CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Kerk in Actie Oikos voedselbanken - juli 2017

Debat 6 maart 2023, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Achtergrondinformatie31.290 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Sociale supermarkten als change agent? Een verkenning

Judith Grootscholten en Christiaan Hogenhuis

Sociale supermarkten als change agent? – Een verkenning

Judith Grootscholten en Christiaan Hogenhuis Oikos en Kerk in Actie Utrecht, juli 2017

Inhoud Samenvatting ................................................................................................................................ 3 Hoofdstuk 1 Doelstelling en methoden van onderzoek .................................................................... 9 Context ................................................................................................................................. 9 Doelstelling............................................................................................................................ 9 Onderzoeksmethoden ...........................................................................................................10 Hoofdstuk 2

Beschrijving van de drie bezochte sociale supermarkten .............................................12

Organisatie ...........................................................................................................................12 Winkelconcept......................................................................................................................13 Klantpopulatie ......................................................................................................................14 Hoofdstuk 3 Bevindingen ............................................................................................................15 3.1.

Sociale supermarkten: geen vernieuwing binnen, maar variant op voedselbanken?............15

Doelstellingen .......................................................................................................................15 Werkwijze ............................................................................................................................16 Maatschappelijke rol .............................................................................................................18 Onderscheid en nuancering ...................................................................................................19 3.2.

Sociale supermarkten in een verander(en)de tijdgeest .....................................................20

Voedselbanken: een stukje geschiedenis.................................................................................20 Volstaat voedselhulp voor hen die niet meetellen? Alternatieven .............................................22 De energieke samenleving .....................................................................................................22 Lokale politiek: (particuliere) initiatieven ondersteunen ...........................................................23 3.3.

Realiseren de sociale supermarkten wat ze beogen? ........................................................24

Grenzen aan het bereik… .......................................................................................................24 .. en drempels voor deelname................................................................................................24 Kracht van het winkelconcept ................................................................................................26 Er is meer nodig voor zelfredzaamheid ...................................................................................27 Verschillen in versterken van zelfredzaamheid: vrijblijvend of verplicht? ...................................27 Vergelijking van de initiatieven ...............................................................................................31 Uitstroomcijfers ....................................................................................................................31 Maatschappelijke context ......................................................................................................32 3.4.

Is aandacht voor voedselverspilling en -kwaliteit kind van de rekening bij sociale supermarkten?......................................................................................................................32 Het bieden van een standaard basisassortiment ......................................................................32 Andere mindset nodig ...........................................................................................................33 Tegengaan van voedselverspilling: het succes van voedselbanken?...........................................34 1

Voedselkwaliteit....................................................................................................................35 3.5.

Winkelconcept: potentie voor opschaling ........................................................................36

Nog geen explosie .................................................................................................................36 Voedselbanken Nederland: professionalisering .......................................................................39 Hoofdstuk 4 Reflectie en conclusies ..............................................................................................40 4.1. Een model zoals dat van sociale supermarkten past beter in een verander(en)de tijdgeest. Die biedt naast kansen ook risico’s..........................................................................................40 Armoede, participatiesamenleving en energieke samenleving ..................................................40 Doorgaande trend.................................................................................................................41 Risico’s .................................................................................................................................42 4.2.

Mooi concept, maar continuïteit van complexe en dure organisaties onder druk................43

Winkelconcept......................................................................................................................43 Complex en duur...................................................................................................................44 Verbeteren continuïteit .........................................................................................................44 4.3.

Vooralsnog positieve, maar beperkte resultaten ..............................................................46

Bereik en capaciteit ...............................................................................................................46 Drempels..............................................................................................................................47 Zelfredzaamheid: naast winkel inzet op hulpverlening en activering..........................................47 4.4. Sociale supermarkten hebben ook een rol en verantwoordelijkheid als onderdeel van de voedselketen ........................................................................................................................50 4.5.

Kerkelijke betrokkenheid van belang; ook als aanjager, aanklager en bruggenbouwer ........53

Diaconale inzet .....................................................................................................................54 Ook aanklager, aanjager en bruggenbouwer ...........................................................................54 Hoofdstuk 5 Aanbevelingen .......................................................................................................56 5.1.

Aanbevelingen m.b.t. voedselbanken en sociale supermarkten .........................................56

5.2.

Aanbevelingen m.b.t. kerken en Kerk in Actie ..................................................................57

Literatuur ....................................................................................................................................59

2

Samenvatting

Samenvatting Sociale supermarkten: geen vernieuwing binnen, maar variant op, alternatief voor en - vooralsnog – aanvulling op voedselbanken Voedselbanken voorzien armen van gratis beschikbaar gesteld voedsel en voorkomen zodoende vernietiging van voor consumptie geschikt voedsel. Voor publiek en politiek is deze particulier georganiseerde voedselhulp een min of meer geaccepteerd verschijnsel. De vraag wordt echter luider of de klassieke werkwijze van de voedselbanken, het uitdelen van voedselpakketten, nog langer volstaat. Een grote groep armen voelt zich in de door de overheid gepromote participatiesamenleving buitengesloten. Participatie, met name in betaald werk, is in dit beeld de norm en armoede is een probleem dat de arme (deels) aan zichzelf te wijten heeft. Een groeiende groep ziet daardoor geen enkel perspectief en voelt zich verlamd. Het hulpkarakter van de klassieke voedselbanken en de schaamte die menig voedselbankklant ervaart, versterken deze ervaringen. Sociale supermarkten met hun winkelmodel zoals onderzocht in deze verkenning hebben op deze punten andere effecten, samenhangend met andere karakteristieken. Zij onderscheiden zich van de klassieke voedselbanken in doel, werkwijze en (potentiële) rol.

Gezien het op enkele punten fundamentele karakter van de verschillen zijn ze niet te zien als vernieuwing binnen, maar eerder als variant op de klassieke voedselbanken. Dit hangt samen met een andere ontstaansgeschiedenis. Bezien vanuit het belang van structurele duurzame armoedebestrijding zijn ze vanwege die verschillen bovendien niet zomaar aanvulling op, maar alternatief voor de klassieke voedselbanken. Dat alles neemt niet weg dat zolang armoede een feit is er behoefte zal blijven aan zoiets als de voedselbank. Bovendien wordt er ook binnen enkele bestaande voedselbanken gewerkt aan een winkelmodel, dat echter op belangrijke punten afwijkt van dat van de sociale supermarkten. Bovendien stuiten de bestaande voorbeelden van sociale supermarkten vooralsnog op een aantal belemmeringen en risico’s. Daarmee is het nog een open vraag waar deze ontwikkelingen zullen uitkomen en zijn onderlinge uitwisseling en gezamenlijk leren van groot belang. Doel: van noodhulp naar zelfredzaamheid en structurele verandering De drie bezochte sociale supermarkten, gestart met de Helmondse Super Sociaal in 2007, gevol gd door Voedselloket Almere (winkelconcept sinds 2012) en Sociale Kruidenier in Amsterdam (2016), zetten primair in op het versterken van de zelfredzaamheid van mensen die in de marge terecht zijn gekomen en zijn aangewezen op voedselhulp.

Zij bieden keuzevrijheid in een winkel, dragen daarmee bij aan de zelfwaardering en zelfstandigheid van klanten en zetten actief in op activering van klanten tot eigen vrijwillige of betaalde werkzaamheden, op hulpverlening die dit ondersteunt (gericht op vooral herstel van de financiële zelfredzaamheid) en (wanneer zij voldoende capaciteit zouden hebben) op beïnvloeding van armoedebeleid en publieke opinie. Eigentijdse rol met potentie, risico’s en belemmeringen De sociale supermarkten nemen met hun inzet op zelfredzaamheid een andere rol in lokale armoedebestrijding dan de klassieke voedselbanken, wetende dat bestaande instituties ontoereikend zijn om de fors toegenomen (langdurige) armoede structureel het hoofd te bieden. Daarmee sluiten zij tot op zekere hoogte aan bij het idee van de participatiesamenleving. Tegelijkertijd zijn zij – zoals overigens ook de voedselbanken - een vorm van kritiek daarop. Immers, zij tonen met hun bestaan en het gegeven dat ze in een behoefte lijken te voorzien aan dat het grote 3

beroep op zelfredzaamheid in een participatiesamenleving voor bepaalde mensen in bepaalde situaties niet terecht is of in ieder geval niet werkt. Waar de voedselbanken zich erop richten dat er altijd een groep mensen in de samenleving zal zijn die niet zelfredzaam is en dus (nood)hulp nodig heeft, kiezen de sociale supermarkten ervoor zich actief in te zetten voor vergroten of herstel van zelfredzaamheid, ervan uitgaande dat de op enig moment niet-zelfredzamen activering en ondersteuning nodig hebben om (weer) zelfredzaam te worden en dat dit op zijn minst bij een deel van hen ook kan lukken. Bovendien kiezen zij er daarom in principe voor een actieve rol te spelen in beïnvloeding van de publieke opinie en de politieke besluitvorming gericht op preventie en structurele vermindering van de armoede, zij het dat zij daarvoor in de praktijk nog onvoldoende capaciteit hebben.1 Daarnaast zijn de sociale supermarkten – overigens net als de voedselbanken - een voorbeeld van burgerinitiatief en laten zij het beeld zien dat past bij de zogenaamde ‘energieke samenleving’. Zij staan in verbinding met en worden gedragen door een groot aantal partijen in de lokale samenleving.

Deze trend, waarin diverse vormen van collectieve solidariteit tot ontwikkeling komen, in een samenleving waar de overheid veel verwacht van de zelf- en samenredzaamheid van burgers, zal de komende decennia verder doorzetten. Het is dan ook te verwachten dat de aandacht voor met name (concepten zoals die van de) sociale supermarkten, met hun inzet op zelfredzaamheid van armen, verder zal toenemen. Deze trends, de decentralisatie bij de overheid en de vele buurt- en gemeente-initiatieven die opkomen, bieden kansen voor uitbreiding van het aantal en voor verdere verbinding en vergroting van draagvlak c.q. ownership, reikwijdte en resultaat van sociale supermarkten. Voorbeelden zijn verbindingen met wijkteams en met buurtinitiatieven als gemeentelijke voedseltuinen. Tegelijkertijd zijn er echter risico’s. Armen kunnen geen rechten ontlenen aan particuliere voorzieningen. Het is belangrijk de overheid te blijven aanspreken op haar verantwoordelijkheid voor sociale (voedsel)zekerheid. Daarnaast biedt de ‘energieke participatiesamenleving’ kansen voor inclusie van armen, maar evengoed risico op uitsluiting, wanneer het vooral anderen zijn die de voorzieningen initiëren en beheren. Het is daarom aan te bevelen dat (burger)initiatieven als sociale supermarkten meer gestalte geven aan participatie van klanten - in welke vorm dan ook.

Een snelle groei van het aantal sociale supermarkten blijft vooralsnog uit en dat lijkt ook met de supers zelf te maken te hebben. Zij vragen om relatief hoge investeringen en kennen grote financiële risico’s. Vooralsnog zijn zij grotendeels afhankelijk van subsidies; verdienmodellen zijn geb rekkig. Gemeentelijke ondersteuning moet steeds opnieuw worden bevochten. Organisatorische uitdagingen stellen hoge eisen aan managers en vergen een andere houding van vrijwilligers. De winkels zijn met hun betaalde managers en inkoop van levensmiddelen bovendien niet zo ‘aaibaar’ als voedselbanken en het (vooralsnog) geringe aantal maakt het moeilijk voor de supers om zich te profileren. Of bestaande voedselbanken en masse overgaan naar een winkelconcept en of dat nodig en wenselijk is, is dan ook nog een open vraag. Er ontstaan bovendien ook tussenvormen van beide concepten, waarbij men aan de ene kant nog steeds gratis voedsel(pakketten) op basis van donaties en voedseloverschotten uitdeelt en uitsluitend werkt met vrijwilligers, maar aan de andere kant e en

1 We wijzen er op dat aan het begrip participatiesamenleving twee kanten zitten, die tot op zekere hoogte met

elkaar in strijd zijn. Aan de ene kant verwacht de overheid in verband met de gewenste participatiesamenleving van burgers dat zij zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun leven, inkomen e.d., ook als zij onverhoopt in de problemen komen (zelfredzaamheid). Aan de andere kant doet de overheid met het begrip participatiesamenleving ook een beroep op de vrijwillige inzet van burgers voor diegenen van hun medeburgers die in de knel zijn gekomen (samenredzaamheid). In discussies over de participatiesamenleving lopen deze twee kanten nogal eens door elkaar. Duidelijk is ook dat beide kanten hun begrenzing hebben.

4

Samenvatting

winkelachtige formule introduceert waarmee men meer oog toont voor de waardigheid van klanten. Voor een groei in het aantal van en draagvlak voor sociale supermarkten, wat ook het Netwerk Sociale Supers beoogt, is het raadzaam hun maatschappelijk rendement beter voor het voetlicht te brengen. Werkwijze: winkelconcept, hulpverlening en activering Het winkelconcept van de sociale supermarkten bestaat eruit dat klanten boodschappen doen. Zij kiezen zelf producten en rekenen af bij een kassa. Ze betalen me t een pasje waarop maandelijks een fictief bedrag wordt bijgeschreven, waarvan de hoogte al dan niet afhankelijk is van gezinssamenstelling en/of inkomen. Bij twee van de drie bezochte supers betalen klanten een (al dan niet inkomensafhankelijke) contante eigen bijdrage. De winkels bieden een standaard basisassortiment; klanten zijn zodoende niet afhankelijk van wat anderen overhouden. Onderzoek ondersteunt het belang van het ‘eigen keuze concept’ van de winkels: het geeft een gevoel van regie en vertrouwen in de eigen kracht en daarmee zou het een belangrijke voorwaarde zijn om tot persoonlijke ontwikkeling te komen. Het winkelconcept houdt een andere bejegening van klanten in en vraagt daar ook om, een die uitgaat van de waardigheid en eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden van klanten. Klanten worden waar nodig begeleid in het winkelen.

De winkel beoogt zodoende bij te dragen aan het versterken van de zelfredzaamheid van klanten. Naast het bieden van een winkel zetten de drie sociale supermarkten voor zelfredzaamheid in op hulpverlening aan en activering van klanten. Klanten worden daarvoor vooral verwezen naar andere, professionele instanties. In Helmond en Amsterdam is een aantal voorzieningen voor activering op hetzelfde terrein c.q. in hetzelfde gebouw gevestigd. Daarnaast bieden de supers onder andere trainingen en workshops, is er met enige regelmaat een spreekuur in de winkel met een jurist of (financieel) hulpverlener en worden tips (voor goedkope of gratis voorzieningen) gedeeld en verspreid. De winkels hebben – overigens net als menig voedselbank - een koffietafel en vrijwilligers knopen praatjes aan met klanten. De sociale supermarkten maken verschillende keuzen in het al dan niet verplicht stellen van hulpverlening aan klanten. De praktijk leert dat een substantieel deel van de klanten niet (meer) zelf in actie komt wanneer zij daartoe wordt uitgenodigd. Verplichting lijkt noodzakelijk om mensen in beweging te krijgen en de inzet op zelfredzaamheid een kans van slagen te geven. De vraag is e chter of het verantwoord en (uiteindelijk) wel echt efficiënt is om aan klanten een tegenprestatie te vragen voor gebruikmaking van de winkelvoorziening.

Er zijn diverse (ethische) bezwaren denkbaar, die we ook terugzien in de discussie rond basisinkomen. Het scheiden van de winkelvoorziening en de hulpverlening, zoals her en der gepraktiseerd (in locatie, betrokken vrijwilligers, procedures en communicatie) kan mogelijk al helpen: de winkel blijft zo een ‘neutrale’ voorziening voor de klant. Ook lijkt het van belang de regie zoveel als mogelijk bij de klant te houden, het ‘communiceren over’ zoveel mogelijk te vermijden en het ‘communiceren met’ alle ruimte te geven. Dilemma: participatie en wederkerigheid versus efficiëntie Opvallend is dat de drie sociale supermarkten in het kader van activering weinig mogelijkheden aan klanten bieden om actief te worden in de eigen voorziening en daarmee vorm te geven aan een zekere, door menig klant gewenste, wederkerigheid. Super Sociaal is pertinent tegen, het Voedsel loket Almere staat ervoor open en de Sociale Kruidenier heeft na enige ervaring met klanten die een vrijwilligersfunctie vervullen, oprechte twijfels erbij. Hier toont zich een dilemma: dat tussen het streven naar een efficiënte, financieel en organisatorisch houdbare bedrijfsvoering en het zo trouw mogelijk blijven aan de oorspronkelijke, inhoudelijke doelstelling van het vergroten van de zelfredzaamheid en (gelijk)waardigheid. Het loont de moeite te onderzoeken onder welke 5

voorwaarden participatie van klanten wel succesvol kan zijn. De Antwerpse Sociale Kruidenier stimuleert klanten te participeren als vrijwilliger. Het kan blijkbaar wel. Er zijn bovendien andere vormen van klantparticipatie mogelijk. Een klant kan lid zijn van een klantenpanel of een rol van ambassadeur of (genoemd door de supers) ervaringsdeskundige vervullen. Wanneer goed ingezet, stimuleren deze vormen niet alleen de zelfredzaamheid van klanten, maar leveren zij ook waarde volle bijdragen aan de voorziening zelf, ondersteunen zij andere (potentiële) klanten en kunnen zij bijdragen aan verandering van de publieke beeldvorming over armen en voedselondersteuning. Resultaat, bereik en capaciteit Het is moeilijk te zeggen in hoeverre de sociale supermarkten erin slagen van klanten als zelfre dzame burgers afscheid te nemen. Uitstroomcijfers zijn moeilijk te vinden of onderling te vergelijken. Het Voedselloket Almere is positief over de eigen uitstroom. De Sociale Kruidenier heeft daar in haar korte bestaan nog weinig zicht op. Duidelijk is dat de supers, evenals voedselbanken, bij lange na niet alle mensen bereiken die in aanmerking komen voor de diensten. Vooral het budget stelt grenzen aan het bereik. Verder vormt de afstand tot de voorziening voor menigeen een drempel. Mogelijk geldt dit ook voor het winkelen an sich en/of de gevraagde eigen bijdrage.

De hiervoor beschreven dilemma’s in de werkwijze van sociale supermarkten zullen eveneens van invloed zijn op hun resultaat. De sociale supermarkten beseffen goed dat voor het bestrijden van armoede een inzet op vergroten van de zelfredzaamheid van individuele klanten niet volstaat. Er is meer nodig. Het gaat niet alleen om versterken van de individuele kracht, maar ook om de gezamenlijke macht en maatschappelijke positie van armen. Dat vraagt onder andere om verbinding van armen met hun omgeving, zelforganisatie van armen en investeren in opleiding en werk. Dat gaat de huidige capaciteit van sociale supermarkten te boven. Zelfs van de gewenste inzet op verandering in denken en handelen rond armoede en voedselondersteuning komt in de praktijk (vooralsnog) weinig terecht. Sociale supermarkten kunnen meer dan tot nu toe zoeken naar verbindingen met initiatieven en organisaties die het vergroten van sociaal en maatschappelijk kapitaal van armen beogen. Uiteindelijk draagt dat ook bij aan blijvend succes en vergroting van impact van de supermarkten. Voedselverspilling en voedselkwaliteit kind van de rekening? Uitgaan van de waardigheid van klanten en een focus op zijn/haar zelfredzaamheid vergt een andere mindset dan die van de klassieke voedselbanken, aldus sociale supermarkten.

Het vraagt om een gegarandeerd assortiment in de winkel en dus om inkoop in plaats van het wegwerken van overschotten. Het centraal stellen van de klant gaat volgens de supers niet samen met tegengaan van voedselverspilling. Er wordt gesproken over een clash. Dat deze woordkeus sociale supermarkten helpt zich te onderscheiden van voedselbanken, neemt niet weg dat beide voorzieningen in de praktijk in beperkte mate bijdragen aan het tegengaan van voedselverspilling. Beide maken in meer of mindere mate gebruik van overschotten en legitimeren daardoor als het ware ongewild tot op zekere hoogte het bestaan van voedselverspilling. Tegelijk draagt de winkelformule van sociale supermarkten ertoe bij dat klanten bewuster omgaan met levensmiddelen, wat vermoedelijk tot vermindering van verspilling aan de kant van de klant/consument leidt. Verder is er van een tweedeling in de praktijk niet echt sprake, gezien de ontstane tussenvormen tussen voedselpakket en winkelconcept. Richten we ons op de beweging naar een meer duurzame, eerlijke en leefbare samenleving, dan zijn armoedebestrijding en voedselverspilling onlosmakelijk met elkaar verbonden en vragen zij om een geïntegreerde aanpak. Immers, zij zijn beide uitingen van een sociaal-economisch systeem dat niet duurzaam is, noch in sociaal-economisch opzicht, noch in ecologisch opzicht. Het is raadzaam te 6

Samenvatting

onderzoeken welke rol sociale supermarkten (en andere voorzieningen voor sociale voedselzekerheid) in een dergelijke benadering kunnen spelen en welke aanpak daarbij hoort. Met een streven naar een groeiend aantal sociale supermarkten is het vanuit het oogpunt van duurzaamheid belangrijk om na te gaan of en hoe zij hun assortiment kunnen verduurzamen. Met extra financiële middelen kunnen zij (meer) biologische producten kopen en/of kunnen klanten een ruimer tegoed krijgen om deze producten te kopen. Bijdragen aan verduurzaming van de (regionale/ lokale) voedselketen is een andere insteek. Mogelijk kunnen sociale supermarkten verbindingen leggen met initiatieven in de lokale economie die productie en consumptie van voedsel dichter bij elkaar brengen. Zoals de in opkomst zijnde (regionale) voedselcollectieven en –coöperaties. Dat gezegd hebbende: gezien de reeds hoge belasting van sociale supermarkten is aandacht voor de rol die zij (kunnen) spelen in de voedselketen wel veel gevraagd. Kerkelijke betrokkenheid Een substantieel deel van de voedselbanken in Nederland is opgericht op initiatief en/ of met actieve betrokkenheid van plaatselijke kerken. Kerken ondersteunen voedselbanken met vrijwilligers, financiële bijdragen en met beschikbaar stellen van ruimte. De maatschappelijke inzet door kerken, ook op het gebied van armoede, is de laatste jaren toegenomen.

Diaconieën zeggen vooral de rol van helper te willen vervullen in de uitvoering van hun diaconale taak. De huidige maatschappelijke context, die gepaard gaat met een grote claim op diaconieën, vraagt echter en juist óók om het in praktijk brengen van de rollen van bruggenbouwer, aanjager en aanklager. Niet alleen op plaatselijk niveau. Landelijke organen als Kerk in Actie kunnen hier een belangrijke rol vervullen en hebben dat in zekere zin altijd gedaan. Ook met betrekking tot voedselhulp aan armen. Helpen hoeft bovendien niet alleen het keer op keer lenigen van nood in te houden, maar kan ook een meer activerende invulling krijgen door mensen op weg naar uitstroom uit de armoedesituatie te helpen. Juist in een tijd waarin de overheid zich verder terugtrekt en burgers steeds meer aanspreekt op de zelf- en samenredzaamheid, kunnen kerken knelpunten signaleren, situaties waarin mensen tussen wal en schip raken. Kerken zijn als geen ander in staat deze belangeloos publiekelijk aan de kaak te stellen. Tegelijkertijd kunnen plaatselijke kerken en ook Kerk in Actie een aanjagende en verbindende rol spelen voor initiatieven in de energieke samenleving zoals sociale supermarkten en (vernieuwende) voedselbanken. Bijvoorbeeld door de verdere ontwikkeling van deze innovaties te ondersteunen.

Met hulp bij een verdere doordenking en verbetering van het concept, een groei in het aantal initiatieven, het vinden van financiering van de exploitatie. Niet minder belangrijk is het bouwen van bruggen. Naar degenen op wie de initiatieven zich richten, de armen. Armen weten immers de deur van de kerk in het algemeen goed te bereiken. Maar ook naar (gemeentelijke) instanties en initiatieven die in wijken, buurten en gemeenten actief zijn (denk ook aan de samenwerkende kerken in gemeenten en regio’s en hun contacten). En tot slot kan Kerk in Actie een rol van betekenis spelen in beïnvloeding van de publieke opinie aangaande armoede, armen en sociale voedselzekerheidsvoorzieningen. Dit alles in samenwerking met sociale supermarkten, het Netwerk Sociale Supers, voedselbanken en Voedselbanken Nederland en partijen die deze een warm hart toedragen en willen financieren of anderszins steunen.

7

8

Doelstelling en methoden van onderzoek

Hoofdstuk 1 Doelstelling en methoden van onderzoek Context In de afgelopen jaren heeft het werk dat Oikos in samenwerking met Kerk in Actie heeft uitgevoerd zich onder andere gericht op ondersteuning van de positionering van Kerk in Actie rond de Millenniumdoelen en de overgang naar de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (of Mondiale Doe len). De nieuwe Duurzame Ontwikkelingsdoelen vragen om meer samenhang in het (ontwikkelings)werk in een integrale benadering in Zuid én Noord, een meer structurele aanpak en wederkerigheid in partnerschap. Dat houdt onder andere een sterkere verbinding in tussen armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling, zowel in Nederland als in het Zuiden. Kerk in Actie richt zich volgens het Jaarplan 2016 op: Geloven tegen de verdrukking in, Geloven in de kracht van lokale (geloofs)gemeenschappen, Migratie, vluchtelingen en mensenhandel, Kinderen in de knel. Daarbij worden onder Geloven in de kracht van lokale gemeenschappen als thema’s genoemd: participatiesamenleving, armoede, duurzaam leven, vluchtelingen en zorg. Op het terrein van armoedebestrijding hebben de voedselbanken in Nederland inmiddels een erkende en belangrijke rol.

Daar waar velen bij het ontstaan van voedselbanken nog vol afgrijzen de ontwikkeling gadesloegen, zijn voedselbanken nu een min of meer vertrouwd en geaccepteerd instrument om kwetsbaren in de samenleving te ondersteunen in het voorzien in hun meest basale behoefte, namelijk voeding. En om een luisterend oor te bieden. Het aantal voedselbanken is sinds het ontstaan in 2002 fors gestegen. Het aantal cliënten dat afhankelijk is van voedselhulp en de hoeveelheid voedsel die voedselbanken te verdelen hebben, zijn navenant gestegen. Deze trend laat ons de keerzijde zien van hoe we de samenleving in de afgelopen decennia hebben vormgegeven. Op lokaal vlak is een groot aantal vrijwilligers en ambtsdragers van de PKN bij voedselbanken betrokken. Voor Kerk in Actie landelijk zijn de voedselbanken echter nog geen speerpunt. Onderhavig onderzoek is onderdeel van een project dat verkent of en zo ja hoe daarin verandering zou kunnen of moeten komen. Bovenstaande positionering rond de Duurzame Ontwikkelingsdoelen vormt daarbij het kader.

Doelstelling Met het onderzoek beogen Kerk in Actie en Oikos te verkennen wat de stand van zaken is rond voorzieningen in Nederland voor ‘sociale voedselzekerheid2 ’ en welke bijdrage zij (kunnen) leveren aan de realisatie van de duurzame ontwikkelingsdoelen. Oftewel, welke rol deze voorzieningen (kunnen) spelen in een beweging naar een meer duurzame, eerlijke en leefbare samenleving. Bij deze rol gaat het in het onderzoek met name om de vraag of en hoe deze voorzieningen (kunnen) bijdragen aan structurele armoedebestrijding in termen van het versterken van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke positie van hen die afhankelijk zijn van een sociale voorziening voor voedselzekerheid en het structureel verminderen van armoede in Nederland (sociale dimensie van

2 We trekken hier doelbewust twee concepten samen: sociale zekerheid en voedselzekerheid. Daarmee

drukken we uit dat voorzieningen als voedselbanken en nieuwe concepten die daarna ast ontstaan de facto een rol hebben in het voorzien in basisbehoeften zoals voedsel van een deel van de samenleving dat ondersteuning nodig heeft, wat een element van sociale zekerheid is. Tegelijk drukken we hiermee uit dat dit uiteindelijk een collectieve, maatschappelijke verantwoordelijkheid is, waarvoor we gezamenlijk de overheid als instrument hebben aangewezen.

9

duurzaamheid). Daarnaast gaat het om de rol die zij (kunnen) hebben in de voedselketen ten behoeve van een duurzame productie en consumptie van voedsel (ecologische dimensie van duurzaamheid). De aandacht in het onderzoek gaat met name uit naar initiatieven die voor ‘sociale voedselzekerheid’ een winkelmodel hanteren. De reden daarvan is dat dit een tamelijk nieuwe, nog weinig onderzochte ontwikkeling is. Het vermoeden is dat deze initiatieven, in doelstelling en wijze waarop zij klanten met levensmiddelen ondersteunen, beter in staat zijn om bij te dragen aan duurzame ontwikkeling zoals hierboven omschreven. Het onderzoek verkent in hoeverre dit vermoeden juist is. Daarbij concentreert het onderzoek zich op een aantal voorbeelden van sociale supermarkten die naast de voedselbanken zijn ontstaan, omdat zich daar de vernieuwing het meest pregnant en vergaand lijkt voor te doen. Benadrukt moet worden dat het in deze beperkte verkenning niet gaat om het verzamelen van objectieve kwantitatieve data, maar om het in kaart brengen van (uiteenlopende) visies, standpunten en ervaringen rond deze thematiek.

Verder moet worden benadrukt dat het in het hier niet gaat om een oppositie tussen, laat staan beoordeling van feitelijk bestaande organisaties – de bestaande voedselbanken, Voedselbanken Nederland, de reeds bestaande sociale supermarkten en het Netwerk Sociale Supers – maar om een verkenning van de ervaringen met een specifiek vernieuwend concept, om daarvan te leren met het oog op verdere ontwikkelingen in de sector. Dat concept is dat van het winkelmodel voor de ondersteuning van de voedselbehoefte van mensen die in de knel zijn gekomen. Dat wordt echter wel verkend aan de hand van feitelijke ervaringen ermee tot nu toe. Dat concept of model doet zich al enige tijd scherp afgetekend voor in een aantal voorbeelden van sociale supermarkten (in Nederland en Vlaanderen). Dat is de reden geweest om de aandacht daarop te concentreren. Daarbij is gekeken naar de sterktes en zwaktes ervan, kansen, belemmeringen en risico's, de lokale inbedding en het belang daarvan (geen one size fits all) en de rol en positie in de ruimere maatschappelijke context. Inmiddels is duidelijk dat er ook door een enkele voedselbank met een winkelmodel wordt gewerkt, zij het binnen andere randvoorwaarden en met iets andere karakteristieken. Ook ontstaan er verschillende tussenvormen.

Daarom wordt in dit rapport ook het perspectief van de ‘reguliere’ voedselbanken betrokken, met name via hun landelijk orgaan. Bovendien zullen de conclusies uit het verkennende onderzoek input zijn voor een ‘innovatie-atelier’(een vorm van expert meeting), dat deskundigen bij voedselbanken en andere initiatieven voor ‘sociale voedselzekerheid’ zal samenbrengen rond de vraag hoe (particuliere) initiatieven voor ‘sociale voedselzekerheid’ – in de vorm van sociale supermarkten of (vernieuwde) voedselbanken - een rol van betekenis kunnen spelen in de beweging naar een meer duurzame, eerlijke en leefbare samenleving. Hoe zien deze initiatieven er uit? Wat is ervoor nodig om deze te realiseren? Welke rol zou Kerk in Actie daarin kunnen of moeten spelen? Van dit innovatie-atelier wordt apart verslag gedaan. Mogelijk dat onderzoek en expert meeting aanleiding geven voor een verkenning naar mogelijkheden voor het initiëren en/of ondersteunen van één of meerdere pilot(s) in lijn met de koers die Kerk in Actie (mede) op basis van verkregen inzichten uitzet.

Onderzoeksmethoden Voor verkennend onderzoek met beschreven doelstelling zijn interviews een geschikte methode. Op basis van literatuurstudie over met name de ervaringen met voedselbanken en enkele oriënterende gesprekken is een interviewleidraad opgesteld voor interviews bij een drietal initiatieven die voor het verstrekken van levensmiddelen aan armen een winkelmodel hante ren. Tevens is een interviewleidraad ontwikkeld voor een interview bij Voedselbanken Nederland. Gekozen is voor halfopen interviews, waarbij de leidraad (slechts) garandeerde dat relevant geachte onderwerpen/vragen aan de orde zouden komen. De gesprekken zijn gehouden op locatie, op een 10

Doelstelling en methoden van onderzoek

moment dat de voorzieningen open waren voor klanten. Daarmee is tevens een indruk gekregen van de organisatie in bedrijf. Het bracht met zich mee dat gesprekken soms werden onderbroken of afgebroken omdat de geïnterviewde nodig was in de voorziening. In overleg met Kerk in Actie is gekozen voor een bezoek aan Super Sociaal in Helmond, Voedselloket Almere en de Sociale Kruidenier in Amsterdam. Daarnaast is een bezoek gebracht aan Voedselbanken Nederland. Bij deze organisaties hebben de volgende gesprekken plaatsgevonden: Bij Super Sociaal in Helmond hebben zes gesprekken plaatsgevonden met in totaal zeven personen: een gesprek met Jurgen Feuerriegel (voorzitter), met Monique der Kinderen (bedrijfsleider), drie gesprekken met in totaal vier vrijwilligers en een gesprek met een klant. Bij Voedselloket Almere hebben vijf gesprekken plaatsgevonden met in totaal zes personen: een gesprek met Peter Mons en Jitske Steendam(directeur en adjunct-directeur) en vier gesprekken met in totaal vier vrijwilligers. Er zijn geen klanten geïnterviewd. Bij de Sociale Kruidenier in Amsterdam hebben in totaal twee gesprekken plaatsgevonden met vijf personen: een gesprek met Jessie Verhave (projectleider) en een gesprek met vier vrijwilligers. Daarnaast zijn enkele korte gesprekjes gehouden met in totaal zes klanten.

Bij Voedselbanken Nederland heeft een gesprek plaatsgevonden met twee bestuursleden: Jouke Schat (secretaris) en Caroline van der Graaf-Scheffer (fondswerving en inkoop). In totaal zijn veertien gesprekken gevoerd met vierentwintig personen. Bij de drie sociale supermarkten is gesproken met vijf personen in managementfuncties, twaalf vrijwilligers en zeven klanten. Bij Voedselbanken Nederland heeft een gesprek plaatsgevonden met twee bestuursleden.

11

Hoofdstuk 2

Beschrijving van de drie bezochte sociale supermarkten

Hieronder volgt een beschrijving van de organisatie, het (winkel)concept en de klantpopulatie van de drie bezochte sociale supermarkten.

Organisatie De drie initiatieven verschillen behoorlijk in omvang en structuur van de organisatie. Voedselloket Almere Het Voedselloket Almere, gestart in 2005 op initiatief van de MRKA (Maatschappelij k Relevante Kerken Almere), springt eruit wat betreft omvang. Het heeft momenteel twee betaalde directieleden (samen 0,92 fte) en honderden vrijwilligers. Ongeveer 150 vaste vrijwilligers werken in acht afdelingen met dertig subafdelingen. Naast bestuur en directie gaat het om de afdelingen winkel, cliëntcontacten, facilitaire zaken, fondswerving, voorlichting, acties. De overige meer dan 900 vrijwilligers zijn mensen die, geregeld of af en toe, het gezicht van het Voedselloket zijn bij de zaterdagse inzamelingsacties bij de supermarkten in Almere, die elke maand bij drie supermarkten plaatsvinden. Na zeven jaar net als een voedselbank voedselpakketten te hebben uitgedeeld, overigens zonder zich officieel als voedselbank te presenteren, stapte het Voedselloket Almere in 2012 over naar een nieuw concept. Het stelt levensmiddelen ter beschikking in een supermarkt. Daarnaast heeft het een kledingloket en stelt het, in samenwerking met de protestantse gemeente Almere, meubels en witgoed beschikbaar. Het Voedselloket heeft bovendien een biologische voedseltuin, de VLA VoedselTuin (op twee locaties), waar vrijwilligers verse groenten en fruit verbouwen voor distributie via de winkel.

In de supermarkt is er verder een ‘weggeefhoek’ met speelgoed en kleine huisraad. Tot slot is er het VLA kado, een winkel waar gedoneerde nieuwe artikelen (non-food) worden verkocht om inkomsten te genereren. Het Voedselloket is er voor inwoners van Almere. Er zijn geen voedselbanken in Almere. Om efficiënter te kunnen werken en meer klanten te kunnen bedienen, kwamen de verschillende diensten van het Voedselloket begin 2017 samen op één locatie. Super Sociaal Super Sociaal, gevestigd in en toegankelijk voor inwoners van gemeente Helmond, is gestart als voedselbank. In 2007 schakelde zij over op het winkelconcept. Vanaf 2017 zijn ook inwoners van de naburige gemeente Laarbeek welkom bij de daartoe omgebouwde SRV -wagen van Super Sociaal, een rijdende winkel die min of meer naar de mensen toekomt. Helmond kent geen voedselbanken. Super Sociaal heeft een bestuur, een fulltime bedrijfsleider en een parttime assistent bedrijfsleider (samen 1,3 fte) en twaalf vrijwilligers in de winkel en op kantoor (2015). Functies van vrijwilligers betreffen cliëntadministratie en communicatie, bevoorraden van de winkel, transport, kassabeheer en klantenspreekuur. Tevens zijn er veel vrijwilligers die incidenteel supermarktacties verzorgen. Super Sociaal werkt ten behoeve van haar doelstelling intensief samen met haar buren, zoals Humanitas, LEVgroep en Job Factory.

Alle verhuizen in 2017 naar een nieuwe locatie om ook daar elkaar eenvoudig te kunnen vinden.

12

Beschrijving van de drie bezochte sociale supermarkten

Sociale Kruidenier De Sociale Kruidenier opende in maart 2016 haar deuren in de kelder van de Diaconie in het centrum van Amsterdam. Zij is gestart op initiatief van de Diaconie, die daarmee in het kader van haar armoedeprogramma een structureel en geïntegreerd aanbod wil bieden aan Amsterdammers die leven in armoede. De Diaconie heeft daarnaast activiteiten binnen programma’s voor ongedocumenteerden en dak- en thuislozen. De Sociale Kruidenier was in 2016 in opbouw. Ze richt zich op klanten van de voedselbanken in de gemeente Amsterdam en biedt hun met voedsel en non-food producten een aanvulling op het voedselbankpakket. Het beoogde bereik van 10% van de voedselbankklanten werd snel bereikt en illustreerde dat er behoefte was aan een voorziening als de Sociale Kruidenier. Ze heeft ten tijde van het onderzoek het maximum van 250 klanten. Sinds de start is er een parttime kwartiermaker/ projectleider we rkzaam (0,69 fte), die na enige tijd assistentie kreeg van een medewerker van de Diaconie, voor een paar uur per week. Het aantal vrijwilligers is gegroeid tot acht, voor het bemannen van de winkel (woensdag en vrijdag) en voor transport. Ook voor supermarktacties zijn op incidentele basis vrijwilligers betrokken.

Winkelconcept De drie initiatieven hebben gemeen dat zij een winkelconcept hanteren voor het verstrekken van levensmiddelen aan klanten. Klanten winkelen in een winkel, kiezen de producten die zi j wensen en rekenen af bij een kassa. De winkels bieden de klanten een basisassortiment. Daarmee kunnen zij niet in alle behoeften voorzien: klanten dienen elders aanvullend boodschappen te doen. Bij de Sociale Kruidenier is het assortiment een aanvulling op het pakket van de voedselbanken. Naast deze overeenkomsten tussen de drie initiatieven, zijn er ook enkele verschillen. Voedselloket Almere Klanten van het Voedselloket Almere krijgen een pas met daarop een gezinsafhankelijk budget, waarmee zij in de supermarkt kunnen winkelen. De volledige productprijs wordt betaald vanuit het tegoed. Het tegoed is een maand geldig; aan het eind van de maand vervalt het eventueel resterende bedrag. Vanaf 2017 winkelen klanten op eenzelfde wijze bij het kledingloket. De toetsingscommissie van het Voedselloket Almere besluit of iemand in aanmerking komt voor VLA diensten op basis van financiële gegevens die de aan de klant gekoppelde hulpverlener (professionele hulpverleningsinstantie) beschikbaar stelt. De maximale termijn voor gebruikmaking van de diensten is drie jaar. Mensen mogen na één jaar opnieuw klant worden.

Komt een klant binnen die termijn terug, dan telt de reeds genoten duur van hulp mee. Super Sociaal Ook bij Super Sociaal hebben klanten een pas met maandelijks tegoed. Afhankelijk van de financiële situatie van klanten geeft Super Sociaal een korting op de productprijs van 70 tot 90 procent en in uitzonderingssituaties 100 procent. Bij een korting van 80% betaalt de klant 20% eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage wordt contant voldaan bij de kassa. Het restant na aftrek van de eigen bijdrage betaalt de klant uit het fictieve tegoed. De hoogte van de korting wordt bepaald aan de hand van een inkomenstoets tijdens een intake. Elk half jaar wordt deze toets herhaald tijdens het verplichte 13

klantspreekuur. Een klant staat maximaal vijf jaar ingeschreven. In het vierde jaar loopt de maximale korting van 90% terug naar 80%, in het vijfde jaar naar 70%. Het maandelijkse budget wordt afgestemd op de samenstelling van he t huishouden. Een huishouden bestaat uit maximaal twee volwassenen en drie kinderen. Sociale Kruidenier Bij de Sociale Kruidenier wordt eveneens een eigen bijdrage gevraagd, die contant moet worden voldaan aan de kassa. Deze bijdrage is voor iedere klant gelijk en bedraagt 30% van de productprijs. Productprijs en eigen bijdrage worden per product getoond bij de schappen. Het bedrag na aftrek van de eigen bijdrage wordt van het maandelijkse tegoed afgetrokken. Het maandelijkse tegoed is voor iedere klant gelijk. De Sociale Kruidenier hanteert geen eigen intakeprocedure, evenmin monitort zij gaandeweg de inkomenssituatie van klanten. Iedereen die klant is bij de voedselbanken in Amsterdam komt in aanmerking voor de diensten van de Sociale Kruidenier. Mogelijk dat er in de toekomst wel een eigen procedure komt, om zodoende het besluit wie wel/geen klant kan worden in eigen hand te houden. Of men kiest voor een alternatieve externe screening dan die van de voedselbanken (genoemd wordt bijvoorbeeld de stadspas: iedere houder daarvan zou in aanmerking kunnen komen voor de Sociale Kruidenier).

Zolang men in aanmerking komt voor voedselhulp bij de voedselbank - maximaal drie jaar - kan men klant zijn bij de Sociale Kruidenier.

Klantpopulatie Er is geen reden om aan te nemen dat de klantpopulatie van de bezochte initiatieven verschilt van de populatie van voedselbanken. Mogelijk dat een enkele potentiële klant voortijdig afhaakt bij de sociale supermarkten wegens de verplichte of verwachte inzet voor het verbeteren van de eigen (financiële) positie en mogelijkerwijs vanwege de eigen bijdrage die bij enkele initiatieven wordt gevraagd. Zowel voedselbanken als bezochte initiatieven hanteren een inkomens- c.q. bestedingsnorm om te bepalen wie in aanmerking komt voor ondersteuning. Ieder maakt een eigen afweging bij het bepalen van de hoogte van deze norm. Er zijn voldoende (online) gegevens vindbaar die een beschrijving geven van de klantpopulatie van voedselbanken en daarmee min of meer ook van deze initiatieven. Overigens zal het Voedselloket Almere zich in de (nabije) toekomst mogelijk óók richten op een groep armen die nog niet is aangewezen op voedselondersteuning. Met deze inzet op preventie zal de doelgroep van het Voedselloket uiteraard afwijken van die van de twee andere initiatieven.

14

Bevindingen

Hoofdstuk 3 Bevindingen Dit hoofdstuk beschrijft de bevindingen uit het onderzoek. In paragraaf 3.1 vergelijken we de sociale supermarkten met voedselbanken, in doelstelling, werkwijze en maatschappelijke rol. In paragraaf 3.2 plaatsen we de sociale supermarkten in een historisch perspectief en blikken we tevens vooruit. In paragraaf 3.3 proberen we de vraag te beantwoorden in hoeverre sociale supermarkten bereiken wat ze beogen. In paragraaf 3.4 gaan we in op de aandacht bij sociale supermarkten (en voedselbanken) voor voedselverspilling en –kwaliteit. We beëindigen het hoofdstuk met een analyse van de potentie van de sociale supers voor opschaling. Bevindingen worden zo veel mogelijk aan de hand van quotes van geïnterviewden gepresenteerd.

3.1.

Sociale supermarkten: geen vernieuwing binnen, maar variant op voedselbanken?

De drie bezochte sociale supermarkten presenteren zich niet als vernieuwing van de bestaande, sinds 2002 snel in aantal toegenomen voedselbanken. Hoewel het niet goed functioneren van een bestaande voedselbank in zowel Helmond als Almere de aanleiding was om het over een andere boeg te gooien, benadrukken geïnterviewden dat het bij deze sociale supermarkten niet gaat om een voedselbank-nieuwe-stijl. De sociale supermarkten noemen zich dan ook geen voedselbank. “Dat is vloeken in de kerk”, aldus een vrijwilliger bij één van deze initiatieven. Dat zet duidelijk de toon.

Doelstellingen Allereerst onderscheiden zij zich in doelstelling. De drie sociale supermarkten stellen zich tot enig doel bij te dragen aan het bestrijden van armoede door klanten te ondersteunen financieel zelfstandig en zelfredzaam te worden. Peter Mons, directeur Voedselloket Almere: “Hoofddoel is weer zelfstandig functioneren in de samenleving. (..) Er moet perspectief zijn voor de vijf procent die het echt niet redt. En ondertussen moet je deze mensen helpen met voedsel, kleding, witgoed, speelgoed, begeleiding. Advies en begeleiding.” Jurgen Feuerriegel, voorzitter Super Sociaal Helmond, benadrukt eveneens dat armoedebestrijding het enige doel is waarvoor Super Sociaal in het leven is geroepen. Voedselbanken Nederland, waarbij het overgrote deel (167, per januari 2017) van de voedselbanken in Nederland is aangesloten, formuleert op de website de eigen tweeledige doelstellingen als volgt: -

Het bieden van directe voedselhulp aan de armste mensen; Het voorkomen van verspilling van goed voedsel.

Over de verhouding tussen deze twee doelstellingen zegt Caroline van der Graaf, bestuurslid van Voedselbanken Nederland: “Bij ons staat de klant centraal. Dat is waar alle vrijwilligers zich voor inzetten: mensen helpen die het minder goed hebben. Dat er ook een tegengaan van voedselverspilling bij zit, is voor veel mensen een heel fijne andere doelstelling. Dat hand in hand laten gaan, heeft veel met duurzaamheid te maken.” Jouke Schat, eveneens bestuurslid, vult aan: “Ik ken geen vrijwilliger die niet het helpen van arme mensen centraal heeft staan. Eigenlijk zijn voedselbanken vanuit twee soorten achtergronden ontstaan. Een flink aantal is ontstaan vanuit kerken. Die hebben i.h.a. meer armoede ‘op het voorhoofd’. Een ander deel is vanuit Rotary -/ Lionsachtige achtergrond gekomen. Zij willen arme mensen helpen, maar het moet voor hen wel uit 15

overschotten komen (die anders verspild zouden worden). Drie jaar geleden is er een landelijke vereniging gekomen van twee landelijke stichtingen, waarbij de één meer op het ene zat en de andere meer op het andere. We hebben toen gezegd dat beide doelstellingen heel belangrijk zijn, maar dat we uitgaan van het helpen van arme mensen. Het is de belangrijkste doelstelling. Het heeft een tijdje geduurd voordat ze bij elkaar komen.” Voedselbanken werken louter met overschotten, gratis beschikbaar gesteld door partijen in de voedselketen, producenten en retailers. Jouke Schat: “We zijn een raar soort distributiebedrijf.” Vanuit de overtuiging dat het onmogelijk is voedseloverschotten bij partijen in de voedselketen tot nul te reduceren, is het inzamelen van (voor consumptie geschikt) voedsel en het uitdelen daarvan aan de armsten een manier om vernietiging van voedsel en daarmee gepaard gaande milieubelasting te verminderen. Kortom, terwijl voedselhulp met gratis beschikbaar gesteld voedsel voor voedselbanken core business is, is verstrekken van levensmiddelen voor de sociale supermarkten ‘slechts’ ondersteunend aan de tot doel gestelde (financiële) zelfstandigheid en zelfredzaamheid van klanten.

Jessie Verhave, projectleider Sociale Kruidenier in Amsterdam: “Bij de reguliere voedselbank is men heel druk met het distribueren van spullen en heeft men daardoor geen tijd om te zorgen dat deze mensen in beweging komen. Je kunt niet altijd maar blijven ontvangen. Waarschijnlijk is een voedselbank altijd nodig. Maar hoe gaat het op de langere termijn? Gaat er iets veranderen in de levens van die mensen? Wil je daar ook een rol in spelen?” Dat wil geenszins zeggen dat voedselbanken geen oog hebben voor het belang van werken aan zelfredzaamheid van klanten. Of dat de sociale supermarkten niet stilstaan bij hun rol in de voedselketen. Uit de interviews valt niet op te maken dat beide ‘partijen’ elkaar niet zouden kunnen vinden in hun analyse van de armoedeproblematiek, in het bijzonder hoe armen het beste geholpen kunnen worden. Het bieden van voedselhulp is weliswaar tijdelijk, ervan uitgaande dat mensen na verloop van tijd op eigen benen kunnen staan. Maar voedselbanken rekenen het werken aan zelfredzaamheid tot nu toe niet tot de eigen verantwoordelijkheid, maar tot die van de professionele hulpverlening, waarnaar in menig voedselbank wordt doorverwezen.

Wel wordt daaraan binnen die voedselbanken die iets van een winkelformule introduceren de facto een zekere bijdrage geleverd omdat het zelf winkelen en zelf kiezen helpen een gevoel van zelfwaardering en zelfstandigheid te herwinnen. Bovendien stelt Schat van Voedselbanken Nederland: “Wij geven geen voedsel zonder een begeleidend traject, zodat mensen weer op eigen benen kunnen staan.” In hoeverre dit bij alle voedselbanken gebeurt is onduidelijk. Aan de ene kant wordt er wel op gemonitord. Aan de andere kant stelt Schat: “Alle voedselbanken zijn zelfstandige stichtingen, met een eigen bestuur. Binnen hun regio regelen zij hun eigen zaken.” Het verschil tussen sociale supermarkten en voedselbanken heeft te maken met de verschillende ontstaansgeschiedenissen van beide, met de daarin opgebouwde relaties en gevestigde belangen (zie paragraaf 3.2).

Werkwijze Ten tweede, een verschil in doelstelling vraagt om een verschil in aanpak. Bij de klassieke voedselbanken ontvangen klanten een voedselpakket. Veel aandacht gaat de laatste jaren uit naar vergroten van het aantal en verbeteren van de kwaliteit van de pakketten. Mons geeft over het Voedselloket Almere daarentegen aan: “Wij willen dat kl anten weer zelfstandig worden. Dan moet je niet hebben dat ze alleen maar dank je wel hoeven zeggen.” Dat geeft kort en krachtig aan waarom de drie bezochte initiatieven een winkelmodel hanteren. In de winkel kiezen klanten zelf de producten. Feuerriegel (Super Sociaal): “De klanten worden anders bejegend. Zij zijn 16

Bevindingen

geen slachtoffers, zij zijn klanten. De goederen worden niet uitgedeeld, maar de klanten komen winkelen.” Klanten hebben een winkelpas met een fictief termijnbedrag, waarmee zij producten kunnen ‘kopen’. Bij de Sociale Kruidenier en Super Sociaal betalen zij een eigen bijdrage, al dan niet afhankelijk van de hoogte van het inkomen. Deze bijdrage wordt contant voldaan. De drie sociale supermarkten garanderen klanten een beperkt maar standaard assortiment. Verhave (Sociale Kruidenier): “Wij willen niet dat klanten het maar moeten doen met wat er voorhanden is, wat over is. Alleen maar omdat ze arm zijn. Mensen hebben recht op spullen die ze nodig hebben, net als alle mensen. Keuzevrijheid geeft mensen hun waardigheid: het zijn niet anderen die het voor hen bepalen; zij gaan er zelf over. Net zoals jij en ik.” Naast waardigheid, keuzevrijheid en zelfredzaamheid is wederkerigheid een belangrijke pijler in het werk van de Sociale Kruidenier. Evenals bij Super Sociaal en Voedselloket Almere is het winkelen bij de Sociale Kruidenier niet vrijblijvend. Er wordt inzet verlangd van de klant om de eigen problematiek het hoofd te bieden. De aanpak verschilt. Het Voedselloket Almere gaat het meest ver in het monitoren van vorderingen die klanten maken en de begeleiding die professionele hulpverlening biedt.

Vrijwilligers springen zelfs bij daar waar gaten vallen in het hulpverleningstraject. In Amsterdam worstelt de nog jonge Sociale Kruidenier met de vraag hoe aan die wederkerigheid, die uitgaat van de eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden van klanten en uitdrukkelijk gericht is op het versterken van de zelfredzaamheid van klanten, het beste invulling te geven. Alle drie proberen zij klanten te activeren, soms door hen in de gelegenheid te stellen een actieve bijdrage te leveren aan de eigen activiteiten en in ieder geval door actief door te verwijzen naar instellingen en initiatieven voor vrijwilligerswerk en andere vormen van activering. In paragraaf 3.3 wordt hier verder op ingegaan3. Het garanderen van een standaard assortiment vereist volgens de drie sociale supermarkten aankoop van producten, in aanvulling op gratis ontvangen producten van bedrijven en particulieren. Geen van de sociale supermarkten biedt een volledig assortiment: klanten zullen altijd elders aanvullend boodschappen moeten doen. De Sociale Kruidenier wil met het assortiment een aanvulling bieden op het voedselpakket van de voedselbanken. De inzet is dat het aandeel gratis ontvangen producten met de tijd zal toenemen. Immers, de aankoop van producten is een dure aangelegenheid, wat de continuïteit van deze initiatieven bemoeilijkt.

Verder vereist het exploiteren van een winkel professionele capaciteit, zo vinden direct betrokkenen. Elk van de sociale supermarkten heeft betaalde krachten in dienst. Super Sociaal heeft een full time bedrijfsleider en een assistent bedrijfsleider. Het Voedselloket Almere doet het met een tweekoppige directie van in totaal nog geen één fte en de Sociale Kruidenier een projectleider voor ‘slechts’ 25 uur, voor enkele uren ondersteund door een assistent. Allen geven aan een zeer drukke baan te hebben. In paragraaf 3.5 gaan we verder in op de bedrijfsvoering en op (risico’s voor) de continuïteit van sociale supermarkten. Hoewel Voedselbanken Nederland de kwantiteit en kwaliteit van de voedselpakketten wil verhogen, ligt de oplossing voor voedselbanken geenszins in de inkoop van voedsel, aldus Van der Graaf, bestuurslid Voedselbanken Nederland: “Als wij zouden inkopen, dan gaan de retailers ons geen gratis 3 We wijzen er hier op dat het concept wederkerigheid door de sociale s upermarkten op twee verschillende

manieren wordt opgevat. Aan de ene kant wordt met dit begrip gedoeld op een tegenprestatie die klanten zouden moeten leveren voor de voedselhulp die zij ontvangen, en wel een tegenprestatie in de vorm van eigen inzet voor het herwinnen of vergroten van de zelfredzaamheid. Aan de andere kant wordt met dit begrip gedoeld op het feit dat een klant nooit alleen maar hulpvrager is, maar daarnaast ook mogelijkheden en capaciteiten heeft, iets te bieden heeft en ook als zodanig benaderd zou moeten worden. Dan gaat het bijvoorbeeld om mogelijke acti eve participatie van klanten in de voorzieningen (zie paragraaf 3.3).

17

voedsel meer geven. Zij zullen zeggen dat wij producten vermarkten. Een sociale kruidenier zal daar met een lokale retailer wel afspraken over kunnen maken. Maar voor ons zal dat een structureel probleem opleveren.” Schat voegt daaraan toe: “Als wij geld besteden aan aankoop van voedsel, dan kunnen zij ons wel geld vragen voor bijvoorbeeld logistiek. (..) Ik heb lang gewerkt in die wereld. Het zijn hele slimme jongens. Dan zitten we gauw in een heel ander traject.” Er is voedselbanken dan ook veel aan gelegen om uitsluitend met vrijwilligers te werken, gedoneerd voedsel te verstrekken en geen eigen bijdrage van klanten te vragen. Schat: “Dat is onze USP. We doen alles gratis. Iedereen die met ons wil werken, moet dat gratis doen.” Desondanks wordt er bij voedselbanken wel nagedacht over het winkelmodel. Van der Graaf: “Uit onderzoek blijkt dat we een deel van de doelgroep niet bereiken. Dat komt deels door schaamte. We denken erover na hoe we dat kunnen veranderen. Eén van de voorstellen die nog door de ALV moeten, is een winkelmodel. (..) Nu zijn we in de onderzoekende fase. De pilots zijn best wel positief, maar niet voldoende om ermee naar buiten te gaan. Op zo’n grote schaal (we zitten in meer dan 95% van de gemeenten) is het lastig. Je moet er een structuur voor opzetten.” Voedselloket Almere krijgt regelmatig bezoeken van voedselbanken met interesse in het concept.

Jitske Steendam, adjunctdirecteur Voedselloket Almere: “Er is wel een omslag bezig bij voedselbanken. We hebben veel bezoeken. Maar het vergt een heel andere mindset. Niet meer uitgaan van het tegengaan van voedselverspilling.” Mons: “Sommige voedselbanken richten aparte stichtingen op om zaken als productinkoop en betaling van medewerkers in onder te brengen.” Deze activiteiten zijn dan geen onderdeel van de voedselbank zelf.

Maatschappelijke rol Tenslotte verschillen de drie sociale supermarkten van voedselbanken in het zich toe -eigenen van een verantwoordelijkheid met betrekking tot de politieke en publieke discussie rond het armoedevraagstuk. Voor het vergroten van de (financiële) zelfstandigheid en zelfredzaamheid van klanten volstaat volgens de drie sociale supermarkten niet het bieden van keuzevrijheid in een winkel en een inzet op hulpverlening en activering. Verhave: “We moeten dit concept beter communiceren en breder uitrollen. Het is belangrijk dat men anders gaat denken over voedselbanken en klanten van voedselbanken.” De Sociale Kruidenier wil bijdragen aan verandering in het armoedebeleid. Mons en Feuerriegel denken daar hetzelfde over en hebben mede daarom het Netwerk Sociale Supers opgericht. Afgezien van een gezamenlijke belangenbehartiging van Sociale Supers, beoogt het netwerk het bevorderen van samenwerking op het gebied van armoedebestrijding en het uitdragen van het concept van de sociale supers in de media. “Door de opzet van Super Sociaal kan de publieke opinie over de doelgroep op een positieve wijze worden beïnvloed.” Dat lijkt sterk op de inzet van de Sociale Kruideniers in Vlaanderen, die voor de ontwikkeling van de bezochte sociale supermarkten een belangrijk voorbeeld vormden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=3e007e0f-deca-43a8-9f0b-7a201f405255