CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Warten - Oer de Barten

Besluitvorming (raad) 9 juli 2025, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Warten - Oer de Barten' en beeldkwaliteitsplan ‘Oer de Barten’23.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het plangebied ligt dus gedeeltelijk binnen het 1% letaliteitsgebied. Het plangebied ligt niet in de plaatsgebonden risicocontour. Daarom zijn er geen wettelijke belemmeringen zijn voor het bouwen van woningen binnen het plangebied. Omdat het plangebied wel in het invloedgebied ligt, is een verantwoording van het groepsrisico aan de orde. Verantwoording Voor dit plan is sprake van een beperkte verantwoording omdat de ontwikkeling plaatsvindt buiten de 100% letaliteitszone. De wettelijk verplichte onderdelen hierbij zijn: a. b. c.

de aanwezige dichtheid van personen in het invloedgebied van de buisleidingen(en) op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld; het GR per km buisleidingen en de bijdrage ten gevolge van de vaststelling van het plan; de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval in de inrichting waarop het besluit betrekking heeft en

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

25

d.

de mogelijkheden van personen die zich in het invloedgebied van de buisleiding(en) bevinden om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.

Ad. a.

Personendichtheid

Het groepsrisico wordt bepaald in het kilometervak waarin het plangebied ligt en binnen 450 meter aan weerzijden van de leiding. Dit kilometervak is weergegeven in figuur 4.1. In de huidige situatie ligt in dit gebied vooral agrarisch grond. Langs de zuidelijke rand staan ongeveer 27 woningen in Warten. Gemiddeld wordt uitgegaan van 2,4 personen per woning, dus 65 personen in het invloedgebied van de leiding. Daar komen (24 * 2,4 =) 58 personen bij.

Figuur 4.1

Beoordeeld kilometervak buisleiding (oranje is 100% letaal, grijs 1% letaal)

Ad. b. Hoogte groepsrisico Gelet op berekeningen bij vergelijkbare situaties kan op voorhand geconcludeerd worden dat er sprake is van een laag groepsrisico (ruim beneden 0,1 van de oriëntatiewaarde). Dit blijkt ook uit het advies van FUMO dat in het kader van het bestemmingsplan Wergea is opgesteld. Dezelfde buisleiding ligt hier op vergelijkbare afstand van het dorp. Het GR is daar nauwelijks zichtbaar op de zogenaamde FN-curve. Met een verdubbeling van het aantal personen blijft het GR ruim onder de oriëntatiewaarde.

26

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

Ad. c. mogelijkheid bestrijden en beperken omvang calamiteit Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid Het plangebied is bereikbaar via de noordzijde. Dit is vanuit externe veiligheidsoverwegingen geen optimale situatie. Overigens ligt het plangebied in de buitenkant van het invloedgebied, waar de effecten relatief beperkt zijn. Over het algemeen zijn personen binnen gebouwen hier goed beschermd en leiden calamiteiten niet tot schade aan de infrastructuur. Binnen het plan wordt voorzien in opstelplaatsen voor de brandweer en er is voldoende water binnen het plan. Ad. d. Mogelijkheden personen om in veiligheid te komen zelfredzaamheid De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in verminderd zelfredzame personen. De brandweer adviseert in algemene zin om vluchtroutes van de bron af te hebben. Voor voetganders is deze er in de vorm van een bruggetje buiten het invloedgebied. Informeren De brandweer en FUMO adviseert om over het fakkelbrandscenario en het bijbehorende handelingsperspectief met de bewoners en initiatiefnemer te communiceren. Conclusies Er zijn geen wettelijke beperkingen voor de woningbouw in het invloedgebied van de leiding. De hiervoor beschreven risico's en maatregelen ter beperking hiervan worden op bestuurlijk niveau besproken en afgewogen. Centraal in de overwegingen staat de verantwoording van het groepsrisico.

Dit betekent het erkennen van de risico's, het beperken van de risico's, het optimaliseren van de bestrijdbaarheid van de risico's en het aanvaarden van de risico's. Het plan voldoet hieraan. Het groepsrisico is feitelijk zeer laag, ten eerste door de lage kans op een calamiteit, door de beperkte personendichtheid in het invloedgebied en doordat de woningen allemaal in de buitenste rand van het invloedgebied liggen. De gemeente kan op basis van het voorgaande het groepsrisico verantwoorden.

4.5

Verkeer en parkeren Toetsingskader Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat in het plan wordt beoordeeld dat de ontsluitende wegen voldoende capaciteit hebben om het verkeer van en naar het plangebied af te wikkelen. Daarnaast moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, om overlast van geparkeerde auto’s te voorkomen. Hierbij wordt uitgegaan van de nota Parkeernormen 2014. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de kentallen uit de CROW-publicatie 381. Op basis van de omgevingsadressendichtheid wordt de gemeente Leeuwarden als 'sterk stedelijk' gecategoriseerd. Voor Warten wordt veiligheidshalve uitgegaan van matig stedelijk, aangezien de verstedelijkingsgraad hier beduidend lager ligt dan in de stad Leeuwarden. Er wordt uitgegaan van de gemiddelde kentallen. Deze komen overeen met de parkeernormen die de gemeente Leeuwarden hanteert in de nota Parkeernormen 2014.

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

27

Parkeren Het uitgangspunt voor parkeren is het voorkomen van een onevenredige parkeerdruk in de omgeving. De parkeerbehoefte is op basis van de normering als volgt bepaald: Woningtype

Aantal

Norm

Parkeerbehoefte

Rijwoningen 80 – 120 m2 GO Twee onder een kap >120 m2 GO Vrijstaande woning >120 m2 GO Totaal

8

1,6 pp/w

13 pp

14

2 pp/w

28 pp

10

2 pp/w

20 pp

32

61 pp

In het plan wordt ervanuit gegaan dat op iedere kavel voor vrijstaande woningen of tweekappers in elk geval twee auto’s geparkeerd kunnen worden. Dit is voor de rijenwoningen niet mogelijk. Dat betekent dat er in de openbare ruimte in het noordwesten plek gevonden moet worden voor 14 auto’s. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van 14 openbare parkeerplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de parkeernorm. Verkeersstructuur en Verkeersafwikkeling De verkeersafwikkeling is voor dit plan gescheiden geregeld. Het plangebied krijgt een hoofdontsluiting op de Meagere Weide, via een nieuwe ontsluitingsweg langs de noordzijde van het dorp. De Meagere Weide is een belangrijke wijkontsluiting voor het noordelijk deel van Warten en kan het extra verkeer goed aan. Het verkeer wordt verder afgewikkeld via de Hoofdstraat/Oosterburen naar de Rounwei. Op basis van de kentallen uit CROW-publicatie 381 wordt van het volgende uitgegaan, met stedelijkheidsgraad “matig stedelijk”: Woningtype

Aantal

Gem. verkeergeneratie (mvt/woning)

Verkeersgeneratie (mvt/etmaal)

Rijwoningen 80 – 120 m2 GO Twee onder een kap >120 m2 GO Vrijstaande woning >120 m2 GO Totaal

8

7,1 pp/w

56,8

14

7,8 pp/w

109,2

10

8,2 pp/w

82

32

248

Op basis van het voorgaande is de verkeersgeneratie vanuit het woongebied daarmee theoretisch 248 mvt/etmaal. De bestaande wegen kunnen deze verkeersgeneratie goed afwikkelen. De woonstraat Oer de Barten wordt op deze manier vrij gehouden van extra autoverkeer. Wel worden twee aansluitingen gemaakt voor langzaam verkeer. Hierdoor blijft de bereikbaarheid en maaswijdte voor langzaam verkeer gewaarborgd. Daarnaast zorgen deze aansluitingen voor de

28

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

mogelijkheid in gescheiden routes tussen langzaam- en gemotoriseerd verkeer. Dit komt de verkeersveiligheid op met name de Meagere Weide ten goede. De aansluiting op het verlengde van de Oer de Barten kan zodanig worden vormgegeven dat deze eventueel als calamiteitenroute kan worden gebruikt.

4.6

Ecologie Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). De bescherming van Natura 2000-gebieden en soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. In het kader van de ontwikkeling is een ecologische beoordeling uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 3. De resultaten en hoe hiermee wordt omgegaan is hierna beschreven. Toetsing: gebiedsbescherming Natura 2000- gebieden De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wet Natuurbescherming. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het rijksbeleid voor de Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologisch Hoofdstructuur). Het plangebied ligt in stedelijke omgeving en maakt geen deel uit van Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Alde Feanen. Dit gebied ligt op ongeveer 1,5 kilometer ten zuiden van het plangebied.

Negatieve effecten door externe werking door trillingen, geluid en oppervlakte verlies zijn op voorhand uit te sluiten. Door uitvoering van de geplande werkzaamheden zullen de instandhoudingsdoelen van doelsoorten van de Alde Feanen die buiten de grenzen van dat gebied foerageren ook niet in gevaar komen. Stikstofdepositie In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Dit geldt ook voor het Natura 2000-gebieden De Alde Feanen. Dit gebied ligt op ongeveer 1,5 kilometer afstand vanaf het plangebied. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4. Hieruit blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een bijdrage van stikstofdepositie. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat er geen negatief effecten is als gevolg van stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige gebieden.

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

29

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een plan mag geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van de NNN. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Omdat geen ingrepen in de NNN worden voorgesteld en van toename van depositie van stikstof geen sprake is, is van aantasting geen sprake en zijn er vanuit de NNN geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Weidevogelkansgebied Het plangebied is onderdeel van Weidevogelkansgebied dat door de provincie Fryslân is aangewezen. Dit zijn zoekgebieden waarbinnen weidevogelkerngebieden geselecteerd. Weidevogelkansgebieden bieden voldoende rust en gevarieerde graslanden, waardoor er broedmogelijkheden voor weidevogels aanwezig zijn. Het plangebied, inclusief verstoringszone van 300 meter ten noorden, westen en oosten, liggen binnen het Weidevogelkansgebied. Het plangebied incl. verstoringsafstand van 300 meter heeft een omvang van circa 22 hectare. Gezien de huidige verstoringsafstanden van bebouwing en provinciale wegen blijft er circa 1,55 ha over welke met het planvoornemen verloren gaat als weidevogelkansgebied. In de natuurtoets is ecologisch onderzoek uitgevoerd naar geschiktheid van dat gebied voor weidevogels.

Dit bestaat uit een veldbezoek in het vogelbroedseizoen om een indruk te verschaffen van de plaatselijke geschiktheid van het weidevogelhabitat en aanwezige broedvogels. Daarnaast is er contact gelegd met de BFVW en Vogelwacht Idaarderadeel Noord betreffende broedvogelgegevens van het gebied. Hieruit is gebleken dat het extra te verstoren deel van het weidevogelkansgebied geen hoge waarde voor weidevogels heeft, waarmee er geen groot bezwaar is voor deze weidevogelbeheergebieden als de nieuwe bebouwing aan de noordwestkant van Warten beperkt blijft tot de aangegeven grenzen. Toetsing: soortenbescherming De soortenbescherming vindt primair plaats via de nieuwe Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet mogen geen beschermde planten en dieren (en hun verblijfplaatsen), die in de wet zijn aangewezen, worden verstoord. Voor soorten die vermeld staan op Bijlage IV, zoals vleermuizen, van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst soorten is een zware bescherming opgenomen. De verblijfplaatsen van beschermde soorten mogen niet negatief worden beïnvloed door bijvoorbeeld bouwactiviteiten. Om uit te wijzen of sprake is van beschermde soorten waar bij de uitvoering van dit project rekening mee gehouden moet worden, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor dit onderzoek heeft een ecoloog een bezoek aan de locatie gebracht, om de ecologische potenties in beeld te brengen.

Op basis van de ter plaatse aanwezige omstandigheden en verspreidingsgegevens wordt niet verwacht dat het planvoornemen tot een overtreding van een verbodsbepaling zal leiden omtrent beschermde ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en flora.

30

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

Het kanaal, de Wartenster Wiid, direct aan de zuidzijde van het plangebied, kan gebruikt worden door de watervleermuis en meervleermuis als essentiële vliegroute. De omliggende smallere watergangen kunnen als essentiële vliegroute gebruikt worden door de watervleermuis. Omliggende bebouwing, bomen en bosschage kunnen dienen als verblijfplaats of om te foerageren. Lichtverstrooiing naar de watergangen, bebouwing en bosschage kunnen effect hebben op de functie van de vliegroute, verblijfplaatsen en foerageergebied. Om deze reden dient lichtverstrooiing naar deze landschapselementen en bebouwing te worden voorkomen. Dit kan door verlichting naar beneden af te stellen en/of verlichting langs betreffende landschapselementen te voorzien van armaturen. Om verstoring van de mogelijke vliegroute Wartenster Wiid te voorkomen, wordt geadviseerd langs de oevers geen verlichting te plaatsen. Tijdens het broedseizoen (grofweg 1 mrt. t/m aug.) kunnen broedvogels in het plangebied broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is o.a. de wilde eend, meerkoet en scholekster. Voor deze soorten dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is. Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Daarom wordt het aangeraden om buiten het vogelbroedseizoen te werken.

Verder dient men tijdens de uitvoer van de werkzaamheden rekening te houden met de Zorgplicht (Artikel 1.11 wnb). De Zorgplicht geldt voor elke soort/individu in Nederland. Dit houdt in dat men tracht schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan door een werkwijze te hanteren waarbij dieren kunnen ontsnappen (werken in één richting) en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop. Het plan is op de hiervoor beschreven wijze uitvoerbaar binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Bij de uitvoering van de plannen wordt rekening gehouden met de aanbevelingen. Voorkomen lichtuitstraling Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring, met name tijdens het gebruik van vaste vliegroutes (Kuijper et al. 2008). De voor vleermuizen hinderlijke verlichting betreft felle en directe verlichting, zoals bouwlampen tijdens de aanlegfase of straatlantaarns met veel lichtverstrooiing. Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd die richting geven aan het voorkomen van lichthinder voor vleermuisroutes. Er zijn ook tal van vleermuisvriendelijke mogelijkheden, zoals groene bouwverlichting (of geen) en armaturen die niet naar de omgeving uitstralen en/of amberkleurige verlichting. Deze zaken zijn geborgd via de zorgplicht in de Wet natuurbescherming en behoeft geen locatiespecifiek onderzoek of waarborgende regeling.

Voor de specifieke plan wordt opgemerkt dat de inrichting zoals weergegeven in figuur 2.2 optimaal is voor het voorkomen van lichtuitstraling. De wegen liggen achter de woningen, waarmee uitstrooiing van straatverlichting tot op watergang is uitgesloten. Daarbij geldt dat de tuinverlichting van de drie woningen aan de zijde van het water niet zal leiden tot voor vleermuizen hinderlijke lichtverstrooiing. Vanuit woningen ontstaat namelijk over het algemeen geen grote mate van lichtuitstraling. Hiermee zijn negatieve effecten op vleermuisroutes uit te sluiten.

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

31

4.7

Bodemkwaliteit Toetsingskader Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. Toetsing In het kader van de ontwikkeling is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 5. Uit het onderzoek zijn hoogstens lichte verontreinigingen aangetroffen die geen belemmeringen vormen voor het gebruik van de grond voor wonen. Uit de resultaten van het waterbodemonderzoek blijkt, dat vrijkomend slib voor verspreiding op aanliggende percelen in aanmerking komt. Het onderzoek geeft geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend (water)bodemonderzoek worden, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de beoogde planontwikkeling.

4.8

Watertoets Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap. Voor dit plan wordt de uitgebreide watertoetsprocedure doorlopen. De uitgangspuntennotitie is opgenomen in bijlage 6. In het kader van de ontwikkeling is overleg gevoerd met Wetterskip Fryslân. Het voorstel is om het peilgebied aan te passen van een polderpeil (vast peil op -1,5 m NAP) naar een boezempeil (-0,52 m NAP). Hierover moeten een peilbesluit worden genomen. Dit proces loopt separaat het de bestemmingsplanprocedure. De uitgangspunten die het Wetterskip heeft meegegeven zijn meegenomen bij het opstellen van deze paragraaf. Het project is tevens aangemeld bij het Wetterskip via de digitale watertoets. Met het Wetterskip zijn meerdere overleggen geweest over het mogelijke risico op kwel door het verleggen van de waterkering en het peilbesluit wat genomen zal moeten worden. Het waterschap heeft in die gesprekken uitgangspunten meegegeven, die zijn verwerkt in het in hoofdstuk 2 beschreven plan.

Op basis van het plan zijn onderzoeken in het veld uitgezet en deze zullen bevestigen dat het plan goed is uitgewerkt of ze zullen leiden tot aanpassingen in de uitvoering. Daarom blijft het Wetterskip berokken bij de verdere uitwerking en uitvoering van de plannen, in elk geval tot de uitkomsten van alle onderzoeken bekend zijn en er consensus is over de daadwerkelijke inrichting van waterkering en poldersloten.

32

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

Veilig Voor dit aspect is vooral het beschermen tegen overstromingsrisico's van belang. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen verschillende peilgebieden, waarbij vooral een verschil is in polderpeil en het gebied dat vrij voor het boezemwater ligt. Tussen deze peilgebieden zijn regionale keringen aanwezig. Het plangebied komt zoals benoemd op boezempeil te liggen. Met dit bestemmingsplan wordt de regionale kering aangepast. Deze kering komt langs de rand van het woongebied te liggen. Om te waarborgen dat de betreffende gronden niet worden opgenomen bij het erf van woningen en daarmee mogelijk bebouwd wordt, is deze geheel onder de groenbestemming gebracht en is tevens een aanduiding met een beschermde regeling opgenomen die beperkingen legt op grondbewerkingen en het plaatsen van erf- en terreinafscheidingen. Voldoende Klimaatadaptie In het kader van klimaatadaptie adviseert het waterschap om bij de inrichting van het plangebied te anticiperen op hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en mogelijk overstroming door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te lichten. De transformatie van het terrein neemt een grote oppervlakte verharding weg uit een polderpeil. In de nieuwe situatie wordt het terrein groen en waterrijk uitgevoerd. Water afkomstig van de verhardingen kan afstromen op het boezemwater.

Hierin wordt een grote oppervlakte extra waterberging gerealiseerd. Wateroverlast wordt in het nieuwe plan beperkt door de gronden op te hogen, zodat het totale plangebied op voldoende hoogte ligt om voldoende drooglegging te waarborgen. Compensatie waterberging Door een toename aan verharding kan hemelwater versneld afvoeren, waardoor de druk op de waterberging toeneemt. Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat een toename van verharding wordt gecompenseerd in de vorm van nieuwe waterberging. Voor de boezem geldt een compensatienorm van 5%, voor het polderpeil is dit 10%. Te dempen watergangen moeten voor 100% worden gecompenseerd. Met de grote oppervlakte water die in het plan wordt gebracht wordt ruimschoots voldaan aan de compensatienorm. Drooglegging In relatie tot het waterpeil adviseert het Wetterskip om bij bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van 0,70 meter aan te houden en bij bebouwing met kruipruimte een drooglegging van 1,10 meter. Daarmee wordt het opdrijven van verharding voorkomen. Voor de nieuwe woningen geldt dat rekening gehouden kan worden met voldoende drooglegging ten opzichte van het maatgevende peil van -0,52 m NAP. Het vastgestelde peil is een streefpeil. Het werkelijke peil is als gevolg van opstuwing en weersomstandigheden niet altijd gelijk aan het streefpeil.

Omdat het gebied vrij voor de boezem ligt wordt het niet door een waterkering beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Daarom moet rekening worden gehouden met het maatgevende boezempeil. Dit peil, behorend bij een situatie met een kans van voorkomen van 1/100 per jaar, mag tot 1 meter voor de gevel voorkomen. Bij de uitwerking van de plannen zal hier rekening mee worden gehouden. Het uitgangspunt is het aanleggen van de gebouwen op Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

33

0,4 tot 0,5 m NAP. In ieder geval wordt een aanleghoogte gehanteerd die hoger is dan +0,18 m NAP (streefpeil + 0,7 m drooglegging). De bestaande woningen zijn aangelegd op ongeveer +0,40 m NAP. Daarmee is de drooglegging ongeveer 0,90 meter. Dit aspect wordt in overleg met Wetterskip Fryslân nader uitgewerkt. Schoon Afvalwater en regenwatersysteem Voor de afvoer van afvalwater en regenwater wordt het voorkeursbeleid van het Wetterskip gevolgd. Onder de wegen in het plangebied komt een vrijvervalriool, waarmee het vuilwater van de woningen wordt afgevoerd. Het regenwater wordt via natuurlijke afloop naar open water in de boezem afgevoerd. Hiertoe komen langs de hoofdweg molgoten en straatkolken te liggen. Waterkwaliteit De aanlegwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn om verontreiniging van het water te voorkomen. Er dient aangelegd te worden met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal. Conclusie Op deze wijze is in het plan voldoende rekening gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Bij de verdere planvorming blijft het Wetterskip betrokken.

4.9

Archeologie Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Partiële herziening Archeologie De gemeente heeft op 29 maart 2022 het paraplubestemmingplan Partiële herziening Archeologie vastgesteld. Dit ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden in de gemeente.

Dit parapluplan is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Leeuwarden, exclusief de gronden van de voormalige gemeenten Leeuwarderadeel en Littenseradiel, voor zover er sprake is van archeologische (verwachtings-)waarden. Gronden waar geen onderzoek noodzakelijk is, of gronden die na onderzoek zijn vrijgegeven, zijn niet opgenomen in dit bestemmingsplan.

34

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

Voor het plangebed geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’, waarbinnen bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld een onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor het zuidwestelijk deel (oude boerderijplaats, zie paragraaf 4.10) is de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen, waarbinnen bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld een onderzoek uitgevoerd moet worden. Toetsing In het kader van eerdere voorgenomen woningbouwplannen op de locatie is in 2011 een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Tijdens dit onderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis daarvan is geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en om de locatie vrij te geven voor wat betreft archeologie. De gemeente Leeuwarden neemt deze conclusie over. Het voormalig agrarisch bedrijf aan de Oeble-om-wei 11 is niet meegenomen in het onderzoek. Dit deel van het plangebied behoud daarom de dubbelbestemmingen die op basis van de Partiële herziening Archeologie gelden. Grote bodemingrepen zijn hier niet aan de orde en als deze zich in de toekomst toch voordoen, dan wordt op grond van de dubbelbestemming een archeologisch onderzoek gevraagd.

In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, daarvan direct melding moet worden gedaan. Op deze manier is de archeologische waarde van het gebied voldoende beschermd.

4.10

Cultuurhistorie Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan beschreven moet worden hoe met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. De Verordening Romte Fryslân regelt de provinciale belangen die door moeten werken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. De gemeente maakt hierbij een (aanvullende) inventarisatie van cultuurhistorische waarden. Toetsing Volgens de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK) liggen er in en rondom het plangebied verschillende historische elementen en structuren. In het zuidwestelijk deel ligt een oude boerderijplaats en langs en door het plangebied liggen verschillende historische paden en routes. Een fragment van de CHK is weergegeven in figuur 4.2.

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

35

Figuur 4.2

Fragment CHK

Veel van de historische structuren zijn binnen het plangebied niet meer zichtbaar. Het pad langs het Wartenster Wiid wel aanwezig, maar door privé-erven niet meer toegankelijk. Van de boerderijplaats binnen het plangebied zijn in het archeologisch onderzoek geen sporen aangetroffen. Ook uit historische kaartmateriaal kunnen geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vroegere bebouwing worden gevonden. Er zijn wel een tweetal zichtbare waterlopen (sloten) van cultuurhistorische betekenis. Deze lange sloten liggen in de noord-zuid lopende verkavelingsrichting en waren duidelijk van meer betekenis dan de andere sloten, omdat ze op historische kaarten staan aangegeven. Dit geldt voor de Magere Weidster sloot. Deze loopt op de oudste kaart van het gebied, de kaart van Schotanus (1718) van de Lange Meer in het noorden naar Wartena in het zuiden. In het zuiden ontbreken tegenwoordig een aantal stukken, maar in het plangebied is nog een stukje aanwezig. Ook de sloot die aan de westzijde het plangebied begrenst staat op historische kaarten. Niet in 1718, maar wel op de Kadasterkaart 1832 is deze apart als ‘water’ aangegeven. Dit maakt hem minder bijzonder dan de hierboven genoemde sloot, maar desondanks nog wel een belangrijke structuur in dit gebied. In het zuiden ligt de Rochsleat. Deze is van grote betekenis voor het ontstaan van het dorp Warten.

Ook deze heeft daarom cultuurhistorische waarde. Bij de uitwerking zijn de structuren van het landschap en de belevingswaarde hiervan als uitgangspunt gehanteerd. Op deze manier is in voldoende mate rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden.

36

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

4.11

Luchtkwaliteit Toetsingskader In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningbouwprojecten geldt als grenswaarde bij één ontsluitingsweg 1.500 woningen. Projecten onder dit aantal vallen onder de NIBM-regeling. Toetsing In Fryslân zijn geen algemene knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat in Warten en omgeving sprake is van een zeer goede luchtkwaliteit. Met dit plan worden ongeveer 30 woningen gerealiseerd. Daarmee geldt voor dit plan de NIBM-regeling. Het plan is van dermate kleine omvang dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.12

Planologische zones Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing In en direct rondom het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig, die een planologische bescherming genieten en waar rekening mee gehouden moet worden in dit bestemmingsplan. Er zijn ook geen andere planologisch relevante zones aanwezig.

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

37

5

Juridische regeling

5.1

Algemeen Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

5.2

Toelichting op de regels Het plangebied is voorzien van de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Groen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’, ‘Water’ en ‘Wonen’. Hierbij is aangesloten bij de gemeentelijke standaard. De ligging van de bestemmingen en de bouwvlakken is bepaald op het in hoofdstuk 2 beschreven stedenbouwkundig plan. Bedrijf Het voormalig agrarisch bedrijfsperceel aan de Oeble-om-wei 11 valt in dit bestemmingsplan onder de bestemming ‘Bedrijf’, waarbinnen bedrijven uit categorieën 1 en 2 mogelijk worden gemaakt. De bestaande bedrijfswoning is aangeduid. Het bouwvlak van deze bestemming is afgestemd op het bestaande bouwvlak en de bestaande bebouwing, waarmee wordt gewaarborgd dat er geen extra gebouwen gebouwd kunnen worden. Groen De belangrijkste groenstructuren in het plangebied zijn onder de bestemming ‘Groen’ gebracht. De bestemming richt zich hoofdzakelijk op het behoud en mogelijk maken van de groenvoorziening. Hierbij kan sprake zijn van een combinatie met water(partijen), fiets- en wandelpaden, bijvoorbeeld in parken. Deze functies zijn dan ook bij recht mogelijk in deze bestemming. Ook het traject van de nieuwe waterkering valt in deze bestemming. Deze is aangeduid als ‘waterkering’,

38

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

waarbinnen beperkingen gelden voor grondbewerkingen en het plaatsen van erf- en terreinafscheidingen. Alleen tussen openbaar toegankelijk gebied en privé gebied zijn lage en te openen erfafscheidingen toegestaan. Tuin De bestemming ‘Tuin’ is van toepassing op de voorerven bij woningen, waar bijgebouwen en hoge erfafscheidingen in principe ongewenst zijn. Binnen deze bestemming wordt daarom alleen voorzien in tuinen en toegangswegen naar erven. Verkeer - Verblijfsgebied De verkeersstructuur inclusief de (semi)openbare parkeerterreinen zijn bestemd als ‘Verkeer - Verblijfsgebied. De gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor straten, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Het verblijfsgebied duidt op gebieden die naast een verkeersfunctie ook een nadrukkelijke verblijfsfunctie hebben. Hieronder vallen onder meer voetgangersgebieden en pleinen. Ook reguliere woonstraten (erfontsluitingswegen) hebben deze bestemming. De wegen in deze bestemming hebben maximumsnelheid van 30 km/uur. Voor de verblijfsfunctie zijn ook speelvoorzieningen toegestaan binnen de bestemming. Water De watergangen in het plangebied zijn bestemd als ‘Water’. Deze bestemming is bedoeld voor structuurbepalende waterpartijen, die tevens een belangrijke waterhuishoudkundige functie hebben. Voor bruggen en steigers is bepaald dat deze alleen ter plaatse van de aangeduide locaties gebouwd mogen worden.

Voor steigers geldt bovendien dat er één steiger per aangrenzend woonperceel is toegestaan met een lengte en breedte van 3 en 1 meter. Wonen De woonpercelen worden bestemd als ‘Wonen’. Deze bestemming is afgestemd op grondgebonden woningen. Qua bouwregels is aangesloten op de geldende regeling, waarbij de hoofdgebouwen zijn vastgelegd in het bouwvlak en de maatvoering (goothoogte, bouwhoogte en dakhelling) zijn vastgelegd op de verbeelding respectievelijk in de regels. Er is hierbij onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Hoofdgebouwen (de woonhuizen) moeten in een bouwvlak worden gebouwd. Voor bijbehorende bouwwerken geldt de standaardregeling van de gemeente Leeuwarden. Het maximum aantal woningen is per bouwvlak aangegeven, waarmee ook richting wordt gegeven aan de type woningen. Binnen de woonbestemming zijn ook aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en logiesverstrekking in de vorm van bed and breakfast mogelijk. Tot slot ligt een deel van de erven in de beschermingszone van de waterkering. Deze is aangeduid als ‘waterkering’, waarbinnen beperkingen gelden voor grondbewerkingen en het plaatsen van bouwwerken.

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

39

Waarde – Archeologie 3 en 5 Op grond van de 'Partiële herziening Archeologie' heeft het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 5’. Het grootste deel van het plangebied is onderzocht en op basis daarvan vrijgegeven voor archeologie. Voor het niet onderzochte deel, namelijk het voormalig agrarisch bedrijfsperceel, zijn de dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan overgenomen.

40

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Algemeen Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Bij de ontwikkeling van het plan is Dorpsbelangen Warten nauw betrokken geweest. Gezamenlijk hebben we het principeverzoek voor de ontwikkeling ondertekend. Daarnaast is er bij twee algemene ledenvergaderingen van Dorpsbelangen, waarbij de omwonenden ook (grotendeels) aanwezig waren, een presentatie over de plannen en voortgang gegeven. Daarnaast worden de direct omwonenden met nieuwsbrieven op de hoogte gehouden en zijn er, in het traject tot voorontwerp Bestemmingsplan, twee sessie geweest met de direct aanwonenden waarbij zij hun opmerkingen en wensen konden geven en op basis waarvan de inrichting van het plan nog enigszins gewijzigd is. Vooroverleg en inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan ‘Warten – Oer de Barten’ heeft in de periode vanaf 10 augustus gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor het vooroverleg. In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de volgende overlegpartners. Gedurende deze periode heeft het voorontwerp ook ter inzage gelegen voor inspraakreacties voor ingezetenen en belanghebbenden. Daarnaast is op 6 september een inloopbijeenkomst georganiseerd waarbij omwonenden/belanghebbenden via een formulier een inspraakreactie konden geven.

De ingekomen reacties zijn samengevat en beantwoord in de reactienota vooroverleg, die samen met de inkomende overlegreacties is opgenomen in bijlage 8. Op basis van de ingekomen reacties is het bestemmingsplan op enkele onderdelen aangepast. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vervolgens van 21 december 2023 tot en met 1 februari 2024, gedurende 6 weken, ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar te maken. Er zijn 13 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn door de gemeente samengevat en voorzien van een antwoord in de reactie- en antwoordnota zienswijzen, die is opgenomen in bijlage 9. Deze worden meegewogen in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Indieners wordt hiervan op de hoogte gesteld.

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

41

Vaststelling De zienswijzen geven aanleiding om het bestemmingsplan op onderdelen te wijzigen. Ook zijn er vanuit voortschrijdend inzicht enkele ambtshalve wijzigingen voorgesteld. Het gaat om: Toevoeging aanduiding ‘waterkering’ op de verbeelding, met daaraan regels gekoppeld ter bescherming van de functie van de regionale waterkering; Het schrappen van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - sociale huurwoningen’ van de verbeelding en de daaraan gekoppelde regeling in de bestemming ‘Wonen’; Het opsplitsen van het bouwvlak met 8 woningen in het noordoosten van het plangebied, in twee bouwvlakken met elk 4 woningen; Het toevoegen van de aanduiding ‘steiger’ op de verbeelding, ter hoogte van de woningen ten zuidoosten van het plangebied; Het wijzigen van de strook ten noorden van de woning Oer de Barten 24, van de bestemming ‘Groen’ naar de bestemming ‘Tuin’. De gemeenteraad besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan. Voorgesteld wordt om het bestemmingsplan met inachtneming van de genoemde aanpassingen gewijzigd vast te stellen. Tegen het besluit tot vaststelling is beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.3

Economische uitvoerbaarheid Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het initiatief betreft de realisatie van een woongebied. De ontwikkelkosten worden gedragen door de exploitatie of verkoop van de woningen. De gemeente Leeuwarden heeft een financieel belang bij een deel van de woningbouwlocatie. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De gemeente en ontwikkelaar hebben een anterieure overeenkomst gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de plankosten en eventuele planschade. Hiermee is het kostenverhaal voldoende verzekerd.

42

Warten - Oer de Barten 23-801-1 | Vaststelling

Bijlage 1

Bijlage 2

Woningbouw Warten, Oer de Barten

Vormvrije mer-beoordeling 11 juli 2023

Woningbouw Warten, Oer de Barten Vormvrije mer-beoordeling

COLOFON Opdrachtgever

: Zwanenburg

Auteur

: E. Venema

Rapportnummer

: 23-801-3

Versie

: 1.0

Datum

: 11 juli 2023

INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? 2 Kenmerken en plaats van het project 2.1 Kenmerken van het project 2.2 Plaats van het project

1 1 1 2 2 3

3

Kenmerken van de milieueffecten

3

4

Conclusie

5

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Aansluitend op het woongebied van Warten wordt woningbouw voorzien. In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer deze niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten beoordelen of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit wordt een vormvrije mer-beoordeling genoemd. Daarbij moet wordt getoetst op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, maar hoort geen formele procedure. De omstandigheden betreffen de kenmerken van de projecten, de plaats van de projecten en de kenmerken van de potentiële effecten. De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject is in het besluit opgenomen als beoordelingsplichtige activiteit. De drempelwaarden die hierbij horen zijn een oppervlakte van 100 hectare, een aaneengesloten gebied met 2.000 woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het plan omvat de realisatie van 32 woningen op een aaneengesloten gebied van ongeveer 3 hectare. Daarmee is het plan niet direct mer-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r.

is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan - ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft. Dit is een “vormvrije” m.e.r.-beoordeling.

1.2

Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?

De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: - de plaats van het project; - de kenmerken van het project; - de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag voor de voorbereiding van het bestemmingsplan is ook verantwoordelijk voor het nemen van het mer-beoordelingsbesluit, namelijk het college van burgemeester en wethouders. Dit besluit moet voor de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan worden genomen.

Mer-beoordeling Woningbouw Warten, Oer de Barten 23-801-3 | 1.0

1

2

Kenmerken en plaats van het project

2.1

Kenmerken van het project

Algemeen Bij de kenmerken van een project wordt conform Bijlage III van de EU richtlijn in overweging genomen wat de omvang van het project is, in welke mate er sprake kan zijn van cumulatie met andere projecten. Omvang De omvang van het plan is in verhouding tot de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. zeer beperkt. Het project voorziet in de bouw van 32 woningen in een aaneengesloten gebied van ongeveer 3,5 hectare. Cumulatie In de invloedsfeer van het plan vinden geen stedelijke ontwikkeling plaatst die leiden tot een totale omvang boven de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. Gebruik natuurlijke hulpstoffen Voor de uitvoering hoeft geen gebruik te worden gemaakt van bijzondere en/of schaarse hulpstoffen. Productie van afvalstoffen Bij de uitvoering komen mogelijk afvalstoffen vrij. Dit wordt overeenkomstig de geldende regels afgevoerd en waar mogelijk gerecycled. Er is geen sprake van bijzondere of risicovolle afvalstoffen die in potentie leiden tot belangrijke milieueffecten. Verontreiniging en hinder Het project leidt niet tot een risico op verontreiniging. Verder is er geen sprake van een onaanvaardbare mate van hinder. Risico van ongevallen De uitvoering van het project en het gebruik van de gronden brengen geen verhoogd risico op ongevallen met zich mee. Er is geen sprake van het gebruik van gevaarlijke stoffen en technologieën.

2

Mer-beoordeling Woningbouw Warten, Oer de Barten 23-801-3 | 1.0

2.2

Plaats van het project

Algemeen Bij de plaats van het project gaat het met name om de mate van kwetsbaarheid van het gebied waarin het project plaatsvindt. Hierbij wordt conform de EU richtlijn in overweging genomen wat het bestaande grondgebruik is en hoe het is gesteld met het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu. Bestaand grondgebruik Het plangebied betreft enkele agrarische kavels grasland aan de rand van Warten. Regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen De locatie heeft opzichzelf geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Opnamevermogen natuurlijk milieu Dit bestemmingsplan maakt een stedelijk ontwikkelingsproject mogelijk. Het plan ligt niet nabij gevoelige gebieden, zoals bedoeld in de EEG-richtlijn. Vanuit de plaats en de kenmerken van het project wordt geen belangrijke milieueffecten verwacht.

Mer-beoordeling Woningbouw Warten, Oer de Barten 23-801-3 | 1.0

3

3

Kenmerken van de milieueffecten

Algemeen Het is gebruikelijk de milieueffecten van de nieuw aangevraagde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief de effecten van ontwikkelingen in de omgeving waarvan de realisatie zeker is (autonome ontwikkelingen). Aard van de effecten In het plan worden alleen woningen ontwikkeld. Vanuit deze functie wordt geen belangrijke milieubelasting verwacht. Potentiële effecten zijn beperkt tot een toename van verkeer en eventuele ecologische en waterhuishoudkundige effecten. Daarnaast zijn er tijdelijke effecten in de realisatiefase mogelijk. In het kader van het bestemmingsplan zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Hieruit blijken geen belangrijke negatieve milieueffecten. Bereik van het effect De effecten zijn beperkt tot de ontsluitende wegen en de aangrenzende percelen. Effecten op natuur zijn in navolgende paragraven verder in beeld gebracht. Waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect Potentiële milieueffecten als gevolg van woningbouw zijn over het algemeen voorspelbaar en goed op voorhand te onderzoeken. Uit deze onderzoeken blijkt dat er geen belangrijke milieueffecten als gevolg van dit plan te verwachten zijn. De effecten van de aanleg zijn tijdelijk. Effecten op lange termijn zijn niet aan de orde. Het project is in principe niet omkeerbaar.

4

Mer-beoordeling Woningbouw Warten, Oer de Barten 23-801-3 | 1.0

4

Conclusie

Het project is relatief kleinschalig en heeft geen kenmerken die potentieel risico op grote milieueffecten in zich hebben. Verder wordt geconcludeerd dat het project plaatsvindt op een bestaand recreatieterrein, op een locatie zonder bijzondere en/of kwetsbare waarden. Er is geen sprake van belangrijke negatieve effecten als gevolg van het project. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een MER-procedure. Op basis hiervan kan het college van burgemeester en wethouders, voorafgaand aan de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, besluiten dat voor dit bestemmingsplan geen planMER gemaakt hoeft te worden.

Mer-beoordeling Woningbouw Warten, Oer de Barten 23-801-3 | 1.0

5

Bijlage 3

2023

Ecologische beoordeling Wet natuurbescherming

Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.

Ecologische beoordeling Wet natuurbescherming Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.

Warten, mei 2023 In opdracht van: Zwanenburg Projecten Dhr. Bastiaan Dijk Marktweg 75 8444 AC Heerenveen Tel.: 06 - 31 28 73 64 E-mail: bastiaan@mooieplek.nl Uitvoering: Successie Natuurzaken Ds. v.d. Veenweg 5A 9264 TA Earnewald Tel.: 06-22600985 Email: info@successienatuurzaken.nl Contactpersoon: Dhr. Nico Minnema Auteur en veldwerkzaamheden (10 mei 2023): Dhr. Meino Zondervan Email: meino.zondervan@gmail.com Gecontroleerd door: Dhr. Jan Brandt Wiersma (Successie Natuurzaken) Omslagfoto: Impressie van het plangbied.

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................................ 4 1.2 Doel ........................................................................................................................................................................ 4 1.3 Gebied- en planbeschrijving . ..................................................................................................................... 5 2. Onderzoeksmethodiek . ........................................................................................................................................ 7 3. Algemene verbodsbepaling Wet natuurbescherming (Wnb) ........................................................ 7 4. Toetsing gebiedsbescherming . ........................................................................................................................ 7 4.1 Natura 2000 . ......................................................................................................................................................

7 4.2 Natuurnetwerk Nederland .......................................................................................................................... 8 4.3 Provinciaal beschermde gebieden . ......................................................................................................... 9

4.3.1 Ganzenfoerageergebied en ganzenslaapgebied . ................................................................... 9

4.3.2 Weidevogelkerngebied en weidevogelkansgebied . .............................................................. 9

5. Weidevogelkansgebied . ...................................................................................................................................... 9 5.1 Achtergrond en bescherming ................................................................................................................... 9 5.2 Situatie plangebied . ........................................................................................................................................ 10

5.2.1 Geschiktheid weidevogels . ............................................................................................................. 11

5.2.2 Aanvalsplan Grutto . ........................................................................................................................... 11

5.2.3 Natuurbeheer ......................................................................................................................................... 12

5.2.4 Standpunt BFVW en Vogelwacht Idaarderadeel . .................................................................. 12

6. Toetsing soortenbescherming .......................................................................................................................... 12 6.1 Flora . ...................................................................................................................................................................... 12 6.2 Zoogdieren . ......................................................................................................................................................... 13

6.2.1 Vleermuizen ............................................................................................................................................ 13

6.2.2 Overige zoogdieren ............................................................................................................................. 13 6.3 Broedvogels.......................................................................................................................................................... 14

6.3.1 Jaarrond beschermde nesten . ......................................................................................................... 14

6.3.2 Overige broedvogels (niet jaarrond beschermde nesten) ................................................. 14

6.4 Amfibieën en reptielen . .................................................................................................................................. 15 6.5 Vissen ...................................................................................................................................................................... 15 6.6 Ongewervelden .................................................................................................................................................. 15 7. Houtopstanden . ......................................................................................................................................................... 15 8. Samenvatting en conclusie flora en fauna quickscan ......................................................................... 16 9. Literatuurlijst . ............................................................................................................................................................ 18

10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.

3

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

Gemeente Leeuwarden is van doel het terrein in te richten t.b.v. een nieuwbouwwijk. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Interra heeft in opdracht van Zwanenburg Projecten aan Successie Natuurzaken gevraagd een ecologische beoordeling uit te voeren om duidelijkheid te verschaffen of het geplande planvoornemen al dan niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. De toetsing bestaat uit een onderzoek gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. Hierbij ligt de focus op beschermde flora en fauna waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat deze voor kunnen komen in het plangebied. Aangaande aanwezige beschermde soorten wordt verder ingegaan op mogelijk negatieve effecten van de werkzaamheden op deze soorten. Tevens wordt er inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden (waaronder Natura-2000 en EHS/NNN-gebieden) in de omgeving en houtopstanden. De voorliggende rapportage weergeeft de resultaten en het advies op basis van het uitgevoerde onderzoek.

Figuur 1. Locatie van het plangebied (rode omlijning). Bron: Googlemaps.

1.2

Doel

Het doel van deze ecologische beoordeling is inzicht verschaffen van de mate waarin het planvoornemen van invloed is op de natuurwaarden van het plangebied en zijn “directe omgeving”. Deze kennis is de basis voor de aanbeveling over eventueel te nemen vervolgstappen om overtredingen onder de Wet natuurbescherming te voorkomen. De ecologisch toetsing schept, voor zover mogelijk, duidelijkheid over de volgende vraagstellingen: 1.

Komen er binnen invloedsfeer van de ruimtelijke ontwikkeling, onder de Wet natuurbescherming, beschermde soorten voor?

2.

Bevinden zich binnen de invloedssfeer van de ruimtelijke ontwikkeling beschermde natuurgebieden? 10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.

4

3.

Wat zijn de mogelijke effecten, zowel tijdens als na realisatie van het plan, op de eventueel aanwezige beschermde soorten en natuurgebieden?

4.

Middels welke vervolgstappen kunnen bij de realisatie van het plan eventuele overtredingen onder de Wet natuurbescherming vermeden, dan wel verzacht worden?

Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan voor mitigatie en, indien noodzakelijk, aanvullend onderzoek. Voor het eventuele aanvullende inventarisatieonderzoek werkt Successie Natuurzaken volgens de daar voor lenende protocollen die door Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) zijn opgesteld en/of volgens de kennisdocumenten van Bij12. Wanneer negatieve effecten op beschermde soorten en/of -gebieden te verwachten zijn is ontheffing en compensatie mogelijk vereist.

1.3

Gebied- en planbeschrijving

Het plangebied bevindt zich op de percelen WRG04-C-1559 en 1508 volgens de kadastrale kaart. De percelen bevinden zich in provincie Fryslân en valt onder gemeente Leeuwarden. Gelegen direct aan de noordzijde van Warten liggen de percelen met een oppervlakte van circa 27.430 m². Het plangebied is min of meer omsloten door watergangen. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan watergang het Wartenster Wiid met daaropvolgend de bebouwing van Warten. Aan de oostzijde staan eveneens woningen. Aan de westzijde is een agrarisch bedrijf buiten bedrijf met een woning aan de zuidzijde, het geheel is deels omringd met bomen. Aan de noordzijde zijn landerijen. De percelen bestaan uit grasland met brede akkerstroken en uitgegraven greppels (figuur 2-4). Het planvoornemen is een nieuwe woonwijk. Het betreft uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ waarbij woningen aan het water worden gerealiseerd (figuur 5).

Figuur 2. Het plangebied met zicht op het dorp Warten, vanaf de noordwestzijde.

Figuur 3. Watergang (kanaal) het Wartenster Wiid, zuidzijde.

Figuur 4. Het plangebied aan de noordoosthoek

10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.

5

Figuur 5. Tekening van de voorgenomen nieuwe woonwijk ‘Oer de Barten’. Bron: Interra

10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=db01b11e-566c-4e21-9729-b9a64cbbb89d