CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting gewijzigd bestemmingsplan ‘Leeuwarden – Arken en woonschepen’

Besluitvorming (raad) 12 februari 2025, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling gewijzigd bestemmingsplan ‘Leeuwarden – Arken en woonschepen’22.662 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het voorkomen van gevlekte witsnuitlibel binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Conclusie In het plangebied komen geen beschermde vlinders en/of libellen voor.

6.4

Mieren, kevers en slakken Beschermde soorten mieren en houtkevers zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (naald)bossen. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van beschermde mier- en houtkeversoorten binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op een afstand van vijf tot tien kilometer de beschermde waterkever gestreepte waterroofkever is waargenomen. De gestreepte waterroofkever komt voor in grote, permanente wateren, smalle en brede sloten en petgaten. De wateren moeten over een grote oppervlakte maximaal ongeveer één meter diep zijn met warme, zonnige plekken en oeverbegroeiing (website ministerie van Economische Zaken). Uit de 'kansenkaarten' in Cuppen & Koese (2005) blijkt dat de kans dat gestreepte waterroofkever in het water binnen het plangebied voorkomt zeer klein is. Deze kansenkaarten geven de kilometerhokken weer waarvan voorspeld is dat er respectievelijk een kans van meer dan 50% en meer dan 70% is dat gestreepte waterroofkever hier voorkomt. De kans dat gestreepte waterroofkever in het plangebied voorkomt is op basis van de potentiële waarden in het gebied kleiner dan 30%.

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

23

Vanwege het ontbreken van geschikt biotoop, de kansenkaart van Cuppen & Koese (2005) en de relatief grote mate van verstoring door recreanten kan het voorkomen van gestreepte waterroofkever langs de oever van het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Op een afstand van 25 tot 50 kilometer van het plangebied is de aquatische slakkensoort platte schijfhoren (FFtabel 3) waargenomen. De platte schijfhoren heeft een voorkeur voor helder, stilstaand of zeer zwakstromend water met een rijke plantengroei. De trefkans is het grootst als zowel ondergedoken vaatplanten, draadalgen, als planten met drijvende bladeren aanwezig zijn. De soort leeft zowel in grote plassen en meren als in smalle sloten. Vanwege de afwezigheid van plantengroei, buiten het aanwezige riet, kan het voorkomen van de slakkensoort platte schijfhoren in het water rondom het plangebied worden uitgesloten. Conclusie Vanwege het ontbreken van geschikte biotopen is het uit te sluiten dat beschermde soorten mieren, kevers en slakken voorkomen in het plangebied.

6.5

Vissen Een gedeelte van het plangebied betreft oppervlaktewater, aangezien daar een steiger gerealiseerd gaat worden voor een woonboot. De twee bestaande steigers zullen worden verkleind. Uit de NDFF blijkt dat paling en rivierdonderpad (beide FFtabel 2) binnen een straal van nul tot een kilometer van het plangebied voorkomen. Op een afstand van een tot vijf kilometer van het plangebied zijn kleine modderkruiper (FFtabel 2) en bittervoorn (FFtabel 3) waargenomen. Op een afstand van vijf tot tien kilometer van het plangebied komt de beschermde vissoort grote modderkruiper (FFtabel 3) voor. Hieronder wordt beschreven of het voorkomen van deze vissoorten binnen het plangebied aannemelijk is op basis van de biotoopeisen (Ravon.nl). Het is mogelijk dat paling en rivierdonderpad voorkomen bij het plangebied; rivierdonderpad kan leefgebied vinden tussen de stortstenen op de oevers van het plangebied. De kleine modderkruiper heeft een voorkeur voor stilstaand tot langzaam stromend ondiepe wateren met een rijke plantenbegroeiing en een zandige of met dunne sliblaag bedekte bodem. Vanwege het ontbreken van een rijke plantenbegroeiing en de grote diepte van het water bij het plangebied is niet aannemelijk dat kleine modderkruiper in het plangebied voorkomt.

In Nederland komt de bittervoorn voor in de plantenrijke oevers van de uiterwaardwateren van het rivierengebied, poldergebieden en de benedenlopen van riviertjes en beken tot 60 cm diep met een goede waterkwaliteit en een goed ontwikkelde watervegetatie. Het is belangrijk dat zoetwatermosselen als schildersmossel en zwanenmossel in hetzelfde water voorkomen, deze zijn onmisbaar voor de voortplanting. Aangezien het water diep is en weinig plantengroei aanwezig is in het plangebied, maar de oever bestaat uit stortstenen en riet is het niet aannemelijk dat bittervoorn voorkomt in het plangebied. Grote modderkruiper heeft een voorkeur voor verlandende wateren in laag dynamische overstromingsvlakten en moerasgebieden. Het oppervlaktewater binnen

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

24

het plangebied ontbreekt het aan geschikt biotopen voor grote modderkruiper. Het voorkomen van grote modderkruiper binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Effectbeoordeling De aanleg van de nieuwe steiger vindt plaats in het water. Doordat de werkzaamheden plaatsvinden binnen een groot water, slechts kleinschalig van aard zijn en in een kort tijdsbestek worden uitgevoerd, kunnen negatieve effecten op mogelijk voorkomende vissoorten worden uitgesloten. Aangezien geen werkzaamheden plaatsvinden aan de stortstenen zijn negatieve effecten op de rivierdonderpad (FFtabel 2) uit te sluiten. Conclusie In de omgeving van het plangebied komen de beschermde vissoorten paling en rivierdonderpad (beide FFtabel 2) voor. De voorgenomen plannen zullen geen negatief effect op mogelijk voorkomende beschermde vissoorten hebben.

6.6

Reptielen en amfibieën Uit gegevens van RAVON, ‘De amfibieën en reptielen van Nederland’ (Creemers et al. 2009) en de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de beschermde amfibieënsoorten; bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander (alle FFtabel 1), rugstreeppad, en heikikker (beide FFtabel 3) voorkomen. Uit het bronnenonderzoek blijkt dat op een tot vijf kilometer afstand van het plangebied de beschermde reptielensoort ringslang (FFtabel 3) voorkomt en dat op 10 tot 25 kilometer afstand van het plangebied levendbarende hagedis (FFtabel 2) voorkomt. Het plangebied is geschikt als landbiotoop voor de minder kritische soorten van FFtabel 1, zoals bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Mogelijk vormt de sloot langs het plangebied geschikt voortplantingswater voor amfibieën van FFtabel 1. De typische habitat van heikikker bestaat uit vochtige gebieden; hoog- en laagvenen, moerassen en overstromingsgebieden (uiterwaarden). Het voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiepe stilstaande wateren met oevervegetatie. De heikikker overwintert van oktober tot eind februari op vorstvrije plekken op het land buiten bereik van het grondwater. De heikikker overwintert (nagenoeg) niet in het water (soortenstandaard heikikker, 2014).

Het is daardoor uit te sluiten dat het landgedeelte binnen het plangebied, dat in de winter onder water staat, geschikt is als overwinteringsplaats voor heikikkers. Het is mogelijk dat heikikkers de sloten rond het plangebied gebruiken als voortplantingswater. Het is daardoor niet uit te sluiten dat heikikkers het plangebied gebruiken als landhabitat. Het kort gemaaide gazon is niet geschikt voor heikikker. Het rietland en de ruigte zijn wel geschikt als landhabitat voor heikikker. Rugstreeppad is een soort van dynamische zandige milieus. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. De rugstreeppad is waargenomen op een afstand van vijf tot tien kilometer van het plangebied. Gezien de matige geschiktheid van het plangebied voor rugstreeppad en de grote afstand tot de dichtstbijzijnde waarneming

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

25

van rugstreeppad is het redelijkerwijs uit te sluiten dat rugstreeppad binnen het plangebied voorkomt. Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor ringslang. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden echter gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. In het plangebied zijn geen potentiële broedhopen voor ringslang aangetroffen. Het is niet aannemelijk dat de ringslang alle stadia van de levenscyclus kan doorlopen binnen het plangebied, aangezien het een nat terrein is. Het plangebied vormt daardoor geen belangrijk leefgebied voor ringslang. Het kan echter niet worden uitgesloten dat ringslangen incidenteel het plangebied doorkruisen. Effectbeoordeling De voorgenomen plannen kunnen gevolgen hebben voor mogelijk binnen het plangebied voorkomende algemene soorten amfibieën van FFtabel 1. Binnen het plangebied verdwijnt tijdelijk leefgebied tijdens het inrichten van de tuinen. Daarna zullen de tuinen weer geschikt zijn voor de soorten van FFtabel 1. Mogelijk komt heikikker voor binnen het plangebied. De werkzaamheden bij de herinrichting van de tuinen zouden een negatief effect kunnen hebben op mogelijk voorkomende heikikkers.

Na de herinrichting zullen de tuinen echter even geschikt zijn als leefgebied voor heikikkers, aangezien de tuinen natuurlijk worden ingericht en geen hekken of andere barrières worden geplaatst. Mogelijk komen incidenteel ringslangen voor binnen het plangebied. Werkzaamheden binnen het plangebied kunnen een negatief effect op aanwezige ringslangen. Mitigerende maatregelen Voor soorten van FFtabel 1 geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een algehele vrijstelling. Het is daarom niet noodzakelijk mitigerende maatregelen te nemen. Mogelijk komen heikikkers (FFtabel 3) voor in het plangebied. Door mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van heikikkers (november t/m februari) worden negatieve effecten op heikikkers voorkomen. Mogelijk komen incidenteel ringslangen voor binnen het plangebied. Het doden of verwonden van ringslangen kan worden voorkomen door mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van ringslangen: grofweg half oktober t/m half maart. Conclusie In het plangebied komen mogelijk soorten amfibieën van FFtabel 1 voor. De plannen kunnen negatieve effecten hebben voor deze soorten. Het is niet noodzakelijk mitigerende maatregelen te nemen voor soorten van FFtabel 1.

Het is niet uit te sluiten dat heikikkers voorkomen binnen het plangebied; door werkzaamheden uit te voeren in de periode november t/m februari worden negatieve effecten op heikikkers voorkomen. In verband met het mogelijk voorkomen van ringslangen binnen het plangebied is het noodzakelijk om bij uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met deze soort door de werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van ringslangen: grofweg half oktober t/m half maart.

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

26

6.7

Vogels Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied meerkoet, wilde eend en winterkoning waargenomen. Het plangebied is geschikt als foerageergebied en broedgebied voor algemene vogelsoorten, voornamelijk riet- en watervogels. In het plangebied zijn geen nesten of sporen aangetroffen van vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. Effectbeoordeling Het onderzoeksgebied is geschikt als foerageer- en broedgebied voor vogels. De voorgenomen ontwikkeling zal tot gevolg hebben dat het plangebied tijdelijk niet meer geschikt zal zijn als foerageer- en broedgebied. In de directe omgeving is echter voldoende soortgelijk foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten van voorgenomen plannen op het foerageergebied van vogels zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Ten aanzien van het broedseizoen dienen maatregelen genomen te worden om negatieve effecten van de voorgenomen plannen op vogels te voorkomen. Voor de vogels geldt dat, indien exemplaren aan het broeden zijn, het verwijderen van riet en andere beplanting niet kan plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. De nesten van algemene vogels zijn gedurende het broedseizoen strikt beschermd. Mitigerende maatregelen Door riet en beplanting buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat er negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten.

Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. Conclusie Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemeen voorkomende vogelsoorten. De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten hebben ten aanzien van foerageergebied en of broedgebied. Na de herinrichting zal het gebied even geschikt zijn als foerageer- en broedgebied voor vogels. Indien exemplaren aan het broeden zijn, kan het verwijderen van riet en andere beplanting niet plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Door riet en andere beplanting buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat er negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van vogels.

6.8

Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen en Korsten en Regelink (2010) en de NDFF blijkt dat de soorten gewone- en kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, tweekleurige vleermuis, laatvlieger, franjestaart, meervleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, baardvleermuis (alle FFtabel 3) voorkomen in de omgeving van het plangebied. Het plangebied en de omgeving daarvan zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Vanwege het ontbreken van bebouwing en/of bomen binnen het

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

27

plangebied zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Overige zoogdieren Het plangebied kan (onderdeel van) het leefgebied vormen van algemene grondgebonden zoogdieren als bijvoorbeeld mol, bunzing, konijn, vos, egel en diverse algemene muizensoorten (alle FFtabel 1). Uit gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de beschermde zoogdiersoorten; steenmarter (FFtabel 2), boommarter, otter, das, noordse woelmuis en waterspitsmuis (alle FFtabel 3) voorkomen. In het plangebied is geen potentiële verblijfplaats van steenmarters aangetroffen. De steenmarter wordt vaak een cultuurvolger genoemd. Op veel plaatsen lijkt hij gebonden aan bebouwde gebieden en cultuurlandschappen. De soort komt door zijn grote aanpassingsvermogen echter in vrijwel alle biotopen voor. Voedsel en dekking zijn bepalend voor de habitatkeuze van de steenmarter (Zoogdiervereniging). Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van het grotere leefgebied van een steenmarter. Het plangebied vormt echter geen belangrijk deel van het leefgebied, door de ligging op een landtong en de hoge mate van recreatie in de avond en nacht gedurende het vaarseizoen. Op een afstand van vijf tot tien kilometer van het plangebied is boommarter waargenomen. Het plangebied voldoet vanwege het ontbreken van bomen en struiken niet aan de habitatseisen van de boommarter.

Het voorkomen van boommarters binnen het plangebied kan worden uitgesloten. In het plangebied zijn geen sporen van otters aangetroffen. De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking, voedsel en rust. Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties. Holen en andere dagrustplaatsen die regelmatig in gebruik zijn door een otter zijn herkenbaar aan uitwerpselen, ottergeil en krabheuveltjes in de omgeving. De otter houdt geen winterslaap (Zoogdiervereniging). Gezien het huidige gebruik van het plangebied met een grote recreatiedruk en het ontbreken van ottersporen is het niet aannemelijk dat het plangebied belangrijk leefgebied vormt voor otters. Het is echter niet uit te sluiten dat incidenteel een otter het plangebied doorkruist. In het plangebied zijn geen sporen van dassen aangetroffen. Ook zijn in de directe omgeving van het plangebied geen dassenholen aangetroffen. Vanwege de ligging van het plangebied op een landtong en het ontbreken van bosjes in de omgeving van het plangebied is het redelijkerwijs uit te sluiten dat dassen binnen het plangebied leefgebied vinden. De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. Het is een soort die erg gevoelig is voor concurrentie van onder andere aardmuis, veldmuis en rosse woelmuis.

In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen, leeft de soort veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Uit een ecologische quickscan uit 2011 (Ecologische toetsing Herinrichting Swette -De Burd, 2011) blijkt dat in polder De Burd de concurrenten rosse woelmuis, veldmuis en aardmuis voorkomen. Het is daardoor niet aannemelijk dat noordse

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

28

woelmuis in de drogere delen van het plangebied, waar de private tuinen zijn beoogd, voorkomt. In het plangebied zijn geen ‘molshopen’ van noordse woelmuis aangetroffen, maar deze worden voornamelijk gevormd in gebieden met een lage grondwaterstand. Het voorkomen van noordse woelmuis in het deel van het plangebied waar drassig rietland aanwezig is, is niet uit te sluiten. Hier is marginaal geschikt habitat aanwezig. Hoewel het oppervlakte van de biotoop aan de kleine kant is, is het, gezien het bekende voorkomen van deze soort in de Alde Feanen niet uitgesloten dat de soort aanwezig is. De locaties binnen het plangebied waar kort gemaaid grasland aanwezig is, zijn niet geschikt als leefgebied voor noordse woelmuis vanwege het ontbreken van voldoende dekking. Vanwege het recentelijk uitgevoerde grootschalig onderhoud en beheer is het uit te sluiten dat noordse woelmuis buiten het natte rietland voorkomt. De waterspitsmuis is in 2011 door ecologisch adviesbureau FaunaX vastgesteld langs de Wide Burd. Waterspitsmuizen komen voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Geschikt habitat wordt gevormd door de oost-west verlopende Neare Burd / Wide Burd. Deze watergang is rijk begroeid met een verlandingsvegetatie van riet en kruiden.

Het leefgebied van de waterspitsmuis is langgerekt en loopt evenwijdig aan een oever. De actieradius loopt uiteen van 30 tot 160 meter. De sloten en grenzend aan het plangebied en de oevers daarvan vormen geschikt leefgebied voor de waterspitsmuis. De waterspitsmuis komt daardoor mogelijk ook binnen het plangebied voor. Als waterspitsmuizen in het plangebied voorkomen, is het vanwege het recentelijk uitgevoerde grootschalig onderhoud en beheer in het plangebied vrijwel uit te sluiten dat waterspitsmuis ver buiten de oevers van de watergangen en het drassige rietland leefgebied vindt, zie foto’s 1 en 2. Daarnaast is het niet aannemelijk dat waterspitsmuizen voorkomen in het kort gemaaide grasland binnen het plangebied. Effectbeoordeling Het onderzoeksgebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De voorgenomen ontwikkeling zal geen effect hebben op de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen. Na het inrichten van de tuinen, zal het plangebied even geschikt zijn als foerageergebied. Negatieve effecten van voorgenomen plannen op het foerageergebied van vleermuizen zijn uit te sluiten. Mogelijk behoort het plangebied tot het leefgebied van een aantal grondgebonden zoogdieren van FFtabel 1. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op deze soorten.

Na de herinrichting van het plangebied, zal het plangebied nog even geschikt zijn als leefgebied voor zoogdieren van FFtabel 1. Mogelijk dat het plangebied tijdelijk minder geschikt is als leefgebied gedurende de werkzaamheden voor de inrichting van de tuinen. Mogelijk vormt het plangebied een onderdeel van het leefgebied van steenmarter. Het plangebied vormt echter geen belangrijk deel van het leefgebied van steenmarter. Doordat de oevers met riet behouden blijven en de tuinen na herinrichting geen barrières hebben en natuurlijk worden ingericht met onder andere riet, zal het plangebied in de nieuwe situatie even geschikt zijn als leefgebied voor steenmarters. Een negatief effect op de steenmarter kan worden uitgesloten.

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

29

Mogelijk komen incidenteel otters voor binnen het plangebied. Het plangebied vormt echter geen belangrijk onderdeel van het leefgebied van otters en de voorgenomen plannen zullen geen negatief effect hebben op de otter. Doordat de oevers met riet behouden blijven en de tuinen na herinrichting geen barrières hebben en natuurlijk worden ingericht met onder andere riet, zal het plangebied in de nieuwe situatie even geschikt zijn als leefgebied voor otters. In het plangebied komen mogelijk waterspitsmuis en noordse woelmuis voor. De sloten en hun oevers, het drassige rietland en het riet in het water en op de oevers van het Pikmeer blijven ongewijzigd, zie figuur 3. Het geschikte biotoop van genoemde soorten bevindt zich daardoor buiten de grenzen van de beoogde private tuinen. Omdat daarnaast de tuinen landschappelijk worden ingericht, zie figuur 3, en geen obstakels worden geplaatst in de tuinen die als barrière kunnen dienen, zullen de voorgenomen plannen geen negatief effect hebben op de eventuele migratie van de noordse woelmuis en waterspitsmuis. Incidenteel kunnen individuen op de locatie van de beoogde private tuinen aanwezig kunnen zijn.

Aangezien het geschikte biotoop voor de genoemde soorten buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden ligt, zijn negatieve effecten uit te sluiten, indien mitigerende maatregelen worden genomen om het doden of verwonden van individuen te voorkomen. Mitigerende maatregelen Voor de soorten van FFtabel 1 geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen voor de zoogdiersoorten van FFtabel 1. Het plangebied vormt mogelijk leefgebied van noordse woelmuis en waterspitsmuis. Om negatieve effecten op de soorten uit te sluiten dient het verwijderen van het riet op de locaties van de beoogde tuinen te worden uitgevoerd buiten de kwetsbare perioden voor noordse woelmuis en waterspitsmuis. Het voortplantingsseizoen van de waterspitsmuis loopt van april tot september en van de noordse woelmuis van april tot oktober. Dit houdt in dat het verwijderen van riet alleen in de periode november tot en met maart mag worden uitgevoerd. Conclusie Het plangebied en de omgeving daarvan zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op het foerageergebied zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Vanwege het ontbreken van bebouwing of bomen zijn er geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen binnen het plangebied.

Het plangebied vormt mogelijk leefgebied van noordse woelmuis en waterspitsmuis. Om negatieve effecten op de soorten uit te sluiten dient het verwijderen van het riet te worden uitgevoerd buiten de kwetsbare perioden voor noordse woelmuis en waterspitsmuis. Dit houdt in dat het verwijderen van riet alleen in de periode november tot en met maart mag worden uitgevoerd.

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

30

7

Conclusies

Beschermde gebieden De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten tot gevolg hebben op het Natura 2000-gebied Alde Feanen. De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten tot gevolg hebben op het Nationaal Park De Alde Feanen. Als gevolg van de ingreep vindt geen aantasting plaats van het ecologisch functioneren van de EHS. Door de tuinen bij de woonboten landschappelijk in te richten met riet en grasland wordt positief bijgedragen aan het functioneren van de EHS.

Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten voor die vermeld staan in de tabellen van de Flora- en faunawet, zie tabel 1 op de volgende pagina. Soorten van FFtabel 1 Mogelijk wordt het plangebied gebruikt door enkele grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die zijn opgenomen in FFtabel 1. De voorgenomen plannen hebben mogelijk een tijdelijk negatief effect op zoogdieren en amfibieën van FFtabel 1. Voor de soorten van FFtabel 1 geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Soorten van FFtabel 2 In het plangebied komen mogelijk de beschermde vissoorten paling en rivierdonderpad (beide FFtabel 2) voor. De voorgenomen plannen zullen geen negatief effect op mogelijk voorkomende beschermde vissoorten hebben. Soorten van FFtabel 3 Het plangebied en de omgeving daarvan zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op het foerageergebied zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Vanwege het ontbreken van bebouwing of bomen zijn er geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen binnen het plangebied. Mogelijk komen heikikkers (FFtabel 3) voor in het plangebied.

Door mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van heikikkers (november t/m februari) worden negatieve effecten op heikikkers voorkomen. Mogelijk komen incidenteel ringslangen voor binnen het plangebied. Het doden of verwonden van ringslangen kan worden voorkomen door mogelijk verstorende werkzaamheden uit te voeren in de winterrustperiode van ringslangen: grofweg half oktober t/m half maart. Het plangebied vormt mogelijk leefgebied van noordse woelmuis en waterspitsmuis. Om negatieve effecten op de soorten uit te sluiten dient het verwijderen van het riet te worden uitgevoerd buiten de kwetsbare perioden voor noordse woelmuis en waterspitsmuis. Dit houdt

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

31

in dat het verwijderen van riet alleen in de periode november tot en met maart mag worden uitgevoerd. Soorten van FFtabel vogels Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemeen voorkomende vogelsoorten. De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten hebben ten aanzien van foerageergebied en of broedgebied. Na de herinrichting zal het gebied even geschikt zijn als foerageer- en broedgebied voor vogels. Indien exemplaren aan het broeden zijn, kan het verwijderen van riet en andere beplanting niet plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Door riet en andere beplanting buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat er negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van vogels. Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten Soort(groep)

Amfibieën

Bescherming

FFtabel 1

Functie

Mogelijk

Ontheffing

plangebied

effect

nodig

Landhabitat

Ja, tijdelijk

Nee, algehele

Maatregelen

-

vrijstelling

Grondgebonden

FFtabel 1

zoogdieren

Leef- en

Ja, tijdelijk

foerageergebied

Nee, algehele

-

vrijstelling

Paling

FFtabel 2

Leefgebied

Nee

-

Rivierdonderpad

FFtabel 2

Leefgebied

Nee

-

Steenmarter

FFtabel 2

Leefgebied

Nee

-

-

Otter

FFtabel 3

Leefgebied

Nee

Noordse

FFtabel 3

Leefgebied

Ja

Nee, mits

Maaien riet in de

maatregelen

periode november

worden

tot en met maart.

woelmuis

genomen Waterspitsmuis

FFtabel 3

Leefgebied

Ja

Nee, mits

Maaien riet in de

maatregelen

periode november

worden

tot en met maart.

genomen Vleermuizen

FFtabel 3

Foerageergebied

Nee

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

-

-

32

Soort(groep)

Vogels

Bescherming

Vogels

(niet jaarrond

Functie

Mogelijk

Ontheffing

plangebied

effect

nodig

Foerageer en

Nee, mits

-

broedgebied

uitvoeren

beplanting buiten

maatregelen

het broedseizoen

beschermd)

Maatregelen

riet en andere

van vogels verwijderen/snoeien

7.1

Wet natuurbescherming Onder de nieuwe Wet natuurbescherming blijven soorten van de huidige FFtabel 1 in Friesland vrijgesteld van de verbodsbepalingen blijkt uit de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Rivierdonderpad, paling, kleine modderkruiper en bittervoorn zijn onder de nieuwe wet niet meer beschermd. Dat betekent dat bij werkzaamheden in watergangen geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd voor deze soorten. Echter, dient altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Noordse woelmuis en waterspitsmuis blijven beschermd en ontheffingsplichtig onder de Wet natuurbescherming. De bescherming van vogels blijft in de praktijk ook gelijk aan de huidige situatie.

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

33

Geraadpleegde bronnen Literatuur

+ Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De

+ +

+ +

+ + +

+ + +

dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Buro Hemmen. 2005. Nationaal Park De Alde Feanen Beheer- en Inrichtingsplan In Nije Faze. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Cuppen, J.G.M. & B. Koese, 2005. De gestreepte waterroofkever Graphoderus bilineatus in Nederland: een eerste inhaalslag Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging- rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Brochure: Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten, 22 februari 2005. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

Provinciale Staten van Fryslân. November 2016. Ontwerp verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Rijksdienst voor ondernemend Nederland, soortenstandaard heikikker, versie 2.0, december 2014. Tonckens ecologie, 2013. Ecologische toetsing Herinrichting Swette -De Burd.

Internet

+ Natura 2000-gebieden, www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx, 17-112016.

+ Effectenindicator,

+

+ + + + +

+

http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&ta b=1, 17-11-2016. Begrenzing nationaal par De Alde Feanen: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapsgebied.aspx?id=np20&groep=2, 18 november 2016 www.quickscanhulp.nl, NDFF, 14-11-2016 13:49:55' www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1, 17-11-2016 Informatie nationaal park Alde Feanen; http://www.np-aldefeanen.nl/, 17-11-2016 http://www.np-aldefeanen.nl/8817/beheer,17-11-2016 Informatie NNN: http://www.fryslan.frl/kaarten/kaart.html?t=Natuurbeheerplannen 2017 ontwerp&e=117000,530000,226000,620000&l=natuur_beheerplannen2017;1;100;1;2;3;4;5&b =bmk, 17-11-2016 www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

34

+ www.compendiumvoordeleefomgeving.nl + www.eis-nederland.nl + Informatie gestreepte waterroofkever: http://minez.nederlandsesoorten.nl/content/gestreeptewaterroofkever-graphoderus-bilineatus, 24-11-2016.

+ www.libellennet.nl + www.ravon.nl + Soortinformatie beschermde vissen:

+ + + + + + + + + +

http://www.ravon.nl/Infotheek/Soortinformatie/Vissen/tabid/1394/Default.aspx, 1 december 2016. www.soortenbank.nl www.telmee.nl www.vlindernet.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl Informatie otters; http://www.zoogdiervereniging.nl/otterinnederland, 25-11-2016. Informatie steenmarter; http://www.zoogdiervereniging.nl/de-steenmarter-martes-foina, 25-112016. Informatie noordse woelmuis; http://www.zoogdiervereniging.nl/de-noordse-woelmuismicrotus-oeconomus, 25-11-2016. Informatie waterspitsmuis; http://www.zoogdiervereniging.nl/de-waterspitsmuis-neomysfodiens, 25-11-2016. www.verspreidingsatlas.nl

Quickscan flora en fauna en toets EHS, De Burd te Grou, december 2016

35

bestemmingsplan Leeuwarden - Arken en woonschepen

Bijlage 6 stedenbouwkundig en landschapsplan

95

Aanwezig dijkje in landschap

Open ruimtes in het riet bieden ruimte voor ‘tuinen’

Vrij uitzicht over het water

251-002 Landschapsplan De Burd, Grou

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=c3406fe9-a900-4731-97e4-2601a0c17363