Bijlagen bij de toelichting gewijzigd bestemmingsplan ‘Leeuwarden – Arken en woonschepen’
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing De Burd
251-002
oktober 2018
17
5.2.
Waterhuishouding
Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. In het nationale waterbeleid, vastgelegd in onder meer het Nationaal e Waterplan, de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21 eeuw en de Europese Kaderrichtlijn water staat het duurzaam omgaan met water centraal: het waarborgen van voldoende veiligheid en het zo klein mogelijk houden van de kans op wateroverlast. Het voorgaande moet mede gezien worden in het kader van de problematiek met betrekking tot ontwikkelingen als klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Hiervoor is de trits 'vasthouden bergen - afvoeren' maatgevend.
Kort gezegd betekent dit dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. Uitgangspunten in dit verband zijn: geen afwenteling van problemen naar andere compartimenten in ruimte en tijd; zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en de inlaat van gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken; beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de waterkwaliteit. Hierbij staat de trits 'schoonhouden scheiden - zuiveren' centraal. Bij schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zo veel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Uitgangspunten in dit verband zijn: vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken; voorkomen van verspreiding van verontreinigingen;
Ruimtelijke onderbouwing De Burd
251-002
oktober 2018
18
benutten van schoon water. Het beleidsdoel duurzaam omgaan met water dient niet alleen in waterbeheerplannen te worden uitgewerkt, maar er dient ook in de ruimtelijke ordening, waaronder de bestemmingsplannen, rekening mee te worden gehouden. Afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening kan door: het bieden van ruimte voor water in verband met veiligheid, wateroverlast en zoetwaterbeheer; water als ordenend principe in de functietoekenning; kansen benutten die water biedt voor de vergroting van de belevingswaarde en functiecombinaties (bijvoorbeeld cultuurhistorische waarden van voormalige waterlinies); randvoorwaarden aan de inrichting en het beheer op basis van water (bijvoorbeeld kruipruimteloos bouwen, zodat de grondwaterstand hoog kan blijven); effecten op waterkwaliteit meewegen bij besluitvorming in de ruimtelijke ordening. Omdat de toename van het verharde oppervlak in het plangebied minder dan 1.500 m² bedraagt, kan de versnelde watertoets worden toegepast. Watertoets Op Dewatertoets is de digitale watertoets uitgevoerd voor dit project. Daaruit volgt onderstaand Wateradvies (zie ook bijlage 2). De uitkomst is dat de korte procedure moet worden gevolgd. Het plan 3 recreatiearken De Burd heeft een beperkte invloed op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen.
Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan kan worden opgevangen met standaard maatregelen die vermeld staan in de leidraad watertoets. Naast dit wateradvies staan hieronder enkele aandachtspunten die gelden voor het plan. Aandachtspunt: Vrij voor de boezem Het plangebied ligt vrij voor de boezem. Dit wil zeggen dat het gebied niet is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Het waterschap adviseert om hiermee rekening te houden bij het bepalen van de aanleghoogte. De steigers zijn hierop ingericht en de recreatiearken bewegen mee met eventuele waterstandsverandering. Leidraad watertoets Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt Wetterskip Fryslân met de Leidraad Watertoets te raadplegen via de link: www.wetterskipfryslan.nl/watertoets. In Leidraad Watertoets, hoofdstuk 4. De wateraspecten, staan de aandachtspunten voor alle wateraspecten omschreven waarmee rekening gehouden moet worden en is informatie te vinden over de te nemen standaard maatregelen. Deze vragen evenwel aandacht bij de verdere uitvoering en zijn niet relevant voor de planologische afwijking.
Ruimtelijke onderbouwing De Burd
251-002
oktober 2018
19
Waterwet Voor bepaalde werkzaamheden is een watervergunning nodig. Soms is het doen van een melding voldoende. Zodra het plan in meer technische details is uitgewerkt, zal indien nodig een melding worden gedaan of een vergunningaanvraag. Afronden procedure Via www.dewatertoets.nl is deze watertoets als een melding ontvangen. Wetterskip Fryslân archiveert deze melding. De watertoets is hiermee voor Wetterskip Fryslân afgerond.
5.3.
Flora & Fauna
Door Staro is de “Quickscan flora en fauna en toets EHS De Burd te Grou” uitgevoerd (december 2016, zie bijlage 3). Daarin zijn de volgende onderzoeksconclusies opgenomen: Beschermde gebieden De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten tot gevolg hebben op het Natura 2000-gebied Alde Feanen en op het Nationaal Park De Alde Feanen (zie paragraaf 3.1 van deze onderbouwing). Als gevolg van de ingreep vindt geen aantasting plaats van het ecologisch functioneren van de EHS. Door de tuinen bij de recreatiearken landschappelijk in te richten met riet en grasland wordt positief bijgedragen aan het functioneren van de EHS. Beschermde soorten Onder de nieuwe Wet natuurbescherming (die in werking is getreden kort nadat het natuuronderzoek is uitgevoerd) blijven soorten van de FFtabel 1 in Friesland vrijgesteld van de verbodsbepalingen, zo blijkt uit de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Aan het einde van deze paragraaf is aangegeven op welke wijze de wetswijziging invloed heeft op onderstaande conclusies. In het plangebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten voor die vermeld staan in de tabellen van de Flora- en faunawet, zie tabel 1 op de volgende pagina. Soorten van FFtabel 1 Mogelijk wordt het plangebied gebruikt door enkele grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die zijn opgenomen in FFtabel 1.
De voorgenomen plannen hebben mogelijk een tijdelijk negatief effect op zoogdieren en amfibieën van FFtabel 1. Voor de soorten van FFtabel 1 geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen.
Ruimtelijke onderbouwing De Burd
251-002
oktober 2018
20
Soorten van FFtabel 2 In het plangebied komen mogelijk de beschermde vissoorten paling en rivierdonderpad (beide FFtabel 2) voor. De voorgenomen plannen zullen geen negatief effect op mogelijk voorkomende beschermde vissoorten hebben. Soorten van FFtabel 3 Het plangebied en de omgeving daarvan zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op het foerageergebied zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Vanwege het ontbreken van bebouwing of bomen zijn er geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen binnen het plangebied. Mogelijk komen heikikkers (FFtabel 3) voor in het plangebied. Door mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van heikikkers (november t/m februari) worden negatieve effecten op heikikkers voorkomen. Mogelijk komen incidenteel ringslangen voor binnen het plangebied. Het doden of verwonden van ringslangen kan worden voorkomen door mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van ringslangen: grofweg half oktober t/m half maart. Het plangebied vormt mogelijk leefgebied van noordse woelmuis en waterspitsmuis. Om negatieve effecten op de soorten uit te sluiten dient het verwijderen van het riet te worden uitgevoerd buiten de kwetsbare perioden voor noordse woelmuis en waterspitsmuis.
Dit houdt in dat het verwijderen van riet alleen in de periode november tot en met maart mag worden uitgevoerd. Soorten van FFtabel vogels Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemeen voorkomende vogelsoorten. De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten hebben ten aanzien van foerageergebied en of broedgebied. Na de herinrichting zal het gebied even geschikt zijn als foerageer- en broedgebied voor vogels. Indien exemplaren aan het broeden zijn, kan het verwijderen van riet en andere beplanting niet plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Door riet en andere beplanting buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat er negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van vogels.
Ruimtelijke onderbouwing De Burd
251-002
oktober 2018
21
Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten:
Wet natuurbescherming Onder de nieuwe Wet natuurbescherming blijven soorten van de huidige FFtabel 1 in Friesland vrijgesteld van de verbodsbepalingen blijkt uit de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Rivierdonderpad, paling, kleine modderkruiper en bittervoorn zijn onder de nieuwe wet niet meer beschermd. Dat betekent dat bij werkzaamheden in watergangen geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd voor deze soorten. Echter, dient altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Noordse woelmuis en waterspitsmuis blijven beschermd en ontheffingsplichtig onder de Wet natuurbescherming. De bescherming van vogels blijft in de praktijk ook gelijk. Omdat voor de verschillende genoemde soorten het van belang is om terreinbeheer in de juiste seizoenen van het jaar uit te voeren, is een beheerplan uitgewerkt voor het terrein dat in paragraaf 4.3 van deze onderbouwing is opgenomen. De daarin opgenomen maanden waarin terreinbeheer uitgevoerd kan en mag worden van landschappelijke doelstellingen, komt voldoende overeen met de in deze paragraaf genoemde perioden waarin vanuit ecologisch oogpunt het beheer kan plaatsvinden.
Ruimtelijke onderbouwing De Burd
251-002
oktober 2018
22
5.4.
Cultureel erfgoed
Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde “veroorzakerprincipe”. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Ondertussen is dit vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) die op 1 september 2007 van kracht is geworden. Met name de Monumentenwet is door de WAMZ aangepast en gaat concreet in op de bescherming van archeologische waarden in planologische procedures. De gemeente heeft naar aanleiding daarvan haar eigen archeologiebeleid opgesteld. De archeologische indicatie voor dit gebied is zeer laag. Dit kan worden verklaard door de zeer lage ligging van het gebied, wat historische bewoning onwaarschijnlijk maakt. Daarnaast is het gebied meermalen mechanisch gespit en vergraven en is meermaals grootschalig onderhoud gedaan waarbij stobben etc uit de grond zijn weggenomen, laatstelijk in 2016.
Daar komt bij dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot oeveraanpassingen of bodemroering tot een diepte die niet reeds eerder geroerd is. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.
5.5.
Leidingen
In het plangebied zijn geen leidingen met een planologisch relevante beschermingszone gelegen, noch overlapt een beschermingszone van een planologisch relevante leiding met het plangebied.
Ruimtelijke onderbouwing De Burd
251-002
oktober 2018
23
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
6.1.
Economische uitvoerbaarheid
Met de initiatiefnemer zijn afspraken gemaakt over de vergoeding van ambtelijke kosten. Ook de eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. De overige kosten worden gedekt uit de leges. Het project wordt volledig gefinancierd door de initiatiefnemer en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat deze niet over voldoende financiële middelen beschikt om dit project te realiseren. Er is derhalve geen twijfel over de economische uitvoerbaarheid van het project.
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Aan deze procedure is vooroverleg vooraf gegaan met o.a. de VVE van het noordelijk gelegen recreatiecomplex, de provincie en recreatieschap. Daaruit is gebleken dat voorliggende locatie voor deze ontwikkeling aanvaardbaar is en dat andere onderzochte locaties zijn afgevallen om uiteenlopende redenen. Dit heeft overigens, na overleg met de VVE, niet kunnen leiden tot instemming van de VVE met voorliggende plannen. Alternatieve locaties blijken evenwel om moverende redenen niet voorhanden. De aanvraag omgevingsvergunning doorloopt de in de Wabo voorgeschreven procedure. Dit betekent dat de aanvraag gedurende zes weken ter inzage ligt voor zienswijzen. Tijdens deze periode bestaat voor een ieder de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen. Aan de hand van de ingekomen zienswijzen kan het plan eventueel worden aangepast. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gehouden. Tegen de omgevingsvergunning is beroep mogelijk bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het kader van overleg heeft afstemming met de provincie plaatsgevonden.
De provincie heeft per brief, gedateerd 12 juni 2018, kenmerk 01532923 laten weten dat de voorontwerp omgevingsvergunning aanleiding geeft tot het maken van de volgende opmerking: Het project brengt nautisch geen problemen met zich en de vaarwegverordening is hier niet van toepassing. De plaatsing van de arken dient wel te worden afgestemd op het vaarverkeer (uitvoeringsaspect). De omgevingsvergunning geeft voor het overige geen aanleiding tot opmerkingen.
Ruimtelijke onderbouwing De Burd
251-002
oktober 2018
24
bestemmingsplan Leeuwarden - Arken en woonschepen
Bijlage 4 Consultatie provincie Fryslan
49
?W KPZ TVTLUZ PY CLSTH =VSSLTH KX[R IL_PN TLZ OLZ ILYZLTTPUNYWSHU HXRLU LU ]VVUYJOLWLU LU PU KPZ ILYZLTTPUNYWSHU _PQU VVR KL \LXN[UKL HXRLU \VVX KL 3[XK VWNLUVTLU" 5L RHUY PY UHZ[[XSPQR SL\LUYNXVVZ KHZ KL EE6 VVR NHHZ WXVJLKLXLU ZLNLU KPZ ILYZLTTPUNYWSHU" :U \LXIHUK TLZ KL Q[XPKPYJOL OV[KIHHXOLPK \HU OLZ ILYZLTTPUNYWSHU _V[KLU ]L NXHHN \HU KL WXV\PUJPL LLU IXPLM RXPQNLU ]HHXPU YWLJPMPLR ]VXKZ \LXTLSK KHZ KL WXV\PUJPL HRRVVXK PY TLZ KL \LXWSHHZYPUN \HU KL HXRLU LU ]HHXPU ]VXKZ VUKLXIV[]K KHZ OLZ \LXHUZ]VVXK PY VT HM ZL ]PQRLU \HU KL \LXVXKLUPUN BVTZL PU \LXIHUK TLZ KL 69C" <HU QPQ LX\VVX _VXNLU KHZ ]PQ LLU KLXNLSPQRL IXPLM \HU Q[SSPL RXPQNLU0 >VXTHHS NLYWXVRLU KVLU ]L KPZ bHHU KL \VVXRHUZc KVVX TPKKLS \HU LLU MVXTLLS \LX_VLR THHX KHZ SPQRZ TL U[ UPLZ OHUKPN HHUNL_PLU OLZ ILYZLTTPUNYWSHU HS ZLX \PYPL OLLMZ NLSLNLU" :R OVVX NXHHN \HU QV[" 6 CQ SOGCLBCJGHIC EOMCQ
%),&* #','+ "&('+ V /BSGPCRO 9J?LMLQTGIICJGLE )/-.$, "/&*.$)&'($ !,#$+&+%
GPZHW&
%),&* ! NCQCO!H?ECO.JCCRT?OBCL!LJ $ #(+ W %&& +( ** " #) W (% ($ %# ('
>GQ?N%3CKCCLQC 5CCRT?O BCL 8JBCFMMDPQCO ICO IFMD % 9MPQ@RP %$### +,## 4/ 511<=/:017 ; $' #(+ V TTT!JCCRT?O BCL!LJ V ;TGQQCO V 2?AC@MMI
>GQ?N%
>GQ?N%/?LTCUGE- K??LB?E Q"K SO GHB?E
22 7OYIRGOSKX 33 @KXYUGTYMKMK\KTY KT VXO\GI_ 7K VXU\OTYPK 9X_YRaT MOKZ YKQ[KX SKO PU VKXYUGTYMKMK\KTY US KT NGTTKRKZ TKLLKTY JK 5RMKSKTK \KXUXJKTOTM MKMK\KTYHKYINKXSOTM KT JK DOZ\UKXOTMY]KZ 5RMKSKTK \KXUXJKTOTM MKMK\KTYHKYINKXSOTM& =cY NPOX dY @XO\GI_LKXQRKGXXOTM& @KXYUUTYMKMK\KTY KT VXO\GI_ 7K VXU\OTIOK 9X_YRaT MGGZ `UXM\[RJOM US SKZ [] VKXYUUTYMKMK\KTY KT NGTJKRZ U\KXKKTQUSYZOM JK 5RMKSKTK \KXUXJKTOTM MKMK\KTYHKYINKXSOTM KT JK DOZ\UKXOTMY]KZ 5RMKSKTK \KXUXJKTOTM MKMK\KTYHKYINKXSOTM& =KKY NOKX UT`K @XO\GI_\KXQRGXOTM&
bestemmingsplan Leeuwarden - Arken en woonschepen
Bijlage 5 Quick scan flora en fauna / toets EHS
57
Quickscan flora en fauna en toets EHS De Burd te Grou December 2016
Rapportnummer:
16-0305
In opdracht van:
Pouderoyen compagnons St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen
Uitgevoerd door:
Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 fax. 0492-450162 www.starobv.nl
Veldonderzoek:
ing. M. Benders
Auteur:
ir. N. Arts-Smits
Kwaliteitscontrole: ir. E. Claassen
Inhoud 1
Inleiding ............................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................4 1.2 Doel ..........................................................................................................................................4 1.3 Zorgplicht ..................................................................................................................................4 1.4 Wet natuurbescherming ...........................................................................................................5 1.5 Leeswijzer .................................................................................................................................5
2
Plangebied .......................................................................................................................................6 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ..........................................................................................6 2.2 Voorgenomen plannen .............................................................................................................8
3
Toetsingskader ............................................................................................................................. 10 3.1 Flora- en faunawet ................................................................................................................. 10 3.2 Natuurbeschermingswet 1998 ............................................................................................... 11 3.3 Natuurnetwerk Nederland (Ecologische hoofdstructuur - EHS) ............................................ 12
4
Beschermde gebieden ................................................................................................................. 13 4.1 Natuurbeschermingswet 1998 ............................................................................................... 13 4.2 Nationale Parken ................................................................................................................... 14 4.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) .......................................................................................... 15
5
Toets EHS ..................................................................................................................................... 17 5.1 Wezenlijke kenmerken en waarden EHS .............................................................................. 17 5.2 Effecten op de EHS ............................................................................................................... 18 5.3 Mitigatie en compensatie ....................................................................................................... 20 5.4 Conclusie ............................................................................................................................... 20
6
Toets Flora- en faunawet ............................................................................................................. 21 6.1 Methode ................................................................................................................................. 21 6.2 Flora ....................................................................................................................................... 21 6.3 Vlinders en libellen ................................................................................................................ 23 6.4 Mieren, kevers en slakken ..................................................................................................... 23 6.5 Vissen .................................................................................................................................... 24 6.6 Reptielen en amfibieën .......................................................................................................... 25 6.7 Vogels .................................................................................................................................... 27 6.8 Zoogdieren............................................................................................................................. 27
7
Conclusies .................................................................................................................................... 31 7.1 Wet natuurbescherming ........................................................................................................ 33
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................................... 34
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op de landtong De Burd in het verlengde van de straat Djerreblom in het buitengebied van Grou wordt een drietal woonboten herplaatst. Ten behoeve van de planologische procedures is het noodzakelijk te onderzoeken welke natuurwaarden actueel in het gebied aanwezig zijn en op welke wijze de werkzaamheden hierop effect hebben. Dit om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving gehandeld zal worden.
1.2
Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming is hierbij de Flora- en faunawet van belang. Gebiedsbescherming is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 (o.a. Natura 2000) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS). Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in de tabellen van beschermde flora en fauna in het kader van de Flora- en faunawet. Tevens heeft het onderzoek tot doel vast te stellen op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen ontwikkeling effect heeft op het Natuurnetwerk Nederland. Om te bepalen of effecten optreden op gebieden die vallen onder bescherming van het NNN is een zogenoemde NNN-toets uitgevoerd.
1.3
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Flora- en faunawet een zorgplicht. Deze zorgplicht (artikel 2 Flora- en faunawet) houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
4
1.4
Wet natuurbescherming Volgens de huidige stand van zaken treedt per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming in werking. Deze nieuwe wet bundelt de drie vigerende wetten op het gebied van gebieds- en soortbescherming; Boswet, Natuurbeschermingswet 1998 en Flora- en faunawet. De bescherming van het NNN en Natura 2000-gebied blijft onder de nieuwe wet grotendeels ongewijzigd. Ook de bescherming van een groot aantal dier- en plantensoorten, die nu onder de Flora- en faunawet vallen blijft ongewijzigd, zoals bijvoorbeeld de bescherming van vleermuizen, gierzwaluw en huismus. Maar er zijn ook een aantal wijzigingen aangebracht in de bescherming die dier- en plantensoorten genieten. De vissoort kleine modderkruiper bijvoorbeeld is onder de nieuwe wet niet meer beschermd. De in deze rapportage beschreven conclusies zullen tevens worden getoetst aan de Wet natuurbescherming.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt het toetsingskader besproken. In het vierde hoofdstuk worden de nabijgelegen beschermde gebieden in kaart gebracht. De toets aan de EHS wordt uitgevoerd in hoofdstuk 5. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden en de effecten van de geplande ingrepen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in hoofdstuk 6. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies uiteengezet. In paragraaf 7.1 van dit hoofdstuk worden de conclusies van het rapport getoetst aan de nieuwe Wet natuurbescherming.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
5
2
Plangebied
2.1
Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied De Burd ligt in de provincie Friesland in het verlengde van de straat Djerreblom in het buitengebied van de gemeente Leeuwarden. Het plangebied betreft een deel van een landtong aan de noordkant van het Pikmeer. De noordgrens van het plangebied betreft een sloot. De oostelijke, zuidelijke en westelijke grens worden gevormd door het Pikmeer. Het plangebied bestaat voor het grootse deel uit riet en ruigte. De oevers bestaan uit stortstenen en riet. Daarnaast is een groot deel van het plangebied kort gemaaid grasland ten behoeve van recreatie. In het plangebied staan geen bomen of struiken. De bomen en struiken die zichtbaar zijn op figuur 2 zijn in het kader van regulier en grootschalig beheer en onderhoud door de terreinbeheerder (recreatieschap) verwijderd. Aan de westzijde van de landtong ligt een woonboot. Bij deze ark wordt een stuk land beheerd als tuin; kort gemaaid grasland. Het plangebied is een drukbezochte plek voor recreanten op het water. De twee aanwezige aanlegsteigers liggen voornamelijk in de lente en de zomer vol met plezierboten. Aanleggen is toegestaan voor maximaal drie dagen. De recreanten die aanleggen met de boot gebruiken het land om te recreëren, waaronder feesten te houden en te barbecueën. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en 2 en de begrenzing in figuur 3.
Op pagina 7 en 8 is een foto-impressie van het plangebied opgenomen.
Grou
Figuur 1. Locatie plangebied (rode stip) (bron: Bingmaps.nl)
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
6
Figuur 2. Begrenzing van het plangebied (rood omlijnd) (bron: Bingmaps.nl)
Foto 1. Noordelijke strook plangebied
Foto 2. Oostkant plangebied
Foto 3. Plangebied gezien vanuit het noorden, op voorgrond kort gemaaid gras bij bestaande woonboot
Foto 4. Sloot links is de noordgrens van het plangebied
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
7
2.2
Foto 5. Plangebied gezien vanuit het zuiden
Foto 6. Drie schepen aan de oostelijke steiger
Foto 7. Maximaal 3 dagen aanleggen
Foto 8. Kort gemaaid grasland, buiten EHS
Foto 9. Stortstenen en riet langs de oever
Foto 10. Riet langs de oever
Voorgenomen plannen Initiatiefnemer is voornemens binnen het plangebied drie woonboten te plaatsen aan nieuwe steigers. Hierbij worden op de landtong drie private landschapstuinen gerealiseerd van ongeveer 700 tot 1.000 m2 groot, zie figuur 3. Ruimtelijk zijn de drie landschapstuinen opgenomen in het bestaande landschap. Drie reeds bestaande grasvelden worden omsloten door brede randen van riet. Per woonboot zijn een boothelling, aanlegsteiger en berging van 20m2 met een schuin sedumdak voorzien. Aan de westzijde van het plangebied is reeds een woonboot aanwezig. Bij deze woonboot zal ook een landschapstuin worden gerealiseerd van ongeveer 700 m2. In de huidige situatie is het terrein aangrenzend aan de woonboot reeds beheerd als tuin. Het terrein bestaat uit kort gemaaid grasland. Aanwezige bomen en struiken zijn hier reeds verwijderd in het kader van het grootschalig beheer en onderhoud.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
8
Het gebied tussen de tuinen zal niet worden heringericht. Enkele aan te leggen paden worden in halfverharding uitgevoerd. De woonboten worden naar deze locatie verplaatst vanuit Grou en zullen dienstdoen als recreatieverblijven. De eigenaren van de boten mogen deze boten jaarrond recreatief gebruiken. Het is niet toegestaan permanent op de woonboten te wonen. De werkzaamheden bestaan uit: + Ter plaatse van de aan te leggen tuinen: verwijderen van reeds losgetrokken stobben en egalisatie terrein (recent heeft de terreinbeheerder grootschalig beheer en onderhoud gepleegd); + Aanbrengen beplanting (aan tuinranden en in tuinen); + Aanbrengen halfverharding en bijgebouwtje in tuinen; + Vervangen twee steigers en aanbrengen derde steiger, afmeren woonboten.
Figuur 3. Concept inrichtingsschets
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
9
3
Toetsingskader
3.1
Flora- en faunawet De Flora- en faunawet beschermt soorten, niet individuele planten of dieren, om te voorkomen dat het voortbestaan van de soort in gevaar komt. Doelstelling van de Flora- en faunawet is de bescherming en het behoud van in het wild levende plant- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is het ‘Nee, tenzij’ principe. Dit betekent dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. In de Flora- en faunawet geldt een verbod op activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten. De bescherming van soorten is geregeld middels een aantal verbodsbepalingen. In dit geval zijn vooral artikel 8 t/m 12 van belang. Artikel 8: Het is verboden beschermde planten te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen. Artikel 9: Het is verboden beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Artikel 10: Het is verboden beschermde dieren opzettelijk te verontrusten. Artikel 11: Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.
Artikel 12: Het is verboden eieren van beschermde dieren te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen. De Flora- en faunawet beschermt alle inheemse zoogdieren (op de huismuis, de bruine rat en de zwarte rat na), vogels, reptielen en amfibieën. Bij de vissen, ongewervelde dieren en planten zijn alleen die soorten beschermd die als zodanig in de wet zijn aangewezen. Alle beschermde soorten, met uitzondering van de vogels, staan in de tabellen 1, 2 en 3 van de Flora- en faunawet. Tabel 1: Algemene soorten Dit betreft soorten waarvoor in het geval van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkelingen een algehele vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen artikel 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet. Tabel 2: Overige soorten Dit betreft zeldzame en veelal bedreigde soorten. Voor deze soorten wordt in het geval van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling verleend voor de verbodsbepalingen artikel 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet, mits de activiteiten uitgevoerd worden op basis van een door de Minister van Economische Zaken (EZ) goedgekeurde gedragscode. Wanneer geen gedragscode wordt gevolgd, is bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing nodig.
Tabel 3: Strikt beschermde soorten Onder deze tabel vallen onder andere de soorten die beschermd zijn volgens de Europese Habitatrichtlijn. In het geval van bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik wordt voor de soorten uit tabel 3 een vrijstelling verleend van de verbodsbepalingen artikel 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet, mits de activiteiten uitgevoerd worden op basis van een door de Minister van EZ goedgekeurde gedragscode. Voor activiteiten in het kader van ruimtelijke
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
10
ontwikkelingen geldt voor deze soorten geen vrijstelling, hiervoor moet een ontheffing aangevraagd worden. Vogels en hun nesten mogen tijdens het broeden niet worden verstoord. Daarnaast bestaat er een lijst van het ministerie van EZ waarop de vogels zijn opgenomen waarvan het nest jaarrond beschermd is. In de Flora- en faunawet is een zorgplicht (artikel 2) opgenomen: “een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.” Dit artikel is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.
3.2
Natuurbeschermingswet 1998 De Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) vormt in Nederland het wettelijke kader voor onder andere de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid, NBwet). Voor de NB-wet maakt het niet uit of een project of handeling in of buiten een Natura 2000-gebied plaatsvindt, omdat de wet uitgaat van ‘externe werking’. Als een activiteit buiten een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar er wel negatieve gevolgen te verwachten zijn in het Natura 2000-gebied, moet een beoordeling plaatsvinden van de effecten die de activiteit kan hebben op de beschermde natuurwaarden. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen, niet significant negatief mogen beïnvloeden. Een effect is significant als de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast.
In deze toets wordt onderzocht of de instandhoudingsdoelen door de voorgenomen ontwikkelingen in gevaar kunnen komen. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt met de habitattoets. De habitattoets is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998. De habitattoets bestaat uit drie onderdelen: + oriëntatiefase (en vooroverleg); + verslechterings- en verstoringstoets; + passende beoordeling.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
11
De oriëntatiefase maakt geen deel uit van de in de wet geregelde procedures. In de praktijk is deze stap nodig. Gezamenlijk met het bevoegd gezag wordt bepaald of goedkeuring van het plan nodig is en welke verdere procedure doorlopen moet worden. Afhankelijk van de kans en omvang van de effecten op een Natura 2000-gebied bestaat de vervolgprocedure uit het uitvoeren van een verslechterings- en verstoringstoets, een passende beoordeling of geen enkele toetsing. Indien er geen kans is op negatieve effecten op een Natura 2000-gebied is geen goedkeuring vanwege de Natuurbeschermingswet nodig. Als uit de oriëntatiefase is gebleken dat er kans is op significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit de passende beoordeling blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan de volgende criteria worden voldaan: + er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied; + er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang; + er is voorzien in compenserende maatregelen. Alléén als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend.
Indien uit de oriëntatiefase is gebleken dat er een kans is op (niet-significante) negatieve effecten, dient een verslechterings- en verstoringstoets te worden uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt bepaald: + of deze kans reëel is en + of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is.
3.3
Natuurnetwerk Nederland (Ecologische hoofdstructuur - EHS) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN, voorheen genoemd EHS en in Friesland EHS gebleven) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieuinvloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven. Het ruimtelijke beleid voor de EHS is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in de EHS het ‘nee, tenzij’-regime. Dit betekent dat nieuwe plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. Het gaat daarbij om: de bij het gebied behorende natuurdoelen en -kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.
Om de wezenlijke kenmerken te bepalen is uitgegaan van de ontwerp Provinciale Natuurbeheerkaart 2017 van provincie Friesland, zie figuur 6. Deze kaart vormt het kader waaraan getoetst wordt. Externe werking wordt in de beoordeling voor EHS niet meegenomen, alleen de effecten die zich voordoen door activiteiten binnen de begrenzing worden beoordeeld.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
12
4
Beschermde gebieden
Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natuurbeschermingswet 1998 gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), het NNN en de aanwezigheid van Nationale Parken in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht.
4.1
Natuurbeschermingswet 1998 Uit de kaarten van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Economische Zaken (EZ) en de themakaarten van provincie Friesland blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 2,2 kilometer ten noordoosten van het plangebied ligt. Dit betreft het Natura 2000-gebied Alde Feanen (figuur 4).
Figuur 4. Plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebied (geel) (bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000)
Effectbeoordeling Het plangebied ligt op ongeveer 2,2 kilometer van het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Uit de effectenindicator van het Ministerie van EZ blijkt dat de volgende effecten mogelijk zijn bij de activiteiten water- en landrecreatie in de buurt van Natura 2000-gebied Alde Feanen: + Oppervlakteverlies; + Verontreiniging; + Verstoring door geluid;
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
13
+ + + +
Verstoring door licht; Verstoring door trilling; Optische verstoring Verstoring door mechanische effecten.
Aangezien het plangebied buiten de Natura-2000 ligt, kunnen alleen effecten optreden op het Natura 2000-gebied middels externe werking. Oppervlakteverlies en verstoring door mechanische effecten zijn derhalve op voorhand uitgesloten. Gezien de aard van de voorgenomen plannen, het aanleggen van tuinen en het plaatsen van drie woonboten, en de relatief grote afstand tussen het plangebied en het Natura 2000gebied, zijn ook de overige effecten op voorhand uit te sluiten. De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten tot gevolg hebben op het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Conclusie De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten tot gevolg hebben op het Natura 2000-gebied Alde Feanen.
4.2
Nationale Parken Een Nationaal Park is een aaneengesloten natuurgebied van minimaal 1.000 hectare met bijzondere planten en dieren. Er zijn 20 Nationale parken in Nederland. Deze behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de gebiedendatabase van het ministerie van Economische Zaken blijkt dat het plangebied grenst aan het Nationaal Park De Alde Feanen, zie figuur 5.
Figuur 5. Plangebied (zwarte figuur) ten opzichte van nationaal park De Alde Feanen (rood) (bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapsgebied.aspx?id=np20&groep=2)
Met betrekking tot Nationale Parken geldt dezelfde wet- en regelgeving dan voor de EHS. Externe werking wordt in de beoordeling voor de EHS niet meegenomen.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
14
De voorgenomen plannen, zullen derhalve geen negatief effect hebben op het Nationaal Park De Alde Feanen. Conclusie De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten tot gevolg hebben op het Nationaal Park De Alde Feanen.
4.3
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Landelijk wordt gesproken over het Natuurnetwerk (NNN, voorheen EHS genoemd). In Friesland is er voor gekozen om de term EHS te blijven hanteren. In deze rapportage wordt daarom ook de term EHS gebruikt. Uit de gegevens van de website van provincie Friesland blijkt dat het plangebied in het “Natuurbeheerplan 2017 in ontwerp” gedeeltelijk behoort tot de EHS, zie figuur 6.
Figuur 6. Locaties van de woonboten en private landschappelijke tuinen (rode figuur) ten opzichte van de bestaande beheertypes binnen de EHS nabij het plangebied (groen; vochtig hooiland en blauw; zoete plas) (bron: digitale natuurbeheerplannen 2017, provincie Friesland)
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
15
De locaties voor de woonboten liggen gedeeltelijk binnen de EHS; beheertype zoete plas. De private tuinen in het oostelijk gedeelte van het plangebied vallen buiten de EHS. De private tuin van ark Ket valt gedeeltelijk binnen de zuidelijke punt van de EHS en de private tuin in het westelijk deel van het plangebied valt gedeeltelijk samen met de EHS, zie figuur 4. De ambitie voor dit gebied is beheertype vochtig hooiland. In totaal betreft het maximaal 700 m2 tuin gesitueerd binnen de EHS. De effectbeoordeling voor de EHS, de zogenoemde EHS-toets, wordt uitgevoerd in het volgende hoofdstuk.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
16
5
Toets EHS
Het ruimtelijke beleid voor de EHS is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. De belangrijkste motivering voor de EHS is dan ook het streven naar behoud van de Nederlandse biodiversiteit. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat voor het plangebied de wezenlijke kenmerken en waarden zijn, wat de mogelijke effecten op de EHS zijn en of het noodzakelijk is om mitigerende of compenserende maatregelen te treffen. Om de wezenlijke kenmerken te bepalen is uitgegaan van de ontwerp Provinciale Natuurbeheerkaart 2017 van provincie Friesland, zie figuur 6. Externe werking wordt in de beoordeling voor de EHS niet meegenomen, alleen de effecten die zich voordoen door activiteiten binnen de begrenzing worden beoordeeld (dit is conform het EHS-toetsingskader). Het plangebied vormt deels onderdeel van de EHS, maar valt buiten het Nationaal Park De Alde Feanen. De locaties waar de woonboten en de nieuwe aanlegsteiger zijn voorzien, behoren tot het beheertype N04.02 – zoete plas. Een gedeelte van de landtong, waar gedeelten van twee van de tuinen zijn voorzien, behoort tot de EHS, maar is nog niet ontwikkeld. De ambitie voor dit stuk EHS is het beheertype N10.02 – vochtig hooiland.
5.1
Wezenlijke kenmerken en waarden EHS Het plangebied ligt in een gebied waar veel waterrecreatie plaatsvindt. Het gebied dient deels te worden omgevormd naar natuur; de ambitie voor dit deel van de EHS binnen het plangebied is vochtig hooiland, zie figuur 6. In de huidige situatie bestaat het gedeelte van het plangebied met de ambitie vochtig hooiland voor het grootste deel uit riet en voedselrijke ruigte. Een gedeelte van het terrein bij de bestaande woonboot wordt in de huidige situatie beheerd als grasland. Binnen het plangebied is een tweetal aanlegsteigers aanwezig dat in het vaarseizoen druk bezocht wordt door waterrecreanten. Ook op het land wordt door deze recreanten veelvuldig gerecreëerd, vooral op het kort gemaaid grasland buiten de EHS. Hier vinden, voornamelijk in het vaarseizoen, regelmatig feesten plaats en wordt er gebarbecued. In de huidige toestand ontstaat door de hoge recreatiedruk aantasting van oevervegetaties en verstoring van aanwezige fauna binnen het plangebied en aangrenzende terreinen. Daarnaast vindt aantasting plaats van watervegetaties door bewegingen van de motorschroef en verstoring van de onderwaterfauna door geluid en trilling (vissen, amfibieën). Tevens treedt geluidsverstoring en optische verstoring op van hiervoor gevoelige diersoorten in, langs en naast het water.
Het plangebied heeft in de huidige toestand en gebruik een beperkte ecologische waarde.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
17
5.2
Effecten op de EHS Bij uitvoering van de voorgenomen plannen vindt een ingreep plaats in een gebied dat gedeeltelijk is aangewezen als EHS-gebied. De mogelijke effecten die zouden kunnen optreden zijn: + oppervlakteverlies; + versnippering; + verstoring door geluid, licht, trilling en/of optische verstoring. Oppervlakteverlies De nieuwe aanlegsteigers en de woonboten zullen geen significant negatief effect hebben op beheertype zoete plas. Het oppervlakteverlies zal klein zijn; in de huidige situatie zijn reeds twee grote steigers aanwezig, deze worden verkleind. Daarnaast worden in het zomerseizoen nu veel kleine boten aangelegd, terwijl in de beoogde situatie het aantal vaarbewegingen nihil zal zijn. Negatieve ecologische effecten zullen dan ook verwaarloosbaar zijn of beperkt verbeteren. Bij vier woonboten zal een private tuin worden gerealiseerd op het land. Slechts een klein gedeelte van de EHS zal in het voorgenomen plan als tuin worden ingericht, zie figuur 6. In de huidige toestand bestaat dat gedeelte EHS uit riet en voedselrijke ruigte en een deel bij de reeds bestaande woonboot uit kort gemaaid grasland. Het plangebied heeft ter plaatse van de voorgenomen tuinen geen bijzondere ecologische waarden. Daarnaast zullen de tuinen volgens een door een landschapsarchitect uitgewerkt ontwerp landschappelijk worden ingericht.
Na de inrichting van de private tuinen zal de inrichting vrijwel gelijk zijn aan de huidige inrichting met ruigte en rietland. Het oppervlakteverlies van de EHS is verwaarloosbaar klein. Ecologische effecten zullen daarom verwaarloosbaar zijn. Door de betreffende tuinen binnen de EHS landschappelijk in te richten, zullen de voorgenomen plannen geen effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden en functioneren van de EHS. Versnippering Versnippering is niet aan de orde in het water; voor dieren en planten in het water vormen de steigers en woonboten geen barrière. De oevers met rietkragen en riet in het water blijven behouden. Steigers/loopplanken dienen over deze oeverzone heen te lopen, zodat deze niet wordt verstoord en het riet tot wasdom kan komen. Versnippering is niet aan de orde op het land; de tuinen vormen geen barrière voor plant- en diersoorten in het gebied. De aanwezigheid van de tuinen vormt geen belemmering voor de uitwisseling van soorten binnen de EHS. Verstoring door geluid Aanlegfase Het realiseren van de steiger en het aanleggen van de woonboot leidt naar verwachting niet tot lokale verstoring van diersoorten door geluid gedurende de aanlegfase, aangezien de werkzaamheden binnen een kort tijdsbestek zullen worden uitgevoerd. Werkzaamheden aan de steigers en woonboten zullen vanaf het water worden uitgevoerd en overdag plaatsvinden.
Als gevolg van geluid verspreid door de plaatsing van de aanlegsteiger en het aanleggen van de woonboot vindt geen significante aantasting plaats van het ecologisch functioneren van de beheertypen die in het plangebied aanwezig zijn.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
18
Geluid van vrijkomt bij de inrichting van de tuinen zal ook een verwaarloosbaar klein effect hebben op de omgeving, aangezien de werkzaamheden gedurende een korte periode plaatsvinden en overdag worden uitgevoerd. Er zijn geen significante effecten te verwachten door geluid in de aanlegfase op de wezenlijke kenmerken en waarden en het functioneren van de EHS. Gebruiksfase In de gebruiksfase zal bij normaal recreatief gebruik geluid van binnen de woonboot geen verstoring veroorzaken van het beheertype zoete plas. Op het land zal gebruik van de tuinen die binnen de EHS gesitueerd zijn mogelijk een negatief effect hebben op het voorkomen van verstoringsgevoelige fauna in de nabijheid. Echter, in de huidige situatie zijn de dieren in de omgeving reeds gewend aan verstoring door geluid van recreanten in het vaarseizoen. Naar verwachting zal de verstoring door geluid in de nieuwe toestand minder zijn, onder andere doordat minder mensen tegelijk in het gebied verblijven. Er zijn geen significante effecten te verwachten door geluid in de gebruiksfase op de wezenlijke kenmerken en waarden en het functioneren van de EHS. Verstoring door licht Met verstoring door licht wordt bedoeld; kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc.
Voorgenomen plannen omvatten plaatsing van drie woonboten binnen het plangebied en de aanleg van vier private tuinen. Aanlegfase Het verplaatsen van de woonboten en het aanleggen van de tuinen zal overdag gebeuren. De locatie zal tijdens de werkzaamheden ’s nachts niet verlicht worden. Gebruiksfase De drie te plaatsen woonboten zullen door de eigenaren alleen recreatief worden gebruikt. In de huidige toestand zijn in het plangebied een woonboot aanwezig en twee grote aanlegsteigers die in het vaarseizoen druk bezocht worden door recreanten met een boot. Deze recreanten gebruiken het land om ’s avonds en ’s nachts feesten te houden en te barbecueën. In de nieuwe situatie worden drie nieuwe woonboten aangelegd in het plangebied. Er zal lichtverstrooiing plaatsvinden vanuit de woonboten. Deze lichtverstrooiing zal minimaal zijn en geen significant effect hebben op beheertype zoete plas. In het vaarseizoen zal de uitstoot van licht door de woonboten kleiner of gelijk zijn aan lichtverstrooiing vanuit de boten in de huidige situatie. Daarnaast kan verstoring door licht optreden wanneer buitenverlichting wordt aangebracht aan de woonboten of indien de tuinen verlicht worden.
Om verstoring door licht binnen de EHS te voorkomen mag geen buitenverlichting worden geplaatst bij de woonboten, of er dient speciale verlichting te worden aangebracht die geen verstoring kan veroorzaken, zoals afgeschermde armaturen. Het landschappelijk inrichtingsplan houdt hier rekening mee. Verstoring door trilling Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij heien, draaien van rotorbladen etc.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
19
Doordat de woonboten stilliggen, zullen er in de nieuwe situatie minder trillingen plaatsvinden in het water dan in de huidige situatie waarbij het een komen en gaan is van boten. Optische verstoring Door de aanwezigheid van mensen bij de woonboten en in de tuinen kan optische verstoring optreden van de omgeving van het plangebied. In de huidige situatie is ook sprake van optische verstoring door recreanten. Door de tuinen door middel van beplanting (struiken/riet) optisch af te schermen van de omgeving, zal geen sprake zijn van significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden en het functioneren van de EHS.
5.3
Mitigatie en compensatie Een klein deel van de EHS met ambitie beheertype vochtig hooiland zal worden ingericht als tuin. Het betreft de locatie van de private tuin aan de westzijde van het plangebied, die in de huidige situatie wordt beheerd als kort gemaaid grasland en een puntje in het zuiden van het plangebied. Dit betekent een klein oppervlakteverlies van dit beheertype. Door mitigerende maatregelen te nemen worden significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden in termen van samenhang en kwaliteit van de EHS voorkomen. Als gevolg van de voorgenomen plannen vindt geen aantasting plaats van het ecologisch functioneren van de EHS. De oevers met riet en het riet in het water zullen behouden blijven. Steigers/loopplanken dienen over de oeverzone heen te lopen, zodat deze niet wordt verstoord en het riet tot wasdom kan komen. Faunasoorten kunnen de gehele landtong, ook de tuinen buiten de EHS, gebruiken als leefgebied en migratieroute. In de huidige toestand bestaat het plangebied binnen de EHS uit voedselrijke ruigte en rietland. Door de private tuinen landschappelijk in te richten en geschikt te maken voor de doelsoorten van vochtig hooiland; vlinders en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren, wordt positief bijgedragen aan het functioneren van de EHS.
Het is daarom van belang afspraken te maken met de eigenaren van de woonboten over inrichting, beheer en onderhoud van de tuinen. Het inrichtingsplan houdt hier rekening mee. Om verstoring door licht binnen de EHS te voorkomen mag geen buitenverlichting worden geplaatst bij de woonboten, of er dient speciale verlichting te worden aangebracht die geen verstoring kan veroorzaken, zoals afgeschermde armaturen. Hierover dienen afspraken te worden gemaakt met de eigenaren van de woonboten. Ook hier geeft het landschappelijk inrichtingsplan invulling aan.
5.4
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS ter plaatse.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
20
6
Toets Flora- en faunawet
Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of er mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig zijn.
6.1
Methode In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en de websites Vlindernet.nl, Libellennet.nl, Waarneming.nl en Telmee.nl en diverse verspreidingsatlassen. De gegevens over vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen zijn onder andere uit dergelijke atlassen afkomstig. Als onderdeel van het onderzoek heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie aanwezige biotopen zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze biotopen vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Een eenmalig veldbezoek is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie.
Dat betekent dat op basis van een eenmalig veldbezoek het voorkomen van soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 21 november 2016 in de middag onder de volgende weersomstandigheden: matige wind, bewolkt, droog en circa 10 ˚C.
6.2
Flora Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied enkel algemeen voorkomende plantensoorten waargenomen. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen een straal van nul tot een kilometer van het plangebied de beschermde plantensoort gewone/spindotterbloem voorkomt. Op een afstand van een tot vijf kilometer van het plangebied zijn de volgende beschermde plantensoorten waargenomen: gele helmbloem, rietorchis, ronde zonnedauw, Spaanse ruiter, waterdrieblad, wilde gagel en wilde kievitsbloem (alle FFtabel 2).
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
21
Bij het veldbezoek zijn deze beschermde planten niet waargenomen binnen het plangebied. Het veldbezoek is echter buiten de groei- en bloeiperiode van de meeste plantensoorten uitgevoerd en beschermde planten kunnen daardoor zijn gemist. Wilde gagel is niet in het plangebied aangetroffen; het voorkomen van wilde gagel kan derhalve worden uitgesloten. Op basis van biotoopeisen (uit Soortenbank.nl) van de in de omgeving van het plangebied voorkomende beschermde vaatplanten is een inschatting gemaakt of het voorkomen van deze soorten binnen het plangebied aannemelijk is, zie tabel 1. Tabel 1. Komen de in de omgeving van het plangebied voorkomende beschermde soorten mogelijk voor binnen het plangebied.
Plantensoort Gewone/spindotterbloem
Standplaats
Mogelijk binnen plangebied
Op natte, voedselrijke grond aan
Nee, te droog. Op natte
waterkanten, in graslanden,
locatie rietland
rietlanden, moerasbossen en
aanwezig.
brongebieden; zoutmijdend. Gele helmbloem
Op oude muren en andere
Nee
stenige plaatsen. Rietorchis
Op natte, matig voedselrijke
Nee
grond in graslanden, trilvenen, veenmosrietlanden, op zandplaten en opgespoten terreinen. Ronde zonnedauw
Op open, natte, zure heidegrond
Nee
en tussen het veenmos in hoogveen en veenmosrietland. Spaanse ruiter
Op natte, matig voedselarme
Nee
grond in blauwgraslanden, duinvalleien en op heide- en veengrond. Waterdrieblad
In ondiep water in
Nee
veenmoerassen, vennen en duinvalleien, soms in moerasbos; zoutmijdend. Wilde kievitsbloem
In drassige graslanden en
Nee
uiterwaarden, vooral op 'klei-opveen'.
Op basis van de biotoopeisen van de in de omgeving voorkomende beschermde vaatplanten, kan het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied worden uitgesloten. Conclusie In het plangebied komen geen beschermde vaatplanten voor.
Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016
22
6.3
Vlinders en libellen Uit De dagvlinders van Nederland (Bos et al. 2006), de website Vlindernet.nl en gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde vlindersoorten voorkomen. Uit de atlas De Nederlandse libellen (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002), de website Libellennet.nl en gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de beschermde libellensoorten groene glazenmaker en gevlekte witsnuitlibel voorkomen. De groene glazenmaker is waargenomen op één tot vijf kilometer afstand van het plangebied en gevlekte witsnuitlibel komt voor op vijf tot tien kilometer afstand van het plangebied (beide FFtabel 3). De groene glazenmaker komt voor bij stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden: plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden. Aangezien in en rondom het plangebied geen krabbenscheer aanwezig is, kan het voorkomen van groene glazenmaker in het plangebied worden uitgesloten. De gevlekte witsnuitlibel is een soort van laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen en komt vooral voor bij rijk begroeide wateren. Het plangebied en het voortplantingswater voldoen niet aan de habitateisen van gevlekte witsnuitlibel. Daarnaast ligt het verspreidingsgebied van de soort op minimaal vijf kilometer van het plangebied.