CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210011 Bijlage 1. Aangepaste ruimtelijke onderbouwing Rijndijk 238A

raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 9 maart 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen28.143 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het is de vraag aan de aanvrager en de gemachtigde van de aanvrager of er ideeën zijn. Dit ter introductie, geeft de gemachtigde van de indiener van de zienswijze aan. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat hij eerst vanuit de gemeente hierop gaat reageren. Het betreft namelijk een juridisch planologische aangelegenheid. Alles in het allereerste stadium van dit proces nauwkeurig meegewogen en gemeten. Dit is ook zo in de zienswijzennota beantwoordt. Er zijn meerdere onderzoeken geweest waarbij werd onderzocht of voldaan werd aan de richtafstanden. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, dan wordt er onderzocht of de bedrijfsmogelijkheden die planologisch geborgd zijn, te allen tijden nog uitgevoerd kan worden. De conclusie in dit geval (na weging van alle rapporten) is dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen de richtafstanden maar dat dit geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van de indiener van de zienswijze.

De gemachtigde van de indiener van de zienswijze vraagt of de initiatiefnemer hier nog over wil nadenken, om de zaak vlot te trekken. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat dit aan de aanvrager en zijn gemachtigde, de gemachtigde van de aanvrager is. Hij geeft hierbij wel de kritische noot mee dat het een juridisch planologische aangelegenheid is waar de aanvrager en de gemachtigde van de aanvrager weinig van afweten. De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente Leiden waar ook de specialistische kennis zit. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat er momenteel vooral zorgen weggenomen moeten worden bij de indiener van de zienswijze. Hij geeft hierbij aan dat er een split is waarbij de indiener van de zienswijze van mening is dat het niet wenselijk is/niet kan, maar wij als gemeente vinden na gedegen onderzoek dat het wel mogelijk is. De gemachtigde van de aanvrager geeft aan dat hij de aftrap namens de aanvrager wel wil doen. Privaatrechtelijk is de aanvrager eigenaar van het perceel en zoals iedereen weet zit daar nu een autospuiterij. De aanvrager heeft al jaar en dag de wens om op deze plek te gaan wonen. Hiervoor was er een plan voor 4 woningen naast elkaar. Het plan is nu aangepast waardoor er meer ruimte is voor eenieder op het perceel.

Daarbij is het ook van belang dat de financiële situatie het op dit moment niet mogelijk maakt om iets anders te doen. Om zijn eigen huis te bekostigen en om er ook nog geld aan over te houden is het enkel op deze manier te bekostigen. Het terrein is dusdanig groot dat je er een twee-onder-een-kap naast kan zetten. Met de realisatie van de woning wordt ook geld verdiend zodat hij zijn eigen huis kan bekostigen. Het zijn geen groot opvallende huizen en ondergeschikt aan de vrijstaande woning van de aanvrager. Het is niet meer of minder dan andere twee-onder-een-kap woningen in Nederland. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze reageert met de vraag of er naar het programma kan worden gekeken. De aanvrager geeft aan dat het financieel niet haalbaar is, en dat hij dan net zo goed de spuiterij kan behouden. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze geeft aan dat het ook een optie is om alleen een bouwkavel te verkopen. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze geeft nog enkele opties, bijvoorbeeld om de woningen verder weg te plaatsen of om privaatrechtelijke contracten te sluiten. De medewerker van de gemeente Leiden merkt op dat als de aanvrager naast het bedrijf gaat wonen of niet, en/of de woningen verplaatst maakt het juridisch planologisch weinig uit.

Het zal gaan om enkele meters terwijl er ook al is aangetoond dat er door de komst van de woningen geen beperkingen komen voor het bestaande bedrijf. Hij vraagt aan de indiener van de zienswijze waar de zorg zit, nu het bedrijf nog kan worden uitgevoerd zoals vandaag de dag en in de toekomst. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze reageert dat zij – indiener van de zienswijze - daar anders over denken. Het voorstel dat indiener van de zienswijze heeft gedaan is het omwisselen van de woningen. Dit is een betere borging, er wordt afstand gecreëerd en aanvrager komt in de woning naast het bedrijf. Hij is gewend aan de situatie en zal vermoedelijk niet klagen over de bedrijfsvoering. De aanvrager geeft aan dat hij niet wil wisselen. Daar valt wat te vinden, en de gemachtigde van de indiener van de zienswijze doet een handreiking waarin hij liever ziet dat de positionering van beide woningen worden omgeruild zodat privaatrechtelijk afspraken gemaakt kunnen worden met de aanvrager. Waarbij de gemachtigde van de indiener van de zienswijze nog aanvult dat er een klein beetje meer afstand ontstaat van het bedrijf. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat het niet toegestaan is om een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten over hetgeen publiekrechtelijk geborgd is.

Een ieder kan om handhaving vragen of klagen als bepaalde zaken niet gaan zoals in het publiekrecht is geregeld. Dat oplossen en vastleggen in een private overeenkomst houdt geen stand. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze reageert hierop door op te merken dat dit privaatrechtelijk eenvoudig kan

worden geborgd door boetes, dan mag een betrokkene zelf afwegen al dan niet publiekrechtelijk te klagen. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat de gemeente Leiden een afgewogen keuze heeft gemaakt. Of aanvrager tegemoet wil komen aan de wens van de indiener van de zienswijze is een aspect wat tussen aanvrager en indiener van de zienswijze besproken moet worden. De gemeente Leiden kan de aanvrager niet verplichten om de woningen om te draaien en er zijn geen juridische planologische gronden om de huizen om te draaien nu alles passend is zoals voorgesteld. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze stelt dat dit een denkfout is. De gemeente heeft als taak om de aanvraag te beoordelen, en heeft hierbij een vrije bevoegdheid. De aanvraag past niet in het bestemmingsplan, dus de gemeente kan de aanvraag weigeren. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat het inderdaad een vrije afweging is, en dat de gemeente ervoor heeft gekozen mee te werken aan dit plan. Daarbij heeft de medewerker van de gemeente Leiden tevens een vraag voor de gemachtigde van de indiener van de zienswijze en de indiener van de zienswijze. Waarom hebben zij het voorstel van het ruilen niet opgeschreven in de zienswijzen? Er zijn volgens de gemachtigde van de indiener van de zienswijze ideeën genoeg, maar daar wordt nu pas naar gevraagd.

Voor een goede architect is het volgens de gemachtigde van de indiener van de zienswijze niet ingewikkeld dit om te wisselen en het kan volgens hem wel. De hamvraag is wat de aanvrager wil. De aanvrager geeft hierbij nogmaals aan dat hij het niet wil, en de ruimte op zijn perceel wil wat alleen mogelijk is aan die kant. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat hij er niet bij was en dat bij kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen de verantwoordelijkheid voor participatie bij de aanvrager wordt gelegd. Een participatie-avond voor dergelijke kleinschalige ontwikkelingen is vanuit de gemeente niet gebruikelijk. In de raadscommissie is echter gebleken dat het contact niet is verlopen zoals is omschreven in de ruimtelijke onderbouwing. Dat is de reden dat we nu nog een keer bij elkaar zitten, om de zorgen weg te halen waarbij het argument van gebrek aan participatie in eerste instantie enkel vanuit de buren is gekomen. De indiener van de zienswijze geeft aan dat hij het goed begrijpt dat de aanvrager daar wil komen wonen, de huidige loods is ook niet meer in optimale staat. Hij geeft aan dat hij het echter heel vervelend vindt dat vlak bij zijn perceel komt te staan. Hij wil niet allerlei dingen moeten gaan doen omdat de buurman daar last van heeft. Hij geeft aan geen gezeur te willen.

De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat als er wordt geëxploiteerd binnen de bandbreedte van het bestemmingsplan, dan zet het eventuele klagen van de buren ook geen zoden aan de dijk. Het bedrijf kan nu en in de toekomst gewoon blijven bestaan in deze omvang. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze geeft aan hier wel grote twijfel over te hebben en vraagt of de gemeente nog contracten sluit of garanties geeft. De medewerker van de gemeente Leiden vraagt zich af wat voor contracten waarop de gemachtigde van de indiener van de zienswijze antwoord dat het gaat over bijvoorbeeld garantstelling vanuit de gemeente. De medewerker van de gemeente Leiden reageert hierop en geeft aan dat het niet gebruikelijk is dat de gemeente garant gaat staan. Aanvrager is verantwoordelijk (voor planschade of bouwschade bijvoorbeeld) en de gemeente Leiden gaat nu ook niet anders handelen dan normaal. De indiener van de zienswijze vraagt of het mogelijk is om te bedrijven, of dat er andere bedrijfsruimtes vrij zijn in de gemeente Leiden waar hij heen kan omdat hij aangeeft dat er

gegarandeerd problemen komen met de buren. Mensen die daar een huis kopen willen geen loods naast zich hebben. Hij geeft hierbij aan dat hij geen fatsoenlijk ander bedrijfspand kan vinden in de korte omgeving. De aanvrager geeft aan dat de kopers van de woning weten waar ze naast komen te wonen nu het bedrijf al aanwezig is. De medewerker van de gemeente Leiden vult hem aan waarbij hij aangeeft dat mensen weten dat er bepaalde geluiden van een bedrijf afkomen en dat dit geluid anders is dan als je naast een woning woont. Een rechtszaak zal hieruit niet ontstaan. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze geeft aan dat dit wordt onderschat door de gemeente Leiden. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat de 100 meter die zijn geopperd door de indiener van de zienswijze hoort bij een bedrijf in de milieucategorie 3.2. Er is binnen het bestemmingsplan enkel een 3.1 toegestaan, waarbij een richtafstand van 50 meter geldt. Als er een woning komt binnen die 50 meter dan moeten er allerlei onderzoeken komen. De Omgevingsdienst heeft hier, als deskundige, onderzoek naar gedaan. Uit deze onderzoeken volgt dat de bedrijfsvoering niet wordt ingeperkt, waardoor het dus mogelijk is om woningen op deze locatie te zetten. Dit is de redeneerlijn hoe het gaat. De medewerker van de gemeente Leiden wil nog een keer benadrukken dat het doel was om de zorgen weg te nemen.

Naar voren is gekomen dat die zorgen niet helemaal weggenomen kunnen worden. Er zijn oplossingen geboden waarvan de aanvrager heeft aangegeven dat hij daar niet voor open staat. De gemeente Leiden kan hem niet verplichten de woningen te verplaatsen. De gemeente Leiden heeft de bevoegdheid om vrij af te wegen, en heeft er in dit geval voor gekozen om te oordelen, na de vele onderzoeken die zijn gedaan, dat het plan passend is en er sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening. Het leidt volgens de gemeente Leiden niet tot problemen. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze vraagt of de veiligheid beter kan worden geborgd door niet tegen het bedrijf aan te bouwen. Hij wil bepaalde kaders of iets dergelijks. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat ook het aspect veiligheid is onderzocht en dat dit akkoord is bevonden. Wanneer een aanvraag niet veilig genoeg is, dan worden er immers naar planaanpassingen gekeken. Uit de beoordeling volgt echter dat er voldoende veiligheid is gewaarborgd, ook veiligheid rondom brandgevaar e.d.. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze vraagt of hij de adviezen kan ontvangen. De medewerker van de gemeente Leiden reageert hierop dat hij dit nagaat bij de instanties die advies hebben gegeven. De adviezen staan ook samengevat in de nota van zienswijzen omdat zij hebben geholpen bij de beantwoording van de zienswijzen.

De Omgevingsdienst helpt met expertise op aspecten en kunnen daar een kundige reactie opgeven. De gemachtigde van de indiener van de zienswijze bedankt de gemeente Leiden en de aanvrager voor het contactmoment en vraagt aan de medewerker van de gemeente Leiden hoe het traject nu verder gaat. De medewerker van de gemeente Leiden geeft aan dat hij op het advies van de medewerker van de gemeente Leiden en medewerker van de gemeente Leiden wacht en een goedgekeurde ruimtelijke onderbouwing en dan kan hij overgaan tot vergunningverlening. De medewerker van de gemeente Leiden voegt nog toe dat er nog laatste planaanpassingen zullen komen (het terras wordt verwijderd). We hebben destijds de plannen al aangeleverd bij de raadscommissie. Omdat is gebleken dat de participatie niet is gegaan zoals moest, zijn we terug gegaan naar de praattafel. Naar aanleiding van het eerste gesprek zijn er aanpassingen doorgevoerd. Hierdoor komen we in het zelfde proces, en ontstaat er ook weer een mogelijkheid tot inspraak. Daarna zal het inhoudelijk worden behandeld en dan komt de gemeenteraad aan bod voor het

afgeven van de Verklaring van Geen Bedenkingen. Het college van B&W neemt vooraf dit een besluit, waarna dit besluit wordt besproken in de raadscommissies. De indiener van de zienswijze wil nog een keer benadrukken dat hij er niet tegen is dat de aanvrager daar komt wonen waarbij de aanvrager aangeeft dat hij geen problemen heeft met het bedrijf en de indiener van de zienswijze als persoon. Wisselen is alleen volgens hem geen mogelijkheid omdat hij het achterste stuk graag wil vanwege de breedte. De medewerker van de gemeente Leiden sluit het overleg af en geeft aan dat medewerker van de gemeente Leiden heeft getypt. Indien er onjuistheden/onwaarden in het verslag staan kunnen jullie die aanpassen. Graag met ‘wijzigingen aan’ in het Word-bestand. De gespreksverslagen worden toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing. Mochten er nog vragen zijn dan weten jullie ons te bereiken. Er zijn geen vragen en de medewerker van de gemeente Leiden bedankt iedereen voor zijn tijd.

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

48

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op het perceel Rijndijk 238A. Op 27 maart 2019 is voor deze locatie een aanvraag gedaan voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het betreft een particuliere ontwikkeling waarbij de huidige loods wordt gesloopt, de bedrijfsvoering op locatie stopt en er drie nieuwbouwwoningen worden toegevoegd. Een van de woningen wordt bewoond door de eigenaar. De woningen worden geplaatst aan de Rijn, een deel van de bedrijfsvoering wordt verplaatst door de ontwikkeling. Dit bouwplan is in strijd met de regels uit het vigerende bestemmingsplan 'Stevenshof' waardoor het plan tevens gezien moet worden als een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan. In dit geval kan alleen worden afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van de zogenaamde 'uitgebreide Wabo-procedure' (art. 2.12, eerste lid, onder a onder 3). Om af te kunnen wijken moet uit een zogenaamde 'ruimtelijke onderbouwing' blijken dat het project getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Het college van burgemeester en wethouders is voornemens om mee te werken aan deze aanvraag. Voorliggende rapportage vormt die ruimtelijke onderbouwing.

1.2

Begrenzing projectgebied

Het project bestaat uit woningbouw op het achtergebied van het adres Rijndijk 238. Momenteel is op deze locatie een loods geplaatst, die zal gesloopt worden ten behoeve van de nieuwe woningen. In het noorden grenst de locatie aan de Rijn, voor de rest wordt de loods omringd door bebouwing. Met de ontwikkeling wordt er ongeveer 300m2 aan grondgebonden bebouwing verwijderd ten behoeve van de drie woningen. Het perceel is te bereiken via een weg naast het adres 238. Nu wordt deze weg gebruikt om de loods te bereiken. Vanaf de Rijndijk zelf is de locatie niet goed waar te nemen vanaf de straat.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het projectgebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen:

Naam bestemmingsplan

Onherroepelijk

Stevenshof

01 februari 2011

Parapluplan Stedenbouwkundige bepalingen Bouwverordening

31 mei 2018

Op het perceel aan de Rijndijk 238A is het bestemmingsplan 'Stevenshof' van toepassing. Een bestemmingsplan dat voornamelijk conserverend van aard is. Daar is voor gekozen omdat de Stevenshof in de eerste plaats een woongebied is. Aan de Kenauweg en de Rijndijk is wat bedrijvigheid mogelijk. Op het perceel aan de Rijndijk 238 is er een bedrijfsbestemming

49

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

opgenomen. Binnen deze bestemming is het niet toegestaan om woningen te realiseren zoals in de aanvraag wel gebeurd. Ook overschrijden de beide woongebouwen de maximaal toegestane goothoogte die is opgenomen op de plankaart. Daarnaast ligt de ruimtelijke ontwikkeling binnen de archeologische zonering met een hoge archeologische verwachting.

50

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van de omgevingsvergunning

Beschrijving van het projectgebied

Door de ligging aan de Rijn is de weg langs de Rijndijk gunstig voor bedrijvigheid, bijvoorbeeld om goederen te vervoeren of voor het gebruik van het water in bepaalde processen. Zo is de Rijndijk zelf gegroeid tot een van de locatie in de Stevenshof waar bedrijvigheid is toegestaan. Langs de weg zelf zijn er woningen gebouwd, Langzamerhand is er veel van de bedrijvigheid vertrokken uit de omgeving. Ook aan de andere kant van het water wisselen bedrijven en woningen elkaar af in het straatbeeld. Langs de Rijn stonden bedrijven en boerderijen. In de loop der eeuwen is het langs de Rijn voller geworden, maar ook nu nog treft men bedrijven langs de rivier aan. In de bocht van de Rijn, ter hoogte van De Groote Vink en Ter Wadding stonden in de tweede helft van de 16e eeuw steen-en kalkovens. De plaats langs de rivier was niet toevallig: de klei en slib die nodig waren voor het bakken van stenen konden direct uit de rivier gehaald worden. In de kalkovens werden schelpen gebrand. De daarvoor benodigde schelpen werden aan de kust gewonnen. De schoorstenen van de ovens werden in verband met de veroorzaakte luchtverontreiniging steeds hoger om de vuile lucht goed af te voeren.

Bij de ontwikkeling van de polder tot woonwijk in het begin van de jaren tachtig is in samenhang met de uiteindelijke verkeersstructuur gekozen om de bestaande lintbebouwing langs de Rijn te integreren in de Stevenshof. De bouwkundige kwaliteit van deze bebouwing, bestaande uit woningen en bedrijven, was overwegend goed. Wel diende er een oplossing te komen voor het drukke verkeer over de Rijndijk, waardoor de situatie ter plekke als volledig onleefbaar werd gekwalificeerd. Deze Rijndijk verbond de Haagweg als uitvalsweg met het kruispunt bij Haagse Schouw en takte daar aan op de Rijksweg naar Den Haag.

51

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

2.2

Beschrijving van het project

Het bouwplan is op 27 maart 2018 bij de gemeente Leiden ingediend. De bouwtekeningen behorend bij het bouwplan zijn bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Het plan bestaat uit de bouw van 3 woningen in twee gebouwen op het perceel Rijndijk 238A. Dat betekent dus een vrijstaande woning en een 2-onder-1-kap woning. Bij de woningen worden parkeerplaatsen toegevoegd. 343m2 van het perceel wordt gebruikt als footprint voor de twee gebouwen. Om de woningen te realiseren wordt de bestaande loods verwijderd, deze heeft een oppervlakte van 630m2. Hoogte Een van deze drie woningen is voor het eigen gebruik van de aanvrager. Deze woning heeft een nokhoogte van 10,45 meter. De andere twee woningen hebben een nokhoogte van 9,2 meter. Alle drie de woningen hebben ongeveer dezelfde goothoogte, namelijk circa 6,3 meter.

2.2.1

Groen

Er wordt een grote loods gesloopt om de ontwikkeling mogelijk te maken. De locatie is dus al volledig verhard. Hiervoor in de plaats worden drie woningen terug gebouwd. Daarmee wordt het bebouwd oppervlak verminderd. Er wordt niet direct een stuk grond toegewijd aan groenvoorzieningen, echter ontstaat er wel meer onbebouwd oppervlak. De vrijgekomen ruimte wordt onverhard, en zo groen mogelijk ingericht.

2.2.2

Sociale woningbouw

Er wordt geen sociale woningbouw gerealiseerd binnen dit project. Het gaat namelijk om een zeer kleinschalige ontwikkeling op particulier terrein. Het nastreven van de gemeentelijke wensen en ambities rondom sociale woningbouw op dit projectniveau leidt tot een financiele onhaalbaarheid van deze ontwikkeling. Het nieuw te bouwen pand blijft in eigendom van de aanvrager zelf.

2.2.3

Duurzaamheid

Er worden maatregelen toegepast in het kader van duurzaamheid. Zo zijn er zonnepanelen op het dak geplaatst, komt er minder bebouwing terug dan er op het moment van schrijven staat (wat een positief effect heeft op de klimaatadaptieve omgeving) en worden de drie woningen gasloos gebouwd.

52

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

53

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

54

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleidskader

Europees en Nationaal beleid

Deze beleidsstukken zijn niet gericht op het detailniveau van een bouwplan ter grootte van een perceel. Gezien de omvang van het bouwplan is toetsing aan Europees en nationaal beleid niet nodig.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

3.2.1.1 Beleidskader Het provinciaal beleid is neergelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De visie is op 20 februari 2019 door de Provinciale Staten vastgesteld en op 1 april in werking getreden en volgt daarmee de Visie Ruimte en Mobiliteit uit 2014 op. De Omgevingsvisie Zuid-Holland is het provinciaal beleidsplan van de fysieke leefomgeving. Hoofddoel van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De sturingsfilosofie van de omgevingsvisie betreft: 1. ruimte bieden aan ontwikkelingen; 2. aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit; 3. allianties aangaan met maatschappelijke partners; 4. minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

3.2.1.2 Onderzoeksresultaten Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling betreft een binnenstedelijke verdichting, zodoende draagt het bij aan het benutten van de bebouwde ruimte. Ook is er sprake van een verbetering van de leefomgeving, de toevoeging van een woning en bijbehorend erfafscheiding sluiten aan bij de doelen ten aanzien van kwaliteit.

3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

3.2.2.1 Beleidskader De Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat concrete regels die bij de ruimtelijke ontwikkelingen in acht moeten worden genomen. In de Omgevingsverordening zijn de provinciale belangen uit de omgevingsvisie verder uitgewerkt in regels. Per 1 april 2019 is de verordening in werking getreden. Gemeentelijke plannen zullen ook getoetst worden aan de provinciale regels: strijdigheid met deze regels betekent ook strijdigheid met provinciaal beleid. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD.

55

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. De ladder zoals opgenomen in het Bro is een motiveringseis voor de toelichting van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om een vrijblijvend karakter te vermijden, heeft de ladder zoals opgenomen in de verordening daarom niet alleen betekenis voor de toelichting van het bestemmingsplan maar ook voor de inhoud. Ook voor de provinciale 'ladder' geldt dat deze per 1 juli 2017 een andere grondslag heeft, namelijk het per 1 juli 2017 gewijzigde Bro. Inhoudelijk is de toets niet wezenlijk veranderd. Ruimtelijke kwaliteit In de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is een van de speerpunten het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie beschikt over een kwaliteitskaart met een bijbehorende uitwerking in richtpunten. In artikel 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn voorwaarden opgenomen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit.

Binnen dit kwaliteitsbeleid onderscheidt de provincie in de Omgevingsverordening twee beschermingscategorieën. Hier zijn onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk.

3.2.2.2 Onderzoeksresultaten Voor de ladder voor duurzame verstedelijking is er een minimaal aantal woningen beschreven wanneer een project aan de ladder getoetst dient te worden. Dit aantal is 12 woningen. In het geval van het voorliggend project, waarbij het gaat om de toevoeging van drie woningen, is het niet nodig om aan de ladder van duurzame verstedelijking te toetsen. Het is wel van belang dat er een goede ruimtelijke ordening plaatsvindt. Bij de ontwikkeling wordt er voldaan, zij het op beperkte schaal aan een regionale behoefte. Er is vraag naar woningen in de stad, in de Regionale 'Woonagenda Holland Rijnland 2013' wordt een vraag naar 10.380 woningen tot en met 2029 benoemd. Een van de pijlers om dat te bereiken is inbreiding binnen de grenzen, in plaats van uitleglocaties op bestaande groengebieden. Inbreiding zorgt voor een duurzame verstedelijking, zo wonen er meer mensen dichter bij voorzieningen en is het gemakkelijker om groen en landschap te bewaken. Met inbreiding in het stedelijke netwerk wordt er bijgedragen aan de woningbouw behoefte.

3.2.3

Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020

3.2.3.1 Beleidskader Deze structuurvisie is op 25 juni 209 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst. De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie. De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:

56

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

1. Holland Rijnland is een top woonregio; 2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie; 3. Concentratie stedelijke ontwikkeling; 4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal; 5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open; 6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis; 7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.

3.2.3.2 Onderzoeksresultaten Zoals hierboven genoemd bevat de Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 zeven kernbeslissingen. De kernbeslissingen 'Holland Rijnland is een top woonregio' en 'Concentratie stedelijke ontwikkeling' zijn relevant voor voorliggende ontwikkeling. Het toevoegen van 3 woningen op een huidige locatie is in lijn met kernbeslissing 1 en 3, zij het op beperkte schaal. De overige 5 kernbeslissingen worden door deze ontwikkeling niet in de weg gezeten.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Leiden 2040

3.3.1.1 Beleidskader Op 15 juli 2019 heeft de gemeenteraad de 1.0-versie van de Omgevingsvisie Leiden 2040 vastgesteld (RV 19.0068). De Omgevingsvisie Leiden 2040 sluit aan op de Regionale agenda voor de omgevingsvisie "Hart van Holland", welke in 2017 is opgesteld door Leiden en de omliggende gemeenten. De Omgevingsvisie Leiden 2040 helpt om samenhang te brengen in de verschillende fysieke projecten in de stad, om deze meer Leids te maken, om ze beter de laten aansluiten op sociale, maatschappelijke en economische doelen en om investeringen goed te richten. De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de stad. Het bevat geen blauwdruk voor de ontwikkeling van de stad, maar beschrijft wel de waarden die we belangrijk vinden in de ontwikkeling van de stad, eigenschappen die we koesteren en nieuwe ontwikkelingen die ruimte vergen. Op basis van de Leidse waarden (opgehaald uit participatie), trends en noodzakelijke ontwikkelingen zijn er zes verhaallijnen geformuleerd; 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Leiden, stad van historie en cultuur Leiden, groene en gezonde stad Leiden, stad voor iedereen Leiden, stad van onderwijs, kennis en werk Leiden, verbonden stad Leiden, waterstad.

57

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

3.3.1.2 Onderzoeksresultaten Om aan deze beleidsdoelen te kunnen voldoen zijn er zowel kwalitatief als kwantitatief voldoende woningen nodig in alle segmenten. Het voorliggende plan biedt 3 woningen aan de rand van de stad. Overige facetten van het beleid worden, mede door de beperkte schaal van deze ontwikkeling, niet in de weg gezeten.

3.3.2

Ontwikkelingsvisie 'Leiden, stad van ontdekkingen: profiel 2030'

3.3.2.1 Beleidskader In 2004 heeft de gemeenteraad de ontwikkelingsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen" vastgesteld (RV 04.0097). In hetzelfde raadsbesluit heeft het college opdracht gekregen een cyclisch proces te ontwikkelen voor onderhoud van de ontwikkelingsvisie. De geactualiseerde uitgave van de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen" is het resultaat van dat "onderhoud". Deze actualisering is op 13 september 2012 door de raad vastgesteld (RV 12.0044). De geactualiseerde uitgave van de visie vervangt hiermee de vorige versie uit 2004. De geactualiseerde uitgave van Leiden Stad van Ontdekkingen dient als leidraad voor beleidsontwikkeling en voor gesprekken over samenwerking in de stad en met de omgeving. In 2004 hebben bewoners, instellingen, collegeleden en de gemeenteraad uitvoerig gesproken over de gewenste ontwikkelingsrichting van Leiden. Die gesprekken mondden uit in de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen". Die had 'kennis' en 'kwaliteit' als pijlers. Gebruiken maken van de kracht van de stad en deze kracht verder versterken, was daarbij het motto. Er was bij de vaststelling van de geactualiseerde visie geen behoefte aan een geheel nieuwe visie, maar de tijd was wel rijp voor een geactualiseerde uitgave die toekomst bestendig is.

De kernpunten van de Ontwikkelingsvisie 2030 voldeden nog prima, maar de uitwerking daarvan is deels achterhaald door veranderde omstandigheden. Belangrijke ambities van de geactualiseerde visie 'Leiden, Stad van Ontdekkingen' zijn 'internationale kennis' en 'historische cultuur'. Kennis vindt zijn basis in de Universiteit van Leiden, het Leids Universitair Medisch Centrum en het Leiden Bio Science Park. Historische cultuur is overal in de stad terug te vinden in de vorm van monumenten, musea en een ruim cultureel aanbod. Als Leiden deze ambities wil waarmaken moet de bereikbaarheid op orde zijn en wil de gemeente meer gebruik maken van 'de kracht van de stad'.

3.3.2.2 Onderzoeksresultaten Het initiatief waarbij er 3 woningen worden toegevoegd aan de Rijndijk staat de uitvoerbaarheid van 'Leiden, stad van ontdekkingen: profiel 2030' niet in de weg.

3.3.3

Economisch beleid

3.3.3.1 Beleidskader Bedrijventerreinen Regionale bedrijventerreinenstrategie Holland Rijnland In de regionale bedrijventerreinenstrategie Holland Rijnland zijn drie strategische doelstellingen geformuleerd waarmee de regionale samenwerking op het gebied van bedrijventerreinen wordt vormgegeven. Bij elke doelstelling hoort een aantal afspraken en nader uit te werken acties. De drie strategische doelstellingen zijn:

58

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

bestaande bedrijventerreinen herstructureren en niet transformeren; voldoende nieuw bedrijventerrein ontwikkelen; samenhang tussen bestaande en nieuwe bedrijventerreinen aanbrengen. In de bedrijventerreinenstrategie zijn afspraken vastgelegd die de basis vormen voor de gemeenschappelijke strategie. Het doel is te komen tot een gezonde bedrijventerreinenmarkt, met sterke bedrijventerreinen die een drager zijn voor de economie van Holland Rijnland. Dit komt enerzijds neer op het vraaggericht ontwikkelen van voldoende ruimte voor nieuwvestiging, uit-/verplaatsing of uitbreiding van bedrijven. Anderzijds dient het aanbod niet té ruim te zijn, omdat in dat geval de drijfveer voor herstructurering en de prikkel voor zorgvuldig ruimtegebruik ontbreekt. Het profiel en de locatie van de bedrijventerreinen moet daarnaast aansluiten op de specifieke eisen die het bedrijfsleven aan de terreinen stelt. Eén van de afspraken is het herstructureren en niet transformeren van bestaande bedrijventerreinen. Er wordt daarmee uitgegaan van het zoveel mogelijk behouden van bestaande bedrijventerreinen en deze zo nodig te verbeteren door het opstellen van herstructureringsplannen. Voor bestaande bedrijventerreinen is onder meer het volgende vastgelegd.

Naast de primaire functie als vestigingsplaats voor bedrijven in de hogere milieucategorieën kunnen op bedrijventerreinen in beperkte mate ook andere functies worden toegelaten, zoals kleine zelfstandige kantoren (maximaal 1.000 m2 bvo), perifere detailhandel en leisure. Als vuistregel wordt aangehouden, dat hiervoor maximaal 15 % van het netto oppervlak van een bedrijventerrein kan worden gebruikt. Eventueel door gemeenten wenselijk geachte afwijkingen worden in het Portefeuillehoudersoverleg Economische Zaken afgestemd en besproken. Zowel voor interne zonering als voor planontwikkelingen buiten de bedrijventerreinen moet onverkort worden vastgehouden aan de richtlijnen van de VNG-publicatie ´Bedrijven en Milieuzonering´. Voor verdiepingen op bedrijfspanden geldt het beleid, zoals is verwoord in het ´Uitvoeringsprogramma Ruimte voor Economie´ van de provincie Zuid-Holland. Op bedrijventerreinen waar door marktontwikkelingen reeds sprake is van een hoger aandeel kantoren, perifere detailhandel en/of leisure wordt uitgegaan van de feitelijke situatie op 1 januari 2009. Van bedrijventerreinen naar werklandschappen Leidse regio Op 14 januari 2013 is het beleidskader 'van bedrijventerreinen naar werklandschappen Leidse regio' door de wethouders economische zaken van Zoeterwoude, Voorschoten, Oegstgeest, Leiderdorp en Leiden vastgesteld.

Het doel van dit beleidskader is dat bedrijventerreinen ook in de toekomst aantrekkelijk blijven, zodat ze bij kunnen dragen aan de werkgelegenheid, economie en voorzieningenniveau van de Leidse regio. De visie is om naar werklandschappen toe te gaan waar het kernwoord flexibiliteit is. Dat wordt bereikt door meer soorten economische functies op werklandschappen toe te staan dan alleen de traditionele functies, dus ook wonen. Ook is als doel gesteld om werklandschappen intensiever te gebruiken, zowel in functies, gebruik en bebouwingsmogelijkheden.

3.3.3.2 Onderzoeksresultaten Het toevoegen van 3 woningen en het saneren van een bedrijfloods past binnen de omgeving Rijndijk. Rijndijk betreft een een woonstraat. Vanuit historische oogpunten zijn er enkele niet-watergebonden bedrijven gevestigd, echter passen deze bedrijvigheden beter op een bedrijventerrein. De toevoeging van 3 woningen staan de uitvoering van het beleidskader van 'bedrijventerreinen naar werklandschappen' niet in de weg. Tevens is gekeken naar toekomstige bedrijventerreinstrategie. Dit beleidsstuk heeft ter visie

59

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

gelegen. Het voorliggend plan past binnen dit beleid.

3.3.4

Woonbeleid

3.3.4.1 Beleidskader Nota Wonen 2020 'Leiden kijkt vooruit en pakt door' Op 14 februari 2013 heeft de gemeenteraad de nota Wonen 2020 'Leiden kijkt vooruit en pakt door' vastgesteld. Deze nota vormt een beleidskader voor de keuzes in het woonbeleid. De Stadsvisie Leiden, Stad van Ontdekkingen, de Sociaal Maatschappelijke Structuurvisie 2025 "Leven in Leiden" en de ruimtelijke Structuurvisie Leiden 2025 vormen het kader voor deze nota Wonen. Deze nota Wonen vormt op haar beurt weer het kader voor nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporaties en voor de plannen voor renovatie en nieuwbouw. Verbetering van de balans tussen vraag en aanbod, investeren in de kwaliteit van woning en woonomgeving en voldoende woningen voor hen die niet op de particuliere markt terecht kunnen: de lage en de middeninkomens. Dit zijn de drie hoofdopgaven die Leiden zich in de nieuwe nota Wonen stelt. Leiden is een aantrekkelijke woonstad met haar monumentale binnenstad, gevarieerde bevolking en goede voorzieningen. Om die aantrekkelijke stad te blijven moeten we doorgaan met investeren: afmaken van de bestaande woningprojecten en kijken naar nieuwe kansen. Vooruitzien en doorpakken is daarom het motto van deze nota, ook in tijden van crisis en bezuiniging.

Dat is niet gemakkelijk en daarom staat samenwerking in deze nota centraal: samenwerking tussen en met woningcorporaties, beleggers, ontwikkelaars, huurders en zorgaanbieder om ook in zwaardere tijden te zorgen voor verbetering van woning en woonklimaat.

3.3.4.2 Onderzoeksresultaten In het initiatief worden 3 woningen toegevoegd, waarbij er 1 bedrijfsloods weg wordt gesaneerd. De Nota Wonen 2020 heeft als uitgangspunt dat er binnenstedelijk woningen dienen te worden gerealiseerd. Het toevoegen van deze 3 woningen is niet significant voor dit uitgangspunt, maar meerdere vergelijkbare plannen kunnen dit effect wel realiseren. Zodoende kan deze woning bijdragen aan het beleidskader.

60

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Hoofdstuk 4 4.1

Archeologie

4.1.1

Beleidskader

Omgevingsaspecten

4.1.1.1 Nationaal beleid In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en enkele andere wetten. De Monumentenwet 1988 is inmiddels opgegaan in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Met de huidige wetgeving is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'. Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek).

Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen. Met de huidige wetgeving zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen.

4.1.1.2 Provinciaal beleid Verordening Ruimte 2014 Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Op 12 januari 2017 is door Gedeputeerde Staten de geactualiseerde Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. In deze verordening regelt de provincie de bescherming van twee typen gebieden die als provinciaal belang zijn aangemerkt: gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden (de zogeheten AMK-terreinen, op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur aangeduid) en de Romeinse limeszone. Voor deze gebieden dienen gemeenten de bescherming conform de richtlijnen van de provincie op te nemen in ruimtelijke plannen. In overige gebieden hebben gemeenten de vrijheid om gemotiveerd (op basis van een gemeentelijke archeologische waardenkaart) af te wijken van de in de Erfgoedwet voorgeschreven vrijstellingsgrenzen.

61

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Voor de AMK-terreinen geldt bij uitstek het uitgangspunt van behoud in situ. Hier zijn bodemingrepen in het geheel niet toegestaan. In de limeszone gaat de voorkeur uit naar behoud in situ, maar dient het behoud van archeologische resten in ieder geval via onderzoek te worden gewaarborgd.

4.1.1.3 Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden (zoals vastgelegd in de Erfgoednota 2014-2020) is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden. Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in het bestemmingsplan een aantal regels opgenomen. Deze regels zijn gebaseerd op een inventarisatie en evaluatie van de omvang en kwaliteit van het archeologisch bodemarchief in en om het plangebied.

Leiden heeft negen verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde. Voor acht waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een vergunning dient te worden aangevraagd. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de vergunningsplicht niet, omdat het een beschermd archeologisch rijksmonument betreft, waarop de regels van de Erfgoedwet van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een rijksmonumentenvergunning vereist.

4.1.2

Onderzoeksresultaten

4.1.2.1 Inleiding De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen.

62

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

4.1.2.2 Onderzoek Het plangebied heeft volgens het vigerende bestemmingsplan een hoge archeologische verwachtingswaarde. Omdat er op dit moment al bebouwing aanwezig is, en het huidige projectgebied niet groter is dan het nieuwe projectgebied is er geen archeologisch onderzoek benodigd.

4.1.2.3 Melding toevalsvondst Ingeval archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 53 van de Monumentenwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente, tel. nr. 071-5167950. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek.

4.1.2.4 Waarneming archeologie Indien in het plangebied de bodem wordt verstoord, kan het voorkomen dat tijdens of na de werkzaamheden een archeologische waarneming plaatsvindt. Deze waarneming wordt verricht als onderdeel van de gemeentelijke onderzoeksagenda en wordt uitgevoerd door een archeoloog van de gemeente Leiden. De kosten van dit onderzoek komen niet voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient wel de gelegenheid te bieden tot het uitvoeren van deze werkzaamheden. De initiatiefnemer meldt de aanvang van de werkzaamheden dientengevolge uiterlijk drie weken van tevoren aan de gemeente Leiden.

4.2

Cultuurhistorie

4.2.1

Beleidskader

4.2.1.1 Nationaal beleid Erfgoedwet (2016) Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich een of meer monumenten bevinden. De wet verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied. De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf monumenten aan te wijzen.

Modernisering Monumentenzorg In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming. De rode draad door het beleid is om

63

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt. Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed.

Besluit ruimtelijke ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wro. In het Bro is onder meer vastgelegd dat gemeenten rekening moeten houden met cultuurhistorie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten onderzoek moeten doen naar de cultuurhistorische waarden van een bestemmingsplangebied. Het gaat om een integrale beschouwing van cultuurhistorie: een combinatie van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap.

4.2.1.2 Provinciaal beleid Verordening Ruimte Het projectgebied ligt niet in een molenbiotoop, waardoor de verordening Ruimte op dit aspect de ontwikkeling niet in de weg staat.

4.2.1.3 Gemeentelijk beleid Erfgoednota 2014-2020 Erfgoednota van de stad: Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota. Visie en ambitie: De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.

Inbedding cultuurhistorie in ruimtelijke ordening: Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed wordt opgenomen. Leiden continueert de aandacht voor cultuurhistorie in het bestemmingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken - uitgebreider en specifieker dan voorheen - deel uit van het bestemmingsplan. Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld.

64

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Uitgangspunt is; beschermen wat beschermenswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie. Herbestemming: Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren bestemmingsplannen qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming. Monumentenverordening en monumentenlijst (2009) De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening. Karakteristieke panden Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming sterkt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht.

In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.

4.2.2

Onderzoeksresullaten

4.2.2.1 Beschermd stads- of dorpsgezicht Rijndijk 238A ligt in de Stevenshof, dit is geen beschermd stads- of dorpsgezicht. Daarnaast heeft het huidige pand geen cultuurhistorische waarde. Er zijn daarom geen extra voorwaarden vanuit erfgoed meegegeven aan de ontwikkeling.

4.3

Ecologie

4.3.1

Beleidskader

4.3.1.1 Nationaal beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of

65

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12.

Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: a. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.

In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. b. die streng beschermd zijn Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. waarvoor maatregelen moeten worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.

66

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.

4.3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Landschapsbeleidsplan Leidse regio en Warmond 2002 Het regionale landschapsbeleidsplan heeft meerdere doelstellingen. Aangegeven moet worden hoe de agrarische, ecologische, recreatieve, cultuurhistorische en visueel - ruimtelijke kwaliteiten van het landschap behouden, versterkt of ontwikkeld kunnen worden op een zodanige manier, dat een meerwaarde ontstaat op regionaal niveau. Daarnaast moet er een landschappelijk raamwerk worden ontworpen, waarin functies als landbouw, natuur, waterbeheer, recreatie en mogelijkheden voor verstedelijking duidelijk zijn gepositioneerd. Ook een optimale wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden moet worden aangegeven. De relatie stadland, de voedingsaders voor natuur in de stad, moet worden geoptimaliseerd en worden beschermd.

4.3.1.3 Gemeentelijk beleid Kaderstelling Bomenbeleid De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen. Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998) Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen. De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn: Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in. Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken. Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES. Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting De Wnb stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied.

Een wijziging van deze wet in februari

67

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. Dit document, de 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden' (vastgesteld door B en W op 1 november 2005), is bij B en W-besluit van 4 december 2012 komen te vervallen en vervangen door de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting'. Deze gedragscode is opgesteld door Stadswerk en goedgekeurd per 1 januari 2011. Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Wet natuurbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9776574/1