Rapport Kerk in Actie Oikos voedselbanken - juli 2017
Tekst van het document
33
Tegengaan van voedselverspilling: het succes van voedselbanken? Voedselbanken zijn destijds gestart met een soort bemiddelende rol voor ogen, tussen voedseloverschotten enerzijds en voedseltekort anderzijds. Voedselverlies was (en is) een enorm probleem. Het zorgt voor onnodige milieubelasting, energieverbruik etcetera. Door overschotten een bestemming te geven, wordt vernietiging van kwalitatief goed voedsel voorkomen, is de gedachte achter de voedselbanken. Dat het tegengaan van voedselverspilling hoger op het prioriteitenlijstje staat dan bij de winkels, betekent nog niet dat voedselbanken daarin succesvol zijn. Ten eerste benadrukken onder andere Janssen e.a. (2008) dat voedselbanken zich in een paradoxale situatie begeven. Hoewel zij zich profileren als bestrijders van voedselverspilling, hebben zij alle belang bij het bestaan van overschotten en verhullen zij deze als het ware. Zij besparen de voedselindustrie kosten van vernietiging van voedsel en dragen bij aan een positief imago van leveranciers. Voedselbanken zullen de voedselketen niet aanspreken op haar verantwoordelijkheid om overschotten te reduceren. Dat is niet in het eigen belang en bovendien zien zij daarin voor zichzelf, als neutrale organisatie, geen rol weggelegd.
Voedselbanken Nederland brengt daar tegenin dat het onmogelijk is om overschotten uit de voedselketen tot nul te reduceren en dat het herbestemmen van goed voedsel zodoende wel degelijk verspilling tegen gaat. Slechts ongeveer 0,3% van de hoeveelheid verspild voedsel in Nederland bereikt voedselbanken (Soethoudt en Timmermans, 2013) . Ten tweede worden voedselbanken in het publieke en politieke debat over voedselhulp nauwelijks nog in verband gebracht met voedselverspilling (zie paragraaf 3.2). Be ïnvloed door de groeiende en steeds schrijnender wordende armoede enerzijds en een terugtredende overheid anderzijds, kwam de nadruk in het debat te steeds meer te liggen op het armoedevraagstuk. Ook bij direct betrokkenen van de voedselbanken was het tegengaan van voedselverspilling in de afgelopen jaren geen vanzelfsprekende prioriteit. Schat van Voedselbanken Nederland daarover: “Eigenlijk zijn voedselbanken vanuit twee soorten achtergronden ontstaan. Een flink aantal is ontstaan vanuit kerken. Die hebben in het algemeen meer armoede ‘op het voorhoofd’. Een ander deel is vanuit Rotary en Lions-achtige achtergrond gekomen. Zij willen arme mensen helpen, maar het moet voor hen wel uit overschotten komen. Van de twee landelijke stichtingen (die zijn opgegaan in Voedselbanken Nederland) zat er één meer op het ene en de ander meer op het andere.
We hebben toen gezegd dat beide doelstellingen heel belangrijk zijn, maar dat we uitgaan van het helpen van arme mensen. Het is de belangrijkste doelstelling.” Slot ziet wel een groeiende aandacht voor het onderwerp voedselverspilling: “Kijk naar de encycliek van Franciscus. We hebben een flinke slag gemaakt: de kerken dachten alleen aan arme mensen. Pas de laatste jaren zijn we meer gaan denken over, bewust geworden van hulpbronnen die niet goed gebruikt worden, uitputting van de aarde.” Deze groeiende bewustwording is maatschappij breed zichtbaar. Met name de ernst en urgentie van de klimaatproblematiek drukt ons met de neus op de ecologische ‘grenzen aan de groei’. Echter, voedselbanken worden (vooralsnog) nauwelijks als fenomeen in die discussie betrokken, laat staan als een geschikt instrument gezien om het tij van voedselverspilling te keren. Wat volgens menig geïnterviewden bij sociale supers en Voedselbanken Nederland meer impact heeft, is de economische situatie in Nederland. Zij zagen dat de crisis in de afgelopen jaren leidde tot een reductie in voedselleveranties. Supermarkten en andere bedrijven probeerden kosten te drukken door overschotten te reduceren. Ook een overheidsmaatregel als het betalen voor vernietiging van voedsel had effect.
34
Bevindingen
Voedselkwaliteit Een belangrijk aandachtspunt voor de bezochte winkels is voedselkwaliteit. Evenals de voedselbanken vallen zij onder de voedsel- en warenwet. De drie sociale supermarkten zijn elk op twee dagen of dagdelen in de week open. Het is niet eenvoudig om met die beperkte openingstijden een substantieel aanbod aan versproducten in het assortiment te hebben. De afgelopen jaren is er in Almere en Helmond desondanks meer groente en fruit gekomen, evenals relatief lang houdbare zuivelproducten als boter en kaas. Vlees en vis liggen niet of incidenteel in de schappen. Verruiming van de openingstijden kan mogelijkheden daarvoor vergroten. Concrete plannen daarvoor zijn er echter niet. Dat is ook niet eenvoudig te realiseren, gezien de beperkte middelen en menskracht. Mons over de keuze die het Voedselloket Almere maakt: “Eten dat echt over de datum is, wordt gratis meegenomen, op eigen risico. Het gaat niet van het budget af.(..) Er wordt van groente en frui t dat overblijft compost gemaakt.” Voor de Sociale Kruidenier, die een aanvulling biedt op het pakket van de voedselbanken, ligt het anders: zij biedt vooralsnog geen versproducten. Een ander aspect van kwaliteit van levensmiddelen is de mate waarin zij verantwoord zijn geproduceerd, met het oog op milieu en gezondheid. Als het gaat om giften, hebben de winkels weinig invloed op dit kwaliteitsaspect.
Bij de inkoop van producten ligt dat anders. Inkoop van biologische producten zou een verantwoorde keus zijn. Echter, een vrijwilliger van Super Sociaal geeft aan wat voor alle drie geldt: “We kunnen ons de inkoop van biologische producten niet permitteren; deze zijn immers duurder. We hebben er geen beleid op, het is geen thema. Het draait erom dat we de winkel gevuld krijgen. De marktkoopman heeft soms wel biologisch, maar het staat er niet op.” Verhave vult over de Sociale Kruidenier aan: “Ik kan de winkel wel vullen met biologische producten, maar dat is in strijd met de keuzevrijheid die we mensen bieden. Dat is één van de kernwaarden van de winkel. De klanten willen graag zo goedkoop mogelijk. Tuurlijk hebben wij ook klanten die wel graag biologisch kiezen. Idealiter heb je een heel scala aan mogelijkheden. Ze hebben het liefst kwalitatief goede producten, die goedkoop zijn.” Van werkelijke keuzevrijheid is dus geen sprake, gezien het feit dat (gebrek) aan financiële middelen bepalend is voor de keuze van goedkope levensmiddelen door de sociale supermarkten èn door de klanten. Dit probleem is een maatschappelijk probleem: armen zijn aangewezen op goedkoop en daarmee in veel, zij het niet alle gevallen kwalitatief minder goed voedsel.
De sociale supermarkten hebben (of in ieder geval: zien voor zichzelf) niet een mogelijkheid om een rol van betekenis te spelen in verandering hiervan. Wel zetten zij dus in op het bieden van een zo gevarieerd mogelijk aanbod met zoveel mogelijk versproducten. Ook de eerder genoemde begeleiding van klanten in het kiezen van (meer gezonde) producten en het informeren van klanten over mogelijke bereidingswijzen, is in dit licht belangrijk. De kookworkshops die Super Sociaal wil gaan houden passen eveneens in dit beeld. Het is het vermelden waard dat ook bij voedselbanken in de afgelopen jaren meer aandacht is gekomen voor productkwaliteit. Als gevolg van certificering van voedselbanken met betrekking tot voedselkwaliteit ontvangen voedselbanken een grotere variëteit producten, van betere kwaliteit. Ongezonde producten als snoep en snacks vormen nu een surplus op het pakket, aldus Voedselbanken Nederland. Ook bevat het pakket meer dan voorheen verse groenten en vers fruit. Certificering met betrekking tot voedselkwaliteit kwam in de gesprekken met betrokkenen van de sociale supermarkten niet aan de orde. Kortom, aandacht voor kwaliteit is er bij de winkels (evenals bij voedselbanken) in toenemende mate, noodgedwongen èn vrijwillig. De mogelijkheden zijn echter beperkt.
35
3.5.
Winkelconcept: potentie voor opschaling
In paragraaf 3.2 beargumenteerden we dat sociale supermarkten, die het ve rstrekken van levensmiddelen verbinden met het vergroten van zelfredzaamheid, passen in de huidige tijdgeest. Desondanks zien we dat er sinds de start van de Helmondse Super Sociaal in 2007 nog weinig van dergelijke initiatieven zijn ontstaan. Hoe komt dat?
Nog geen explosie Innovaties als de bezochte sociale supermarkten zijn een reactie op enerzijds een terugtredende overheid die een groter beroep doet op de verantwoordelijkheid van burgers en anderzijds almaar toenemende armoede en ongelijkheid. Gemeenten erkennen dat de voorzieningen die zij armen bieden en de wijze waarop zij die bieden ontoereikend zijn. Terwijl zij voorheen in voedselbanken (slechts) een toegang tot armen zagen, zoeken zij tegenwoordig naar initiatieven in de samenleving die op eigen wijze armoede helpen voorkomen, dan wel structureel helpen verminderen. De werkwijze van de supers biedt kansen daarvoor. Het winkelconcept sluit aan bij een ervaren behoefte onder mensen die afhankelijk zijn van een maatschappelijke voorziening voor sociale voedselzekerheid. Fondsen, zoals het Kansfonds, staan open voor het financieel ondersteunen van dergelijke innovaties. Desondanks is het aantal initiatieven dat een vergelijkbaar model hanteert als de drie bezochte sociale supermarkten, nog bescheiden. Her en der zijn er initiatieven in ontwikkeling, zoals in Den Haag en Utrecht. In Rotterdam is sinds enkele jaren de Swingmarket operationeel. Ook is er bij plaatselijke voedselbanken groeiende interesse in deze werkwijze en wordt her en der geëxperimenteerd, ook met tussenvormen van beide concepten.
Maar in de bijna tien jaar sinds de start van Super Sociaal is zeker geen sprake geweest van een explosie aan initiatieven. Er is genoeg ruimte voor nieuwe sociale supermarkten. Dat zij in aantal nog bescheiden zijn, lijkt ook met de sociale supermarkten zelf te maken te hebben. Allereerst brengt het ontwikkelen en exploiteren ervan behoorlijke financiële risico’s met zich mee. De winkels hebben daarnaast niet zo’n hoog aaibaarheidsgehalte als voedselbanken e n het (vooralsnog) geringe aantal maakt het moeilijk voor sociale supermarkten om zich te profileren. Verder stellen zij hoge eisen aan managers en vragen zij andere taken en verantwoordelijkheden van medewerkers. Tot slot gaat elke verandering in een bestaande ‘markt’ gepaard met weerstand. Hieronder een korte toelichting op elk van deze punten. Financiële risico’s Ondanks de onderlinge verschillen vereiste de ontwikkeling van de drie sociale supers een relatief grote financiële investering. Ook de exploitatie van de organisatie kan niet zonder substantiële financiële bijdragen. Feuerriegel over de ontwikkeling van Super Sociaal: “Je hebt minstens twee jaar nodig om iets goeds op te zetten. Iets nieuws heeft tijd nodig om zich te bewijzen. Twee ton is een mooie som om een pilot te beginnen, in deze gemeente. Dat is geen algemeenheid, het is van veel zaken afhankelijk. Gemeenten geven niet meteen subsidie.
De gemeente Helmond was aanvankelijk nog niet in beeld. Na verloop van tijd werd ze enthousiast van het nieuwe model.” Dat niet alleen de ontwikkeling maar ook de exploitatie risico’s met zich meebrengt, geeft Mons aan over de switch van voedselbank naar nieuw concept in Almere: “Het was een grote stap. We zaten toen [voedselbankmodel] in een klein pand met lage huur, nauwelijks overhead kosten. Dit [winkelmodel] vereiste een echte organisatie met flinke financiële risico’s.” Het is aannemelijk dat dit een drempel is voor het ontstaan van vergelijkbare initiatieven. 36
Bevindingen
De jaarrekening van het Voedselloket Almere bedroeg in 2015 ruim 290.000,- euro5 , die van Super Sociaal ruim 200.000,- euro en van de Sociale Kruidenier in 2016 ruim 100.000,- euro (prognose). Dat zijn andere bedragen dan gebruikelijk bij voedselbanken. En daarmee is ook sprake van grotere risico’s. Ondanks dat gemeenten (meer) middelen beschikbaar hebben voor maatschappelijke initiatieven die structurele armoedebestrijding beogen, is het geenszins vanzelfsprekend dat de drie sociale supermarkten jaarlijks op financiële steun kunnen rekenen. Mons over de situatie in Almere: “De gemeente steunt de VLA met € 75.000,- en wil dat dit volledig aan voedsel wordt besteed. Dat is te weinig, eigenlijk hebben we € 125.000,- per jaar nodig om in ieder geval de organisatie overeind te houden. Dat is een continu spanningsveld. Veelal zijn we rond september bij de wethouder, omdat het weer mis dreigt te gaan. Dan komt er weer een geldbedrag bij. Het is steeds een gevecht. Is het wel nodig? Wordt het geen instituut? Het draagvlak in de samenleving is groot, bij de politiek niet. De VVD vindt dat we een pamperorganisatie zijn. De PvdA vindt dat we ons overbodig zouden moeten maken. Het is een gespannen relatie. Het zeuren wekt weerstand op.” Over deze argumenten is meer te zeggen: een inzet op zelfredzaamheid is iets heel anders dan pamperen.
Bovendien zou deze inzet er inderdaad toe leiden dat het initiatief zichzelf kan opheffen, ware het niet dat er - mede door het overheidsbeleid – steeds weer en meer armen bijkomen. Gemeente Helmond is ruimhartiger en verstrekt Super Sociaal sinds drie jaar jaarlijks € 120.000 subsidie. Feuerriegel: “Dat is fors, maar ook nodig.” In het tweede jaar bleek het nog knap lastig te zijn om opnieuw voldoende subsidie te krijgen. De Sociale Kruidenier is een project van de Diaconie, die het grootste deel van de ontwikkelen exploitatiekosten voor haar rekening neemt. De Diaconie heeft voor ogen dat de Sociale Kruidenier na twee tot drie jaar zelfstandig is of is geadopteerd door een derde partij. Naast gemeentelijke subsidie ontvangen de drie sociale supermarkten bijdragen van diverse fondsen en organisaties, zoals het Kansfonds, Oranjefonds, Kerk in Actie, het Sioc, VSB Fonds. Het Voedselloket Almere ontvangt ook van diverse diaconieën in de gemeente een financiële bijdrage, evenals uit collectes. Verder zijn er de vele bijdragen uit de gemeenschap in de vorm van giften, menskracht of anderszins, met name in Helmond en Almere. Inkomsten uit eigen activiteiten zijn gering. Het Voedselloket Almere ontvangt inkomsten uit de verkoop van als gift ontvangen nieuwe artikelen, in haar VLA Kado winkel (in 2015 ging het om circa 9.000,- euro) en uit incidentele acties, als een kledingactie.
De Sociale Kruidenier en Super Sociaal krijgen wat inkomsten uit de eigen bijdragen die klanten voor hun boodschappen betalen. Voor Super Sociaal bedroeg dat in 2015 circa 23.000,-. Desondanks blijft de continuïteit van de sociale supermarkten ongewis. Mons: “We bezuinigen aan alle kanten, we kunnen niet anders.” De vele vrijwilligers werkzaam bij de sociale supermarkten ontvangen (voor zover bekend) slechts een reiskostenvergoeding. Snijden in bestaande fte’s is geen optie, aldus betrokkenen bij elk van de drie sociale supermarkten. Er wordt al met minimale betaalde capaciteit maximaal resultaat geboekt. Mons: “We dreigen elke volgende maand failliet te gaan. In goede tijden ben je over drie maanden failliet. Ik heb steeds wel het geloof dat we draaiend konden blijven, ondanks krappe financiën. Het komt altijd goed; dat is dan toch de leiding van boven.” Deze situatie maakt het van belang te onderzoeken of de sociale supermarkten een verdienmodel kunnen ontwikkelen dat hen in staat stelt de continuïteit (beter) te garanderen. Ook het ontwikkelen van varianten op het model dat deze initiatieven hanteren loont wellicht de moeite.
5 Het Voedselloket Almere neemt in de jaarrekening ook de waarde van als gift ontvangen levensmiddelen op.
Het totaal van lasten lag in 2015, inclusief deze waarde, op bijna 475.000,- euro.
37
Gebrek aan aaibaarheid Tegenover de financiële uitdagingen van de drie bezochte sociale supermarkten staan de voedselbanken met een overheadpercentage van 0,6%. Volgens Voedselbanken Nederland ligt dat lage percentage (mede) aan de basis van de hoge aaibaarheid en sterke positie van voedselbanken ten opzichte van leveranciers. Niet voor niets dat voedselbanken garanderen dat alle voedsel gratis is verkregen en niemand voor zijn/haar inzet wordt betaald. De voedselbanken werken er hard aan om dit zo te houden. De relatief hoge exploitatiekosten, als ook de inkoop en (in het geval van de Sociale Kruidenier en Super Sociaal) verkoop van levensmiddelen kan het voor de winkels wel eens moeilijker maken om het aandeel als gift verkregen levensmiddelen van bedrijven en particulieren te vergroten. Waarom zou een leverancier (structureel) gratis voedsel of andere levensmiddelen doneren als de initiatieven zelf kunnen inkopen? Waarom producten doneren als deze voor een gering bedrag worden verkocht? Ook in de publieke opinie kunnen ‘goede doelen’ waar weinig aan de bekende ‘strijkstok’ blijft hangen, in het algemeen op meer sympathie rekenen dan zij die (ongeacht de redenen) een relatief hoog overheadpercentage hebben. Tot slot is er de belastingdienst, die een dergelijk initiatief mogelijk als onderneming beschouwt, waardoor het belastingplichtig is.
Geringe omvang en macht Door hun huidige geringe aantal kunnen initiatieven die een winkelmodel hanteren geen vuist maken. Wanneer het aantal initiatieven groeit, valt winst te halen uit samenwerking, bijvoorbeeld ten behoeve van voedselleveranties (relatiebeheer, opslag en distributie) en profilering voor vergroting van naamsbekendheid (onder één noemer?) en draagvlak voor deze benadering van sociale voedselzekerheid. Dat is wat het Netwerk Sociale Supers zich tot doel stelt. De sociale supermarkten zien ondanks hoge financiële risico’s groeiende interesse voor het winkelmodel en zijn ervan overtuigd dat dit toekomst heeft. De kracht ligt in het concept dat zij hanteren. Hoge eisen aan managers Een dergelijk initiatief ontwikkelen en in stand houden is dus geen sinecure en vergt goede aansturing van gepassioneerde managers. “Om de continuïteit en kwaliteit te garanderen, is een betaalde bedrijfsleider en een assistent bedrijfsleider van groot belang”, aldus Feuerriegel. Die mening wordt bij elk van de sociale supermarkten gedeeld. Vrijwilligers in Helmond over hun manager: “Ze heeft geen makkelijke baan. Ze komt uit een middenstandsgezin. Ze weet hoe je met een winkel om moet gaan. Voorheen hadden we andere bedrijfsleiders; bij haar merk je dat ze er veel van weet. We zijn er met haar op vooruit gegaan. We hebben een breder assortiment gekregen.
Ze neemt veel initiatieven.” Der Kinderen zelf over haar functie: “Het is heel druk. We hebben een winkel, maar het is veel meer dan dat. Klantenspreekuur, maatschappelijk werk, met gemeenten en maatschappelijke instanties werken, met vrijwilligers werken. Het is totaal iets anders dan ik heb gedaan en heel druk, maar daar houd ik wel van.” Eenzelfde geluid is van managers in Almere en Amsterdam te horen. Mons over het Voedselloket Almere volgens oude en nieuwe concept: “Het vergt van ons niet alleen een heel andere manier van werken met vrijwilligers. Het is ook veel meer werk. Bij ons zijn er al achttien vrijwilligers die zich alleen met klantcontact bezighouden.” Bij het Voedselloket Almere zijn ook vrijwilligers werkzaam in het kader van studie of re-integratie. Zij vragen om begeleiding. Mons: “We werken samen met Pro Almere, speciaal onderwijs voor met name autistische jongeren. Veel van deze leerlingen vinden vakken vullen prachtig. Voor de toetsingscommissie en het interventieteam hebben we stagiaires van maatschappelijke dienstverlening en ook wel SPH. Het ROC levert stagiaires voor het secretariaat en 38
Bevindingen
de financiële en administratieve kant. We zijn een erkend leerbedrijf. Ook werken we veel met ex tbs’ers. Het is moeilijk voor hen om aan een baan te komen. Ze zijn enorm gemotiveerd. Ze hebben het gevoel wat terug te moeten doen voor de samenleving.” Het verloop onder deze groepen vrijwilligers is relatief groot: een deel van hen ambieert betaald werk of is in het kader van studie voor korte tijd werkzaam. In Helmond zijn er vergelijkbare samenwerkingsverbande n, hoewel het merendeel bestaat uit een vaste groep vrijwilligers die gepokt en gemazeld is. In Amsterdam zijn, mogelijk vanwege de recente start, voor zover bekend geen vrijwilligers uit deze groepen werkzaam. Weerstand tegen verandering, hulpsyndroom De sociale supermarkten komen op in een al bestaande markt van voedselhulp aan armen. Voedselbanken zijn wijdverspreid: in meer dan 95% van de gemeenten in Nederland zijn voedselbanken actief. Vanuit het perspectief van de 10.000 veelal loyale, actieve en be trokken vrijwilligers bij voedselbanken is het niet verwonderlijk dat de nieuwe initiatieven niet altijd zomaar worden omarmd, al zagen we dat er her en der bij voedselbanken toch ook interesse en waardering is. Weerstand tegen verandering is menselijk. Van der Graaf hierover: “Elke verandering wekt weerstand op. Goedbedoeld. Die zorgt ervoor dat we veel tijd nodig hebben. Dat geldt ook voor een supermarktmodel.
We kunnen onderzoek instellen, voorstellen doen, gevolgen inzichtelijk maken. We staan er absoluut voor open.” De andere kijk op en aanpak van verstrekking van levensmiddelen door de sociale supermarkten gaan bovendien samen met andere taken en verantwoordelijkheden van vrijwilligers. Pakketten uitdelen wordt klantgericht werken en inpakken van dozen wordt vakkenvullen en kassa draaien. De sociale supermarkten hebben andere functies, die wellicht om andere motieven en werkhouding van vrijwilligers vragen dan van menig vrijwilliger bij voedselbanken. Hulpafhankelijkheid kan paradoxaal genoeg voor menigeen die hulp biedt een prettige ervaring zijn. Daarvoor is geen of weinig ruimte bij initiatieven zoals de drie die zijn bezocht.
Voedselbanken Nederland: professionalisering Welke ontwikkeling valt er bij voedselbanken te verwachten? Het overgrote deel van de voedselbanken is aangesloten bij Voedselbanken Nederland. De vereniging zet in op verdere professionalisering van voedselbanken volgens bestaand model. De belangen zijn groot, de relaties met leveranciers en andere stakeholders vragen om landelijk beleid en een professionele aanpak. Plaatselijke voedselbanken hebben volgens de vertegenwoordigers van Voedselbanken Nederland echter wel een zekere ruimte om aan te sluiten bij lokaal bestaande behoeften en mogelijkheden. Jouke Schat hierover: “Alle voedselbanken zijn zelfstandige stichtingen met een eigen bestuur. Binnen hun regio regelen zij hun eigen zaken.” Dat heeft bij sommige voedselbanken geleid tot een discussie over en (aanzetten tot) verandering naar een aanpak die beter zou aansluiten bij behoeften van klanten. Varianten op het bestaande model en nieuwe experimenten duiken her en der op. Ook het landelijk bureau verkent mogelijkheden voor een (soort) winkelmodel. Er zijn echter ook veel voedselbanken die zich ‘bij hun leest’ houden, zich beroepend op gestelde doelen en uitgangspunten en op de beperkte mogelijkheden voor verandering wegens het vele werk dat zij telkens weer verzetten.
Het is niet op voorhand te zeggen welke richting deze ontwikkelingen uitgaan en welk resultaat zij zullen hebben. Samenvattend kunnen we zeggen dat de potentie voor opschaling groot is, gelet op de geconstateerde behoefte onder armen en gezien maatschappelijke ontwikkelingen. Maar het valt te bezien of deze potentie in de praktijk volledig benut kan en zal worden.
39
Hoofdstuk 4 Reflectie en conclusies Dit hoofdstuk geeft een reflectie op hoofdlijnen, waaraan een viertal conclusies wordt verbonden. In de laatste paragraaf gaan we in op de betrokkenheid van kerken bij voorzieningen voor sociale voedselzekerheid.
4.1.
Een model zoals dat van sociale supermarkten past beter in een verander(en)de tijdgeest. Die biedt naast kansen ook risico’s
Armoede, participatiesamenleving en energieke samenleving Meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten heeft een voedselbank. Voor publiek en politiek is particulier georganiseerde voedselhulp aan armen een min of meer geaccepteerd verschijnsel geworden. Voorheen beschouwden gemeenten voedselbanken als vindplaats van voor hen onbereikbare armen om hen te kunnen toeleiden naar gemeente lijke sociale voorzieningen. Daarin werd de werkelijke oplossing gezien. In de door de overheid gepromote participatiesamenleving wordt echter meer verwacht van de zelf- en samenredzaamheid van burgers, zowel zij die zelf in de problemen komen als mensen die daar omheen staan. Voedselbanken voorzien armen van gratis beschikbaar gesteld voedsel en voorkomen zodoende vernietiging van voor consumptie geschikt voedsel en daarmee gepaard gaande milieubelasting. “We zijn een raar soort distributiebedrijf”, aldus een bestuurslid van Voedselbanken Nederland. Daar waar participatie van burgers in de samenleving, en met name in betaald werk, de norm is en waar armoede steeds meer als individueel probleem wordt gezien waaraan de arme (minstens mede) schuldig is, wordt de vraag luider of voedselbanken in hun klassieke vorm nog langer een geschikt instrument zijn in het bestrijden van armoede.
Het hulpverleningskarakter van het uitdelen van voedselpakketten wordt meer ter discussie gesteld, ondersteund door onderzoek dat wijst op de wijdverbreide schaamte onder voedselbankklanten. De klassieke werkwijze van voedselbanken lijkt een product van een tijd die niet langer meer is. Naast (en mogelijk versterkt door) het streven van de overheid naar een participatiesamenleving, is er een andere beweging waarin het initiatief van burgers centraal staat, die meer uit de burgers zelf voortkomt. In een steeds complexer wordende samenleving blijkt het functioneren van overheid, markt en klassieke maatschappelijke organisaties immers niet langer toereikend: complexe problemen vragen om een andere aanpak. Steeds meer burgers ondernemen zelf pogingen om de grote vragen, ook die van armoede, aan te pakken. Soms nog vanuit en in relatie tot traditionele instituten, maar vaak ook daarnaast, er buitenom en soms zelfs er tegenover. In deze ‘energieke samenleving’ ontstaan van onderop nieuwe vormen van solidariteit, waarin het gaat om het collectief, om het gezamenlijk creëren van maatschappelijke waarde , vaak op de grens van markt en de burgersamenleving (civil society). Het ontstaan van de sociale supermarkten, in Nederland gestart met de Helmondse Super Sociaal in 2007, past in de beide geschetste trends; die naar de participatiesamenleving en die naar de energieke samenleving.
De sociale supermarkten zijn zelf een voorbeeld van burgerinitiatief. De bezochte sociale supers laten bovendien het beeld zien dat past bij de energieke samenleving: bevlogen en professionele managers weten uit eigen beweging een complexe faciliteit te ontwikkelen en operatief te houden. Deze heeft in principe potentie om te draaien als een 40
Reflecties en conclusies
onderneming, al moet zich dat op de langere termijn nog bewijzen. Deze staat in verbinding met en wordt gedragen door een groot aantal partijen in de lokale samenleving: burgers, bedrijven, overheden en instellingen. Met die partijen vormen de sociale supermarkten een belangrijke voorziening voor lokale armoedebestrijding. Veel van deze opmerkingen gelden ook voor de voedselbanken. Maar anders dan de voedselbanken zetten de sociale supermarkten primair in op het versterken van de zelfredzaamheid van mensen die om wat voor reden dan ook in de marge zijn terechtgekomen en zijn aangewezen op voedselhulp. Met de inzet op zelfredzaamheid sluiten deze initiatieven tot op zekere hoogte aan bij het idee van de participatiesamenleving. Tegelijkertijd zijn zij – zoals overigens ook de voedselbanken - een vorm van kritiek daarop. Immers, beide tonen met hun bestaan en het gegeven dat ze in een behoefte lijken te voorzien aan dat het grote beroep op zelfredzaamheid in een participatiesamenleving voor bepaalde mensen in bepaalde situaties niet terecht is of in ieder geval niet werkt.
Maar waar de voedselbanken zich erop richten dat er altijd een groep mensen in de samenleving zal zijn die niet zelfredzaam is en dus (nood)hulp nodig heeft, kiezen de sociale supermarkten ervoor zich actief in te zetten voor vergroten of herstel van zelfredzaamheid, ervan uitgaande dat de op enig moment niet zelfredzamen activering en ondersteuning nodig hebben om (weer) zelfredzaam te worden, dat dit op zijn minst bij een deel van hen ook kan lukken en wetende dat bestaande instituties ontoereikend zijn om de fors toegenomen (langdurige) armoede het hoofd te bieden. Zij bieden keuzevrijheid in een winkel en zetten in op hulpverlening en activering van klanten. Bovendien kiezen zij er daarom in principe voor een actieve rol te spelen in beïnvloeding van de publieke opinie en de politieke besluitvorming gericht op preventie en structurele vermindering van de armoede, zi j het dat zij daarvoor in de praktijk nog onvoldoende capaciteit hebben. De sociale supermarkten willen zich geen voedselbank noemen, om zich van voedselbanken te onderscheiden in zowel doelstelling (zelfredzaamheid van klanten versus voedselhulp) als werkwijze (winkel, hulpverlening en activering versus voedselpakket). Tegelijk zien we dat ook het beeld en de werkwijze van voedselbanken aan het veranderen is.
De overheid verbindt regelmatig financiering en andere vormen van ondersteuning aan initiatieven waarin collectieve solidariteit gestalte krijgt en ingezet wordt voor zelfredzaamheid van burgers. Ook de bezochte sociale supers in Helmond en Almere ontvangen al enige jaren gemeentelijke subsidie.
Doorgaande trend Het is de verwachting dat het centraal stellen van burgerparticipatie en (collectieve) zelfredzaamheid van burgers de komende decennia verder zal toenemen. Dat stelt ook het SCP in een onlangs uitgebracht rapport (De toekomst tegemoet, 2016): “Samenvattend voorziet het SCP meer dynamiek, meer maatwerk en meer eigen regie. Er is meer bewegingsruimte, maar er zijn ook minder zonnige kanten: een toename aan onzekerheden en stress, kwetsbaarheden op het terrein van privacy en mogelijk grotere verschillen tussen de mensen die kunnen meekomen in de ontwikkelingen en degenen die dat om welke reden dan ook niet kunnen. Dat vraagt om herbezinning op solidariteit, terwijl de grondslagen van die solidariteit veranderen of zelfs wegvallen. Individuen komen losser te staan van bestaande instituties. In plaats hiervan ontstaan nieuwe vormen van solidariteit in zelfgekozen verbanden, waar mogelijk niet iedereen baat bij heeft. (..) Bij het bedrijfsleven, op het maatschappelijk middenveld en bij individuele burgers schuilt een flinke dosis probleem-oplossend vermogen, waaruit nu al talrijke initiatieven voortkomen. Voor een antwoord op de vraagstukken van solidariteit en duurzaamheid is maatschappelijk initiatief alleen echter een te wankele basis.
Het SCP ziet daarom een essentiële rol voor overheid en politiek om de vraagstukken van solidariteit en duurzaamheid te agenderen.”
41
De conclusie lijkt terecht dat de ontwikkeling die met de sociale supermarkten is ingezet verder zal doorzetten. Er komt meer aandacht voor het winkelmodel dat deze initiatieven hanteren. Oo k Voedselbanken Nederland verkent de mogelijkheden, ondanks de gevestigde belangen die de organisatie er vooralsnog van weerhouden af te stappen van de uitgangspunten alleen met gratis beschikbaar gesteld voedsel te werken en al het werk vrijwillig te doen. Toch kunnen we geen snelle toename van het aantal van dit type initiatieven verwachten. Dit hangt samen met de complexiteit van deze initiatieven, de bijbehorende kosten ervan, de geringere ‘aaibaarheid’ ervan en de vooralsnog geringe financiële en soms ook politieke steun. Daarop gaan we in paragraaf 4.2 verder in. De sociale supermarkten staan nog aan het begin. De decentralisatie bij de overheid (zie bijvoorbeeld de wijkteams) en de vele buurt- en gemeente-initiatieven die opkomen, bieden kansen voor verbinding en vergroting van draagvlak c.q. ownership, reikwijdte en resultaat. Er zijn kruisverbanden te leggen tussen diverse doelgroepen, klanten en burgers. Er komt meer aandacht voor preventie, het voorkomen dat mensen in armoede belanden. Een sociale supermarkt kan daarin als schakel in een keten van voorzieningen en initiatieven een rol spelen.
Verbinding met buurtinitiatieven zijn er bijvoorbeeld in de urban farming, voedseltuinen in de stad. De bestaande VoedselTuin van het Voedselloket Almere biedt kansen hiervoor: daar waar deze nu vooral dient voor aanvoer van verse, biologische groenten en fruit voor de winkel, kan zij in de toekomst wellicht een bredere functie vervullen. Het Voedselloket overweegt (ex)klanten een mogelijkheid te bieden om in de voedseltuin actief te worden. Dat zou een interessante ontwikkeling zijn die mogelijk ruimte biedt voor verdere verbindingen met groepen en initiatieven/organisaties in de buurt.
Risico’s Tegenover kansen zijn er mogelijke risico’s, keerzijden van beschreven ontwikkelingen. Ten eerste is er de constatering dat armen géén rechten kunnen ontlenen aan particuliere voorzieningen als sociale supermarkten (en voedselbanken), terwijl zij dat wel kunnen bij wettelijke, gemeentelijke armoedevoorzieningen (o.a. Verschuren, 2015). Hoe zeker is het dat armen in de toekomst aanspraak kunnen maken op dergelijke voorzieningen als de overheid zich verder terugtrekt en ‘samenredzaamheid’ de primaire voorziening wordt? Wie gaat over die toegang? Wanneer een voorziening plots omvalt, is er dan een alternatief voor degenen die er gebruik van maakten? Of gaat het om geluk of pech hebben? Reden te meer om de overheid hierop te blijven aanspreken. Het kan immers niet zo zijn dat er op termijn geen enkel vangnet meer is. Sociale (voedsel)zekerheid blijft een verantwoordelijkheid van de overheid. Sociale supermarkten kunnen hierin een rol spelen. Door zich bewust te zijn van deze ontwikkelingen en van het risico dat hun bestaan de overheid legitimiteit verschaft om zich meer terug te trekken. En door een signaalfunctie te (blijven) vervullen, door de problematiek van de doelgroep aan de kaak te (blijven) stellen.
Ten tweede: actieve burgerbetrokkenheid biedt kansen voor aansluiting van armen en andere kwetsbaren in de samenleving, voor inclusie in collectieve initiatieven en voorzieningen. Tegelijkertijd ontstaan er mogelijk risico’s op uitsluiting. Want wat als je niet meedoet in de energieke participatiesamenleving, om wat voor reden dan ook? Wie bepaalt hoe dat ‘meedoen’ vorm en inhoud krijgt? En wie houdt daar toezicht op? De sociale supermarkten zouden er in dat licht goed aan doen om klanten mede owner te laten zijn van de voorziening. Bij de samenredzaamheid die deze particuliere voorzieningen (willen) belichamen, gericht op versterking van individuele zelfredzaamheid, past immers participatie van de betreffende klanten, in welke vorm dan ook. Er wordt door de bestaande sociale supermarkten echter verschillend gedacht over de inzet van klanten in de eigen voorziening. In het algemeen is die participatie gering. Zie verder paragraaf 4.3.
42
Reflecties en conclusies
Een vorm van sociale coöperatie, waarin klanten, vrijwilligers en professionals samenwerken, is wellicht een interessant model om (het groeiende aantal) lokale voorzieningen en initiatieven same n te brengen en zodanig te organiseren dat gedeeld ownership zowel doel als middel wordt. Een landelijke samenwerking tussen sociale supermarkten, zoals het Netwerk Sociale Supers beoogt, is belangrijk om de ontwikkeling van deze voorzieningen te stimule ren, kwaliteit te bewaken en versterken (mogelijk met een keurmerk?) en een gesprekspartner te zijn van (landelijke) overheid en andere partijen waar het gaat om armoedebeleid en om beïnvloeding van de publieke opinie. Het lijkt erop dat menig fonds (zoals het Kansfonds en het Fonds 1818) belang hecht aan deze ontwikkelingen en zich bereid toont nieuwe sociale supermarkten te ondersteunen.
4.2.
Mooi concept, maar continuïteit van complexe en dure organisaties onder druk
Winkelconcept De drie sociale supermarkten hanteren een winkelconcept voor het verstrekken van levensmiddelen. Klanten kiezen zelf hun boodschappen in een winkel en rekenen af bij een kassa. De winkels bieden de klanten een standaard basisassortiment, dat echter niet een compleet levensmiddelenpakket omvat. De klanten dienen elders aanvullend boodschappen te doen. Bij de Sociale Kruidenier is het assortiment een aanvulling op het pakket van de voedselbanken, terwijl er in Helmond en Almere geen andere voorzieningen voor voedselhulp bestaan. Bij het Voedselloket Almere kunnen klanten naast levensmiddelen ook terecht voor kleding, witgoed en meubels. De sociale supers hanteren een, onderling uiteenlopende, inkomens- cq bestedingsnorm om te bepalen wie in aanmerking komt voor ondersteuning. In Amsterdam kan eenieder terecht die klant is van de voedselbank. Klanten krijgen een pas met daarop een, al dan niet gezins- en/of inkomensafhankelijk termijnbedrag (maandelijks), waarmee zij producten kunnen ‘kopen’. Klanten van het Voedselloket Almere betalen de volledige productprijs uit het tegoed, terwijl Super Sociaal en de Sociale Kruidenier een contante eigen bijdrage vragen. De hoogte daarvan is voor klanten van Super Sociaal afhankelijk van de eigen financiële situatie. Klanten van de Sociale Kruidenier betalen een standaard eigen bijdrage van 30% van de productprijs.
De drie sociale supermarkten beogen dat klanten zo snel mogelijk (financieel) zelfredzaam zijn. Het winkelconcept draagt daaraan bij. De doelgroep bestaat in dit concept niet uit hulpvragers die geholpen worden door het uitdelen van (standaard) voedselpakketten, maar uit klanten die zelf producten kiezen en in een winkelwagen of -mandje leggen. Onderzoek ondersteunt het belang van het ‘eigen keuze concept’: het hebben van keuzemogelijkhe den blijkt een belangrijke voorwaarde te zijn om tot persoonlijke ontwikkeling te komen (Mullainathan en Shafir, 2013, respectievelijk econoom en psycholoog die in hun werk focussen op de psychologie van het ondervinden van schaarste). Het winkelmodel vraagt bovendien om een andere bejegening van klanten, uitgaande van de waardigheid en eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden van klanten. Indien nodig krijgen klanten begeleiding bij het winkelen. Met een gegarandeerd basisassortiment zijn klanten niet afhankelijk van wat anderen overhouden. Het herstel of het vergroten van de zelfredzaamheid wordt door de sociale supermarkten verder ondersteund door een al dan niet verplicht gesteld hulpverleningstraject en activering en toeleiding naar (vrijwilligers)werk. Zie paragraaf 4.3.
43
Complex en duur Sociale supermarkten zijn complexe organisaties in vergelijking met (de meeste) voedselbanken. Het exploiteren van een winkel vereist (ten dele) professionele aansturing. Dat heeft te maken met het draaiend houden van de winkelformule, het beheer en de inkoop van het basisassortiment, het aansturen van diverse typen vrijwilligers en het onderhoud van een complexer netwerk, zoals hieronder wordt toegelicht. Bij elk van de bezochte winkels zijn professionele managers in dienstverband werkzaam. Volgens menigeen betrokken bij sociale supermarkten kunnen deze supers alleen duurzaam bestaan op basis van ondernemerschap. Betaalde capaciteit maakt de sociale supermarkten duur. Ook de inkoop van producten om een basisassortiment te kunnen garanderen vergt een behoorlijke investering. De Sociale Kruidenier koopt vrijwel het gehele assortiment in, voor Super Sociaal gaat het om circa zeventig procent. Alleen het Voedselloket Almere krijgt het merendeel van de producten gedoneerd, maar heeft desondanks jaarlijks circa € 90.000,- nodig om het basisassortiment op peil te houden. Verder zijn er onder andere kosten van een kassasysteem en voorraadbeheer. De jaarrekeningen van de drie sociale supermarkten lopen uiteen van ruim een ton voor de startende Sociale Kruidenier tot bijna drie ton voor het Voedselloket Almere. Niet alleen de exploitatie is kostbaar.
Ook de ontwikkeling van een sociale supermarkt vergt een forse investering. In Helmond bedroeg deze circa twee ton. Het Voedselloket Almere is in omvang vele malen groter dan de andere twee sociale supers. Het wordt gerund door twee parttime directeuren die acht afdelingen en dertig subafdelingen onder zich hebben. Naast de winkel gaat het om afdelingen voor klantcontacten, facilitaire zaken, fondswerving en voorlichting, waar in totaal ongeveer 150 vrijwilligers werkzaam zijn. Daar komen de honderden vrijwilligers voor de vele supermarktacties nog bij. Het beeld bij Super Sociaal en de Sociale Kruidenier, met respectievelijk twaalf en acht vaste vrijwilligers, is anders. Maar het gaat bij elk van de drie initiatieven om een grote diversiteit aan taken, die verder reiken dan het exploiteren van de winkel. Managers zijn zwaar belast. Naast de verantwoordelijkheid voor de winkel gaat het om taken als het begeleiden van vrijwilligers met diverse achtergronden en het onderhouden van het netwerk met de vele stakeholders in de omgeving, van hulpverleningsinstanties, gemeenten en bedrijven tot institutionele en particuliere donateurs. Dit laat zien dat de sociale supermarkten (relatief) hoge financiële en organisatorische risico’s met zich meebrengen, die de continuïteit bemoeilijken. Ruimte voor kostenreductie is gering, geven zij aan.
De initiatieven zijn afhankelijk van subsidies van gemeenten (vooralsnog afgezien van de Sociale Kruidenier) en diverse fondsen, waaronder het Kans Fonds, Oranjefonds, Kerk in Actie, Sioc, VSB Fonds. Het Voedselloket Almere ontvangt ook van diverse diaconieën in de gemeente bijdragen. Het zijn echter nooit langlopende subsidies. Gemeenten tonen zich niet alle even bereid en gul; ondersteuning moet telkens opnieuw worden bevochten. Veel gemeenten ondersteunen bovendien reeds een voedselbank, waardoor het moeilijker zal zijn daarnáást een sociale supermarkt met steun van de gemeente te exploiteren. Daar komt bij dat de voedselbanken met hun lage overhead door volledig vrijwillige inzet en louter uitgaan van giften een hoge aaibaarheidsfactor hebben, wat in de publieke opinie in het algemeen op (meer) sympathie kan rekenen.
Verbeteren continuïteit We zagen in paragraaf 4.1 dat we ervan uit kunnen gaan dat we de komende decennia een groei in (particulier) initiatief kunnen verwachten, mede in antwoord op een terugtredende overheid die de zelf- en samenredzaamheid van burgers centraal stelt. Naarmate de verantwoordelijkheid van initiatieven als de sociale supermarkten groeit, kan een samenleving zich steeds minder permitteren dat de continuïteit ervan onder druk staat. Menig particulier initiatief redt het niet om vanuit ee n gezamenlijk ideaal en enthousiast project door te groeien naar een organisatie met 44
Reflecties en conclusies
toekomstperspectief. Het devies, ook door betrokkenen van de sociale supermarkten geuit, is ‘klein’ starten en inspelen op de dynamiek die van daaruit ontstaat, in verbinding met andere partijen. Daar is geen standaard draaiboek voor. Diversiteit is noodzakelijk om aan te sluiten bij een (diverse) lokale context en zo lokale inbedding en eigenaarschap te ontwikkelen en te versterken. De drie bezochte sociale supermarkten zijn voorbeelden waar sprake is van een doorontwikkeling naar een professionele organisatie. Maar ondanks groot netwerk en draagvlak in de lokale samenleving blijft hun voortbestaan onzeker. In deze situatie lijkt ons het volgende van belang:
Ondersteuning door gemeenten Gemeenten zouden alles op alles moeten zetten om het ontstaan en de continuïteit van initiatieven door of met particulieren te faciliteren, mede gezien de eerder geformuleerde stelling dat sociale voedselzekerheid uiteindelijk een verantwoordelijkheid van de overheid blijft. Menig gemeente (zoals in Almere) bezigt het argument dat zij liever geen instituties financiert. Echter, gezien de geschetste ontwikkelingen is dit (bekende) argument niet (langer) steekhoudend. Financiering is juist ten behoeve van een verdere professionalisering/ institutionalisering van particuliere initiatieven van belang, willen we voorkomen dat vele het niet redden. Verder kunnen gemeenten de verbinding van initiatieven als sociale supermarkten met andere activiteiten en faciliteiten in de gemeente ondersteunen. Wederom het voorbeeld van Almere, waar de gemeente wel grond voor uitbreiding van de voedseltuin van het Voedselloket wil uitgeven, maar zonder enige voorziening (als water) in verband met mogelijke herbestemming van de grond op elk gewenst moment. Terwijl juist dergelijke voorzieningen een verbindende betekenis kunnen hebben in de lokale samenleving en allerlei activiteiten (en mogelijk inkomsten) kunnen genereren.
Meten maatschappelijk rendement Om de (groeiende) maatschappelijke betekenis van dergelijke voorzieningen beter voor het voetlicht van overheid en samenleving te brengen, is het raadzaam voor sociale supermarkten om deze betekenis (beter) te meten en daardoor te bewijzen. Het is niet eenvoudig om cijfers te vinden, onder andere van uitstroom van klanten, laat staan om die onderling en met (bijvoorbeeld) voedselbanken te vergelijken. Welke kosten bespaart een sociale supermarkt de samenleving door klanten een winkel te bieden en hen te ondersteunen (weer) zelfredzaam te worden? Denk aan kostenbesparing voor sociale voorzieningen, doordat mensen als gevolg van de supers eerder uitstromen of niet instromen. Denk aan kostenbesparing voor hulpverlening, omdat mensen bij de voorziening hun waardigheid hervinden, een gevoel krijgen mee te tellen, perspectief gaan zien. Het in kaart brengen van het maatschappelijk rendement van deze voorzieningen kan, juist in deze fase van groeiende interesse, van groot belang zijn. Het kan ook de mogelijke weerstand tegen sociale supermarkten wegnemen. Denk aan weerstand in de samenleving door gebrek aan aaibaarheid van de supers in vergelijking met voedselbanken. Of weerstand bij voedselbanken tegen deze nieuwe vorm van voedselondersteuning. Oikos heeft veel ervaring met het meten van maatschappelijk rendement en kan hieraan een bijdrage leveren.
Het Netwerk Sociale Supers kan hierin een initiërende rol spelen.
Ontwikkelen realistisch verdienmodel Daarnaast is het relevant om te bekijken of er een realistisch, houdbaar ve rdienmodel is te ontwikkelen dat de continuïteit van bestaande sociale supermarkten verbetert en nieuwe 45
initiatieven kan stimuleren. Verbinding met allerlei partijen en ontwikkelingen in de directe omgeving is, ook gezien de doelstelling van de initiatieve n, al waarop wordt gestuurd. Wellicht liggen hier (meer) kansen voor het genereren van eigen inkomsten en/of voor het reduceren van kosten. Daar zal vooral ruimte voor komen wanneer sociale supermarkten in aantal toenemen: gezamenlijke exploitatie (bijvoorbeeld van opslag/transport) spaart kosten uit, samen kunnen grotere giften worden aangenomen en gezamenlijke lobbykracht is belangrijk voor onder andere het verkrijgen van subsidie of voor onderhandeling met supermarkten en andere retailers en producenten over inkoopprijs en giften. Bij een groter aantal wordt het verder wellicht mogelijk om de inkoop bij toeleveranciers te doen in plaats van bij de ‘gewone’ supermarkten, zoals nu gebeurt. Nadeel daarvan is dat het de relatie met supermarkten en daardoor de gratis leveranties onder druk kan zetten. Ook kan gezamenlijk (en/of met andere partijen) zelf voedsel worden verbouwd, zoals in Almere gebeurt. Dat reduceert de inkoopkosten van versproducten. Ook het nadenken over aanpassingen in de winkelformule loont wellicht de moeite vanuit het oogpunt van kostenreductie. Verkleining van het basisassortiment is vanuit het oogpunt van de klant niet de meest wenselijke optie.
Een andere mogelijkheid is wellicht het versterken van de samenwerking met bestaande supermarkten (en eventueel andere winkels). Niet door bij hen in te kopen, maar door gebruik te maken van hun voorzieningen. In plaats van een eigen winkel te exploiteren, kunnen klanten met een winkeltegoed (geselecteerde) producten kopen in bestaande winkels (zie onder andere Verschuren, 2015). Of supermarkten kunnen zelf een sociale super runnen. Met de eigen al aanwezige managers, met inzet van vrijwilligers, met verkoop van (een deel van) de eigen producten tegen een lagere prijs. Ex-klanten kunnen wellicht een rol spelen als (op termijn betaald) winkelpersoneel. Dit kan ook in het belang van de supermarkt zijn; denk aan imagoverbetering, binding van klanten. Weer een andere vorm is eind 2016 reeds door Super Sociaal in het leven geroepen: een SRV-bus is er omgebouwd tot rijdende winkel. Ook in Den Haag is hiertoe besloten. Een dergelijke winkel kan misschien zelfs een variant vormen op de vele thuisbezorgde maaltijdboxen, een sociaal HelloFresh. Een vorm die voor menigeen wellicht de drempel tot gebruik van de diensten van de sociale super verlaagt. Verhogen van eigen inkomsten kan verder vooral komen uit vergroting van het aantal klanten en verhoging van de eigen bijdrage. Zodoende dalen de gemiddelde kosten en wordt meer omzet gemaakt.
Dat zou echter alleen mogelijk zijn bij uitbreiding van het productassortiment. Klanten kunnen zich dan een hogere eigen bijdrage permitteren, omdat zij niet langer elders boodschappen hoeven te doen. Ook een verbreding van de doelgroep van de sociale supermarkten is een mogelijkheid. Daarnaast kan uiteraard steviger worden ingezet op (institutionele en particuliere) fondswerving, waarbij ook crowdfunding kan worden verkend.
4.3.
Vooralsnog positieve, maar beperkte resultaten
Bereik en capaciteit Zowel voedselbanken als sociale supermarkten bereiken bij lange na niet iedereen die in aanmerking komt voor de diensten. Dat heeft te maken met de begrensde eigen capaciteit én met het feit dat de armoede fors is toegenomen. De eigen capaciteit wordt o.a. beperkt door de grenzen aan de gratis voedselleveranties. Daar zit waarschijnlijk nog wel ruimte in, omdat nu maar zo’n 0,3% van de 46
Reflecties en conclusies
voedselverspilling door voedselbanken en de nieuw initiatieven wordt benut (Soethoudt en Timmermans, 2013). In het geval van de sociale supermarkten wordt de capaciteit daarnaast beperkt door de hoge kosten (van professionele medewerkers en inkoop van een basisassortiment), in combinatie met onvoldoende beschikbare financiering en verdienmogelijkheden. Het bereik wordt uiteraard ook beperkt door het geringe aantal van deze initiatieven en de afwezigheid van schaalvoordelen die samenwerking tussen een groot aantal initiatieven zou kunnen leveren. Er is dan ook veel voor te zeggen in te zetten op uitbreiding van het aantal van dit soort initiatieven.
Drempels Bovendien zijn er – met name bij de sociale supermarkten - drempels voor deelname, zoals afstand naar de locatie, wellicht de eigen bijdrage, het feit dat men überhaupt het huis uit moet en het winkelen zelf dat voor sommigen een stap te ver is. De indruk is e chter dat de sociale supermarkten op een ander punt laagdrempeliger zijn dan de voedselbanken. Dit heeft te maken met de (door onderzoek bevestigde) schaamte die klanten van voedselbanken zeggen te ervaren in de afhankelijkheid van voedselhulp en het gebrek aan (gelijk)waardigheid door een zekere wederkerigheid. Bij wederkerigheid gaat het erom dat er iets tegenover de ontvangen voedselhulp staat, in welke vorm dan ook, waardoor er sprake is van tweerichtingsverkeer. Hoewel schaamte ook bij klanten van de sociale supers in enige mate optreedt, zeggen (het weliswaar beperkte aantal geïnterviewde) klanten zich er prettig te voelen, het contact met de vrijwilligers te waarderen en het fijn te vinden om ‘gewoon’ te kunnen winkelen. Keuzevrijheid in de winkel gee ft een gevoel van regie en vertrouwen in de eigen kracht. Vrijwilligers stemmen af op behoeften van klanten. In het contact ontstaat soms een band waarin vrijwilligers klanten tot steun kunnen zijn met betrekking tot hun persoonlijke situatie. Het valt te bezien hoeveel hiervan in de bestaande voedselbanken is te integreren.
Zelfredzaamheid: naast winkel inzet op hulpverlening en activering De winkel is zodoende een middel in het vergroten van de zelfredzaamheid van klanten. Naast het bieden van een winkel zetten de drie bezochte supermarkten voor zelfredzaamheid in op hulpverlening en activering. Klanten worden voor (financiële) hulpverlening vooral doorverwezen naar professionele instanties (een wederzijdse doorverwijsfunctie). De mate waarin de sociale su pers zèlf inzicht hebben en een rol spelen in de verbetering van de (financiële) situatie van klanten loopt uiteen. Het Voedselloket Almere speelt een steeds grotere, additionele rol in de hulpverlening en heeft daarvoor het perspectiefteam en interventieteam. Vrijwilligers van deze teams zijn niet dezelfde als zij die de winkel bemensen, een bewuste keus. Super Sociaal heeft een verplicht klantspreekuur, om te kunnen besluiten of iemand (nog) klant mag zijn en om klanten te adviseren en door te verwijzen naar hulpverlening elders. De Sociale Kruidenier heeft geen inzicht in de (financiële) situatie van klanten.
Hulpverlening bestaat verder uit het bieden van trainingen en workshops (zoals ‘Orde in je leven’ en ‘Op eigen kracht’), het beschikbaar stellen van een spreekuur of café met een jurist of andere (financieel) hulpverlener op locatie van de winkels en het (door)geven van tips voor bijvoorbeeld locaties waar gratis producten of diensten verkregen kunnen worden. Ook dit kan wellicht tot op zekere hoogte in bestaande voedselbanken aangeboden worden, waar nu hooguit wordt doorverwezen naar professionele hulpverleners buiten de organisatie. Voor activering en (vrijwilligers)werk verwijzen ook de sociale supermarkten meestal door naar andere instanties. Soms zijn die doelbewust in hetzelfde gebouw c.q. op hetzelfde terrein gevestigd, zoals bij Super Sociaal en de Sociale Kruidenier. Het Voedselloket Almere geeft aan dat voorzieningen in de gemeente beperkt zijn en dat het zelf meer zou willen bieden aan klanten. Vooralsnog zijn de 47
mogelijkheden voor inzet van klanten bij de drie sociale supermarkten echter zeer beperkt. Alleen bij de Sociale Kruidenier zijn enkele klanten als vrijwilliger actief. Samenvattend kunnen we stellen dat de drie sociale supermarkten een goede keus maken door in te zetten op het vergroten van de zelfredzaamheid en daartoe een winkelformule te bieden, naast (doorverwijzing voor) hulpverlening en activering. Diverse theoretische en methodische ontwikkelingen ondersteunen het belang van deze inzet op zelfredzaamheid. Dat is in de huidige tijdgeest meer dan ooit nodig; jezelf kunnen redden vergt immers veel van mensen. Te bezien valt hoeveel daarvan ook in voedselbanken is op te nemen. Tegelijkertijd is inzet op zelfredzaamheid complex. Dat laten de sociale supermarkten ook zien. We zien enkele dilemma’s zich aftekenen en het lijkt ons van belang deze goed in beeld te hebben en verder te onderzoeken.
Verplichte hulpverlening De drie initiatieven maken verschillende keuzen in het al dan niet verplicht stellen van hulpverlening in ruil voor gebruikmaking van de diensten van de sociale supermarkt. Bij hulpverlening gaat het dan bijvoorbeeld om begeleiding door een professioneel hulpverlener, deelname aan een training of een consult op de winkellocatie, of inzage in en gesprek over de financiële situatie van de klant. Voedselloket Almere is er duidelijk over dat zelfredzaamheid bij menigeen alleen kans van slagen heeft als hulpverlening verplicht wordt gesteld. Mensen zijn zonder verplichting moeilijk in beweging te krijgen, aldus één van de managers. Ze zijn als het ware bevroren, komen niet meer zelf in actie wanneer zij daartoe worden uitgenodigd. Terwijl beweging noodzakelijk is voor verbetering van de eigen situatie. De Sociale Kruidenier, die (vooralsnog) geen verplichting hanteert, worstelt inderdaad met de geringe actiebereidheid van een groot deel van de klanten, de reden waarom zij overging tot het aanbod van extra winkeltegoed in ruil voor trainingsdeelname (tot ergernis van menig trainer en vrijwilliger). Zonder die maatregel was deelname minimaal. Super Sociaal heeft een verplicht klantspreekuur. Dit alles laat zien dat veel klanten helemaal niet zelfredzaam zijn, dat wil zeggen dat de vooronderstelling van de participatiesamenleving in die gevallen niet opgaat.
Het onderstreept daarmee tevens het belang van de inzet op vergroting van de zelfredzaamheid en van een activerende hulpverlening die daarop is gericht. Tegelijkertijd is de vraag gerechtvaardigd of het verantwoord en (uiteindelijk) wel echt efficiënt is om aan klanten een tegenprestatie verplicht te stellen. Er zijn diverse (ethische) bezwaren denkbaar. Zoals: voedsel zou voor iedereen toegankelijk moeten zijn, ongeacht inzet. Een verplichting is niet in lijn met het uitgangspunt van de (gelijke) waardigheid van mensen. Een verplichting, laat staan verplichte hulpverlening, past niet bij een streven naar zelfredzaamheid. Het vrijwillig laten ontstaan, laten groeien van wederkerigheid draagt uiteindelijk het meeste bij aan verwerven van zelfredzaamheid. Vergelijkbare argumenten zien we terug in de discussie over basisinkomen en het lijkt dan ook raadzaam om de praktijk van de sociale supermarkten eens tegen het licht van deze discussie te houden. Een eerste antwoord uit dit dilemma ligt er mogelijk in de winkel zoveel mogelijk te scheiden van de (communicatie over) hulpverlening, zoals in Almere gebeurt. Het Voedselloket wil een neutrale organisatie zijn voor klanten. Vrijwilligers die verantwoordelijk zijn voor klantcontact en hulpverlening zijn niet dezelfde als zij die de winkel bemensen.
Klanten voelen zich zo minder ‘te kijk gezet’ aangaande hun (problematische) situatie en kunnen winkelen zoals ieder ander bij reguliere supermarkten. Een andere mogelijkheid is om inzage
48
Reflecties en conclusies
in de financiële situatie van klanten niet langer noodzakelijk te stellen. Dit wordt gedaan bij de Sociale Kruidenier, waar alle klanten van de voedselbank terecht kunnen. Een stadspas of vergelijkbare voorziening voor mensen met minimuminkomen kan een alternatief criterium zijn om te bepalen wie klant kan zijn. Een nadeel daarvan is dat het winkeltegoed en/of de eigen bijdrage niet kan worden gedifferentieerd naar bestedingsruimte van klanten. Verder is het met betrekking tot dit dilemma van belang klanten inzicht en mogelijk een actieve rol te geven. Het versterken van het gevoel (weer) regie te hebben over het eigen leven wordt waarschijnlijk niet gediend in een situatie waar sociale supermarkten en hulpverleningsinstanties onderling uitwisselen en besluiten nemen over de klant, zonder de klant daarin te betrekken. Een verdergaande professionalisering en de noodzaak om resultaat te boeken kunnen vrij makkelijk leiden tot optuigen van procedures waarbij zeggenschap van klanten in de praktijk gering is.
Participatie van klanten Opvallend aan de drie sociale supermarkten is dat zij niet of nauwelijks mogelijkheden bieden aan klanten om actief te worden in de eigen voorziening en daarmee vorm te geven aan een zekere wederkerigheid. Sterker, Super Sociaal is pertinent tegen deze inzet. Zij gaat ervan uit dat dat het beste recept voor problemen in de bedrijfsvoering is. Bij de Sociale Kruidenier worstelt de projectleider met dit onderwerp: de ervaring met klanten als vrijwilliger zijn niet erg positief, de reden waarom zij nu hogere eisen stelt aan potentiële vrijwilligers en klanten eigenlijk bij voorbaat uitsluit. Ondanks het besef dat dat eigenlijk indruist tegen de eigen doelstelling. Het Voedselloket Almere wil mogelijkheden gaan onderzoeken; in de afgelopen jaren zijn die er niet geweest. Hier toont zich een dilemma: dat tussen het streven naar een effectieve, efficiënte, financieel en organisatorisch houdbare bedrijfsvoering en het zo trouw mogelijk blijven aan de oorspronkelijke, fundamentele inhoudelijke doelstelling van het vergroten van zelfredzaamheid en (gelijk)waardigheid.6 Het loont de moeite om (verder) te onderzoeken onder welke voorwaarden participatie van klanten wel succesvol kan zijn, voor zowel klanten als de voorziening, om zodoende vorm en inhoud aan wederkerigheid te geven.
Zo zegt de Sociale Kruidenier in Antwerpen te gruwen van een strikte scheiding en klanten juist aan te moedigen actief mee te helpen en zo andere talenten aan te boren dan waar het in de professionele hulpverlening om gaat (CPC, 2016). Blijkbaar is het wel mogelijk. En welke andere vormen van klantparticipatie zijn er? Is het haalbaar om met één of meer van die vormen te starten, te experimenteren? Een klantenpanel is een vrij eenvoudige vorm. De enquêtes die Super Sociaal regelmatig onder klanten houdt, leveren vergelijkbare input op, maar met minimale participatie van klanten. Een ambassadeursrol is een andere vorm. En het inzetten van ervaringsdeskundigen wordt bij de sociale supers, maar ook elders in het kader van armoedebestrijding, regelmatig genoemd als optie. Elk van deze vormen biedt klanten de kans te participeren, naast ontvangen ook te geven en relevante kennis en ervaring op te doen. Evenzo belangrijk is dat er met klantparticipatie andere doelen worden gediend. Ten eerste hebben klanten een ander perspectief dan vrijwilligers, managers en andere betrokkenen van sociale supermarkten en dragen zij met hun inzicht in positieve zin bij aan de exploitatie en ontwikkeling van de voorzieningen. Ten tweede zijn zij een voorbeeld voor andere klanten: zij laten zien dat je er als klant toe doet.