CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210011 Bijlage 1. Aangepaste ruimtelijke onderbouwing Rijndijk 238A

raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 9 maart 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen28.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.3.2

Onderzoeksresultaten

Algemeen Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot verstoring, aantasting van groeiplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van soorten die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten leiden, zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. Daarnaast moeten ook onbeschermde soorten zoveel mogelijk worden ontzien, volgens de "zorgplicht". In planvorming en/of uitvoering dient daarom tijdig rekening te worden gehouden met aanwezigheid van (beschermde) flora en fauna. Het project Binnen het project is met name door de sloop van de loods kans op negatieve effecten voor beschermde soorten. Uit het Stadsnatuurmeetnet van de gemeente Leiden blijkt dat er in de omgeving van de locatie onder andere boerenzwaluwen, gewone dwergvleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en spreeuwen voorkomen. Mogelijk vestigen deze beschermde dieren zich in loods. Om er zeker van te zijn dat er geen beschermde dieren verstoord worden is er een ecologische QuickScan uitgevoerd. Uit de bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijke leefgebieden worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde soorten.

Voor een verdere toelichting zie ook Bijlage 4 Flora en fauna onderzoek, waar het flora en fauna onderzoek is beschreven. Conclusie Zolang de situatie ongewijzigd blijft ten opzichte van het moment dat de Ecologische Quickscan is uitgevoerd, zijn er verder geen obstructies vanuit ecologische belangen.

4.4

Kabels en leidingen

Naast het bestaande pand loopt een gasleiding van Liander. Tijdens de sloop en de bouw moet daar rekening mee worden gehouden. Verder worden er geen obstructies verwacht vanuit het aspect kabels en leidingen.

68

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

4.5

Milieu

4.5.1

Bedrijven en milieuzonering

4.5.1.1 Beleid en regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies zoals woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast.

4.5.1.2 Onderzoeksresultaten Gelet op het gestelde in het bestemmingsplan Stevenshof kan de omgeving van de geplande ontwikkeling worden getypeerd als een gemengde omgeving. Binnen een straal van 50 meter is een oliehandel aanwezig. Om te beoordelen of er sprake is van een goed leef- en woonklimaat, is er nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat een goed woon- en leefklimaat geborgd is, en dat de bouw van de woningen ook geen nadelig effect heeft op de ontwikkelingen van de oliehandel. Zie hiervoor Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

4.5.1.3 Conclusie Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' staat de ontwikkeling niet in de weg.

69

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

4.5.2

Bodem

4.5.2.1 Beleid en regelgeving De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen en het verleenen van omgevingsvergunningen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Het is niet toegestaan te bouwen op verontreinigde grond. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt zonodig middels een historisch onderzoek (eventueel aangevuld met een nader bodemonderzoek) bepaald. Om erachter te komen of de grond verontreinigd is, zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. De bodemkwaliteit dient geschikt te zijn voor de gewenste belemmering. Het bodembeleid onderscheidt drie soorten grond en bodem met ieder hun eigen beleid en wet- en regelgeving: Sterk verontreinigde grond (boven inventarisatiewaarden); Licht verontreinigde grond (boven streefwaarden, na 1 juli 2008 AW2000-waarden); Schone bodems (beneden streefwaarden, na 1 juli 2008 AW2000-waarden). Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Dit besluit hanteert voor het toepassen van grond en bagger, een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer.

Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en gebruik van de bodem voor maatschapelijke ontwikkelingen zoals woningbouw. Tevens biedt het besluit meer mogelijkheden voor grondverzet.

4.5.2.2 Onderzoeksresultaten In maart 2010 en februari 2019 zijn milieukundige bodemonderzoeken uitgevoerd op locatie. Uit deze onderzoeken is gebleken dat nader onderzoek plaats moet vinden om te beoordelen of er belemmeringen zijn voor de herinrichting. Door de aanvrager is daarom een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd in november 2019, zie Bijlage 3 Milieukundig bodemonderzoek . Doel van het onderzoek is om de matige en sterke verontreinigingen in beeld te brengen en om te bepalen of er mogelijk sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Dit onderzoek is getoetst door de Omgevingstdienst West-Holland. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging en dat nader onderzoek vanuit de Wet bodembescherming (Wbb) niet uitgevoerd hoeft te worden. De bodem is niet ernstig verontreinigd met minerale olie of zware metalen. Vanuit de Wet bodembescherming (Wbb) hoeft er geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.

4.5.2.3 Conclusie Het aspect bodem staat de ruimtelijke ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.5.3

Externe veiligheid

4.5.3.1 Beleid en regelgeving Voor het milieuaspect externe veiligheid zijn een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. De normen voor het externe veiligheidsbeleid hebben een wettelijke status. Deze normen zijn een wettelijke verplichte toetsingsgrond bij besluiten op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.

70

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

4.5.3.2 Onderzoeksresultaten Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd en valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI). Ook ligt het plan niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Wel ligt de locatie met een afstand van 3,5 km in het effectgebied van de A4. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Tevens ligt de locatie in het effectgebied van de N206 (Dr. Lelylaan) op een afstand van 650 meter. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen categorie LT2 heeft de N206 een effectgebied van 900 meter. De bouw van 3 woningen heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid.

4.5.3.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de ruimtelijke ontwikkeling niet in de weg.

4.5.4

Geluid

4.5.4.1 Beleid en regelgeving Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai van Schiphol. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kent grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidsgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moet op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidsbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of de Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Op 4 maart 2013 heeft de Omgevingsdienst de herziene versie van de 'Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden' vastgesteld. Op basis van deze richtlijnen stelt de Omgevingsdienst een maximale hogere waarde van 58 dB voor, voor verkeerslawaai en 63 dB voor railverkeer.

Voor industrielawaai en luchtvaartlawaai gelden de wettelijke grenswaarden.

4.5.4.2 Onderzoeksresultaten Ten behoeven van de voorliggende ruimtelijke ontwikkeling zijn er twee akoestische rapporten aangeleverd (Bijlage 2 Akoestisch onderzoek oprichten woning en Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai). Uit het onderzoek wegverkeerslawaai volgt dat de geluidsbelasting op de woningen niet boven de wettelijke grenswaarden uitkomt. Er hoeft daarom ook geen besluit hogere waarden te worden genomen.

4.5.4.3 Conclusie Geluid vormt geen beletsel voor het realiseren van het plan.

71

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

4.5.5

Luchtkwaliteit

4.5.5.1 Beleid en regelgeving In de Wet milieubeheer zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. In de wet is, door middel van criteria, een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij 3 % van de grenswaarde ( = 1,2 µg/m3) voor stikstofdioxide en fijn stof.

4.5.5.2 Onderzoeksresultaten Het bouwplan draagt volgens bijlage 3B van de Regeling niet in bekende mate bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof PM10/PM2.5.

4.5.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen beletsel voor het realiseren van het plan.

4.5.6

Asbest

4.5.6.1 Beleid en regelgeving In het Bouwbesluit is bepaald dat het verboden is om zonder of in afwijking van een sloopmelding te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 zal bedragen. Van de melding maakt een asbestinventarisatierapport deel uit. De inventarisatieplicht geldt niet voor gebouwen die na 1994 zijn gebouwd.

4.5.6.2 Onderzoeksresultaten Op locatie is er een gebouw aanwezig uit het bouwjaar 1984. Gezien het bouwjaar is het aannemelijk dat er asbestverdachte materialen zijn toegepast in de oorspronkelijke bouwkundige constructie. Daarom is er een asbestinventarisatie gedaan. zie Bijlage 1 Milieukundig onderzoek en asbestinventarisatie. Uit het rapport volgt dat er geen asbesthoudende bronnen zijn geconstateerd.

4.5.6.3 Conclusie Het aspect asbest vormt geen beletsel voor het realiseren van het plan.

4.6

Milieueffectrapportage

In het plangebied worden 3 woningen gerealiseerd. Het dichtst bijgelegen Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide ligt op ongeveer vijf kilometer afstand. De verkeersaantrekkende werking is minimaal en zelfs minder dan de huidige planologische invulling. Een toename van eventuele stikstof emissie doet zich enkel voor in de bouwfase van het project. In de bouwvergunning dienen daarvoor de noodzakelijke compenserende maatregelen getroffen te worden. Er hoeft geen AERIUS-berekening te worden uitgevoerd omdat er slechts drie woningen op ongeveer vijf kilometer van het dichtsbij gelegen Natura 2000-gebied worden gerealiseerd. De Wet natuurbescherming levert met betrekking tot de bescherming van Natura 2000-gebieden geen belemmering op voor dit plan.

72

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

4.7

Stedenbouwkundige inpassing

4.7.1

Beleidskader

Het beleidskader wordt in dit geval weergegeven door het vigerende bestemmingsplan 'Stevenshof'.

4.7.2

Onderzoeksresultaten

Het wijzigen van de functie van het perceel van bedrijvigheid naar wonen is op deze locatie voorstelbaar. Er zijn diverse bedrijfspercelen in het bebouwingslint van de Rijndijk aanwezig. Vaak betreft dit rommelige bebouwing zonder link naar het water toe. Verscheidene bedrijfspercelen langs de Rijndijk hebben in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid laten opnemen voor de wijziging naar wonen. Het perceel 238A heeft geen dergelijke wijzigingsbevoegdheid, maar de wijziging op zich is voorstelbaar. Door woningen te realiseren wordt het perceel kwalitatiever benut en kan de uitstraling naar de Rijn aantrekkelijker worden gemaakt. Wonen bevordert sociale veiligheid, toezicht en controle en is positief voor draagvlak van voorzieningen. Daarnaast is er langs de rest van de Rijndijk ook ruimte voor vrijstaande woningen en 2-onder-1-kap woningen aan het water. In de omgeving zijn woningen aan het water en bedrijfspercelen aan het water beide toegepast. De tweede bebouwingslijn kent beide typologieën, woningen sluiten dus net zo goed aan op de locatie als de huidige bedrijfsloods. Dat geldt ook voor het type woning. De woningen hebben een kleinere voetafdruk dan het bedrijfspand, waardoor er onbebouwde grond vrijkomt voor tuinen van de woningen.

Ligging aan het water kan in het ontwerp verder benadrukt worden door zichtlijnen op het water, openheid van de tuin naar het water en oriëntatie van belangrijkste woonruimtes richting het water. Er zijn parkeervakken aanwezig bij de woningen, verder is er voldoende buitenruimte en bergingsruimte beschikbaar. Daarmee voldoen de woningen aan de benodigde voorzieningen. Concluderend passen de woningen binnen de stedelijke structuur langs de Rijn. De situatie is in het verleden zo gegroeid met ruimte voor bedrijvigheid en woningen. In het kader van privacy, bezonning en daglicht zullen er geen bestaande woningen worden benadeeld, aangezien die ook niet aanwezig zijn.

4.8

Verkeer en vervoer

4.8.1

Beleidskader

4.8.1.1 Provinciaal en regionaal beleid Mobiliteitsnota Leiden 2015-2022 Het gemeentelijk verkeers en vervoersbeleid is vastgelegd in de Mobiliteitsnota Leiden 2015-2022 (vastgesteld door de gemeenteraad op 28 mei 2015). Deze nota gaat over het mobiliteitsbeleid in brede zin: er is aandacht voor autobereikbaarheid, voor leefbaarheid, voor verkeersmanagement, enzovoort. De nota benoemt verschillende ambities van het beleid, waarna per thema of per vervoerwijze is aangegeven welke maatregelen uitgevoerd zullen worden. Het Mobiliteitsbeleid staat ten dienste van een bovenliggende ambitie voor de Leidse Agglomeratie: de Leidse agglomeratie wil een regio zijn van internationale kennis, historische cultuur, met een prettige, gezonde en hoogwaardige woonomgeving, die goed bereikbaar is.

73

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Hiervan leidt de nota zeven ambities af die specifiek zijn voor verkeer en vervoer. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

versterken van de hoofdontsluitingsstructuur; bereikbaarheid en omgevingskwaliteit in balans brengen; stimuleren van langzaam verkeer; stimuleren van OV-gebruik; bijdragen aan duurzaamheid en aan minder milieuhinder; werken aan een gastvrij Leiden; moderne technologie meer inzetten ten behoeve van verkeer en vervoer.

Voor de autobereikbaarheid van Leiden is de centrale bouwsteen de introductie van de Leidse Ring. Leiden investeert op het gemeentelijke deel van de ring om deze vlotter te maken. Dit is gunstig voor de bereikbaarheid en de bundeling van verkeer op de ring leidt tot het beperken van intensiteiten op andere delen van het wegennet. Met de Leidse Ring als basis is er een wegencategoriseringkaart opgesteld. Verdere maatregelen van belang voor de ontsluiting van Leiden zijn het éénrichting maken van de Rijnzichtbrug en het afsluiten van de Spanjaardsbrug voor gemotoriseerd verkeer (in overleg met Leiderdorp). De keuze voor de ontsluitingsstructuur van Leiden heeft niet alleen betekenis voor het autoverkeer, maar ook voor alle andere modaliteiten, met name de fiets en het OV. Immers, bij projecten van wegen met een aanzienlijke verkeersfunctie is er in het algemeen ook specifieke aandacht nodig voor het fietsverkeer en het Openbaar Vervoer (OV). Belangrijke routes voor fiets en OV lopen vaak op trajecten die ook deel uitmaken van de ontsluitingsstructuur voor het autoverkeer. Leiden vindt het belangrijk fiets- en OV-gebruik te stimuleren. Op het gebied van duurzaamheid is dit het meest effectieve dat een lokale overheid kan nemen. De uitstekende aansluiting van Leiden op het spoorwegennet zorgt voor een aanzienlijk OV gebruik in Leiden.

De Mobiliteitsnota zet in op versterking hiervan. Verder komen er drie lijnen voor hoogwaardig busvervoer (HOV). Voor de overige, onderliggende lijnen zal Leiden onderzoek uitvoeren naar de wensen vanuit de stad, zodat deze ingebracht worden bij de concessieverlener. Het fietsbeleid staat in de Nota Herijking Fietsroutes 2013-2020 (vastgesteld op 10 oktober 2013) en de Mobiliteitsnota voegt hier enige verdere accenten aan toe. Een centraal onderdeel van het fietsbeleid is de fietsroutenetkaart. Voor het fietsverkeer zijn verder inspanningen op het gebied van fietsparkeren van belang (ook om ketenmobiliteit te stimuleren). Ook de voetganger krijgt aandacht in de nota. Op een aantal locaties met grote stromen voetgangers zijn inspanningen specifiek voor de voetganger voorzien. In het parkeerbeleid zijn centrale elementen het realiseren van parkeergarages aan de rand van de binnenstad en het uitbreiden van gereguleerd parkeren. Voor planologische ontwikkelingen zijn verder de Beleidsregels Parkeernormen een belangrijk instrument (in werking getreden op 20 oktober 2012, gewijzigd in 2015). Tenslotte geeft de Mobiliteitsnota Leiden 2015-2022 aandacht aan verkeersveiligheid en verkeersmanagement.

4.8.1.2 Gemeentelijk beleid Beleidsregels Parkeernormen Leiden (2015) Op 28 februari 2012 heeft het college van B&W de nota 'Beleidsregels parkeernormen Leiden' vastgesteld (BW 12.0189). Dit beleid is herzien bij B&W-besluit van 19 mei 2015. Deze beleidsregels hebben betrekking op het stellen van een eis tot het aanbrengen van parkeer-/stallingsruimte voor auto’s op eigen terrein. Ze hebben ook betrekking op de wijze van bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen, in verband met aanvragen voor alle activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Wabo. Het doel van dit beleid is dat initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten op eigen terrein

74

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

voorzien in parkeer-/stallingsruimte voor auto’s, dan wel laad- of losruimte, als daartoe behoefte ontstaat ten gevolge van die ruimtelijke activiteiten. Op deze wijze wordt in het bijzonder de parkeerdruk in de openbare ruimte beperkt, en wordt gezorgd voor voldoende plaats voor geparkeerde auto’s bij de diverse voorzieningen en functies. De verantwoordelijkheid voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen wordt primair bij de veroorzaker van de parkeervraag gelegd. De ruimte in Leiden is namelijk schaars en de leefbaarheid van wijken hangt nauw samen met het gebruik van de openbare ruimte. Voor de verschillende zones in Leiden ('binnenstad, binnenstad bij station, schil, schil bij station en rest') en de verschillende functies gelden eigen, specifieke normen. Aan de hand van deze normen dient per geval in de concrete situatie te worden bepaald welke parkeerbehoefte ontstaat en in hoeveel parkeer-/stallingsruimte moet worden voorzien.

4.8.2

Onderzoeksresultaten

4.8.2.1 Ontsluiting Voorliggende transformatie zorgt niet voor een extra verkeersaantrekkende werking. Er hoeven daarom geen verkeerskundige aanpassingen in het projectgebied doorgevoerd te worden. De woningen zijn bereikbaar via de bestaande ontsluiting. Deze ontsluiting is ten zuidoosten van de Rijndijk 238 gesitueerd. Het gebied rondom de te realiseren woningen kan gebruikt worden om te draaien. Hierdoor kan er vooruit in- en uitgereden worden.

4.8.2.2 Parkeren Ten behoeve van de voorliggende ruimtelijke ontwikkelingen dienen er zes parkeerplaatsen teruggebracht te worden op eigen terrein. Deze zes parkeerplaatsen zijn op een NEN-conforme manier ingetekend op eigen terrein. Deze parkeerplaatsen zijn ook via de bestaande ontsluiting toegankelijk. Daarmee voldoet de voorliggende ruimtelijke ontwikkeling aan de vigerende beleidsregels parkeernormen Leiden.

4.9

Water

4.9.1

Beleidskader

Beleid waterschap Waterbeheerplan 5 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het

75

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur en uitvoeringsregels Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat is maakt de Keur en uitvoeringsregels het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.

De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Waterkeringen Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen. Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 5.000 m2 is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht.

Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met meer dan 5.000 m2 dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het hoogheemraadschap van Rijnland.

4.9.2

Onderzoeksresultaten

4.9.2.1 Algemeen Water en ruimtelijke ordening Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen

76

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk. Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer.

4.9.2.2 Watertoets De situatie verslechterd niet, doordat er nu al een loods aanwezig is die gesloopt dient te worden komt er ruimte vrij voor de woningen. Daarmee staat er onder de streep minder verharding op het terrein dan nu in de huidige situatie het geval is. Het totaal aantal vierkante meters verhard oppervlak kan daarmee worden teruggedrongen. Indien er tuinen worden gecreëerd is er ook een mogelijkheid om te vergroenen. Zeker is dat er niet meer verharding kan worden gerealiseerd. Aan het water van de Rijn wordt een steiger geconstrueerd, deze heeft geen invloed op het water zelf en is bedoeld voor recreatie.

77

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

78

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Hoofdstuk 5 5.1

Procedurele aspecten

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.10, lid 1 onder c Wabo dient een omgevingsvergunning geweigerd te worden voor aanvragen die in strijd zijn met het bestemmingsplan en er geen vergunningverlening mogelijk is met toepassing van artikel 2.12 Wabo. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend na het voeren van een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan. Hierbij gelden drie mogelijkheden: indien in het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid wordt gegeven dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1º van de Wabo; indien het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid biedt, maar bij algemene maatregel van bestuur afgeweken kan worden dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2º van de Wabo; indien aan geen van bovenstaande voldaan kan worden, de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat, dan kan de omgevinsgvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º van de Wabo doorlopen worden. Dit is een procedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.2

Procedure

Het plan is strijdig met het bestemmingsplan. Voor dit bouwplan is in het Besluit omgevingsrecht geen mogelijkheid opgenomen voor een buitenplanse afwijking. Daarmee is de juiste juridisch-planologische procedure voor het mogelijk maken van het ingediende bouwplan, het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo. Het betreft een uitgebreide procedure. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit met deze ruimtelijke onderbouwing zes weken ter inzage wordt gelegd voor het indienen van zienswijzen. Eenieder kan gedurende die termijn een zienswijze indienen. De zienswijzen worden beantwoord in een zienswijzennota. Als gevolg van ingediende zienswijzen kan een omgevingsvergunning worden geweigerd. De aanvrager kan dan een aangepaste aanvraag indienen. Geven de zienswijzen geen aanleiding de omgevingsvergunning te weigeren, dan kunnen de indieners van de zienswijzen door de raadscommissie worden gehoord. De raadscommissie neemt een besluit op de zienswijzen en in voorkomende gevallen over het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. Indien geen zienswijzen ingediend worden, kan direct na de ter inzage legging van het ontwerpbesluit een omgevingsvergunning verleend worden.

De omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na afloop van de beroepstermijn van zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd en nadat deze langs elektronische weg kenbaar is gemaakt. Tegen het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning kan rechtstreeks beroep worden aangetekend bij de rechtbank gedurende een termijn van zes weken na publicatie van de vergunning.

79

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

5.3

Verklaring van geen bedenkingen

Bij de toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º is in sommige gevallen een verklaring van geen bedenkingen vereist. De Wabo biedt de raad op grond van artikel 6.5, derde lid Bor de mogelijkheid om een lijst van categorieën van gevallen vast te stellen, waarvoor een verklaring van geen bedenkingen van de raad niet is vereist. Met een dergelijke lijst kan de raad er voor zorgen dat het geen verklaring hoeft af te geven voor strijdige ruimtelijke activiteiten met een zeer beperkt planologisch belang, of activiteiten waarover de raad reeds eerder heeft besloten in de vorm van een gebiedsvisie, wijkontwikkelingsplan, stedenbouwkundig masterplan of soortgelijk ruimtelijk kader. Op 29-02-2020 is er een nieuwe lijst met categorieën van gevallen in werking getreden waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Deze lijst wordt periodiek herzien. Een verklaring van geen bedenkingen is voor dit project mogelijk noodzakelijk wanneer er zienswijzen worden ingediend binnen het termijn van ter inzage legging volgensartikel 1 lid 3 van de VVGB-lijst bij Wabo procedures (RV 19.0008).

80

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Het bouwplan ziet op de realisatie van drie nieuwbouw woningen, daarmee valt het project onder de gevallen genoemd in artikel 6.2.1 Bro. In beginsel is er daarom een exploitatieplan noodzakelijk is op grond van artikel 6.12 Wro. In onderhavig geval wordt echter geen exploitatieplan opgesteld, omdat de (plan)kosten die met dit project zijn gemoeid via de legesverordening verhaald zullen worden. Via een planschadeovereenkomst worden eventuele (planschade) kosten verhaald. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Algemeen

Bij het opstellen van deze ontwerp omgevingsvergunning hoort een belangenafweging. In zo'n belangenafweging worden alle belangen tegen elkaar afgewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen. Gedurende een zienswijzentermijn kan eenieder zijn of haar belang bij het college kenbaar maken alvorens de een besluit wordt genomen over verlening van de omgevingsvergunning.

6.2.2

Participatie

Vanwege de schaal van de voorliggende ruimtelijke ontwikkeling wordt er vanuit de gemeente geen formele bewonersavond georganiseerd maar wordt de verantwoordelijkheid bij de aanvrager gelegd om met de betrokkenen in gesprek te gaan. De aanvrager had vooraf aan dit proces via de mail bevestigd dat de omwonenden waren meegenomen in het proces en de ruimtelijke ontwikkeling. Naar aanleiding van raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling op 24 november 2020, waar de indiener van een zienswijze heeft verklaard dat er niet met hem of zijn buren is gepraat, zijn er twijfels ontstaan over de gevoerde participatie. Naar aanleiding van deze raadscommissie is het plan teruggetrokken uit de bestuurlijke besluitvorming en zijn er onder leiding van de gemeente met beide indieners van de zienswijzen gesprekken geïnitieerd Naar aanleiding van deze twee gesprekken is het dakterras aan de zuidwestzijde van de vrijstaande woning weggehaald. Een geanonimiseerde samenvatting van beide bijeenkomsten zijn te vinden in de bijlagen Verslag participatiebijeenkomst 12-01-2021 en Verslag participatiebijeenkomst 21-01-2021

6.2.3

Zienswijzen

Via publicaties in de Staatscourant en de Stadskrant zal de termijn van terinzage legging van de ontwerp omgevingsverguning worden aangekondigd. Een ieder wordt tijdens deze periode van zes weken in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen het voorgenomen plan kenbaar te maken. De ontwerp omgevingsvergunning alsmede de ontwerp verklaring van geen bedenkingen zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze met betrekking tot het ontwerp indienen. Op deze manier kunnen belangen die bij de uiteindelijke besluitvorming betrokken moeten worden ingebracht worden.

81

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Tijdens de zienswijzentermijn zijn twee zienswijzen bij de gemeente binnengekomen. Deze zienswijzen zijn binnen de daarvoor gestelde termijn va zes weken ingediend en worden dan ook als ontvankelijk aangemerkt. In de bijgevoegde zienswijzennota is de reactie weergegeven en tevens van een beantwoording voorzien. Deze zienswijzennota is aangepast n.a.v. de nader gevoerde participatieoverleggen met de indieners van de zienswijzen.

82

Ruimtelijke Onderbouwing Rijndijk 238A

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Milieukundig onderzoek en asbestinventarisatie

83

Rijndijk 238a te Leiden Milieukundig bodem- en asbestonderzoek

Datum Kenmerk

: 21 februari 2019 : 1804L436/DBI/rap2

Opdrachtgever

: Autobedrijf Gebr. de Wit : De heer H. de Wit : Zijlsingel 36 : 2315 KD Leiden

Goedkeuring de heer D.D.C.A. Bijl adviseur de heer ing. B.B. Noyons adviseur De heer ir. A. van Dortmont projectleider

auteur

Datum 14-12-2018

auteur

20-02-2019

controle en vrijgave

20-02-2019

Handtekening

BRL SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 & 2018 © IDDS B.V. Noordwijk Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING .........................................................................................................................3

2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6.

VOORONDERZOEK EN ONDERZOEKSOPZET .............................................................4 ALGEMEEN .......................................................................................................................4 REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................4 BESCHRIJVING ONDERZOEKSLOCATIE .......................................................................5 HISTORISCHE INFORMATIE ...........................................................................................6 CONCLUSIES VOORONDERZOEK .................................................................................9 ONDERZOEKSOPZET ......................................................................................................9

3. 3.1. 3.2.

VELDONDERZOEK ........................................................................................................10 VELDWERKZAAMHEDEN ..............................................................................................10 RESULTATEN VELDWERK ............................................................................................11

4. 4.1. 4.2.

CHEMISCH ONDERZOEK ..............................................................................................13 ANALYSESTRATEGIE ....................................................................................................13 RESULTATEN EN TOETSING CHEMISCHE ANALYSES .............................................14

5.

BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN ..............................................................17

6. 6.1. 6.2.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................18 CONCLUSIES ..................................................................................................................18 AANBEVELINGEN ...........................................................................................................19

7.

BETROUWBAARHEID ...................................................................................................20

BIJLAGEN 1.

Kaarten en tekeningen 1.1. overzichtskaart 1.2. situatietekening

2.

Boorstaten en legenda

3.

Analysecertificaten 3.1. grond 3.2. grondwater 3.2. asbest

4.

Toetsingsresultaten 4.1. grond 4.2. grondwater

5.

Fotoreportage

6.

Veldverslag

7.

Historische informatie

1.

INLEIDING

In opdracht van Autobedrijf Gebr. de Wit. is een milieukundig bodem- en asbestonderzoek verricht op de locatie Rijndijk 238a te Leiden. Aanleiding en doelstelling onderzoek Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het bodemonderzoek beoogt het verkrijgen van inzicht in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Doel van het asbestonderzoek is vast te stellen of op de onderzoekslocatie een verontreiniging met asbest in de bodem aanwezig is. Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de strategie afgeleid van de norm NEN 5740+A1 (nl) april 2016. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond.

Het asbestonderzoek is uitgevoerd conform de hiertoe geldende richtlijnen zoals verwoord in het onderzoeksprotocol NEN 5707+C2, Bodem – inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond (december 2017). Leeswijzer De locatiegegevens, het vooronderzoek en de opzet van het onderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 2. De keuze van de opzet van het onderzoek is onder meer afhankelijk van het huidige en het voormalige gebruik van het perceel. Een beschrijving van het veldonderzoek en het analytisch onderzoek is weergegeven in de hoofdstukken 3 en 4. De verzamelde gegevens zijn getoetst aan het toetsingskader van de Wet bodembescherming, geïnterpreteerd en besproken in hoofdstuk 5. Op basis van de verzamelde onderzoeksresultaten is de chemische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie beoordeeld. Deze beoordeling is ondergebracht in hoofdstuk 6 (conclusies). Daarnaast worden op basis van de onderzoeksresultaten aanbevelingen gedaan met betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen. In hoofdstuk 7 zijn de factoren, die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek, toegelicht.

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 3/20

2.

VOORONDERZOEK EN ONDERZOEKSOPZET

2.1.

ALGEMEEN

Bij toepassing van de NEN 5707 en NEN 740 moet een hypothese worden opgesteld omtrent de aan- of afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventueel te verwachten verontreinigingen. Ten behoeve van het opstellen van de hypothese dient een vooronderzoek uitgevoerd te worden overeenkomstig de NEN 5725 (Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek, NNI, januari 2009). In het kader van onderhavig onderzoek is het vooronderzoek uitgevoerd conform het standaard niveau. In dit kader is informatie verzameld over de volgende aspecten van de locatie: -

Regionale bodemopbouw en geohydrologie (paragraaf 2.2). Huidig (en toekomstig) gebruik van de onderzoekslocatie (paragraaf 2.3). Historische informatie (paragraaf 2.4).

De verzamelde informatie is vastgelegd per bron en weergegeven in de genoemde paragrafen van onderhavige rapportage. De conclusies van het vooronderzoek worden weergegeven in paragraaf 2.5. Op basis van deze gegevens is in paragraaf 2.6 de onderzoeksopzet bepaald. Als afbakening van de onderzoekslocatie, ten behoeve van het vooronderzoek, is gekozen voor het te onderzoeken perceel alsmede de aangrenzende percelen tot maximaal 25 meter gerekend vanaf de grens van het te onderzoeken perceel. Opgemerkt dient te worden dat de genoemde afstand een arbitraire keuze betreft.

2.2.

REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

TABEL 1 Pakket

Ligging (m t.o.v. NAP)

Lithologie

Antropogene afzettingen

circa 0,0 – 1,00

Zand, zeer fijn tot zeer grof; klei, siltig tot zandig, humeus; huisafval; puin

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren

circa 1,00 – 3,00

Zand, zeer fijn tot matig grof, lokaal kleiig, schelphoudend, kalkrijk; klei, siltig tot zandig, lokaal humeus

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren (geulafzettingen generatie B)

circa 3,00 – 11,50

Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, schelphoudend, kalkrijk; klei, zandig

Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer

circa 11,50 – 14,00

Zand, zeer fijn tot matig grof, lokaal kleiig, schelphoudend, kalkrijk; klei, siltig tot zandig, lokaal humeus

Formatie van Boxtel, laagpakketten van Wierden, Singraven en Kootwijk

circa 14,00 – 15,00

Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; klei, siltig tot zandig, humeus; veen, kleiig

Formatie van Kreftenheye en Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen

circa 15,00 – 36,00

Zand, matig fijn tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, lokaal zandig; klei, lokaal siltig tot zandig, lokaal humeus

Formatie van Urk

circa 36,00 – 50,50

Zand, matig fijn tot uiterst grof, lokaal grindig, lokaal schelphoudend; klei, lokaal siltig tot zandig, lokaal humeus; veen, lokaal kleiig

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 4/20

2.3.

BESCHRIJVING ONDERZOEKSLOCATIE

De ligging van de onderzoekslocatie is globaal weergegeven in de overzichtskaart van bijlage 1.1. Enkele locatiespecifieke aspecten zijn opgenomen in tabel 2. TABEL 2: Locatiespecifieke gegevens Locatiegegevens Adres

Rijndijk 238A

Postcode en plaats

2331 AM Leiden

Gemeente

Leiden

Provincie

Zuid-Holland

Kadastrale gemeente

Leiden

Kadastrale gegevens

sectie W, nummers 7548, 7549, 7550 en 7551

Rijksdriehoekcoördinaten

X: 91.055

Oppervlakte in m

2

Y: 463.635

circa 870

Huidige gebruik

autoschadeherstelbedrijf

Maaiveldtype

klinkers, tegels, stelcon en beton

Huidig (en toekomstig) gebruik Op 13 november 2018 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden inzake het huidige gebruik. Op de locatie bevindt zich momenteel een autoschadeherstelbedrijf. In het bedrijfspand is een werkplaats en een opslag voor verfproducten aanwezig. Ten zuidoosten van de werkplaats is een niet gebruikte ondergrondse HBO-tank aanwezig en ten noordwesten van het bedrijfsterrein heeft een bovengrondse tank gestaan. De bovengrondse tank is niet meer aanwezig en de ondergrondse tank is niet meer in gebruik. Men is voornemens om de huidige bebouwing te slopen en nieuwbouw te realiseren. Overige aspecten ten aanzien van de onderzoekslocatie staan hieronder beknopt omschreven: -

-

Tijdens de locatie-inspectie zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen waargenomen. Op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn geen zakkingen, dan wel ophogingen in het maaiveld waargenomen welke kunnen duiden op de aanwezigheid van mogelijke (sloot)dempingen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen huidige (bodem)bedreigende activiteiten waargenomen die een mogelijke bodemverontreiniging (hebben) kunnen veroorzaken.

Ter illustratie is in bijlage 5 een fotoreportage opgenomen.

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 5/20

2.4.

HISTORISCHE INFORMATIE

Ter voorbereiding van onderhavig onderzoek is het eigen archief van IDDS geraadpleegd inzake het historische gebruik van de onderzoekslocatie en de omliggende percelen. Ter volledigheid is de verkregen historische informatie opgenomen in bijlage 8 van onderhavige rapportage. Uit het historisch onderzoek blijkt het volgende: -

De onderzoekslocatie kent een voormalig gebruik als bedrijf dat actief was in het versnijden en confectioneren van polyether artikelen. De locatie is op basis van de voor ons bekende informatie verdacht op het voorkomen van asbest in verband met de aanwezigheid van bodemvreemde materialen in de bodem. De naastgelegen percelen zijn (of waren) in gebruik ten behoeve van wonen met tuin en een oliedetailhandel. Naar verwachting heeft de activiteit op het naastgelegen perceel (oliedetailhandel, Rijndijk 238) de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie (mogelijk) negatief beïnvloed.

Luchtfoto’s onderzoekslocatie en omliggende percelen Van het gebied is één luchtfoto bestudeerd. De foto is genomen in 1989. Op de foto is het autoschadeherstelbedrijf te zien. Verder geen bijzonderheden waargenomen die een mogelijke (bodem)verontreiniging (kunnen) hebben veroorzaakt. Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in het verleden diverse milieukundige onderzoeken uitgevoerd, te weten: Door Arcadis Heidemij Advies B.V. is in februari 2000 een basisdocument 'inventariserend bodemonderzoek' opgesteld (kenmerk document 110401/WA0/113/000367.001). In dit document is op basis van een archiefonderzoek en een locatiebezoek een inventarisatie uitgewerkt van aandachtspunten voor bodemonderzoek. Door IDDS is een milieukundig bodemonderzoek (rapport kenmerk: 00042197/AJ/rap1, d.d. 7 mei 2001) uitgevoerd in het kader van de voorgeschreven verplichtingen uit de vigerende milieuvergunning en de verplichting voortkomende uit deelname aan de BSB-stichting.

Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Ondergrondse tank de onderzochte grond bevat een licht verhoogde concentratie minerale olie; het onderzochte grondwater is niet verontreinigd met minerale olie en BTEXN; de aangetoonde concentratie minerale olie in de grond is dermate gering dat de hypothese ‘verdachte locaties met heterogeen voorkomende verontreinigingen met bekende plaats van voorkomen’ kan worden verworpen. Bovengrondse tank de onderzochte grond en het onderzochte grondwater zijn niet verontreinigd met minerale olie en BTEXN; op basis van de verkregen resultaten kan de hypothese ‘verdachte locaties met heterogeen voorkomende verontreinigingen met bekende plaats van voorkomen’ worden verworpen.

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 6/20

Spuitcabine het bemonsterde grondwater uit peilbuis 4 is licht verontreinigd met chroom en koper. Het onderzochte grondwater is niet verontreinigd met de overige onderzochte stoffen; na een herbemonstering en een her analyse is de concentratie arseen kleiner dan de streefwaarde. Uit de analyseresultaten blijkt dat de concentratie arseen in het grondwater sterk wisselt. Dergelijke wisselingen worden regelmatig in het gebied gemeten, derhalve wordt dit niet als een verontreiniging aangemerkt. op basis van de verkregen resultaten kan de hypothese ‘verdachte locaties met heterogeen voorkomende verontreinigingen met bekende plaats van voorkomen’ worden verworpen. Verfopslag het bemonsterde grondwater uit peilbuis 5 is licht verontreinigd met arseen, kwik, koper en zink en is niet verontreinigd met de overige onderzochte stoffen; uit de analyses blijkt dat de concentraties koper en lood sterk wisselen. Vooralsnog wordt uitgegaan dat de laatste meting als gevolg van een langere standtijd het meest representatief is. Aangezien de hoogste concentratie na heranalyse niet wordt bevestigd, wordt er vooralsnog vanuit gegaan dat het grondwater niet of nauwelijks verontreinigd is met koper en lood; vooralsnog kan op basis van de verkregen resultaten de hypothese ‘verdachte locaties met heterogeen voorkomende verontreinigingen met bekende plaats van voorkomen’ worden verworpen.

Teneinde de veronderstelde representativiteit van het tweede grondwatermonster te controleren is aanbevolen om na ± 1 maand het grondwater opnieuw te bemonsteren en te analyseren op koper en lood. Resterend perceel -

de onderzochte bovengrond is licht verontreinigd met zink en is niet verontreinigd met de overige onderzochte stoffen. de onderzochte ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen.

In 2010 is door IDDS een milieukundig bodemonderzoek (rapportkenmerk: 1003B929/DBI/rap1, d.d. 26 maart 2010) uitgevoerd in het kader van een aanvraag van een bouwvergunning. Uit de resultaten blijkt het volgende: Algemene bodemkwaliteit - In de grond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemd materiaal waargenomen. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. - De grond is licht verontreinigd met barium, kobalt, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en minerale olie en plaatselijk matig verontreinigd met koper. - De aangetoonde verhogingen zijn naar alle waarschijnlijkheid te relateren aan de bijmengingen met bodemvreemd materiaal (puin, e.d.) in de bodem op de onderzoekslocatie. - Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 7/20

Locatie zintuiglijk olieproduct - In de grond zijn ter plaatse van boring 02 zwakke tot matige olie/water-reacties waargenomen. - De betreffende grondmonsters zijn analytisch hooguit licht verontreinigd met minerale olie. - Het grondwater is licht verontreinigd met benzeen, ethylbenzeen, tolueen en naftaleen en sterk verontreinigd met xylenen en minerale olie. - De herkomst van de aangetoonde verontreiniging met olieproduct is vooralsnog onbekend. In verband met het aantreffen van matige en sterke verontreinigingen in de bodem is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie door IDDS (rapportkenmerk: 1003B929/DBI/rap2, d.d. 3 juni 2010). Uit de resultaten blijkt het volgende: Koperverontreiniging In de grond wordt het gehalte koper in een enkele boring matig verhoogd aangetoond. In de overige onderzochte grondmonsters is het gehalte koper hooguit licht verhoogd aangetoond. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten wordt een significante verontreiniging met koper op de onderzoekslocatie niet verwacht (vermoedelijk geen geval van ernstige bodemverontreiniging). De (matig) verhoogd aangetoonde gehalten kunnen naar alle waarschijnlijkheid worden toegeschreven aan de bijmengingen met bodemvreemde materialen in de bodem op de onderzoekslocatie (puin, e.d.).

Kartering grondwater In peilbuis 100 overschrijden de concentraties benzeen, ethylbenzeen en naftaleen de betreffende streefwaarden en overschrijden de concentraties xylenen en minerale olie de betreffende tussenwaarden. In peilbuis 101 overschrijdt de concentratie xylenen de betreffende streefwaarde. In peilbuis 102 zijn alle gemeten concentraties lager dan de streefwaarden. De (sterke) verontreiniging met minerale olie en xylenen is op de onderzoekslocatie in kaart gebracht. Naar alle waarschijnlijkheid betreft het een puntverontreiniging. Geschat wordt dat circa 10 m3 grondwater sterk verontreinigd is. De grondwaterverontreiniging overschrijdt niet het overschrijdingscriterium van 100 m 3 sterk verontreinigde grondwater. Vermoedelijk is dus geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bodemfunctieklassenkaart Gemeente Leiden beschikt over een goedgekeurde bodemfunctieklassenkaart. De onderzoekslocatie is gelegen in een gebied met een bodemfunctie wonen.

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 8/20

2.5.

CONCLUSIES VOORONDERZOEK

Op basis van het vooronderzoek kan worden afgeleid dat, op en in de nabijheid van het onderzoeksterrein, de volgende aandachtspunten aanwezig zijn met betrekking tot het veroorzaken van een mogelijke bodemverontreiniging: Verontreiniging met koper in de grond. Verontreiniging met olieproduct (in het grondwater). Mogelijke aanwezigheid van asbest in de grond in verband met de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal in de grond.

-

2.6.

ONDERZOEKSOPZET

In tabel 3 is per onderzoeksaspect de gevolgde onderzoeksstrategie aangegeven. TABEL 3: Onderzoekstrategie Onderzoeksaspect

Kritische parameters

Kritische bodemlaag (m-mv)

Hypothese

Strategie

Oppervlakte

algemene bodemkwaliteit

Koper olie en vluchtige aromaten

0 – 2,0 0 – 2,0 en grondwater

verdacht

NEN 5740: VED- circa 900 m2 HE

asbest

asbest

0 – 0,5

verdacht

NEN 5707

circa 900 m2

Voor het vaststellen of op de onderzoekslocatie een verontreiniging met asbest in de bodem aanwezig is, is de onderzoeksopzet afgeleid van de NEN 5707+C2, Bodem – inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond (december 2017). Op de onderzoekslocatie worden de volgende inspecties uitgevoerd: Visuele inspectie maaiveld Het maaiveld wordt visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Bij de visuele inspectie wordt de grond niet geroerd en wordt niet gekeken onder (vaste) objecten. Indien asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, wordt dit verzameld door middel van hand-picking. Visuele inspectie bodemlaag 0 - 2,0 m-mv Voor de inspectie van de bodemlaag van 0 - 2,0 m-mv worden een viertal gaten gegraven met een minimale afmeting van 0,3 x 0,3 meter en een diepte van 0,5 m-mv. Twee gaten worden met behulp van een edelmanboor doorgezet tot de voorgeschreven diepte van minimaal 2,0 mmv. Het vrijkomende materiaal wordt visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Analytisch onderzoek Aanvullend wordt in het veld één mengmonster samengesteld voor een kwantificatie van asbest (< 20 mm).

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 9/20

3.

VELDONDERZOEK

3.1.

VELDWERKZAAMHEDEN

De veldwerkzaamheden zijn op 13 en 14 november 2018 uitgevoerd. De uitgevoerde boringen zijn beschreven in tabel 4. De onderzoekslocatie en de posities van de meetpunten zijn weergegeven in de situatietekening van bijlage 1.2. TABEL 4: Aantal boringen en boordiepte (in m-mv) Onderzoeksaspect

Aantal x diepte [m-mv]

Boornummers

algemene bodemkwaliteit

7 x 4,0 1 x 0,4 1 x 0,3

01, 02, 03, 04, 05, 06 en 07 05a* 03a*

asbestonderzoek

4 x asbestgat tot 0,57/0,58

As01 t/m As04

*: gestaakte boringen

Uitvoeringswijze De veldwerkzaamheden zijn verricht door VeldXpert onder certificaat BRL SIKB 2000, VKB protocol 2001, 2002 en 2018. Tijdens de veldwerkzaamheden is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag (met daarin de namen van de veldwerkers) is opgenomen in bijlage 6. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot de veldwerkzaamheden en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn van het terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft. Tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden zijn de grond en het grondwater zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen (organoleptisch onderzoek) en is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodemlagen nauwkeurig beschreven (lithologisch onderzoek). Organoleptisch onderzoek Het opgeboorde bodemmateriaal is visueel beoordeeld op het voorkomen van antropogene bestanddelen (puin, slakken en dergelijke) en olieproduct (via olie/watertest). Het materiaal is met name beoordeeld op de volgende aspecten: de aard, grootte en gradatie van voorkomen.

Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven.

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 10/20

Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij opgemerkt dat bij het aantreffen van puin in de bodem, de locatie op voorhand als asbestverdacht dient te worden aangemerkt. 3.2.

RESULTATEN VELDWERK

Lithologisch onderzoek De bodem van het terrein is heterogeen opgebouwd en bestaat globaal vanaf het maaiveld tot de geboorde diepte van 4,0 m-mv uit respectievelijk zand, klei en veen. Een gedetailleerde beschrijving van de ter plaatse van de onderzoekslocatie aangetroffen bodemopbouw is weergegeven in de boorstaten welke in bijlage 2 zijn opgenomen. Organoleptisch onderzoek In tabel 5 zijn de zintuiglijk waargenomen relevante bijzonderheden weergegeven waaraan mogelijk een bodemverontreiniging gerelateerd kan worden. TABEL 5: Zintuiglijk waargenomen afwijkingen Boring

Diepte [m-mv]

Samenstelling

Bijzonderheden Milieukundig bodemonderzoek

01

0,08 – 0,58 0,58 – 1,0 1,0 – 2,5 2,5 – 4,0

matig fijn zand matig fijn zand matig siltig klei matig fijn zand

matig slak- en metselpuinhoudend en sterk baksteenhoudend sterk metselpuin- en baksteenhoudend zwak slibhoudend en zwakke olie-/waterreactie en matige verdachte geur matige verdachte geur

02

0,2 – 0,6 0,6 – 0,8 0,8 – 1,3 1,3 – 1,8

matig fijn zand matig fijn zand sterk kleiig veen

matig metselpuinhoudend sterk metselpuin- en baksteenhoudend matig verdachte geur zwak baksteenhoudend en matig verdachte geur

03

0,3 – 0,6 0,6 – 0,8

matig fijn zand -

zwak slakhoudend en matig metselpuinhoudend sterk metselpuin- en baksteenhoudend

04

0,07 – 0,7 0,7 – 2,0 3,0 – 4,0

matig fijn zand matig fijn zand matig siltig klei

zwak metselpuin- en baksteenhoudend zwak metselpuinhoudend en zwakke olie-/waterreactie resten slib

05

0,08 – 0,3 0,3 – 1,5 1,5 – 2,0 2,0 – 3,0

matig fijn zand matig fijn zand matig fijn zand sterk kleiig veen

resten metselpuin matig metselpuin- en bitumenhoudend, brokken beton en matige olie-/waterreactie zwakke olie-/waterreactie resten baksteen

05a

0,08 – 0,4

matig fijn zand

resten metselpuin

06

0,27 – 0,75

matig fijn zand

sterk metselpuin- en baksteenhoudend

07

0,26 – 0,75 1,2 – 1,7

matig fijn zand matig fijn zand

matig baksteenhoudend en sterk metselpuinhoudend resten baksteen Asbestbodemonderzoek

As01

0,08 – 0,58

-

matig slak- en metselpuinhoudend en sterk baksteenhoudend

As02

0,2 – 0,58

matig fijn zand

matig metselpuinhoudend

As03

0,3 – 0,58

matig fijn zand

zwak slakhoudend en matig metselpuinhoudend

As04

0,07 – 0,57

matig fijn zand

zwak baksteen- en metselpuinhoudend

Rijndijk 238a te Leiden 1804L436/DBI/rap2 11/20

Grondwatermetingen In tabel 6 zijn de resultaten van de metingen die aan het grondwater zijn uitgevoerd weergegeven. TABEL 6: Metingen uitgevoerd aan het grondwater Peilbuisnummer

Filterstelling [m-mv]

Grondwaterstand [m-mv]

Metingen pH

EC [S/cm]

Troebelheid (NTU)

Belucht

01*

1,5 – 2,5

0,73

7,09

657

9,03

nee

02*

1,4 – 2,4

0,91

7,15

599

9,14

nee

100*

1,5 – 2,5

0,94

7,31

553

19,8

nee

101*

1,5 – 2,5

0,92

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9776574/1