2.-NOVEX-Lelylijn-Ontwikkelperspectief-Onderbouwing
Tekst van het document
Ontwikkelperspectief NOVEX Lelylijn 2050 Toekomstbeelden voor noordelijk Nederland met de Lelylijn
ing w u o b r Onde
Inhoudsopgave Ontwikkelperspectief NOVEX Lelylijn 2050 Studio Bereikbaar, 17 september 2024 Voorliggende rapportage is het resultaat van ruim één jaar werk inclusief een bustour ‘langs de velden’ en een zestal intensieve maakdagen met overheden langs de lijn.
Voorwoord Pagina 5 Hoofdstuk 1. De Opgave Pagina 9 Hoofdstuk 2. Beschrijving van de denkrichtingen Pagina 13
In deze rapportage bouwen we verder op alle documenten die zijn opgesteld in het kader van NOVEX Lelylijn: • Inspiratieboek Lelylijn - Verkennende houtskoolschets voor het integrale Ontwikkelperspectief (Studio Bereikbaar, juli 2023)
Hoofdstuk 3. Maatschappelijk gesprek over de Lelylijn Pagina 21
•
Ontwikkelperspectief Pagina 73 • Pijler 1. Positionering van Groningen en Leeuwarden • Pijler 2. Drie zelfstandige Daily Urban Systems • Pijler 3. Vitale kernen en vitaal platteland • Pijler 4. Een goed functionerend bodem-, water-, en natuursysteem
• • • •
•
De impact van de Lelylijn op de woningmarkt (Companen, februari 2024) Gebiedspaspoorten landschap en natuur (RHDHV, februari 2024) Werksessie landbouw (Elzinga & Oterdoom, februari 2024) Economische Effecten Lelylijn (Bureau Buiten, februari 2024) Toekomstbeelden voor noordelijk Nederland met de Lelylijn Denkrichtingen - NOVEX Lelylijn 2050 (Studio Bereikbaar, maart 2024) Water en Bodem Sturend Lelylijn - Advies en handelingsperspectief (SWECO, mei 2024)
Hoofdstuk 4. Lessen en bevindingen Pagina 25 Hoofdstuk 5.
Hoofdstuk 6. Doorkijk naar het vervolg Pagina 165
4
Voorwoord Ontwikkelperspectief Lelylijn Onderdeel van het MIRT-onderzoek NOVEX Lelylijn (van Lelystad tot Groningen/Leeuwarden) is het opstellen van een toekomstschets van de ruimte rondom de Lelylijn en welke keuzes daarin worden gemaakt, het zogenoemde Ontwikkelperspectief. Het Ontwikkelperspectief is in stappen opgesteld. Eerst is een verkenning gedaan naar de mogelijkheden en kansen voor de Lelylijn in het “Inspiratieboek Lelylijn Verkennende Houtskoolschets voor het integrale Ontwikkelperspectief (juli 2023)”. Daarna zijn de ruimtelijke kaders en de programmatische opgaven geformuleerd. Hieruit zijn de “Denkrichtingen voor het Ontwikkelperspectief (maart 2024)” geformuleerd. Dat document is besproken met de bestuurlijke achterban om richting te krijgen voor het Ontwikkelperspectief. Vanuit die bestuurlijke terugkoppeling en op basis van analyses van de effecten van de Denkrichtingen is het Ontwikkelperspectief voor de Lelylijn 2050 opgesteld. Het Ontwikkelperspectief is een ruimtelijke toekomstschets van het NOVEX gebied Lelylijn met daarin een kansrijke Lelylijn, inclusief de daarbij passende gebiedsontwikkeling. De toekomstschets gaat uit van bundeling van de Lelylijn met de Rijkswegen A6/A7/A32 en dient
als basis voor de beschouwing of de Lelylijn de moeite waard is om te realiseren. De kern van het Ontwikkelperspectief is dat de realisatie van de Lelylijn wordt gecombineerd met integrale gebiedsontwikkeling voor wonen, werken en voorzieningen met respect voor de kwaliteiten en identiteit van de regio. En met water en bodem sturend als basis. Concentratie van ontwikkeling in de grotere steden, gepaste groei in andere kernen met (nieuwe) stations en beperkt in overige kernen en de zone rondom de Lelylijn. Ontwikkeling in het belang van de regio en het land. Het integrale onderzoek Ten behoeve van het MIRT-onderzoek NOVEX Lelylijn hebben Rijk en regio in december 2022 een gezamenlijke projectorganisatie ingesteld die de opdracht heeft om onderzoek te doen naar de Lelylijn. Het onderzoek is de combinatie van een MIRT-onderzoek en het opstellen van een Ontwikkelperspectief voor het NOVEX-gebied Lelylijn (van Lelystad tot Groningen/Leeuwarden). Deze onderzoeken leveren de informatie die nodig is om eind 2024 een GO/NO GO besluit te nemen over een Startbeslissing voor de MIRT-Verkenning naar de Lelylijn. In het NOVEX-deel wordt in een integraal Ontwikkelperspectief uitwerking gegeven aan de bijdrage van de Lelylijn als backbone van de ontwikkeling van noordelijk Nederland voor de economische structuurversterking, de
verstedelijkingsopgave en de verbetering van de bereikbaarheid en de leefbaarheid. Van vervoerswaarde naar bereikbaarheid en brede welvaart We zien dat de kijk op mobiliteit onder invloed van de brede welvaartsgedachte (o.a. verwoord in ‘Elke regio telt!’ van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB)) aan het verschuiven is van vervoerswaarde (hoeveel potentiële reizigers trekt een verbinding) naar bereikbaarheid (welke plekken, banen, inwoners en voorzieningen kan je bereiken) en brede welvaart (o.a. welzijn, veiligheid en gezondheid). In dit denken zien we ook de integraliteit tussen MIRT (vervoer/netwerk) en NOVEX (ruimte/ plek). De werklijnen in het project Om invulling te geven aan deze opdracht werkt de projectorganisatie Lelylijn met verschillende werklijnen. Het gaat dan om: • Omgevingsmanagement en Participatie – gericht op het verkrijgen van inzicht in de belangen, de wensen en zorgen van betrokkenen bij het project in ruime zin. • Bereikbaarheid (OV en infrastructuur) – gericht op het verkrijgen van inzicht in de verschillende mogelijkheden (alternatieven 5
6
•
•
•
en varianten) voor de Lelylijn, maar ook in de maakbaarheid en de kosten. Internationaal – gericht op het verkrijgen van inzicht in kansen en eisen voor het (op termijn) in gebruik nemen van de Lelylijn als schakel in een internationale treinverbinding tussen de Randstad en verder. NOVEX (Ontwikkelperspectief) – gericht op het verkrijgen van inzicht in de integrale ontwikkelingsmogelijkheden voor het NOVEX gebied Lelylijn en de betekenis daarvoor op diverse schaalniveaus. Brede welvaart – gericht op het verkrijgen van inzicht in de effecten van de Lelylijn op de brede welvaart, zowel kwantitatief als
De status. Het Ontwikkelperspectief Lelylijn geeft een beeld van de toekomst van noordelijk Nederland en zal na gezamenlijke vasstelling door Rijk en regio een gedragen visie vormen op de ontwikkeling richting 2050 in samenhang met de komst van de Lelylijn. Na besluitvorming zal het Ontwikkelperspectief nader moeten worden
geconcretiseerd. Er is een verdere invulling nodig qua programma en qua ruimte. Vervolgens zijn een uitvoeringsprogramma en een investeringsagenda aan de orde. Wederkerige afspraken tussen Rijk en regio over inhoud, tijd en geld zijn essentieel om tempo te kunnen maken, maar zullen pas gemaakt kunnen worden na deze uitwerking.
Op 5 maart 2024 werden de “Denkrichtingen NOVEX Lelylijn 2050” vrijgegeven (Toekomstbeelden voor noordelijk Nederland met de Lelylijn)
kwalitatief. Deze werklijnen zorgen gezamenlijk voor voldoende informatie, uitvoerig afgestemd met alle betrokken overheden (en met inbreng van bewoners, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties), om eind 2024 een vervolgbeslissing te kunnen nemen, voor zowel de Lelylijn als het bijbehorende Ontwikkelperspectief. Ontwikkelperspectief Lelylijn en dan? Het Ontwikkelperspectief wordt vastgesteld door de Stuurgroep (sep ’24), vervolgens besproken in de achterbannen (Raden en Staten) en is onderdeel van de beslisinformatie voor het BO-MIRT (nov ’24). 7
1. De Opgave
8
1. Opgaven voor NOVEX Lelylijn gebied In dit NOVEX-onderzoek en tijdens de maakdagen hebben we een vijftiental opgaven opgehaald voor noordelijk Nederland. We kijken niet alleen naar bereikbaarheidsopgaven maar naar de volledige integrale opgave voor het NOVEX-gebied. Opgave 1. Economische structuurversterking. Netwerkvorming onderling –tussen LeeuwardenSneek-Emmeloord-Lelystad-Heerenveen-DrachtenGroningen-Assen- blijft achter bij de ontwikkeling in andere regio’s. Ruimtelijk-economisch benutten de steden in noordelijk Nederland elkaars kracht beperkt. Juist omdat de steden in noordelijk Nederland – buiten Groningen en Leeuwarden – relatief klein zijn, is het achterblijven van de netwerkvorming een handicap. Noordelijk Nederland loopt agglomeratiekracht mis. Mede als gevolg hiervan blijft de economische ontwikkeling achter bij de rest van Nederland. Opgave 2. Jongeren behouden en aantrekken (vergroten beroepsbevolking). Buiten Groningen en Leeuwarden trekken overal in het Noorden de jongeren weg. Het aantal bereikbare banen en voorzieningen binnen aanvaardbare reistijden is matig. En ook de beperkte diversiteit in werkgelegenheid speelt een rol. Er zijn meer arbeidskrachten nodig in noordelijk Nederland. Opgave 3. Stedelijke kwaliteitssprong. De (stedelijke) vernieuwingsopgave is groter dan gemiddeld in Nederland. De grote versnipperde opgave is er een
van vele (kleine) buurten. Het aantal verouderde woningen en buurten is relatief gezien groot, omdat de laatste decennia de nieuwbouw relatief beperkt was. In een aantal kernen (waaronder Drachten) groeide de voorraad in de jaren ‘60-70 snel, aangezwengeld door groei van werkgelegenheid bij enkele grotere werkgevers. De destijds ontwikkelde relatief grote wijken zijn zowel fysiek als qua woonprogramma in toenemende mate aan vernieuwing toe. Opgave 4. Wonen en werken in balans. Dagelijks reizen er 71.000 werknemers meer het Lelylijngebied uit (incl. COROPregio Flevoland) dan dat er binnenkomen (als we binnen Flevoland alleen Urk en Noordoostpolder meetellen zijn dit er 22.000). Het ‘tekort’ aan banen is circa 50.000 in COROPregio Flevoland, 11.000 in Zuidwest-Fryslân, 14.000 in Noord-Fryslân en 10.000 in Noord-Drenthe. In COROP-regio’s Zuidoost-Fryslân (2.000) en Overig Groningen (12.000) is de instroom juist groter (dankzij banenmotors Groningen stad en Heerenveen). Opgave 5. Ruimte voor (grootschalige) bedrijvigheid. Volgens onderzoek van Bureau Buiten zorgt de komst van de Lelylijn voor een extra groeivraag van 140-200 hectare bedrijventerrein en 74.000-101.000 m2 aan kantoorruimte. Dit zorgt voor circa 20.000 tot 30.000 extra banen. Er is (ook zonder Lelylijn) bovendien een ruimtevraag voor nieuwe industrie en logistiek.
Opgave 6. Toegroeien naar circulaire economie. De klimaatverandering is de komende jaren de grote ruimtelijk transitieopgave. Om een bijdrage te leveren aan de wereldwijde noodzaak tot CO2- reductie is de opgave allereerst zo snel mogelijk de CO2 uitstoot terug te brengen. Dit laat zich concreet vertalen in een grondstoffentransitie en een energietransitie. De energietransitie stelt nieuwe en zwaardere eisen aan de infrastructuur. Opgave 7. Woningbouw. De woondeals gaan uit van 50.000 extra woningen in het Lelylijn-gebied (tot 2030). Afhankelijk van het scenario brengt de Lelylijn een extra autonome vraag van 24.000 tot 31.000 woningen met zich mee (tot 2050). De totale vraag voor de Lelylijn-gemeenten wordt daarmee circa 60.000 tot 100.000 woningen. Er is (zoals in heel Nederland) sprake van vergrijzing en huishoudensverdunning met een groeiende mismatch in de woonvoorraad tot gevolg en een toenemende druk op lokale voorzieningen. Dat vraagt om diversifiëren van de woningvoorraad (mede in relatie tot verduurzaming, renovatievraag, betaalbaarheid, veranderende woonwensen). Opgave 8. Duurzamer mobiliteitssysteem. Opgave is om te komen tot een duurzamer mobiliteitssysteem. Met meer openbaar vervoer en fiets en minder auto in de steden. Tegelijkertijd blijft de auto voor het platteland een cruciaal vervoersmiddel.
9
Opgave 9. Realistisch toekomstperspectief voor de landbouw. Opgave is om te komen tot een duurzaam verdienmodel voor de boer, hand in hand samengaand met een robuuste en klimaatbestendige waterhuishouding, een stevig natuurnetwerk met een rijke biodiversiteit en een fijnmazig netwerk van landschapselementen (toekomstperspectief voor duurzame voedselproductie en natuurinclusieve landbouw). Opgave 10. Versterken toerisme en recreatie. De behoefte aan voorzieningen voor recreatie en toerisme zal groeien, én veranderen. Dit komt door het landelijk groeiende aantal inwoners, de toenemende populariteit van buitenrecreatie en een groei in het aantal toeristen. Opgave 11. Behoud en ontwikkeling rust en ruimte. Noordelijk Nederland kent veel rust, ruimte, waardevolle landschappen en erfgoed. Maar verrommeling dreigt, bij onzorgvuldige inpassing van wonen, werken, logistiek en energie in ‘het landschap’. De oorspronkelijke kwaliteit en variatie, zo bepalend voor de identiteit van het Noorden, kunnen verdwijnen. Opgave is om de kernkwaliteiten te behouden en te versterken. Opgave 12 Robuust watersysteem (te droog, onveilig, te nat, te warm, te zout, onvoldoende drinkwater, hittestress). Als gevolg van klimaatverandering komt er veel op ons af. Temperatuurstijging leidt tot veranderende
neerslagpatronen met als resultaat meer perioden van zowel droogte als wateroverlast. De zoetwateraanvoer vanuit het Europees achterland zal veel meer gaan fluctueren en in droge zomers helemaal wegvallen. Er is ruimte nodig voor voorraadvorming om in de toekomst voldoende schoon zoetwater te hebben. De zeespiegelstijging leidt tot verzilting langs de kust en dwingt ons om na te denken over de volhoudbaarheid van de kustverdediging en de waterafvoer, omdat het land steeds meer onder zeeniveau komt te liggen.
Opgave 15. Vervoersarmoede / basisbereikbaarheid garanderen. Er ontstaat een grote en groeiende sociaaleconomische kloof. Op de slecht aangetakte plekken dreigt een concentratie van relatief kwetsbare groepen.
Opgave 13. Kleine kernen vitaal houden (leegloop platteland tegengaan). Voorzieningen concentreren zich en zijn lokaal lastig te behouden (denk aan basisscholen en zorg). Ook is er sprake van sociale segregatie. Waarbij de dorpen steeds meer de woonplekken worden voor hogere inkomens terwijl lagere inkomensgroepen voor het voorzieningenaanbod naar de grotere kernen trekken. Voor wie achterblijft dreigt uitsluiting en vervoersarmoede. De opgave is om de leefbaarheid en vitaliteit te borgen voor de kleinere kernen. Opgave 14. Toename aantal ouderen (vergrijzing). Er is sprake van een dubbele vergrijzing: meer ouderen en die ouderen worden ook nog eens ouder. Vergrijzing leidt tot extra zorgvraag in wijken en tot hogere gemeentelijke lasten.
10
Economische structuurversterking
Duurzaam mobiliteitssysteem
Woningbouw
Landelijk gebied
Water en bodem sturend
Vitale dorpskernen
•
(1) Economische structuurversterking. Netwerkvorming onderling –tussen Leeuwarden-Sneek-EmmeloordLelystad-Heerenveen-DrachtenGroningen-Assen– blijft achter bij de ontwikkeling in andere regio’s. Ruimtelijk-economisch benutten de steden in noordelijk Nederland elkaars kracht beperkt.
•
(2) Jongeren behouden en aantrekken (vergroten beroepsbevolking). Buiten Groningen en Leeuwarden trekken overal in het Noorden de jongeren weg. Het aantal bereikbare banen en voorzieningen binnen aanvaardbare reistijden is matig. En ook de diversiteit is beperkt.
•
(3) Stedelijke kwaliteitssprong. De (stedelijke) vernieuwingsopgave is groter dan gemiddeld in Nederland. De grote versnipperde opgave is er een van vele (kleine) buurten. Het aantal verouderde woningen en buurten is relatief gezien groot
•
(4) Wonen en werken in balans. Dagelijks reizen er 71.000 werknemers meer het Lelylijngebied uit dan dat er binnenkomen (met name in COROP-regio Flevoland is de onbalans groot).
•
(5) Ruimte voor (grootschalige) bedrijvigheid. Er is (ook zonder Lelylijn) een ruimtevraag voor nieuwe industrie en logistiek. De komst van de Lelylijn kan zorgen voor een extra groeivraag van 140-200 hectare bedrijventerrein en 74.000-101.000 m2 aan kantoorruimte. Dit zorgt voor circa 20.000 tot 30.000 extra banen.
•
(6) Toegroeien naar circulaire economie. Om een bijdrage te leveren aan de wereldwijde noodzaak tot CO2-reductie is de opgave allereerst zo snel mogelijk de CO2 uitstoot terug te brengen. Dit laat zich concreet vertalen in een grondstoffentransitie en een energietransitie.
•
(7) Woningbouw. Tot 2050 60.000 tot 100.000 nieuwe woningen in Lelylijn-gebied (autonome groeivraag incl. Lelylijn). In relatie tot vernieuwingsopgave, huishoudensverdunning, vergrijzing en veranderende woonwensen.
•
(8) Duurzamer mobiliteitssysteem (minder auto’s, meer OV). Bijdrage van de Lelylijn (inclusief gebiedsontwikkeling) aan een transitie naar minder auto’s en meer lopen, fiets en OV.
•
(9) Realistisch toekomstperspectief voor de landbouw. Opgave is om te komen tot een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw. Waarbij duurzame voedselproductie hand in hand gaat met een robuuste en klimaatbestendige waterhuishouding, goeen stevig natuurnetwerk en een rijke biodiversiteit.
•
(10) Versterken toerisme en recreatie. De behoefte aan voorzieningen voor recreatie en toerisme zal groeien, én veranderen. Dit komt door het landelijk groeiende aantal inwoners, de toenemende populariteit van buitenrecreatie en een groei in het aantal toeristen.
•
(11) Behoud en ontwikkeling rust en ruimte. Noordelijk Nederland kent veel rust, ruimte, waardevolle landschappen, groen, natuur en erfgoed. Maar verrommeling dreigt, bij onzorgvuldige inpassing van wonen, werken, logistiek en energie in ‘het landschap’.
•
(12) Robuust watersysteem (te droog, onveilig, te nat, te warm, te zout, onvoldoende drinkwater, hittestress). Als gevolg van klimaatverandering komt er veel op ons af. Temperatuurstijging leidt tot veranderende neerslagpatronen met als resultaat meer perioden van zowel droogte als wateroverlast.
•
(13) Kleine kernen vitaal houden (leegloop platteland tegengaan). Voorzieningen concentreren zich en zijn lokaal lastig te behouden. De trend is sociale segregatie. Andere aandachtspunten zijn gezondheid, dalende leerlingenaantallen, inkomens- en opleidingsniveau en werkloosheid.
•
(14) Toename aantal ouderen (vergrijzing). Er is sprake van een dubbele vergrijzing: meer ouderen en die ouderen worden ook nog eens ouder. Vergrijzing leidt tot extra zorgvraag in wijken en tot hogere gemeentelijke lasten.
•
(15) Vervoersarmoede / basisbereikbaarheid garanderen. Er ontstaat een grote en groeiende sociaaleconomische kloof. Op de slecht aangetakte plekken dreigt een concentratie van relatief kwetsbare groepen.
11
2. Beschrijving van de denkrichtingen
12
2. De hoeken van het speelveld Ontwerpend onderzoek Voor de denkrichtingen maakten we gebruik van Ontwerpend Onderzoek, als een middel om uit te vinden welke mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen goed passen bij wat voor soort Lelylijn. Ontwerpend onderzoeken is een ideaal middel om te testen en daarvan te leren. Doel van het ontwerpend onderzoek is om de verschillende opties in beeld te krijgen en goed af te wegen, waarbij we naar de gehele opgave voor economische structuurversterking, woningbouw, duurzame mobiliteit, het landelijk gebied, water en bodem sturend en de vitale dorpskernen kijken. We gebruiken de denkrichtingen daarbij om de juiste vraagstukken te verkennen en/of onderzoeken. De denkrichtingen uit dit hoofdstuk waren dus niet bedoeld om een keuze uit te maken. Ze beschrijven de hoeken van het speelveld en zijn bedoeld om ruimtelijke interventies te testen, om er aan te kunnen rekenen en om van te leren. Uiteindelijk bestaat een gedragen ontwikkelperspectief uit goed scorende bouwstenen uit verschillende denkrichtingen. Samenhang met Bereikbaarheidsonderzoek Per denkrichting kozen we voor een samenhangend pakket aan bouwstenen, een Lelylijn-tracé en een dienstregelingsvariant. Dit helpt bij het doordenken van de bouwstenen en het ruimtelijk doorvertalen ervan. Maar er zijn ook andere combinaties mogelijk.
Een Lelylijn-tracé / dienstregelingsvariant is dus niet per se gebonden aan een bepaalde denkrichting. Verschillende tracés en de varianten hierop zijn onderdeel van gesprek in het parallel lopende
Bereikbaarheidsonderzoek. In dat onderzoek worden ook nog andere tracévarianten onderzocht (en getoetst).
Twee rekenscenario’s Om lessen te kunnen leren uit - en te kunnen rekenen aan het ontwerpend onderzoek zetten we de 4 denkrichtingen af tegen twee referentiescenario’s: • Een (A) autonoom groeiscenario zonder Lelylijn met 66.000 woningen en 62.000 banen tot 2050 tov huidige situatie (op basis van WLO Hoog, provinciale prognoses en afspraken uit de woondeals); • Een (B) scenario waarin er wel een Lelylijn komt maar waarin we geen nieuwe structurerende ruimtelijke keuzes maken. Voor dit scenario gaan we uit van huidig beleid, de aantallen baseren we op de onderzoeken van Companen (wonen) en Bureau Buiten (economie) (komt tot 2050 in totaal neer op 97.000 woningen en 87.500 banen tov
huidige situatie) In de 4 denkrichtingen zagen we het autonome scenario zonder Lelylijn als minimum voor de groeiontwikkeling per kern (we respecteerden dus in elke denkrichting de autonome groei en de woondeal-afspraken). Wanneer in een denkrichting de benodigde woningbouwaantallen hoger uitvallen dan in het tweede scenario dan hoort daar altijd een complementaire strategie op banengroei bij. Water en bodem sturend Om het principe “water en bodem sturend” concreet te maken in de denkrichtingenstudie zetten we 2 tools in, namelijk: • Signaleringskaart voor locatiekeuze • Ambitieladder voor de inrichting van het verstedelijkt gebied De tools helpen bij het gesprek over locatiekeuze en inrichting. Afhankelijk van de denkrichting geven we de uitkomsten van de tools een andere lading mee. Dit om de randen van het speelveld op te kunnen zoeken. En om het ruimtelijk effect van bodem en water sturend inzichtelijk te maken. Uitgangspunten We onderzoeken vier verschillende denkrichtingen. Niet met als doel om er uiteindelijk één te kiezen, wel om de hoeken van het speelveld inzichtelijk te maken en om daarvan te leren. Een aantal uitgangspunten zijn voor alle denkrichtingen gelijk: we zetten in op (1) het versterken van de DNA/identiteit van noordelijk 13
Internationale topregio
Spreiden
Lelylijn in een
Stedelijk Netwerk
Lelylijn in een
Vitaal ecoland
Lelylijn in een
Dertig minuten gemeenschap
Lelylijn in een
Lokaal versterken
Concentreren
Netwerk versterken 14
Nederland; (2) Water en Bodem zijn sturend; (3) er wordt een oplossing geformuleerd voor alle opgaven; (4) de autonome groei en afspraken uit de woondeals worden gerespecteerd. Elke denkrichting geeft een antwoord op de 6 hoofdopgaven: Economische structuurversterking, Woningbouw, Duurzaam mobiliteitssysteem, Landelijk gebied, Water en bodem sturend, Vitale dorpskernen.
Methode om ontwerpend te onderzoeken De denkrichtingen stellen we op om te doordenken wat de mogelijke effecten en concequenties zijn van verschillende ruimtelijke keuzes en Lelylijnconcepten. Per denkrichting werken we illustratief een aantal casussen uit om gevoel te krijgen voor de orde van grootte ontwikkelmogelijkheden / laadpotentie per stationsgebied.
Hoeken van het speelveld De hoeken van het speelveld zijn opgebouwd langs een assenkruis. Op de horizontale as zetten we twee typische ruimtelijke ordeningsconcepten tegenover elkaar, namelijk ‘concentreren’ van ontwikkelingen versus het ‘spreiden’ van ontwikkelingen. Op de verticale as variëren we in de positionering van noordelijk Nederland ten opzichte van de rest van de wereld. We zetten ‘lokaal versterken’ tegenover ‘netwerk versterken’. In ‘lokaal versterken’ staat de eigen streek, identiteit, taal en cultuur centraal. Deze richting past goed bij de Cittaslow gedachte (letterlijk de Langzame stad, een internationaal keurmerk voor plekken die op het gebied van landschap, streekproducten, gastvrijheid, cultuurhistorie en behoud van identiteit goed scoren). In ‘netwerk versterken’ zien we noordelijk Nederland veel meer als onderdeel van het Nationaal Stedelijk Netwerk. Deze richting past goed bij de Global city gedachte waarbij steden worden gezien als gespecialiseerde knooppunten in een mondiaal economisch systeem.
In de denkrichting ‘Dertig minuten gemeenschap’ verkennen we onder andere wat er voor nodig is om banen en voorzieningen te behouden in de directe nabijheid van de woonplaats. Kan een Lelylijn een positieve bijdrage leveren aan de kleinere kernen en wat is het effect van een spreidingsmodel op de mobiliteitsvraag?
In de denkrichting ‘Internationale topregio’ verkennen we onder andere de kansrijkheid van een internationale verbinding naar Bremen en Hamburg. Hoeveel groei kunnen Groningen en Leeuwarden aan zonder aan kwaliteit in te boeten? Is er voldoende agglomeratie- en innovatiekracht om mee te kunnen met economische powerhouses als de Randstad, Antwerpen/Brussel, Metropoolregio Hamburg, Bremen en de Sontregio (Kopenhagen en Malmö)?
In de denkrichting ‘Vitaal Ecoland’ verkennen we onder andere het thema Water en Bodem Sturend. Wat is het ruimtelijke effect van klimaatverandering op bestaande woon- en werkmilieus? En kan een Lelylijn hoogwaardig worden ingepast in een landschap van wereldklasse? In de denkrichting ‘Stedelijk Netwerk’ verkennen we onder andere wat er orde van grootte aan programma nodig is om in Heerenveen, Drachten en Emmeloord te komen tot een stedelijk interactiemilieu. En hoe de verschillende stedelijke kernen van noordelijk Nederland beter van elkaars nabijheid en kwaliteit kunnen profiteren. Wat doet een schaalsprong naar meer stedelijkheid voor de mobiliteitsvraag? 15
(Denkrichting 1) Lelylijn in een ...
Dertig minuten gemeenschap In deze denkrichting staan lokale gemeenschappen centraal. Mienskip en Noaberschap zijn de centrale kernwaarden. Mensen kennen elkaar, voelen zich onderling verbonden en zijn trots op de hechte sociale banden, de buurt, de wijk, de cultuur, de taal en het landschap. Samen dragen ze zorg voor hun nabije omgeving. Kleinschaligheid en lokale functiemenging zijn de norm. Mensen vinden binnen 30 minuten reizen alles wat ze nodig hebben. De voorzieningenkernen hebben hun eigen economische specialisatie en huisvesten een lokaal gewortelde wereldspeler (denk bijvoorbeeld aan de Health Campus en Photonis in Roden, Paques in Balk, het Lucht- en ruimtevaartcentrum in Marknesse, Stertil Group in Kloostertille, Zuidberg in Ens, Douwe Egberts en Comecer in Joure, Hytrans Systems in Lemmer en ZiuZ in Gorredijk). Er is lokale functiemenging met economie aan huis en nabijheid van wonen, werk, natuur, recreatie, energie en voorzieningen. Dit maakt dat elke voorzieningenkern ook zijn eigen treinstation heeft.
16
(Denkrichting 2) Lelylijn in een ...
Vitaal ecoland In deze denkrichting staan klimaat, bodem en water aan de basis. Mensen zien zichzelf als onderdeel van de natuur. We maken een levensstijl mogelijk met (lokaal geproduceerde) gezonde voeding en veel fysieke activiteit (met de trein als verlengstuk voor wie dagelijks loopt of fietst). Mensen leven meetbaar langer. Innovatieclusters en onderwijsinstellingen specialiseren zich rondom het thema gezond oud worden. De recreatieve sector specialiseert zich rondom treingebonden waterrecreatie, wandelen, fietsen, sporten en streekproducten. Het laten toenemen van de biodiversiteit en vergroening zijn collectieve missies. In deze toekomst staat het respecteren van ecologische grenzen bovenaan, ook als dit ten koste gaat van de vrijheid om te consumeren. Noordelijk Nederland wordt een rustige, ruime, ontspannen en vitale woon- en recreatieregio nabij de grootstedelijke drukte van de Randstad, Vlaanderen en het Ruhrgebied. Natuurlijke oplossingen domineren, bijvoorbeeld door water meer ruimte te geven. Verstedelijking wordt geconcentreerd op waterveilige plekken en goed verbonden met OV-knooppunten. Het landschap wint ruimte terug op stad en dorp. Daken, gevels en straten worden groener.
17
(Denkrichting 3) Lelylijn in een ...
Stedelijk netwerk In deze denkrichting maximaliseren we de agglomeratiekracht door te kiezen voor ‘borrowed size’. We versterken het regionale ecosysteem maximaal door van elkaars nabijheid aan inwoners, banen en voorzieningen te profiteren en door meerwaardegericht te selecteren en te specialiseren. We zorgen ervoor dat jongeren in noordelijk Nederland willen blijven. Er komen innovatieve broedplaatsen voor lokale start-ups en talent. Aan het spoor ontstaan nieuwe stedelijke innovatieclusters en campussen in Groningen (Healthy Ageing, Sustainable Society, Energie, Chemie, Life sciences en big data), Leeuwarden (Delta Areas and Resources, Water, Food and Dairy), Lelystad (Agrifood, luchtvaart en circulair bouwen), Emmeloord/Urk (innovatieve landbouw, maritiem, visserij, MITC), Heerenveen (circulair, zuivel, logistiek en sport), Drachten (de HTSM Brainportregio van het noorden) en Leek (maakindustrie). Economische vernieuwing vindt plaats door kruisbestuiving tussen deze verschillende regionale clusters en het onderwijs. De treinverbinding tussen deze regionale clusters vormt de linking pin. Lelystad wordt een stepping stone tussen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) en het noorden. Heerenveen, Drachten en Emmeloord worden stedelijker. In de contramal van het stedelijk systeem (Sneek, Leeuwarden, Drachten en Heerenveen) wordt ingezet op een landschap van wereldklasse. 18
(Denkrichting 4) Lelylijn in een ...
Internationale topregio In deze denkrichting staat het maximaliseren van agglomeratiekracht centraal. Groningen krijgt een directe treinverbinding met Amsterdam-Zuid, Bremen en Hamburg. Ze profileert zich op internationale schaal met kennis en topvoorzieningen op het gebied van Healthy Ageing, Life sciences en Big Data. De ruime aanwezigheid van talent wordt benut als pullfactor voor het aantrekken van nieuwe economische groeiparels. Groningen maakt een forse schaal- en kwaliteitssprong door, krijgt een hoogdynamisch stationsgebied van wereldklasse en faciliteert hoogstedelijke ontmoeting en innovatie. De stad wordt selectiever. Bedrijven die niet afhankelijk zijn van internationale verbondenheid en grootstedelijke nabijheid krijgen elders in de regio een plek. Ook Leeuwarden maakt een forse schaal- en kwaliteitssprong door, met uitmuntende stedelijke woonkwaliteit, topcultuur en toegepaste kennis (in directe treinverbinding met AmsterdamZuid). Het (OV-)systeem binnen noordelijk Nederland is gericht op de stad Groningen. Met voor Flevoland ook een stevige aantakking op Amsterdam. De overstap vanuit het platteland naar de stad vindt plaats via goed bereikbare voorzieningenhubs.
19
3. Maatschappelijk gesprek over de Lelylijn
20
3. Gesprekken over de denkrichtingen De denkrichtingen zijn in maart 2024 gepubliceerd, zodat volksvertegenwoordigers en bestuurders ze konden bespreken en er met elkaar het debat over aan konden gaan. De volgende vragen lagen voor: • Wat is uw oordeel over de geschetste Denkrichtingen in het algemeen? • Omvatten de Denkrichtingen het volledige veld aan mogelijke scenario’s voor de toekomst van noordelijk Nederland? • Welke elementen (bouwstenen/ oplossingsrichtingen) van de Denkrichtingen spreken aan, en welke juist niet?
•
•
•
In dit hoofdstuk schetsen we enkele contouren: Welke bouwstenen spreken aan • Een snelle en directe verbinding met de Randstad, in circa 60-70 minuten in Groningen/ Leeuwarden (met kansen op uitbouw richting Bremen/Hamburg/Kopenhagen). “We hebben talent nodig. Cruciaal daarvoor is reistijd. Een zin als ‘het is slechts een uur vanuit Amsterdam’ trekt mensen over de streep.” •
Verder bouwen aan Stedelijk Netwerk Noordelijk Nederland. En onderling verbinden. Met meer nabijheid in Groningen, Leeuwarden, Lelystad, Drachten, Heerenveen en Emmeloord. “Voor veel jongeren is het stedelijk netwerk belangrijk. Zodat je hier kan blijven wonen en je tegelijkertijd toch goed verbonden bent met de rest van Nederland.”
Lelylijn als ruggengraat voor het onderliggend openbaar vervoer. Geen verdere tweedeling creëren maar goede verbindingen met het platteland. Voorkomen dat levendige dorpen transformeren naar slaapdorpen van grote kernen.
Aandachtspunten • Denkrichting zonder Lelylijn. Wat gaat er mis als we niks doen? •
Inpassing met zorg voor landschap, natuur, water, bodem en cultuurhistorie. Water- en bodemgesteldheid borgen, robuust voor de opgaven in 2150.
Fasering richting 2050. “Het gevaar is dat we 15 jaar gaan wachten op de oplossing van problemen die vandaag al aandacht nodig hebben.”
•
Ontwikkelen naar lokale aard en schaal en opgave. “Onze kracht zit in water, rust, ruimte, erfgoed en het platteland. Dat gaat over water en bodem leidend, over inbreiding om ruimte te sparen, over binnenregionaal boven bovenregionaal, en over fijnmazige mobiliteit.”
Water en bodem in relatie tot extremen in 2150. Structurele (reserverings)ruimte nodig voor onder andere de versterking van dijken en regionale keringen, de vergroting van de waterberging en het creëren van ruimte om meer water vast te houden.
•
Woningbouwopgave: voor wie bouwen we de woningen, wat gebeurt er in het omliggende gebied, wat is de impact op de woningmarkt en lukt het ook om deze woningen met beperkte impact op de ruimtelijke kwaliteit en met voldoende diversiteit te ontwikkelen? “Maken lokale jongeren nog kans op de woningmarkt?”
•
Grotere ruimtelijke ontwikkelingen bieden de kans op het aanjagen van transities in de leefomgeving. “We hebben last van vergrijzing en ontgroening. Onze jongeren trekken weg omdat er elders meer opleidingen en banen zijn. Laten we met hulp van een Lelylijn degenen die uit huis zijn gegaan verleiden om terug te komen!”
•
Rood, groen en blauw samen ontwikkelen. Binnen- en buitenstedelijk groen mee laten groeien met verstedelijkingsopgave. Aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en klimaatadaptatie.
21
22
•
Mobiliteit buiten Lelylijn, ook onderliggend OV: wat betekent de Lelylijn voor de OVbereikbaarheid van de kernen zonder een toekomstig station? Hoe kan het regionale OV-systeem optimaal worden ingericht met de Lelylijn als backbone? Wat is het effect van de verstedelijking in noordelijk Nederland op langeafstand autoverplaatsingen op het hoofdwegennet? “Rijdt er straks nog wel een bus in het dorp?”
•
Onafhankelijk van een Lelylijn: Knelpunten op het bestaande spoor tussen Almere en Amsterdam (IJmeerverbinding).
•
Rust, ruimte en landschap als randvoorwaarde: hoe kunnen we hier goed invulling aan geven in combinatie met een nieuwe doorsnijding door het landschap? Wat betekent ‘sober en doelmatig’ in relatie tot een kwaliteitssprong voor het landschap. “Gaat dit ten koste van ons open landschap? En van cruciale weidevogelgebieden?”
•
Andere noodzakelijke projecten: Er zijn projecten (van nationaal belang) die mogelijk ook gerealiseerd worden in de bundeling met de A6/A7/A32. Het gaat om een ruimtevraag voor defensie (om te oefenen, voor infrastructuur, munitieopslag en het op orde brengen van of nieuwe vergunningen) en de 380kV hoogspanningsverbinding Vierverlaten (Groningen) en Ens (Noordoostpolder). Een integrale beschouwing van de haalbaarheid van combinatie van de Lelylijn en deze projecten in de beperkte ruimte is van belang.
23
4. Lessen en bevindingen
24
4.1. Uitleg van de methodiek In dit hoofdstuk presenteren we de lessen en bevindingen die horen bij de denkrichtingen. Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd: • 4.1. Uitleg van de methodiek • 4.2. Bevindingen integrale gesprek • 4.3. Verdieping WABOS, natuur en landschap • 4.4. Verdieping Economie en bereikbaarheid • 4.5. Verdieping Wonen Kwantitatieve en kwalitatieve effectbepaling
Sinds de oplevering van het denkrichtingenboek hebben we de provinciale ruimtelijke voorstellen (in kader van Programma NOVEX), de opgaven voor NOVEX Lelylijn en de contourennota Ruimte vertaald naar een gesprekskapstok (zie pagina 29) om het kwantitatieve en kwalitatieve gesprek te kunnen voeren over de effecten die horen bij de verschillende denkrichtingen. • Passend bij de lokale identiteit • Eerlijke verdeling van de lusten en lasten • Toekomst-bestendige regionale economie • Zuinig (meervoudig) ruimtegebruik • Waterrobuust en natuurinclusief
Met behulp van o.a. het Dashboard Verstedelijking (College van Rijksadviseurs) en bereikbaarheidskaarten hebben we kwantitatief gekeken naar een aantal indicatoren (zoals stedelijkheid, bereikbaarheid, impact op de leefomgeving). Kwalitatief hebben we de bestuurlijke reactie op de denkrichtingen en een viertal expertgesprekken (Economie en kennis; Wonen; Water en bodem sturend; Natuur en landschap) meegenomen als ook de uitkomsten van parallel uitgevoerd onderzoek: • Water en bodem sturend (SWECO) • Woningmarkteffecten (Companen) • Gebiedspaspoorten natuur (RHDHV) • Economische effecten (Bureau Buiten) •
Werksessie landbouw (Elzinga & Oterdoom)
Gesprekskapstok met ambities en doelen
De Lelylijn staat niet op zichzelf. Betrokken partijen hebben al een visie neergelegd op de toekomst van Nederland, Fryslân, Groningen en Flevoland. Daarom wegen we de denkrichtingen op de ambities en doelen uit: • Projectdoelen Lelylijn • Contourennotitie Nota Ruimte • Ruimtelijke voorstellen Fryslân, Groningen en Flevoland.
PROJECTDOELEN LELYLIJN • Versterking van de economie van het Noorden • Verbinden Noordelijk Nederland en Randstad. Betere verbinding met Duitsland • Betere ontsluiting van huidige en nieuwe woningbouw • Dichter bij elkaar brengen van de regio’s in Nederland • Duurzame vervoerswijze • Randvoorwaarde: rust en ruimte, zo goed mogelijke natuurinpassing en ruimtelijke kwaliteit HOUTSKOOLSCHETS LELYLIJN • Verbinden van (stedelijke) regio’s. Profiteren van de onderwijshubs en economische powerhouses in o.a. de Metropoolregio Amsterdam, Utrecht, Regio Zwolle en Duitsland (via de Wunderline). Ambitie van internationaal verbinden met Scandinavië. Schaal- en kwaliteitssprong voor Groningen en Leeuwarden. • Verbinden van de stedelijke knopen in Noordelijk Nederland. Nabijheid versterken: tussen stedelijke clusters van Noordelijk Nederland onderlinge potentie, diversiteit en kracht benutten - verbinden van banenclusters, inwoners, innovatiekracht, zorg, onderwijs- en kennisinstellingen. • Verbinden van het ommeland met de knopen. Ontsluiten van inwoners, banen en innovatieve parels in de kleinere kernen. Aanhaking op de Lelylijn via sprinterstations en complementair netwerk van overstaphubs, bussen, (snel) 25
•
fietsroutes en regionale treinlijnen. Garanderen van basisbereikbaarheid voor het platteland en vervoersarmoede tegengaan. Verbinden van water, landschaps- en natuursystemen. Zorgvuldige, contextbewuste inpassing van tracé en kunstwerken. Katalysator voor behoud en versterking van lange lijnen, cultuurhistorie, natuur en landschap.
15 OPGAVEN (NOVEX LELYLIJN) • Economische structuurversterking • Jongeren behouden en aantrekken (vergroten beroepsbevolking) • Stedelijke kwaliteitssprong • Wonen en werken in balans • Ruimte voor (grootschalige) bedrijvigheid • Toegroeien naar circulaire economie • Woningbouw • Duurzamer mobiliteitssysteem (minder auto’s,
• • • •
•
meer OV) Realistisch toekomstperspectief voor de landbouw Versterken toerisme en recreatie Behoud en ontwikkeling rust en ruimte Robuust watersysteem (te droog, onveilig, te nat, te warm, te zout, onvoldoende drinkwater, hittestress) Kleine kernen vitaal houden (leegloop platteland tegengaan) 26
Provinciale ruimtelijke voorstellen op de kaart
“Waardevol Groningen” is het uitgangspunt • •
Toename aantal ouderen (vergrijzing) Vervoersarmoede / basisbereikbaarheid garanderen
We stellen het ‘Frysk eigene’ voorop
VOORONTWERP NOTA RUIMTE • De opgaven waar Nederland voor staat zijn gebundeld in 3 ‘bewegingen’: (1) Beweging naar een toekomstbestendig evenwicht tussen landbouw en natuur; (2) Beweging naar een klimaatneutrale en circulaire samenleving; (3) Beweging naar sterke regio’s, steden en dorpen in heel Nederland. “We zetten in op het versterken van ruimtelijk-economische ontwikkeling in regio’s in het oosten, noorden en zuiden van Nederland.” “Zo stimuleren we de groei van regio’s als Groningen, Twente en Zuid-Limburg en richten we ons in regio’s als Zeeland en Friesland op het versterken van de leefbaarheid en beschikbaarheid van voldoende woningen en voorzieningen.” •
•
Recht doen aan volgende generaties: niet afwentelen. Goed voorouderschap is belangrijk. We schuiven problemen niet af naar elders of naar toekomstige generaties en we streven naar een eerlijke verdeling van de lusten en lasten. Recht doen aan schaarste: meervoudig ruimtegebruik. Ruimte is schaars en waardevol. Daarom zoeken we waar het kan naar mogelijkheden voor slimme functiecombinaties en naar efficiënt ruimtegebruik met behoud van ruimtelijke kwaliteit.
Verder bouwen aan een krachtige samenleving voor alle leeftijdsgroepen
27
•
•
•
•
•
Recht doen aan eigenheid van regio’s: gebiedskenmerken centraal. We beschermen en benutten wat er is en ontwikkelen nieuwe, onderscheidende ruimtelijke kwaliteit. We werken aan lokaal passende oplossingen. Naar een toekomstbestendig evenwicht tussen landbouw en natuur in heel Nederland, op basis van herstel van het water- en bodemsysteem, landschappelijke kwaliteit, en een nieuw perspectief voor de landbouw; Naar een klimaatneutrale en circulaire samenleving, zodat we toekomstbestendige transities inzetten ten aanzien van energie, grondstoffen en duurzaam vervoer, in combinatie met een hoogwaardige en circulaire economie; Naar sterke regio’s, steden en dorpen in heel Nederland, waar een goede balans tussen wonen, werken en voorzieningen samengaat met duurzame mobiliteit en een gezonde, natuurinclusieve en aantrekkelijke leefomgeving. Water en bodem sturend. Bij de locatiekeuze en inrichting van functies is een klimaatbestendige inrichting het uitgangspunt. We maken meer ruimte voor groen en water en minder voor verharding.
RUIMTELLIJK VOORSTEL. DIT IS GRONINGEN • “De kwaliteit van onze leefomgeving is het uitgangspunt van ons ruimtelijk voorstel. Wij noemen dat Waardevol Groningen.” • Het moet ten goede komen aan de inwoners van
• • • • •
Groningen. Wij maken ons sterk voor Stad én Ommeland. Brede Welvaart is ons kompas voor beslissingen. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan de Groninger identiteit. Maatregelen die we nemen zijn multifunctioneel en inpasbaar. We werken aan een gezonde en veilige leefomgeving, en hebben oog voor lange termijneffecten.
RUIMTELIJKE AGENDA PROVINCIE FRYSLÂN • We stellen het ‘Frysk eigene’ voorop. Balans tussen gebruikerswaarde, toekomstwaarde, belevingswaarde en herkomstwaarde. • Gezonde en veilige leefomgeving • Uitgaan van de lagenbenadering. Water en bodem sturend. • Waterrobuust bouwen en inrichten. • Meer groen en water en minder verharding. • Niet monofunctioneel hectares uitleggen, maar functies slim combineren, verweven of stapelen. • Verrommeling van het landschap voorkomen • Beter ruimtelijk benutten van stationsgebieden • Mobiliteit beheersen • Aantrekkelijk vitaal en leefbaar Fryslân. Aandacht voor de sociaal-economische opgave: bereikbare (zorg)voorzieningen, gevolgen van demografische ontwikkeling (zoals vergrijzing, minder jongeren en afnemende
beroepsbevolking), sociale samenhang en identiteit, gezondheid, voldoende passende woningen. RUIMTELLIJK VOORSTEL. BOUWEN AAN DE SAMENLEVING – FLEVOLAND • Verder bouwen aan een krachtige samenleving, met voldoende voorzieningen voor alle leeftijdsgroepen, waar de inwoners bestaanszekerheid hebben door goed onderwijs en een passend inkomen, en waar sprake is van een gezonde en veilige leefomgeving. • Robuust natuurlijk fundament • Inrichting watersysteem • Groen blauwe dooradering tbv biodiversiteit • Ontwikkelen van een natuurinclusieve samenleving • Efficiënt en duurzaam gebruik van de ruimte • Toekomstbestendige regionale economie • Toereikend energiesysteem • Toekomstbestendige landbouw • Verbetering woon-werkbalans • Vitale steden en dorpen • Groen in en om de stad • Levendige kernen en aantrekkelijke stadscentra, waarin alle leeftijdsgroepen zich thuis voelen
28
Gesprekskapstok NOVEX Lelylijn Op basis van projectdoelen Lelylijn; 15 opgehaalde opgaven; Nota Ruimte; en Ruimtelijke voorstellen Fryslân, Groningen en Flevoland.
Passend bij de lokale identiteit.
Toekomstbestendige (regionale) economie.
Zuinig (meervoudig) ruimtegebruik.
Waterrobuust en natuurinclusief.
Balans tussen
Eerlijke verdeling van de lusten en lasten.
Economische
Met oog voor lange
Bestand tegen de gevolgen
gebruikerswaarde,
Brede welvaart als kompas.
structuurversterking.
termijneffecten.
van klimaatverandering
•
Positief effect voor
•
Versterken economie
•
zowel stad als platteland
•
Wonen en werken in
toekomstwaarde, belevingswaarde en
en vergroten van de
herkomstwaarde. • •
•
•
Bestaanszekerheid
Recht doen aan
voor inwoners van
eigenheid (Frysk eigene;
alle leeftijden door
Waardevol Groningen)
goed bereikbare (incl.
Versterken van de kracht
passend en betaalbaar)
van steden, dorpen, cultuur en landschap. ruimte.
•
problemen. •
Functies slim en
•
Uitgaan van de
efficiënt combineren,
lagenbenadering. Water
verbinden kracht van
verweven of
en bodem sturend.
noordelijk Nederland.
stapelen in plaats
Beter verbinden van
van monofunctioneel
woningen, banen en
regio’s onderling (incl.
hectares uitleggen.
voorzieningen (o.a. zorg
Randstad en Duitsland).
•
•
•
•
Ruimte voor groen in en om de stad.
•
Verbeteren alternatieven
Meer groen en minder verharding.
Aantrekkingskracht op
van de auto (voorrang
jongeren vergroten
aan voetganger, fietser
Toereikend energie- en
en OV) om groei van
leefomgeving.
grondstoffensysteem
automobiliteit tegen te
en ecologische
Niet afwentelen op een
(circulair)
gaan.
verbindingen.
Gezonde, fijne en toekomstbestendige
•
biodiversiteit.
Beter benutten en
en onderwijs.
Behoud van rust en
balans •
Niet afwentelen van
volgende generatie.
•
•
Toekomstbestendige landbouw
•
•
Minder uitstoot van broeikasgassen.
•
Herstel van natuur
Verrommeling voorkomen.
29
4.2. Bevindingen integrale gesprek In maakdag 5 voerden we met overheden langs de lijn het gesprek over de denkrichtingen in relatie tot de lokale identiteit, eerlijke verdeling van de lusten en lasten, economische structuurversterking, zuinig (meervoudig) ruimtegebruik, water & natuur. Lessen uit de effectbepaling.. • Noordelijk Nederland is aan groot onderhoud toe. • Hogere dichtheid (is niet per se hoogbouw), houdt het verstedelijkt gebied betaalbaar en het stimuleert OV, lopen en fiets. • De IC-varianten van de Lelylijn laten de beste bereikbaarheidsresultaten zien. Vooral aanzienlijke verbetering bereikbaarheid op de niet-dagelijkse afstanden (>60 minuten reizen). • Uit verplaatsingsgedrag blijkt dat het stedelijk netwerk Noord-Nederland zich al aan het vormen is (Leeuwarden-Groningen-Assen-DrachtenHeerenveen-Sneek). Lelylijn kan dit proces verder
•
•
• •
aanjagen. Zonder Lelylijn nemen de verschillen in nabijheid tussen de Lelylijn-gemeenten en de stedelijke regio’s verder toe. Heerenveen en Drachten kunnen met het juiste programma op de juiste plek een forse sprong maken in nabijheid. Potentie voor fiets- (15-40%), bus- (25-70%) en treintrips (25-115%) gaat fors toenemen. Ontwikkeling autotrips kan afhankelijk van aanvullend te nemen maatregelenpakket twee kanten op (-15% - +25%). Afgelegde afstand neemt wel toe. We zien de grootste markt voor treintrips in de stad Groningen (40% !), de stad Leeuwarden (20%) en Flevoland (15%). Er zit een grens aan de schaalsprong voor kleine kernen (Leek, Lemmer). De Lelylijn is geen wondermiddel tegen alle problemen in het Noorden (vergrijzing, ontgroening, bereikbaarheid platteland) maar
kan wel een substantiële bijdrage leveren om de verschillen met de rest van Nederland te verkleinen. Als er geen Lelylijn komt.. • Slaat het evenwicht tussen regio’s nog meer de verkeerde kant op. • Missen we een katalysator/vliegwiel voor het ontwikkelen van nieuwe (ruimtelijke) kwaliteit
•
• •
en blijven bestaande barrières (in natuur- en watersysteem) bestaan. Gaat het mis bij de kwetsbare kleine kernen. Verder vergrijzen, ontgroenen, afhaken en indutten. En toenemende krimp in inwonerdichtheid. Blijft de nabijheid van banen en inwoners in Drachten en Heerenveen dorps. Schieten de alternatieven voor auto tekort en blijft flessenhals in Meppel kwetsbaar.
30
Wat zeker wel...
Wat zeker niet...
31
4.3. Verdieping WABOS, natuur en landschap We moeten voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering, op perioden met te veel en te weinig water. De emissie van stikstof en broeikasgassen moet verminderen en de wateren bodemkwaliteit en biodiversiteit moeten verbeteren. Deze natuur- en klimaatopgaven beïnvloeden ruimtelijke keuzes, zoals de Lelylijn en de daaraan gerelateerde ruimtelijke opgaven. Deze opgaven zijn met elkaar verbonden en worden tegelijkertijd gerealiseerd. We hebben een grote verstedelijkingsopgave, woningbouwopgave, energietransitie en opgave op het gebied van mobiliteit. De ruimtelijke ordening moet daarbij rekening houden met de werking van het water- en bodemsysteem. Het water- en bodemsysteem is niet toekomstbestendig ingericht. Door ons menselijk handelen (herverkaveling, waterpeilen, ontwatering, bebouwing, etc.) is het water- en bodemsysteem steeds meer gericht op afvoer van overtollig water ten behoeve van het beoogde (bovengrondse) gebruik. Dit gebruik is door de jaren intensiever geworden. Dit heeft geleid tot een zeer verregaande (detail)ontwateringstoestand van het landelijk en verstedelijkte gebied met structurele verdroging voor natuur en landbouw als gevolg, verzakkingen van gebouwen en funderingen, etc. Aan ons grondwateren bodemsysteem is schade toegebracht door (over)exploitatie, verontreiniging en vermesting.
Deze wijze van inrichting is voor de lange termijn
niet duurzaam en brengt ons in een neerwaartse spiraal (verslechtering van natuurwaarden en wateren bodemkwaliteit, toename van kosten om dit te beperken of te compenseren, toename van risico’s op wateroverlast/droogte, etc.) Het klimaat verandert, weersextremen nemen toe. Door klimaatverandering veranderen de omstandigheden. Stijging van concentraties broeikasgassen (zoals CO2, methaan en lachgas) zorgt voor stijging van de gemiddelde temperatuur op mondiaal niveau. In 2021 is op de VN-klimaattop afgesproken om de opwarming van de aarde onder de 2 graden Celsius te houden. Met de voorgestelde maatregelen die landen hebben aangekondigd, warmt de aarde naar verwachting op met 2,4 – 2,6 graden in 2050 (KNMI, 2022). De verandering van het klimaat heeft als gevolg dat de kans op extreme weersomstandigheden, zoals hitte, droogte en wateroverlast, toeneemt. De klimaatscenario’s uit 2023 (KNMI, 2023) laten zien dat we in het ergste geval in 2100 rekening moeten houden met 2,5 m zeespiegelstijging, een maximale toename van 24% van de neerslag in de winter en een maximale afname van 29% van de neerslag in de zomer. Ook de neerslagintensiteit en -hoeveelheid veranderen door klimaatverandering. Volgens het KNMI neemt de jaarneerslag toe met maximaal 68 mm en de uur neerslag neemt toe met 31%.
Het neerslagtekort in de periode april tot en met september dat eens in de tien jaar wordt overschreden, zal in 2100 toenemen met 30% naar 345 millimeter. De zwaarste zomerbuien
worden extremer en de kans op droge lentes en zomers wordt groter. De huidige situatie van onze ruimtelijke inrichting en werking van het water- en bodemsysteem is in veel gevallen niet bestand tegen de extreme weersomstandigheden. Landbouw en natuur ondervinden de gevolgen van droogte, de drinkwatervoorziening staat onder druk en de biodiversiteit neemt af. Deze gevolgen treden nu al op en zullen naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst vaker optreden. Als gevolg van klimaatverandering, en daarmee extreme situaties (droogte en overlast), wordt deze neerwaartse spiraal versneld. Enkele klimaateffecten lichten we eruit aangezien dit aanleiding vormt om vanuit water- en bodemsysteem 32
maatregelen te treffen voor de Lelylijn zelf en ruimtelijke ontwikkelingen rond de Lelylijn. Enkele klimaateffecten uitgelicht De zeespiegel stijgt. Naast een stijgende zeespiegel moet ook rekening worden gehouden met een hoger peil in het IJsselmeer als gevolg van een groter neerslagoverschot dat vanuit het IJsselmeer moet worden afgevoerd naar zee in combinatie met windwerking. Ook in de regionale systemen die afwateren naar zee en het IJsselmeer zullen peilen mogelijk stijgen. In het IJsselmeer zal het waterpeil na 2050 in de zomer mogelijk met 0,30 m worden opgezet en naar 2100 mogelijk meer om in de zomerperiode over voldoende water voor aanvoer naar Noord- en Oost Nederland te kunnen beschikken. Naast een toename van inwoners, woningbouw en kapitaal zorgen de hogere peilen op zee, in het IJsselmeer en in de regionale watersystemen voor een toename van het overstromingsrisico. Door versterkingen van de waterkeringen kan het overstromingsrisico worden beperkt. De dijken beschermen de lagergelegen delen van ons land tegen overstromingen tot een bepaald beschermingsniveau. Door aanwezige dijken voelen mensen zich veilig. Investeringen en aantallen bewoners in het overstroombare gebied nemen hierdoor toe. Ook in de toekomstige situatie is het nodig dat door versterking van waterkeringen de waterveiligheid wordt verhoogd. Dit houdt de vicieuze
cirkel in stand. Er treden hogere hoogwaterstanden op. Als gevolg daarvan neemt het overstromingsrisico toe. Als gevolg van aanwezige bebouwing achter de dijken is de ruimte voor dijkversterking binnendijks beperkt. De lage delen van het land kunnen ook onderlopen vanuit het regionale systeem. Dit doet zich voor als regionale waterkeringen bezwijken. De kans daarop is groter dan op een doorbraak van een primaire kering, maar de gevolgen zijn beperkt. Het is nodig dat zowel primaire als regionale keringen in de toekomst worden versterkt. Woningbouwplannen en toename van grootschalige stedelijke ontwikkelingen in overstroombaar gebied, zorgen voor toenemende kwetsbaarheid voor overstromingen, en dus een grotere afhankelijkheid van de waterkeringen. De bodem daalt bijna overal in gebieden waar veen in de bodem voorkomt. Dit geldt voor zowel plaatsen waar veen dicht aan de oppervlakte voorkomt in veenweidegebieden of dieper in de ondergrond, zoals in de Noordoostpolder en de Flevopolder. Waar veen dieper in de bodem voorkomt zoals in de Flevopolder en de Noordoostpolder is dit proces een gevolg van de ontginningen in het midden van de vorige eeuw. In laagveengebieden in Fryslân en Groningen ontstaat dit doordat we voor de gebruiksfuncties het waterpeil kunstmatig verlagen en daarmee de grondwaterstand. Dit leidt tot bodemdaling en CO2-emissie door veenoxidatie.
Door de verlaging van maaiveld wordt nieuwe peilverlaging geïntroduceerd waardoor opnieuw verlaging van het peil plaatsvindt. Dit proces van waterpeilverlaging, gevolgd door bodemdaling,
is al eeuwen bezig. Het door doorbreken van deze vicieuze cirkel is het probleem. Op de zandgronden zoals aanwezig op het Drents plateau en uitlopers daarvan naar de Noordoostpolder, Fryslân en Groningen is een grote verscheidenheid aan functies aanwezig die verschillende eisen aan het wateren bodemsysteem stellen. Het intensieve gebruik door landbouw leidt tot versnelde afvoer van overtollig water in de winterperiode (o.a. door landbouwdrainage), onttrekking van grondwater voor drinkwater en beregening. Hierdoor dalen grondwaterstanden en ontstaan knelpunten, zoals droogte en versnelde afvoer. De waterkwaliteit is slecht als gevolg van overmatig gebruik, afspoeling en uitspoeling van nutriënten en bestrijdingsmiddelen naar grond- en oppervlaktewater en beperkte bindingscapaciteit van zandgronden. Langs de flanken van hellende gebieden en op plaatsen met ondiep ondoorlatende lagen (zoals keileem) treedt periodiek wateroverlast op als gevolg van neerslag. De stedelijke gebieden hebben een groot verhard oppervlak. Extreme weersomstandigheden hebben veel effecten in stedelijk gebied. Water stroomt af richting de laagst gelegen delen en zorgt voor wateroverlast. De bodem neemt weinig water op en de verharding houdt warmte vast wat leidt tot hittestress en droogtestress.
Het watersysteem in de stedelijke gebieden is, ondanks verbeteringen in de vorm van berging en vertraagde afvoer die de afgelopen decennia zijn doorgevoerd, vooral nog 33
gericht op afvoer van overtollig neerslagwater door een stelsel van riolen en watergangen. Bij extreme neerslag speelt dit stelsel maar een kleine rol in de opvang van water. Als gevolg van emissies uit riolering in stedelijke gebieden staat de waterkwaliteit in en rond stedelijk gebied onder druk. Inbreiding zorgt ervoor dat de druk op het bestaande areaal groen en water in de stad toeneemt. Als gevolg van bevolkingsgroei zal de vraag naar drinkwater toenemen terwijl we schoon drinkwater voor laagwaardige toepassingen gebruiken, zoals voor toiletspoeling en het besproeien van de tuin. Het tekort zal bij hierdoor alleen maar groter worden. Water en bodem sturend in de ruimtelijke inrichting Om de neerwaartse spiraal te doorbreken, hebben we een klimaatrobuuste inrichting van ons water- en bodemsysteem nodig. Dit betreft een systeem dat ingericht is op: • Het vasthouden van water, zodat voldoende water beschikbaar is voor consumptie, gewassen en natuur; • Het bergen van water bij extreme neerslag om het benedenstroomse watersysteem niet te overbelasten; • Het verhogen van de water- en bodemkwaliteit, bedreigingen zoals verontreiniging te voorkomen en de bodemgezondheid te herstellen en te beschermen. Een robuuste inrichting houdt ook in dat niet alles kan op en onder het maaiveld. We moeten
concessies doen in het gebruik óf aanpassingen doen aan onze inrichting. Ook moeten we ons bewust zijn dat we wateroverlast en tekorten niet altijd kunnen voorkomen. Om te voorkomen dat het water- en bodemsysteem verder uit balans raakt en de negatieve effecten op onze leefomgeving groter worden, is het noodzakelijk dat water en bodem een sturende rol hebben in ruimtelijke planvorming. Principes ‘water en bodem sturend’ Om in de toekomst op een duurzame, leefbare en veilige manier samen te leven, is een transitie naar een robuust water- en bodemsysteem nodig. Dit vraagt aanpassingen in onze ruimtelijke inrichting. Naast feitelijk meer ruimte vraagt dit ook betere afstemming van de functie en gebruik op de draagkracht van het water- en bodemsysteem. Daarom is het nodig om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Wat ‘water en bodem sturend’ betekent, is uitgewerkt in onderstaande principes, deze zijn gebaseerd op de Kamerbrief Water en Bodem sturend van het Rijk (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2022). We korten Water en bodem sturend af tot WABOS. 1. Niet afwentelen. Bij ontwikkelingen wentelen we negatieve effecten niet af op toekomstige generaties (tijd), naar andere gebieden (ruimte) en van privaat naar publiek (in kosten).
Dit principe volgt uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2020). Niet afwentelen naar andere generaties (in tijd): dit betekent nu rekening houden met belasting
van het huidige systeem, klimaatverandering en beheerkosten in de toekomst. Door ruimte in te nemen voor bijvoorbeeld woningbouw of infrastructuur, op plaatsen waar we als gevolg van klimaatverandering in de toekomst ruimte nodig hebben, zadelen we toekomstige generaties op met een probleem. Niet afwentelen naar andere gebieden of functies (in ruimte): acties op een bepaalde locaties (zoals afstromen van verontreinigd regenwater in bebouwd gebied) mogen niet leiden tot effecten op een andere locatie (bijvoorbeeld wateroverlast en verslechtering van de waterkwaliteit). Niet afwentelen van privaat naar publiek (in kosten): door bij investeringen voldoende rekening te houden met bijvoorbeeld klimaatverandering, bodemdaling en watervervuiling worden de kosten hiervoor nu meegenomen en niet in de toekomst weggezet. Een voorbeeld is onvoldoende rekening te houden met het water- en bodemsysteem bij het bouwrijp maken van een gebied, waardoor we kosten afwentelen op overheden en bewoners die in de toekomst geconfronteerd worden met instandhouding van woningen, funderingen, wegen en leidingen. 2. Meer rekening houden met extremen. In beleid, ruimtelijke inrichting en het ontwerpen van maatregelen houden we veel meer rekening met bovennormatieve weersextremen die horen bij klimaatverandering. Bijvoorbeeld extreme regenval incidenten, zoals de buien in Limburg in 2021.
Door in de ruimtelijke inrichting meer flexibiliteit en veerkracht in te bouwen kan beter omgegaan worden met deze extremen. Hiervoor kunnen klimaatrobuuste 34
ontwerpprincipes gehanteerd worden. Zo geven de Landelijke maatlat voor groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving (BZK, IenW en LNV 2023) en Handreiking Groen in en om de Stad (BZK, LNV, 2024) hier al verreikende handvatten voor.