CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapport De transformatie in het sociaal domein door de ogen van de wijkteams

Informatieve bijeenkomst - oranjezaal 17 november 2021, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Rekenkamerrapport Transformatie Sociaal Domein51.728 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Belemmeringen zijn ook hier gelegen in al eerder (bij andere beloften) gememoreerde aspecten als bureaucratische obstakels, gebrek aan tijd en een te hoge werkdruk. Daar komen dan nog twee specifieke zaken bij, te weten de neiging van sociaal werkers om het initiatief van bewoners over te nemen, alsmede beperkingen die bewoners zelf kennen om eigen regie en zelfredzaamheid ter hand te nemen. Op de vraag: ‘Wat werkt de praktijk goed als het gaat om ‘eigen regie en zelfredzaamheid stimuleren’?’, springt een enkele factor er duidelijk bovenuit: ‘elkaar weten te vinden en overleggen’.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 54

‘Multidisciplinair werken’ Inleiding De belofte ‘multidisciplinair werken’ wordt ook heel duidelijk herkend door sociaal werkers: 56.3 procent van hen herkent ‘multidisciplinair werken’ (zeer) sterk als een opdracht voor het wijk- en dorpenteams, en nog eens bijna 31.9 procent herkent het als opdracht. Maar ongeveer dan 11.8 procent herkent ‘multidisciplinair werken’ enigszins of niet als opdracht van het wijkteam. Ook het draagvlak voor de doelstelling is groot: 72.6 procent is het (helemaal) eens met de stelling dat ‘multidisciplinair werken’ leidt tot passende zorg en ondersteuning’27, terwijl slechts 2.2 procent is het met de stelling oneens. De overige medewerkers zijn het ‘enigszins eens’ met de stelling of antwoorden ‘neutraal’. Van de sociaal werkers is 75.3 procent van mening dat in de praktijk ‘multidisciplinair werken’ wordt gestimuleerd.28 Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de sociaal werkers ook ‘multidisciplinair werken’ als belangrijke taak opvatten, het draagvlak voor de belofte groot is en de sociaal werkers grotendeels ook van mening zijn dat het wijkteam in de praktijk ook is gericht op ‘multidisciplinair werken’.

De gesprekken met de sociaal werkers begonnen telkens bij de vraag hoe de beloftes luiden bij de start van het werken in wijkteams: ‘Wat wilden we eigenlijk bereiken met de transformatie, welke doelen werden nagestreefd?’ In deze paragraaf wordt aan de hand van de enquête en de gesprekken met sociaal werkers dieper ingegaan op de belofte ‘multidisciplinair werken’. De definitie van ‘multidisciplinair werken’ De omschrijvingen voor de definitie voor ‘multidisciplinair werken’’ zijn heel eenduidig. Twee beelden, die feitelijk twee zijden van dezelfde medaille vormen, kleuren de definitie. De ene helft vertrekt meer vanuit het eerste beeld, de andere helft vanuit het tweede. Om te beginnen spreken sociaal werkers van ‘samenwerken met het gehele netwerk, professionals en vrijwilligers’. Daarnaast wordt de notie van ‘het rond de tafel zitten met meerdere disciplines’ genoemd. De nadere omschrijvingen lopen dan ook in grote lijnen in elkaar over: ‘samenwerking met verschillende disciplines: politie, thuiszorg, wijkcentrum, woningbouw, etc.’, ‘samenwerken met de verschillende disciplines, instanties, zowel intern als extern’, ‘samenwerken met de betrokken partijen in een gezin, overstijgend kijken naar de problemen die er zijn’.

‘Samenwerken met het hele netwerk’ De notie van ‘samenwerken’ wordt nader omschreven als: “Multidisciplinair werken houdt in dat je met alle betrokken partijen samenwerkt. Met elkaar afstemt en een plan van aanpak maakt die aansluit bij de behoefte van de bewoner.” “Samen met verschillende partijen en cliënten werken aan een gezamenlijk doel of aan een gezamenlijk plan. Waarbij rekening wordt gehouden met het gezamenlijk proces en elkaars verschillende rollen en disciplines.” “Samen met andere professionals en de bewoner een passend plan maken om tot het beoogde perspectief te komen, waarbij ieders professie ertoe doet en de visie van de bewoner voorop staat. Multidisciplinair werken maakt het mogelijk een zaak nog beter in het grote geheel te benaderen.”

‘Het rond de tafel zitten met meerdere disciplines’ Het ‘rond de tafel zitten’ vindt uitdrukking in omschrijvingen als: “Mensen om tafel met diverse expertise die elk vanuit hun eigen vakgebied en kennis kijken naar de hulpvraag van een bewoner en deze invalshoeken met elkaar verbinden om tot een passende aanpak te komen.” “Samen vanuit verschillende disciplines (werksoorten) aan de slag om de problemen en in kaart brengen en oplossingen aan te dragen en uitvoeren.”

27 28

Gemiddelde cijfer op een 7-puntsschaal: 6,0. Gemiddelde cijfer op een 7-puntsschaal: 5.9.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 55

“En dan met elkaar gaan overleggen van: ‘Hoe loopt het? Waar ben jij mee bezig? Vertel eens over jouw stuk.’ Weet je wel, op die manier. Dan doe je zelf een stap terug. Dan ben je niet zozeer meer inhoudelijk aan het werk, maar echt als regievoerder.”

Bevindingen voor de definitie van ‘multidisciplinair werken’ In algemene zin valt er niet zoveel over te zeggen, behalve dat de ‘omschrijvingen samenwerken en ‘rond de tafel zitten’ een helder beeld geven van de invulling van deze belofte in de praktijk. Elkaar opzoeken en samen, op basis van elkaar expertise aan het werk gaan. De belemmeringen voor ‘multidisciplinair werken’ In de enquête is de vraag gesteld of de respondenten voorbeelden kunnen noemen van zaken die het team belemmeren bij het ‘multidisciplinaire werken. De antwoorden zijn in vergelijking met de andere beloften relatief divers, en vallen uiteen in drie categorieën: ‘de samenwerking loopt moeizaam en er spelen diverse belangen’, ‘werk- en tijdsdruk’ en ‘de privacywetgeving’. ‘De samenwerking loopt moeizaam en er spelen diverse belangen’ Er zijn situaties waarin andere disciplines niet of heel moeizaam meewerken. Daarbij spelen dan ook verschillende belangen. Met name het financiële belang (gebrek) kan andere partijen ervan weerhouden om effectief multidisciplinair samen te werken. “Tweedelijns organisaties zijn niet altijd transparant als het gaat om de hulpverlening die zij bieden. De doelen moeten smart zijn, wil je spreken over hetzelfde onderwerp van de bewoner. Er zijn wel verschillende opvattingen met betrekking tot hulpverlening.

Maak je iemand zelfstandiger of afhankelijker door de hulpverlening? Er zit een dubbele prikkel bij tweedelijns om hun werk te behouden en derhalve meer uren te vragen dan eigenlijk noodzakelijk zijn voor bewoner.” “Wij maken echt mee dat wij flink in een gezin bezig zijn. Dat zo'n gezin alsnog met een bepaald iets met het kind bij een huisarts komt, en die komt met een verwijzing naar de tweede lijn uit. Dus dat is gewoon nog geen samenwerking. Het is een druk op de knop en het ondersteuningsprofiel ligt er. Wij komen in beeld als er problemen zijn of als het afloopt, want een huisarts doet geen herindicatie. Die gaat niet opnieuw een profiel aanvragen. Die volgt ook niet of de doelen worden bereikt. Nee. Dat maakt het wel erg lastig. In dat kader wordt ook regelmatig verwezen naar regels en wetgeving die belemmerend werken.” “Sommige disciplines hebben minder belang om met ons samen te werken of er is een eenzijdig belang.” “Het verschil in belang. Met name het financiële belang (gebrek) kan andere partijen ervan weerhouden om effectief multidisciplinair samen te werken.” “Ik heb soms het gevoel dat ik andere belangen heb dan andere instanties. De communicatie verloopt stroef wat samenwerken onmogelijk maakt. Hierdoor kunnen wij als team niet voorkomen dat de problemen bij een bewoner groter worden. Bijvoorbeeld de communicatie met COA, VWN, gemeente en ons moet veel beter.

Probleemsituaties kunnen vroegtijdig in kaart worden gebracht en opgelost, nu lopen we vaak achter de feiten aan.”

Als specifiek punt wordt door de sociaal werkers de oprichting van het Jeugdexpertteam (JET) te Leeuwarden genoemd. Dat gebeurt vanuit de gedachte dat gespecialiseerde jeugdmedewerkers strakker kunnen indiceren, scherper kunnen monitoren en langs die weg uiteindelijk tot goedkopere trajecten komen. De werkers hebben hun twijfels over de daadwerkelijke meerwaarde van dat team. “Mijn idee is dat dat alleen maar geld gaat kosten. En dat het niet ten voordele gaat zijn van de bewoners, omdat de bewoners altijd al de ingang bij ons hebben. Daar betekent dat zij al hun verhalen hier doen. Dat je al vertrouwen aan het opbouwen bent, en dat je hen daarna moet overdragen. Het zal straks ook heel erg zoeken zijn naar 'wat doet die JET nu wel en wat niet?' Ben je als sociaal werker wel of niet langer betrokken bij de casus?” “Nou ja, op dit moment zit het JET heel erg alleen voor waar een jeugdprofiel in zit. Dus krijg je ook de situatie dat een collega sociaal werker ingezet wordt voor de andere leefgebieden. En dat vind ik voor het integraal werken van vandaag nog wel een lastige. Want dan krijg je eigenlijk een extra overlegpartner. In plaats van dat het dan simpeler is. In complexere gezinnen moet je soms al zoveel, nou ja, met elkaar overleggen van: 'Hé, wat hebben jullie, waar zijn jullie mee bezig en hoe doen we dit met elkaar?' Dus ..."

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 56

‘Werk- en tijdsdruk’ Een tweede connotatie aspect betreft een belemmering die bij vrijwel alle beloftes opduikt, ‘werk- en tijdsdruk’. Goed en met aandacht communiceren en afstemmen kost volgens een kwart van de sociaal werkers tijd en die is er niet altijd voldoende door de veelheid aan taken en acties. De drukke agenda's van iedereen, en de problemen om de agenda’s samen te brengen, leiden er verder toe dat multidisciplinair werken niet altijd even vlot van de grond komt. “Het kost soms veel tijd om met anderen af te stemmen. (Het bespaart uiteindelijk ook tijd, maar dat is lange termijn).” “Ik ben van mening dat er nog winst te behalen valt met het opzetten van de korte lijnen. Mochten wij meer tijd hebben om bepaalde netwerkstructuren op te zetten, behaal je daar veel winst mee. Maar door de hoge werkdruk op dit moment is dit helaas niet mogelijk.” “Te hoge caseloads om dit vorm te geven.”

Soms betreft het ook het feit dat vanuit instanties, bijvoorbeeld de gemeente, onvoldoende tijd wordt gegeven om nieuwe praktijken voldoende te laten landen. “Het zijn allemaal dingen waarin we ons verder ontwikkelen en ik denk: ‘Er is ook tijd nodig om te leren van je ervaringen en je ervaringen met elkaar te delen en af te stemmen.' Want het is soms net, dan zijn we goed bezig, en opeens komt de gemeente met een idee. Hop uit de hoge hoed. En dan moeten we opeens weer een hele andere kant op.”

‘De privacywetgeving’ En dan is er tenslotte nog de ‘privacywetgeving’. “Er zijn instellingen met name de GGZ, die zich op privacy beroepen, en moeilijk tot samenwerking komen of moeilijk bereikbaar zijn.” “In sommige situaties is de aanscherping van de privacy een belemmering, geringe toegankelijkheid van bepaalde instanties, protocollen.” Daarnaast worden nog een aantal andere factoren genoemd: wachtlijsten, gebrek aan mandaat en gemeentegrenzen. Bevindingen voor de belemmeringen voor ‘multidisciplinair werken’ De essentie van ‘multidisciplinair werken’ is samenwerking. En soms loopt die samenwerking niet of heel moeizaam. Dat heeft om te beginnen met het bestaan van verschillende belangen te maken. Die kunnen financieel van aard zijn, of hebben te maken met preferente verwijzingspartners. Ook voor ‘multidisciplinair werken’ vormen het ontbreken van voldoende tijd en de hoge werkdruk een belangrijke belemmering. Dat betreft niet alleen de ruimte die sociaal werkers individueel ervaren, maar ook het gegeven dat de hoge werken tijdsdruk aan diverse kanten het moeilijk maken om alle betrokkenen aan één tafel te krijgen. En tot slot vormt ook hier de privacywetgeving een belemmerende factor. Medewerkers van verschillende partijen voelen zich geremd in het delen van informatie aangaande casussen die zij gezamenlijk aangaan.

De succesfactoren voor ‘multidisciplinair werken’ Dat betreft de vraag: ‘Wat werkt de praktijk goed als het gaat om multidisciplinariteit? Een enkele factor springt er duidelijk bovenuit. Maar dat is ook niet zo verwonderlijk, aangezien deze een basisvoorwaarde voor ‘multidisciplinariteit’ betekent, ‘elkaar weten te vinden en overleggen’. Daarnaast worden genoemd: ‘het hebben van korte lijntjes’, een ‘brede kijk op vragen en problemen’, ‘investeren in contact’ en ‘fysiek bij elkaar zitten’. ‘Elkaar weten te vinden en overleggen’. Deze factor wordt heel verschillende manieren verwoord: om te beginnen natuurlijk ‘elkaar vinden en overleggen’; daarnaast ‘bewust zijn van dezelfde belangen’, ‘gezamenlijke aanpak en strategie’, ‘casuïstiek delen’, ‘meerdere meningen, breder inzicht’, ‘elkaars talenten waarderen’, ‘duidelijke afspraken’, ‘heldere regievoering’ en ‘open houding’. Of zoals dat wordt verwoord in de antwoorden:

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 57

“Iedereen weet met een casus bij wie we terecht kunnen met welke vraag. In overleg leidt multidisciplinair werken tot kennisoverdracht, maar ook mogelijk nieuwe invalshoeken om een casus goed af te wikkelen.” “Afspraken maken en nakomen, samen casusbespreking houden en hierbij hetzelfde doel voor ogen hebben.” “Indien nodig creëer je je eigen 'olifantenpaden', die het werken wel makkelijker maken. Je weet bij wie je waar moet zijn op het moment dat er iets nodig is.” “We hebben aansluitfunctionarissen van de gemeente, de kredietbank, de GGZ. Dit werkt fantastisch; de lijnen zijn veel korter. Je leert elkaars werk begrijpen en kweekt begrip voor verschillende standpunten. Uiteindelijk kom je er samen uit en na lange samenwerking steeds sneller. Briefings. Casussen inbrengen in de groep, waarbij iedereen zijn eigen achtergrond en expertise heeft. Leren om een situatie ook vanuit een heel andere invalshoek te bekijken.” “Open houding, aangeven dat we dezelfde belangen hebben, flexibel zijn betreffende agenda's, kijken naar waar we elkaar kunnen helpen, verstevigen en niet waar we verschillen. Waardeer elkaars talenten en maak hier gebruik van.”

‘Het hebben van korte lijntjes’ De beelden spreken voor zich: “Korte lijntjes met instanties, elkaar regelmatig zien, en afspreken wie wat doet.” “Korte lijnen met netwerkpartners in de wijk en daardoor elkaar snel kunnen vinden en tot afspraken komen. Een goed en betrouwbaar netwerk.” “Face to face gesprekken, netwerkbijeenkomsten om elkaar op de hoogte te houden. Werken in het wijkteam als jongerenwerker voor korte lijnen.” “Nou wat heel mooi is dat wij met heel veel partijen ook korte lijntjes hebben. Als je kijkt met Fact, met de kredietbank, met de gemeente, de aansluitfunctionarissen. Dat daarin, als je het hebt over werkzame en niet-werkzame factoren, dan is het ‘elkaar zien’, letterlijk zien, een succesfactor in de samenwerking. Ik denk dat een risico is, dat je wel aansluitfunctionarissen hebt, maar je ziet elkaar niet, dan levert dat lijntje lang niet zoveel vruchten op, dan wanneer je elkaar gezien hebt.”

Naast deze twee succesfactoren worden nog drie factoren kort benoemd. Om te beginnen ‘brede kijk op vragen en problemen’. “Door veel kennis kun je op meerdere gebieden ondersteuning bieden en anders kun je wel doorverwijzen naar anderen die meer kennis over een specifiek hulpvraag hebben.” De volgende factor luidt: ‘investeren in contact’. “Nauwe contacten met diverse partners. Bereidwilligheid omdat iedereen hetzelfde doel dient, namelijk de bewoner en diens belang.” “Korte lijnen, investeren in het contact en elkaar op de hoogte houden.” En daarnaast wordt nog opgemerkt dat het helpt wanneer je ‘fysiek bij elkaar zit’. Bevindingen voor de succesfactoren voor ‘multidisciplinair werken’ Bij de succesfactoren voor ‘multidisciplinair werken’ springt een factor er duidelijk uit. Dat is ook weer niet verwonderlijk, want die factor verwijst naar ‘elkaar weten te vinden en overleggen’. Dat verwijst meer concreet onder meer naar: ‘casuïstiek delen’, en ‘gezamenlijke aanpak en strategie’. Daarnaast worden genoemd: ‘het hebben van korte lijntjes’, een ‘brede kijk op vragen en problemen’, ‘investeren in contact’ en ‘fysiek bij elkaar zitten’. Allemaal aspecten die uitdrukking geven aan het samen aan de slag zijn en elkaars inzichten en talenten bundelen.

‘Multidisciplinair werken’ algemeen beschouwd De essentie van ‘multidisciplinair werken’ ligt in het samen problemen aanpakken, ieder vanuit zijn of haar perspectief, met inzet van ieders expertise en kennis. In de definitie wordt dat als twee onlosmakelijk verbonden beelden verwoord: ‘samenwerken met het gehele netwerk, professionals en vrijwilligers’ en ‘het rond de tafel zitten met meerdere disciplines’. Als belemmeringen wordt op de eerste plaats het feit genoemd dat soms sprake is van ‘moeizame samenwerking tussen de diverse partners en partijen’, voor een deel ook op basis van verschillende belangen en de visies op de hulpverlening. Verder volgen twee belemmeringen die ook bij andere beloftes een rol spelen: ‘werk- en tijdsdruk’ en ‘de privacywetgeving’. Succes is gelegen in het ‘elkaar weten te vinden en overleggen’, en vervolgens het samen oppakken, ieder vanuit zijn eigen perspectief van de voorliggende cases.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 58

‘Preventief werken’ Inleiding Uit de enquête blijkt dat ‘preventief werken’ feitelijk tot de minst stevig herkende beloftes als opdracht van het wijkteam (6,4% heel sterk, en 21,3% sterk) behoort, terwijl 70 procent van de sociaal werkers de belofte herkent, en enigszins herkent. Van de sociaal werkers herkent 5.3 procent ‘preventief werken’ niet als opdracht van het wijkteam. Opvallend is het feit dat het draagvlak voor de doelstelling van ‘preventief werken’, het voorkomen van inzet van zwaardere vormen van zorg en ondersteuning, groot is, en met 87.6 procent (‘helemaal mee eens’ en ‘mee eens’) na ‘maatwerk’ de hoogste score vertoont29, terwijl slechts 1.1 procent het met de stelling oneens is. De overige medewerkers zijn het ‘enigszins eens’ met de stelling of antwoorden ‘neutraal’. Dat staat dan weer in schril contrast met het oordeel aangaande de vraag of het team overeenkomstig de belofte van ‘preventief werken’ te werk gaat. Slechts een minderheid (45,7 procent oordeelt ‘helemaal mee eens’ of ‘mee eens’).30 Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de sociaal werkers ‘preventief werken’ minder dan andere beloftes als belangrijke taak opvatten, het draagvlak voor de belofte groot is, maar geoordeeld wordt dat ‘preventief werken’ binnen het praktische handelen van het team een minder prominente plaats heeft.

De gesprekken met de sociaal werkers begonnen telkens bij de vraag hoe de beloftes luiden bij de start van het werken in wijkteams: ‘Wat wilden we eigenlijk bereiken met de transformatie, welke doelen werden nagestreefd?’ In deze paragraaf wordt aan de hand van de enquête en de gesprekken met de sociaal werkers dieper ingegaan op de belofte ‘preventief werken’. De definitie van ‘preventief werken’ De meest voorkomende definitie voor ‘preventief werken’ verwijst naar een beeld dat feitelijk precies aangeeft waar ‘preventief werken’ betrekking op heeft ‘vooruitkijken, signaleren en voorkomen dat problemen ontstaan’. Vrijwel alle sociaal werkers verwijzen naar dit beeld. Daarnaast wordt door ongeveer een kwart van de sociaal werkers ‘bereikbaar, benaderbaar en zichtbaar zijn in de wijk’ genoemd. Dat wordt gevolgd door ‘actief voorlichting geven rond preventie’ en het ‘vroegtijdig inschakelen van andere organisaties’. ‘Vooruitkijken, signaleren en voorkomen dat problemen ontstaan’ Dat antwoord kent vele vergelijkbare uitdrukkingsvormen.

Om er maar eens enkele te noemen: ‘problemen voorzien en daarop anticiperen, zodat het probleem niet optreedt of niet escaleert’, ‘voorkomen dat er problemen ontstaan door van tevoren te anticiperen op risico's’, ‘signaleren en handelen voordat er problemen ontstaan’, ‘acteren vóór er noodzaak is en escalatie voorkomen’, ‘vroegtijdig signalen oppikken, binnenkrijgen en hier op handelen’, ‘werken in een setting waarbij erger voorkomen kan worden’. “Ja, wat mijn idee is, wat mijn indruk is, is dat we door die transformatie gewoon veel dichter op de mensen zitten en signaleren we eerder, waardoor de boel met al een beetje lappen, dus bijvoorbeeld een beetje thuisondersteuning, gewoon draaiende kunt houden. Omdat je er in een redelijk vroeg stadium bij bent, voordat het gierend uit de hand is gelopen. Dus in die zin is dat wel heel erg preventief. Daar waar je misschien nu twee uurtjes inzet, als dat erger was geworden had je misschien wel zes uur in moeten zetten.” “Nou, preventie en vroegsignalering. Wat betreft de financiën is die ook wel heel duidelijk, bij vroegsignalering komen de berichten bij ons binnen, ook brieven vanuit de gemeente als er betalingsachterstanden zijn. Bij een aantal collega's en die pakken dat altijd op. Dus die gaan langs bij een bewoner en bieden dan ook een stukje schuldhulp aan.”

‘Bereikbaar, benaderbaar en zichtbaar zijn in de wijk’ Deze definitie vertrekt meer vanuit het handelingsperspectief van de sociaal werkers. ‘Contact houden met de bewoners, signaleren van knelpunten en acteren vóór de noodzaak is, escalatie voorkomen’, ‘zichtbaar zijn in de wijk, zodat de bewoners je weten te vinden als zij problemen hebben, maar ook als sociaal werker erop afstappen wanneer we problemen vermoeden’. 29 30

Gemiddelde cijfer op een 7-puntsschaal: 6,3. Gemiddelde cijfer op een 7-puntsschaal: 5.2.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 59

“Preventie betekent dat je ervoor zorgt dat iets niet gebeurt, dat je iets voorkomt. Erop af gaan en aanwezig zijn in de wijk. Aanwezig zijn op scholen en andere openbare gelegenheden. Voortijdig signaleren.” “Met bewoners in contact zijn zodat ze weten dat je er bent als er vragen zijn. Vroegtijdig in gesprek om erger te voorkomen. In de wijken zichtbaar zijn. Gewone contacten kunnen onderhouden van mens tot mens. Bewoners bij elkaar brengen zodat ze elkaar kunnen helpen.” “Ik merk dat wat het meeste uithaalt, is gewoon bij de deuren langs op het moment dat je echt een signaal krijgt van bijvoorbeeld de wijkagent of de woningstichting of de buren. Dat je op die manier dan eens eventjes langsgaat. Want dan is er ook echt iets aan de hand.”

‘Actief voorlichting geven rond preventie’ Daarbij wordt het verschaffen van informatie aan groepen burgers gekoppeld aan het geven van voorlichting in individuele gevallen en ook het samenbrengen van bewoners met het doel om elkaar te informeren en te helpen. “Voorlichting geven, er zijn wanneer het nodig is, gevraagd en ongevraagd advies geven. Informatiebijeenkomsten.” “Het actief in gaan op zaken die spelen in het algemeen, om te voorkomen dat mensen vastlopen. Dit door bepaalde onderwerpen onder de aandacht te brengen, zodat bewoners meer inzicht krijgen in eigen handelen en situatie. Met dit inzicht kunnen zij een bewuste keuze maken invloed te hebben op de situatie, zodat deze niet verslechtert.” ‘Vroegtijdig inschakelen van andere organisaties’ Dat heeft onder meer betrekking op het er zorg voor dragen dat er voldoende zorgaanbod voorhanden is wanneer tot preventieve actie wordt overgegaan. “Preventief werken houdt in dat je vroegtijdig inspeelt op aankomende problematiek. Waarbij je bewoners en organisaties vroegtijdig benaderd zodat hulpvragen nog niet problematisch zijn.” “Aansluiten bij initiatieven en organisaties en bruggen slaan naar netwerkpartners.” “De ruimte en mogelijkheid qua tijd en middelen om casusoverstijgende zaken te signaleren en hier preventief aanbod op te doen.” “Ja, dat doet die woningbouw ook wel mooi. We hebben daar een contactpersoon.

Die zit één keer in de week bij ons op kantoor. Als ik, zoals met die Somalische meneer, waar schulden ontstaan... Er zijn twee maanden huurachterstand. Dus ik heb de situatie uitgelegd. ‘We hebben vandaag een gesprek bij de bewindvoerder. Ga hem nou niet uitzetten, want dan hebben we echt veel meer gedoe dan wat anders’.”

Een specifiek aspect van preventie vormen de buurtservicecentra. Die hebben ook hun rol binnen dat geheel. “En ook bijvoorbeeld ons Buurtservicepunt… Ik denk dat we wel vier keer in de week open zijn. We hebben één spreekuurtje voor mensen die financiële problemen hebben. We hebben twee middagen en één ochtend voor mensen die hulp nodig hebben met formulieren of andere dingen. En het gebeurt ook wel eens, dat iemand gewoon elke week komt en dat één van onze vrijwilligers zegt van: ‘Goh, hier zouden we wat langer mee moeten praten. Hier moet eigenlijk wat anders in gebeuren.’ En dan maken we er een intakegesprek van."

Een heel bijzondere definitie van preventie luidt ten slotte: “Faciliteren van zaken die juist wel goed gaan.” Hoewel deze omschrijving slechts eenmaal genoemd wordt, is dat er wel een om een uitroepteken bij te plaatsen. Bevindingen voor de definitie van ‘preventief werken’ De essentie van preventie betreft het ‘vooruitkijken, signaleren en voorkomen dat problemen ontstaan’. Daarnaast worden bij het definiëren door de sociaal werkers nog andere aspecten benoemd: ‘bereikbaar, benaderbaar en zichtbaar zijn in de wijk’, ‘actief voorlichting geven rond preventie’, en het ‘vroegtijdig inschakelen van andere organisaties’.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 60

De belemmeringen voor ‘preventief werken’ In de enquête is de vraag gesteld of de respondenten voorbeelden kunnen noemen van zaken die het team belemmeren bij ‘preventief werken’. ‘Werk- en tijdsdruk’ Er is een belemmering die door driekwart van de sociaal werkers genoemd wordt, en met kop en schouders boven alle andere genoemde belemmeringen uitsteekt. Dat is de ervaren ‘werk- en tijdsdruk’. De beelden zijn eensluidend en duidelijk: “De waan van de dag. Problemen worden altijd eerst opgepakt. Voor preventie lijkt nooit tijd te zijn.” “Tijd! De aandacht gaat altijd naar de situaties die nu al om veel ondersteuning vragen. Er lijkt nooit genoeg mankracht om de focus ook meer op voorliggende zaken te leggen.” “Gebrek aan tijd en ruimte om een degelijk preventief programma op te zetten en uit te voeren. Ook de politiek is niet gericht op sociale samenhang en preventie, maar richt zich meer op reactief handelen. Brandjes blussen in plaats van stilstaan, nadenken, handelen en voorkomen.” “Kostengestuurd beleid vanuit subsidiegever. Veelvuldigheid aan taken die bij een wijkteam terecht komen waardoor tijdgebrek ontstaat. Wachtlijsten waardoor ruimte voor preventie steeds kleiner wordt. Daardoor werken we reactief.”

‘Privacywetgeving en bureaucratie’ Als tweede belemmering wordt genoemd ‘het gebonden zijn aan regels, privacy-beleid en bureaucratie’. Daarnaast worden gemeentelijke restricties genoemd. “De brede opgave van gemeentelijke taken waarbij veel tijd uitgaat naar het in standhouden van het oude AWBZ-systeem waarin beschikkingen leidend zijn en er een grote hoeveelheid zorgaanbieders is. Dit alles gaat gepaard met een enorme regel/administratiedruk waardoor de sociaal werker van de straat gehaald is en noodgedwongen achter de computer heeft plaats genomen.” “Als je alles volgens de regels van de privacywetgeving zou doen, kom je tot weinig.” “Privacy, waardoor outreachend werken moeilijk is. Bij schulden zijn mensen vaak pas te motiveren als het al te laat is.”

‘Gebrek aan geld’. “Nee, collectieve dingen mogen we niet meer doen, omdat er financieel geen ruimte meer voor is. Dat er vanuit de gemeente dingen veranderden. Daar is iedereen toen op een gegeven moment ook wat voorzichtiger in geworden. Dat speelde begin jaar. Toen kwam ineens dat Amaryllis moest halveren in het werk. Toen is er gezegd: 'Nou, we stoppen even dat hele preventieve stuk’.”

Dan volgen nog: ‘wachtlijsten’, ‘te late signalering’, en, een interessante, ‘de resultaten van preventie zijn nauwelijks zichtbaar’. Daarnaast wordt tenslotte nog een aspect genoemd dat wellicht vaker voorkomt: bewoners vinden het niet prettig, zonder dat zij zelf contact hebben opgenomen, op een situatie of probleem te worden aangesproken. “Mensen willen het sociaal werk ook niet te woord staan als je vraagt: 'Nou, zou ik iets voor u kunnen doen. We hebben dit en dat gehoord.' Nee. Niks, deur dicht. Soms ook boos. Maar ik heb wel begrepen dat dat per wijk weer heel erg verschillend is.” Bevindingen voor de belemmeringen voor ‘preventief werken’ De belangrijkste belemmeringen voor ‘preventief werken’ komen overeen met belemmeringen die ook bij de andere beloften worden genoemd: ‘te druk en te weinig tijd’, en de ‘privacywetgeving’. Het is vooral de derde vaststelling, ‘gebrek aan geld’, die verwijst naar een dieperliggende samenhang. ‘Gebrek aan geld’ duidt feitelijk op de vaststelling dat de dagdagelijkse praktijk (de dagelijkse problemen) de boventoon voeren. Er wordt onder druk van de ‘waan van de dag’ nauwelijks geïnvesteerd in preventie. Ook gekoppeld als een vaststelling die nog volgt, dat de resultaten van preventie op het eerste oog ook nauwelijks zichtbaar zijn.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 61

De succesfactoren voor ‘preventief werken’ Dat betreft de vraag: ‘Wat werkt de praktijk goed als het gaat om preventie? Twee factoren worden het meest frequent naar voren geschoven. De eerste factor verwijst naar het ‘zichtbaar zijn in de wijk’ en de tweede naar ‘het delen en samenwerken met de netwerkpartners’. ‘Zichtbaar zijn in de wijk’ Driekwart van de sociaal werkers noemt ‘zichtbaar zijn in de wijk’ als belangrijke succesfactor voor ‘preventief werken’. En dat zichtbaar zijn wordt op diverse manieren omschreven, heeft vele gedaanten. Om te beginnen wordt in deze context expliciet verwezen naar het ‘outreachend werken’ als belangrijke factor. “Aanwezig zijn in de wijk, tijd hebben om contact te maken. Erop af gaan.” “Sociaal werkers die wars zijn van de manier waarop het systeem in elkaar steekt en koersvast voor de inwoners en preventie gaan. Bijvoorbeeld door de computer en indicatiegesprekken te negeren en de wijk in te gaan om daar personen aan elkaar te verbinden, nieuwe initiatieven te nemen, te gaan samenwerken met zorgverzekeraar, huisarts, ondernemers, scholen, sociale basis etc. Zoals de bedoeling was en is.” “Op het moment dat je meer tijd en ruimte krijgt voor het preventief werken, dan kun je bepaalde initiatieven op zetten. We hadden voorheen bakje in de buurt. Een laagdrempelig initiatief in de wijk.

Je liet je zien als wijkteam en proefde wat er zich op dat moment bij desbetreffende straat afspeelde. Er kwamen regelmatig signalen naar voren tijdens het bakje in de buurt. En zo waren er nog een aantal van dit soort initiatieven. Ook kunnen we veel meer een rol van betekenis spelen op de scholen. Scholen zijn belangrijke monitoren, zij pikken de signalen op. Vanuit daar zouden we veel sneller tot de kern kunnen komen en preventief een hulpaanbod kunnen doen.”

En verder: ‘zichtbaar zijn in buurthuizen of andere wijkplekken’, ‘inloopspreekuren’, ‘bereikbaar voor iedereen, zichtbaar in buurt of dorp’. ‘Het delen en samenwerken met de netwerkpartners’. Een derde van de sociaal werkers verwijst naar ‘het delen en samenwerken met de netwerkpartners’ als succesfactor. Soms ook benoemd als: ‘investeren in contact’. “Samenwerking zoeken met betrokken instanties en/of familie, buren, andere betrokken personen. Afstemmen van strategie en aanpak.” “Delen met netwerkpartners (ggz, wijkverpleegkundige, bewoners, wijkagent, gemeente), samen opwerken.” “Elkaar weten te vinden en niet te bureaucratisch zijn snel eventuele regelingen kunnen treffen om erger te voorkomen, bijvoorbeeld bij een dreigende uithuiszetting.” “Korte lijnen, investeren in het contact en elkaar op de hoogte houden.” “Wat ik daar heel erg tegenkom is, inderdaad in de samenwerking met de woningstichting, als er signalen zijn dat mensen aan het vervuilen zijn of veel overlast veroorzaken, dat wij daar al sneller bij zijn, al in een eerder stadium. Dus dan kan je gewoon al veel eerder ingrijpen, voordat dingen echt uit de hand lopen.”

Naast deze twee succesfactoren worden nog twee factoren kort benoemd. Om te beginnen ‘brede kijk op vragen en problemen’. “Door veel kennis kun je op meerdere gebieden ondersteuning bieden en anders kun je wel doorverwijzen naar anderen die meer kennis over een specifiek hulpvraag hebben.” En daarnaast wordt nog opgemerkt dat het helpt wanneer je ‘fysiek bij elkaar zit’. Bevindingen voor de succesfactoren voor ‘preventief werken’ Bij de succesfactoren voor ‘preventief werken’ valt op dat deze niet ingaan op de twee belangrijkste belemmeringen, ‘werk- en tijdsdruk’ en ‘privacywetgeving en bureaucratie’. Dat geldt in zekere zin ook voor de andere beloften. Het heeft er alle schijn van dat sociaal werkers niet de verwachting hebben dat op dat vlak veel winst te boeken is. Zij zoeken de successen vooral in de directe eigen invloedssfeer: noemt ‘zichtbaar zijn in de wijk’, ‘het delen en samenwerken met de netwerkpartners’, ‘brede kijk op vragen en problemen’ en ‘fysiek bij elkaar zitten’.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 62

‘Preventief werken’ algemeen beschouwd De essentie van preventie betreft het ‘vooruitkijken, signaleren en voorkomen dat problemen ontstaan’. Daarnaast worden nog genoemd: ‘bereikbaar, benaderbaar en zichtbaar zijn in de wijk’, ‘actief voorlichting geven rond preventie’, en het ‘vroegtijdig inschakelen van andere organisaties’. De belangrijkste belemmeringen voor ‘preventief werken’ komen overeen met belemmeringen die ook bij de andere beloften worden genoemd: ‘te druk en te weinig tijd’, en de ‘privacywetgeving’. Het is vooral de derde vaststelling, ‘gebrek aan geld’, die verwijst naar een dieperliggende samenhang. ‘Gebrek aan geld’ duidt feitelijk op de vaststelling dat de dagdagelijkse praktijk (de dagelijkse problemen) de boventoon voeren. Er wordt onder druk van de ‘waan van de dag’ nauwelijks geïnvesteerd in preventie. Ook gekoppeld als een vaststelling die nog volgt, dat de resultaten van preventie op het eerste oog ook nauwelijks zichtbaar zijn. Inzake de succesfactoren voor preventie zoeken de sociaal werkers de oplossing niet zozeer in het opheffen van de belangrijkste belemmeringen, maar juist in zaken die in de directe eigen invloedssfeer liggen: ‘zichtbaar zijn in de wijk’, ‘het delen en samenwerken met de netwerkpartners’, ‘brede kijk op vragen en problemen’ en ‘fysiek bij elkaar zitten’.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 63

‘Kostenefficiënt werken’ Inleiding Uit de enquête blijkt dat ongeveer 25 procent van de medewerkers ‘kostenefficiënt werken’ (zeer) sterk herkent als een opdracht van het wijkteam en nog eens 68.1 procent van de sociaal werkers de belofte herkent, en enigszins herkent. Van de sociaal werkers herkent 5.3 procent ‘kostenefficiënt werken’ feitelijk niet als opdracht van het wijkteam. Dat betekent dat deze belofte, samen met ‘preventief werken’, het minst herkend wordt van de zes beloftes. Het draagvlak voor de doelstelling van ‘kostenefficiënt werken’ is relatief gering, met 70.4 procent (‘helemaal mee eens’ en ‘mee eens’) het laagst van alle beloftes31, terwijl 4.5 procent het met de stelling (enigszins) oneens is. De overige medewerkers zijn het ‘enigszins eens’ met de stelling of antwoorden ‘neutraal’ en 58.2 met de stelling ‘mijn wijkteam werkt kostenefficiënt’32. Jongerenwerkers scoren op beide stellingen lager dan de overige medewerkers. Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de sociaal werkers ‘kostenefficiënt werken’ minder belangrijk achten en ook minder sterk als taakopvatting zien dan de andere beloftes, maar nog altijd wel belangrijk. Opvallend is verder dat de sociaal werkers van mening zijn dat zij zelf wel kostenbewust zijn, maar dat het team toch niet altijd goed in staat is om kostenefficiënt te werken.

De gesprekken met de sociaal werkers startten telkens bij de vraag hoe de beloftes luiden bij de start van het werken in wijkteams: ‘Wat wilden we eigenlijk bereiken met de transformatie, welke doelen werden nagestreefd?’ Ook uit die antwoorden blijkt dat ‘kostenefficiënt werken’ bij sociaal werkers niet als eerste op het netvlies zit. In deze paragraaf wordt aan de hand van de enquête en de gesprekken met de sociaal werkers dieper ingegaan op de belofte ‘kostenefficiënt werken’. De definitie van ‘kostenefficiënt werken’ Uit de enquête en gesprekken wordt duidelijk dat ‘kostenefficiënt werken’ volgens de sociaal werkers in eerste instantie verwijst naar ‘het afwegen van de kosten en baten’ in de meest brede betekenis van de uitdrukking. Daarnaast heeft het betrekking op zaken die meer indirect met die kosten en baten te maken hebben. En ten derde wordt bij de definitie al een aantal good practises genoemd om kostenbesparend te kunnen werken. ‘Het afwegen van kosten en baten’ Veruit het vaakst (door meer dan de helft) wordt genoemd dat kostenefficiënt werken inhoudt dat er zo efficiënt mogelijk gewerkt moet worden, dat een optimale balans wordt gevonden tussen de resultaten van ondersteuning, en de kosten daarvan.

Dat wordt vaak verwoord met ‘kosten en baten tegen elkaar afwegen’, ‘maximaal resultaat tegen zo laag mogelijke kosten’, ‘prijs-kwaliteit’ of ‘bewust zijn van de kosten’. Daarnaast ook wat meer eendimensionale omschrijvingen als ‘goedkoop’ of ‘kostenbesparend’. “Zo min mogelijk geld uitgeven en toch de juiste zorg inzetten.” “Kosten-baten analyse opstellen, daarbij gekeken naar zowel de korte als de lange termijn, waarbij gedaan wordt wat nodig is om de bewoner te bieden wat hij nodig heeft.” “Dat je als werker in alle gevallen alles tegen elkaar afweegt. En sowieso de goedkoopst adequate ondersteuning inzet als dat tot hetzelfde beoogde perspectief leidt.”

Bredere context van ‘kostenefficiënt werken’ Daarbij gaat het vooral om de manier waarop je ondersteuning inzet of deze wordt ingezet. Ook dat levert een hele reeks van omschrijvingen op: ‘tijd nuttig besteden’, ‘kennis hebben van voorliggende voorzieningen’, ‘kritisch kijken naar hulpvraag’, ‘kritisch kijken naar inzet van hulp’, ‘doen wat nodig is’, en ‘investeren om duurzame resultaten te halen’.

31

Gemiddelde cijfer op een 7-puntsschaal: 5,8.

32 Gemiddelde cijfer op een 7-puntsschaal: 5,6

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 64

“Realiseren wat ondersteuning of een oplossing kost. Soms is een dure oplossing gewoon nodig. Soms realiseer je je dat een andere oplossing veel passender zou zijn. Als je twijfelt of een dure oplossing passend is, kan dit helpen om de optie bijvoorbeeld eerst voor korte tijd in te zetten, zodat je snel weet of dit wel of niet werkt. Het houdt je scherp op het feit dat de ondersteuning van gemeenschapsgeld wordt bekostigd. Het is dus belangrijk dat de ondersteuning daadwerkelijk bijdraagt aan de participatie van iemand uit die gemeenschap.”

Good practises Al bij de definities worden door elf medewerkers een aantal zaken genoemd die goed werken als je als wijkteam kostenefficiënt wilt zijn. Zaken die meerdere keren genoemd worden, zijn ‘het inzetten van voorliggende voorzieningen’, ‘het inzetten van het netwerk van de bewoner’ en ‘preventief werken’. Twee professionals noemen expliciet dat het ook belangrijk is om zaken af te sluiten als hulp niet meer nodig is. Bevindingen voor de definitie van ‘kostenefficiënt werken’ Kostenefficiënt werken heeft volgens de meeste professionals te maken met een kritische blik en kostenbewustzijn van de professionals. Dat leidt vervolgens tot het afwegen van kosten en baten en daarmee tot een efficiënte manier van werken. Een deel gaat ook verder dan dat en noemt dat het voorkomen van zorg en het behalen van duurzame resultaten kostenefficiënt zijn. In het verlengde daarvan worden ook enkele andere beloftes genoemd als good practises om te komen tot kostenefficiëntie: inzetten netwerk en 0de lijn en preventief werken. De belemmeringen voor ‘kostenefficiënt werken’ In de enquête is de vraag gesteld of de respondenten voorbeelden kunnen noemen van zaken die het team belemmeren bij ‘kostenefficiënt werken’. Anders dan bij de vorige vijf beloftes, worden bij de belemmeringen voor ‘kostenefficiënt werken’ vele, heel diverse belemmeringen opgesomd.

Om deze toch enigszins gegroepeerd in beeld te brengen, zijn deze in drie wat meer abstracte categorieën samengevat: ‘belemmeringen door externe systemen’, ‘belemmeringen door interne systemen’ en ‘belemmeringen die te maken hebben met het handelen van de sociaal werker zelf’. Externe systemen Sociaal werkers noemen een veelheid aan externe factoren die belemmeren bij het kostenefficiënt werken. In totaal meer dan een derde van de professionals noemt één of meerdere systeembelemmeringen. Viermaal wordt in algemene zin ‘wet- en regelgeving’ genoemd. Vooral in de gesprekken met de sociaal werkers hebben we hiervan een aantal schrijnende voorbeelden gehoord. “Ik heb een stel. Dat is gewoon echt dieptriest. Door verrekeningen achteraf, vooral kosten, en allemaal wisselingen en wijzigingen moeten zij ook nog hun toeslagen terugbetalen. Terwijl zij gewoon op bijstandsniveau gezeten hebben en recht hebben op maximale toeslagen... En dat gaat de gemeente dan weer berekenen welke deel van de toeslagen zij dan weer vanuit bijzondere bijstand willen betalen. Krijgen zij een aanslag inkomstenbelasting omdat de gemeente zegt: 'Je moet bij je werk de heffingskorting laten toepassen. Maar de gemeente past intussen ook die heffingskorting toe. Dus moet je weer terugbetalen. Alleen de gemeente zegt: 'Wij betalen alleen maar definitieve aanslagen terug.

En geen voorlopige aanslagen.' Maar de belastingdienst zegt: 'Voorlopige aanslag, wij willen geld.' En daar zit je dan op je bijstandsniveau. Ja, echt, je wordt er echt een beetje moedeloos van.”

Volgende factoren zijn in steekwoorden samen te vatten. Het eerste betreft ‘samenwerkingspartijen’: gebrek aan maatwerkoplossingen/passende ondersteuning, waardoor een efficiëntere of goedkopere oplossing niet beschikbaar is en voor een duurdere oplossing gekozen moet worden; zorgaanbieders die onvoldoende transformeren (nog altijd factureren per maand, niet met resultaten werken, aanbodgericht werken); te weinig inzicht in kosten en opbrengsten van producten van jeugdzorgaanbieders; wachtlijsten bij zorgaanbieders; schotten in de zorg; geen ruimte meer in de 0de lijn om door te verwijzen. “In Stiens is er weinig, wat je voorliggend zou noemen. Dus je kunt weinig inzetten. Er is niet een leuke werkplaats of zo waar je zo heen zou kunnen. Dat wat Leeuwarden weer wel op sommige punten heeft. Gewoon een buurthuis waar je dingen zou kunnen doen. Dat is allemaal indicatie… Maar dat komt nog niet van de grond. Ook al omdat we vorig jaar zo’n heel wisselend jaar hebben gehad met de bezuiniging doordat het team in elkaar is gestort.”

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 65

Dan ‘beleid en inkoopsystematiek beleid van de gemeente’: het beleid van de gemeente, de beleidsregels van de gemeente, gebrek aan regie door de gemeente, de opdracht van de gemeente, te veel veranderingen, niet kunnen afwijken van regels, het direct doorverwijzen door huisartsen; de inkoopsystematiek van jeugdzorg: de jeugdprofielen en het feit dat jeugdzorgaanbieders de intensiteit bepalen zorgt voor minder grip op de kosten. “Ja, huisartsen zijn niet zo eh, die zitten echt op een eiland nog, die positie hebben ze ook gekregen. Als je kijkt naar de jeugdwet. Huisartsen verwijzen gewoon massaal door naar de tweede lijn. En ik vind dat echt onbestaanbaar dat dat kan. En wij worden aangesproken op wat wij doen en dat is altijd: ‘Er gaat veel te veel geld naar de jeugdzorg.’ Dat wordt de hele tijd geroepen, maar ga het ook ’s aanpakken daar waar het probleem ligt.” “Maar dat, de toegankelijkheid van de zorg is gewoon zo makkelijk ... en helemaal met de jeugd, nou ga je... Je krijgt het bij het wijkteam niet, dan ga je toch gewoon naar de huisarts.”

En tenslotte ‘macro-ontwikkelingen’: er is geen ruimte meer om te besparen; er is veel multi-problematiek waarvoor de tweedelijn noodzakelijk is. “We proberen dingen in de perken te houden. Vroeg signaleren. Maar je kunt geen kosten besparen. We hebben meer en langer sturing en regie nodig. Dan kun je veel maatschappelijke kosten besparen. Inzet thuisondersteuning is kleine investering/grote opbrengst.” “Nu weet ik dat er volgens mij laatst met FACT heel erg was, dat die ook meer moesten afsluiten en sneller moesten door verwijzen, dan komt dat bij ons allemaal binnen en dan wordt er inderdaad gezegd dat wij een wachtlijst hebben of te veel mensen bedienen. Maar ja, dan is er vaak toch ook in de samenleving iets anders waardoor dat weer effect op ons heeft.”

Interne systemen Ruim een kwart van de medewerkers noemt (ook) randvoorwaarden of systemen van de wijkteams zelf als belemmeringen bij het kostenefficiënt werken. Veel van deze opmerkingen hebben te maken met ‘tijdsdruk/werkdruk’. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden die nuttig en minder nuttig gevonden worden. Zo gaat er veel tijd zitten in het uitzoeken van beschikbare voorliggende voorzieningen, overleg met ketenpartners en het maken van maatwerkplannen, maar ook in (nutteloze) administratieve handelingen, verslaglegging en inefficiënt vergaderen. Verder worden personeelswisselingen en het brede takenpakket genoemd als belemmeringen. Door een enkeling wordt genoemd dat er te weinig tijd is om collectieve voorzieningen te ontwikkelen. Dat er verder te weinig expertise aanwezig is om problematiek rondom anderstaligen aan te pakken en dat er over het algemeen te weinig vertrouwen is in het kostenbewustzijn van de sociaal werkers. “Kijk, bepaalde kernwaarden, ‘doen wat nodig is’ en natuurlijk op ‘kostenefficiency’, ‘preventie’, dat zijn allemaal wel dingen die wij wel bespreken, alleen merken wij ook wel steeds dat dingen veranderen. Of soms hebben we ook een tijd gehad dat we dan dit weer moesten registreren. Dat was dan belangrijk voor de... Ja, met name de gemeente. Dus dat je ook steeds wel weer nieuwe taken en nieuwe dingen erbij moet doen.

Dat is wel heel veel als je net nieuw in dienst komt. Omdat het steeds weer verandert.” “Deze jongen stoeide met zijn achternaam, dat heeft hem weerhouden om een vervolgopleiding te doen… Toen dacht ik: ‘Dit is nou klaar, we gaan die achternaam even veranderen.’… Dan moet het papier opgemaakt worden. Daar zijn kosten aan verbonden, 700 euro en nog wat. Heb ik wel via de omgekeerde toets kunnen regelen met de gemeente. ‘Maar M., waarom?’, wordt dan gevraagd. Daar heb je het weer, vertrouwen.” “Daarvoor is er een hele periode geweest… kregen we de opdracht van de gemeente om af te schalen. Dus niet de inzet van de passende ondersteuning was leidend, maar het geld was leidend. Dat stuitte op een enorme weerstand. Ook bij mij. Want het principe is al: ‘Alles wat de burger zelf kan, zelf doen.’ Dus als we het in moeten zetten, dan vinden we dat dus echt nodig.”

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 66

“Kinderen uit Grou moeten met een taxi naar Leeuwarden/Bilgaard om daar taalonderwijs te volgen. Dus: ouders gaan niet naar het schoolplein, zitten op de bank. Kinderen krijgen geen aansluiting met kinderen in hun eigen dorp. Waarom niet het budget verdelen over de basisscholen die de kinderen hebben?”

Het handelen van de sociaal werker Ook bij de belemmeringen wordt kritisch gekeken naar het eigen handelen. Daarbij vallen twee zaken op: acht professionals noemen dat zij onvoldoende op de hoogte zijn van de kosten van de beschikbare voorzieningen en/of van het aanbod. Verder noemt een enkeling dat er soms onvoldoende out-of-the-box gedacht wordt en er te snel ‘dure’ hulp wordt ingezet. “Nou, de jeugdindicaties dat is soms schrikbarend dus. Die prijzen worden nu ook allemaal veel inzichtelijker doordat wij tot nu toe als sociaal werkers die profielen aangaven, maar de intensiteit van de zorgaanbieder dan wel te zien kregen. Dus dan denk je: Ohh, is dat zo duur, zo’n traject… Wat doen ze daar dan allemaal voor? Dat is wel heel veel geld.” “En het is goed om kritisch te zijn, elkaar kritisch te bevragen. ‘Heb je gedacht aan een vrijwilliger hiervoor?’ ‘Ohh, nou nee, want er zit al thuisondersteuning in.’ ‘Ja, dat zit er nu in, maar zou het ook anders kunnen?’ Dat je daar dus kritisch op bent.”

Bevindingen belemmeringen voor ‘kostenefficiënt werken’ De belemmeringen bij het kostenefficiënt werken zijn gelegen in een onvoldoende transformatie van de zorgaanbieders, en dan vooral de jeugdzorgaanbieders. Verder wordt ‘het beleid’ van de gemeente hoofdzakelijk in algemene termen genoemd. Bij interne systeemproblemen gaat het om de werkdruk en de (zinloze) administratie. Bij het eigen handelen valt op dat de professionals onvoldoende zicht hebben op het aanbod en de kosten daarvan. De interne en externe systeemfactoren lijken met elkaar verband te houden: het wisselende beleid en daarmee de veranderende opdracht voor het wijkteam, de veranderende regels met bijbehorende eisen aan de verslaglegging dragen volgens de professionals weinig bij aan de inhoudelijke verbetering van de zorg en ondersteuning. Het telkens aanpassen aan de veranderingen vraagt echter wel veel (tijd) van de zorgprofessionals. Tegelijkertijd transformeren de zorgaanbieders onvoldoende en is er weinig grip op de kosten van de jeugdzorg vanwege de inkoopsystematiek en de directe verwijsroute via huisartsen en GI’s. Verder ervaren de professionals onvoldoende vertrouwen in het kostenbewustzijn. Deze combinatie zorgt voor onvrede onder de professionals.

De succesfactoren voor ‘kostenefficiënt werken’ Ook wanneer gevraagd wordt naar wat goed werkt, als het gaat om ‘kostenefficiënt werken’, dan worden zeer verschillende antwoorden gegeven. De antwoorden zijn terug te herleiden tot vijf categorieën: ‘de dagelijkse praktijk van het wijkteam’, ‘samenwerking’, ‘het handelen van de sociaal werker zelf’, ‘randvoorwaarden die in orde moeten zijn’ en ‘specifieke good practises’. Manier van werken van het wijkteam Eén op de drie sociaal werkers noemt één of meerdere aspecten van het dagelijkse werk als succesfactoren. Zaken die daarbij meermaals worden genoemd, zijn: het inzetten van vrijwilligers/0de lijn groepsactiviteiten; het vergelijken van aanbod vergelijken; het inzetten van het netwerk van bewoners; een helder plan met duidelijke doelen opstellen; de hulpvraag goed kennen en onderbouwen; en maatwerkoplossingen aandragen. Veel van deze ‘dagelijkse praktijk’ hangt nauw samen met de andere vijf beloftes. Ook in zaken die slechts eenmaal genoemd worden, herkennen we de andere vijf beloftes duidelijk terug: inzetten eigen regie, preventief werken, zelf lichte hulpvragen oppakken et cetera. Samenwerking Eén op de vijf medewerkers noemt expliciet de samenwerking met anderen als succesfactor voor kostenefficiëntie. Samenwerking is in feite ook een belofte (multidisciplinariteit).

Het gaat dan om samenwerking binnen het eigen team, maar ook over samenwerking met de tweedelijn en

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 67

aansluitfunctionarissen. Ook wordt vaak in het algemeen ‘korte lijnen’ genoemd als voorwaarde om kostenefficiënt te kunnen werken, zoals dat ook bij de andere beloftes wordt genoemd. Het handelen van de sociaal werker De sociaal werkers noemen twee zaken wat zij als professional zelf moeten doen om kostenefficiënt te werken: kritisch kijken naar de hulpvraag en bewust zijn van de kosten/uitgaven. Dit sluit aan op de definitie die de professionals zelf geven. Randvoorwaarden Bij succesfactoren worden randvoorwaarden genoemd die grotendeels aansluiten op de belemmeringen. Ten eerste moet er zicht zijn op wat hulpverlening kost. Dat wordt als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de aanbieders en de wijkteams gezien. Verder wordt aangegeven dat er voldoende (passend) aanbod in het voorliggende veld moet zijn. De derde belangrijke randvoorwaarde betreft kennis, tijd en mandaat die sociaal werkers nodig hebben om kostenefficiënt maatwerk te kunnen leveren. Good practises Elf medewerkers noemen één of meerdere heel concrete succesfactoren, waarvan zeven de ‘Inclusieve stad’. Verder worden het buurtservicepunt, het doorpakbudget, de wijkvereniging, Humanitas, de omgekeerde toets, Kracht en het maatwerkplan als concrete succesfactoren allemaal één keer genoemd.

Bevindingen succesfactoren kostenefficiënt werken Sociaal werkers zijn kostenbewust en noemen voornamelijk de andere vijf beloftes als succesfactoren voor kostenefficiënt werken, waarbij veel aandacht is voor samenwerking. Daarbij stellen zij dat het voor henzelf belangrijk is om kritisch te kijken naar de hulpvraag (doen wat nodig is) en zich bewust te zijn van de kosten. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat kosten transparant zijn en dat er voldoende aanbod is in het voorliggende veld. ‘Inclusieve stad’ wordt als concrete succesfactor genoemd. ‘Kostenefficiënt werken’ algemeen beschouwd Kostenbewustzijn start volgens de sociaal werkers met een kritische blik op de hulpvraag en het bewustzijn van de kosten. Vervolgens worden allerlei zaken in het proces genoemd waarbij kostenbewustzijn een rol speelt: een gedegen plan maken met duidelijke doelen, weten wat de hulp door derden kost, aanbod vergelijken, samenwerken binnen en buiten het team en het voorliggende veld inzetten als dat mogelijk is. Verder wordt de methodiek van ‘Inclusieve stad’ specifiek als good practise aangemerkt. De medewerkers van het wijkteam zijn goed op de hoogte van de manier waarop kostenbesparend gewerkt kan worden en worden de beloftes ‘multidisciplinair werken’, ‘maatwerk leveren’, ‘preventief werken’ en ‘het stimuleren van de zelfredzaamheid’ als voorwaarden voor kostenefficiënt werken genoemd.

Om daar te komen, moet aan een aantal belemmeringen gewerkt worden. Deze belemmeringen zijn heel divers en bevinden zich veelal buiten de reikwijdte van het wijkteam zelf. Dat betreft het gemeentelijk beleid, de inkoopsystematiek, problemen bij de zorgaanbieders en macro-ontwikkelingen die buiten de invloedssfeer van de wijkteams liggen. Ook intern worden belemmeringen genoemd, die vooral te maken hebben met werkdruk, administratieve handeling en de tijd voor het uitzoeken van beschikbare voorliggende voorzieningen. Vaak ligt daarbij in de ogen van de sociaal werkers de oorzaak buiten het team: de gemeente vraagt om te veel verantwoording, de beschikbare voorzieningen en de kosten daarvan zijn onvoldoende transparant en de voorzieningen zijn niet toereikend.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 68

Bijlage 7: De wijkteams na 2020: nieuwe positionering, rol en taken

Vanaf januari 2021 staat een volgende stap in de ontwikkeling van het werk van de sociale wijk- en dorpenteams op de agenda. In het Koersdocument Sociaal domein33 wordt aangegeven dat een herijking van de wijze waarop de zorg in het sociale domein is georganiseerd gevraagd is. Verdere afschaling van de zorg, het versnellen van de transformatie en het toetsen van de leidende principes zijn aan de orde. Dat vraagt om te beginnen om een versterking van de sociale basis. “Uitgangspunt van het sociaal domein in Leeuwarden is dat mensen naar vermogen zelf verantwoordelijk zijn voor de inrichting van hun leven. De naasten (familie en wijkbewoners) en maatschappelijke initiatieven zijn hierin het primaire vangnet, voordat er een beroep op de overheid wordt gedaan. Doel is nog altijd om aanvullende ondersteuning voor naasten en maatschappelijke initiatieven dicht bij de bewoner te organiseren, het liefste in de wijk en het dorp. Met oog voor het bevorderen van eigen kracht en zoveel als mogelijk collectieve arrangementen. Hiervoor zal een stevige basis moeten zijn. De basis voor deze ondersteuning is voor een groot deel operationeel en is goed geworteld in de Leeuwarder samenleving. Dat zijn door de gemeente gesubsidieerde partijen, zoals Amaryllis met de wijkteams als ook de grotere vrijwilligersorganisaties.” (blz.

5) Een belangrijke rol wordt in dit geheel weggelegd voor de sociale alliantie. Daarmee wordt geduid op het samenwerkingsverband tussen de sociale basis en de professionele instellingen. De sociale basis vormt daarbij de kern en bestaat uit bewoners(organisaties) en vrijwilligers(organisaties) in het werkgebied van de alliantie. Professionele organisaties in de alliantie zorgen voor aanvullende ondersteuning ter versterking van de sociale basis en voor het aanpakken van complexe problematiek. De alliantie is een algemene voorziening en biedt ondersteuning in het dagelijks leven. Doelstelling is dat de alliantie geen problemen overneemt, maar de eigen kracht van bewoners aanboort en versterkt. De alliantie krijgt in die samenhang tot taak een infrastructuur op te bouwen van laagdrempelige steun- en inloopvoorzieningen waar burgers terecht kunnen (zowel van professionals als vrijwilligers) in wijken en dorpen. Een volgende belangrijke beleidswijziging betreft het gegeven dat de alliantie als taak meekrijgt de zorg die voorheen grotendeels werd verleend op basis van maatwerkvoorzieningen vanaf 2020 zo veel als mogelijk als algemene voorziening te ontsluiten aan de Leeuwarder bevolking. Er wordt dan geen individuele toets meer uitgevoerd die leidt tot ondersteuningsplannen, een beschikking, berichtenverkeer, declaraties etc.

Voor zwaardere zorgsituaties blijven wel nog maatwerkvoorzieningen bestaan. Deze uitgangspunten worden vervolgens in het Uitvoeringsplan Herijking Wmo gemeente Leeuwarden34 verder uitgewerkt. De startpositie komt overeen met die uit het Koersdocument. In dat koersdocument heeft de raad een aantal kaders en uitgangspunten voor een herijking van de Wmo vastgesteld: de ‘sociale basis vormt de kern’, ‘beschikkingsvrij werken’, ‘integrale aanpak: één huishouden, één plan, één regievoerder’, ‘ondersteuning op maat per wijk, dorp en gebied’, ‘lumpsum financiering’, en ‘het behalen van de taakstelling van € 3,6 miljoen per 2020’. Onder de sociale basis wordt het geheel van informele netwerken, bewonersactiviteiten en betekenisvolle relaties tussen burgers onderling verstaan. De sociale basis vormt derhalve de ruggengraat van het sociaal domein. Meer concreet bestaat de sociale basis bestaat uit bewoners en hun sociaal netwerk-, vrijwilligers-, wijk- en dorpsorganisaties, die bewoners op alle leefgebieden ondersteunen. De sociale basis wordt verder aangevuld door meer geformaliseerde structuren, zoals vrijwilligersorganisaties die, samen met of met (financiële) steun van de gemeente, ondersteuning bieden aan bewoners.

33

Gemeente Leeuwarden, Koersdocument Sociaal Domein, Leeuwarden, juni 2018.

34 Gemeente Leeuwarden, Uitvoeringsplan Herijking Wmo gemeente Leeuwarden, Leeuwarden,

juli 2019.

D e

t r a n s f o r m a t i e

i n

h e t

s o c i a a l

d o m e i n

d o o r

d e

o g e n

v a n

d e

w i j k t e a m s

-

B i j l a g e n | 69

Beschikkingsvrij werken betekent dat er vanuit de Wmo meer ondersteuning beschikbaar is zonder beschikking. De verwachting bestaat dat beschikkingsvrij werken tot een snellere en meer flexibele inzet van zorg leidt. Hoe meer inwoners zonder beschikking zorg krijgen vanuit de basisondersteuning, des te minder administratieve druk. Daarnaast vermindert beschikkingsvrij werken ook de ‘onderhandelingsdynamiek’ tussen de basisondersteuning en aanvullende ondersteuning. Om meer beschikkingsvrij te kunnen werken stapt de gemeente over op een werkwijze met twee soorten ondersteuning: de basisondersteuning en de aanvullende ondersteuning. De basisondersteuning is een algemene voorziening die toegankelijk is zonder beschikking. De aanvullende ondersteuning is een individuele maatwerkvoorziening die toegankelijk is middels een verwijzing vanuit de basisondersteuning. Deze verwijzing, middels een brief, wordt zo laagdrempelig mogelijk gehouden. Indien de bewoner dit wenst, ontvangt hij/zij echter een beschikking. In deze situaties stelt de basisondersteuning een ondersteuningsplan op en een zwaarwegend advies, dat wordt getoetst en beschikt door de gemeente. Bij het inzetten van een individuele maatwerkvoorziening heeft een inwoner de keuze om de ondersteuning te ontvangen via Zorg in Natura (ZIN) of via een persoonsgebonden budget (PGB).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=6c4910f0-ed0d-44d2-ba26-fa8d1b18ef13