Bestemmingsplan Warten - Oer de Barten
Tekst van het document
6
2. Onderzoeksmethodiek In opdracht van Zwanenburg Projecten heeft Successie Natuurzaken middels een ecologische beoordeling het planvoornemen getoetst aan de Wet natuurbescherming en overige gebiedsbescherming. De toetsing bestaat uit twee onderdelen: een deskresearch en een veldbezoek. Middels een deskresearch wordt er onderzoek gedaan naar mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied. Tevens wordt duidelijk of het planvoornemen al dan niet binnen de invloedsfeer van een beschermd natuurgebieden vallen. Middels een veldbezoek (10 mei 2023) is via een visuele inspectie een inschatting gemaakt of het plangebied en directe omgeving geschikt leefgebied is voor beschermde soorten en of de mogelijke effecten van het planvoornemen, negatief uit kunnen pakken op het leefgebied van deze soort(en).
3. Algemene verbodsbepaling Wet natuurbescherming (Wnb) De ecologische wet en regelgeving is in de Wet natuurbescherming (Wnb) in grote lijnen onderverdeeld in soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. De wet is gericht op het ontwikkelen en beheren van natuur om de biologische diversiteit te behouden en te herstellen. Tevens heeft het als doel om de cultuurhistorische en maatschappelijke functies van natuur in stand te houden (Ministerie van Economische Zaken, 2017).
4. Toetsing gebiedsbescherming Beschermde gebieden zijn op te delen in Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en provinciaal beschermde gebieden als ganzenrust en -slaapgebieden en weidevogelkans en -compensatiegebieden.
4.1
Natura 2000
Het plangebied valt buiten Natura 2000-gebied in de provincie Fryslân. Negatieve effecten door externe werking door trillingen, geluid en oppervlakte verlies zijn gezien de relatief grote afstand (± 1,5 kilometer) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Alde Feanen) grotendeels uit te sluiten (figuur 6).
± 1,5 km
Figuur 6. Ligging plangebied (rode ster) t.o.v. Natura 2000-gebied. Bron: kaartenkijkdoos
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
7
Ganzen en eenden Ganzen- en eendensoorten, waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, slapen in de Natura 2000-gebieden en foerageren in gebieden buiten de grenzen van deze gebieden. Volgens de externe werking van de Wet natuurbescherming zijn bovengenoemde vogelsoorten beschermd buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden. Het grasland binnen het plangebied is geschikt als foerageergebied voor ganzen- en eendensoorten. In de directe omgeving van het plangebied is in de huidige situatie echter voldoende alternatief foerageergebied voor deze soorten aanwezig. Door uitvoering van de geplande werkzaamheden zullen de instandhoudingsdoelen van deze soorten daarom niet in gevaar komen. Stikstofdepositie Projecten waarbij stikstofuitstoot wordt verwacht, worden getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000. Enkele instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied ‘Alde Feanen’ zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het betreft de realisatie van een nieuwe woonwijk. Zowel tijdens als na realisatie is er een toename van stikstofuitstoot te verwachten. Indien er nog geen stikstofcalculatie is uitgevoerd, wordt aangeraden dit te laten uitvoeren.
4.2
Natuurnetwerk Nederland
Een ingreep op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) moet worden getoetst op de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarbij gaat het om de uitwisselingsmogelijkheden van het NNN (verbindende functie), de natuurlijke eenheid, aaneengesloten functie en om de kwaliteit van het NNN en het leefgebied van soorten. Het plangebied valt buiten de begrenzing van het NNN (figuur 7). Negatief effect op NNN is niet aan de orde.
Plangebied
Figuur 7. Ligging plangebied t.o.v. NNN-gebied (oranje en groen), weidevogelkansgebied (zwart geacceerd) en ganzenfoerageergebied (paars). Bron: kaartenkijkdoos.
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
8
4.3
Provinciaal beschermde gebieden
4.3.1
Ganzenfoerageergebied en ganzenslaapgebied
Het plangebied is geen onderdeel van gebieden die zijn aangewezen als ganzenfoerageergebied. Ditzelfde geldt voor ganzenslaapgebied.
4.3.2 Weidevogelkerngebied en weidevogelkansgebied Het plangebied is onderdeel van Weidevogelkansgebied dat door de provincie Fryslân is aangewezen (figuur 7). Weidevogelkansgebieden zijn zoekgebieden waarbinnen weidevogelkerngebieden geselecteerd en ontwikkeld worden. Weidevogelkansgebieden bieden voldoende rust en gevarieerde graslanden, waardoor er broedmogelijkheden voor weidevogels aanwezig zijn. Volgens de Verordening Romte is het in principe niet toegestaan om ruimtelijke ontwikkelingen (met uitzondering van agrarische ontwikkelingen) uit te voeren waardoor de openheid en rust wordt verstoord in gebieden die geschikt zijn voor weidevogels. De gemeente kan hiervan echter afwijken indien het een ‘noodzakelijke ingreep van openbaar belang’ betreft. Door de bouw van een nieuwe woonwijk te Warten zal een klein gedeelte van het Weidevogelkansgebied verloren gaan. Dit betekent dat de gemeente de belangen zal moeten afwegen en tot een besluit moet komen of de uitbreiding wordt toegestaan. Indien de uitbreiding wordt toegestaan, geldt een compensatieplicht. Voor het verlies van geschikt weidevogelareaal is alleen financiële compensatie mogelijk. Het bedrag aan compensatie moet door de gemeente worden gestort in het provinciale weidevogelfonds. Het plangebied betreft circa 3 hectare.
Daarnaast moet rekening gehouden met een verstoringscontour, omdat weidevogels verstoring zullen ondervinden van menselijke bedrijvigheid in de woonwijk. In de Verordening Romte is aangegeven hoe groot de verstoringscontour is die moet worden gehanteerd. In dit geval moet rekening gehouden worden met een verstoringscontrour van 300 meter (Verordening Romte). Er geldt een compensatieplicht rondom het verdwijnen van een deel van het Weidevogelkansgebied. Voor het verlies van geschikt weidevogelareaal is alleen financiële compensatie mogelijk. Omdat het onderdeel Weidevogelskansgebied nader dient te worden behandeld, wordt hiervoor een hoofdstuk aan toegewijd.
5.
Weidevogelkansgebied
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de kwaliteiten van het gebied omtrent weidevogels. De kwaliteiten dienen te worden afgezet tegen de maatschappelijke urgentie van een nieuwe woonwijk. 5.1 Achtergrond en bescherming Binnen weidevogelkansgebieden liggen weidevogelkern- en plusgebieden. De kansgebieden vormen zoekgebieden voor de ontwikkeling van weidevogelkern- en plusgebieden. De kern- en plusgebieden bestaan uit groepen van beheerde percelen waarop inrichting en beheer optimaal zijn afgestemd op de weidevogels in de kader van de instandhouding van weidevogels. Binnen de omgevingsverordening Fryslân 2022 worden eisen gesteld voor compensatie en mitigatie van verloren gegane weidevogelgebieden. Verlies van weidevogelkansgebieden door ruimtelijke ingrepen is enkel toegestaan wanneer een ruimtelijke ingreep van openbaar belang is. Daarbij moet wel aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
9
• De natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep. • De mogelijkheden om met mitigerende maatregelen de schade te beperken worden zo veel mogelijk benut. Wanneer er gebied verloren gaat groter dan een 0,5 ha, dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is, wordt dit door het bevoegd gezag financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelcompensatiefonds voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld.
•
5.2 Situatie plangebied Het plangebied, incl. verstoringszone van 300 meter ten noorden, westen en oosten, liggen binnen het Weidevogelkansgebied. Het plangebied incl. verstoringsafstand van 300 meter heeft een omvang van circa 22 hectare. Gezien de huidige verstoringsafstanden van bebouwing en provinciale wegen blijft er circa 1,55 ha over welke met het planvoornemen verloren gaat als weidevogelkansgebied (figuur 9).
1,55ha
300m
Gemeente:
Leeu
Plannaam:
Wart INT er ra Plantype:
Indica
getekend: EV
projectnr: 23-801
Figuur 9. Locatie van het plangebied (geel) plus verstoringszone van 300 m (rode lijn) en de verstoringszone van de bebouwde kom van 300 m, bebouwing buiten de bebouwde kom van 200 m en provinciale weg van 100 m (oranje lijnen). Bron: Interra.
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
10
5.2.1 Geschiktheid weidevogels Het ecologisch onderzoek naar geschiktheid van het gebied voor weidevogels bestaat uit een veldbezoek in het vogelbroedseizoen om een indruk te verschaffen van de plaatselijke geschiktheid van het weidevogelhabitat en aanwezige broedvogels. Daarnaast is er contact gelegd met de BFVW en Vogelwacht Idaarderadeel Noord betreffende broedvogelgegevens van het gebied. Veldbezoek Op basis van het veldbezoek is vastgesteld dat het plangebied ongeschikt is voor primaire weidevogels. Het waterpeil is relatief hoog (< 0,5 m). Het betreft extensief beheerde graslandpercelen met greppelstructuur en een redelijke dichtheid van kruiden als paardenbloem, pinksterbloem, ridderzuring en kruipende boterbloem. Echter het plangebied ligt dicht tegen de bebouwing, de benodigde weidsheid ontbreekt wat het gebied voor primaire weidevogels ongeschikt maakt. Tijdens het veldbezoek van 10-5-2023 zijn in het gebied geen primaire weidevogels als kievit, grutto, tureluur of scholekster waargenomen. Wel werden secundaire weidevogels waargenomen. Het betrof twee paartjes wilde eend aan de oostzijde (dorpsgrens) en zwom in de sloot aan de noordzijde een vrouwtje wilde eend met vier jongen. In de sloot aan de oostzijde werden eveneens twee paartjes krakeend waargenomen.
Op een kaartje verkregen van Vogelwacht Idaarderadeel Noord is te zien dat meerkoeten langs de rand van het plangebied nesten hebben (figuur 10).
Figuur 10. Stippenkaart 2023 met meerkoetnesten (groene stippen) Bron: Vogelwacht Idaarderadeel Noord.
Broedvogelgegevens BFVW De broedvogels binnen het plangebied en omgeving wordt door de Vogelwacht Idaarderadeel Noord jaarlijks geïnventariseerd en beschermd. Op basis van de resultaten van de afgelopen drie jaar is op te maken dat binnen het plangebied het aantal broedsels nagenoeg nihil is. Ten noordoosten, aan de rand van de verstoringsafstand van het voorgenomen plangebied en binnen de huidige verstoringsafstand van de dorpsbebouwing, liggen een aantal percelen met jaarlijks een kleine cluster met wisselende resultaten van de kievit, tureluur, grutto en scholekster. Verder ten noordoosten, -westen, zuiden en noorden van het plangebied, buiten de verstoringszone, liggen grotere clusters met hogere dichtheden weidevogels (zie bijlage I). 5.2.2 Aanvalsplan Grutto Kansrijke gebieden in het Aanvalsplan Grutto, omvat gebied waarin kansen liggen om de populatie van de grutto en andere weidevogels te verbeteren. Dit kansrijke gebied komt grotendeels overeen met 10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
11
het Weidevogelkansgebied. Het plangebied inclusief verstoringzone valt buiten het kansrijke gebied Aanvalsplan Grutto. In Friesland wordt uitgegaan van 10 ‘echte’ zoekgebieden waarvan een aantal meer dan één kansgebied omvat. Ten zuiden van het plangebied ligt het zoekgebied Oldeboarn/De Deelen (bron: Aanvalsplan Grutto). Het plangebied inclusief verstoringszone, ligt buiten dit zoekgebied. 5.2.3 Natuurbeheer Uit het natuurbeheerplan 2023 is op te maken dat het gebied is toegewezen als agrarisch natuurtype A11 Open grasland. Binnen de grenzen van dit gebied is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk. Op basis van het huidige beheer, het relatief hoge waterpeil, relatief hoge dichtheden kruiden waar echter (primaire) weidevogels ontbreken, is het niet aannemelijk dat er agrarisch natuurbeheer wordt toegepast binnen het gebied. 5.2.4 Standpunt BFVW en Vogelwacht Idaarderadeel Voorkomend uit het contact met de BFVW (Inge van der Zee) en de voorzitter van Vogelwacht Idaarderadeel Noord (F.H. de Bruin) is gebleken dat de vogelwacht geen problemen heeft met het uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’, aangezien er in dit deel al jaren geen weidevogels tot broeden komen (zie hiervoor ook Bijlage I). “Het ligt te dicht op de bebouwing van het dorp en de verstoring van huiskatten is mede daardoor groot,” volgens de voorzitter van de Vogelwacht.
De BFVW heeft geen groot bezwaar voor deze weidevogelbeheergebieden als de nieuwe bebouwing aan de noordwestkant van Warten beperkt blijft tot deze percelen.
6. Toetsing soortenbescherming Vanuit de Wnb is de soortbescherming verdeeld in de drie categorieën: vogels, overige Europees beschermde soorten en andere nationaal beschermde soorten. Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Europees beschermde soorten genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten. Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Europees beschermde soorten. Naast de beschermde soorten dient men de ‘Zorgplicht’ in acht te houden. Dit houdt in dat ongeacht of dier- en plantensoorten beschermd zijn, eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de instandhouding van de soort(en) en zijn habitat (Ministerie van Economische Zaken, dec. 2016). Bij de toetsing soortenbescherming wordt getoetst of mogelijk aanwezige beschermde soorten binnen de invloedsfeer van het planvoornemen al dan niet hinder kunnen ondervinden van het plan.
6.1
Flora
Er zijn tijdens het veldbezoek geen wettelijk beschermde plantensoorten aangetroffen. Aangetroffen flora zijn o.a. kruipende boterbloem, paardenbloem, grote vossenstaart, pinksterbloem, ridder- en veldzuring, witte klaver, gekroesde melkdistel, kluwenhoornbloem, moeraskers, blaartrekkende boterbloem, vergeten wikke. Op basis van de verspreidingsgegevens en het ter plaatse aanwezige habitat wordt er geen beschermde flora binnen het plangebied verwacht. Overtreding van een verbodsbepaling binnen de Wnb op het onderdeel flora is daarmee uitgesloten.
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
12
6.2
Zoogdieren
6.2.1 Vleermuizen Alle 20 vleermuissoorten in Nederland zijn beschermd in de Wet natuurbescherming. Hierbij gaat het om de bescherming van verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageergebieden. Onlangs is vastgesteld dat er in de omgeving van het plangebied vleermuizen voorkomen. Het betreffen de watervleermuis, meervleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Van de meervleermuis is vastgesteld dat er zich een verblijfplaats bevindt in de schoolstraat te Warten. De laatste telling dateert van 10 juni 2022 met 241 uitvliegende exemplaren (bron: Melis. NDFF) Verblijfplaatsen Het plangebied betreft een open grasland. Aan de oostzijde is de huidige dorpsgrens en aan de westzijde bevindt zich een agrarisch bedrijfsgebouw buiten functie en een woning (figuur 8) welke door vleermuizen kunnen worden gebruikt als verblijfplaats. Aan de west- en oostzijde staan boompartijen welke zijn gecheckt op mogelijke invliegopeningen. Er werd niets aangetroffen echter kon niet alles worden bekeken wegens het groene bladerdek. Het is van belang lichtverstrooiing richting de bebouwing en boompartijen te voorkomen. Vliegroute Het kanaal de Wartenster Wiid, direct aan de zuidzijde van het plangebied kan gebruikt worden door de watervleermuis en meervleermuis als (essentiële) vliegroute (figuur 3).
In de dorpskern van Warten bevindt zich een kraamkolonie van de meervleermuis (bron: NDFF). De smallere watergangen rondom het plangebied kunnen eveneens als vliegroute voor de watervleermuis dienen (figuur 2 en 4). Vleermuizen zijn zeer gevoelig voor licht. Lichtverstrooiing naar de watergangen kunnen effect hebben op de functie van de vliegroute. Het is daarom van belang lichtverstrooiing richting het kanaal en de omliggende watergangen te voorkomen. Daarnaast wordt er ten zuiden van het plangebied een doorbraak in de oever gemaakt. Welke aantasting van een mogelijke vliegroute tot gevolg heeft. De zuidelijke oever blijft intact. Er wordt verwacht dat de aantasting niet dusdanig is dat de vliegroute zijn functionaliteit verliest. Foerageergebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich watergangen en bosschages welke prima kunnen dienen als foerageergebied voor soorten als de ruige- en gewone dwergvleermuis. Dit geldt eveneens voor de laatvlieger die goed gedijt in half open landschap. Men dient om deze redenen in het kader van de Zorgplicht een toename van verlichting rondom het plangebied zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende vleermuizen te voorkomen. 6.2.2 Overige zoogdieren In 2022 is vastgesteld dat In de omgeving van het plangebied de otter voorkomt (NDFF).
Langs het plangebied loopt het Wartenster Wiid, die geschikt is als leefgebied van otters. Het Wartenster Wiid vormt de verbinding tussen de Alde Feanen en het binnenland. Door werkzaamheden of gebruik van de nieuwe woonwijk direct naast het Wartenster Wiid, zou leefgebied van otters kunnen worden verstoord. Indien dit gebeurt, ontstaat een conflict met de Wet natuurbescherming. Echter loopt er tussen het Wartenster Wiid en het plangebied een wandelpad als huidige verstorinsfactor. In het planvoornemen verdwijnt dit wandelpad vanwege de doorbraak waarmee meer waterpartijen ontstaan en meer ruimte voor de otter.
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
13
De beschermde waterspitsmuis komt voor ten zuiden van het plangebied (2022, NDFF). Er is echter binnen het plangebied geen geschikt leefgebied voor deze soort aanwezig omdat de oevers van de watergangen niet ruig genoeg begroeid zijn. Uit verspreidingsgegevens van zoogdieren is in 2018 vastgesteld dat soorten zoals aardmuis, bosmuis, egel, haas, konijn en steenmarter voorkomen in de omgeving van het plangebied (NDFF). Provinciale Staten van Fryslân heeft vrijstelling van de Wnb verleend voor deze soorten bij projecten in het kader van ruimtelijk ontwikkeling. Voor als deze soorten geldt de Zorgplicht.
6.3
Broedvogels
6.3.1 Jaarrond beschermde nesten In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich bomen/bosschage. Er is tijdens het veldbezoek (10 mei 2023) mogelijk een jaarrond beschermde nest aangetroffen aan de zuidwestzijde van het plangebied (figuur 8). Roofvogels en uilen nemen nesten over van zwarte kraai en ekster (cat.5) welke vaak jaren achteréén worden gebruikt. Gezien de afstand (±75 m) en aard van het plangebied, met daartussen een bomensingel en watergang, kan verstoring van het potentiële jaarrond beschermde nest, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten.
Figuur 8. Potencieel jaarrond beschermd nest (rode pijl), zuidwestzijde van het plangebied.
6.3.2 Overige broedvogels (niet jaarrond beschermde nesten) Naast jaarrond beschermde nesten kunnen er tijdens het broedseizoen (grofweg 1 mrt. t/m aug) broedvogels in het plangebied broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Het betreft o.a. wilde eend, meerkoet en scholekster. Tijdens het veldbezoek werden wilde eend, meerkoet en krakeend aangetroffen. Voor soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is, dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is. Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Wezenlijke verstoring ten aanzien van broedende vogels kan op verschillende manieren voorkomen worden. Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren is de meest zekere optie. Een alternatief is om werkzaamheden voor aanvang van het broedseizoen te beginnen, zodat broedpogingen in het werkgebied achterwege blijven door de verstoring tijdens de werkzaamheden. In dit geval is het aan te raden om eventueel voorgenomen te ruimen bomen/bosschage voorafgaand aan het broedseizoen te verwijderen. Er dient tevens te worden voorkomen dat tijdens werkzaamheden in het broedseizoen alsnog broedgevallen ontstaan die kunnen worden aangetast. Dit is mogelijk door geen geschikte plaatsen voor nesten te laten ontstaan, door bijvoorbeeld bouwmateriaal goed af te dekken.
Mochten er toch vogels tot broeden komen en door de werkzaamheden worden verstoord, dan ontstaat er een conflict met de Wet natuurbescherming en moeten de verstorende werkzaamheden gestaakt worden tot na de broedperiode van de betreffende soort(en). 10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
14
6.4 Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen waargenomen in het plangebied. In de directe omgeving zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieën en reptielen bekend. Het terrein is geschikt leefgebied voor algemeen voorkomende amfibieën (b.v. bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander). Voor deze soorten geldt de Zorgplicht. Beschermde amfibieën (bijv. rugstreeppad) en reptielen (bijv. ringslang) worden op basis van de verspreidingsgegevens en plaatselijke habitat niet verwacht. Indien rekening wordt gehouden met de Zorgplicht (denk aan werken in één richting), is er geen sprake van overtreding van de wet natuurbescherming. 6.5 Vissen In de watergangen rondom het plangebied wordt op basis van het huidige habitat en verspreidingsgegevens geen beschermde vissoorten (b.v. de grote modderkruiper) verwacht. Er wordt om deze reden geen overtreding van een verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming m.b.t. vissen verwacht. Wel dient tijdens de doorsteek naar het kanaal en de uitbreiding van de huidige sloten rekening te worden gehouden met de Zorgplicht (denk b.v. aan langzaam werken in 1 richting). 6.6 Ongewervelden In en rond de planlocatie komen geen wettelijk beschermde ongewervelden voor. Dit wordt geconcludeerd op basis van de verspreidingsgegevens en het ontbreken van kritische habitats in de directe omgeving.
Voor beschermde libellen ontbreken kritische habitats als verlandende waterlopen met waardplanten als bijvoorbeeld de krabbescheer. Overtreding van een verbodsbepaling binnen de wnb op het onderdeel ongewervelden is daarmee uitgesloten.
7.
Toetsing houtopstanden
Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/ of herplantingsplicht. Binnen het planvoornemen worden geen bomen gekapt welke onderdeel zijn van een houtareaal of bomenrij als bovengenoemde. Er is derhalve geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
15
8. Samenvatting en conclusie flora en fauna quickscan Gemeente Leeuwarden is van doel het terrein in te richten t.b.v. een nieuwbouwwijk. In het kader van de vergunningsaanvraag heeft Successie Natuurzaken een ecologische toetsing uitgevoerd om duidelijkheid te verschaffen of de geplande werkzaamheden al dan niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Daarnaast gaat het voorliggende rapport dieper in op het onderdeel ‘Weidevogelkansgebied’. Het planvoornemen heeft door bijvoorbeeld trillingen, geluid en oppervlakte verlies geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het betreft de realisatie van een nieuwe woonwijk. Zowel tijdens als na realisatie is er een toename van stikstofuitstoot te verwachten. Indien er nog geen stikstofcalculatie is uitgevoerd, wordt aangeraden dit te laten uitvoeren. Het planvoornemen heeft geen negatief effect op overige beschermde gebieden onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast is er geen sprake van een meld en/of herplantingsplicht omtrent houtopstanden. Op basis van de ter plaatse aanwezige omstandigheden en verspreidingsgegevens wordt niet verwacht dat het planvoornemen tot een overtreding van een verbodsbepaling zal leiden omtrent beschermde ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en flora.
Het kanaal, de Wartenster Wiid, direct aan de zuidzijde van het plangebied, kan gebruikt worden door de watervleermuis en meervleermuis als essentiële vliegroute. De omliggende smallere watergangen kunnen als essentiële vliegroute gebruikt worden door de watervleermuis. Omliggende bebouwing, bomen en bosschage kunnen dienen als verblijfplaats of om te foerageren. Lichtverstrooiing naar de watergangen, bebouwing en bosschage kunnen effect hebben op de functie van de vliegroute, verblijfplaatsen en foerageergebied. Om deze reden dient lichtverstrooiing naar deze landschapselementen en bebouwing te worden voorkomen. Dit kan door verlichting naar beneden af te stellen en/of verlichting langs betreffende landschapselementen te voorzien van armaturen. Om verstoring van de mogelijke vliegroute Wartenster Wiid te voorkomen, wordt geadviseerd langs de oevers geen verlichting te plaatsen. Indien men verwacht dat lichterstrooiing naar eerdergenoemde landschapselementen niet kan worden voorkomen, dient er nader onderzoek te worden uitgevoerd. Tijdens het broedseizoen (grofweg 1 mrt. t/m aug.) kunnen broedvogels in het plangebied broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is o.a. de wilde eend, meerkoet en scholekster. Voor deze soorten dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is.
Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Daarom wordt het aangeraden om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien men voornemens is binnen het vogelbroedseizoen te starten met de werkzaamheden, dan wordt aangeraden het plangebied vooraf onklaar te maken (denk aan verstoringsmiddelen als plastic linten of hawkeye’s) en/of te checken op (potentiële) broedgevallen door een deskundig ecoloog. Verder dient men tijdens de uitvoer van de werkzaamheden rekening te houden met de Zorgplicht (Artikel 1.11 wnb). De Zorgplicht geldt voor elke soort/individu in Nederland. Dit houdt in dat men tracht schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan door een werkwijze te hanteren waarbij dieren kunnen ontsnappen (werken in één richting) en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop.
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
16
Verdieping Weidevogelkansgebied Binnen het onderzoek is in kaart gebracht welke weidevogelsoorten voorkomen in het gebied en in welke aantallen deze in het gebied broeden. Tevens is de geschiktheid van de broedhabitat in kaart gebracht. Binnen het plangebied en verstoringszone vindt geen agrarisch natuurbeheer plaats. Binnen het Aanvalsplan Grutto is het gebied aangewezen als kansgebied, het betreft echter geen zoekgebied. Uit de gegevens van het veldbezoek, de BFVW en Vogelwacht Idaarderadeel Noord komt naar voren dat in het voorgenomen plangebied (incl. verstoringszone van 300 m) zeer lage aantallen weidevogels voorkomen (bijlage I). Gekeken naar de huidige verstoringszones van de bebouwde kom (300 m), bebouwing buiten de bebouwde kom (200 m), provinciale wegen (100 m) en de verstoringszone van het planvoornemen (300 m), kan worden geconcludeerd dat er ca. 1,55 ha weidevogelkansgebied verloren gaat waarvoor de weidevogelcompensatieregeling geldt. Er wordt aangeraden hierover contact op te nemen met provincie Fryslân.
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
17
9. Literatuurlijst Aanvalsplan Grutto, 2020. Een initiatief van Pieter Winsemius en Ferd Crone, It Fryske Gea, de Friese Milieu Federatie en Vogelbescherming Nederland. Gedeputeerde Staten van Fryslân, 2022. Omgevingsverordening Fryslân geconsolideerde_omgevingsverordening 17_januari_2023.pdf https://www.fryslan.frl/natuurbeheerplan2022
https://fryslan.maps.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=f71616d6de3b435bb0c69d108effb7a5 https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abddd3 (Kaartenkijkdoos provincie Fryslân) Vleermuis.net., 2019. Verblijfplaatsen. Beschikbaar op, Vleermuis.net: http://www.vleermuis.net/vleermuizen-en-bescherming/verblijfplaatsen https://www.natura2000.nl/gebieden/friesland/alde-feanen/alde-feanen-doelstelling
BIJ12 rapporten: Diverse soorten Geraadpleegde websites: ndff-ecogrid.nl Waarnemingen.nl Verspreidingsatlas.nl Telmee.nl Google.maps.nl Zoogdiervereniging.nl
10 mei 2023 - Toetsing Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling omtrent uitbreidingsplan ‘Oer de Barten’ te Warten.
18
Bijlage 4
Warten, woningbouw Oer de Barten
Onderzoek stikstofdepositie 15 mei 2025
Warten, woningbouw Oer de Barten Onderzoek stikstofdepositie
COLOFON Opdrachtgever
: Zwanenburg
Auteur
: E. Venema
Rapportnummer
: 23-801-3
Versie
: v3.1
Datum
: 15 mei 2025
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3
Hoofdstuk Aanleiding Beoogde ontwikkeling Dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitatten
1 1 1 2
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Toetsingskader stikstofdepositie Algemeen Beslisboom toestemmingsverlening Provinciale beleidsregels en saldering Mogelijkheid en procedure intern salderen Aanlegfase Cumulatie en ruimtelijke planvorming
3 3 3 3 4 4 4
3 3.1 3.2 3.3 3.4
Uitgangspunten bepalen stikstofemissie Referentiesituatie Gebruiksfase Aanlegfase Cumulatie en ruimtelijke planvorming
5 5 5 6 8
4 4.1 4.2 4.3
Resultaten en conclusie Algemeen Resultaten Conclusie
9 9 9 9
5
Bijlagen
10
1
Hoofdstuk
1.1
Aanleiding Aan de Oer de Barten, aansluitend op het woongebied van Warten, wordt een woningbouwontwikkeling met 32 woningen voorbereid. De gebruiks- en aanlegfase kunnen potentieel een effect hebben op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden, in dit geval met name de Alde Feanen. Wanneer de kritische depositiewaarde al (bijna) wordt overschreden, heeft ieder toename van stikstof een potentieel negatief effect op het natuurgebied, waarmee een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming dan wel een passende beoordeling nodig is. Wanneer de kritische depositiewaarde al (bijna) wordt overschreden, heeft iedere toename van stikstof een potentieel negatief effect op de natuur, waarmee een passende beoordeling en/of omgevingsvergunning natuur voor de Natura 2000-activiteiten in het kader van de Omgevingswet c.q. het Besluit kwaliteit leefomgeving nodig is. In dit onderzoek wordt achtereenvolgend het toetsingskader voor de beoordeling en afweging van stikstofeffecten, de uitgangspunten voor de berekeningen, de resultaten en de conclusie beschreven. Het onderzoek is gebaseerd op het rekenprogramma AERIUS (versie 2024.2.1).
1.2
Beoogde ontwikkeling Het project omvat de ontwikkeling van woningbouw op enkele kavels agrarisch grasland. Een luchtfoto van de locatie en het inrichtingsplan voor de nieuwe situatie zijn weergegeven in figuur 1.
figuur 1.
Luchtfoto projectlocatie en beoogde inrichting
Warten, woningbouw Oer de Barten 23-801-3 | v3.1
1
1.3
Dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitatten De ontwikkeling ligt op 1,5 kilometer afstand vanaf het Natura 2000-gebied de Alde Feanen. In dit gebied komen stikstofgevoelige habitats voor. De ligging van het nabijgelegen Natura 2000-gebied en daarin de gevoelige en zeer gevoelige habitatten zijn weergegeven in figuur 2. Het projectgebied is aangegeven met een ster.
figuur 2.
2
Nabijgelegen Natura 2000-gebieden
Warten, woningbouw Oer de Barten 23-801-3 | v3.1
2
Toetsingskader stikstofdepositie
2.1
Algemeen In Nederland staan veel natuurgebieden onder druk door een te hoge stikstofdepositie. Voor verschillende habitattypen is een ‘kritische depositiewaarde’ (KDW) bepaald. Deze waarde vormt de drempel waarbij significante negatieve effecten door eutrofiëring ontstaan. In de praktijk betekent dit vaak dat de gebiedseigen vegetaties worden overwoekerd door vegetaties die gedijen op een hoge stikstofbelasting, hetgeen de biodiversiteit kan verslechteren. Eerdere toetsingskaders die ruimte boden voor ontwikkelingen die een toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben, zijn juridisch niet houdbaar gebleken. Iedere toename op een al overbelast gebied kan in principe een verslechtering tot gevolg hebben. Daarmee is een situatie ontstaan waarbij plannen, in elk geval per saldo, geen toename van stikstofdepositie op deze overbelaste habitats tot gevolg mogen hebben. In de Omgevingsregeling, behorende bij de Omgevingswet, is voorgeschreven dat voor de beoordeling van de stikstofdepositie het rekenprogramma AERIUS wordt gebruikt.
2.2
Beslisboom toestemmingsverlening Met de AERIUS calculator is het mogelijk om de stikstofdepositie te berekenen. Als op geen enkel Natura 2000-gebied de bijdrage hoger is dan 0,005 mol/ha/jaar dan is er geen toestemming nodig op het gebied van stikstof (in kader van de Wet Natuurbescherming). Een vergunning is niet nodig als een project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden of wanneer de conclusie van een ecologische voortoets significante effecten uitsluit. Als dit niet het geval is, moet op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving een omgevingsvergunning natuur voor de Natura 2000-activiteiten worden aangevraagd, waarvoor dan een passende beoordeling moet worden opgesteld.
2.3
Provinciale beleidsregels en saldering De provinciale beleidsregels ten aanzien van stikstof zijn opgenomen in de Beleidsregel natuur Fryslân 2024. Op basis van de aanpak hieruit geldt dat als een aanvrager kan aantonen dat er als gevolg van een aanvraag geen significante effecten zijn op Natura 2000-gebieden, er vergunning kan worden verleend. Eventuele stikstofemissie kan worden beperkt door emissiebeperkende maatregelen of door in-/extern salderen.
Warten, woningbouw Oer de Barten 23-801-3 | v3.1
3
Volgens de provinciale beleidsregel gelden de volgende definities: Salderen:
Extern salderen: Intern salderen: Referentiesituatie:
2.4
inzetten van een activiteit met N-emissie op grond van een toestemming in de referentiesituatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een nieuw of gewijzigd project, waarbij deze toestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd zodat de N-depositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie; salderen met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning; salderen binnen de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning; een natuurvergunning of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige milieuvergunning of -melding, of een anderszins sindsdien toegestane onafgebroken aanwezige activiteit.
Mogelijkheid en procedure intern salderen Een uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 heeft uitgewezen dat voor interne saldering in beginsel een vergunningplicht geldt, ook wanneer als de stikstofdepositie niet toeneemt met meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Hiervoor worden momenteel door het Rijk en door de provincies beleidsregels opgesteld, waarbij ook het additionaliteitsvereiste een belangrijke factor is. Het additionaliteitsvereiste houdt in dat salderen alleen mogelijk is als het beëindigen van het saldogevende activiteit niet (volledig) ten goede hoeft te komen aan de natuur. Op basis hiervan geldt als uitgangspunt dat wanneer de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik en de aanleg van het project niet leidt tot een stikstofbijdrage van meer 0,005 mol/ha/jaar, er geen sprake is van vergunningplicht of een noodzaak voor een passende beoordeling (voor wat betreft stikstof).
2.5
Aanlegfase De aanlegfase kan tijdelijk tot een stikstofbijdrage leiden. Dit heeft vooral te maken met het verbranden van diesel in mobiele werktuigen op de bouwplaats en met het transport van materiaal en materieel van en naar de bouwlocatie.
2.6
Cumulatie en ruimtelijke planvorming Vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving moet worden getoetst of een project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. Dat betekent dat wanneer een project onderdeel is van een grotere ontwikkeling, ook moet worden beoordeeld of er sprake is van cumulatie. Daarom wordt in dit onderzoek ook beoordeeld of dit het geval is en zo ja, of er in het kader van de ruimtelijke planvorming al beoordeling is gemaakt.
4
Warten, woningbouw Oer de Barten 23-801-3 | v3.1
3
Uitgangspunten bepalen stikstofemissie
3.1
Referentiesituatie De referentiesituatie voor dit plan is de feitelijke, planologisch legale, situatie, zoals deze sinds de referentiedata voor de verschillende natuurgebieden, ononderbroken heeft plaatsgevonden. Deze situatie verdwijnt ten behoeve van de realisatie van het plan. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Alde Feanen, dat op 10 juni 1994 is aangewezen als Natura 2000gebied. Dat is dan ook de referentiedatum. Het plangebied kent twee potentiële salderingsbronnen, namelijk het agrarisch bedrijf en de bemesting van gronden. Op boerderij staat op dit moment nog vee van een externe veehouder, maar dat zal met de uitvoering van dit plan ophouden. Voor dit plan kan daarom gebruik worden gemaakt van intern salderen. Omdat in dit geval geen gebruik wordt gemaakt van interne saldering, wordt de referentiesituatie hier niet verder beschouwd.
3.2
Gebruiksfase In de nieuwe situatie is er alleen sprake van emissies als gevolg van de verkeersbewegingen van het naar het woongebied. De nieuwe woningen moeten gasloos worden gebouwd. De verkeergeneratie is bepaald op basis van onderstaande tabel, uit het bestemmingsplan.
De verkeerstoename zal theoretisch 248 mvt/etmaal zijn. Dit verkeer gaat op in het heersend verkeersbeeld als dit qua type en start- en stopbewegingen niet maar van het huidige verkeer te onderscheiden is. Daarom is dit verkeer doorgerekend tot net voorbij de eerst kruising in de kom van Warten, waar het zich mengt met ander woonverkeer en als zodanig opgaat in het heersend verkeersbeeld. Ook moet rekening worden gehouden met een koude start. Hiervoor wordt uitgegaan van gemiddeld 2 koude starten per woning per dag (64 mvt/etmaal).
Warten, woningbouw Oer de Barten 23-801-3 | v3.1
5
3.3
Aanlegfase De aanlegfase leidt tijdelijk tot een emissie van stikstof vanuit mobiele werktuigen en transport. De exacte uitvoeringswijze en fasering in het project staat nog niet vast en is mede afhankelijk van externe factoren en procedures. De emissie uit de aanleg is daarom deels op basis van reële uitgangspunten ingeschat en deels op basis van ramingen van het civieltechnisch werk. Dit onderzoek dient ter onderbouwing van het bestemmingsplan voor de ontwikkeling, waarmee dit in de basis een onderdeel van de uitvoerbaarheidstoets vormt. Door de nabije ligging van de Alde Feanen moet bij de uitvoering rekening worden gehouden met beperkingen op het gebied van stikstofuitstoot per jaar. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden denkbaar. Er kan gedacht worden aan gedeeltelijke toepassing van elektrisch materieel en/of aan het faseren van werk over meerdere jaren. Dit onderzoek beschrijf het scenario dat de ontwikkelaar met de wetenschap van nu voor ogen heeft. Als bij de uitvoering andere scenario’s aan de orde komen, moeten die in het kader van de vergunningverlening worden onderzocht.
Voor de verschillende fasen wordt uitgegaan van de volgende planning: • Voorbelasten: Q4 2025 • Bouwrijp maken: Q3 2026 • Woningbouw: Q4 2026 – Q1 2028 • Woonrijp maken: Q2 2028 De input voor AERIUS bestaat uit het aantal transporten (zwaar/middel/licht) en de hoeveelheid diesel die op de bouwplaats wordt verbruikt gedurende de inzet van bepaalde typen machines. Daarbij zijn de draaiuren en AdBlue toevoegingen ook relevante parameters. Een hoog percentage AdBlue beperkt de NOx emissie van de machines. Voor het verbruik wordt uitgegaan van de vuistregel 0,1 liter/kW/uur. Uit praktijkcijfers onderzocht door TNO is dit gemiddeld overigens iets lager, circa 0,08 liter/kW/uur. Uitgaand van het meest voorkomende materieel is een splitsing gemaakt in licht materieel (<125 kW, 10 liter per uur) en zwaar materieel (>200 kW, 20 liter uur) Er wordt gebruik gemaakt van een machinepark van bouwjaar 2014 of jonger (Stage IV). Hierbij is een gemiddeld AdBlue verbruik van 6% is op basis van verschillende bronnen representatief. Voorbelasting Deze fase omvat het graafwerk van water en cunetten en het ophogen van gronden, inclusief extra grond voor wegen en kades. Hiervoor zijn 314 werkuren geraamd met een gemiddeld dieselverbruik van 12 liter per uur. Ook wordt veel grond aangevoerd, waarvoor 1000 mvt/etmaal aan zwaar transport is geraamd.
Bouwrijp maken Het bouwrijp maken omvat het verwijderen van voorbelasting-materiaal en het aanbrengen van riolering, funderingen onder wegen en tijdelijke bouwwegen en het afwerken van het terrein ten behoeve van de bouw. Hiervoor zijn 292 draaiuren met een gemiddeld verbruik van 12 liter per uur geraamd. Voor transport wordt uitgegaan van 55 zware transporten.
6
Warten, woningbouw Oer de Barten 23-801-3 | v3.1
Woningbouw: funderingswerk Bij woningbouw vraagt het funderingswerk de meeste machine-inzet van dieselmaterieel. Hierbij gaat het uitgraven en weer aanvullen van bouwputten (circa 4 uren per woning) en heien. Op basis van ervaringscijfers wordt uitgegaan van het onderheien van 3 woningen per dag. Dat betekent in totaal 128 uur graafwerk en 88 uur heien. Een gemiddeld verbruik van 12 liter per uur is realistisch. Woningbouw: bovengronds Voor het overig bouwwerk aan de woningen is de inzet afhankelijk van de bouwwijze. Het gaat om ofwel veel hijskraan/verreiker uren of juist werk met betonpompen. Op basis van diverse vergelijkbare projecten wordt uitgegaan van 12 uren hijskraan/verreiker/betonpomp (10 liter/uur) en 8 uren divers overige materieel (8 liter/uur). Dit komt neer op 20 uren en 184 liter diesel per woning. Woonrijp maken De aanlegfase sluit af met het het woonrijp maken. Dit onderdeel van de aanlegfase vraagt relatief weinig zwaar materieel en gaat met name om het gebruik van kleine graafmachines en dumpers en nog kleiner materieel, zoals trilplaten. Voor deze fase van de ontwikkeling wordt uitgegaan van 20 weken, waarbij iedere dag een 4 uren een machine draait met een gemiddeld verbruik van 5 liter per uur. Dit verbruik komt daarmee op circa 2.000 liter diesel tijdens 400 draaiuren.
Transport Voor licht transport uitgaan van 49 werkweken, waarin dagelijks 10 auto’s van personeel en kleine leveringen komen en gaan. Dit komt neer op jaarlijks 4.900 mvt licht verkeer. De zware transporten zijn, behoudens in de fase van voorbelasting, op 400 mvt gezet, op basis van vergelijkbare werken. Voor rekenjaar 2026 geldt dat een half jaar wordt gewerkt, dus zijn deze getallen gehalveerd. Het transport wordt via de Stûkloane geleid, buiten het dorp om. Voor het lichte verkeer is gerekend met 20% koude start, van bedrijfswagens die langer dan 2 uren op de locatie stilstaan. Vertaling naar invoer In de navolgende tabel zijn de draaiuren, verbruik en transport per jaar en fase vertaald naar invoergegevens in AERIUS. Jaar 2025 2026
2027
2028
Fase Voorbelasting Bouwrijp Funderingswerk 50% Totaal Woningbouw 18W Funderingswerk 50% Totaal Woningbouw 14W Woonrijp Totaal
Warten, woningbouw Oer de Barten 23-801-3 | v3.1
Draaiuren 314 292 108 400 360 108 468 280 400 680
Verbruik 3768 3504 1296 4800 3312 1296 4608 2576 2000 4576
Transport 1000 zwaar 2450 licht 200 zwaar 4900 licht 400 zwaar 4900 licht 400 zwaar
7