Notitie Reikwijdte en Detailniveau Basisnotitie
Tekst van het document
59 60 61
015642_3898_Bijlage_IV_bij_NRD_Leefomgevingsfoto_POVI_Fryslan_concept.pdf 015642_3898_Bijlage_IV_bij_NRD_Leefomgevingsfoto_POVI_Fryslan_concept.pdf https://www.altwym.nl/wp-content/uploads/2021/05/AWrapport-20_224_-Weidevogeltrends-Fryslan-2014-2020_eindrapport.pdf
39/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Bij de kolgans is landelijk zelfs een afname gaande en komen de aantallen recent in de buurt van de ondergrens van een goede landelijke staat van instandhouding. Het is gelukt om 45% van de ganzen te concentreren in de ganzenfoerageergebieden. Toch blijkt dat lang niet alle ganzen zich in de ganzenfoerageergebieden concentreren. Hooguit de helft (bij de brandgans) pleistert in de ganzenfoerageergebieden, maar bij kolgans en grauwe gans aanzienlijk minder. Van alle soorten komt dus een belangrijk deel voor buiten de ganzenfoerageergebieden. Vooral voor de brandgans werken de foerageergebieden goed omdat de ligging van de gebieden goed aansluit bij de historische verspreiding en gebiedskeuze van de soort. De kolgans lijkt minder te profiteren van de ganzenfoerageergebieden. Of een sterkere mate van concentratie van ganzen in de huidige ganzenfoerageergebieden mogelijk is, is zeer de vraag, omdat de begrazingsdruk door de brandgans mogelijk ongunstig uitpakt voor de andere twee soorten, die met korte zode slecht uit de voeten kunnen.62 De onzekere autonome ontwikkeling van NNN, weidevogelkansgebieden en Ganzenfoerageergebieden maakt dat dat dit als slecht wordt beoordeeld. 5.2.4 Belangrijkste opgaven De oppervlakte (en kwaliteit) van NNN en andere natuurgebieden blijft achter.
De uitvoering van de doelstelling om in 2027 80.000 hectare nieuwe natuur te realiseren ligt niet op schema. In 2021 was slechts 45.000 hectare ingericht. Ook de autonome ontwikkeling schiet tekort, omdat de voorziene uitbreidingen onvoldoende zijn om de noodzakelijke natuurdoelen te halen. Ook hiervoor geldt dat de belangrijkste opgaven de toenemende verstedelijking, versnippering van leefgebieden, de druk op de waterkwaliteit en de effecten van veenoxidatie zoals verdroging en CO₂-uitstoot vormen. De gemeente heeft hiervoor beleid geformuleerd: het Uitvoeringsprogramma vergroening (2024), het beleidskader Biodiversiteit (2024) en het Uitvoeringsprogramma biodiversiteit (2025). De ambities hieruit staan in de vorige paragraaf over biodiversiteit omschreven. De gemeente Leeuwarden heeft dus beleid voor de oppervlakte van natuurgebieden, maar er is naar verwachting wel aanvullend beleid nodig om de negatieve trend van de afgelopen decennia te keren.
5.3
Natura 2000-gebieden (inclusief stikstof)
Natura 2000 is het samenhangende netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Deze natuurgebieden zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn door de Europese Unie geselecteerd omdat ze soorten en habitattypen bevatten die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Met richtlijnen voor deze gebieden wil de Europese Unie zowel de planten- en diersoorten als hun leefgebied beschermen. In Nederland liggen 162 Natura 2000-gebieden.
62
https://cuatro.sim-cdn.nl/fryslan/uploads/ecologische_evaluatie_fryske_guozze-oanpak_2021.pdf?cb=zEvzGfkm
40/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden te veel stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dat komt bijvoorbeeld door mest van landbouwbedrijven en de uitstoot van industrie en verkeer. Te veel stikstof is schadelijk voor de natuur, omdat stikstof ervoor zorgt dat de bodem verrijkt wordt met voedingsstoffen. Omdat de bodem in natuurgebieden van nature veel voedselarmer is, vormt stikstof een probleem. Daarom wordt stikstof in deze paragraaf meegenomen. 5.3.1
Beoordelingssystematiek
In de tabel hierna wordt de beoordelingssystematiek van Natura 2000-gebieden weergegeven. Tabel 5.4 Beoordelingssystematiek Natura 2000-gebieden (inclusief stikstofdepositie). Indicator
Criterium
Slecht
Natura 2000-gebieden
Mate waarin
Natuurdoelstellingen Natuurdoelstellingen Natuurdoelstellingen
Redelijk
Goed
(inclusief stikstofdepositie)
natuurdoelinstellingen
worden (bijna)
worden gedeeltelijk worden (bijna)
worden behaald
allemaal niet
gehaald
allemaal gehaald
gehaald
5.3.2 Huidige situatie In Figuur 5.7 worden de Natura 2000-gebieden in en rondom de gemeente Leeuwarden weergegeven. Binnen de rekenafstand van maximaal 25 kilometer van de gemeentegrenzen, die bij stikstofberekeningen met de AERIUS Calculator worden gehanteerd, liggen in totaal (delen van) 13 Natura 2000-gebieden. Twee daarvan liggen binnen de gemeentegrenzen: Alde Feanen en Groote Wielen.
41/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Figuur 5.7 Natura 2000-gebieden in en rondom gemeente Leeuwarden. Bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2024. Geraadpleegd via Nationaal Georegister in 202563.
In deze leefomgevingsfoto worden alleen de gebieden meegenomen waar ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed kunnen zijn. Alleen de effecten van stikstofdepositie reiken over grotere afstanden. Daarom is eerst een selectie gemaakt van gebieden die stikstofgevoelig zijn en waar sprake is van een overbelaste situatie (zie linker rij hieronder). De twee gebieden binnen het plangebied (Alde Feanen en de Groote Wielen) liggen in of direct naast het plangebied en worden daarom in ieder geval beschouwd. • Alde Feanen • Deelen • • •
Bakkeveense Duinen Rottige Meenthe & Brandemeer Van Oordt’s Mersken
• • •
IJsselmeer Lauwersmeer Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving
• • •
Waddenzee Wijnjeterper Schar Groote Wielen
• •
Sneekermeergebied Witte en Zwarte Brekken
In de natuurdoelanalyses (NDA’s) staat beschreven hoe de stikstofgevoelige Natura 2000gebieden ervoor staan. Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van de actuele situatie vanuit de NDA’s vanuit de drukfactor stikstof.
63
https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/8829e5dd-c861-4639-a6c8-fdbb6e3440d2
42/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
De Groote Wielen is net als de Alde Feanen ook meegenomen, omdat deze gedeeltelijk binnen de gemeente ligt en worden daarom ook uitgebreider beschreven dan de andere gebieden. In veel natuurgebieden is het maatregelenpakket onvoldoende om verslechtering uit te sluiten. Over een aantal soorten en leefgebieden is onvoldoende informatie beschikbaar. Tabel 5.5 Beknopte samenvatting doelbereik habitatrichtlijnsoorten en habitattypen uit natuurdoelanalyses. Bron: Omgevingsvisie Fryslân, Antea Group, 202564. Natuurdoelanalyse
Actuele situatie vanuit instandhoudingsdoelen
Alde Feanen (HRL+VRL65)
De Alde Feanen is van oorsprong een bijzonder dynamisch landschap met grote wisselingen in waterpeilen waar over de tijd de zee, veenvorming en vervening een biodivers moerasgebied heeft gevormd. Een groot deel van de aanwezige habitattypen en soorten zijn hierbij afhankelijk van waterdynamiek en het proces van verlanding. De dynamiek en invloed van basenrijk water de afgelopen decennia sterk afgenomen mede door minder infiltratie en meer wegzijging en is de invloed van het Friese boezemwater met een lagere kwaliteit toegenomen. Hierdoor is onder andere de verlanding gestagneerd. De afgelopen jaren is de waterkwaliteit binnen het gebied verbeterd waarbij ook alweer onderwatervegetaties zijn ontstaan. De verlanding lijkt langzaam weer op gang te komen. Het systeem zit echter nog op een kritiek punt. Daarnaast zorgt het verstoorde hydrologische systeem en de te hoge stikstofdepositie voor druk op het gebied door vermesting, verzuring en verdroging. De effecten van deze drukfactoren zijn duidelijk zichtbaar in het veld door verruiging, verarming van de soortenrijkdom en versnelde successie met name in de blauwgraslanden en veenmosrietlanden. In de hoogveenbossen is verdroging vooral een groot probleem wat de vermesting versterkt.
De vochtige heiden doen het vooralsnog goed in het gebied, doordat de drukfactoren voor dit habitattype momenteel met adequaat beheer goed onderdrukt kunnen worden. De aangewezen soorten in het gebied maken gebruik van leefgebieden waarvoor dezelfde processen als voor de habitattypen de soorten beïnvloeden. Vele soorten in en rond het water hebben afgelopen jaren positief gereageerd op de verbetering van de waterkwaliteit. Echter zijn deze verbeteringen voor sommige soorten onvoldoende of hebben ze zelfs een negatief effect gehad door verlaging van de voedselbeschikbaarheid.66 Met voortzetting van het huidige beheer worden de instandhoudingsdoelstellingen voor 14 van 28 de VHR-soorten op termijn niet gehaald.
64
015642_3898_Bijlage_IV_bij_NRD_Leefomgevingsfoto_POVI_Fryslan_concept.pdf De Vogelrichtlijn (VRL) en de Habitatrichtlijn (HRL) zijn door de Europese Unie opgesteld om de biologische biodiversiteit in Europa in stand te houden. In deze richtlijnen wordt aangegeven welke planten en dieren en hun natuurlijke habitats (leefgebieden) beschermd moeten worden door de lidstaten van de Europese Unie. De Vogelrichtlijn (VR) is gericht op in het wild levende vogelsoorten. De Habitatrichtlijn (HR) is gericht op dier- en plantensoorten. De richtlijnen zorgen voor gebieds- en soortenbescherming in Europa. 66 Natuurdoelanalyse Alde Feanen 65
43/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Natuurdoelanalyse
Actuele situatie vanuit instandhoudingsdoelen
Rottige Meenthe en
In 7 van de 9 habitattypen is het huidige maatregelen pakket onvoldoende om
Brandemeer (VRL)
verslechtering uit te sluiten. Bron en herstelmaatregelen zijn urgent. Voor de habitattypen ruigten en zomen zijn onvoldoende gegevens beschikbaar. Met voortzetting van het huidige beheer worden de instandhoudingsdoelstellingen voor 6 van 9 de VHR-soorten op termijn niet gehaald.
Bakkeveense Duinen (HRL)
In 9 van de 10 habitattypen is het huidige maatregelen pakket onvoldoende om verslechtering uit te sluiten. Bron- en herstelmaatregelen zijn urgent. Voor de habitattypen actieve hoogvennen, zwak bufferende en zure vennen zijn onvoldoende gegevens beschikbaar.
Van Oordts mersken
In 3 van de 5 habitattypen is het huidige maatregelen pakket onvoldoende om
(HRL+VRL)
verslechtering uit te sluiten. Bron en herstelmaatregelen zijn urgent. Voor het habitattype Oude eikenbossen zijn onvoldoende gegevens beschikbaar. Met voortzetting van het huidige beheer worden de instandhoudingsdoelstellingen voor 5 van 7 de VHR-soorten op termijn niet gehaald.
Wijnjeterper Schar (HRL)
In 6 van de 8 habitattypen is het huidige maatregelen pakket onvoldoende om verslechtering uit te sluiten. Bron- en herstelmaatregelen zijn hier urgent.
Wadddenzee (HRL+VRL)
Binnen het habitattype Grijze duinen op Texel zijn er knelpunten ten aanzien van stikstof.
Groote wielen (HRL+VRL)
Geen knelpunten ten aanzien van stikstof67. Uit de evaluatie van het 1e beheerplan (2022) blijkt dat voor de soorten kolgans, brandgans, grutto en smient de knelpunten in de Groote Wielen beperkt zijn. Voor deze soorten blijft het nodig om te zorgen voor het behoud van rustgebied. De rietzangerpopulatie staat momenteel niet sterk onder druk, al is het nodig om maatregelen te blijven nemen om voldoende broedgebied geschikt te houden. De natuurdoelen voor porseleinhoen, kemphaan en noordse woelmuis worden niet gehaald. Het leefgebied – rietmoeras en natte graslanden – van deze soorten is nog in beperkte kwaliteit aanwezig. Dit komt voornamelijk door het gebrek aan waterpeildynamiek. Voor de meervleermuis liggen de knelpunten bij het verlies van verblijfplaatsen in gebouwen, wat zorgt voor een afname van de populatie. Ook de bittervoorn lijkt in verspreiding af te nemen. Deze soort ondervindt negatieve effecten door een slechte verbinding tussen polders en boezem en obstakels in waterwegen en duikers.
Uit de natuurdoelanalyse blijkt dat bij voortzetting van het huidige beleid de instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en doelsoorten in veel gevallen niet worden bereikt. Het Fries Programma Landelijk Gebied (FPLG) vormde een belangrijk instrument om aanvullend beleid op te stellen en financiële ondersteuning te bieden voor het ontwikkelen van passend beleid om de doelstellingen te bereiken. Met het wegvallen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied en een (voorlopig) uitblijven van een vervolg op het FPLG, is het onduidelijk in welke mate en met welke middelen de natuurdoelstellingen behaald kunnen worden.
67
Concept Natuurdoelanalyse Groote Wielen Verkorte versie
44/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
De huidige situatie van Natura 2000-gebieden (inclusief stikstofdepositie) wordt als slecht beoordeeld. 5.3.3
Autonome ontwikkeling
De prognose voor 2030 is dat de stikstofdepositie op veel plaatsen niet sterk genoeg daalt om de stikstofdepositie onder de Kritische Depositie Waarden (KDW) te brengen, waardoor de stikstofdruk relatief hoog blijft. Behalve de ontwikkeling van stikstofdepositie in Natura 2000gebieden, zijn door vastgesteld beleid en andere autonome ontwikkelingen verschillende veranderingen in en om Natura 2000- gebieden te voorzien die van invloed zijn of kunnen zijn op de instandhoudingsdoelstellingen. Dit zijn: Waterkwaliteit (KRW). Verwacht mag worden dat de uitvoering van de doelen uit de KRW positief bijdraagt aan de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor een instandhoudingsdoel geldt in de Natura 2000-gebieden. De exacte effecten op de habitattypen en soorten zijn echter moeilijk te voorspellen. Dit komt doordat er vaak meer factoren een rol spelen dan alleen grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en omdat het soms een tijd duurt voordat positieve effecten resulteren in een groter oppervlakte van het habitattype of een groei van de populatie van een soort. •
Het is dus niet precies mogelijk om aan te geven hoeveel deze ontwikkeling positief bijdraagt
•
aan de instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden. Natuurherstelmaatregelen in en om Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden in Nederland zijn natuurherstelmaatregelen in en om Natura 2000-gebieden voorzien die tot doel hebben om de instandhoudingsdoelstellingen in de Natura 2000-gebieden te bereiken of te behouden voor de toekomst. Hoewel niet exact duidelijk is hoeveel deze maatregelen in 203568 zullen hebben bijgedragen aan de autonome ontwikkeling, mag tenminste worden
•
verwacht dat er sprake is van een positief effect op de instandhoudingsdoelstellingen. Klimaatverandering. De effecten van klimaatverandering hangen af van ontwikkelingen over de hele wereld en zijn dus niet aan specifiek Nederlands of provinciaal beleid te koppelen. De effecten van klimaatverandering zijn echter wel belangrijk voor de ontwikkelingen in Natura 2000-gebieden tot 2035. Door een toename van de temperatuur en een toename van weersextremen, zoals droogte en overvloedige regen, zijn negatieve effecten op zowel habitattypen als soorten te verwachten. De exacte effecten tot 2035 zijn echter onmogelijk te voorspellen, te meer omdat deze sterk afhangen van de inzet van natuurherstelmaatregelen die de effecten op habitattypen en soorten verminderen of geheel wegnemen.
Daarmee wordt de autonome ontwikkeling van Natura 2000-gebieden (inclusief stikstofdepositie) slecht beoordeeld. 5.3.4 Belangrijkste opgaven De Natura 2000-gebieden rond Leeuwarden hebben te maken met de opgave van stikstofdepositie.
68
Dit is het eindjaar van het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering 2022-2035.
45/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Daarnaast worden de instandhoudingsdoelstellingen voor veel soorten en habitattypen niet gehaald. Ook de autonome ontwikkeling voor 2030 bieden weinig verbetering wat betreft de stikstofdepositie. Voor de instandhoudingsdoelstellingen worden positieve ontwikkelingen (KRWrichtlijnen en natuurherstelmaatregelen) en negatieve ontwikkelingen (klimaatverandering) verwacht. Dit vormen ook opgaven. De gemeente heeft het volgende beleid geformuleerd, wat relevant is voor Natura 2000: het Uitvoeringsprogramma vergroening (2024), het Beleidskader biodiversiteit (2024) en het Uitvoeringsprogramma biodiversiteit (2025). De ambities hieruit staan in de paragraaf over biodiversiteit omschreven. De gemeente Leeuwarden heeft ook een Beleidskader water (2024). Dit beleidskader richt zich onder andere op het verbeteren van de waterkwaliteit. Dit is relevant voor de soortenrijkdom in de wateren van de gemeente. Voor Natura 2000-gebieden zijn beheerplannen en natuurdoelanalyses opgesteld. De gemeente Leeuwarden heeft daarnaast beleid voor vergroening en biodiversiteit, maar er is aanvullend beleid nodig om de doelstellingen voor de Natura 2000-gebieden te behalen. Sinds 2024 geldt in de hele EU de Natuurherstelverordening (NHV), die landen verplicht natuur te beschermen én te herstellen, ook buiten Natura2000-gebieden. Doel is dat in 2030 30%, in 2040 60% en in 2050 90% van de natuur is hersteld.
Nederland moet hiervoor een Natuurplan opstellen met maatregelen voor land, water, kust, landbouw, steden en zee. Dit plan wordt gemaakt door Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten, samen met belangenorganisaties, en moet uiterlijk 1 september 2026 in concept naar de Europese Commissie voor feedback.69 Gezien de brede reikwijdte van deze verordening zal deze naar verwachting leiden tot aanvullend beleid.
6 Klimaatadaptatie Het klimaat verandert. De temperaturen stijgen. Er is meer kans op een extreme regenbui, op een hittegolf en op langere periodes van droogte. Nederland, en zo ook de gemeente Leeuwarden, moet zich voorbereiden op de risico’s van het veranderende klimaat en de omgeving hierop aanpassen. Dit heet klimaatadaptatie. In de volgende tabel zijn de kwaliteitsniveaus samengevat van de indicatoren van het thema klimaatadaptatie in de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Tabel 6.1 Beoordeling indicatoren klimaatadaptatie. Indicator Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
Wateroverlast
Hitte
69
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/nederlandse-natuur-sneller-herstellen-natuurherstelverordening
46/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Indicator
Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
Droogte
6.1
Wateroverlast
Door klimaatverandering krijgen we vaker te maken met extreme of hevige hoosbuien. Hevige neerslag in een korte periode kan zorgen voor wateroverlast. De meeste schade door hoosbuien treedt op wanneer het water (over de stoepen) gebouwen instroomt. Als vervuild water op straat blijft staan, kan regenwater zich mengen met water dat terugkomt uit het riool. Dit kan ziektes veroorzaken. Door de opwarming van de aarde valt er meer regen in Nederland. Vanaf 1906 tot nu is de jaarlijkse neerslag toegenomen met 18 procent. Dit komt vooral voor rekening van de winter en de herfst met in beide seizoenen 26 procent meer neerslag. De toename wordt voor een deel veroorzaakt doordat warmere lucht in het opgewarmde klimaat meer waterdamp kan opnemen. Bovendien waait de wind vaker uit het vochtige westen wat ook een rol speelt in deze toename. 6.1.1
Beoordelingssystematiek
In de tabel hierna wordt de beoordelingssystematiek van wateroverlast weergegeven. Tabel 6.2 Beoordelingssystematiek wateroverlast. Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Goed
Wateroverlast
Hoeveelheid water (in
Hevige
Wateroverlast na
Geen wateroverlast
cm) dat op straat kan
wateroverlast na
hevige bui
na hevige bui
komen te staan na een hevige bui hevige bui (70 mm neerslag in 2 uur)
6.1.2 Huidige situatie Op Figuur 6.1 en Figuur 6.2 is te zien hoeveel water na een hevige bui op straat kan blijven staan. Hoe donkerder de kleur, hoe dieper het water. De kaarten zijn door de Klimaateffectatlas gemaakt met een rekenmodel. De maximale waterdiepte wordt getoond voor stedelijk en buitengebied bij twee extreme buien: 70 mm in 2 uur en 140 mm in 2 uur, die respectievelijk eens per 100 en 1000 jaar voorkomen.
47/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Door klimaatverandering kunnen deze kansen aan het einde van de eeuw verdubbelen.
Figuur 6.1 Waterdiepte op straat in gemeente Leeuwarden na een extreme bui (1/100j). Bron: Klimaateffectatlas, 2018. Geraadpleegd via Klimaateffectatlas in 202570.
70
https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer
48/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Figuur 6.2 Waterdiepte op straat in gemeente Leeuwarden na een extreme bui (1/1000j). Bron: Klimaateffectatlas, 2018. Geraadpleegd via Klimaateffectatlas in 202571.
Hevige buien en intensere neerslag veroorzaken in bebouwd gebied in Leeuwarden wateroverlast op straat72. Volgens het rapport Langs de Lijnen van de Toekomst belemmert de versteende omgeving, met name in de stad, de opvang van water. Dit blijkt ook uit bovenstaande figuren. Extreme buien zorgen dat water vaker tegen gevels van panden komt te staan. In de gemeente Leeuwarden komt dit bij 43% van de panden bij extreme buien boven 5 cm voor. Bij 35% van de panden gaat het om 1-5 cm water tegen de gevel.73 De gemeente ziet met name de vooroorlogse uitbreidingswijken als risicogebieden voor wateroverlast. Vanwege de wateroverlast in de huidige situatie wordt dit als redelijk beoordeeld. 6.1.3 Autonome ontwikkeling Met klimaatverandering worden de winters in Nederland steeds natter en vallen er in de zomer steeds meer piekbuien. Deze ontwikkeling zal zich ook in de toekomst doorzetten. Met meer (hevige) neerslag neemt ook de kans op wateroverlast toe. Hoewel de gevolgen van waterovervloed groot kunnen zijn, zijn er verschillende nuanceringen te maken bij deze trend. Zo kan waterovervloed worden opgevangen door de vergroening van stedelijke, verharde gebieden. 71 72 73
https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2023-1584/1/bijlage/exb-2023-1584.pdf https://www.leeuwarden.nl/wp-content/uploads/import/uitvoeringsagenda_klimaatadaptatie.pdf
49/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Meer groenvoorzieningen, zoals parken en groene structuren, en blauwe structuren, zoals waterbuffers en groene daken, verminderen wateroverlast en vergroten de infiltratiecapaciteit.74 De gemeente Leeuwarden zet hier in haar beleid op in. Ondanks de ontwikkelingen omtrent vergroening van het bebouwde gebied is de verwachting dat de autonome ontwikkeling toch leidt tot meer wateroverlast ten opzichte van de huidige situatie. De autonome ontwikkeling voor wateroverlast wordt daarom slecht beoordeeld. 6.1.4 Belangrijkste opgaven De belangrijkste opgave uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling vormt het aanpakken van wateroverlast bij hevige neerslag, met name in bebouwde gebieden, door het realiseren van 65.000 m³ waterberging. De gemeente Leeuwarden heeft hiervoor beleid geformuleerd, namelijk in het Uitvoeringsagenda klimaatadaptatie 2021-2035. Deze uitvoeringsagenda gaat in op de verschillende aspecten van klimaatadaptatie. De aspecten hangen nauw met elkaar samen, maar de opgaven en ambities worden per indicator afzonderlijk toegelicht. Hieronder worden de relevante ambities en doelen voor wateroverlast omschreven. Het concrete uitgangspunt is dat Leeuwarden in 2035 volledig klimaatadaptief is, waarbij de stad bestand is tegen wateroverlast.
Hiervoor is een integrale aanpak noodzakelijk, waarin de gemeente samenwerkt met bewoners, bedrijven en partners om zowel openbare als private gebieden klimaatbestendig in te richten. Een aanvullend uitgangspunt is dat alle nieuwbouw direct klimaatadaptief wordt aangelegd volgens het Kwaliteitshandboek Openbare Ruimte. Voor de wateroverlastopgave is ook vergroening relevant. Hierna staan de relevante doelen omschreven uit het Uitvoeringsprogramma vergroening: • •
Het vergroenen van de stad om beter bestand te zijn tegen extreme regenval; Het betrekken van inwoners en samenwerkingspartners bij het vergroenen van de leefomgeving.
Kortom, de gemeente heeft beleid voor het aanpakken van wateroverlast, maar met klimaatverandering zijn de gevolgen mogelijk groter. Daarom is het relevant om hiervoor aanvullend beleid te formuleren.
6.2
Hitte
Vanwege klimaatverandering neemt het aantal (extreem) warme dagen toe in Nederland. Stijgende temperaturen zorgen ervoor dat we steeds meer last krijgen van hitte en het hitteeilandeffect. Het hitte-eilandeffect is het fenomeen waarbij stedelijke gebieden hogere temperaturen ervaren dan hun omliggende landelijke gebieden, vaak als gevolg van verstedelijking, verharding van oppervlakken en vermindering van groen.
74
https://www.pbl.nl/system/files/document/2024-05/pbl-2024-klimaatrisicos-in-nederland-5359.pdf
50/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Hoge temperaturen kunnen leiden tot hittestress. Deze hittestress kan leiden tot een verminderd thermisch comfort, slaapverstoring en verminderde arbeidsproductiviteit. Hittestress kan echter ook tot serieuze hitte gerelateerde ziekten leiden, zoals beroertes, nierfalen en ademhalingsproblemen. Soms kan hittestress zelfs sterfte tot gevolg hebben. 6.2.1 Beoordelingssystematiek In de tabel hierna wordt de beoordelingssystematiek van hitte weergegeven. Tabel 6.3 Beoordelingssystematiek hitte. Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Goed
Hitte
Hitte-eilandeffect
Verhoogde
Matige verhoogde
Geen verhoogde
gevoelstemperatuur gevoelstemperatuur gevoelstemperatuur
6.2.2 Huidige situatie Figuur 6.3 geeft het stedelijk hitte-eilandeffect weer in graden Celsius. Dit betreft het gemiddelde verschil in luchttemperatuur tussen stedelijke gebieden en de omliggende landelijke omgeving. Het hitte-eilandeffect is het sterkst in de nacht, wanneer de luchttemperatuur in stedelijke gebieden minder afkoelt. Hierdoor kunnen kwetsbare groepen, zoals baby’s, kinderen en ouderen, gezondheidsproblemen ondervinden.
51/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Figuur 6.3 Stedelijk hitte-eiland effect in gemeente Leeuwarden. Bron: Atlas Natuurlijk Kapitaal, 2017. Geraadpleegd via Klimaateffectatlas in 202575.
Zoals te zien in de figuur, is het hitte-eilandeffect binnen de gemeente het grootst in de stad Leeuwarden (max. 1,8 °C). Dit wordt vooral veroorzaakt door de hoge mate van verharding. Ook de dorpskernen Stiens (max. 1,0 °C), Wergea (max. 0,8 °C) en Grou (max. 0,4 °C) lichten op de kaart licht op, doordat ook daar relatief veel verharding aanwezig is in vergelijking met het buitengebied. In het buitengebied zelf is het stedelijk hitte-eilandeffect verwaarloosbaar tot afwezig (0 - 0,2 °C). In de stad Leeuwarden zijn wijken met veel verstening en beperkte groenvoorzieningen zijn extra gevoelig voor hittestress. Circa één derde van de wijken in de gemeente Leeuwarden kent minder dan 30% groenoppervlakte.76 Volgens het rapport Langs de Lijnen van de Toekomst bestaat er in de gemeente Leeuwarden een spanningsveld tussen verstedelijking en vergroening. Ondanks een intensivering van het beleid sinds het Klimaatakkoord (2019) blijven de resultaten vaak beperkt. In het buitengebied en in de dorpen speelt het hitte-eilandeffect niet of slechts in beperkte mate een rol. In een groot deel van de stad Leeuwarden is er echter wel een stedelijk hitte-eiland aanwezig. Daarom wordt de huidige situatie van het stedelijk hitte-eilandeffect als redelijk beoordeeld.
75 76
https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer https://leeuwarden.incijfers.nl/mosaic/leeuwarden/leefomgeving-en-onderhoud-2
52/102
Kenmerk
6.2.3
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Autonome ontwikkeling
Door klimaatverandering worden de zomers in Nederland steeds warmer, een ontwikkeling die zich naar verwachting ook in de toekomst zal voortzetten. Met oplopende temperaturen nemen zowel het stedelijk hitte-eilandeffect als de kans op hittestress toe. Ook in Leeuwarden zullen de gevolgen van klimaatverandering verder merkbaar zijn, onder andere door toenemende droogte en hogere temperaturen. In stedelijke gebieden kan de temperatuur 5 tot 10 graden hoger liggen dan in het omliggende platteland, voornamelijk door de grote mate van verharding en bebouwing in de stad.77 Door de hogere temperaturen gedurende de zomers ten opzichte van de huidige situatie wordt de autonome ontwikkeling voor hitte als slecht beoordeeld. 6.2.4
Belangrijkste opgaven
De belangrijkste opgave uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling vormt het treffen van maatregelen op strategische plaatsen om, met name in bebouwde gebieden, de negatieve effecten van het hitte-eilandeffect te beperken en daarmee hittestress te voorkomen. De gemeente Leeuwarden heeft hiervoor beleid geformuleerd in haar Uitvoeringsagenda vergroening. Deze uitvoeringsagenda gaat in op de verschillende doelen van vergroening, waaronder klimaatbestendigheid. De ambities die de gemeente heeft geformuleerd voor hittestress zijn: •
Het maken van voldoende koele plekken op loopafstand voor inwoners. Concreet betekent dit dat elke inwoner een park of een koele groene plek van minimaal 200m2 kan bereiken binnen 300 meter loopafstand
•
Op en langs wandel- en fietspaden zorgt de gemeente voor voldoende schaduw. De gemeente wil op de belangrijkste routes door de stad en richtingen de dorpen met groen 30% schaduw creëren bij nieuwe en bestaande fiets- en wandelpaden
•
Nieuwe wijken en gebiedsontwikkelingen richt de gemeente klimaatadaptief in. Hiervoor wordt de vuistregel 3-30-300 gebruikt. Dit betekent dat vanuit elke woning 3 bomen te zien zijn, 30% van de openbare ruimte in de wijk is groen en elke inwoner kan binnen 300 meter van zijn
•
woning gebruik maken van een koelteplek. Bij voorkeur geldt deze vuistregel ook in bestaande buurten en wijken, maar daarvoor zijn de mogelijkheden beperkter Verder worden andere vergroeningsmaatregelen getroffen om een gezonde, klimaatbestendige en biodiverse leefomgeving te creëren, zoals het realiseren van 40 groene schoolpleinen en het herstellen, versterken en beschermen van bestaand groen en het aanleggen van nieuw groen.
Kortom, de gemeente heeft beleid voor het aanpakken van hittestress, maar met klimaatverandering zijn de gevolgen onvoorspelbaar en mogelijk groter. Daarom is het belangrijk om te blijven monitoren en zo nodig het beleid bij te stellen.
77
https://www.groenleeftinleeuwarden.nl/wat-doet-de-gemeente/klimaataanpassing/
53/102
Kenmerk
6.3
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Droogte (in relatie tot natuur en landbouw)
Wereldwijd staat de verdeling van water onder druk. Er is een disbalans, waardoor er sprake is van waterschaarste: een tekort aan water. De vraag naar water neemt sterk toe doordat de bevolking groeit, industriële activiteiten en door intensievere landbouw.78 Ook klimaatverandering kan zorgen voor periodes van langdurige droogte. Wereldwijd is de uitstoot van broeikasgassen als CO2 toegenomen in de laatste decennia79. Dit leidde tot temperatuurverhogingen en extreme weersituaties wereldwijd80. De Verenigde Naties verwacht dat in 2050 75% van de wereldbevolking te maken heeft met zoetwaterschaarste81. Door bodemdaling en zeespiegelstijging neemt het risico op verzilting van landbouwgronden en drinkwaterbronnen toe, die een tekort verder in de hand werken82. Het RIVM noemt de situatie urgent83. Volgens sommige schattingen kan in 2030 sprake zijn van een watertekort in heel Nederland84. 6.3.1
Beoordelingssystematiek
In de tabel hieronder wordt de beoordelingssystematiek van droogte weergegeven. Tabel 6.4 Beoordelingssystematiek droogte. Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Droogte
Verhoogde kans op
Verhoogde kans op Matige verhoogde
Geen verhoogde
droogte
droogte
kans op droogte
kans op droogte
Goed
6.3.2 Huidige situatie Tijdens warme en droge periodes, zoals de zomer en lente, kan de bodem zo ver uitdrogen, dat planten niet meer optimaal kunnen verdampen. Ze ondervinden dan droogtestress. Eerst sluit een plant zijn huidmondjes om waterverlies via verdamping te voorkomen, maar uiteindelijk kan hij geheel of gedeeltelijk afsterven. Droogtestress komt vooral voor op bodems met een diepe grondwaterstand beneden het maaiveld en met een grove textuur, zoals grof zand. Op zware kleigrond, die een groot deel van de bodem in de gemeente Leeuwarden beslaat, ontstaat echter ook makkelijk droogtestress. In de landbouw leidt droogtestress tot een afname van de gewasopbrengst. Dit verlies wordt ook wel opbrengstderving genoemd. Opbrengstderving is het verlies aan verwachte productie of opbrengst in landbouw, maar ook in andere systemen zoals natuur, veroorzaakt door in dit geval droogte. Boeren zullen opbrengstderving proberen te voorkomen door bijvoorbeeld hun gewassen te beregenen.85
78
https://www.wri.org/research/aqueduct-30-updated-decision-relevant-global-water-risk-indicators https://ourworldindata.org/co2-emissions https://www.europarl.europa.eu/topics/nl/article/20180703STO07123/klimaatverandering-in-europa-feiten-en-cijfers 81 https://unric.org/nl/duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen/sdg-6/?utm 82 https://data.rivm.nl/meta/1menctdlo/api/records/6963dbd1-5c0b-492d-a794-754e6884791d 83 https://www.rivm.nl/nieuws/aanpak-drinkwatertekort-na-2030-vraagt-om-besparing-en-gebruik-van-nieuwe-bronnen 84 https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2025/01/13/nieuwe-plannen-om-dreigend-drinkwatertekort-aan-tepakken#:~:text=Drinkwatertekort%20voorkomen,in%202030%20voldoende%20water%20is 85 https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/droogtestress 79 80
54/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Figuur 6.4 geeft het risico op droogtestress in de gemeente Leeuwarden weer, uitgedrukt in de hoeveel opbrengstderving. Deze derving komt door een tekort aan water. De kaart is gebaseerd op hoeveel mm water een aaneengesloten grasmat in een jaar maximaal tekortkomt gedurende een aaneengesloten periode van 10 dagen (1 mm water is gelijk aan 1 liter per vierkante meter grondoppervlak). Om de verschillen in risico's op droogtestress inzichtelijk te maken voor heel Nederland, is aangenomen dat overal gras ligt. Natuurlijk ligt hier in de praktijk vaak geen gras of staat er vegetatie die kwetsbaarder of minder kwetsbaar is dan gras.86
Figuur 6.4 Huidig risico op droogtestress. Bron: KRW Water, 2017. Geraadpleegd via Klimaateffectatlas in 202587.
Het risico op droogtestress is in het grootste deel van de gemeente in de huidige situatie laag. Aan de west- en noordzijde van de gemeente liggen plekken waar het risico iets hoger is, met een matige kans. Voor de stad Leeuwarden, en enkele andere locaties in de gemeente, zijn de gegevens niet bekend. Relatie tot natuur Wanneer de kaart van risico op droogtestress naast die van NNN (zie Figuur 5.4) wordt gelegd, lijkt het dat de natuurgebieden zelf momenteel niet direct bedreigd worden door matig tot hoge droogtestress. Het risico doet zich wel voor in de gebieden rondom de natuurgebieden.
86 87
https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/droogtestress https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer
55/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Met name het weidevogelgebied Skrins, aan de westzijde van de gemeente, grenst aan een gebied waar sprake is van een matig risico op droogtestress. Relatie tot landbouw Figuur 6.5 toont waar de landbouwgronden, ook wel gewaspercelen, in de gemeente Leeuwarden liggen. De kaart is gemaakt door het Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Aan de kleur is te zien of het gaat om bouwland, grasland, braakland of een natuurterrein. Grasland is grond waarop vooral gras groeit. Bouwland is grond waarop gewassen worden verbouwd. Natuurterreinen hebben als hoofdfunctie het behouden of ontwikkelen van natuur, maar bevatten ook natuurlijk grasland of heide waarop bijvoorbeeld schapen grazen. En bij braaklanden gaat het om grond die tijdelijk niet gebruikt wordt voor de landbouw. Het overgrote deel van het buitengebied van de gemeente Leeuwarden bestaat uit landbouwgrond. Dit betreft voornamelijk grasland, dat vooral wordt gebruikt voor de melkveehouderij: enerzijds als weidegrond waar vee graast, anderzijds als hooiland of kuilgras dat wordt geoogst en opgeslagen als veevoer.
Figuur 6.5 Gewaspercelen in gemeente Leeuwarden. Bron: RVO, 2024. Geraadpleegd via PDOK in 2025 88.
In delen van het noorden en westen van de gemeente is het risico op droogtestress matig. Aan de noordwestzijde van de gemeente bestaat het landgebruik uit akkerbouwland en grasland.
88
https://api.pdok.nl/rvo/gewaspercelen/ogc/v1
56/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Aan de noordoostzijde van de gemeente is voornamelijk grasland aanwezig. Een vergelijkbaar beeld zien we aan de noordoostzijde van de gemeente. Dit gebied wordt aan de vrijwel volledig gebruikt als grasland ten behoeve van de melkveehouderij. Droogte kan voor deze landbouwgronden verschillende gevolgen hebben. Voor grasland betekent droogtestress dat de grasgroei stagneert, waardoor en de kwaliteit kan verslechteren en de opbrengst van veevoer afneemt. Voor akkerbouwgewassen kan droogte ook leiden tot kwaliteitsverlies van de oogst en lagere opbrengsten. De mate waarin de landbouw daadwerkelijk schade ondervindt, hangt mede af van factoren zoals bodemtype, waterbeheer en de beschikbaarheid van beregeningsmogelijkheden. Specifieke bodemonderzoeken, zoals uitgevoerd door Wetterskip Fryslân en Deltares, laten zien dat verdroging met name in het buitengebied, maar ook in delen van de stad, een groeiend probleem vormt89. Klimaatverandering verergert deze ontwikkeling verder. Door de toename van droge zomers, staat de waterbeschikbaarheid voor landbouw en natuur onder druk90. Daarnaast zorgt bodemdaling in combinatie met droogte voor funderingsproblemen bij gebouwen, met risico’s voor bijvoorbeeld de woningvoorraad en bijkomende herstelkosten voor eigenaren en gemeenten.
Zoals omschreven in het Rapport Langs de Lijnen van de Toekomst van de gemeente Leeuwarden, zijn de problemen met watertekorten in de zomer nu al te zien in Leeuwarden net als in de rest van Nederland. Langere perioden van droogte, toenemende verdamping, lagere rivierafvoeren van water en verzilting van de grond zetten het aanbod van zoetwater onder druk. De gemeente Leeuwarden zit in Friesland op het laagste niveau (2 meter onder NAP). In een zogenaamde ‘badkuip’ tussen hoge zandgronden en de zee, waardoor water naar de stad, dorpen en het buitengebied stroomt. Daardoor is het risico op verzilting van de grond erg groot, wat de beschikbaarheid van zoet grondwater verder onder druk zet. Tegelijkertijd heeft het beschikbare water steeds vaker niet de gewenste kwaliteit. De huidige situatie van risico op droogtestress wordt als redelijk beoordeeld. 6.3.3
Autonome ontwikkeling
Door klimaatverandering worden de zomers in Nederland steeds warmer en droger, een ontwikkeling die zich naar verwachting ook in de toekomst zal voortzetten. Ook in Leeuwarden zullen de gevolgen van klimaatverandering verder merkbaar zijn, onder andere door toenemende droogte en hogere temperaturen. Figuur 6.6 geeft het risico op droogtestress in 2050 in de gemeente Leeuwarden weer.
89 90
https://www.wetterskipfryslan.nl/documenten/visie_fryslan_klimaatbestendig_2050-digitaal-toegankelijk.pdf https://klimaatadaptatienederland.nl/kennisdossiers/droogte/gevolgen-toenemende-droogte/
57/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Figuur 6.6 Risico op droogtestress in 2050 (voor het WH-klimaatscenario van KNMI’14). Bron: KRW Water, 2017. Geraadpleegd via Klimaateffectatlas in 202591.
Het risico op droogtestress in Leeuwarden zal in de toekomst hoger zijn dan in de huidige situatie. In een aanzienlijk groter deel van de gemeente (ongeveer de helft) wordt een matig risico verwacht. Op enkele locaties in het westen en noorden van de gemeente is het risico zelfs hoog. De overige delen van de gemeente behouden een laag risico op droogtestress. Daarbij moet worden opgemerkt dat de kaart is gebaseerd op het WH-klimaatscenario van het KNMI1492, waarin de temperatuurstijging en veranderingen in luchtstromingspatronen het grootst zijn. Relatie tot natuur In de autonome ontwikkeling neemt het risico op droogtestress in de omgeving van de natuurgebieden toe. Gebieden die nu een laag tot matig risico kennen, verschuiven naar een matig tot hoog risico. Hierdoor is de kans groot dat de natuurgebieden zelf indirect negatieve effecten zullen ondervinden van deze toenemende droogtestress. Relatie tot landbouw Waar nu nog sprake is van een beperkt risico, verschuiven richting 2050 steeds meer gebieden naar een matig tot hoog risiconiveau.
91 92
https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/knmi-14-klimaatscenario-s#1
58/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Omdat het buitengebied van de gemeente voornamelijk bestaat uit grasland voor de melkveehouderij en in mindere mate uit akkerbouwpercelen, heeft deze ontwikkeling directe gevolgen voor de landbouw. Voor de melkveehouderij kan dit leiden tot structureel lagere grasopbrengsten en een grotere afhankelijkheid van aanvullend veevoer, wat de kosten verhoogt. Voor de akkerbouw kan droogtestress resulteren in lagere opbrengsten en een verslechtering van de gewaskwaliteit. Daarmee neemt de kwetsbaarheid van de landbouwsector in de gemeente toe. Voorgaande duidt erop dat het totale risico op droogtestress in de gemeente Leeuwarden in de toekomst zal toenemen. Daarom wordt de autonome ontwikkeling als slecht beoordeeld. 6.3.4 Belangrijkste opgaven De belangrijkste opgave uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling vormt het aanpakken van droogte, met name voor de natuur en landbouw. De gemeente Leeuwarden heeft hiervoor beleid geformuleerd, namelijk in het Beleidskader klimaatadaptatie. De ambitie die de gemeente heeft geformuleerd voor droogte is: meer inzicht krijgen in de gevolgen van droogte in bebouwd gebied door aanvullend onderzoek en op basis van de resultaten passende strategieën opstellen. De opgaven voor vergroening zijn, net als bij wateroverlast en hitte, ook relevant voor droogte.
De ambitie focust op het bebouwd gebied en niet op natuur- en landbouwgebieden, terwijl uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling blijkt dat deze wel risico lopen op droogtestress. Daarom zou het relevant zijn om aanvullend beleid hierop te formuleren.
7 Verkeer en mobiliteit Verkeer is het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden. Mobiliteit is het vermogen om je te verplaatsen, inclusief de keuze uit verschillende transportmiddelen en de infrastructuur die dit mogelijk maakt. Dit kan bijvoorbeeld te voet, met de fiets, met de auto of met de bus. Het verschil is dat verkeer de fysieke verplaatsing en mobiliteit het bredere concept van het vermogen van je verplaatsen. In onderstaande tabel zijn de kwaliteitsniveaus samengevat van de indicatoren van het thema verkeer en mobiliteit in de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Tabel 7.1 Beoordeling indicatoren verkeer en mobiliteit. Indicator Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
Multimodale bereikbaarheid Bereikbaarheids- en mobiliteitsknelpunten
59/102
Kenmerk
7.1
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Multimodale bereikbaarheid
Multimodale bereikbaarheid is de mate waarin een plaats bereikbaar is met verschillende transportmiddelen. Denk aan te voet, per fiets, met verschillende vormen van openbaar vervoer, met individueel gemotoriseerd transport (motor, auto, etc.). 7.1.1 Beoordelingssystematiek In de tabel hieronder wordt de beoordelingssystematiek van multimodale bereikbaarheid weergegeven. Tabel 7.2 Beoordelingssystematiek multimodale bereikbaarheid Indicator
Criterium
Slecht
Multimodale bereikbaarheid
Ontsluitingskwaliteit
Overgrote gedeelte Overgrote gedeelte Overgrote gedeelte
Redelijk
Goed
van de gemeente is van de gemeente is van de gemeente is slecht ontsloten
redelijk ontsloten
multimodaal ontsloten
7.1.2
Huidige situatie
Figuur 7.1 laat met behulp van cirkels de invloedgebieden zien van snelwegwegafslagen, treinstations, metrohaltes, tramstations en bushaltes.
Figuur 7.1 Ontsluitingskwaliteit openbaar vervoer en snelweg. Bron: PBL, 2020. Geraadpleegd via Atlas van de Regio in 2025.
60/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
De stad Leeuwarden is goed ontsloten met het openbaar vervoer. Met name de oost-westas is sterk dankzij de spoorlijn en de stations die hier liggen. Vanuit de stad richting het zuiden van de gemeente is de bereikbaarheid per auto goed, dankzij de aanwezigheid van de autosnelweg A32.Grou is multimodaal bereikbaar door de combinatie van een treinstation en de nabijgelegen autosnelweg, wat opvallend is voor een relatief klein dorp (in vergelijking met een stad als Leeuwarden). Ook Mantgum is goed bereikbaar met het openbaar vervoer vanwege het treinstation, al ligt dit dorp wat verder van de autosnelweg. Het ontbreken van een directe aansluiting op een autosnelweg betekent overigens niet meteen dat de autobereikbaarheid slecht is; ook via provinciale wegen kan sprake zijn van een goede ontsluiting. De verbinding van de stad Leeuwarden naar het noorden is redelijk, met busverbindingen die minimaal twee keer per uur rijden. Het buitengebied van de gemeente Leeuwarden daarentegen is minder goed bereikbaar. Hier rijden bussen slechts één keer per uur of minder en er is geen autosnelweg aanwezig. In de verstedelijkingspropositie93 van het Fries Stedelijk Netwerk (FSN), bestaande uit de gemeenten Heerenveen, Leeuwarden, Smallingerland en Súd-west Fryslân, zijn de multimodale verbindingen onderzocht. Opvallend zijn de grote verschillen tussen het openbaar vervoer en de auto.
Voor wie de auto neemt zijn de reistijden kort tussen de vier steden Drachten, Heerenveen, Leeuwarden en Sneek. Ook zijn deze vier steden goed verbonden met plaatsen buiten het netwerk, zoals Groningen, Zwolle en Lelystad. Verschillen tussen de vier steden treden op voor wie reist met het openbaar vervoer. Vooral Leeuwarden, Sneek en Heerenveen zijn zowel onderling als met de rest van het land goed verbonden door aanwezigheid van spoor én bus. Reistijden zijn hier relatief kort. Figuur 7.2 en Figuur 7.3 tonen de reistijden met het openbaar vervoer en auto van startpunt in rood naar de andere drie steden in het FSN en naar Lelystad, Zwolle en Groningen. De reistijden (volgens Google Maps en de NS reisapp) vanaf het startpunt zijn aangeduid in blauw. Wat opvalt is dat Lelystad (en daarmee Amsterdam) vanuit onder andere Leeuwarden en Sneek altijd sneller te bereiken is met de auto dan met de trein. Per bus is Leeuwarden goed verbonden met Drachten en Heereveen. De OV-verbinding Sneek-Drachten concurreert met één uur niet echt met de auto; een reis die slechts 36 minuten duurt.
93
https://www.leeuwarden.nl/wp-content/uploads/2025/04/Verstedelijkingspropositie-Fries-Stedelijk-Netwerk-1.pdf
61/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Figuur 7.2 Nabijheid met openbaar vervoer in en van het Fries Stedelijk Netwerk en de regio. Bron: Verstedelijkingspropositie Fries Stedelijk Netwerk 2050, 202594.
94
https://www.leeuwarden.nl/wp-content/uploads/2025/04/Verstedelijkingspropositie-Fries-Stedelijk-Netwerk-1.pdf
62/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Figuur 7.3 Nabijheid met auto in en van het Fries Stedelijk Netwerk en de regio. Bron: Verstedelijkingspropositie Fries Stedelijk Netwerk 2050, 202595.
In het Mobiliteitsbeleidskader 2040 van de gemeente Leeuwarden staat dat uit onderzoek van DataFryslân96 blijkt dat circa één op de twaalf huishoudens in Fryslân een hoog risico heeft op vervoersarmoede. Juist voor deze inwoners is het belangrijk om goede verbindingen te hebben naar alle voorzieningen zoals onderwijs, zorg, winkels, cultuur en werk, ook wanneer zij geen beschikking hebben over een auto. Het aanbieden van goede fiets-, OV- en wandelvoorzieningen en deelmobiliteit draagt eraan bij dat iedereen volwaardig kan deelnemen aan de samenleving. Concluderend kan worden gesteld dat Leeuwarden en omgeving met de auto goed bereikbaar zijn. Het netwerk voor openbaar vervoer kan echter verbeterd worden. Daarnaast is vervoersarmoede een belangrijk aandachtspunt. Op basis hiervan wordt de huidige situatie als redelijk beoordeeld. 7.1.3 Autonome ontwikkeling Allereerst verandert de bevolkingssamenstelling van de gemeente. Tot 2035 wordt een groei van circa 8 % in het aantal inwoners verwacht97. Deze groei vraagt om een mobiliteitssysteem dat de toenemende druk aankan en tegelijkertijd de leefbaarheid waarborgt.
95
https://www.leeuwarden.nl/wp-content/uploads/2025/04/Verstedelijkingspropositie-Fries-Stedelijk-Netwerk-1.pdf https://www.datafriesland.nl/wp-content/uploads/2022/11/20221122-DF-EARMOEDATLAS-FERFIER-RAPPORTAGEFERFIERSEARMOED-YN-FRYSLAN-DATAFRYSLAN.pdf 97 https://longreads.cbs.nl/regionale-prognose-2022/bevolkingsontwikkeling/ 96
63/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Daarnaast zijn er grote maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, het bevorderen van een gezonde en veilige leefomgeving en het versterken van sociale inclusie. Mobiliteit speelt hierin een sleutelrol, onder meer door de inzet op emissievrij vervoer en het stimuleren van lopen en fietsen. Met de groei van het aantal inwoners kan de bereikbaarheid met de bus van het buitengebied verbeteren, doordat er meer mensen wonen die gebruik (kunnen) maken van het openbaar vervoer. Dit is echter afhankelijk van het daadwerkelijke aanbod. De autonome ontwikkeling blijft daarmee onzeker. Het Mobiliteitskader 2040 benoemt ook een aantal maatschappelijke trends die (gedeeltelijk) overeenkomen met bovenstaande. Het beleidskader benadrukt de noodzaak van minder CO2uitstoot en het toewerken naar klimaatadaptitiveit (vergroening van openbare ruimte). Het kader benoemt ook het opvangen van de woningbouwopgave, vooral in stedelijke gebieden, en met de groei van kleinere huishoudens. Daarnaast stelt de samenleving hogere eisen aan de leefkwaliteit, denk hierbij aan meer 30 km/u-wegen omwille van de verkeersveiligheid. De gemeente wil bijdragen aan kansengelijkheid, zodat iedereen mee kan doen. En het kader beschouwt de ontwikkelingen van de opkomende (elektrische) mobiliteitsinnovaties.
Enerzijds bieden de ontwikkelingen, zoals de opkomende (elektrische) mobiliteitsinnovaties, kansen voor een sterkere Multimodale bereikbaarheid en ontsluitingskwaliteit. Anderzijds blijft er onzekerheid door bijvoorbeeld de bevolkingsgroei en schaarse ruimte. Op basis daarvan wordt de autonome ontwikkeling van multimodale bereikbaarheid als redelijk beoordeeld. 7.1.4 Belangrijkste opgaven Een belangrijke opgave op het gebied van multimodale bereikbaarheid is de ontsluiting van het buitengebied met de bus. De stad Leeuwarden en enkele dorpen beschikken over een treinstation, maar in gebieden waar de bus slechts twee keer per uur of minder rijdt, is het openbaar vervoer beperkt. Dit lage aanbod stimuleert het gebruik ervan niet. De gemeente heeft beleid op het gebied van multimodale bereikbaarheid, namelijk het Beleidskader mobiliteit 204098. Het beleidskader formuleert doelen uit het Beleidskader Mobiliteit 2040 van de gemeente Leeuwarden zijn: • Mobiliteit moet bijdragen aan een leefomgeving waarin mensen gezond kunnen wonen,
•
werken en recreëren. Dat betekent onder andere minder luchtvervuiling, geluidsoverlast en meer ruimte voor bewegen en ontmoeten. De gemeente wil de uitstoot van broeikasgassen door verkeer sterk verminderen (60 % reductie in 2040). Dit gebeurt door het stimuleren van fietsen, lopen en openbaar vervoer, het bevorderen van elektrisch en gedeeld vervoer en het verminderen van autogebruik waar mogelijk.
•
98
De gemeente wil het aantal verkeersslachtoffers te verlagen en het gevoel van veiligheid te vergroten. Dit wordt bereikt door veiliger inrichten van wegen en kruispunten met aandacht voor kwetsbare groepen zoals fietsers, voetgangers en kinderen.
Dit beleid is door de gemeente Leeuwarden geanalyseerd in de beleidssynthese.
64/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
•
De beschikbare ruimte in stad en dorpen is schaars. Daarom wordt mobiliteit zo ingericht dat
•
het minder ruimte inneemt, wordt parkeren slimmer georganiseerd en krijgen voetgangers en fietsers meer ruimte. Een goed verbonden netwerk zorgt ervoor dat mensen zich makkelijk kunnen verplaatsen. Daarom wil de gemeente een verbetering van OV-verbindingen tussen stad en dorpen, betere fietsverbindingen en overstappunten en aandacht voor bereikbaarheid van voorzieningen voor iedereen.
Het Uitvoeringsprogramma mobiliteit (2025) is ook relevant. Het programma focust zich op de noodzaak van ruimtelijke inbreiding om duurzame mobiliteit te bevorderen, het verbeteren van de bereikbaarheid van dorpen via (door)fietsroutes, regionaal openbaar vervoer en P&R-hubs, en het vergroten van verkeersveiligheid en leefbaarheid in woongebieden door onder meer 30 km/uzones en prioriteit voor voetgangers en fietsers. Verder richt het programma zich op een betere doorstroming en veiligheid op de stadsring en invalswegen, met het verleggen van doorgaand autoverkeer naar de N31. Daarnaast richt het beleid zich op de herinrichting van het centrum als aantrekkelijk verblijfsgebied, waarbij wandelen prioriteit krijgt en de stadsring als parkeerring functioneert. De vergroening van de binnenstad wordt bevorderd door minder straatparkeren, meer groen en het verplaatsen van parkeren naar garages en P&R-hubs. Tot slot wordt de parkeerdruk in wijken en dorpen aangepakt met maatregelen zoals beleid voor tweede auto’s, wijkhubs en afstandsparkeren.
7.2
Bereikbaarheids- en mobiliteitsknelpunten
Bereikbaarheids- en mobiliteitsknelpunten zijn locaties of situaties waar de bereikbaarheid en doorstroming van personen- en goederenverkeer wordt belemmerd, bijvoorbeeld door capaciteitsgebrek, onvoldoende infrastructuur, beperkte toegankelijkheid of verkeersonveiligheid. 7.2.1 Beoordelingssystematiek In de tabel hieronder wordt de beoordelingssystematiek van bereikbaarheids- en mobiliteitsknelpunten weergegeven. Tabel 7.3 Beoordelingssystematiek bereikbaarheids- en mobiliteitsknelpunten. Indicator
Criterium
Slecht
Redelijk
Goed
Bereikbaarheids- en
Aantal
Veel
Redelijk aantal
Weinig
mobiliteitsknelpunten
bereikbaarheids- en
bereikbaarheids- en bereikbaarheids- en bereikbaarheids- en
mobiliteitsknelpunten
mobiliteitsknelpunten mobiliteitsknelpunten mobiliteitsknelpunten
7.2.2
Huidige situatie
In de Verstedelijkingspropositie van Fries Stedelijk Netwerk (FSN) staan een aantal knelpunten betreffende bereikbaarheid en mobiliteit. Een knelpunt is de regionale mobiliteit. Voor Leeuwarden en Sneek is de belangrijkste uitdaging dat ze het niet kunnen volhouden om de groei van het autoverkeer te blijven faciliteren. Dit vraagt te veel ruimte qua infrastructuur en parkeren. Juist in de stad moet er gewerkt worden aan nabijheid van voorzieningen en goede wandel-, fiets- en OVinfrastructuur.
65/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Dit betekent ook dat bezoekers die van buiten de stad komen meer moeten fietsen of OV gebruiken. Mocht men toch met de auto komen, dan moet deze aan de rand van de stad worden opgevangen en hier de overstap laten maken naar fietsen of OV. Een ander knelpunt zijn de verbindingen tussen de stad en het landelijk gebied, met name wat betreft het openbaar vervoer. De afschaling van het openbaar vervoer in de periode na 2012 heeft geleid tot een absolute daling van de bereikbaarheid van voorzieningen. Vooral in de avonden en weekenden is de reisduur steeds langer geworden, vooral vanuit landelijk gebied en de stadsranden. De lange reistijd wordt door veel inwoners niet als probleem ervaren; men is gewend aan de auto. Wanneer er verdichting plaats gaat vinden en de positie van de auto in de stad minder vanzelfsprekend wordt, is het een uitdaging om de bereikbaarheid binnen de regio op peil te houden. Er ligt ook een uitdaging ten aanzien van de nationale bereikbaarheid. Leeuwarden en Heerenveen hebben via Zwolle verbindingen met de rest van Nederland, die zijn echter kwetsbaar en voor verbetering vatbaar onder andere vanwege de problemen bij Meppel. Vanuit Sneek en Drachten is de OV-bereikbaarheid aanzienlijk slechter. De komst van de Lelylijn zou hierin een grote impact hebben in het versterken van het noordelijk deel van het Stedelijk Netwerk Nederland.
Met de Lelylijn kan een groot gedeelte van het Friese Stedelijke Netwerk aangesloten worden op het landelijke net en snelle verbindingen hebben met economische toplocaties. Hierdoor vergroten kansen voor bijvoorbeeld jongeren en worden banen beter bereikbaar, wat de regio als geheel aantrekkelijker maakt. Achterstallig onderhoud, aan onder andere de HRMK-brug en de sluis bij Kornwerderzand, maakt de regio kwetsbaar. Er zijn geen alternatieve routes en ze zorgen voor veel verstoringen. Bedrijventerreinen liggen vaak aan de rand van steden en zijn slecht bereikbaar met het openbaar vervoer. Werknemers die geen auto hebben, zoals jongeren, laagbetaalde werknemers of expats, kunnen moeite hebben om deze locaties te bereiken. Dit kan leiden tot een mismatch op de arbeidsmarkt en arbeidskrapte. Versterking van de last-mile bereikbaarheid kan dit verbeteren. Gezien het aantal en de aard van deze knelpunten wordt de huidige situatie als redelijk beoordeeld. 7.2.3
Autonome ontwikkeling
In het verkeersmodel uit het Mobiliteitskader 2040 is onderzocht wat er richting 2040 zou gebeuren zonder nieuw mobiliteitsbeleid. Hierbij is rekening gehouden met de verdere ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente Leeuwarden tot 2040. Vooral in de stad Leeuwarden dreigt dan een grote toename van het autoverkeer (zie Figuur 7.4). Dit komt boven op de hoeveelheid doorgaand verkeer door de stad. Nu al rijdt veel autoverkeer over de parkeerring zonder herkomst of bestemming in en rond de binnenstad. Zonder aanvullend beleid zou dit ertoe leiden dat de milieusituatie, oversteekbaarheid en veiligheid verder verslechteren. Ook staat verkeersgroei haaks op de ambitie van de gemeente om de openbare ruimte te vergroenen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals Spoordok zijn niet mogelijk zonder aanvullend mobiliteitsbeleid.
66/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Figuur 7.4 Indicatieve verkeerstoename bij ongewijzigd beleid volgens verkeersmodel. Bron: Beleidskader mobiliteit 2040, gemeente Leeuwarden, 2024.
Uit de Verstedelijkingspropositie van FSN kwamen in het kort de volgende knelpunten naar voren: • • •
Frequentieverhoging van bestaande OV-verbindingen Ontwikkeling van hoogwaardige OV-knooppunten Verbetering van de last-mile bereikbaarheid van werklocaties
Door de groeiende bevolking en autogebruik nemen de knelpunten niet af ten opzichte van de huidige situatie, waardoor de beoordeling voor de autonome ontwikkeling redelijk is. Voor deze knelpunten is aanvullend beleid opgesteld, waarin diverse opgaven zijn benoemd. Deze opgaven worden nader toegelicht in de volgende paragraaf. 7.2.4
Belangrijkste opgaven
Het FSN ziet kansen om bereikbaarheid en mobiliteit te verbeteren. Deze staan beschreven in de Verstedelijkingspropositie 2050. Door locaties nabij stedelijke centra en rond OV-knooppunten beter te benutten voor voorzieningen en werkgelegenheid, kan de bereikbaarheid toenemen. Ook woningbouw op dergelijke locaties kan een hoge bereikbaarheid bieden en aansluiten bij de bestaande OV-, water- en fietsinfrastructuur. Dat vraagt om focus op de ontwikkeling van sterke OV-knooppunten. Stations als Leeuwarden, Heerenveen, Sneek en – met de komst van de Lelylijn – ook Drachten, kunnen worden ontwikkeld tot vervoershubs waar verschillende modaliteiten zoals trein, bus, auto en fiets samenkomen, die de reistijd verkorten en de onderlinge verbindingen versterken. Tot de komst van de Lelylijn geldt voor Drachten dat de verbinding met de bus, auto en fiets met snelfietspaden, het regionale busstation en de ligging aan de A7 een belangrijke verbinding vormen. Snellere spoor- en busverbindingen tussen de steden dragen naast de autobereikbaarheid bij aan versterking van de regio in economisch opzicht.
67/102
Kenmerk
R002-1302402EMG-V01-evm-NL
Voor de verstedelijkingsstrategie kan verkend worden op welke wijze de steden verbeteringen vormgeven voor verkeersveiligheid en verduurzaming van mobiliteit, het verbeteren van de logistieke sector en de hub-strategie. De gemeente heeft in haar Mobiliteitskader een doorkijk gegeven naar de Uitvoeringsprogramma’s. De volgende onderwerpen zijn relevant voor dit hoofdstuk: • Ruimtelijke inbreiding binnen bewoond gebied helpt duurzame mobiliteit: o
•
In de komende vijf jaar wordt het S.T.O.M.P.-principe toegepast bij nieuwe ontwikkelingen en ruimtelijke inbreiding, zoals in Spoordok, Middelsee, Heechterp en Nieuw Oud Oost. Bij elk groot nieuwbouwproject wordt voorzien in deelmobiliteit en
o
laadpalen. In de periode van vijf tot tien jaar ligt de focus op het realiseren van ontbrekende schakels in het voetgangers- en fietsnetwerk, waarbij wordt aangesloten op