Rapport Kerk in Actie Oikos voedselbanken - juli 2017
Tekst van het document
6 Dit dilemma wordt in een artikel van Duurzaamnieuws aardig uitgewerkt. Zie:
http://www.duurzaamnieuws.nl/de-disruptie-van-normaal-een-zachte-revolutie-door-social-commons/
49
En tot slot kan participatie van klanten (wanneer zij als ervaringsdeskundigen naar buiten treden) leiden tot verandering in de publieke beeldvorming over armoede en over voedselondersteuning aan armen, een doel dat de sociale supermarkten zichzelf stellen, maar waar zij nauwelijks aan toekomen.
4.4.
Individuele kracht en maatschappelijke macht De sociale supermarkten erkennen dat inzet op zelfredzaamheid voor het structureel bestrijden van armoede meer vergt dan een focus op de individuele klant. Movisie geeft in haar dossier ‘Wat werkt bij de aanpak van armoede?’ een viertal benodigde gebieden aan waarop inzet nodig is. Naast het versterken van psychologisch kapitaal van klanten is het nodig te werken aan vergroten van het sociaal kapitaal (steun uit de omgeving, sociale infrastructuur), het stimuleren van maatschappelijk kapitaal (belangengroepen, zelforganisaties) en het investeren in economisch kapitaal middels opleiding en werk. De term empowerment past in dit geheel (er is sprake van een herwaardering hiervan) en gaat kort gezegd niet alleen over (individuele) kracht, maar ook over (maatschappelijke) macht. Het (verder) zoeken naar verbindingen met initiatieven en organisaties die op andere gebieden werken, om gezamenlijk maatschappelijke macht van kwetsbaren te versterken, is voor sociale supermarkten relevant om succesvol te kunnen blijven en grotere impact te sorteren.
De genoemde energieke samenleving biedt (op buurt- en wijkniveau) kansen voor intensivering en uitbreiding van dergelijke verbindingen: er ontstaan initiatieven als buurtmoestuinen en ruilsystemen die een nieuwe sociale infrastructuur vormen die ook voor klanten van sociale supermarkten kansen bieden. De genoemde i nzet van klanten als ervaringsdeskundigen past hier ook in. Er zijn diverse andere verbindingen denkbaar. Dit refereert aan wat in paragraaf 4.1 werd genoemd als uitdaging voor de sociale supermarkten: het benutten van mogelijkheden die zich in de energieke samenleving voordoen voor verbinding, voor gedeeld ownership, voor vormen van participatie die leiden tot inclusie van kwetsbaren. Daarbij past het deze groepen van meet af aan daarbij te betrekken, ook bij sociale supermarkten.
Sociale supermarkten hebben ook een rol en verantwoordelijkheid als onderdeel van de voedselketen
Voedselbanken werden als gevolg van toenemende armoede steeds meer onderdeel van de armoedediscussie. Het tegengaan van voedselverspilling verdween als doelstelling naar de achtergrond, althans, in de publieke opinie. Voor voedselbanken is en blijft deze echter belangrijk: tegengaan van vernietiging van voor consumptie geschikt voedsel door deze te herbestemmen. Dat slechts 0,3% van verspild voedsel de voedselbanken bereikt (Soethoudt en Timmermans, 2013), bewijst echter dat dit een druppel op de gloeiende plaat is. Bovendien hebben voedselbanken belang bij het blijven bestaan van overschotten bij hun leveranciers, een paradox die maakt dat voedselbanken hun leveranciers en het publiek niet aanspreken op hun verantwoordelijkheid om meer te doen tegen verspilling. Toch moet dit belang niet overdreven worden. Omdat zoals gezegd slechts 0,3% van het verspilde voedsel de voedselbanken bereikt, heeft Van der Graaf van Voedselbanken Nederland gelijk als zij opmerkt: “Stel dat ze de overschotten met driekwart reduceren, dan blijft er nog meer dan voldoende voor ons over.” Desalniettemin is Voedselbanken Nederland een belangrijke schakel in de keten geworden: zij verzamelt en distribueert circa 70% van al het voedsel dat door voedselbanken wordt uitgedeeld. In januari bereikten de voedselbanken
50
Reflecties en conclusies
daarmee het landelijke nieuws, omdat een verruiming van het aanbod Voedselbanken Nederland had doen besluiten de inkomensnorm te verhogen om meer klanten te bedienen. De sociale supermarkten stellen zich de zelfredzaamheid van klanten tot doel. De winkels garanderen een basisassortiment aan klanten. Zij willen niet dat klanten afhankelijk zijn van wat anderen overhouden. Donaties door particulieren en bedrijven zijn dan ook ontoereikend, al zet men wel in op vergroting van het aandeel daarvan. De sociale supermarkten kopen een (groot) deel van de producten in. Volgens betrokkenen van de sociale supermarkten vergt ruimte maken voor de klant “een heel andere mindset: niet meer uitgaan van het tegengaan van voedselverspilling.” Met de voedselbanken in het achterhoofd wordt er een beeld geschetst waarbij een focus op de klant, op structurele armoedebestrijding niet samen kan gaan met een focus op het tegengaan van voedselverspilling. Er wordt gesproken over een clash. Voedselkwaliteit is bij zowel voedselbanken als de sociale supermarkten een belangrijk thema. Niet alleen vanwege de eisen van de VWA. De voorzieningen zetten in op vergroting van het aandeel versproducten, binnen de grenzen van het haalbare gezien de beperkte openingstijden. Sociale supermarkten ondersteunen klanten in het kiezen voor gezonde producten, door begeleiding in de winkel, met recepten en kookworkshops.
Recente certificering van voedselbanken met betrekking tot voedselkwaliteit heeft menig supermarktketen het vertrouwen gegeven dat voedselbanken ook (vers)producten verantwoord kunnen distribueren. Alles overziend vallen ons de volgende aspecten op wanneer we sociale supermarkten (en voedselbanken) bezien vanuit hun rol in de voedselketen:
Armoedebestrijding en voedselverspilling geïntegreerd benaderen Ten eerste de genoemde clash tussen aandacht voor de klant en voor het vraagstuk van voedselverspilling. Uitgaan van de waardigheid van de klant vraagt om een gegarandeerd assortiment in de winkel en dus om inkoop in plaats van wegwerken van overschotten, aldus de sociale supers. Spreken van een clash lijkt echter vooral voort te komen uit een zich willen onderscheiden van de aanpak van voedselbanken. Het verschil moet niet overdreven worden. In de praktijk dragen beide vormen, beperkt, bij aan het tegengaan van voedselverspilling. Aan de ene kant legitimeren beide typen voorzieningen in zekere zin voedselverspilling door gebruik te maken van de overschotten. Aan de andere kant zorgt met name de winkelformule van de sociale supermarkten, het feit dat klanten eigen keuzes moeten maken binnen een beperkt budget en vaak een eigen bijdrage moeten leveren, ervoor dat klanten bewuster met levensmiddelen omgaan. Dat draagt vermoedelijk bij aan vermindering van verspilling aan de kant van de klant/consument. Het geven van kookadviezen, recepten e.d. heeft eenzelfde effect. Verder ontstaan bij sommige voedselbanken tussenvormen van voedselbank en winkelformule, vanuit de drijfveer de schaamte bij klanten te verminderen.
Kijken we naar de Sociale Kruidenier in Antwerpen, dan is er op dit punt een opvallend verschil met de bezochte supers in Nederland. De Sociale Kruidenier neemt niet rechtstreeks gratis producten aan van supermarkten of particulieren. Zij ontvangt wel gratis producten via een organisatie die overschotten verzamelt bij bedrijven en deze verdeelt onder sociale organisaties. Deze organisatie maakt deel uit van een beweging die zich, in het kader van de strijd tegen armoede, verzet tegen voedselverspilling (CPC, 2016). Zo combineren zij dus indirect wel beide doelstellingen. Daar is wel iets voor te zeggen. Immers, zij zijn beide uitingen van een sociaal -economisch systeem dat niet duurzaam is, noch in sociaal-economisch opzicht (uitsluiting van bepaalde groepen mensen), noch in ecologisch opzicht (uitputting van grondstoffen, massaproductie, 51
grote afstand tot de eindgebruiker, verspilling etc). Richten we ons op een beweging naar een meer duurzame, eerlijke en leefbare samenleving, dan zijn beide (armoedebestrijding en voedselverspilling) onlosmakelijk met elkaar verbonden en vragen zij om een geïntegreerde aanpak. Dat gezegd hebbende, is er niet direct een heldere rol en taak voor sociale supermarkten. Maar een eerste stap kan zijn de visie en aanpak in Anwerpen verder te onderzoeken en na te gaan of er ook in Nederland vergelijkbare initiatieven zijn.
52
Verandering van de voedselketen Ten tweede: de aandacht voor voedselkwaliteit in termen van verantwoorde productie die niet ten koste gaat van gezondheid en milieu. De sociale supermarkten besteden aandacht aan het vergroten van het aandeel versproducten en ondersteunen klanten in een keuze voor en bereiding van gezonde producten. Biologische producten worden door sociale supermarkten niet of nauwelijks ingekocht. Alleen het Voedselloket Almere verbouwt biologische groenten en fruit in de eigen voedseltuin. Beperkte financiële middelen zijn bepalend voor de keuze van goedkope levensmiddelen, zowel door de sociale supermarkten als door hun klanten. Van werkelijke keuzevrijheid is zo geen sprake, omdat klanten volledig blijven aangewezen op de goedkopere/goedkoopste producten. Dat is een maatschappelijk probleem (armen zijn aangewezen op goedkope levensmiddelen) en de sociale supermarkten zien voor zichzelf geen rol in het aan de kaak stellen en/of veranderen hiervan. Dat is begrijpelijk, maar ook jammer. Het gaat hier wederom om de verbinding tussen het armoedevraagstuk en de wijze waarop de voedselketen is ingericht en functioneert. Met een streven naar een groeiend aantal sociale supermarkten, is het vanuit het oogpunt van duurzaamheid belangrijk na te gaan of en zij hun assortiment kunnen verduurzamen.
Met extra financiële middelen kunnen zij (meer) biologische producten kopen en/of kunnen klanten een ruimer tegoed krijgen om deze producten te kopen. Sociale supermarkten kunnen echter ook bekijken of en hoe zij bij kunnen dragen aan het verduurzamen van de voedselketen. Ze zijn immers onderdeel van deze keten. Het werkelijk verduurzamen van de keten vraagt om een andere organisatie. Het gaat daarbij onder andere om meer regionale productie en consumptie van voedsel. Dat verkleint de rol van distributeurs, verlaagt vervoerskosten en gaat milieubelasting tegen. En het biedt meer ruimte voor kwaliteit. Sociale supermarkten kunnen (wellicht bij een groei in hun aantal) gezamenlijk bekijken hoe zij zich willen positioneren in de voedselketen. Zijn er verbindingen te leggen met initiatieven die productie en consumptie dichter bij elkaar brengen? Zoals de in opkomst zijnde (regionale) voedselcollectieven en –coöperaties. Naast het verkrijgen van verantwoord voedsel is er wellicht zelfs een samenwerking mogelijk in het kader van activering van (ex)klanten, bijvoorbeeld door hen in te zetten in de verbouw en toelevering van verantwoord/duurzaam/biologisch (vers) voedsel. Het is een voorbeeld van hoe sociale supermarkten kunnen streven naar een inbedding in een lokale economie, voor zover het gaat om initiatieven van (ecologische) duurzaamheid en circulaire economie.
Overigens ligt hier ook een verantwoordelijkheid voor de gangbare bedrijven in de voedselketen en alle consumenten. Naarmate het aanbod aan en de verkoop van biologische of anderszins duurzame producten toenemen, zullen ook de overschotten daarvan in omvang toenemen en hun weg vinden naar voedselbanken en sociale supermarkten. De hele voedselketen, inclusief de gewone consument, kan zo een bijdrage leveren aan het vergroten van het aanbod aan biologische en duurzame producten aan mensen die in armoede leven, paradoxaal gezien juist door zelf meer van die producten in het standaardpakket op te nemen.
Reflecties en conclusies
Het is geen overbodige luxe om aan te geven dat bovenstaande, ondanks het belang, momenteel wel veel gevraagd is voor sociale supermarkten, vanwege de beperkte capaciteit en reeds hoge belasting.
4.5.
Kerkelijke betrokkenheid van belang; ook als aanjager, aanklager en bruggenbouwer
Kerk in Actie beoogt met het onderzoek, als onderdeel van een breder project, aanknopingspunten te vinden voor het ondersteunen van plaatselijke kerkelijke groepen in hun betrokkenheid bij voedselbanken en andere initiatieven voor sociale voedselzekerheid. De keuze voor de drie bezochte sociale supermarkten was gebaseerd op de veronderstelde (actieve) betrokkenheid van plaatselijke kerken. Daarvan blijkt in de praktijk niet bij alle drie sprake. Voedselloket Almere Bij de start van het Voedselloket Almere in 2007 waren enkele kerken betrokken. Zij constateerden dat een groeiende groep mensen niet meer rond kwam. Het Samenwerkingsverband Maatschappelijk Relevante Kerken Almere (circa vijftien kerkverbanden) stond aan de wieg van de ombouw naar een sociale supermarkt. Mons, destijds diaken en “goed met cijfers en fiscaliteit” werd trekker. Het Voedselloket onderhoudt intensieve contacten met diverse kerkelijke gemeenten. De SMRK Almere werkt momenteel aan een verdere verbinding van kerkelijke initiatieven om (zodoende) een grotere groep mensen te kunnen bereiken, met meer aandacht voor preventie. Betrokken managers van het Voedselloket geven aan dat het aandeel vrijwilligers uit de traditionele, vergrijsde kerken is afgenomen. Bij supermarktacties zijn wel vrijwilligers uit deze kerken actief, maar bijdragen zijn overwegend financieel.
De menskracht komt vooral uit de jonge kerken, zoals de evangelische gemeenten. Zo gaat de evangelische Serve the City één keer per jaar flink aan de slag door supermarktacties te bemensen. Mons schat in dat ruim drie kwart van de vrijwilligers di e op de locaties van het Voedselloket werkzaam zijn, geen binding heeft met het geloof. Sociale Kruidenier De Sociale Kruidenier is een initiatief van de Diaconie en wordt voor een groot deel door de Diaconie gefinancierd. De Sociale Kruidenier wil investeren in de relatie met lokale kerken. In Amsterdam ondersteunen kerken, al dan niet via de gezamenlijke Steunstichting Voedselbanken, reeds de vele voedselbanken in Amsterdam, via collectes en andere bijdragen. Ten tijde van dit onderzoek heeft de Sociale Kruidenier contact met de steunstichting. Super Sociaal Bij de oprichting van de voedselbank in Helmond was een diaken van een parochie in Stiphout betrokken. Door zijn bestuursfunctie bleef de parochie actief betrokken, maar sinds zijn pensionering bestaat de steun van de kerk uit incidentele giften. Verder zijn er geen contacten met kerken. Voedselbanken Een substantieel deel van de voedselbanken in Nederland is opgericht op initiatief en/of met actieve betrokkenheid van plaatselijke kerken. Kerken ondersteunen voedselbanken met vrijwilligers en financiële bijdragen en met het beschikbaar stellen van ruimte.
Financiële bijdragen voor het dekken
53
van operationele kosten zijn evenwel beperkt. Voedselbanken Nederland ontvangt geen bijdragen van kerken. De organisatie gaf aan wel graag het gesprek met Kerk in Actie aan te gaan.
Diaconale inzet Uit onderzoek van de Federatie van Diaconieën en Kerk in Actie (2015) blijkt dat de maatschappelijke inzet door kerken is toegenomen, ondanks de ontkerkelijking. Het diaconale werk wordt volgens diaconieën vooral beïnvloed door de gevolgen van de economische crisis en door de terugtredende overheid, die de participatiesamenleving propageert. Armoede krijgt prioriteit in het werk van diaconieën. Uit het ‘Armoede in Nederland’ rapport dat Kerk in Actie in 2016 uitgaf (De Bie, 2016), blijkt het aantal mensen in financiële nood dat bij kerken aanklopt met een kwart te zijn gestegen in drie jaar tijd. Diaconieën verwachten voor de komende jaren overwegend een verdere groei in hun inzet. De grenzen van wat kerken aankunnen zijn in zicht. Diaconieën zeggen vooral de rol van helper te willen vervullen in de uitvoering van hun diaconale taak. Daarna volgen die van bruggenbouwer en aanjager en het minst van toepassing op de inzet vinden zij de rol van aanklager. De rol van helper is hun het meest vertrouwd. Geen overbodige luxe in een geïndividualiseerde samenleving waar ieder geacht wordt zoveel mogelijk zichzelf te kunnen redden. De rol van helper zal menigeen ook het meeste aanspreken. Immers, een ander een helpende hand toesteken is een menselijke drang.
Het verlenen van concrete hulp, het le nigen van (financiële) nood kan bevredigend zijn en geeft invulling aan waarden als medemenselijkheid en barmhartigheid. Zo steekt menigeen de handen uit de mouwen bij een voedselbank, door voedselpakketten te vullen, bij supermarkten winkelend publiek te stimuleren levensmiddelen voor de voedselbank in te kopen of door klanten een luisterend oor te bieden. Overigens kan de rol van helper n og wel wat gedifferentieerd worden. Helpen in de vorm van het verstrekken van voedsel verandert structureel niets aan de situatie van de klant. Uiteraard verbetert het zijn of haar leven, maar dat is van tijdelijke aard en bestendigt hem of haar als het ware in de positie van hulpbehoevendheid. Hulp kan echter ook meer activerend worden ingevuld, in die zin dat de hulp ervoor zorgt dat de klant uit de verlamming komt: doordat er weer toegang is tot bijstand of zelfs betaald werk, doordat het netwerk wordt vergroot, doordat de psychische kracht en praktische vaardigheden van de klant worden vergroot en in het algemeen doordat de klant weer een positief perspectief krijgt op verbetering van zijn situatie. Dat is een benadering die óók past bij de diaconale rol van helper.
Ook aanklager, aanjager en bruggenbouwer Bij de rollen van bruggenbouwer, aanjager en aanklager gaat het om andere, voor velen minder vertrouwde activiteiten. Deze vereisen bepaalde kennis en vaardigheden, niet zelden ervaring en netwerk. De huidige maatschappelijke context, die gepaard gaat met een grote claim op diaconieën, vraagt echter en juist óók om het in praktijk brengen van deze minder vertrouwde rollen. Niet alleen op plaatselijk niveau. Landelijke organen als Kerk in Actie kunnen hier een rol van betekenis spelen en hebben dat in zekere zin altijd al gedaan, uitgaande van ervaringen op plaatselijk niveau. Met betrekking tot voedselbanken nemen kerken alle lange tijd de rol van aanklager op zich. De Verklaring ‘Meer dan voedsel alleen’ uit 2006, waarin diverse kerken hun visie op armoede, voedselbanken en de rol van kerken formuleerden, was een aanklacht tegen een tekortschietende overheid. Voedselbanken zouden niet mogen bestaan, maar kerken voelden zich genoodzaakt deze te ondersteunen. Schoorvoetend. Deze rol van aanklager blijft belangrijk. Juist in een tijd waarin de overheid zich verder terugtrekt en burgers steeds meer aanspreekt op de zelf - en samenredzaamheid. Daar waar de overheid het laat afweten, kunnen kerken knelpunten signaleren,
54
Reflecties en conclusies
situaties waarin mensen tussen wal en schip raken. Kerken zijn als geen ander in staat deze signalen op te pikken en publiekelijk aan de kaak te stellen. In de energieke samenleving die in ontwikkeling is, zullen burgers steeds meer met elkaar, al dan niet samen met gevestigde organisaties, benodigde collectieve voorzieningen organiseren. Ook voor het bestrijden van armoede. Vanuit een inzet op participatie van burgers zal de overheid steeds meer volgend zijn: pas als de zelf- en samenredzaamheid niet toereikend zijn, komt de overheid om de hoek kijken. De initiatieven in dit rapport beschreven zijn voorbeelden van initiatieven in die energieke samenleving. Voedselbanken zijn evengoed voorbeelden van particulier initiatief, maar zij zijn niet gestart vanuit de doelstelling te werken aan structurele armoedevermindering en zijn daarvoor (vooralsnog) niet toegerust. Kerk in Actie kan in deze ontwikkeling een rol van betekenis spelen. Als aanjager. Bijvoorbeeld door de verdere ontwikkeling van sociale supermarkten of vergelijkbare voorzieningen te ondersteunen. Met hulp bij een verdere doordenking en verbetering van het concept, een groei in het aantal initiatieven, het vinden financiering van de exploitatie. Niet minder belangrijk is de functie die kerken, met hun grote landelijke dekking èn lokale geworteldheid, kunnen spelen aangaande het bouwen van bruggen.
Naar degenen op wie de initiatieven zich richten, de armen. Armen weten immers de deur van de kerk in het algemeen goed te bereiken. Maar ook naar (gemeentelijke) instanties en initiatieven die in wijken, buurten en gemeenten actief zijn (denk ook aan de samenwerkende kerken in gemeenten en regio’s en hun contacten). En tot slot kan Kerk in Actie een rol van betekenis spelen in beïnvloeding van de publieke opinie aangaande armoede, armen en sociale voedselzekerheidsvoorzieningen. Dit alles in samenwerking met sociale supermarkten, het Netwerk Sociale Supers, (mogelijk) andere, vergelijkbare initiatieven en partijen die deze initiatieven een warm hart toedragen en willen financieren of anderszins steunen.
55
Hoofdstuk 5 Aanbevelingen Op basis van het voorgaande en de uitkomsten van een expert meeting die over een concept versie van dit rapport heeft plaatsgevonden7 formuleren we hieronder enkele aanbevelingen.
5.1.
Aanbevelingen m.b.t. voedselbanken en sociale supermarkten
1. Vermijd de indruk van concurrentie en wederzijdse kritiek. Erken dat in de huidige maatschappelijke situatie er vooralsnog behoefte blijft aan, zo niet een noodzaak is voor: a. zowel voedsel(nood)hulp voor een brede groep burgers die zonder die hulp (nog meer) onder het bestaansminimum leven, als gerichte inzet om hun individuele zelfredzaamheid te vergroten / herstellen (individuele kracht) én (politieke) actie om hun gezamenlijke maatschappelijke macht te vergroten en structurele veranderingen te bereiken in het sociaal-economisch beleid zodat niemand meer onder het bestaansminimum hoeft te leven en afhankelijk hoeft te zijn van noodhulp; b. zowel prikkeling, activering en ondersteuning van mensen om ( weer) de regie over het eigen leven te krijgen, als solidariteit met hen omdat zij het zonder hulp moeilijk redden; dat laatste geldt zeker ook voor hen voor wie zelfs een begin maken met vergroten van of herstel van zelfredzaamheid vooralsnog geen haalbare zaak is; c. zowel een winkelformule die het vergroten van de zelfredzaamheid van klanten ondersteunt als een ‘pakketten-uitdeel-formule’ als uiterste vangnet voor diegenen die met een winkelformule niet overweg kunnen.
In zowel het model van de voedselbanken als het model van de sociale supermarkten wordt aan deze verschillende kanten aandacht besteed, zij het op bepaalde punten soms sporadisch en tastenderwijs en wel met duidelijk verschillende accenten. Overigens wordt tot nu toe zowel door voedselbanken als door sociale supermarkten een flink deel van de doelgroep nog niet bereikt en is er dus ruimte voor uitbreiding en wellicht nog andere formules. Omdat beide modellen serieuze sterke én zwakke kanten, kansen én risico’s hebben, is het vooralsnog een open vraag waar vernieuwingen zoals die van het ontwikkelen van een winkelformule beter vormgegeven kunnen worden: vanuit bestaande voedselbanken, binnen nieuwe organisatievormen zoals sociale supermarkten, binnen beide of vanuit nog andere constructies zoals de samenwerking met bestaande supermarkten. 2.
Zoek daarom en op basis daarvan meer het overleg, de samenwerking en de uitwisseling van leerervaringen, met name gericht op het vinden van een houdbaar organisatie - en financieringsmodel voor een winkelformule (en/of eventueel een andere formule die het vergroten / herstellen van de zelfredzaamheid van klanten centraal stelt), die een zekere ruimte biedt voor actieve participatie van klanten in het initiatief of stimuleert dat klanten naast het initiatief een waardevolle actieve rol krijgen (wederkerigheid, betaald of onbetaald) en die mogelijkheden geeft om invulling te geven aan de medeverantwoordelijkheid voor een duurzame voedselketen. Het financieringsmodel kan gebaseerd zijn op een combinatie van ondersteuning door gemeenten en door andere organisaties, crowdfunding, eigen inkomsten uit verkoop, vermindering van de kosten (meer inzetten op voedselgiften, inkoop bij producenten en 7 Deze bijeenkomst onder de titel ‘Sociale supermarkten: een voorbeeld voor (diaconale betrokkenheid bij)
voedselbanken en vergelijkbare initiatieven’ vond plaats op 29 juni 2017 in het landelijk Dienstencentrum van de Protestantse Kerk in Nederland, te Utrecht. Een verslag kan worden gevonden op de website van Stichting Oikos www.stichtingoikos.nl en van Kerk in Actie www.kerkinactie.nl.
56
Aanbevelingen
toeleveranciers i.p.v. supermarkten e.d.), verbreden van de doelgroep (‘een supermarkt voor iedereen’) en samenwerking met / een loket in reguliere supermarkten. Denk qua vormgeving ook aan de ‘SRV-formule’ en samenwerking met andere basisvoorzieningen, zoals huisartsposten, en met sociale wij(k)teams. 3. Denk na over vormen van stimuleren tot zelfredzaamheid die niet feitelijk afbreuk doen aan het streven naar zelfredzaamheid en gelijkwaardigheid, zoals dat ten dele aan de orde is bij het verplicht stellen van deelname aan hulpverleningsactiviteiten. Een dergelijke discussie is er ook rond het idee van een basisinkomen, wat het raadzaam maakt om daarmee verband te leggen. Kijk ook naar de ervaringen bij de schuldhulpverlening (Schuldhulpmaatje, het ‘Zweedse model’ e.d.). 4. Treed meer gezamenlijk op in het aanspreken van de overheid – lokaal en/of landelijk - op haar verantwoordelijkheid voor het garanderen van een bestaansminimum voor iedereen en het structureel vermijden van armoede. Die garantie kán in het kader van het idee van de participatiesamenleving deels gegeven worden via initiatieven als voedselbanken en sociale supermarkten, mits de overheid zich garant stelt voor het bestaan en de toegankelijkheid van dergelijke initiatieven in voldoende mate.
Dit hoeft niet te betekenen dat de overheid garant staat voor het voortbestaan van elke individuele voedselbank dan wel sociale supermarkt, aangezien aan hen ook een eigen verantwoordelijkheid toegekend zou kunnen worden om te zorgen voor een houdbare ‘bedrijfsvoering’. 5. Meet systematisch zowel het effect van de voedselbanken en de sociale supermarkten in termen van de terugkeer naar zelfredzaamheid als het maatschappelijk rendement in termen van vermeden kosten door hun bestaan en inzet (kosten van andere vormen van sociale zekerheid, gezondheidskosten e.d.).
5.2.
Aanbevelingen m.b.t. kerken en Kerk in Actie
1. Erken het vooralsnog blijvende maatschappelijke belang van zowel voedselbanken als sociale supermarkten als spelers in armoedebestrijding, die zowel noodhulp omvat als het vergroten / herstel van individuele zelfredzaamheid, het versterken van de gezamenlijke maatschappelijke positie van armen en beleidsmaatregelen ter preventie van armoede. Een toegevoegde waarde van dergelijke concepten t.o.v. de professionele hulpverlening is het directe contact dat ontstaat tussen de doelgroep en mensen van buiten de doelgroep, die als vrijwilliger hierbij optreden. 2. Erken het grote belang van diaconale betrokkenheid bij dergelijke initiatieven in de vorm van ondersteuning met vrijwilligers, beschikbaar stellen van ruimte, bieden van financiën, ondersteuning van lobby richting de overheid en communicatie naar het brede publiek. Maak daarop beleid, dat zou kunnen aansluiten bij het beleid rond schuldhulpverlening (Schuldhulpmaatje). 3. Stimuleer en ondersteun vanuit het belang van structurele armoedebestrijding het verder ontwikkelen van nieuwe concepten zoals die zich voordoen in en rond sociale supermarkten en voedselbanken. Die stimulans en ondersteuning kunnen bijvoorbeeld de vorm aannemen van: a.
het (mee)organiseren van doorgaand overleg tussen (vertegenwoordigers van) voedselbanken en sociale supermarkten, aangevuld met onderzoekers en (andere) ervaringsdeskundigen op het terrein van armoedebestrijding; b. het actief meedenken over (alternatieve) mogelijkheden van groei, financiering, participatie van klanten e.d.; daarbij valt zeker ook te denken aan het verstrekken van een debetkaart voor goedkoper of gratis winkelen in reguliere supermarkten, het daarin integreren van een sociale supermarktformule of het opzetten van supermarkten zonder
57
winstoogmerk waarin zowel ‘gewone’ consumenten als armen kunnen winkelen, de laatste tegen lagere prijzen (sociaal ondernemerschap); c. ondersteuning van hun lobby bij overheden, vooral waar het gaat om gemeenschappelijke contextfactoren die, soms lokaal, soms landelijk, deels in gezamenlijkheid aangepakt zouden kunnen – en misschien moeten – worden; de aanpak van schuldhulpverlening en schuldpreventie (minder verleiding tot ongelimiteerde aankopen, geen afterpay e.d.) zijn daarbij cruciale aspecten; denk hierbij bijvoorbeeld aan de campagne Schuldvrij! van de Correspondent (https://decorrespondent.nl/7082/help-mee-maak-jouw-gemeenteschuldvrij/2348089287258-557a27e4); d. ondersteuning van de communicatie naar het brede publiek, t.b.v. verandering van de publieke opinie m.b.t. de voorzieningen en hun doelgroepen, het vergroten van de steun voor dergelijke voorzieningen en het vinden van politiek/maatschappelijk draagvlak voor structurele armoedebestrijding; e. het organiseren van discussie onder diakenen en diaconale groepen en verbanden over deze initiatieven, ervaringen ermee, noodzaak en mogelijkheden van vernieuwing ervan, hun betrokkenheid erbij, de redenen ervoor e.d. De jaarlijkse Landelijke Diaconale Dag biedt daarvoor een mogelijkheid, zij het niet de enige. 4.
Stimuleer en ondersteun vanuit het belang van integrale structurele duurzame ontwikkeling dat voedselbanken en sociale supermarkten een actieve, kritische rol op zich nemen in het streven naar een duurzame voedselketen en de beschikbaarheid van verantwoorde duurzame voeding ook voor klanten van deze initiatieven. Die stimulans en ondersteuning zouden in eerste instantie de vorm kunnen aannemen van actief meedenken over de mogelijkheden daartoe. 5. Initieer verder onderzoek onder met name voedselbanken naar ervaringen met het eigen functioneren en naar de wijze waarop en de mate waarin zij werken aan vernieuwing, als aanvulling op de gedane verkenning onder sociale supermarkten, of stimuleer anderen om dit onderzoek te doen. 6. Initieer nader onderzoek naar ervaringen met voedselbanken en sociale supermarkten vanuit het perspectief van de klanten ervan. Dit zou bijvoorbeeld gedaan kunnen worden in de vorm van een participatory video project. Daarmee wordt een directe bijdrage geleverd aan het vormgeven aan wederkerigheid en activering van deze klanten en aan het hervinden van zelfvertrouwen en zelfwaardering.
58
Literatuur
Literatuur Bie, P. (2016). Armoede in Nederland 2016. Onderzoek naar hulpverlening door diaconieën, parochiële caritasinstellingen en andere kerkelijke organisaties in Nederland. Onderzoeksrapport. Utrecht: Knooppunt Kerken en Armoede CBS (2015). Armoede en sociale uitsluiting. Den Haag CPC (2016). Haalbaarheidsonderzoek sociale supermarkt: gespreksnotitie. Den Haag: Community Partnership Consultants Doorn, L. van, en Kromhout, M. (2013). Voedselbanken: een onmisbare schakel in het lokale armoedebeleid. https://www.socialevraagstukken.nl/voedselbanken-een-onmisbare-schakel-in-hetlokale-armoedebeleid/ (14 juli 2017) Federatie van Diaconieën / Kerk in Actie (2015). Dienen, Delen, Doen. Onderzoek naar de maatschappelijke inzet van de diaconieën van de Protestantse Kerk in Nederland. Zeist / Utrecht Hajer, M. (2011). De energieke samenleving Op zoek naar een sturingsfilosofie voor een schone economie. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving Hoogland, H., en Berg, J. (2016). Ervaringen van schaamte en psychologische lijden door voedselbankklanten, Journal of Social Intervention: Theory and Practice – 2016 – Volume 25, Issue 1, p. 71 - 89 Janssen, R., De Jong, J, Van Nistelrooij, R. (2008). Armoe de baas!? Het perspectief van voedselbanken. Utrecht: Sociale Alliantie en Stichting CliP. Kerk in Actie en Werkgroep Arme Kant van Nederland/ EVA (2006).
Meer dan voedsel alleen: Verklaring. Utrecht Mullainathan, S., en Shafir, E. (2013). Schaarste. Hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen. Amsterdam: Maven Publishing b.v. SCP (2016). De toekomst tegemoet. Leren, werken, zorgen, samenleven en consumeren in het Nederland van later. Sociaal en Cultureel Rapport 2016. Den Haag SCP en CBS (2014). Armoedesignalement 2014. Den Haag/Heerlen Soethoudt, H. en Timmermans, T. (2013) - Monitor voedselverspilling Mid-term rapportage. Wageningen: Wageningen UR Food & Biobased Research. Verschuren, P. (2015). Genadebrood: De onstuitbare opmars van de voedselbank (2e druk). Groningen: Uitgeverij Passage. Verslag Symposium 'Voedselbanken en hun relaties ontmoeten en inspireren elkaar' (2014). http://docplayer.nl/18766959-Symposiumverslag-17-oktober-2014-voedselbanken-ontmoeten-eninspireren-elkaar.html (18 juli 2017)
59