2.-NOVEX-Lelylijn-Ontwikkelperspectief-Onderbouwing
Tekst van het document
•
crisisbeheersing (organisatie en communicatie bij een eventuele calamiteit). (4) Herstellen: snel en klimaatrobuust herstel van schade na optreden van een overstroming.
3. In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en de bodem. Het flexibel omgaan met wateroverlast en droogte vraagt om een samenhangende aanpak. Zowel wateroverlast als droogte vraagt vaak tijdelijk om ruimte. Deze tijdelijke ruimte is nodig om beheersbaar om te kunnen gaan met effecten van weersextremen. Voor wateroverlast vraagt dit om voldoende buffer- en afvoercapaciteit. Voor droogte om voldoende berging in de bodem door vergroting van het organisch stofgehalte in de bovenlaag en het vergroten van de sponswerking.
Meerlaagsveiligheid komt niet in de plaats van dijkversterking, maar dijkversterking maakt onderdeel uit van de meerlaagsveiligheid. In de eerste laag staat de zorg voor de waterkeringen. De daaropvolgende lagen 2, 3 en 4 vormen een aanvulling op de zorg voor de eerste laag en vormen daarmee een compleet pakket aan maatregelen, ook als het onverhoopt toch mis gaat en een waterkering bezwijkt. Als tweede principe bij Water en bodem sturend vraagt het rijk aandacht voor extremen. Meerlaagsveiligheid biedt daarmee maatregelen als aanvulling op de eerste laag (waterkeringen) van de meerlaagsveiligheid.
4. Meerlaagsveiligheid. Meer aandacht voor meerlaagsveiligheid is nodig om de risico’s op en gevolgen van overstromingen in de toekomst te beperken. Dit geldt niet alleen voor het hoofdwatersysteem, maar ook voor het regionale watersysteem, beekdalen en onbedijkte rivierdelen. Meerlaagsveiligheid bestaat uit: • (1) Preventie: verkleinen van de overstromingskans door aanleg en versterken van dijken en keringen. • (2) Gevolgbeperking: met behulp van ruimtelijke inrichting en maatregelen de effecten van een overstroming beperken. Denk aan bescherming van kritische infrastructuur, aangepast bouwen of instellen van risicozones • (3) Crisisbeheersing: verbeteren van de
5. Minder afdekken, minder vergraven, minder verontreinigen. Een vitale bodem en het benutten van de natuurlijke kracht van de bodem is van belang voor het bestrijden van wateroverlast, droogte en hittestress. Daarnaast zijn duurzaam beheerde bodems beter bestand tegen klimaateffecten en helpen deze bij het opslaan en vastleggen van CO2 en stikstof. Daarom gaan we bodemafdekking, vergraven en verontreinigen van de bodem tegen. Hiermee bedoelen we: • Minder bodemafdekking – Afdekking van de bodem met ondoordringbaar materiaal gaat vaak ten koste van vruchtbare landbouwgrond, is een risico voor de biodiversiteit, vergroot de kans op overstromingen en waterschaarste en draagt bij
•
•
aan de opwarming van de aarde. Bodemafdekking vormt een van de grootste oorzaken van bodemaantasting in de Europese Unie. Niet vergraven – Een bodem met een intact profiel vervult betere bodemecosysteemdiensten (water vasthouden, stikstof en fosfaat kringloop, diversiteit bodemorganismen) dan een geploegde bodem. Niet verontreinigen – beperken van emissies naar water en bodemsysteem houden toekomstige gevoelige functies zoals landbouw, drinkwater en (moes)tuinieren mogelijk.
6. Integrale aanpak in de leefomgeving. Water- en bodemsysteem zijn de onderlegger voor ruimtelijke opgaven zoals: verstedelijking, woningbouw, landbouw en energievoorziening. Door in te spelen op de natuurlijke systeemwerking kunnen de diverse ruimtelijke functies op een logische, kosteneffectieve en houdbare manier worden ingericht. Het is de basis voor onze leefomgeving. 7. Comply or explain (‘pas toe of leg uit’). Het inspelen op de condities van het water- en bodemsysteem moet de basis zijn van de ruimtelijke inrichting. Door dit te doen wordt een bijdrage geleverd aan het bereiken van doelen met betrekking tot bijvoorbeeld biodiversiteit, klimaatmitigatie en waterkwaliteit. Mochten er onverhoopt toch redenen zijn om hiervan af te wijken dan geldt het principe ‘comply of explain’, ofwel: ‘pas toe of leg uit’. Als wordt afgeweken, moet dit uitlegbaar en toetsbaar zijn en wordt toegelicht hoe doelen dan wel bereikt worden. 35
Signaleringskaart Optelsom van de volgende 3 indicatoren.
INDICATOR 1. Waterveiligheid. Hoe kwetsbaar is een gebied voor overstromingen vanuit beken, rivier en zee?
Signaalwerking: waar heb je bij bouwen de wind mee en waar heb je de wind tegen?
1A. Extreem kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar overstroomt.
1B. Middelgrote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100 jaar overstroomt.
• • • • •
•
•
Vanuit watersysteem niet geschikt Vanuit watersysteem beperkt geschikt Vanuit watersysteem geschikt Beschermd natuurgebied (ter oriëntatie) Bestaand verstedelijkt gebied (ter oriëntatie)
• Deze signaleringskaart signaleert of je het watersysteem bij ontwikkelingen mee of tegen hebt. Achter rood of oranje schuilt altijd een winstwaarschuwing. Hier kan het % uitgeefbaar / de GREX onder druk komen te staan als gevolg van de lokale wateropgave.
•
Matig kwetsbaar (GROEN) (<0,5 meter (forse) wateroverlast en schade maar niet direct levensbedreigend. Lokale maatregelen om overlast te voorkomen/beperken zijn vaak mogelijk) Kwetsbaar (ORANJE) (0,5-2,0 meter - Forse schade en in potentie levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping) Zeer kwetsbaar (ORANJE) (>2,0 meter - Levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping niet toereikend)
Overstromingsdiepte | Extreem kleine kans (Bron: Klimaateffectatlas.nl, LIWO/ROR)
•
•
Matig kwetsbaar (GROEN) (<0,5 meter (forse) wateroverlast en schade maar niet direct levensbedreigend. Lokale maatregelen om overlast te voorkomen/beperken zijn vaak mogelijk) Kwetsbaar (ORANJE) (0,5-2,0 meter - Forse schade en in potentie levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping) Zeer kwetsbaar (ROOD) (>2,0 meter Levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping niet toereikend)
Overstromingsdiepte | Middelgrote kans (Bron: Klimaateffectatlas.nl, LIWO/ROR) 36
INDICATOR 2. Bodemdaling. Is er kans op schade aan wegen, huizen, bruggen, riolering, kabels en leidingen?
INDICATOR 3. Wateroverlast. Is er sprake van kwel en komt de grondwaterstand dicht aan het maaiveld?
2. Bodemdaling: met kans op toenemende overstromingsrisico’s en schade.
3A. Grondwateroverlast: zijn gebieden ook zonder kostbare aanpassingen geschikt te maken?
3B. Grondwaterstand: leent het gebied zich voor een voldoende drooglegging/bouwpeil?
• • • •
Beperkt (GROEN) (3-10cm) Matig (GROEN) (10-20cm) Vrij sterk (ORANJE) (20-40cm) Sterk (ORANJE) (40-60cm)
•
•
•
Zeer sterk (ROOD) (>60cm)
Bodemdaling Scenario Hoog | 2020-2100 (Bron: Klimaateffectatlas.nl, Deltares, TNO en WENR)
• •
Zeer geschikt (GROEN) (Infiltratie / wegzijgingsgebied) Matig geschikt (GROEN) (Intermediair gebied) Minder geschikt (ORANJE) (Kwelgebied)
LHM4.1 Gemiddelde Kwel-Inzijging 2011-2018 (NHI.nu dataportaal)
•
•
Zeer geschikt (GROEN) (>140 cm onder maaiveld - geschikt) Matig geschikt (GROEN) (100-140 cm onder maaiveld – in de toekomst mogelijk te nat voor bebouwing) Minder geschikt (ORANJE) (<100cm onder maaiveld – in huidige situatie al te nat voor bebouwing)
LHM4.1 GHG 2011-2018 (NHI.nu dataportaal)
37
Structurerende keuzes vanuit Water en Bodem Sturend Van het Rijk (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2022). Verder geconcretiseerd in het Advies en handelingsperspectief WABOS (SWECO, mei 2024).
Ruimte voor water •
•
Voldoende water • •
•
We zijn weerbaar tegen een droogte, die gemiddeld eens in de 20 jaar voorkomt. We werken aan een robuust grondwatersysteem en beperken daarvoor de nadelige effecten van grondwateronttrekking. We werken toe naar nieuwe en diverse drinkwaterbronnen waarmee we zorgen voor voldoende drinkwaterbronnen van voldoende kwaliteit.
Schoon en gezond water • We voeren maatregelen uit van de Kaderrichtlijn Water (KRW) Stroomgebiedsbeheerplannen 2022-2027, het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn 2022-2026, de derogatiebeschikking, de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en uitvoeringsprogramma’s zoals voor reducties van medicijnresten en andere chemische stoffen.
•
•
•
We creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. We houden rekening met grotere peilfluctuaties en de optie van peilaanpassingen van het IJsselmeer en het Markermeer. (zoetwaterbuffer van 20 cm naar 50 cm te vergroten, door het zomerpeil verder te laten uitzakken en eventueel hoger op te zetten bij verwachte langdurige droogte + winterpeil met 30 cm te laten meestijgen tot 2050). We staan geen nieuwe landaanwinning (eilanden) toe in het IJsselmeergebied, behalve voor overstroombare natuur en om te voldoen aan de Natura 2000-doelen en KRW. We actualiseren de huidige reserveringszones rond primaire waterkeringen (dijken en kust). Daarmee reserveren we ruimte voor toekomstige dijk- en kustversterkingen, en maken ze zo blijvend mogelijk. We reserveren de 5% tot 10% van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen. Hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen.
Bodem • We streven bij verstedelijking en infrastructuur naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, dekken de bodem zo min mogelijk af en herstellen de bodem waar mogelijk. Zo behouden we waardevolle organisch rijke landbouwen natuurbodems en blijft de sponswerking van de bodem behouden. • We behouden ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. Dit doen we door maatregelen uit te werken voor het beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc. • We gaan bodemverstoring door ontgraving tegen en hergebruiken grond hoogwaardig. Daarmee behouden we gezonde en vitale bodems. Bebouwd gebied • We maken de risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid sturend bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw. • We benutten locaties waar in de toekomst ruimte nodig is voor waterberging, rivierafvoer en toekomstige dijkversterkingen niet (meer) voor bebouwing. • We passen de maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving toe. • We sturen als overheden op zo min mogelijk afdekking van de bodem. Daarmee behouden
38
we buiten het bebouwd gebied goede landbouwgrond, reduceren we hittestress en bevorderen we waterinfiltratie binnen het bebouwd gebied. Laagveengebieden • We bewegen toe naar een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied. • We minimaliseren de aanvoer van gebiedsvreemd water. Daardoor houden we zoveel mogelijk zoetwater beschikbaar voor peilopzet en tegengaan van verzilting. • We beheren onze landbouwgronden duurzaam. In aanvulling op structurerende keuze 18 voorkomen we hiermee onomkeerbare oxidatie van veen en behouden we ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. Verzilte kustgebieden • We vragen alle watergebruikers rekening te houden met en zelf maatregelen te nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting.
Hoge zandgronden • We houden water langer vast en voeren het minder snel af. We herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuust grondwatersysteem. • We verhogen de grondwaterpeilen met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden. • In de gebiedsprocessen zetten we in op grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Hiermee halen we niet alleen de
•
doelen voor de waterkwaliteit (vanuit de KRW en de Nitraatrichtlijn) maar kunnen we ook andere doelstellingen realiseren (zoals natuur, groenblauwe dooradering en waterberging). We beperken de grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden. Daarmee voorkomen we verdroging deze gebieden.
Ambitie 0
Ambitie 1
Ambitie 2
Ambitie 3
Ambitie 4
Ambitie 5
- groen/blauw
+ 0-5% groen/blauw Denk aan: Vergroening en verblauwing van individuele straten, gebouwen en tuinen (hier en daar tegels eruit en groen erin).
+ 5-15% groen/blauw Denk aan: In hele buurt minimaal een vijfde van alle straatverharding vergroenen (nieuwe bomen, watervertragende groenstroken, waterdoorlatende verharding, geveltuinen en
+ 15-30% groen/blauw Denk aan: In hele buurt transformatie naar groen-blauwe leefstraten en verspreid over de buurt individuele vergroening van tuin en gebouw (groene gevels en daken, waterdaken, waterpleinen,
+ 30-70% groen/blauw Denk aan: In hele buurt alle daken vergroenen, inclusief een deel van de gevels en een vijfde van het straatprofiel.
+ >70% groen/blauw Denk aan: Stad te gast in de natuur. ‘Horizontale stadsdelen’ komen ten goede aan groen en blauw. Verticaal ruimte voor groene gevels.
groene hagen).
geveltuinen, waterlopen, groenstroken en wadi’s).
Denk aan: Ruimte voor groen en blauw neemt af als gevolg van nieuwe ontwikkelingen.
Ambitieladder. Minimale streefwaarde voor een buurt is >20% groen/blauw en <70% verharding. Dat komt voor groen opgezette naoorlogse wijken neer op 0-5% vergroenen en betekent voor versteende bedrijventerreinen en centrumgebieden (in stad en dorp) minimaal circa 15-20% extra groen en blauw.
39
Expertgesprek water, bodem, natuur en landschap Met aanwezigheid van experts van RHDHV, SWECO, Waterschap Noorderzijlvest, Waterschap Noord, Wetterskip Fryslân en Provincie Fryslân. WABOS (SWECO)
•
•
•
Gebiedspaspoorten (RHDHV)
Enkele bevindingen • Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de polders (Flevoland) en het systeem van het Drents plateau (Fryslân/ Groningen). • Technische maakbaarheid is eindig. Daarom uitgaan van de lagenbenadering en rekening houden met extremen voorbij 2100. Aandachtspunten met name: Slappe bodem / veen; Risico op wateroverlast; Overstroming; Slecht doorlatende klei; Biodiversiteit; Droogte,
leemtehoudende bodem. Dat vraagt om het maken van bewuste keuzes. Lelylijn kan als vliegwiel dienen voor: kansen om iets te doen aan barrièrewerking, sponswerking, systeemherstel. De vraag is of Natura2000 gebieden nog wel houdbaar zijn richting de verre toekomst, als gevolg van klimaatverandering. Woningbouw kan technisch eigenlijk overal, maar niet overal even wenselijk en de plek bepaald de eisen die meegeven worden aan de gebiedsontwikkeling.
Inzoom op plekken • Groningen. Vanuit WABOS gezien zit Groningen ‘opgesloten’. Meerstad ligt laag. Gebied tussen Leek en Groningen zou je open willen houden. Eerstvolgende uitbreidingskans is dan Assen-West, Veendam-Hoogezand, Leek of Drachten. • Leekstermeer. Hier speelt een integrale gebiedsopgave. Het is een belangrijke knoop in het grondwater- en oppervlaktewatersysteem. Met groenblauwe corridorsfunctie van zuid naar noord. Hier wil je grondwaterstroming niet onderbreken. • Leek. Identiteit en karakter van het zuidelijk westerkwartier (landschap van hagen). Vanuit WABOS kan je hier onder voorwaarden
•
•
•
•
bouwen. Tolbertvaart-gebied is wel erg nat. Drachten. Ondergrond (o.a. zandopduikingen) relatief gunstig om op te bouwen. Rekening houden met inpassing van beekdal Koningsdiep (van gekanaliseerd naar onderdeel natuurlijke systeem, takt aan op Van Oordt’s Mersken). Van Oordt’s Mersken. Integrale opgave. Belangrijke knoop in grondwaterstromen van diep naar hoog. Drents plateau niet laten ‘weglekken’. Lelylijn redenerend vanuit WABOS zo dicht mogelijk boven of tussen snelweg situeren en op hoogte. Zodat het watersysteem niet geblokkeerd wordt. Te onderzoeken conflict: liever ondergronds met snelweg erbij in (voor natuur) versus liever niet onder de grond (waterstromen). Een makkelijke oplossing is er niet. Vraagt onderzoek in detail naar grondwaterstromen. Ook regelgeving rondom Natura2000 maakt het ingewikkeld. Maar in hoeverre hebben we het na 2100 nog over dezelfde natuurwaarden (als we handelen vanuit WABOS)? Leeuwarden. Op schaalniveau Noordelijk Nederland geen rare locatie om te bouwen. Relatief vlak. Wel slecht doorlatende klei. Vraagt om kruipruimteloos bouwen en combineren van inrichting met fijnmazige groenblauwe dooradering. Valt goed uit te werken op 40
•
•
•
•
planniveau. Heerenveen. Integrale toekomstscenario’s nodig voor Heerenveen (met het groenblauwe systeem voor 2150 als uitgangspunt). Uitdagingen: regionale keringen (30m), diepe veenpolders met peilopzet tot boven maaiveld, polders naar een hoger peil. HeerenveenWest leent zich niet voor grootschalige verstedelijking, wel voor een geringe dichtheid met een periodiek waterrijk karakter. Binnenstedelijk werk met werk maken: opgave wateroverlast, opgave riolering, vergroening centrum, integrale opgave waterkeringen. Joure. Aan zuidkant weinig beperkingen vanuit ondergrond. Noordzijde is vanuit WABOS moeilijker. Tjeukemeer. Aanleg snelweg heeft in het verleden tot een troebel meer geleid (slechtere waterkwaliteit). Ten oosten en westen liggen diepe veenpolders met waterpeil straks tot boven maaiveld. Ambitie: Strak langs A6 bouwen, met panoramafunctie en aquaduct Scharsterrijnbrug (nu moet brug open op de snelweg). Uitdaging: NNN en KRW waterlichaam. Watersysteemanalyse nodig. Lemmer: Vanuit WABOS moeilijke locatie. Leent zich niet voor grootschalige ontwikkelingen. Overstromingskans vanuit IJsselmeer en Friese Boezem, aanwezigheid primaire en regionale waterkering (met
•
•
•
bufferruimte 30-100m), bodemdaling tot 60cm, significante kosten. Als wel: dan waterrijk en drijvend bouwen. Als ontwikkelen dan vanuit WABOS-gezien aan oostzijde (tussen Hopweg en Grietendijk). Emmeloord: Niet direct gunstig voor woningbouw maar ook niet voor landbouw. In westzijde ligt laagste punt van de polder. Voorkeur vanuit WABOS voor oostzijde. Maar let op: overstromingskans, grondwater, kwel en ruimte nodig voor compensatie waterberging. Ruim, open en polderrijk wonen? Ketelmeer. Verbinding zoeken met opgaven dijkreconstructies en verzwaringen (Ketelmeerdijk, Vossemeerdijk). Niet noordelijk
•
•
kwel en veranderende grondwaterstanden (hoger GHG en lager GLG). Zettingen en klink. Overstroombaarheid (NOP ligt 4,5m onder NAP). Waardevolle gronden landbouw. Lelystad. Uitbreiding onder voorwaarden geschikt. Relatief veel waterberging nodig. In principe niet bouwen in IJsselmeer (waterbergingsfunctie). In de Verkenningsfase een landschapecologische en geo-hydrologische systeemanalyse nodig. Nu veel op basis van expert judgement en gevoel. Dan echt inzoomen op systeem van Van Oordts Mersken, Leekstermeer, etc. Om concreet te worden over inpassing.
van de snelweg (daar ligt reserveringszone dijkversterking – trein op dijk is niet wenselijk). Tunnel lijkt meest reële optie (vanuit technische haalbaarheid bereikbaarheidsspoor: doorvaarthoogte, wind, talud). Natuurgebied Kamperhoek wordt gespaard met een tunnel, dan combineren met de snelweg, gezien levensduur van de brug. De brug heeft functie als vluchtroute (vanuit meerlaagse veiligheid) en voor landbouwvoertuigen. Kans: ondieptes realiseren in Ketelmeer. Flevopolders / Noordoostpolder: Uitdagingen: aanvoer IJsselmeer is mogelijk in de toekomst ontoereikend. Stijging IJsselmeerpeil (zorgt voor hogere kans op overstroming, zoute 41
4.4. Verdieping Economie en bereikbaarheid Expertgesprek Economie en kennis Met aanwezigheid van experts van Bureau Buiten, Rijksuniversiteit Groningen, Philips Drachten, Bouwend Nederland, VNO-NCW Noord, Provincie Flevoland, Gemeente Groningen en Gemeente Smallingerland. Economisch effect Lelylijn (Bureau Buiten)
Enkele bevindingen • Economische polarisatie dreigt: delen van Nederland tellen economisch niet mee. Dat vergroot de mentale afstand. Zonder investeringen in Noordelijk Nederland laat Nederland potentieel onbenut, wat uiteindelijk schadelijk is voor de economische ontwikkeling van Nederland als geheel. Bovendien: om alle ruimtelijke vragen in Nederland te kunnen faciliteren is een groter ‘Nederland’ nodig dan de huidig Randstad. • Qua versterken agglomeratiekracht is een investering in Drachten of Heerenveen
•
effectiever dan een vergelijkbare investering in de MRA. Amsterdam zit veel hoger in agglomeratiekracht waardoor het marginale effect kleiner is. De Metropoolregio Amsterdam (MRA) heeft nu al te maken met negatieve agglomeratie effecten. Voor veel mbowerknemers is wonen in de MRA onbetaalbaar geworden. Het vestigingsklimaat in noordelijk Nederland heeft baat bij een Lelylijn. Voor medewerkers van instellingen zoals bijvoorbeeld het UMCG is het van belang dat ook de partner op bereikbare afstand kan werken. Voor een bedrijf als Philips is campus-ontwikkeling cruciaal. Een Lelylijn kan als stimulator daarvoor werken. Philips merkt nu al dat het innovatiecluster Drachten een aanzuigende werking heeft op high tech- bedrijvigheid en kennisinstellingen. Drachten wil ook graag beroepsonderwijs. Goede OV-bereikbaarheid (een treinverbinding) is daarvoor randvoorwaardelijk. “We hebben de collegezaal al, maar studenten willen niet met de bus”. Ook kwaliteitsverbetering langs de lijn is cruciaal. “Drachten staat vanzelf hoog op het lijstje voor jonge mensen”.
•
•
werkt twee kanten op, er zal bedrijvigheid bij komen maar er zal ook bedrijvigheid wegtrekken. Het is lastig te voorspellen. Referentieproject HSL Lille-Parijs laat zien dat Lille en Parijs werden versterkt, terwijl het tussenliggend gebied juist verzwakte. Maar deze situatie is niet vergelijkbaar met de Lelylijn: hier vervielen halteplaatsen in de tussengelegen gebieden. In het geval van de Lelylijn worden er juist tussenliggende halteplaatsen toegevoegd. Nieuwe economie voorspellen (en sturen) is moeilijk. “Daarvoor is een glazen bol nodig.“ Effecten gaan langzaam en komen met name uit ondernemerschap van mensen die er al zijn. Aan de benodigde randvoorwaarden kan je wel sturen en daar speelt de Lelylijn een belangrijke rol in. Net zoals: goed bereikbaar onderwijs, nabijheid van cultuur, groen en water als locatiekwaliteit, onderlinge samenwerking, campusontwikkeling en een goed onderliggend (OV-)netwerk. “Er zijn 8 cruciale factoren voor een goed vestigingsklimaat, de Lelylijn heeft op 6 van die factoren een positieve invloed”.
Gaat een Lelylijn de innovatiekracht in Noordelijk Nederland versterken? De verwachting is dat de Lelylijn zorgt voor een structurele verbetering. Onderzoek laat zien dat wat sterk is verder versterkt wordt door nieuwe infrastructuur. Het 42
Invoer Dashboard Verstedelijking Dashboard Verstedelijking als hulpmiddel voor een kwalitatief gesprek We rekenen in dit document met het Dashboard Verstedelijking. Dit is een instrument dat inzicht biedt in hoe de woningbouwopgave maatschappelijke meerwaarde oplevert. Het College van Rijksadviseurs presenteerde in oktober 2018 het Dashboard Verstedelijking, waarna het instrument door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is geadopteerd en ingezet bij alle verstedelijkingsstrategieën die in de afgelopen jaren zijn uitgevoerd (waaronder ook die van de regio’s Groningen-Assen en Zwolle).
Aanvullende indicatoren Aanvullend aan het Dashboard zetten we extra indicatoren in. We kijken terug en vooruit met dichtheidskaarten voor inwoners en banen. Rekenen met bereikbaarheidskaarten (voor banen en voorzieningen. En brengen de systeemlogica
van nabijheid van groen en mobiliteit in beeld. De uitkomsten uit het Dashboard en de andere indicatoren zijn niet zwart-wit. Het zijn hulpmiddelen om het kwalitatieve gesprek (“wat voor gebied willen we zijn?”) in de juiste breedte en goed beargumenteerd te kunnen voeren.
Van ontwerpcasus (uit denkrichtingenboek) naar invoer Dashboard Verstedelijking In Vitaal Ecoland voegen we circa 92.000 woningen toe, in Stedelijk Netwerk en Internationale topregio 140.000
Het Dashboard Verstedelijking vergelijkt verschillende verstedelijkingsmodellen met elkaar op schaal van een regio, en kijkt daarbij een generatie vooruit. Het brengt op basis van daadwerkelijk gemeten (gemiddelde) data de effecten in beeld van de locatiekeuze voor nieuwe woon- en werklocaties op verschillende maatschappelijke doelen. Op deze manier kan het Dashboard Rijk en regio’s helpen om integrale afwegingen te maken in hun verstedelijkingsstrategie. De invoer van het Dashboard bestaat uit de locatiespecifieke toevoeging van nieuwe woningen en banen (zie kader hiernaast).
Casus Lemmer • In dertig minuten gemeenschap: + 6.000 woningen en 1.800 banen (grote groei rondom spoor en aan zuidkant in NOP). •
In Stedelijk Netwerk: plus 405 woningen en 500 banen (bescheiden verspreide groei)
Casus Groningen • In Vitaal ecoland: +32.000 woningen en 25.000 banen (in lijn met bestaande plannen) •
In Internationale topregio: + 50.000 woningen en 42.000 banen (naar binnenstedelijk fors hogere dichtheden)
43
Invoer Dashboard Verstedelijking Woningen en banen Op basis van Ontwerpend Onderzoek In onderstaande tabellen staan de nieuw toegevoegde
•
woningen en banen per denkrichting weergegeven, inclusief de verdeling over een zestal deelgebieden.
(1 AUT1) Autonoom zonder Lelylijn (68.560
88.200)
woningen en 62.300 banen)
•
(4 VTEC) Vitaal ecoland (91.655 | 81.700)
•
(2 AUT2) Autonoom met Lelylijn (100.800 | 87.500)
•
(5 STNW) Stedelijk netwerk (140.155 | 120.200)
•
(3 30MG) Dertig minuten gemeenschap (100.000 |
•
(6 INTP) Internationale topregio (140.155 | 120.200)
Verdeling woningen per subregio in bestaande situatie (links) en in denkrichtingen (rechts)
Let op: verschil in schaal
44
Invoer Bereikbaarheidskaarten Lelylijn-concepten en rijtijden tussen stations. Op basis van onderzoek Bereikbaarheid 30 minuten gemeenschap
Vitaal ecoland
Stedelijk netwerk
Internationale topregio
4x Sprinter
2x Intercity
2x Intercity
2x Intercity Direct
•
Groningen - Groningen Suiker 3 min
•
Groningen-Drachten 13 min
•
Groningen-Drachten 13 min
•
Groningen - Amsterdam Zuid 69 min
•
Groningen Suiker - Leek 5 min
•
Drachten-Heerenveen 8 min
•
Drachten-Heerenveen 8 min
•
Leeuwarden - Amsterdam Zuid 68 min
•
Leek - Drachten 9 min
•
Leeuwarden-Heerenveen 16 min
•
Leeuwarden-Heerenveen 16 min
•
Drachten - Heerenveen 8 min
•
Heerenveen-Emmeloord 14 min
•
Heerenveen-Emmeloord 14 min
2x Intercity
•
Heerenveen - Joure 3 min
•
Emmeloord-Lelystad 13 min
•
Emmeloord-Lelystad 13 min
•
Groningen - Drachten 13 min
•
Joure - Lemmer 5 min
•
Drachten - Emmeloord 22 min
•
Lemmer - Emmeloord 7 min
2x Sprinter
2x Sprinter
•
Leeuwarden - Heerenveen 17 min
•
Emmeloord - Urk 5 min
•
Leeuwarden- Grou-Jirnsum 5 min
•
Groningen - Groningen Suiker 3 min
•
Heerenveen - Emmelooord 14 min
•
Urk - Lelystad 8 min
•
Grou-Jirnsum - Akkrum 4 min
•
Groningen Suiker - Leek 5 min
•
Emmeloord - Lelystad 13 min
•
Akkrum - Heerenveen 7 min
•
Leek - Drachten 9 min
•
Leeuwarden - Werpsterhoeke 3 min
•
Heerenveen - Joure 3 min
•
Drachten - Heerenveen 8 min
•
Werpsterhoeke - Grou-Jirnsum 5 min
•
Joure - Lemmer 5 min
•
Heerenveen-Emmeloord 14 min
•
Grou-Jirnsum - Akkrum 4 min
•
Lemmer - Emmeloord 7 min
•
Emmeloord-Lelystad 13 min
• •
Nieuw spoor = 200km/h Halteertijd = +1 minuut
•
Akkrum - Heerenveen 7 min
•
Emmeloord - Lelystad 13 min
•
Leeuwarden - Werpsterhoeke 3 min
•
Groningen - Leek 8 min
•
Werpsterhoeke - Grou-Jirnsum 5 min
•
Leek - Drachten 9 min
•
Grou-Jirnsum - Akkrum 4 min
•
Drachten - Heerenveen 8 min
•
Akkrum - Heerenveen 7 min
45
Effect op nabijheid van banen en inwoners De nabijheidsklasse zegt iets over het aantal banen en inwoners dat op korte afstand te bereiken is. Ruimtelijke nabijheid is een bepalende factor voor het potentieel voor lopen, fietsen, ontmoeten, samenwerken, kennisdeling en innovatie. Het Dashboard categoriseert nabijheid in zes stedelijkheidsklasses: • Hoogstedelijk (>12.500 inwoners + banen per km2); • Stedelijk (6.000-12.500); • Suburbaan (4.000-6000); • Laag suburbaan (2.000-4.000); • Dorps (1.000-2.000); • Landelijk (<1.000 inwoners + banen per km2).
2040
Dorps Laag suburbaan Suburbaan Stedelijk Hoogstedelijk
Let op: als we het in dit document hebben over een dorpse, suburbane of (hoog)stedelijke nabijheid. Dan refereren we aan deze indicator van het Dashboard Verstedelijking. Het zegt niks over lokaal gevoel van stedelijkheid, het wel of niet bezitten van stadsrechten en dat soort. 46
47
Nabijheid van banen en inwoners (zie ook de bijbehorende kaarten op de volgende pagina)
Zonder Lelylijn nemen de verschillen in nabijheid
tussen de Lelylijn-gemeenten en de stedelijke regio’s verder toe. Heerenveen en Drachten kunnen met het juiste programma op de juiste plek een
forse sprong maken in nabijheid. In het hoofdstuk ontwikkelperspectief worden de effecten per kern weergegeven.
48
Huidige situatie (2022)
Autonoom zonder Lelylijn (+68k)
Autonoom met Lelylijn (+100k)
Dorps Laag suburbaan Suburbaan Stedelijk Hoogstedelijk De stedelijkheid van Assen, Hoogeveen, Meppel, Kampen, Dronten, Steenwijk en Zwolle zijn gebaseerd op eerdere doorrekeningen van de verstedelijkingsscenario’s uit Regio Groningen-Assen en
35,7% (semi-)stedelijk
40,7% (semi-)stedelijk
41,8% (semi-)stedelijk
Regio Zwolle.
Dertig minuten gemeenschap (+100k)
Vitaal ecoland (+90k)
Stedelijk netwerk (+140k)
Internationale topregio (+140k)
39,1% (semi-)stedelijk
40,7% (semi-)stedelijk
48,5% (semi-)stedelijk
46,8% (semi-)stedelijk
49
Effect op het verplaatsingsgedrag Langjarige analyse van het CBS-OViN (Onderzoek Verplaatsingen in Nederland) laat zien dat de mate van nabijheid (van inwoners en banen) correleert met het verplaatsingsgedrag van de inwoners in deze gebieden. De verschillen tussen stedelijk en niet-stedelijk verplaatsingsgedrag worden bovendien steeds groter.
Reizen in aantal trips per inwoner of baan (FTE) per dag (2006)
Het Dashboard rekent (op basis van zes stedelijkheidsklasses) per modaliteit de generatie van trips en reizigerskilometers uit. Dit geeft inzicht in de druk die zal ontstaan op het mobiliteitsnetwerk. Reizen in aantal trips per inwoner of baan (FTE) per dag (2018) Let op: deze indicator rekent grofmazig op basis van kentallen. Het kijkt niet naar of er daadwerkelijk een treinstation, bushalte of fietspad in de buurt is. Het aantal trips is gebaseerd op basis van potentie (op basis van het totaal aantal aanwezige inwoners en de stedelijkheid van de gebieden waar zij in leven).
50
KADER. Het “Amersfoort Vathorst effect” Tussen 1985 (afbeelding links) en 2020 (afbeelding rechts) veranderde er veel in Amersfoort-Noord. Wijken als Kattenbroek en Vathorst werden gebouwd. En er kwamen nieuwe treinstations (Schothorst en Vathorst). Opvallend genoeg viel er niet alleen verandering waar te nemen op de plekken waar de uitleglocaties verrezen. Ook de al bestaande buurten tussen de oude binnenstad en de nieuwe wijken verschoten
van kleur. Niet omdat dit fysiek zo gepland was. Wel door de gedragsveranderingen die volgden op de nieuwe functie die deze buurten gingen vervullen in het stedelijk systeem. Door de forse toevoeging van woningen aan de noordkant werd de nabijheid van banen, voorzieningen en inwoners voor bewoners van de bestaande buurten groter. Als gevolg daarvan gingen bewoners van de bestaande buurten vaker dan voorheen lopen, fietsen en reizen per OV (in plaats van met de auto). Ook
het straatbeeld bleek te kunnen veranderen. De voedingsbodem voor stedelijke voorzieningen werd lokaal groter door de verbeterde knoopwaarde. Toevoeging van woningen en banen hoeft dus niet per definitie te zorgen voor meer (auto) verplaatsingen. Ze kunnen een tegenovergesteld effect veroorzaken door gedragsveranderingen elders in de stad.
51
Output Dashboard: Druk op het mobiliteitsnetwerk (aantal trips) Groei van het totale aantal trips door toedoen toevoeging nieuwe woningen en banen. In de situatie exclusief trend gaan we er vanuit dat mensen in 2050 precies zo reizen zoals er in 2022 werd gereisd. In de situatie inclusief trend is de ontwikkeling van de afgelopen decennia geëxtrapoleerd. Fietstrips •
Autonoom zonder +13% tot +16%
•
30 min gemeenschap +22% tot +26%
•
Vitaal Ecoland +20% tot +23%
•
Stedelijk Netwerk +38%
•
Internationale topregio +38%
Bustrips •
Autonoom zonder +24% tot +29%
•
30 min gemeenschap +34% tot +39%
•
Vitaal Ecoland +33% tot +39%
•
Stedelijk Netwerk +59% tot +67%
•
Internationale topregio +59% tot +68%
Treintrips •
Autonoom zonder +25% tot +70%
•
30 min gemeenschap +35% tot +84%
•
Vitaal Ecoland +33% tot +81%
•
Stedelijk Netwerk +57% tot +115%
•
Internationale topregio +57% tot +115%
Autotrips •
Autonoom zonder -14% tot +10%
•
30 min gemeenschap -7% tot +18%
•
Vitaal Ecoland -10% tot +16%
•
Stedelijk Netwerk -4% tot +25%
•
Internationale topregio -4% tot +25%
52
Output Dashboard: Druk op het mobiliteitsnetwerk (aantal trips) - verdeling naar deelregio Groei van het totale aantal trips door toedoen toevoeging nieuwe woningen en banen. De cijfers gaan uit van de situatie inclusief trend (links) en exclusief trend (rechts) •
40% van de treintrips door reizigers uit Groningen (!)
•
20% van de treintrips door reizigers uit Leeuwarden
•
15% van de treintrips door reizigers uit Flevoland
•
25% overige
53
Output Dashboard: Toename reizigerskilometers (alle trips, door inwoners Lelylijn-gemeenten) Gemaakte reizigerskilometers door heel Nederland, door inwoners uit het Lelylijn-gebied.
54
Effect op de bereikbaarheid De mobiliteitskaart van Nederland met interstedelijke en bovenregionale verplaatsingen geeft aan hoe regionaal de Daily Urban Systems van Nederland nu nog zijn. Duidelijk zichtbaar is de sterk geïntegreerde Randstad, de stedelijke verbanden in Brabant, en de – in de afgelopen 20-30 jaar ontstane – dunnere structuur van het Stedelijk Netwerk Nederland die deze gebieden onderling verbindt. In en rond de Randstad zijn de pijlen kenniseconomie gericht, met Amsterdam, Utrecht en Eindhoven als magneten. Nederland is nu op internationale schaal een vrij gespreide agglomeratie, die sterk leunt op haar mobiliteitssysteem. De afgelopen decennia hebben enerzijds een mobiliteitstransitie in (hoog)stedelijk
van (lange afstand) mobiliteit. Dat laat zich voelen in investerings-, milieu- en fysieke ruimte. Voor de Nota mobiliteit (in wording) wordt gedacht aan een strategie waarbij regionaal economische ontwikkeling vooraf gaat aan (extra) woningbouw, mede om groei van lange afstand pendel tegen te gaan. Daarbij is het belangrijk om helder onderscheid te maken tussen (economische
nabijheid binnen) het Daily Urban System en de uitwisseling op hogere niveaus (economische verbanden, kennisuitwisseling, meer incidentele reisrelaties en bovenregionale voorzieningen). Het gesprek op beide schaalniveaus maken we inzichtelijk in de bereikbaarheidskaarten.
gebied laten zien, maar ook een forse groei van lange afstand mobiliteit. Er zit een onvermijdelijke spanning tussen het ‘iedere regio telt’ - (spreidings)principe en de nationale dynamiek van kenniseconomie, woningmarktspanning en stedelijke nabijheid. Op stedelijk en regionaal niveau wordt op veel plekken ingezet op nabijheid en verschillende vormen van een ‘mobiliteitstransitie’. In de meer landelijke regio’s is er enerzijds zorg om afnemende bereikbaarheid (van banen, zorg en onderwijs) en anderzijds vraag naar structuurversterkende bovenregionale infrastructuur (zoals de Lelylijn). Zonder heldere strategie dreigt een forse toename 55
Systeemkaart: Regionale en nationale mobiliteit (2015-2019)
Systeemkaart: Regionale en nationale mobiliteit (2004-2008)
56
Systeemkaart: Regionale en nationale mobiliteit (2015-2019, selectie openbaar vervoer) Uit verplaatsingsgedrag blijkt dat het stedelijk netwerk Noord-Nederland zich al aan het vormen is (Leeuwarden-Groningen-Assen-Drachten-Heerenveen-Sneek). De Lelylijn kan dit proces verder aanjagen.
57
Kaarten: Bereikbaarheid van banen binnen 2 uur reizen met het OV. Met links/rechts variatie in kleurstelling legenda.
Autonoom zonder Lelylijn (+68k) Geen Lelylijn
58
Kaarten: Bereikbaarheid van banen binnen 2 uur reizen met het OV. Met links/rechts variatie in kleurstelling legenda.
Dertig minuten gemeenschap 4x sprinter
59
Kaarten: Bereikbaarheid van banen binnen 2 uur reizen met het OV. Met links/rechts variatie in kleurstelling legenda.
Vitaal Ecoland 2x Intercity + 2x Sprinter
60
Kaarten: Bereikbaarheid van banen binnen 2 uur reizen met het OV. Met links/rechts variatie in kleurstelling legenda.
Stedelijk Netwerk 2x Intercity + 2x Sprinter
61
Kaarten: Bereikbaarheid van banen binnen 2 uur reizen met het OV. Met links/rechts variatie in kleurstelling legenda.
Internationale topregio 2x Intercity Direct + 2x Intercity
62
Bereikbaarheidskaarten voor de stationsgebieden Zie de kaarten per kern in het hoofdstuk ontwikkelperspectief.
63
Bereikbaarheid van voorzieningen Met de Move Meter hebben we gekeken naar bereikbaarheid van voorzieningen (zoals onderwijs, gezondheidszorg, dagelijkse boodschappen, recreatie, cultuur en hoger onderwijs). Daarbij maken we onderscheid naar het bereiken van 1 voorziening (heb je toegang tot?), een paar voorzieningen (heb je enige keuze) en veel voorzieningen (specialisatie). De bevindingen liggen in lijn met wat Felix Pot (proefschrift uit 2024: “Het gaat goed met het platteland, dankzij de auto”) eerder onderzocht. Met OV en fiets is de bereikbaarheid van 1 voorziening vrijwel overal op het platteland op orde. De keuze is echter gering. Voor het bereiken van meerdere voorzieningen moet namelijk langer worden gereisd. Dat laatste is te verklaren door het succes van de auto. Mensen zijn dankzij de auto mobieler geworden waardoor ze voorzieningen verderop kunnen bereiken. Dat zorgde ervoor dat voorzieningen wegtrokken uit het dorp. De auto maakt dat de bereikbaarheid voor velen goed op orde is. Echter niet voor de mensen die geen auto hebben.
Basisonderwijs - met OV en fiets
Basisonderwijs - met de auto
HBO/WO - met OV en fiets
HBO/WO - met de auto
De Lelylijn is geen gamechanger in bovenstaande systeem. De noodzaak voor goede aansluiting van de stad op het platteland (zowel met auto als openbaar vervoer en fiets) blijft belangrijk.
64
Basisonderwijs (paar voorzieningen) - met OV en fiets
Basisonderwijs (paar voorzieningen) - met de auto
HBO/WO (paar voorzieningen) - met OV en fiets
HBO/WO (paar voorzieningen) - met de auto
65
4.5. Verdieping Wonen Expertgesprek Wonen Met aanwezigheid van experts van Rebel Group, KAW Architecten, Gemeente Noordoostpolder, Gemeente Groningen en BZK.
Daily Urban Systems. Maar dat effect is er ook zonder Lelylijn. De trend is dat regionale voorzieningen meer gaan clusteren om een efficiënter en groter verzorgingsgebied te hebben. Aanbeveling voor vervolg: voer het gesprek met dit soort instellingen (onderwijs, ziekenhuis, politie, gemeentehuizen). “Stel dat op plek X een station komt, waar zouden jullie je dan vestigen?”
Impact op woningmarkt (Companen) •
Enkele bevindingen •
•
Perspectief en profilering. Zet primair in op “binden aan de regio” en terughalen in plaats van “aantrekken van buiten de regio”. Maak floreren in de eigen regio mogelijk. Profilering Groningen en Leeuwarden als sterke steden met ‘olievlek’ effect. De Lelylijn kan een bijdrage leveren aan dit ‘olievlek’ effect door het Daily Urban System op te rekken. Plekken zoals Heerenveen en Drachten worden dan ook interessant om te wonen (“Next best thing”-effect). Op deze plekken ligt er dan nog wel een kwalitatieve opgave om die plekken daadwerkelijk aantrekkelijk te maken. Het gaat om het inzetten op de blijvers die – als er niks veranderd – wellicht weg zouden trekken. Grotere stadse voorzieningen komen wellicht onder druk te staan als gevolg van veranderende
•
Woningmarkt, grond- en huizenprijzen en migratie. De woningmarktkaartjes van gebiedsontwikkelaars houden (afgezien van Groningen) op ter hoogte van Zwolle. Nu is er een grote landelijke groeivraag maar die lijkt na 2040 af te zwakken (al is de factor migratie onzeker). Dan ontstaat er een verdelingsvraagstuk over Nederland. Onderschat daarbij de tweede woning-markt niet. Programmatische vraag (aantallen, locatie en type). De 140.000 woningen (uit denkrichtingen Stedelijk Netwerk en Internationale topregio) is bijna 2x zo veel als geprognotiseerd door het CBS. Prima om in bandbreedte van 70.000140.000 te blijven denken en vraag erbij stellen hoe je dit kan sturen. Er ligt een grote vernieuwingsopgave (bijvoorbeeld in de Friese regio in combinatie met funderingsproblematiek). Maar ook in Heerenveen (noordzijde als er een spoor komt en moeilijke opgave rondom waterkeringen) of Drachten (kwaliteitsopgave langs het kanaal/ in het centrum). Druk helpt dan om zaken voor elkaar te krijgen. Maar de markt
•
•
•
gaat die opgave niet automatisch oppakken. Overheid moet daar regie in pakken. Aanbeveling voor vervolg: blijf top down en bottom up met elkaar confronteren. Voer ook gesprekken met ontwikkelaars en corporaties. Een groot deel moet door corporaties gebouwd worden. Echte gamechangers voor woningmarkt die Lelylijn kan bieden. Zorgend voor fundamentele veranderingen voor mensen om er te blijven of er juist naartoe te trekken: (1) Halvering van de reistijd voor Leeuwarden/Groningen t.o.v. economische kerngebieden (naar circa 70 minuten); (2) Grote winst voor plekken die nu nog geen goede bereikbaarheid/ station hebben (met name Drachten, wellicht Lemmer, Joure). Die beter worden opgenomen in (nieuwe) Daily Urban System. Niet kiezen voor of een uitbreidingswijk of een binnenstedelijke vernieuwingsopgave maar en en: Beschouw bij de binnenstedelijke (transformatie) opgave de hele stad als werkgebied, “hier verdichten en daar verdunnen” om kwalitatief bepaalde woonmilieus te kunnen creëren. Zowel meer binnenstedelijk als meer landelijk/dorps. Verdichten hoeft overigens geen hoogbouw te zijn. Het gaat om het creëren van nabijheid (in bijvoorbeeld 5 lagen). “Wat betekent nabijheid in de context van het Noorden?”. Het woningtype hangt af van doelgroep en het schaalniveau van Daily/Weekly Urban System. Randstedeling wil ruimte, blijver wil door kunnen stromen (jongeren) in de eigen 66
•
•
omgeving (oudere). Denk dus vanuit doelgroepen /persona’s en biedt het totale pakket aan (type werk (hoe belangrijk is dat), type woonmilieu, type voorzieningen, type bereikbaarheid van…) wat daar bij past. In Groningen meer nabijheid creëren zonder over grens heen te gaan dat Groningen door de dichtheid minder aantrekkelijk wordt. In Heerenveen, Drachten en Leeuwarden bepaalde ondergrens van gebiedsontwikkeling vaststellen om voorzieningen te behouden en een bepaalde kwaliteit te kunnen bieden, ook aan de omliggende kernen. Aanbeveling: Breng het woononderzoek van Companen een stap verder naar de juiste mate van fijnmazigheid. Waar speelt welke ruimtelijke opgave (demografie, verhuismotieven, onderhoudsopgave)? Wat zijn de recepten voor individuele plekken?
67
Noordelijk Nederland is aan groot onderhoud toe
De opgave in bestaande steden en dorpen komt steeds indringender in beeld. Door vergrijzing en huishoudensverdunning is er behoefte aan een andere woonvoorraad. Voor energietransitie en voor klimaatadaptiviteit moeten vele funderingen, woningen en straten ingrijpend aangepakt. Op wijk- en kernniveau zijn er opgaven rond voorzieningen(draagvlak), sociale opgaven en mobiliteitsvraagstukken. Deze opgaven spelen in heel Nederland, het meeste in kernen waar al decennia jaar niks bijgebouwd of veranderd is. Hoe kwetsbaarder het gebied, des te lager de woningprijzen en des te kleiner de hefboom om de opgave voor nieuwbouw te benutten om de bestaande bebouwde voorraad te verbeteren. Dat verklaart waarom in kernen waar transformatie veel op zou leveren, heel vaak toch voor uitleg wordt gekozen. Met als gevolg een ongedekte rekening voor de toekomst van de bestaande bebouwde voorraad en de aantrekkelijkheid van de hele kern of wijk. Instrumenten, werkwijze en regelgeving helpen daarbij niet mee. Een Grex is allesbehalve een integrale businesscase voor het totale bebouwde gebied voor 30 jaar vooruit.
Bron: Studio Bereikbaar (Beeldverhalen Programma NOVEX)
68
Hogere dichtheden houden het verstedelijkt gebied betaalbaar
Onderstaande kaarten laten de ontwikkeling in inwonerdichteden zien. De trend is duidelijk. Als gevolg van huishoudensverdunning en exensieve groei in uitleglocaties is de inwonerdichtheid in de afgelopen jaren fors afgenomen in alle onderzochte kernen. Dat betekent dat het netto to onderhouden verstedelijkt gebied per inwoner toeneemt (en daarmee de kosten van onze steden en dorpen). Alleen in Groningen en Leeuwarden wordt de trend
in afnemende inwonerdichtheid tegengegaan met de huidige plannen. Dit dankzij voldoende groeiprognose in combinatie met een stevige inzet op meer nabijheid en binnenstedelijk verdichten. In alle andere onderzochte kernen neemt de inwonerdichtheid bij ongewijzigd beleid verder af. Niet op de laatste plaats omdat de groeiprognoses onvoldoende groot zijn om tegenwicht te bieden aan deze trend. In het hoofdstuk ontwikkelperspectief zijn deze kaarten per kern verder uitgelicht.
Toelichting onderstaande kaarten over inwonerdichtheid. • Gepresenteerde cijfers op basis van netto verstedelijkt gebied • Aanname huishoudensgrootte 2050 = 2,0 (uitzonderingen: 1,9 in Leeuwarden; 1,7 in Groningen) • Aanname gemiddelde huishoudensverdunning tot 2050 = 6% (van 2,12 in 2023 naar 2,00 in 2050) • Historische data: CBS, Lisa, Topotijdreis.nl, BAG bouwjaren, Volkstellingen.nl
69
Dashbord Verstedelijking. Dichtheid totale woningvoorraad. In onderstaande grafiek valt de
gemiddelde inwonerdichtheid in heel noordelijk
Bestaande verhoudingen
Nederland af te lezen (inclusief toegevoegde woningen in de denkrichtingen). Het aanbod aan milieus is relatief eenzijdig. Ruim 80% van
Denkrichtingen
de voorraad bestaat uit landelijke, dorpse en suburbane milieus. De denkrichtingen gaan geen grote veranderingen veroorzaken in dit beeld.
Bestaande woningen per dichtheidsklasse
Totale woningvoorraad in de denkrichtingen
70
Dashbord Verstedelijking. Dichtheid nieuw toegevoegde woningen. Als we alleen kijken naar
de selectie aan nieuw toegevoegde woningen
dan zien we dat de diversiteit het grootste is in de denkrichtingen ‘Stedelijk Netwerk’ en ‘Internationale topregio’. Hier worden bovendien
meer stedelijke woonmilieus toegevoegd.
Bestaande woningen per dichtheidsklasse Bestaande verhoudingen
Nieuwe woningen
Let op: verschil in schaal
Nieuw toegevoegde woningen in de denkrichtingen
71
5. Ontwikkelperspectief
72
De kern van het Ontwikkelperspectief DE ESSENTIE VAN HET ONTWIKKELPERSPECTIEF De essentie van het Ontwikkelperspectief is de verdere doorontwikkeling van het Stedelijk Netwerk in noordelijk Nederland en tegelijkertijd de ontwikkeling van een vitaal en aantrekkelijk platteland. We willen zuinig ruimtegebruik bevorderen, investeren in het stedelijk systeem en tegengaan dat stad en platteland verder uiteengroeien. We benutten hiervoor de tegenstelling tussen stad en land door het contrast van het mozaïek te vergroten. Steden breiden in en worden meer stedelijk om de hierbij passende voorzieningen aan te trekken of te behouden. Zodat het landelijk gebied kan floreren in de rust en ruimte van het platteland. De stedelijke inwoners van noordelijk Nederland hebben zo een aantrekkelijk buitengebied om te ontspannen en de inwoners van de vitale kernen kunnen genieten van stedelijke voorzieningen nabij (denk aan theater of bioscoop). Daarbij zorgt de Lelylijn voor een vliegwieleffect voor economische structuurversterking met innovatieve economische clusters rondom de huidige en nieuwe stations. Door de nieuwe verbinding wordt economische samenwerking tussen de steden in noordelijk Nederland, maar ook met andere stedelijke regio’s (MRA, Regio
Zwolle) versterkt. Hierdoor ontstaan er meer, maar zeker ook andere banen (kennis). Het wordt hiermee aantrekkelijker voor de huidige inwoners van noordelijk Nederland om te blijven. En voor nieuwe inwoners om zich te vestigen of terug te keren. NOVEX Lelylijn is een verbindende schakel tussen 4 andere NOVEX-gebieden (Metropoolregio Amsterdam, Regio Zwolle, Groningen-Assen en Groningen). Ambitie voor de Lelylijn (= aanscherping oorspronkelijke projectdoelen Lelylijn). Iedere regio telt. De Lelylijn biedt voor noordelijk Nederland een perspectief op het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen. Voor bewoners is het een perspectief op blijverschap, op het binden aan de regio, en verbonden blijven met de regio. Landelijk zorgt dat ervoor dat mensen niet wegtrekken naar de nu al drukke delen van de Randstad. Deze ambitie gaat zeker niet alleen over bereikbaarheid. De Lelylijn fungeert als vliegwiel voor (sociaal-)economische structuurversterking, identiteitsversterking en nieuwe ruimtelijke kwaliteit.
Keuzes naar aanleiding van de 4 denkrichtingen • We kiezen voor krachtige steden in een sterk netwerk en een vitaal platteland; daarbij passen snelle verbindingen en dus geen keuze voor alleen een boemeltrein. • We kiezen voor aanleg Lelylijn in samenhang met investeren in een sterke daily urban systems, om geen woon-werk disbalans te creëren. • We durven te kiezen voor kracht van het mozaïek: dorpen floreren dorps, steden worden stedelijker. • Ontwikkelen van regionale kernen Lemmer, Joure en Leek naar lokale aard en schaal; geen identiteitsverandering. •
•
•
Slim inzetten van woningbouwprogramma voor grote onderhoudsopgave ipv overal ongebreideld straatjes erbij. Werken aan een robuust watersysteem. Geen grootschalige woningbouwlocaties op uitleglocaties die daar vanuit WABOS niet voor geschikt zijn Netto geen verdere verharding maar groen groeit mee.
73
GEVOELIGHEIDSANALYSES VERVOERWAARDEN In het Spoor Bereikbaarheid is onderzoek gedaan naar de toekomstige vervoerwaarde van de Lelylijn. Het gaat hierbij om het aantal reizigers en in- en uitstappers op de stations. Omdat hiervoor gebruik gemaakt is van de vastgestelde toekomstscenario’s voor het aantal toekomstige inwoners en bedrijvigheid van noordelijk Nederland, is er dus geen rekening gehouden met de impact van het Ontwikkelperspectief. Hierin wordt namelijk ruimtelijk beleid voorgesteld, waardoor het toekomstig aantal inwoners en banen anders zal worden dan tot op heden geprognosticeerd. Daarom is er ook een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd op de resultaten uit het bereikbaarheidsonderzoek. Hierin is kwalitatief
OPBOUW VAN HET ONTWIKKELPERSPECTIEF: 4 PIJLERS We bouwen in dit Ontwikkelperspectief voort op de ruimtelijke voorstellen (in kader Programma NOVEX) van Fryslân, Groningen en Flevoland. En op de keuzes gemaakt in de NOVEX-gebieden Metropoolregio Amsterdam, Regio Zwolle en Groningen-Assen.
gekeken naar de impact van twee wijzigingen op de gebruikte toekomstscenario’s: •
Het toekomstige aantal inwoners en banen neemt toe ten opzicht ven het gebruikte toekomstscenario in het LMS model
•
De wijze van gebiedsontwikkeling wordt anders; we gaan meer verdichten en in nabijheid van toekomstige OV-knopen verstedelijken, waardoor het gebruik van OV zal toenemen
Het totale effect van het ontwikkelperspectief schatten we in op een toename van 20% op de gemodelleerde vervoerwaarde in het bereikbaarheidsonderzoek. Daarbij moeten we wel een nuancering maken ten
We zetten in op 4 pijlers. Het is niet zo dat één van de pijlers het belangrijkste is voor de ontwikkeling. Elke pijler draagt bij. Het bodem-, water-, en natuursysteem geeft voorwaarden mee aan de andere pijlers. Pijler 1. Positionering van Groningen en Leeuwarden Groningen en Leeuwarden zijn de banenmotors van noordelijk Nederland. Een sterke economie begint hier. We investeren in een schaalsprong in Groningen en Leeuwarden om de economie aan te jagen.
aanzien van het belang van de vervoerwaarde. Het belang van de Lelylijn is groter dan alleen maar het aantal reizigers wat dagelijks gebruik maakt van de neiuwe verbinding. De Lelylijn moet vooral verstedelijking en economische ontwikkeling langs de lijn verder bevorderen. Deze economische structuurversterking vraagt om een verbeterde OV-bereikbaarheid tussen de kernen, waaraan de Lelylijn een belangrijke bijdrage levert.
Pijler 2. Drie zelfstandige Daily Urban Systems We onderscheiden een drietal Daily Urban Systems rondom de Lelylijn (Noord-Nederland, Regio Zwolle en de Metropoolregio Amsterdam). Om het stedelijk netwerk in Noord-Nederland goed te kunnen laten functioneren zullen Heerenveen en Drachten hun natuurlijke positie in het netwerk moeten innemen en dus groeien in omvang en
stedelijkheid. Daarbij vormt Lelystad de verbinding tussen MRA en Noord-Nederland, om deze rol goed in te vullen zal zij ook moeten groeien in omvang. Emmeloord groeit in haar rol als centrumstad voor de Noordoostpolder en Urk. Pijler 3. Vitale kernen en vitaal platteland Sterke steden en vitaal platteland hebben elkaar nodig. Bovenstaande pijlers zijn noodzakelijk om het platteland vitaal te houden. Met stedelijke voorzieningen dichtbij (stedelijk netwerk) en meer hoogstedelijke voorzieningen op middellange afstanden (Groningen, Leeuwarden en Lelystad) blijven de dorpskernen ook in de toekomst aantrekkelijke vestigingslocaties. De groene steden hebben nabij een robuuste groene contramal nodig als ‘uitloopgebied’. Dit vraagt een kwaliteitssprong in belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit. Pijler 4. Een goed functionerend bodem-, water-, en natuursysteem De ondergrond (het natuurlijk systeem) vormt de basis van ons Ontwikkelperspectief. Bodem, water en natuur zijn sturend in keuzes ten aanzien van toekomstige verstedelijking en ook infrastructuur.
74
Integrale kaart. Ontwikkelperspectief NOVEX Lelylijn
Legenda:
Stedelijke nabijheid;
Fietsafstand IC-treinstation;
Lelylijn;
Bestaande treinverbinding;
IJmeerverbinding;
Hoogfrequente busverbinding; wo
Fietsafstand sprinterstation;
Universiteit;
Campus;
Busverbinding;
Ziekenhuis;
Integrale opgave groenblauw.
Lelylijn-tracévarianten; Nedersaksenlijn; mbo
MBO; hbo HBO;
Kruising infra en natuur; 75
TOELICHTING WATER EN BODEM STUREND Om in de toekomst op een duurzame, leefbare en veilige manier samen te leven, is een robuust wateren bodemsysteem nodig. Dit vraagt aanpassingen in onze ruimtelijke inrichting. Naast feitelijk meer ruimte vraagt dit ook betere afstemming van de functie en gebruik op de draagkracht van het water- en bodemsysteem. Daarom is het nodig om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, en concreet bij locatie- en inrichtingskeuzes. Wat ‘water en bodem sturend’ (WABOS) betekent, is uitgewerkt in onderstaande principes, deze zijn gebaseerd op de Kamerbrief Water en Bodem sturend van het Rijk (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2022): • (1) Niet afwentelen • (2) Meer rekening houden met extremen • (3) In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en de bodem • (4) Meerlaagseveiligheid • (5) Minder afdekken, minder vergraven, minder verontreinigen • (6) Integrale aanpak in de leefomgeving • (7) Comply or explain (‘pas toe of leg uit’ hoe de doelen op andere wijze worden gerealiseerd) SWECO heeft de implicaties van Water en Bodem Sturend onderzocht voor de Lelylijn. Dit heeft geresulteerd in een advies en handelingsperspectief (SWECO, mei 2024).
Hier komen concrete uitgangspunten uit voort voor voorliggend Ontwikkelperspectief: • Groningen. Inzetten op verdichting om omringende gebied open te houden voor groen en blauw. • Leekstermeer. Belangrijke knoop in het grondwater- en oppervlaktewatersysteem. Met groenblauwe corridorsfunctie van zuid naar noord. Hier wil je grondwaterstroming niet onderbreken. • Leek. Onder voorwaarden geschikt. Tolbertvaartgebied is wel erg nat. • Drachten. Ondergrond (o.a. zandopduikingen) relatief geschikt om op te bouwen. Rekening houdend met de integrale gebiedsontwikkeling van beekdal Koningsdiep. • Van Oordt’s Mersken. Belangrijke knoop in grondwaterstromen van diep naar hoog. Drents plateau niet laten ‘weglekken’. • Leeuwarden. Op schaalniveau Noordelijk Nederland goede locatie om te bouwen in combinatie met fijnmazige groenblauwe dooradering. • Heerenveen. Integrale toekomstscenario’s nodig voor Heerenveen (met het groenblauwe systeem voor 2150 als uitgangspunt). • Joure. Aan zuidkant weinig beperkingen vanuit ondergrond. In de noordzijde ligt er vanuit WABOS een grotere opgave . • Tjeukemeer. Aanleg snelweg heeft in het verleden tot een troebel meer geleid (slechtere waterkwaliteit). Watersysteemanalyse nodig. • Lemmer: Vanuit WABOS moeilijke locatie. Leent zich niet voor grootschalige ontwikkelingen. Als ontwikkelen dan waterrijk en drijvend.
• Emmeloord: Niet direct geschikt voor woningbouw maar ook niet voor landbouw. In
•
•
westzijde ligt laagste punt van de polder. Voorkeur vanuit WABOS voor oostzijde. Ketelmeer. Verbinding zoeken met opgaven dijkreconstructies en verzwaringen (Ketelmeerdijk, Vossemeerdijk). Lelystad. Uitbreiding onder voorwaarden geschikt. Relatief veel waterberging nodig. Niet bouwen in IJsselmeer (waterbergingsfunctie).
In de Verkenningsfase zijn voor meerdere gebieden een landschap-ecologische en geo-hydrologische systeemanalyses nodig om zo de keuzes vanuit de lagenbenadering te kunnen nemen.
‘Water en bodem sturend’ is gebaseerd op de lagenbenadering. Zie: Ruimte met Toekomst Lagenbenadering (ruimtexmilieu.nl).
76
TOELICHTING WONEN
Vraagvolgend - Companen heeft onderzoek gedaan naar de woningmarkteffecten van de Lelylijn richting 2050. Het onderzoek richt zich op 8 direct aan de Lelylijn grenzende gemeenten: Leeuwarden, Groningen, Westerkwartier, Smallingerland, Heerenveen, Fryske Marren, Noordoostpolder en Lelystad. Hier staan momenteel circa 365.000 woningen. Companen spreekt in haar onderzoek de verwachting uit dat een Lelylijn voor Urk niet tot een grote groei in woningbehoefte zal leiden. De woningmarkt is hier meer lokaal georiënteerd en zal onverminderd groot blijven als gevolg van het hoge geboortesaldo. In totaal ligt er (inclusief Lelylijn) volgens het onderzoek van Companen tot 2050 een groeiverwachting van afgerond 85.000 tot 100.000 extra woningen. Deze verwachting is als volgt opgebouwd: • Groeiverwachting zonder Lelylijn: 66.000 extra woningen (+18%) ten opzichte van huidige situatie. Uitgaande van de provinciale en gemeentelijke prognoses inclusief de afspraken uit de woondeal. • Groeiverwachting als gevolg van de komst van de Lelylijn (zonder verdere beleidsmatige ingrepen): bandbreedte 85.000 (+23%) tot 100.000 (+27%) extra woningen ten opzichte van huidige situatie. Vraagsturend - In het ontwerpend onderzoek ‘Denkrichtingen NOVEX Lelylijn 2050’ (maart 2024) is de ruimtelijke potentie onderzocht van een Lelylijn
in een (1) Dertig minuten gemeenschap; (2) Vitaal ecoland; (3) Stedelijk Netwerk en (4) Internationale topregio. Deze hebben we afgezet ten opzichte van de groeiverwachtingen uit het onderzoek van Companen. De gehanteerde bandbreedte aan extra toegevoegde woningen varieerden hierin van 66.000 woningen (+18%) tot 140.000 woningen (+38%) ten opzichte van de huidige situatie. Uit de effecten blijkt dat alleen in de scenario’s waar we sturen op ruimtegebruik en op woningbouwaantallen (aan de bovenkant van de bandbreedte) voldoende massa gegenereerd wordt voor: • De grote binnenstedelijke verduurzamingsopgave (incl. kwaliteitsimpuls en toegroeien naar een gevarieerder woningaanbod); • Tegengaan van inwonerkrimp (als gevolg van huishoudensverdunning) in Heerenveen, Drachten, Emmeloord en Lelystad. En daarmee behoud van voorzieningendraagvlak; • Vergroten van de (stedelijke) nabijheid (van banen, inwoners en voorzieningen) en bijbehorende potentie voor economische interactie, ontmoeten, verblijven, lopen, fietsen, bus en trein in Groningen, Leeuwarden, Heerenveen, Drachten, Emmeloord en Lelystad.
de volgende fasen het gesprek op te zoeken met ontwikkelaars en corporaties. En door de aantallen niet als doel op zich te beschouwen maar door ze in verband te blijven brengen met de lokale ruimtelijke opgaven en kenmerken (demografische ontwikkeling, verhuismotieven, onderhoudsopgave). Samengevat schetst dit Ontwikkelperspectief een potentie van 55.000 tot maximaal 115.000 extra woningen voor de periode tot 2050 in de gemeenten Groningen, Leeuwarden, Westerkwartier, Smallingerland, Opsterland, Heerenveen, De Fryske Marren, Noordoostpolder, Urk en Lelystad. Dit zijn extra woningen ten opzichte van de groei bij autonome ontwikkeling zonder Lelylijn van 66.000 woningen (prognosejaar 2050). Ongeveer 90% van deze extra woningen worden gerealiseerd in Groningen, Leeuwarden, Drachten, Heerenveen, Emmeloord en Lelystad.
Om bovenstaande doelen te bereiken kijken we in voorliggend Ontwikkelperspectief verder dan het jaar 2050 en zetten we in op een hogere ambitie dan berekend door Companen. We zetten in op anders bouwen: meer diversiteit in woningtypen, hogere dichtheden en georiënteerd op het openbaar vervoer. Om dit voor elkaar te krijgen is overheidsregie nodig. Aanbeveling is daarbij om ‘top down’ en ‘bottomup’ met elkaar te blijven confronteren, o.a. door in 77