CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Kerk in Actie Oikos voedselbanken - juli 2017

Debat 6 maart 2023, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Achtergrondinformatie31.290 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Door te werken met een kwaliteitslabel voor een groeiend aantal (kandidaat) Sociale Kruideniers, onderscheiden deze organisaties zich van de ‘gewone’ n oodhulp en willen zij een mentaliteitsverandering op gang helpen in het denken en handelen rond voedselhulp. Bij elk van de initiatieven blijkt echter dat het dagelijkse werk nauwelijks tijd overlaat om aan deze (lange termijn)doelstelling stevig te trekken. Het krijgt vooralsnog geen prioriteit. Uitbesteden is wellicht een optie. Verhave: “Ik heb hier laatst over gesproken met een jongen, een creatieve geest. Hij gaat bedenken wat we met story telling zouden kunnen doen om hier aandacht voor te vragen.” Ook hierin hanteren de voedselbanken een ander standpunt, wat gezien het verschil in doelstelling verklaarbaar is. Schat: “We hebben geen politieke doelstelling. We zijn een neutrale organisatie. We worden wel gezien als een expert op het gebied van armoede , dus we worden vaak gevraagd door politiek en media hierover. Het is niet direct ons doel om armoede op de agenda te zetten, maar we 18

Bevindingen

dragen wel bij aan het debat. (..) Maar als we iets kunnen doen om meer voedsel of geld te krijgen, dan schromen we niet daar de pers en politiek op aan te spreken.”

Onderscheid en nuancering Kortom, de drie bezochte sociale supermarkten onderscheiden zich vrij nadrukkelijk van voedselbanken in doelstelling en daarmee ook in het concept van waaruit zij werken. Het gaat hun om de financiële zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de klanten. Het verstrekken van voedsel dient op zodanige wijze te gebeuren dat het positief bijdraagt aan dit doel. De klant wordt anders benaderd en lijkt zich in een winkel anders bejegend te voelen en een winkel lijkt te kunnen bijdragen aan de benodigde verandering van de publieke opinie over mensen die afhankelijk zijn van een maatschappelijke voorziening voor sociale voedselzekerheid. Tegelijkertijd is er genoeg reden om enige nuancering aan te brengen in het vrij scherpe onderscheid dat betrokkenen zelf maken tussen de drie initiatieven en voedselbanken. Ten eerste hebben de drie sociale supermarkten uiteraard een belang om zich te onderscheiden van de veel bekendere, en in zekere zin meer geaccepteerde voedselbanken. Immers, aan een duidelijk onderscheidend profiel ontlenen zij bestaansrecht, ten opzichte van financiers, leveranciers, de politiek en het publiek. Dat is zeker nog geen gelopen race.

De initiatieven staan nog aan het begin, zijn eenlingen en ontberen voordelen die voedselbanken door onderlinge samenwerking hebben voor onder andere voedselleveranties, opslag (distributiepunten) en gezamenlijke acties richting publiek. Daarnaast, zoals aangegeven, verkent ook Voedselbanken Nederland de mogelijkheden van een winkelmodel voor de voedselbanken. De ervaren schaamte onder voedselbankklanten is een belangrijke aanleiding daarvoor. De afhankelijkheid van leveranciers voor gratis leveranties van voedseloverschotten en de daarvoor gehanteerde uitgangspunten in de eigen bedrijfsvoering lijken dit (vooralsnog) te bemoeilijken. Dat bemoeilijkt weliswaar niet zozeer het hanteren van een winkelformule op zichzelf, maar wel het garanderen van een basisassortiment (waarvoor inkoop noodzakelijk is) en het inzetten van betaalde krachten (wat volgens de sociale supermarkten onvermijdelijk is). Op lokaal niveau wordt de behoefte aan verandering soms sterk ervaren. Immers, daar ervaart men de beperkingen van het hulpverleningskarakter van voedselhulp het ste rkst. Er ontstaan tussenvormen, tussen voedselhulp en winkelmodel, zoals een voedselbank waar vrijwilligers voedselpakketten vullen met producten die de klanten zelf aanwijzen (uitkiezen).

Of een voedselbank die naast de uitgifte van voedselpakketten klanten zo nu en dan (extra) producten laat kiezen uit een assortiment dat bestaat uit door klanten niet gewenste en achtergelaten producten uit het voedselpakket. En er zijn winkels die zich richten op de minder bedeelden, zonder méér te willen zijn dan een winkel: zij verkopen goedkoop opgekochte restpartijen voor een kleine prijs. Kortom, er is een pallet aan initiatieven ontstaan, vanuit de voedselbanken en daarbuiten. Tot slot, het is opmerkelijk dat van contact tussen managers van de drie sociale supermarkten en Voedselbanken Nederland nauwelijks sprake is. In een dergelijke situatie is het eenvoudiger om de verschillen te zien en te benadrukken, dan het gezamenlijke belang en mogelijkheden om samen te werken en van elkaar te leren. Op plaatselijk niveau is er wel contact. De Sociale Kruidenier presenteert haar winkel zelfs als aanvulling op het noodhulppakket van de voedselbank en heeft vanaf het begin bewust de samenwerking gezocht. Dat blijkt niet eenvoudig. Menig vrijwilliger bij de andere sociale supermarkten geeft aan dat samenwerking op lokaal niveau meerwaarde zou kunnen bieden, maar dat niet alle voedselbanken daarvoor open staan. Mons over Voedselloket Almere: “Lokaal is er wel samenwerking. Soms krijgen we overschotten van andere voedselbanken in de regio.” 19

Zowel vrijwilligers als managers van de sociale supermarkten gaan ervan uit dat betrokkenen bij voedselbanken niet blij zijn met de sociale supermarkten, die zij vermoedelijk als kritiek op voedselbanken beschouwen. Ze hebben daar wel enig begrip voor. Verhave: “Iedereen bij de voedselbanken werkt heel hard en doet het vrijwillig. Je kunt je wel voorstellen dat zij het als een aanval zien. Maar het is totaal niet met dat idee opgezet. Maar je kunt ook niet ontkennen dat onze visie op armoede op sommige punten wel haaks staat op hoe zij het benaderen.” Feuerriegel: “Velen zien hun voedselbank als een heilig dogma en het model van Helmond als een taboe. Zij willen hun concept afschermen. Waarschijnlijk voelt men zich wat bedreigd door het nieuwe model. Er is een confrontatie tussen modellen, een strijd tussen principes.” Toch lijkt van een sterke afweer bij voedselbanken t.o.v. de sociale supermarkten niet direct sprake. Van der Graaf van Voedselbanken Nederland geeft daarover aan: “Ik denk dat het [sociale supermarkten] ontstaat uit een soort kritiek op ons. Wij hebben geen kritiek op hen. (..) Ik vind het geweldig dat ze er zijn. ” Dat wil niet zeggen dat de voedselbanken de doelstellingen en werkwijze van de sociale supermarkten overnemen. Van der Graaf: “Maar wij willen de allerarmsten bereiken. Onze mensen zouden geen eigen bijdrage kunnen betalen.

Ik vraag me af of zij de allerarmsten bereiken.” Dit alles onderstreept dat de sociale supermarkten met hun verschillende doelstelling, werkwijze en maatschappelijke rol vooral een aanvulling zijn op de bestaande voedselbanken, dat ze (vooralsnog) beide recht van bestaan lijken te hebben en dat ze beide blijven zoeken naar vernieuwing. Dat maakt onderlinge samenwerking en uitwisseling over ervaringen en rolverdeling nuttig en belangrijk.

3.2.

Sociale supermarkten in een verander(en)de tijdgeest

Om het ‘verschijnsel’ sociale supermarkten goed te begrijpen, is het zinvol deze in een historisch perspectief van voedselhulp te plaatsen. En om het ontstaan van sociale supermarkten, de werkwijze en kansen voor de toekomst te bekijken in het licht van maatschappelijke veranderingen en politieke keuzes.

Voedselbanken: een stukje geschiedenis De geschiedenis van voedselbanken in Nederland gaat terug tot 2002, met de start van de Rotterdamse voedselbank op initiatief van Sjaak en Clara Sies. Het paar Sies zetten zich vanuit hun stichting MinusPlus in om dat wat mensen overhielden (plus) ten goede te laten komen van mensen die het niet breed hadden (minus). In eerste instantie dachten ze daarbij aan meubilair en kleding; pas later kwam daar voedsel bij. Geïnspireerd door de voedselbanken die in Vlaanderen destijds al zo’n twaalf jaar bestonden (sinds 1986), noemden zij hun initiatief na enige tijd voedselbank. De bemiddelende rol tussen overschot en gebrek aan voedsel bleef altijd behouden. Door mediaaandacht kreeg het initiatief landelijke bekendheid en volgden al snel vergelijkbare initiatieven elders in het land. Als gevolg van de snelle groei ontstonden in de daaropvolgende jaren twee koepels van voedselbanken (Stichting Voedselbank Nederland en Federatie van Voedselbanken), die in 2013 opgingen in de landelijke Vereniging Voedselbanken Nederland. Van der Graaf zegt over die laatste ontwikkeling: “De vereniging is met frisse tegenzin opgericht. Het is een belangrijke ontwikkeling: landelijke partijen raakten geïnteresseerd, maar wilden niet met veel verschillende stichtingen te maken hebben. Het kost tijd alles op elkaar af te stemmen.

Elke verandering wekt weerstand op.” Daarmee doelt zij op de spanning tussen landelijke afstemming (onder andere ten behoeve van relaties met leveranciers) en lokale vrijheid en geworteldheid.

20

Bevindingen

Aanvankelijk werden voedselbanken met veel scepsis bekeken. Iedereen was het er over eens d at voedselbanken eigenlijk niet mochten bestaan. De politiek, van links tot rechts, landelijk en lokaal, vond voedselbanken in het algemeen overbodig: er was immers een wettelijk gegarandeerd recht op een bestaansminimum voor iedereen. Anderen erkenden dat voedselbanken kennelijk nodig waren, maar zagen deze als smet op het blazoen van de verzorgingsstaat. Ook in de Verklaring ‘Meer dan voedsel alleen’ (2006), waarin kerken in Nederland hun visie op armoede, voedselbanken en de rol van kerken formuleerden, werden voedselbanken gezien als een signaal voor de noodzaak van structurele maatregelen ter bestrijding van armoede in Nederland. Kerken riepen de samenleving en de politiek op om zich daartoe te verplichten. Een beroep moeten doen op de voedselbank was volgens de kerken een aantasting van de menselijke waardigheid, met een vernederende werking. Kerken zagen in de voedselbanken een terugkeer naar de bedeling, maar voelden zich genoodzaakt om bij te springen waar de overheid tekort schoot. Vanaf het begin waren kerken vaak nauw betrokken bij de ontwikkeling en het runnen van voedselbanken en andere vormen van voedselhulp: financieel, als uitgiftepunt of via medewerking door kerkelijke vrijwilligers.

Gaandeweg is de afwijzende houding in de samenleving ten opzichte van voedselbanken veranderd. De aanhoudende groei in het aantal voedselbanken maakte ontkenning van de bestaansgrond niet langer houdbaar. De overheid moest erkennen dat voedselbanken een toegevoegde waarde hadden en zagen dit in het bereiken van kwetsbare groepen in de samenleving die de overheid (blijkbaar) moeilijk zelf kon bereiken. Voedselbanken werden een vindplaats van armen en samenwerking met voedselbanken kreeg aldus betekenis voor lokale overheden: het leiden van mensen naar gemeentelijke voorzieningen en reguliere hulpverlening (Janssen e.a., 2008). De gemeentelijke voorzieningen zèlf werden niet in twijfel getrokken. Inkomensondersteuning en re -integratie werden gezien als de beste oplossing voor mensen in armoede. Versterkt door de daaropvolgende financiële en economische crisis ging er echter een andere wind waaien: sociale voorzieningen, vangnet tegen ongebreidelde marktwerking, zijn sindsdien verder uitgekleed. De overheid propageert sinds een aantal jaar de participatiesamenleving: burgers dienen meer verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven en dat van medeburgers. De overheid kan niet langer alle verantwoordelijkheid op zich nemen. Een participatiesamenleving is een vitale samenleving, met zelfredzame, verantwoordelijke burgers.

Als dat geen goede bescherming biedt tegen armoede.4 De armoedecijfers volgens het Armoedesignalement 2014 (SCP en CBS) liegen er echter niet om: mede als gevolg van de economische crisis is de armoede sinds 2008 met ruim een derde toegenomen. De piek werd in 2013 bereikt, sindsdien is sprake van een lichte daling. De daling komt vooral voor rekening van groepen die relatief korte tijd in armoede verkeerden. De langdurige armoede (tenminste drie jaar arm) nam in de crisisperiode eveneens toe (SCP, 2016). Tussen 2000 en 2013 nam ook het aandeel langdurig armen in de totale groep toe. In 2013 waren ruim 1,2 miljoen mensen arm en 410.000 mensen langdurig arm (beide volgens het niet-veel-maar-toereikend criterium).

4 We wijzen er op dat aan het begrip participatiesamenleving twee kanten zitten, die tot op zekere hoogte met

elkaar in strijd zijn. Aan de ene kant verwacht de overheid in verband met de gewenste participatiesamenleving van burgers dat zij zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun leven, inkomen e.d., ook als zij onverhoopt in de problemen komen (zelfredzaamheid). Aan de andere kant doet de overheid met het begrip participatiesamenleving ook een beroep op de vrijwillige inzet van burgers voor diegenen van hun medeburgers die in de knel zijn gekomen (samenredzaamheid). In discussies over de participatiesamenleving lopen deze twee kanten nogal eens door elkaar. Duidelijk is ook dat beide kanten hun begrenzing hebben.

21

Het is niet voor niets dat in deze periode het aantal voedselbanken voortdurend steeg. In 2015 waren er 164 voedselbanken, 510 uitdeelpunten en circa 10.000 vrijwilligers. Er werden twee miljoen voedselpakketten verstrekt voor ongeveer 88.000 Nederlanders. Naast voedselbanken zijn er kleding-, speelgoed-, vakantie-, cultuur-, sinterklaas- en dierenvoedselbanken geopend. Door de crisis zijn ook relatief nieuwe groepen vertegenwoordigd in de klantpopulatie van voedselbanken: naast de van oudsher goede vertegenwoordiging van mensen die langdurig leven van een bijstandsuitkering, kloppen ook zzp-ers aan, evenals mensen die na een ingrijpende gebeurtenis (ontslag en werkloosheid, scheiding) niet meer rondkomen.

Volstaat voedselhulp voor hen die niet meetellen? Alternatieven De drie, in het kader van dit onderzoek bezochte sociale supermarkten hebben een kortere geschiedenis dan de voedselbanken: Super Sociaal introduceerde het nieuwe concept in 2007, Voedselloket Almere volgde met een ombouw naar het winkelconcept in 2012 en de Sociale Kruidenier opende in het voorjaar van 2016 haar deuren. In die periode is de (langdurige) armoede in Nederland zoals we zagen sterk toegenomen. Ook is er sprake van een alsmaar groeiende kloof tussen arm en rijk (evenals elders in de wereld). Deze zou bij ongewijzigd beleid wel eens een serieuze bedreiging kunnen vormen voor de stabiliteit van de samenleving (onder andere Piketty in zijn boek ‘Kapitaal in de 21e eeuw’). De discussie over voedselbanken is in die periode dan ook vooral een discussie geworden over toenem ende en schrijnender wordende armoede. Maar wellicht nog belangrijker is dat de visie op armoede is veranderd. Zelfredzaamheid en meedoen zijn de norm geworden, versterkt door de introductie van de participatiesamenleving. Daardoor raken armen, in ieder geval een deel van hen, steeds meer uitgesloten. Armoede wordt meer dan voorheen als een individueel probleem gezien, waaraan de arme zelf (minstens mede) ‘schuldig’ is. Van slachtoffers van het systeem en van omstandigheden zijn zij luie uitvreters geworden (Verschuren, 2015).

Dat ondermijnt het zelfvertrouwen en werkt gevoelens van vervreemding en het ervaren van gebrek aan perspectief in de hand. Voorheen lag de verantwoordelijkheid voor het bieden van een bestaansminimum en het garanderen dat armen meetellen als volwaardige burgers, overduidelijk bij de overheid (afgezien van de vraag of zij daar in slaagde). Nu dat feitelijk niet langer het geval lijkt te zijn, hebben de vele voedselbanken als vanzelf primair een belangrijke rol gekregen in armoedebestrijding, terwijl zij formeel nog steeds een dubbele doelstelling hebben (noodhulp geven en herbestemmen voedseloverschotten, zie paragraaf 3.1). Verschuren (2015) noemt als illustratief voorbeeld de gemeente Eindhoven, die het geld voor de jaarlijkse bijdrage aan de voedselbank uit het potje voor sport, ontspanning en cultuur voor mensen met een minimuminkomen haalt. De vraag hoe armoede het beste kan worden bestreden is prangender geworden, evenals de vraag in hoeverre de klassieke voedselbanken daartoe een geschikt instrument zijn. Het noodkarakter van voedselbanken wordt meer ter discussie gesteld. Schaamte onder voedselbankklanten zou door de werkwijze van de voedselbank in de hand worden gewerkt (o.a. Hoogland en Berg, 2016). Wie gebruik wil maken van de voedselbank, moet inzicht geven in zijn of haar complete financiële situatie.

Dat voelt als financieel uitgekleed worden, aldus één van de klanten in het onderzoek. Het heeft volgens het onderzoek ook te maken met het gebrek aan keuze: je krijgt wat er is. Al met al draagt dit niet bij aan het (her)vinden van zelfvertrouwen en regie over het eigen leven. Overigens verwijst minstens een deel van de voedselbanken daartoe, zoals gezegd, wel naar professionele hulpverlening.

De energieke samenleving Naast (en mogelijk versterkt door) de vanuit de overheid gepropageerde participatiesamenleving, is er een andere beweging die het initiatief van burgers centraal stelt. Talloze mensen ondernemen zelf pogingen om de grote vragen van de samenleving, ook die van armoe de, aan te pakken. Soms nog 22

Bevindingen

steeds vanuit en in relatie tot de traditionele maatschappelijke organisaties, maar vaak ook daarnaast, er buitenom en soms zelfs er tegenover en vaker dan voorheen met een ondernemende aanpak. Soms als vrijwilliger, soms als zzp-er of (sociaal) ondernemer. De opkomst van die energieke samenleving (Hajer, 2011) komt voort uit een positief gevoel van ‘wij kunnen wat doen; dus we moeten wat doen’. Daaraan dragen veranderende ideeën over leiderschap, bestuur en organisatie bij: de complexe problemen van onze tijd vragen een andere aanpak, waarvoor het functioneren van bestaande instituties van politiek, markt en maatschappelijke organisaties niet toereikend is. Een verschil met eerder maatschappelijk initiatief is dat niet wordt volstaan met agenderen van problemen en noodhulp bieden, maar dat men een actieve bijdrage wil leveren aan de structurele oplossing van de problemen. In deze context is het niet verwonderlijk dat er (burger)initiatieven ontstaan die zich tot doel stellen armoede structureel te bestrijden. De sociale supermarkten die zijn bezocht in het kader van dit onderzoek zijn daarvan een voorbeeld. Zij willen meer zijn dan een loket waar armen met enige regelmaat door anderen gedoneerd voedsel kunnen afhalen. Zij markeren waarschijnlijk het begin van een verdere ontwikkeling in die richting.

Betrokken burgers, al dan niet (ook) professioneel betrokken bij het armoedevraagstuk, denken mee en nemen initiatief, al dan niet tezamen met (lokale) overheid en eventuele andere partijen. Ook bij het ontstaan van de drie bezochte sociale supermarkten is actieve burgerbetrokkenheid belangrijk geweest. Mons: “Ik was diaken. Ik wilde goed doen. Je komt dan op het punt dat je van je hobby je werk maakt. Ik heb mijn bedrijf verkocht. Dit levert een beter gevoel op. Het is een ontwikkelingsreis. Ik had gedacht dat ik op diverse plekken op diaconaal gebied projecten zou starten, in de steigers zou zetten en dan weg zou gaan. Ik wilde (en wil nog steeds) dit concept breder uitrollen, dus naar meer plaatsen toe. Je kunt meer bereiken, je hebt dan grotere lobbykracht.” Feuerriegel raakte vanuit zijn bestuursfunctie bij de maatschappelijke opvang in Helmond betrokken. En bevlogen. Nu Super Sociaal eenmaal draait ‘doet hij het erbij’. Bevlogen managers wisten een groot draagvlak te creëren in de lokale samenleving voor de initiatieven. Veel organisaties, bedrijven en particulieren raakten betrokken, vooral in Almere en Helmond: zij werken samen en/of ondersteunen de sociale supermarkten op uiteenlopende wijze.

Lokale politiek: (particuliere) initiatieven ondersteunen De toenemende (langdurige) armoede stelt uiteraard ook de overheid voor een grote uitdaging. Ze kan niet weglopen voor het feit dat niet iedereen in staat is zelfredzaam te zijn in he t leven, te participeren in onze complexe samenleving. Er is blijvend aandacht voor het verbeteren van de toegankelijkheid van de eigen sociale voorzieningen, hoewel volgens menigeen zonder noemenswaardig resultaat. Daarnaast ondersteunen gemeenten initiatieven in de (energieke) samenleving die in staat zijn om armoede te bestrijden. Menig voedselbank ontvangt een financiële bijdrage. En ook de drie bezochte sociale supermarkten hebben vrijwel vanaf het begin draagvlak bij de lokale overheid gezocht. Zowel Mons als Feuerriegel hebben met vertegenwoordigers van de lokale politiek bezoeken gebracht aan initiatieven elders om inspiratie en kennis op te doen. Gemeente Almere en Helmond dragen financieel bij aan de exploitatie van deze initiatieven. Wetende dat het voor burgers moeilijk is om een eenmaal ontstane armoedesituatie weer te boven te komen, krijgt ook het voorkomen van (langdurige) armoede onder burgers de laatste tijd meer aandacht.

De drie bezochte sociale supermarkten hebben potentie daarvoor, al vergt dat veel, zo laat de situatie in Almere zien: “Samen met de gemeente starten we binnenkort een pilot met één van de zestien wijkteams. Het nog te ontwikkelen interventieteam van ongeveer vijftien personen (getrainde vrijwilligers) wordt daarbij betrokken. Dat team kan naar klanten toe om hen een aantal maanden bij de hand te nemen. Samen met de cliënt gaan zitten en toeslagen en uitkeringen aanvragen kan al veel schelen.” 23

Naast gemeenten zagen ook fondsen potentie in de sociale supermarkten. Zoals het Kansfonds. Het Netwerk Sociale Supers, waarvoor met name Mons en Feuerriegel zich inzetten, wil het concept van Super Sociaal breder uitrollen. Het Kansfonds is bereid financieel te investeren in nieuwe, vergelijkbare sociale supermarkten in de samenleving. Mons: “Het Kansfonds zegt wel eens: we hebben honderden projecten, maar geen die zo is gedragen door de gemeenschap als bij jullie.” Samenvattend kunnen we stellen dat de sociale supermarkten passen in de huidige tijdgeest, waarin aan de ene kant de overheid zich terugtrekt en de participatie van burgers als mantra hanteert en aan de andere kant allerlei initiatieven ontstaan van burgers die, al dan niet tezamen met bestaande instituties, grote vraagstukken als (in dit geval) armoedebestrijding op innovatieve wijze oppakken.

3.3.

Realiseren de sociale supermarkten wat ze beogen?

De drie sociale supermarkten zijn gestart met één doel voor ogen: bijdragen aan armoedebestrijding door het vergroten van de zelfredzaamheid van klanten. Gelijktijdig willen zij klanten voorzien van benodigde levensmiddelen. Hoe doen sociale supermarkten dat en hoe succesvol zijn zij daarin? Bereiken zij wie en wat zij beogen te bereiken?

Grenzen aan het bereik… Diverse betrokkenen benadrukken dat zowel de voedselbanken als de sociale supermarkten niet iedereen bereiken die in aanmerking komt voor verstrekking van levensmiddelen. Ondanks een forse groei in de voedselhulp in Nederland in de afgelopen jaren, gaat deze niet gelijk op met de sterke stijging in armoede. Zowel voedselbanken als sociale supermarkten wensen de (onderling enigszins uiteenlopende) inkomensnorm om in aanmerking te komen voor de eigen faciliteit te verruimen. De beperkte capaciteit en voedselleveranties stellen grenzen aan de hulp. Gezien het feit dat de sociale supermarkten een substantieel deel van het assortiment inkopen, is vooralsnog het beschikbare budget sterk bepalend voor het aantal klanten dat zij kunnen bedienen. Het streven van deze supers is evenwel het percentage gratis ontvangen producten te ve rgroten. Dat is nog geen gelopen race. Verhave: “Dat is in de praktijk niet zo makkelijk gebleken. Veel leveranciers geven al aan de voedselbank en geven dan niet zomaar óók aan de Sociale Kruidenier.” In Almere en Helmond, waar geen voedselbanken zijn, ligt dit anders. Ondanks relatief groot draagvlak bij bedrijven en particulieren (supermarktacties) kopen zij maandelijks een deel in, om zodoende een standaard basisassortiment te kunnen garanderen.

Ter vergelijking: de grote stijging van het aantal klanten van voedselbanken in het afgelopen decennium illustreert het succes van de inzet op vergroting van voedselleveranties aan voedselbanken. De ambities rijken echter verder. Van der Graaf en Schat van Voedselbanken Nederland: “Als we meer voedsel zouden hebben, zouden we onze leefgeldnorm veranderen.” Dit bleek kort na het gesprek al realiteit: de norm is in januari 2017 verhoogd. “Nu we gecertificeerd zijn, krijgen we structureel meer voedsel van leveranciers. Nu is gegarandeerd dat (ook verse) producten goed zijn op het moment dat de klant het krijgt.” En: “We proberen meer voedsel te krijgen, door slimme dingen te doen. Zoals 200.000 potjes appelmoes maken van appels die door de boycot van Rusland over waren.”

.. en drempels voor deelname Voedselbanken Nederland vraagt zich af of de sociale supermarkten met de aan klanten gevraagde eigen bijdrage wel de allerarmsten bereiken. Die bijdrage zou de drempel wel eens kunnen verhogen. 24

Bevindingen

De voedselbanken zouden daarentegen met hun gratis voedselpakket juist wel de allerarmsten bereiken. Uit de interviews met betrokkenen van de Sociale Kruidenier en Super Sociaal, die een contant te betalen eigen bijdrage aan klanten vragen, kunnen we niet opmaken dat deze bijdrage inderdaad drempelverhogend werkt. Maar we hebben geen beeld van een eventuele groep die de winkels niet bezoekt om reden van de gevraagde bijdrage. Een reden voor het vragen van een eigen bijdrage is dat klanten de producten zodoende op waarde schatten. Klanten zouden het in het algemeen prettig vinden niet alles zomaar gratis te krijgen. Een andere reden is dat er zodoende een groter aantal klanten kan worden bediend en kan worden gedifferentieerd naar bestedingsruimte van klanten. Dat is eerlijker, aldus betrokkenen van Super Sociaal. In Helmond krijgt de klant zeventig tot negentig procent korting op de productprijs. De hoogte van die korting is afhankelijk is van de financiële situatie van de klant. In uitzonderingsgevallen is een korting van 100% mogelijk. Bij de Sociale Kruidenier is de eigen bijdrage echter voor iedere klant gelijk; deze bedraagt 30% van de productprijs. In Almere wordt de gehele productprijs betaald uit het fictieve tegoed. Klanten betalen er dus geen eigen bijdrage. Wel wordt er gedifferentieerd door het fictieve budget aan te passen aan gezinsgrootte en –samenstelling.

De productprijzen, die de sociale supermarkten zelf vaststellen, zijn laag; de eigen bijdrage is navenant laag. De inkomsten uit de betaalde eigen bijdragen vormen geen vetpot en zijn evenmin de basis van een verdienmodel van de sociale supermarkten, zoals soms wordt gesuggereerd. Een drempel ervaren sommige klanten van de sociale supermarkten wel in het winkelmodel an sich. Mons: “Niet alle klanten vonden het fijn hoor dat we een winkel kregen. Zij ontvingen liever pakketten. Ze vonden het wel makkelijk dat het pakket thuis werd afgeleverd.” Daarentegen zegt een groot deel van de klanten, ook in dit onderzoek, het winkelconcept te waarderen. “Het is heel fijn om keuze te hebben. Ik houd van shoppen, dat kan ik nu ook hier doen.” En: “Mijn schoonzus heeft bij de oude voedselbank (voordat deze winkel kwam) voedselpakketten gehad. Dat vond ze vreselijk. Dat krijgen. Ik zou dat ook nooit willen.” Een drempel geldt dus ook, op een andere manier, voor het concept van voedselverstrekking via pakketten. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de schaamte en het hulpkarakter voor menigeen die in aanmerking komt voor voedselhulp reden is om geen klant te worden bij de voedselbank of deze hulp negatief te ervaren. Het algemene beeld is dat het winkelmodel beantwoordt aan een breed ervaren behoefte van klanten aan een andere bejegening dan gebruikelijk is bij voedselbanken.

Sommigen hebben in het winkelen echter wel een zetje nodig (zie verderop in deze paragraaf). Een drempel voor deelname aan de sociale supermarkten waarover geen twijfel bestaat, wordt gevormd door afstand: de drie sociale supermarkten bedienen armen uit de gehele gemeente. Voor menig klant, met name van de Sociale Kruidenier en Voedselloket Almere, is de afstand en daarmee gepaard gaande reiskosten een drempel. Een klant van de Sociale Kruidenier: “Het is zover reizen. Een retour kost me bijna vijf euro. Ik doe dat één keer in de maand en dan maak ik mijn tegoed in één keer op.” Deze drempel heeft te maken met het feit dat de winkels, anders dan voedselbanken, (vooralsnog) niet ‘dik gezaaid’ zijn. Het voordeel van het winkelconcept is evenwel dat klanten zelf kunnen bepalen hoe vaak zij komen, zonder consequenties voor hun winkeltegoed, mits besteed binnen de geldigheidstermijn. Ongeacht het gehanteerde model voor verstrekking van levensmiddelen is het feit dat men ervoor het huis uit moet voor sommigen op voorhand een te hoge drempel. Een vrijwilliger van de Sociale Kruidenier: “Kijk, de mensen die hier komen zijn mobiel, vaak ook vrij jong. Maar er zijn ook veel ouderen die het huis niet meer uit kunnen. Die geen netwerk hebben. Die heel angstig zijn. Dat is pas 25

erg. Zij komen hier niet, maar hebben wel hulp nodig. Niemand die het over hen heeft, niemand die hen bereikt.” Kortom, er zijn grenzen aan het bereik en drempels voor deelname. Daarin verschillen sociale supermarkten niet veel van voedselbanken. Belangrijk is echter dat het winkelmodel voor klanten, zij het niet iedereen, wèl drempelverlagend lijkt te werken door een andere bejegening.

Kracht van het winkelconcept Sociale supermarkten bieden hun klanten een winkel. Verstrekken van levensmiddelen in een winkel zou bijdragen aan het realiseren van het doel waarvoor sociale supermarkten bestaan, namelijk het vergroten van de zelfredzaamheid van klanten. Daarentegen zou het verstrekken van voedselpakketten de realisatie daarvan juist in de weg staan. Uit dit (bescheiden) onderzoek evenals andere onderzoeken blijkt dat klanten in het algemeen het winkelmodel positief waarderen. Het gaat stigmatisering tegen: iedereen, ook zij die afhankelijk zijn van een maatschappelijke voorziening voor sociale voedselzekerheid, doet zelf boodschappen. Keuzevrijheid helpt om het gevoel van regie over het eigen leven te (her)vinden. Het gaat uit van de waardigheid van mensen, als ook van vertrouwen in de eigen kracht. Winkelen daagt klanten uit om verantwoordelijkheid te nemen en (daarin) positieve ervaringen op te doen: een stap op weg (terug) naar grotere zelfredzaamheid. Een vrijwilliger van Super Sociaal: “Het is een beetje opgezet als leerschool: klanten krijgen een pasje met budget erop. Ze moeten er de hele maand mee doen. Als ze één keer in de week hier komen winkelen, moeten ze berekenen wat ze kunnen besteden. Ze moeten opletten. Ze leren zo weer met financiën omgaan.” Menig klant winkelt met een rekenmachine in de hand.

Voor veel klanten verloopt een bezoek aan de winkel nauwelijks anders dan een bezoek aan een reguliere supermarkt. Anderen hebben begeleiding nodig bij het winkelen. Vrijwilligers stemmen af op behoeften van de klanten. “Sommigen begeleiden we met boodschappen. Er zijn klanten die zover in de financiële problemen zitten, dat ze het overzicht niet meer hebben. Het hoofd loopt over. Zij komen met een enorme berg bij de kassa, terwijl ze 17,50 op hun pasje hebben staan. Dus ja, dat vergt wel begeleiding. Bij veel mensen wel. We lopen rond: pak eens dit of dat, houdt rekening met je budget etc.” Betrokkenen bij de andere initiatieven deelden vergelijkbare ervaringen. Ook het ondersteunen van klanten in het kiezen voor gezonde producten (en hoe die te bereiden) hoort erbij. Inzet op vergroten van de zelfredzaamheid vraagt om een andere bejegening van klanten door vrijwilligers. Mons: “Nu krijgen klanten een budget waar ze rechten aan kunnen ontlenen. Zij betalen voor hun boodschappen en houden de regie.” Grappend: “Het is eigenlijk helemaal niet leuk voor vrijwilligers. Voorheen kregen zij vooral dankjewel te horen. Nu krijgen zij mensen voor zich die de bonen te duur vinden. Of die willen dat er een kassa bijkomt.

Of die opmerken dat de olijfolie op is, gaat u daar wat aan veranderen.” De ervaring van vrijwilligers van de Sociale Kruidenier leert dat dat niet altijd eenvoudig is: “Regelmatig hebben mensen teveel in hun mandje en moet er iets terug. Dat gaat soms onder protest. Maar we moeten de regels strikt hanteren, anders gaan klanten met je op de loop.” Bij een andere bejegening hoort ook een luisterend oor. De Sociale Kruidenier heeft een grote tafel met koffie en thee op een prominente plek in de winkel. Ook bij de andere initiatieven is een vergelijkbare faciliteit, die overigens ook bij veel voedselbanken wel voorkomt. Er zijn echter indicaties dat vrijwilligers in de sociale supermarkten meer gelegenheid hebben om praatjes met klanten te maken, dat ook meer doen en dat klanten elkaar onderling meer spreken. Het vergt tijd om onderling vertrouwd te raken. Een vrijwilliger: “Ik heb hier meer contact met klanten dan bij de voedselbank, waar het laatste uur van een middag bestaat uit uitdelen van pakketten. (..) Langzaamaan komt er een vertrouwensband. Daardoor komen er meer verhalen. (..) In gesprek 26

Bevindingen

komen ook onderliggende problemen naar boven; daar kan je het dan over hebben. Er zitten veel lagen in het contact; je kunt het verder uitbouwen. Voor de klanten is dat fijn, maar ook voor de vrijwilliger is dat interessant, die groei, dat je mee kunt denken, dat je kunt praten.” Ervaringen zijn echter divers. Een klant: “Ze zijn heel aardig hier. Het is fijn om hier te komen. Het is een lekkere sfeer.” Een andere klant geeft aan wel eens met de bedrijfsleider te praten, maar over contact met andere klanten zegt zij: “Soms maak ik wel een praatje, maar meestal ben ik snel weer weg. Ik ben nooit in de koffiecorner. Ik kom altijd op een rustig tijdstip. Ik associeer me liever niet met veel van de klanten. Niet dat ik beter ben, maar zij zijn wel heel anders.” Gevoelens van schaamte zijn kennelijk ook klanten van de sociale supermarkten niet geheel vreemd. Soms staan taalproblemen het onderlinge contact in de weg. Bij de Sociale Kruidenier springt een vrijwilliger bij om te vertalen naar/vanuit het Arabisch.

Er is meer nodig voor zelfredzaamheid De betrokken managers zijn de eersten die aangeven dat het bieden van een winke l met passende bejegening van klanten niet voldoende is. Er is meer nodig om klanten te ondersteunen (financieel) zelfstandig en zelfredzaam te worden. Het gaat om hulpverlening en activering van klanten. Met het hanteren van een one size fits all benadering daarbij komt men bedrogen uit. Immers, dé klant bestaat niet. Eerder zagen we al dat er als gevolg van de financieel-economische crisis nieuwe groepen armen en dus ook klanten zijn. Maar diversiteit gaat verder dan dat. Mons: “Er zijn drie soorten klanten. Allereerst zijn er de vechters. Die komen er zelf wel. Die zien we graag. Dan zijn er de vluchters. Zij ontkennen dat ze in een situatie zitten waar ze uit zouden moeten. Daar kom je nauwelijks nog bij. En er zijn de bevriezers, die in hun stoel blijve n zitten en niets doen aan hun situatie. Het overkomt hen. Ze voelen zich machteloos. Dit is de grootste groep. Het is belangrijk hen te activeren, uit hun stoel te krijgen, te laten geloven in de eigen kracht, te leren zien dat ze wel meedoen.” Eerder zagen we al dat de huidige tijdgeest gevoelens van machteloosheid en ervaren gebrek aan perspectief van armen in de hand werkt. Het gaat om overleven in een wereld waar men geen deel van uitmaakt.

De stress die gepaard gaat met financiële problemen werkt verl ammend, zo blijkt ook uit onderzoek. Mons: “Vaak zijn arme mensen vooral gefocust op overleven. Het deel in de hersenen dat gaat over planning en ordening delft dan het onderspit. Ze hebben iemand nodig die zegt: ik kom je morgen halen en dan doen we dit en dat. Zodat er een inkomen geregeld wordt. Orde in hun leven aanbrengen. Het creatieve overleven omzetten in regelen. (..) Er wordt gedacht in bezwaren, niet in kansen en mogelijkheden. Ze moeten weer gaan meetellen.”

Verschillen in versterken van zelfredzaamheid: vrijblijvend of verplicht? Inzet op het vergroten van zelfredzaamheid is aldus voor een deel van de klanten meer dan ooit nodig, en tegelijkertijd complex gezien de maatschappelijke context en de grote diversiteit in klanten. De drie sociale supermarkten maken verschillende keuzen met betrekking tot hulpverlening en activering. A. Hulpverlening. Voedselloket Almere Het Voedselloket Almere stelt een hulpverleningstraject verplicht aan zijn klanten. Dit in tegenstelling in Helmond en Amsterdam, waar hulpverlening mogelijk is maar niet verplicht. Mons over de aanpak in Almere: “Niets voor niets. Als de klanten niet meewerken in een hulpverleningstraject, worden zij soms geweigerd. Want: er is óf een probleem, óf ze moeten in beweging komen door de stekker eruit te trekken.” De basis van het hulpverleningstraject is de koppeling van één hulpverlener aan een klant en de verantwoordelijkheid van die hulpverlener om het Voedselloket te voorzien van relevante (voortgangs-)informatie. De hulpverlener heeft er baat bij 27

de klant ‘in ruil voor’ hulp een voedselpas te kunnen bieden. Mons: “De kracht van onze werkwijze is dat wij een neutrale positie hebben. Wij verwijzen de klant altijd naar de hulpverlener. Wij communiceren over de klant via de hulpverlener. Wij kunnen de hulpverlener aanspreken om meer werk te maken van begeleiding. Maar omgekeerd gebeurt ook: hulpverleners die bij ons komen omdat ze de vinger niet achter een situatie krijgen. Dan gaan wij in gesprek.” Het Voedselloket werkt samen met ongeveer 340 hulpverleners van 105 instellingen. Het heeft de eigen verantwoordelijkheden in het hulpverleningstraject bij diverse mensen en afdelingen belegd. De cliëntadministratie houdt klantdossiers up to date, met onder andere gegevens van de hulpverlener of andere externen en besluiten die in de toetsingscommissie worden genomen (toelating, verlenging, specifieke omstandigheden). In het wekelijkse overleg van de toetsingscommissie, bestaande uit een lid van de directie, cliëntadministratie en perspectiefteam (voorheen intaketeam), alsook externen uit de hulpverlening, worden zo’n 150 dossiers per keer bekeken. Indien de hulpverlening om welke reden dan ook onvoldoende resultaat boekt, kan een lid van het perspectiefteam (een daartoe getrainde vrijwilliger) in actie komen. Mons: “Het perspectiefteam doet huisbezoeken.

De vrijwilliger kijkt of de cijfers kloppen en hoe de thuissituatie is (of er meer hulpverlening nodig is; hulpverleners kennen de thuissituatie niet) enzovoort.” Verder is er een interventieteam in ontwikkeling, in overleg met de gemeente. Mons: “Dit team van circa vijftien man kan naar klanten gestuurd worden, om de klant een aantal maanden bij de hand te nemen. Toeslagen en uitkeringen enzovoort regelen. De hulpverlener heeft daar geen tijd voor.” Dit lijkt vergelijkbaar met Schuldhulpmaatje. Het Voedselloket heeft de ambitie meer aan preventie te doen, mensen eerder in beeld te krijgen met hun verhaal, de negatieve spiraal te doorbreken. Daarmee zou zij zich richten op een groep die (nog) niet in aanmerking komt voor de voorzieningen van het loket. Anders dan de twee overige initiatieven heeft het Voedselloket zelf een cursus ontwikkeld voor klanten, in samenwerking met Movisie: ‘Orde in je leven’. Deze is verplicht voor klanten die langer dan elf maanden klant zijn en vrijwillig voor degenen die korter van de diensten gebruik maken of ex klant zijn. Verder zijn er op lokatie van de winkel voorzieningen als schuldhulpverlening en een pro deo advocaat. Daarmee vormt het Voedselloket meer dan de andere sociale supermarkten en dan voedselbanken een brede hulpverleningsinstelling in plaats van vooral door te verwijzen naar andere hulpverleners.

Super Sociaal Om inzicht te krijgen in de financiële situatie van de klant en om hem/haar te helpen (meer) grip te krijgen op de financiën, heeft Super Sociaal een klantspreekuur waar klanten verplicht zijn te verschijnen, gemiddeld drie tot vier keer gedurende de periode waarin zij klant zijn. Gezamenlijk wordt bekeken hoe de situatie van de klant kan worden verbeterd. Zo worden klanten actief doorverwezen naar een hulptraject en ondersteund bij gesprekken met schuldhulpverleners en bewindvoerders. Het klantenspreekuur is belegd bij de bedrijfsleider en een vrijwilliger. Voorheen was dat anders: tot enkele jaren geleden betaalde Super Sociaal voor deze, bij een hulpinstantie belegde dienstverlening. De ervaringen waren niet positief. Een vrijwilliger: “De hulpverlener wees vooral naar de eigen organisatie door. Zo kregen zij dubbel betaald. Wij zeiden: ‘Dat kunn en wij beter’. En dat is ook zo. (..) Een vrijwilliger is daar nu al vier jaar elke dinsdag voor aan het werk. Hij is economieleraar geweest. Het werkt heel goed. (..) Het voordeel is ook dat je de persoonlijke situatie van klanten nu kent. Dat maakt het contact anders, beter: daar kan je op inspelen. (..) We hebben nu meer klanten echt aan de onderkant van de maatschappij.”

28

Bevindingen

Sociale Kruidenier Bij de Sociale Kruidenier kan eenieder terecht die in aanmerking komt voor voedselhulp bij één van de vele voedselbanken die Amsterdam rijk is. Ze hanteert geen eigen intakeprocedure, evenmin monitort zij gaandeweg de inkomenssituatie van klanten. Om een indruk te krijgen van eventuele hulpverleningsvragen is ze dus afhankelijk van het contact met klanten in de winkel. De Sociale Kruidenier wijst dan actief door naar diverse instanties in de stad waarmee contact is. Verhave geeft verder aan: “Sommige klanten komen met goede tips voor verkrijgen van gratis kleding, spullen, maaltijden etc. We zorgen ervoor dat die actief worden doorgeflyerd.” Ook biedt de Sociale Kruidenier elke woensdag een financieel café, een inloopspreekuur waar mensen met vragen over hun financiën terecht kunnen. Verhave: “Het is laagdrempelig, maar desondanks wordt er niet veel gebruik van gemaakt. Ik zou het wel verplicht willen stellen: dat ze minstens één keer daar naartoe gaan. Dat zij weten dat er een dergelijke service is en dat ze zich realiseren wat de betekenis ervan voor hen is. Je mag iets terug verwachten. Dat is nog niet zo. Verplicht is een beetje een spookwoord.” Via de Sociale Kruidenier kunnen klanten de training ‘Op eigen kracht’ volgen, een initiatief van de bestaande Regenboog Groep. Verhave: “Deelnemers kunnen in ruil voor deelname extra tegoed krijgen op hun pasje.

Als ze maar beginnen, dachten wij. Gister kwam ik erachter dat trainers dat maar niks vinden.” En ook een vrijwilliger, zelf ook klant, is daar niet over te spreken: “Ik vind dat echt fout. Dan doen mensen het voor het winkeltegoed en leren ze niets. Het is nodig o m het verplicht te stellen. Vrij laten is geen optie: dan doet bijna niemand mee. Ik heb wel geprobeerd mensen aan te moedigen zich in te schrijven. Ik had een lijstje namen, maar uiteindelijk kwamen er maar een paar opdagen. En enkelen kwamen maar één of twee bijeenkomsten en erna niet meer. Mensen zijn moeilijk tot iets te bewegen.” B. Activering Zelfredzaamheid gaat niet alleen over het te boven komen van financiële problemen. Activering van klanten helpt hen te laten ervaren dat zij er weer toe doen, meetellen. Voor zover dat mogelijk is. Want, zo geeft onder andere een vrijwilliger van Super Sociaal aan: “Doorverwijzen naar vrijwilligerswerk en zo mogelijk zelfs naar betaald werk is niet bij iedereen even eenvoudig. Er zitten mensen tussen met meervoudige beperkingen, psychische en sociale problemen.” De drie sociale supermarkten verwijzen zoveel mogelijk door naar externe mogelijkheden voor activering, voor zover deze bestaan. Het gaat dan vooral om programma’s van maatschappelijke organisaties. Verhave: “In het gebouw van de Diaconie zitten allerlei sociale organisaties.

Dat werkt wel mee aan het creëren van een plek waar mensen meer te bieden is dan levensmiddelen. (..) Er zijn diverse projecten waar klanten actief kunnen worden.” Der Kinderen over de situatie in Helmond: “Klanten kunnen vrijwilligerswerk doen bij onze buren, bijvoorbeeld bij Humanitas’ ruilwinkel of de job factory. (..) We zijn niet voor niets buren.” Het ligt vrij voor de hand om klanten die daartoe in staat zijn, de mogelijkheid te bieden actief te worden in de eigen organisatie. Dat zou ook tegemoet komen aan de behoefte van een deel van de voedselbankklanten aan een balans tussen geven en nemen en wederkerigheid. De hand ophouden tast immers het zelfrespect aan (Van Doorn en Kromhout, 2013). Inzet in de eigen organisatie is in de praktijk echter geenszins vanzelfsprekend, zoals de drie initiatieven laten zien. Sociale Kruidenier Alleen bij de Sociale Kruidenier zijn sinds de start enkele klanten als vrijwilliger werkzaam. Een vrijwilliger van de Sociale Kruidenier, zelf ook klant, illustreert haar meerwaarde als vrijwilliger: “Het 29

was mooi hoe ik over de drempel werd getrokken om te komen als klant. Ik ken die valse schaamte en ik herken het ook bij anderen, bij onze klanten. Ik wi l ook graag klanten daar overheen helpen. Dat vind ik leuk, om hen tegemoet te komen, de hand te reiken. Ik ben daar capabel genoeg voor. Ervaringsdeskundige. Ik werd met open armen ontvangen.” Verhave daarover echter: “Ze zijn van goede wil, ze hebben affiniteit met de klanten en zij kunnen de dagbesteding goed gebruiken. Maar ze hebben vaak lichamelijke beperkingen. Een zware lading sjouwen zit er vaak niet in. Het kost me ook veel tijd en energie om aan bepaalde ontwikkelingen te werken. Ik moet veel tijd steken in begeleiding. Klantvriendelijkheid is belangrijk. Dat blijkt niet makkelijk. Ze vinden het een belangrijk project en willen graag iets terug doen. En gezien de doelstelling van de winkel past het om hun de ervaring te bieden. (..) Inzoomen op wat mensen wél kunnen, is een andere benadering, dat kan ook. Maar ik heb ook harde werkers nodig.” Deze ‘harde werkers’ komen vaak binnen via de vacaturebank in Amsterdam. Over hen zegt Verhave: “Maar zij hebben vaak minder snel een klik met de doelgroep. Juist daarom richten zij zich meer op werkzaamheden in de winkel. Soms is er ook geen goede klik met de andere vrijwilligers. Dat is lastig.” Eén van de vrijwilligers: “Er is nu een vacature voor een nieuwe vrijwilliger.

Deze bevat meer criteria dan voorheen en sluit op voorhand dus al veel mensen uit. Het gaat vooral om vaardigheden. Er staat bijvoorbeeld in dat je goed in een team moet kunnen werken. Ervaring leert dat het nodig is meer eisen te stellen.” Super Sociaal Een klant van Super Sociaal gaf eveneens aan zich als ervaringsdeskundige te willen inzetten, voor nieuwe klanten en voor verandering in Nederland in de beeldvorming van voedselbankklanten. Feuerriegel daarover: “Een nieuwe hype is ex-klanten laten opleiden tot ervaringsdeskundigen. Kennis en know-how van de voormalige klant kan in het voordeel werken, aangezien zij ervaring hebben. Dat is een nieuwe trend. Dat willen wij verder ontwikkelen.” Super Sociaal sluit echter uit dat bestaande klanten in de winkel als vrijwilliger aan de slag gaan. De ervaring van de vroegere voedselbank wordt daarvoor steevast als argument ingebracht. Der Kinderen, bedrijfsleider: “Dat ging mis. Er mag bij vrijwilligers geen dubbele agenda zijn. We willen de bedrijfsvoering zuiver houden. Je ziet dat als het misgaat bij voedselbanken, het te maken heeft met inzet van klanten als vrijwilligers. Ik wil het echt niet.” Inzet van klanten in andere dan de kernactiviteiten wordt wel als mogelijkheid gezien: “We willen in de winkel kookworkshops gaan geven. Ik zou het wel leuk vinden als klanten dit gaan doen.

Dat kan wel.” (..) Ervaringen zijn niet altijd positief. Der Kinderen: “In het verleden ben ik bezig geweest met een groentetuin, met de inzet van klanten. Maar daar was zo weinig animo voor. Ik was de enige die er aan het werk was met één klant van hier. Ik dacht dat iedereen dat wel leuk zou vinden, maar dat was dus niet zo. Daar ben ik mee gestopt.” Voedselloket Almere Ook in Almere is van structurele inzet van klanten geen sprake, om vergelijkbare redenen. Toch s taat het Voedselloket ervoor open te bekijken wat wél kan. Mons: “In Almere zijn er niet zoveel loketten. Er is wel een participatiefabriek, daar willen we veel mee gaan samenwerken. Maar verder is er eigenlijk alleen maar vrijwilligerswerk in de groenvoorziening. Eenzijdig dus.” Gedacht wordt aan inzet van (ex-)klanten wier financiële situatie verbeterd is bij onder andere de biologische voedseltuin en in het transport. Mons: “Het is razend belangrijk dat klanten, ondanks de verworven financiële zelfstandigheid, iets doen waarbij zij zich nuttig voelen en gewaardeerd worden.”

30

Bevindingen

Vergelijking van de initiatieven Kortom, er wordt op uiteenlopende manieren ingezet op vergroten van zelfredzaamheid van klanten. Ervaringen zijn wisselend, al doende wordt geëxperimenteerd en geleerd. Inzet op zelfredzaamheid krijgt (vooralsnog) vooral invulling in een al dan niet verplicht gesteld hulpverleningstraject en tips en mogelijkheden voor deelname aan activiteiten elders, vrijwilligers- of betaald werk. Hoewel wederkerigheid in de relatie een behoefte is van menigeen die is aangewezen op een maatschappelijke voorziening voor sociale voedselzekerheid, wordt het faciliteren van inzet in de eigen organisatie (vooralsnog) afgehouden, afgezien van enkele ideeën en ad hoc initiati even. Alleen de Sociale Kruidenier heeft enige ervaring, maar is daar niet erg positief over. Met name het Voedselloket Almere stelt hulpverlening verplicht. Het heeft de hulpverlening deels in eigen hand maar scheidt deze zo veel mogelijk van de winkelvoorziening: vrijwilligers in de winkel zijn niet degenen die de situatie van de klant ‘doorlichten’ en hem of haar wijzen op hulpverlening. Het vereist echter wel een tamelijk omvangrijke organisatie om alles in goede banen te leiden.

Een vrijwilliger over de aanpak in Helmond, waar de (financiële) situatie van de klant in de winkel bekend is: “Er is soms wel een spanning tussen mensen een luisterend oor bieden en mensen met de neus op de feiten drukken.” Overigens wordt er ook vanuit voedselbanken al enige tijd nagedacht over hoe naast het bieden van voedselhulp iets kan worden gedaan aan de onderliggende problemen van klanten: hoe klanten in hun kracht te zetten, te activeren, in contact te brengen met lotgenoten? Menig voedselbank verwijst door naar professionele hulpverleningsinstanties, al of niet onder het motto van ‘geen pakket zonder traject’. Er bestaan echter grote verschillen in de aard van deze contacten of samenwerking. Het is een grijs gebied (o.a Verslag symposium voedselbanken, 2014). Klanten van voedselbanken mogen er niet werken als vrijwilliger.

Uitstroomcijfers Uitstroomcijfers vormen een belangrijke graadmeter voor het succes van de supers. Echter, voor zover deze gegevens vindbaar zijn, is vergelijking ervan niet zomaar mogelijk. Uitstroom is immers nooit volledig toe te rekenen aan interventies van de initiatieven zelf. Veel andere factoren zijn erop van invloed. Zo hanteren de initiatieven verschillende normen en werkwijzen voor intake en monitoring gaandeweg. Daarnaast kan de armoedeproblematiek regionaal verschillen. Desondanks hieronder in het kort wat de drie initiatieven aangeven met betrekking tot de uitstroom van klanten. Het Voedselloket Almere, dat in 2015 1277 klanten had, is vrij uitgesproken positief over de eigen uitstroomcijfers. Gemiddeld zouden klanten na 6,7 maanden niet langer afhankelijk zijn van het Voedselloket. Slechts één op de tien klanten komt terug. Vaak is er dan een nieuw probleem, zoals (weer) baanverlies. Enkele vrijwilligers hebben echter de indruk dat deze resultaten een wel erg rooskleurig beeld geven van de werkelijkheid. Super Sociaal ondersteunde in 2015 511 klanten/huishoudens, ruim 1000 personen. Er stroomden dat jaar 207 klanten uit (instroom bedroeg 296). Volgens de voorzitter is er een harde kern van klanten die lang blijft, maar een grotere groep gaat er na verloop van tijd weer uit wegens verbetering in de financiële situatie.

Een vrijwilliger merkt op dat de doorstroom misschien nog iets beter zou kunnen, maar dat dat afhankelijk is van de doel groep en de economische situatie. De Sociale Kruidenier, gestart in het voorjaar 2016, kan nog geen uitspraak doen over resultaat en effect van de eigen werkwijze in termen van uitstroom.

31

Maatschappelijke context Het is van belang te benoemen dat het werken aan zelfredzaamheid bezien moet worden in de maatschappelijke context. Het bieden van een winkel, hulpverleningstraject en activeringsmogelijkheden is gericht op de individuele klant. Terwijl er ook een wereld te winnen is door verandering van de publieke opinie en door veranderingen in (armoede)beleid. Immers, (weer) zelfredzaam worden is een stuk moeilijker wanneer je weet dat je eigenlijk niet meetelt zolang je afhankelijk bent van een maatschappelijke voorziening voor sociale voedselzekerheid. Of je nou een voedselpakket ontvangt of boodschappen doet. Benodigde maatschappelijke verandering is echter niet zomaar realiteit. Zie ook paragraaf 3.1. Een klant van Super Sociaal kan over die rol van de omgeving meepraten: “Super Sociaal kan zich meer inzetten voor beeldvorming over voedselbanken en klanten. Het kan iedereen overkomen. Klanten zijn niet alleen maar asociale types. Super Sociaal kan naar scholen gaan, kinderen en ouders vertellen. En in de krant verhalen van klanten opnemen. Dat zou de drempel verlagen. En Super Sociaal meer geaccepteerd maken in de samenleving.” Ze heeft zelf ervaren hoe hoog de drempel kan zijn, zelfs bij een faciliteit als Super Sociaal: “Het duurde ongeveer een jaar voordat ik uiteindelijk ging. Ik schaamde me.

Dat was toch voor heel arme, asociale mensen die niets willen doen? (..) Ik heb nog steeds niemand verteld dat ik bij Super Sociaal boodschappen doe. (..) Het is wel een fijne plek hier. Goed omheind, niemand die je ziet. Ik kom met mijn fiets aan, dat valt niemand op.”

3.4.

Is aandacht voor voedselverspilling en -kwaliteit kind van de rekening bij sociale supermarkten?

Zowel voedselbanken als sociale supermarkten bieden levensmiddelen aan hen die daarin onvoldoende zelf kunnen voorzien. Sociale supermarkten zeggen ‘de klant centraal te stellen’ en zich, anders dan voedselbanken, niet te richten op het tegengaan van voedselverspilling. Hoe kijken sociale supermarkten dan aan tegen het probleem van voedselverspilling, voedselkwaliteit en hun rol in de voedselketen? En welke keuzes maken zij in hun aanbod van levensmiddelen?

Het bieden van een standaard basisassortiment De bezochte sociale supermarkten hebben als uitgangspunt de klanten een standaard basisassortiment in een winkel te bieden. Dat stelt de waardigheid van mensen centraal (niet afhankelijk van wat anderen overhouden), biedt keuzevrijheid en spreekt mensen aan op hun verantwoordelijkheid om met een beperkt budget voor hen juiste keuzes te maken. Het assortiment bestaat uit een aantal producten (food en non-food) dat de winkels de klanten garandeert. Bij het Voedselloket Almere gaat het om 140 producten, met name voedingsproducten. Het merendeel van deze producten verkrijgt het Voedselloket door donaties uit het bedrijfsleven en van particulieren tijdens supermarktacties. Het overige deel (voor ruim 90.000,- euro per jaar) koopt het Voedselloket in. Voor Super Sociaal geldt een andere verhouding: in aanvulling op schenkingen door het lokale en regionale bedrijfsleven en particulieren koopt het zeventig proce nt van de producten in, grotendeels bij lokale supermarkten. Feuerriegel daarover: “Supermarkten houden nu minder voedsel over dan voorheen, doordat zij beter inkopen. Voorheen ontvingen we meer giften.” Afgezien van incidentele donaties koopt de Sociale Kruidenier vrijwel het gehele assortiment in.

Omdat Amsterdam veel voedselbanken kent, die al een lange relatie met bedrijven in de voedselketen hebben, is het moeilijk voor de Sociale Kruidenier om levensmiddelen uit donaties te krijgen. Het assortiment is een aanvulling op het noodpakket van voedselbanken. Om die reden heeft de Sociale Kruidenier, meer 32

Bevindingen

dan Super Sociaal en het Voedselloket Almere, non-food producten zoals wasmiddelen, verzorgingsproducten en (andere) huishoudelijke artikelen. Voor elk van de drie sociale supermarkten geldt dat het standaard assortiment niet alle benodigde producten bevat. Klanten moeten ook bij reguliere supermarkten boodschappen doen. Het voordeel daarvan is dat klanten zo (meer) deelnemen aan het maatschappelijk leven, aldus betrokkenen. Men wil wel graag het assortiment uitbreiden: meer en andere producten en meer vers, om zodoende meer klanten te kunnen bedienen. De financiële ruimte daarvoor is beperkt, dus er wordt (vooral in Helmond en Almere) vooral ingezet op versterking en uitbreiding van het netwerk met bedrijfsleven en particulieren voor giften. Het belang van lokale geworteldheid is groot. Feuerriegel over Super Sociaal: “In het bestuur hebben we een voormalige slager. Hij heeft een gigantisch netwerk. Hij krijg t deuren open, financiële bijdragen los, levensmiddelen binnen. De verankering is heel belangrijk.” Er zijn bedrijven die structureel doneren en die incidenteel een gift verstrekken. Super Sociaal ontvangt ook voedsel dat bij de veiling is afgekeurd. Het uitzoeken is arbeidsintensief maar de moeite waard.

Een bottleneck voor de drie sociale supermarkten is dat zij door hun kleinschaligheid geen grote donaties kunnen aannemen, vooral niet wanneer het verse producten betreft. De Sociale Kruidenier en Super Sociaal kopen in bij de Albert Heijn, voor de gangbare winkelprijs. Om te besparen wordt goed gelet op aanbiedingen. Super Sociaal koopt daarnaast in op de markt, waar aan het einde van de dag verse groente en fruit voor gereduceerd tarief wordt aangeboden. Voedselloket Almere koopt in bij de Jumbo (droge kruidenierswaren) en bij de online supermarkt Telesuper (versproducten).

Andere mindset nodig Met voedselbanken in het achterhoofd geeft menig betrokkene van de winkels aan dat ruimte maken voor de klant een andere mindset vergt: we moeten af van de focus op voedselverspilling. Mons: “Wij kijken naar wat de klant wil. Een voorbeeld is de food community in Almere. Die denkt erg circulair. We doen er volop aan mee, het is prachtig. Zij hebben tomaten en vrage n vrijwilligers om er soep of puree van te maken. Maar of mensen zin hebben in soep is niet interessant. Ze moeten van de tomaten af. Er moet niets verspild worden. Het is een interessante clash. Klanten krijgen heerlijke soep, biologisch, verder wordt er niet gedacht.” Voedselverspilling wordt daarmee tegenover het belang (de keuzevrijheid) van de klant geplaatst. De winkels hebben bovendien zelf ook te maken met overschotten; zij zijn daarin niet anders dan reguliere winkels. Het hoort erbij. Mons: “Als alle klanten voldoende groenten hebben en ik met een restant blijf zitten, gaat mijn hart er niet van bloeden. (..) Je kunt soms iets anders bedenken voor restpartijen. Bijvoorbeeld van overgebleven groenten compost maken voor de biologische groentetuin die Almere heeft. Schenken aan dierenweiden is ook een optie etcetera. Zo kan je de verspilling wel wat tegengaan.” Daarentegen hebben de bezochte winkels wèl een positieve invloed op hoe klanten met producten omgaan.

Betrokkenen geven aan dat het zelf kiezen van en betalen voor producten (al dan niet met fictief geld) in het algemeen tot een groter besef bij klanten van de waarde van producten leidt dan wanneer producten gratis, als pakket worden verstrekt. Een bekend fenomeen is dat mensen geneigd zijn dat wat zij gratis krijgen, minder te waarderen dan waarvoor zij moeten betalen (of waar zij op andere wijze iets tegenover moeten stellen). Ongewenste producten uit het noodhulppakket van voedselbanken worden niet zelden alsnog weggegooid. Dit vormt een belangrijk pluspunt van winkels daar waar het verspilling betreft. De focus is daarbij niet op de productie en distributie (zoals bij voedselbanken) maar op consumptie van producten. En ook aan het eind van de voedselketen is verspilling al jarenlang enorm.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=3e007e0f-deca-43a8-9f0b-7a201f405255