CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderbouwing - Leeuwarden - Lange Marktstraat 14 (BOPA)

Besluitvorming (raad) 21 januari 2026, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Bindend advies omgevingsvergunning Lange Marktstraat 14 te Leeuwarden24.409 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. 5.6.4 Toetsing Houtopstanden De ontwikkeling bestaat niet uit het vellen van bomen, waardoor de regels uit het Bal niet van toepassing zijn. NatuurNetwerk Nederland en Natura 2000-gebieden (stikstofdepositie) Het projectgebied ligt op circa 4,5 kilometer afstand van het NNN-gebied en Natura 2000-gebied De Groote Wielen. In dit kader is het van belang om na te gaan of het project significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Om dit te kunnen bepalen, is in oktober 2024 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. De berekening is gebaseerd op 26 appartementen, omdat de ontwikkeling hier ten tijde van het stikstofonderzoek vanuit ging. Omdat er geen stikstofdepositie uit deze berekening volgt, kan worden aangenomen dat bij een lager aantal woningen (20 appartementen) ook geen depositie uit de berekening zal volgen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect gebiedsbescherming staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

37/216

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1 Toetsingskader Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen. Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in het Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. 5.7.2

Toetsing

De omgevingsvergunning maakt 20 appartementen mogelijk. De beoogde ontwikkeling betreft niet de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente Leeuwarden niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is hierdoor niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Aan de hand van de CIMLK viewer is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven, zie tabel 5.1. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Tabel 5.1: Indicatie luchtkwaliteit Lange Marktstraat (Bron: CIMLK) Toetspunt de NO2-concentratie PM10-concentratie Lange Marktstraat Jaartal 2023 11,5 µg/m³ 13,6 µg/m³ Ten hoogst 40 µg/m³ 40 µg/m³ toelaatbaar kalenderjaargemiddeld kalenderjaargemiddelde e

PM10-oversch PM2,5-concentratie rijdingsdagen 6 35

6,3 µg/m³ 25 µg/m³ kalenderjaargemiddelde

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied. Ter plaatse van het projectgebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

38/216

5.8

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.8.1 Toetsingskader Wanneer een geluidgevoelig gebouw wordt toegestaan in een geluidaandachtsgebied, moet bij vergunningverlening rekening gehouden worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Dit betekent dat bij het toelaten van een geluidgevoelige woning in een geluidaandachtsgebied een belangenafweging zal moeten worden gemaakt en deze goed zal moeten worden gemotiveerd. Hierbij zal in ieder geval de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw moeten worden beoordeeld (artikel 5.78s, derde lid jo. 5.78ac Bkl). Daarnaast zal de omgevingsvergunning voor de BOPA erin moeten voorzien dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen binnen een aandachtsgebied aanvaardbaar is (artikel 5.78s, tweede lid, Bkl). 5.8.2 Toetsing Het projectgebied ligt aan de Lange Marktstraat en daarmee binnen het geluidaandachtsgebied van de geluidbronsoort gemeentewegen. Om die reden is geluid vanwege de Lange Marktstraat berekend en beoordeeld. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Het geluid ten gevolge van de Zuidersingel/Stationsstraat is niet in beeld gebracht, omdat de ontwikkeling buiten het (tijdelijke) aandachtsgebied van deze wegen valt (hiervoor geldt een geluidaandachtsgebied van 100 meter op basis van 30 km/uur).

Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat het geluid vanwege wegverkeer op de omhullende van het bestaande pand aan de standaardwaarde van Lden = 53 dB voldoet. De gevels van de appartementen binnen de optopping liggen nog iets teruggetrokken van de omhullende, zodat de werkelijke geluidniveaus nog iets lager zullen zijn. Omdat de standaardwaarde niet wordt overschreden, is er sprake van een aanvaardbare geluidsituatie. Het gezamenlijk geluid hoeft niet te worden vastgelegd. Conclusie Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.9

Geluid door activiteiten

5.9.1 Toetsingskader Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol: 1. de situatie waarin een nieuwe BOPA-activiteit mogelijk wordt gemaakt die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw; 2. de situatie waarin de BOPA-activiteit een geluidgevoelig gebouw wil realiseren waarop geluid wordt veroorzaakt door een bestaande activiteit die geluid veroorzaakt. Dat kan al snel leiden tot het beperken van de milieuruimte van deze bestaande activiteit (en bijvoorbeeld het beperken van een bedrijfsactiviteit). In deze gevallen is een wijziging van het omgevingsplan een beter instrument om de activiteit mogelijk te maken.

39/216

In een omgevingsvergunning van een BOPA moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat een gemeente het toelaten van activiteiten die geluid veroorzaken of het toelaten van geluidgevoelige gebouwen waarop geluid wordt veroorzaakt, alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en een goede motivering. Dit vergt dus een goede onderbouwing in de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Hiervoor dient bekend te zijn welke activiteiten geluid veroorzaken en wat de optelsom is van dit geluid op een geluidgevoelig gebouw. Daarnaast zal de omgevingsvergunning moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit kan door de standaardwaarden voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw (zie tabel 5.65.1 van het Bkl) en grenswaarden voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen (tabel 5.65.2 van het Bkl) in de omgevingsvergunning op te nemen. Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde. 5.9.2 Toetsing In de omgeving van het projectgebied zijn enkele activiteiten aanwezig die mogelijk geluidhinder kunnen veroorzaken.

Het gaat om verschillende bedrijven die een kantoorfunctie hebben, zoals een verzekeringsbedrijf, een advocatenkantoor, een organisatie voor juridische dienstverlening en verschillende kantoren die in het voormalige Aegonkantoor gevestigd zijn. In de verdere omgeving is het centrum van Leeuwarden aanwezig en bevinden zich enkele restaurants, een hotel en het trein- en busstation van Leeuwarden in de omgeving. Gezien de ligging van het projectgebied nabij het centrum van Leeuwarden en de aanwezigheid van niet-woonfuncties, kan de omgeving van het projectgebied worden getypeerd als een 'gemengd gebied'. Het dichtstbijzijnde kantoor ligt direct naast het projectgebied. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 (waar de regeling van het voormalige bestemmingsplan op is gebaseerd) geldt hiervoor een richtafstand van 0 meter. Het voormalige Aegon-gebouw waar een van de restaurants uit de omgeving in is gevestigd, is eveneens geregeld met een kantoorbestemming en ligt op zo'n 35 meter afstand. Voor een restaurant geldt ook een richtafstand van 0 meter. Hetzelfde geldt voor het hotel dat op zo'n 110 meter afstand van het projectgebied is gelegen. De enige functie waarvoor wel een richtafstand geldt, is het trein- en busstation van Leeuwarden. Voor zowel een trein- als busstation geldt op basis van het maatgevende aspect geluid de milieucategorie 3.2.

In een gemengd gebied dient hiervoor 50 meter afstand te worden aangehouden. Met een afstand van circa 145 meter tussen het projectgebied en het station wordt hieraan voldaan. Voor het projectgebied zelf is sprake van een gebouw met een gemengd gebruik, met dienstverlening en een receptie op de begane grond, kantoren op de eerste tot en met de vierde verdieping en woningen op de vijfde tot en met de achtste verdieping. De categorie-indeling met richtafstanden vanuit de VNG-brochure is niet bedoeld om een planologische toetsing te geven voor een gebouw met verschillende functies. Voor een toetsing kan in dit geval gebruik worden gemaakt van de categorie-indeling voor functiemenging. Hierin zijn activiteiten onderverdeeld in categorieën A, B en C: In categorie A zijn activiteiten opgenomen die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het vroegere Bouwbesluit (thans Bbl) voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend;

40/216

Categorie B-activiteiten betreffen activiteiten die in een gemengd gebied worden uitgeoefend, met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; Categorie C-activiteiten zijn activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Kantoren en dienstverlening zoals een makelaardij, accountant of notaris, vallen onder categorie A. Dit betekent dat ze goed samengaan met een woonfunctie en dat er op dit punt geen belemmeringen te verwachten zijn. Dit geldt ook voor eventuele andere commerciële activiteiten die op grond van de planologische mogelijkheden uitgeoefend kunnen worden. Andersom veroorzaken de toekomstige activiteiten (werken en wonen) niet meer geluid op geluidgevoelige gebouwen in de omgeving, omdat het kantoor planologisch al mogelijk is. Conclusie Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.10 Geur 5.10.1 Toetsingskader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (§ 5.1.4.6 van het Bkl). De algemene regels met betrekking tot geur zijn op grond van artikel 5.90 van het Bkl van toepassing op het toelaten: op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw; van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een (bestaande) activiteit, anders dan het wonen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl).

Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl).

41/216

5.10.2 Toetsing De nieuwe woningen zijn geurgevoelig. In de omgeving van het projectgebied zijn enkele restaurants aanwezig die mogelijk geurhinder kunnen veroorzaken. Volgens de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 vallen restaurants in milieucategorie 1. Zoals in paragraaf 5.9 reeds aan de orde is gekomen, hoeft voor activiteiten met een milieucategorie 1 in een gemengd gebied geen richtafstand te worden aangehouden. Zoals in paragraaf 5.9 ook aan de orde is gekomen valt dienstverlening die in het gebouw van het projectgebied mogelijk wordt gemaakt in categorie A, waardoor dit goed samengaat met de nieuwe woningen. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.11 Omgevingsveiligheid 5.11.1 Toetsingskader Bij het mogelijk maken van een BOPA-activiteit spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. In het Bkl is het risicobegrip breder: in de aanvraag om een vergunningsaanvraag voor een BOPA zal ook moeten worden gemotiveerd hoe voor risico's van branden, rampen en crises rekening wordt gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c. de geneeskundige hulpverlening. 5.11.2 Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit volgt dat het projectgebied in een explosieaandachtsgebied ligt omwille van het treinstation. De ontwikkeling wordt op dit punt aanvaardbaar geacht, omdat op dichtere afstand al woningen zijn gelegen. Dit betreft circa 500 eenkamerappartementen voor studenten in het voormalige Aegon-gebouw. Bovendien ligt de woonwijk Huizum-west ook in het explosieaandachtsgebied van het station. Er liggen verder geen risicobronnen in de omgeving van het projectgebied. De gemeente Leeuwarden heeft in het kader van omgevingsveiligheid het volgende advies gegeven: Het projectgebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied van het spoor.

In dit specifieke geval kan van het explosieaandachtsgebied worden afgeweken. Het explosieaandachtsgebied is geprojecteerd op het gehele stationsgebied. Het spoor waar de gevaarlijke stoffen over kunnen worden vervoerd is het meest zuidelijke spoor. Als we het zuidelijkste spoor beschouwen dan is te zien dat het brandaandachtsgebied, in de rode cirkel, naar binnen loopt. Dit is omdat hier enkel het zuidelijkste spoor wordt getoetst. Het brandaandachtsgebied loopt circa 30 meter naar binnen. Als we dit op het explosieaandachtsgebied afzetten dan kan het explosieaandachtsgebied 30 meter terug gebracht worden waardoor Lange Marktstraat 14 buiten de contour komt te vallen.

42/216

De Omgevingsdienst heeft dit onder aandacht gebracht bij Rijkswaterstaat. Hier is echter nog geen reactie op gekomen. De noordelijke sporen c.q. perrons zijn bestemd voor de treinen naar Franeker – Harlingen en Sneek. Op deze sporen rijden geen treinen met gevaarlijke stoffen. Enkel het zuidelijkste spoor wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen via dit spoor is erg uitzonderlijk. De brand- en explosieaandachtsgebieden zijn hier te breed weergegeven. Voor een goede weergave zou men alleen het zuidelijkste spoor moeten beschouwen. Externe veiligheid is hiermee geen beperkende factor. Conclusie en aanbevelingen Vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid zijn er geen harde beperkingen.

5.12 Trilling 5.12.1 Toetsingskader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. 5.12.2 Toetsing Een appartement is een trillinggevoelig gebouw. In de omgeving bevinden zich geen functies die trilling veroorzaken. Conclusie Het aspect trilling staat de ontwikkeling niet in de weg.

43/216

5.13 Slagschaduw en windhinder 5.13.1 Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. De gemeente heeft daarom beleidsruimte om dit aspect zelf in te vullen. De gemeente Leeuwarden heeft geen beleid met betrekking tot slagschaduw en windhinder. 5.13.2 Toetsing Om na te gaan of het optoppen van het bestaande kantoorgebouw met appartementen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het windklimaat in de omgeving van het projectgebied, heeft in september 2024 een windhinder en -gevaaronderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. In het onderzoek is een geometrisch model van het gebouw en zijn omgeving opgesteld. In het onderzoek wordt verondersteld dat windhinder bij een gemiddeld persoon zal optreden wanneer de lokale uurgemiddelde windsnelheid meer dan 5 m/s bedraagt. Aangenomen wordt dat windgevaar optreedt wanneer de uurgemiddelde lokale windsnelheid meer dan 15 m/s bedraagt. Windgevaar is het optreden van een zeer hoge windsnelheid, waardoor problemen optreden bij het lopen, zoals evenwichtsverlies.

Het onderzoek laat zien dat zowel in de huidige als de beoogde situatie een windrijk windklimaat aanwezig is. In de directe nabijheid zijn er kleinere zones aanwezig met windhinderklassen A en B (matig tot goed voor iedere activiteit), maar het gebouw wordt vooral omgeven door windhinderklasse C (geschikt voor de activiteit doorlopen, matig geschikt voor de activiteit slenteren) en windhinderklasse D (matig geschikt voor de activiteit doorlopen). Na de realisatie van de nieuwbouw vindt een lichte verschuiving van de zones met windhinder plaats. Ten zuiden en zuidoosten is een lichte toename zichtbaar in de overschrijding van de 5m/s drempelsnelheid. Ten noordoosten is een juist een lichte afname zichtbaar in de overschrijding. De beoogde nieuwbouw vermindert het risico op windgevaar. In de bestaande situatie is een zone met een beperkt windrisico zichtbaar ten noordoosten van het kantoorgebouw. In de voorgestelde nieuwe situatie is deze zone niet meer aanwezig en is het projectgebied vrij van windgevaar. De terrassen tot en met de vierde verdieping zijn vrij van windgevaar en beschikken over een goede beoordeling voor wat betreft windhinder. Vanaf de vijfde verdieping zijn de terrassen niet langer vrij van risico op windgevaar.

Hoewel tot en met de zevende verdieping het oppervlak van de terrassen nog voor minimaal 75% als goed wordt beoordeeld, zorgt de aanwezigheid van zones met een slechte beoordeling toch voor onaangename terrassen. Op de achtste verdieping verslechtert het windklimaat verder en wordt ook de minimale grens van 75% niet meer gehaald. Om de windhinder op de terrassen te verminderen, worden scheidingswanden tussen de balkons van de appartementen geplaatst. Conclusie Na de realisatie van de nieuwbouw vindt een lichte verschuiving van de zones met windhinder plaats. Ten zuiden en zuidoosten is een lichte toename zichtbaar in de overschrijding van de 5m/s drempelsnelheid. Ten

44/216

noordoosten is juist een lichte afname zichtbaar in de overschrijding. Met betrekking tot windgevaar zijn de terrassen vanaf de vijfde verdieping niet vrij van een risico hierop. Om dit op te lossen, worden scheidingswanden tussen balkons van de appartementen geplaatst.

5.14 Cultureel erfgoed 5.14.1 Toetsingskader Onder cultureel erfgoed wordt verstaan: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. De essentie van de Omgevingswet is om archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem te behouden en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 5.14.2 Toetsing Cultuurhistorie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie geldt dat de gronden direct ten noorden van het projectgebied zijn aangemerkt als beschermd stadsgezicht. De cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing mogen niet worden aangetast. Ondanks dat het projectgebied zelf niet is aangemerkt als beschermd stadsgezicht, moet wel rekening worden gehouden met de cultuurhistorische waarden in de omgeving. Met de bouw van de nieuwe appartement worden de cultuurhistorische waarden in de omgeving niet aangetast. Bovendien krijgen de gevels van het gebouw een opwaardering, wat de omgevingskwaliteiten van de omgeving ten goede komt. De gebouwen ten oosten van de Sophialaan zijn aangewezen als rijksmonument. De Coöperatieve Verzekeringsfonds vestigde zich hier in 1922, in de villa op de hoek van de Sophialaan en de Lange Marktstraat. De villa is in 1882 gebouwd door timmerman 5.1.2e . Het toevoegen van extra bouwlagen ontneemt niet het zicht op deze gebouwen.

De cultuurhistorische waarden van dit deelgebied worden niet aangetast. Er zijn verder geen (rijks)monumenten of andere cultuurhistorische waarden in de directe omgeving van het projectgebied. Archeologie Ten aanzien van archeologie kan worden gesteld dat raadpleging van de Archeologische Kaart (FAMKE) niet noodzakelijk is, omdat met de ontwikkeling geen bodemingrepen plaatsvinden.

45/216

Conclusie De aspecten cultuurhistorie en archeologie staan de ontwikkeling niet in de weg.

5.15 Bodem 5.15.1 Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Als vóór het voorbereiden van het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning in kwestie het omgevingsplan al is gewijzigd, dan kan de gemeente uitwerking hebben gegeven aan artikel 5.89i van het Bkl en eigen grenswaarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem als voorwaarde voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen hebben vastgesteld.

Als het omgevingsplan voorafgaande aan de voorbereiding van de omgevingsvergunning nog niet is gewijzigd, dan gelden op grond van artikel 22.30 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan de interventiewaarden bedoeld in bijlage IIA van het Bal als grenswaarden voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen. 5.15.2 Toetsing Met de ontwikkeling vinden geen bodemingrepen plaats, waardoor nader onderzoek niet is vereist. Conclusie Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

5.16 Water 5.16.1 Toetsingskader Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Dit zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl); behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl);

46/216

IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl). In de aanvraag moet worden beschreven welke mogelijke gevolgen een BOPA-activiteit heeft voor het aspect water en welke maatregelen zullen worden getroffen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Als water een belangrijk aspect is voor een BOPA-activiteit wordt geadviseerd om het waterschap te raadplegen. Voor het project is een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is als Bijlage 7 opgenomen in de ruimtelijke motivering bij deze omgevingsvergunning. Uit de digitale watertoets blijkt dat de korte procedure doorlopen dient te worden. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente Leeuwarden nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid Het beleid van Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016-2021.

In het Waterbeheerplan 2022-2027 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water en water in de samenleving voor de komende jaren. Het Wetterskip beschikt over een leidraad watertoets. Het doel van de leidraad is dat alle aspecten meegenomen worden, hiermee wordt voldaan aan de thema's voldoende veilig en schoon water. Hiernaast zorgt de leidraad voor een betere samenwerking doordat het duidelijkheid geeft over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van onderwerpen die vanuit het oogpunt van water belangrijk zijn bij ruimtelijke plannen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en het vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terechtkomt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater;

47/216

afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. 5.16.2 Toetsing Toename verharding Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Voor de ontwikkeling geldt dat er geen toename van verharding plaatsvindt. Watercompensatie is hier daarom niet aan de orde. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren, moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is daarom belangrijk om kansen te benutten om het gebied klimaatrobuust in te richten. Bij de bouw van de nieuwe appartementen wordt natuurinclusief en energiezuinig gebouwd. Advies vrij voor de boezem Het projectgebied ligt vrij voor de boezem (streefpeil: -0,52m NAP). Dit betekent dat het projectgebied niet door een boezemkade is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Er moet daarom rekening worden gehouden met hoogwater in het kader van regionale wateroverlast. Het is van belang om rekening te houden met de droogleggingsnorm (Leidraad watertoets, paragraaf 4.3.7) of het maatgevend boezempeil (MBP) (op te vragen bij Wetterskip Fryslân). Het MBP, behorend bij een situatie met een kans van voorkomen van 1/100 per jaar, mag tot 1 meter voor de gevel voorkomen.

Het Wetterskip adviseert om nieuwe bebouwing/infrastructuur voldoende hoog aan te leggen. De nieuwe appartementen worden bovenop het bestaande gebouw gerealiseerd, waardoor het advies wordt opgevolgd. Conclusie Het aspect water staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

5.17 Duurzaamheid 5.17.1 Toetsingskader Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een BOPA rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen: de energietransitie, mobiliteit, herbruikbaarheid etc. Dit kan gemotiveerd worden op basis van het bestaande gemeentelijke beleid zoals is aangegeven in Hoofdstuk 4. 5.17.2 Toetsing Zoals eerder is beschreven, worden de nieuwe woningen natuurinclusief en energiezuinig gebouwd. Conclusie Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan het aspect duurzaamheid.

48/216

5.18 Spuitzonering 5.18.1 Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zal bij ontwikkelingen in de omgeving van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt, moeten worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gezondheidsgevolgen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Op grond van diezelfde rechtspraak is het mogelijk om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. 5.18.2 Toetsing Het projectgebied bevindt zich in stedelijk gebied. In de omgeving zijn geen agrarische gronden aanwezig. Het aspect spuitzonering is daarmee niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Conclusie Het aspect spuitzonering staat de ontwikkeling niet in de weg.

5.19 Gezondheid 5.19.1 Toetsingskader Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. 5.19.2 Toetsing Het aspect milieu wordt aan de hand van verschillende aspecten beoordeeld. Ten aanzien van een gezond milieu volgt uit paragraaf 5.8 dat het geluid vanwege wegverkeer op de omhullende van het bestaande pand aan de standaardwaarde van Lden = 53 dB voldoet. De gevels van de appartementen binnen de optopping liggen nog iets teruggetrokken van de omhullende, zodat de werkelijke geluidniveaus nog iets lager zullen zijn. In de omgeving van het projectgebied zijn geen activiteiten aanwezig die geluid-of geurhinder veroorzaken. Andersom kunnen de kantoor- en dienstverleningsactiviteit goed gecombineerd worden met de woonactiviteit in het gebouw.

Tenslotte heeft de Omgevingsdienst geoordeeld dat de brand- en explosieaandachtsgebieden rondom het station te breed zijn weergegeven. Omgevingsveiligheid is daarmee geen beperkende factor. Dit bij elkaar afgewogen maakt dat sprake is van een gezond milieu in het projectgebied.

49/216

Het projectgebied ligt in een matig groene omgeving. Uit de kaart van Atlas Leefomgeving volgt dat de temperatuur 's zomers 1,5 graad hoger is dan in landelijk gebied. Dit doet afbreuk aan de leefbaarheid van de omgeving. Wel zijn op 70 meter en op 300 meter afstand twee sportscholen gevestigd. Op 10 minuten loopafstand kunnen twee parken bereikt worden en is de historische binnenstad van Leeuwarden een uitnodigende plek om te wandelen (en deels niet bereikbaar met de auto). Hiermee is in de omgeving van het projectgebied meer dan voldoende ruimte voor beweging. Op 10 minuten loopafstand kunnen 4 supermarkten bereikt worden. Het station ligt op 3 minuten loopafstand. Er zijn dan ook voldoende voorzieningen in de buurt. Aansluitend zijn er voldoende culturele voorzieningen in de buurt, waaronder musea (het Fries Museum, Keramiekmuseum Princessehof, museumhuis Van Eysinga, De Utrecht, de Grutterswinkel), Stadsschouwburg de Harmonie, poppodium Neushoorn en bioscoop Pathé. Alle aspecten afgewogen maakt dat het projectgebied in een gezonde leefomgeving ligt. Conclusie Het aspect gezondheid staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

50/216

Hoofdstuk 6 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid en kostenverhaal

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De omgevingsvergunning vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het project financieel haalbaar is. Kostenverhaal Indien de BOPA nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie is genoemd als kostenverhaalplichtige activiteit. Aan het kantoorgebouw wordt circa 2.000 m2 bruto-vloeroppervlakte toegevoegd. Dit betekent dat de ontwikkeling kostenverhaalplichtig is.

51/216

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7. In de ruimtelijke motivering is getoetst aan participatie, het relevante beleid en de gevolgen voor de leefomgeving. Hieruit is gebleken dat participatie gaat plaatsvinden, het project in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid en dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor de leefomgeving.

Er is aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waardoor de omgevingsvergunning kan worden verleend.

52/216

Bijlagen toelichting

53/216

54/216

Bijlage 1

55/216

Participatieverslag

Participatieverslag IQON Leeuwarden

Opdrachtgever:

5.1.2e

Project: Projectnummer: Rapportnummer: Datum: Versie:

IQON Leeuwarden BS2024-146 001 13-06-2025 C01

Participatieverslag IQON Leeuwarden

Colofon Opdrachtgever: 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e

Projectgegevens: Project: IQON Leeuwarden Projectnummer: BS2024-146 Rapport gegevens: Rapport: Opsteller: Versie: Datum:

Participatieverslag IQON 5.1.2e

Definitief 13-06-2025

Gecontroleerd: Paraaf:

5.1.2e

5.1.2e

Bureau Schmidt info@BureauSchmidt.nl www.BureauSchmidt.nl KvK nr : 68445326

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Bureau Schmidt

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 2

Participatieverslag IQON Leeuwarden

Inhoudsopgave 1

Inleiding........................................................................................................................ 4 1.1 1.2

2

Aanleiding .............................................................................................................................. 4 Leeswijzer............................................................................................................................... 4

Participatieproces ......................................................................................................... 6 2.1

Participatie aanpak ................................................................................................................ 6 2.1.1 Doelstellingen participatie ............................................................................................ 6 2.1.2 Participatieniveaus ........................................................................................................ 7 2.1.3 Verwerking input ........................................................................................................... 8 2.1.4 Resultaten ..................................................................................................................... 9 2.2 Stakeholders .......................................................................................................................... 9 2.3 Communicatiemiddelen....................................................................................................... 10

3

Participatieactiviteiten ................................................................................................ 11 3.1 3.2 3.3

4

Schriftelijke communicatie .................................................................................................. 11 Individuele gesprekken ........................................................................................................ 11 Participatiemomenten ......................................................................................................... 11

Resultaat .................................................................................................................... 12 4.1 4.2

5

Bezwaar Achmea.................................................................................................................. 12 Getroffen maatregelen naar aanleiding van participatie .................................................... 13

Conclusie en vervolgstappen....................................................................................... 15 5.1 5.2

Conclusie participatieproces ................................................................................................ 15 Vervolgstappen .................................................................................................................... 15

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 3

Participatieverslag IQON Leeuwarden

1

Inleiding

Dit participatieverslag geeft een overzicht van het participatieproces rondom de herontwikkeling van het voormalige kantoorpand aan de Lange Marktstraat 14 in Leeuwarden, ook wel aangeduid als het IQON-project. In dit verslag wordt beschreven op welke wijze belanghebbenden zijn betrokken bij de planvorming en welke invloed hun inbreng heeft gehad op de uiteindelijke ontwikkeling. Het eerste hoofdstuk licht de aanleiding voor het participatietraject toe en schetst de context van de voorgenomen herontwikkeling. Daarnaast wordt de opbouw van het verslag toegelicht. Het verslag dient als verantwoording van het doorlopen participatieproces en laat zien hoe verschillende belangen, zorgen en ideeën vanuit de omgeving zijn meegewogen bij het vormgeven van het plan.

1.1 Aanleiding Aan de Lange Marktstraat 14 in Leeuwarden staat een kantoorpand dat momenteel leegstaat. De initiatiefnemer is voornemens het pand te herontwikkelen tot een gemengd gebouw met een commerciële plint. Daarboven worden vier bouwlagen ingericht als kantoorruimte. Bovenop deze kantoorlagen worden vier extra bouwlagen gerealiseerd met in totaal maximaal 20 appartementen. In het kader van deze transformatie zal de bestaande vijfde bouwlaag van het huidige pand worden gesloopt. Deze ontwikkeling draagt bij aan de versterking van de levendigheid en functiemenging in het Stationskwartier. De voorgenomen herontwikkeling is in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Leeuwarden. Binnen de geldende bestemming ‘Kantoor’ zijn de beoogde functies niet toegestaan, en de bouwhoogte en situering van de nieuwe bebouwing overschrijden de bestaande planologische kaders. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. In het kader van een zorgvuldige planvorming en in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingswet is een participatietraject opgezet. Dit traject biedt belanghebbenden de gelegenheid om hun zienswijzen en lokale kennis in te brengen, zodat deze kunnen worden meegewogen in de verdere uitwerking van het plan

1.2 Leeswijzer Het participatieverslag begint in hoofdstuk 1 met een toelichting op de aanleiding van het project en de opbouw van het document. In hoofdstuk 2 wordt de participatieaanpak uiteengezet, inclusief de doelstellingen, gehanteerde participatieniveaus, verwerking van input, resultaten en een overzicht van de betrokken stakeholders. Hoofdstuk 3 beschrijft de concrete participatieactiviteiten die zijn uitgevoerd, zoals het versturen van informatiebrieven en het voeren van één-op-één gesprekken. In

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 4

Participatieverslag IQON Leeuwarden

hoofdstuk 4 worden de ontvangen reacties besproken, met bijzondere aandacht voor de inbreng van Achmea, en wordt toegelicht welke maatregelen naar aanleiding daarvan zijn genomen. Tot slot bevat hoofdstuk 5 een reflectie op het participatieproces en een overzicht van de vervolgstappen richting besluitvorming en uitvoering.

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 5

Participatieverslag IQON Leeuwarden

2

Participatieproces

Om een zorgvuldig participatieproces te waarborgen, is voor het IQON-project een omgevingsmanager aangesteld. Deze omgevingsmanager coördineert de communicatie met bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden. De inzet van een omgevingsmanager draagt bij aan een gestructureerde dialoog tussen alle betrokken partijen en zorgt voor een transparant en toegankelijk participatieproces. De omgevingsmanager fungeert als eerste aanspreekpunt voor de omgeving. Hij of zij organiseert informatiebijeenkomsten, beantwoordt vragen, behandelt signalen en klachten, en zorgt voor tijdige en heldere communicatie over de voortgang van het project. Daarnaast monitort de omgevingsmanager de impact van de voorgenomen ontwikkeling op de directe omgeving en adviseert het projectteam over mogelijke maatregelen om zorgen weg te nemen en overlast te beperken.

2.1 Participatie aanpak Voor het herontwikkelingsproject IQON is een participatietraject opgezet dat gericht was op het informeren en betrekken van de directe omgeving. De aanpak kenmerkt zich door het versturen van informatiebrieven aan omwonenden en belanghebbenden, gecombineerd met individuele gesprekken op verzoek. Deze werkwijze bood ruimte voor maatwerk en persoonlijke toelichting, waardoor zorgen en vragen op een laagdrempelige manier konden worden besproken. De gekozen aanpak sloot aan bij de aard en schaal van het project en was gericht op het creëren van transparantie en wederzijds begrip. Door het aanbieden van één-op-één contactmomenten konden specifieke aandachtspunten uit de omgeving zorgvuldig worden opgehaald en meegenomen in de verdere planvorming. 2.1.1 Doelstellingen participatie De participatieaanpak voor het IQON-project is opgezet met als doel een zorgvuldig, transparant en toegankelijk proces te waarborgen, passend bij de stedelijke context van de Lange Marktstraat in het centrum van Leeuwarden. Binnen deze omgeving, waar zowel bewoners als ondernemers – waaronder horeca en dienstverlenende bedrijven – actief zijn, zijn de volgende doelstellingen geformuleerd:  

Het tijdig en helder informeren van belanghebbenden over de aard, reikwijdte en planning van de voorgenomen herontwikkeling; Het actief betrekken van de directe omgeving, met specifieke aandacht voor de belangen van ondernemers en bewoners, om zorgen, wensen en aandachtspunten vroegtijdig in beeld te brengen; Het creëren van draagvlak voor de ontwikkeling door middel van transparante communicatie, het bieden van ruimte voor dialoog en het serieus nemen van signalen uit de omgeving;

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 6

Participatieverslag IQON Leeuwarden

 

Het beperken van mogelijke hinder tijdens de realisatie van het project, door in gesprek te gaan over zaken als bereikbaarheid, geluidsoverlast en logistiek, met name in relatie tot de bedrijfsvoering van omliggende ondernemingen; Het benutten van lokale kennis en ervaringen om het plan waar mogelijk te optimaliseren en beter te laten aansluiten op de bestaande functies en dynamiek van het centrumgebied; Het bevorderen van vertrouwen en samenwerking tussen initiatiefnemer en omgeving, door het bieden van laagdrempelige contactmogelijkheden en het zorgvuldig terugkoppelen van de opgehaalde input.

Deze doelstellingen vormden het uitgangspunt voor de inrichting van het participatietraject en zijn richtinggevend geweest voor de wijze waarop de communicatie en interactie met de omgeving is vormgegeven. 2.1.2 Participatieniveaus Binnen het participatietraject voor het IQON-project zijn de niveaus informeren en raadplegen toegepast, conform de participatieladder. Gezien de aard en schaal van de ontwikkeling, en de ligging in een centrumgebied met een gemengde doelgroep van bewoners en ondernemers, is gekozen voor een aanpak die gericht is op transparantie, bereikbaarheid en het ophalen van signalen uit de omgeving. Informeren De initiatiefnemer heeft belanghebbenden actief geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling via meerdere communicatiekanalen. Zo zijn er twee informerende brieven verspreid onder omwonenden en ondernemers, waarin het project, de planning en de mogelijkheden tot contact zijn toegelicht. Daarnaast is een projectwebsite ingericht waarop achtergrondinformatie, visualisaties en actuele updates beschikbaar zijn gesteld. Om de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het project verder te vergroten, is op het kantoorpand aan de Lange Marktstraat een grote QR-code aangebracht. Deze kan eenvoudig worden gescand door voorbijgangers en geïnteresseerden, waarmee zij direct toegang krijgen tot de projectwebsite.

Dit draagt bij aan een laagdrempelige en transparante communicatie met de omgeving. Raadplegen Naast het verstrekken van informatie is de omgeving ook actief geraadpleegd. In de eerste brief werd belanghebbenden de mogelijkheid geboden om schriftelijk te reageren of contact op te nemen met de omgevingsmanager. Op verzoek zijn vervolgens één-op-één gesprekken gevoerd met bewoners en

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 7

Participatieverslag IQON Leeuwarden

ondernemers die specifieke vragen of zorgen wilden bespreken. Deze gesprekken boden ruimte voor het delen van lokale kennis, het uiten van aandachtspunten en het bespreken van mogelijke impact. Door deze combinatie van informeren en raadplegen is invulling gegeven aan een laagdrempelige en toegankelijke participatieaanpak. 2.1.3 Verwerking input De verwerking van de input uit het participatietraject is gestructureerd en zorgvuldig verlopen. Alle ontvangen reacties, opmerkingen en vragen zijn volgens een vast proces behandeld, met als doel om relevante signalen uit de omgeving op een transparante en verantwoorde manier mee te nemen in de verdere planvorming. Het gehanteerde proces bestond uit de volgende stappen: 

Documentatie van alle ontvangen feedback Alle schriftelijke reacties en input uit één-op-één gesprekken zijn vastgelegd. Indien van toepassing is een ontvangstbevestiging gestuurd aan de betreffende belanghebbende.

Analyse van inhoud en urgentie De binnengekomen signalen zijn geanalyseerd op inhoud, herkomst en urgentie. Daarbij is gekeken naar de aard van de opmerking (bijvoorbeeld technisch, ruimtelijk, sociaal) en de mate waarin deze van invloed is op het plan.

Interne bespreking met projectteam en experts Relevante input is besproken binnen het projectteam en, waar nodig, voorgelegd aan betrokken adviseurs en specialisten (zoals stedenbouwkundigen, ecologen of juristen).

Onderzoek naar haalbaarheid Voorstellen tot aanpassing zijn getoetst op technische, juridische en ruimtelijke haalbaarheid. Daarbij is ook gekeken naar de balans tussen belangen van de initiatiefnemer en die van de omgeving.

Terugkoppeling met onderbouwing Waar mogelijk is terugkoppeling gegeven aan de indieners van reacties, met een toelichting op de genomen besluiten en de overwegingen daarbij.

Nazorg en open communicatie Ook na de eerste terugkoppeling is ruimte geboden voor aanvullende vragen of opmerkingen. De initiatiefnemer blijft gedurende het verdere proces beschikbaar voor overleg en toelichting.

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 8

Participatieverslag IQON Leeuwarden

Deze werkwijze heeft bijgedragen aan een transparant en zorgvuldig participatieproces, waarin de input van belanghebbenden serieus is genomen en aantoonbaar invloed heeft gehad op de planvorming. 2.1.4 Resultaten De participatieaanpak voor het IQON-project heeft geleid tot concrete resultaten in zowel de planvorming als de relatie met de omgeving. De combinatie van gerichte communicatie, individuele gesprekken en openheid voor dialoog heeft bijgedragen aan een beter begrip tussen de initiatiefnemer en de directe omgeving. De participatie heeft er niet alleen toe geleid dat het plan beter aansluit bij de lokale context en belangen, maar ook dat er meer draagvlak is ontstaan voor de ontwikkeling. Door het bieden van ruimte voor inbreng en het serieus nemen van zorgen is het vertrouwen in het proces versterkt.

2.2 Stakeholders In het kader van de herontwikkeling van Lange Marktstraat 14 (IQON-project) zijn verschillende stakeholders geïdentificeerd en betrokken bij het participatieproces. Voor een gestructureerde aanpak is een stakeholdersanalyse uitgevoerd, waarin de verschillende doelgroepen zijn benoemd op basis van hun nabijheid tot het plangebied, hun belangen en hun mogelijke betrokkenheid bij de uitvoering of het gebruik van het gebouw. De belangrijkste stakeholdergroepen zijn:  Directe omwonenden Bewoners van aangrenzende panden zijn direct geraakt door de herontwikkeling, onder andere vanwege mogelijke effecten op bezonning, privacy, geluid en verkeer. Zij zijn actief geïnformeerd en uitgenodigd voor één-op-één gesprekken.  Ondernemers en horeca in de directe omgeving Gezien de ligging in het centrum van Leeuwarden is er sprake van een gemengde omgeving met diverse commerciële functies. Deze groep heeft specifieke belangen op het gebied van uitzicht, beheer, wind- en schaduweffecten. Achmea heeft actief deelgenomen aan het participatieproces en waardevolle input geleverd.  Gemeente Leeuwarden Als bevoegd gezag is de gemeente nauw betrokken bij de beoordeling van de BOPA en de afstemming van het plan met het omgevingsbeleid. De gemeente is geïnformeerd over de participatieaanpak en de resultaten daarvan.

 Afvalverwerker en nutsbedrijven Partijen zoals Omrin zijn betrokken bij de afstemming over afvalverwerking, gezien de functiewijziging van kantoor naar wonen.

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 9

Participatieverslag IQON Leeuwarden

Deze stakeholders zijn op verschillende manieren benaderd en betrokken, afhankelijk van hun rol en belang.

2.3 Communicatiemiddelen Voor het IQON-project is vanaf de start een communicatiestrategie opgezet die gericht is op transparantie, bereikbaarheid en het actief informeren van belanghebbenden. De communicatie is afgestemd op de stedelijke context van het Stationskwartier en de diversiteit aan betrokkenen, waaronder bewoners, ondernemers en vastgoedeigenaren. De volgende communicatiemiddelen zijn ingezet:  Informatie- en nieuwsbrieven: Belangrijke projectinformatie, updates en uitnodigingen voor gesprekken zijn via brieven verspreid onder omwonenden en ondernemers in de directe omgeving van Lange Marktstraat 14. Deze brieven zijn huis-aan-huis bezorgd en bevatten ook contactinformatie van de omgevingsmanager.  Website IQON – www.iqon.nl : Op de projectwebsite is actuele informatie over het plan, de planning en de participatiemogelijkheden beschikbaar gesteld. De website fungeert als centraal informatiepunt voor geïnteresseerden en wordt geactualiseerd bij belangrijke mijlpalen.  Telefonische bereikbaarheid: Gedurende het participatietraject was de omgevingsmanager telefonisch bereikbaar voor vragen, opmerkingen en het maken van afspraken voor één-opéén gesprekken. Deze laagdrempelige benadering heeft bijgedragen aan persoonlijk contact en vertrouwen.

 Sociale media: Via sociale mediakanalen van betrokken partijen is aandacht besteed aan het project en zijn updates gedeeld met een breder publiek. Dit heeft bijgedragen aan de zichtbaarheid van het project in de stad.  Lokale media: In lokale nieuwsmedia, waaronder de Leeuwarder Courant, is aandacht besteed aan de herontwikkeling van het pand. Dit heeft geholpen om ook minder direct betrokken bewoners en ondernemers te informeren over de plannen. Door deze mix van communicatiemiddelen is gestreefd naar een zo breed mogelijk bereik van alle relevante doelgroepen. De combinatie van schriftelijke, digitale en persoonlijke communicatie heeft ervoor gezorgd dat belanghebbenden op verschillende manieren geïnformeerd en betrokken konden worden.

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 10

Participatieverslag IQON Leeuwarden

3

Participatieactiviteiten

In dit hoofdstuk worden de participatieactiviteiten beschreven die hebben plaatsgevonden in het kader van de herontwikkeling van Lange Marktstraat 14 (IQON-project). De participatie is onderverdeeld in twee hoofdcategorieën: schriftelijke communicatie en individuele gesprekken. De participatieaanpak was gericht op het tijdig informeren van de directe omgeving en het bieden van ruimte voor persoonlijke terugkoppeling. Gezien de ligging in het centrum van Leeuwarden is hierbij specifiek aandacht besteed aan zowel bewoners als ondernemers, waaronder horecagelegenheden.

3.1 Schriftelijke communicatie Als eerste stap is een informerende brief verspreid onder omwonenden en ondernemers in de directe omgeving van het plangebied. In deze brief werd het project aangekondigd, de aard van de ontwikkeling toegelicht en werd kenbaar gemaakt dat de initiatiefnemer openstond voor gesprek. De brief had als doel om de omgeving vroegtijdig te informeren en de drempel tot contact te verlagen. Enkele weken later is een tweede brief verstuurd aan dezelfde doelgroep. Deze updatebrief bevatte een terugkoppeling van de stand van zaken, een samenvatting van de reeds gevoerde gesprekken en een toelichting op de vervolgstappen in het proces.

3.2 Individuele gesprekken Naar aanleiding van de eerste brief zijn één-op-één gesprekken aangeboden aan belanghebbenden die behoefte hadden aan nadere toelichting of het delen van specifieke zorgen of wensen. Deze gesprekken vonden op afspraak plaats en boden ruimte voor een vertrouwelijke en gerichte uitwisseling van informatie. Alleen één ondernemer heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.

3.3 Participatiemomenten Hieronder volgt een chronologisch overzicht van de participatiemomenten: 1. Juli 2024 – Eerste informatiebrief verspreid onder omwonenden en ondernemers 2. Juli 2024 - heden – Mogelijkheid tot één-op-één gesprekken; gesprekken op verzoek gevoerd 3. November 2024 – Tweede brief (update) verstuurd aan stakeholders met terugkoppeling en vervolgstappen

Projectnummer: BS2024-146

Datum: 13-06-2025

Pagina 11

Participatieverslag IQON Leeuwarden

4

Resultaat

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het participatietraject weergegeven. Daarbij wordt ingegaan op de ontvangen reacties, de gevoerde gesprekken en de wijze waarop deze input is meegenomen in de verdere planvorming.

4.1 Bezwaar Achmea Achmea, eigenaar van het naastgelegen kantoorgebouw de Bonnematoren, is als directe buur een belangrijke stakeholder binnen het projectgebied. Naar aanleiding van de conceptaanvraag voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en de bijbehorende onderliggende studies, heeft Achmea een schriftelijke reactie ingediend en tevens een één-op-één gesprek aangevraagd. Dit gesprek heeft plaatsgevonden en bood ruimte voor een nadere toelichting op hun zorgen. In hun reactie uit Achmea bezwaar op meerdere onderdelen van het plan, waaronder: 

Bezonning en windhinder: Achmea stelt dat de optopping van het gebouw leidt tot een merkbare afname van daglichttoetreding op de lagere verdiepingen van hun kantoorgebouw. Zij vragen om een duidelijke conclusie op basis van de zonnestudie, inclusief de gehanteerde normen. Ook wordt gevraagd naar de toetsingskaders en uitkomsten van de windstudie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=6eb84de6-cb6e-48c6-9aee-10307cd323a0