedrijfs- en pleziervaartuigen: alle wateren die, al dan niet met enige beperking, voor het publiek bevaarbaar of op een andere manier toegankelijk zijn, met uitzondering van bevaarbare en openbaar toegankelijke wateren die geen eigendom zijn van de gemeente; b. In overige gevallen: alle wateren die voor het publiek bevaarbaar of op een andere manier toegankelijk zijn, met inbegrip van de wal; Openbare buitenriolering: De perceelaansluitleiding en het openbaar riool; Openbare ruimte: a. In geval van houtopstanden: een voor het publiek toegankelijke plaats.
Hieronder vallen ook de weg, en erven en terreinen die niet kenbaar ten opzichte van de openbare weg zijn begrensd of afgescheiden door inrichting, beplanting of begroeiing; b. In geval van leidingen: alle publiek openbare en toegankelijke – zij het mogelijk met restrictie – plaatsen binnen de gemeente Leiden; c. In overige gevallen: een plaats die krachtens de bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, met uitzondering van gebouwen of besloten plaatsen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet; Openbare weg: Alle wegen of paden die voor het openbaar verkeer open staan, inclusief de daarin gelegen bruggen en duikers, de paden, bermen of zijkanten die bij die wegen horen en de parkeerterreinen die aan die wegen liggen en die als zodanig zijn aangeduid; Passantenhaven: Een gebied met ligplaatsen die zijn bedoeld voor pleziervaartuigen die op doorreis zijn en maximaal 72 uur in de gemeente Leiden verblijven, en waarvoor niet al voor een andere ligplaats binnen de gemeente Leiden binnenhavengeld wordt betaald en/of een ligplaatsvergunning is verleend; Passantenplaats: Een ligplaats die is bedoeld voor pleziervaartuigen die op doorreis zijn en maximaal 24 uur in de gemeente Leiden verblijven; Perceel: Een onroerende zaak, een stuk grond, al dan niet met bebouwing, die met erf en tuin een eenheid vormt; Perceelaansluitleiding: Het deel van de aansluitleiding