CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T26.01633] Wijziging omgevingsplan 'Molenweg 59' TAM-IMRO te Berkel en Rodenrijs.

Commissie Ruimte 19 mei 2026, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplanwijziging “Molenweg 59” te Berkel en Rodenrijs28.359 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico's worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden.

pagina 29 van 52

Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

6.5.2 Toetsing Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied blauwe druppel (bron: Atlas Leefomgeving)

Buisleidingen Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich op circa 400 m een buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De planlocatie bevindt zich niet binnen brand-, explosie en/of gifwolkaandachtsgebied van deze leiding.

Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt op circa 2,2 km van de A13. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet 'weg', wat het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze route mogelijk maakt. De planlocatie ligt niet binnen het brand-, explosie en/of gifwolkaandachtsgebied van deze weg.

Inrichtingen De planlocatie ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van Huntsman Holland BV. Bij een eventuele gifwolk kan de mechanische ventilatie waarvan de woning voorzien is worden uitgeschakeld.

pagina 30 van 52

6.5.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

6.6 Geluid door activiteiten 6.6.1 Kaders De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024' gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten' wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.

Zones, waarden en afstanden Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd' toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt' toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.

6.6.2 Toetsing Omdat de gemeente Lansingerland vooralsnog niet beschikt over een volledig omgevingsplan zijn er nog geen geluidzones opgenomen conform Activiteiten en milieuzonering 2024. Daarom is ervoor gekozen voorlopig uit te gaan van de richtafstanden uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering'. Omdat het plangebied zich bevindt in een gebied waar zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties voorkomen wordt uitgegaan van een gemengd gebied.

Met voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een functiewijziging. De positie en het oppervlak van het bouwvlak wijzigen wel. Het bouwvlak komt daarbij, net als in de huidige situatie, in de milieucontouren te liggen

pagina 31 van 52

van een activiteit met teelt van groenten, bloemen en champignons aldus het bestemmingsplan Molenweg e.o. Aangezien de kas wordt gehuurd door Koppert BV (bedrijf in biotechnologie), is de feitelijke situatie naar verwachting anders dan de wettelijke situatie. In de feitelijke situatie is het gebouw een kas (met/zonder gasverwarming), waarvoor volgens de VNG-richtafstandenlijst een richtafstand van 10 m in gemengd gebied geldt. Het aspecten geluid vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief.

6.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het geluid van activiteiten in de omgeving geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in het plangebied en dat de omliggende bedrijven niet gehinderd worden in hun bedrijfsvoering.

6.7 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 6.7.1 Kaders De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

Het

^

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

^

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

^

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

^

gebouw voor kinderopvang met bedden;

^

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

geluidaandachtsgebieden, waarbij

gebouwen

instructieregels gelden.

gebeurt

aan

de

hand

van

De volgende geluidbronsoorten

vastgestelde hebben

een

aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

6.7.2 Toetsing Een woning is een geluidsgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig gebouw dient aangetoond te worden dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarden. Daarom worden navolgend de relevante geluidbronnen beschouwd.

Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt op ruime afstand van omliggende (gemeentelijke) wegen ^ 100 m) waardoor akoestisch onderzoek naar wegverkeer niet aan de orde is. Overschrijdingen van de standaardwaarde liggen niet in de lijn der verwachting.

pagina 32 van 52

10

Railverkeerslawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Deze geluidsbron is dan ook niet relevant.

Geluidgezoneerde industrieterreinen In en rondom het plangebied bevinden zich geen geluidgezoneerde industrieterreinen.

6.7.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen geen belemmering voor het plan vormt.

6.8 Geur 6.8.1 Kaders Er bestaan diverse activiteiten waar geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.

In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente kan bij een wijziging van het omgevingsplan waar nodig één of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.

6.8.2 Toetsing Direct ten noorden van het plangebied zijn kassen gevestigd. De kassen staan op ca. 24 m van de beoogde woning. Conform de VNG-richtafstandlijst geldt voor het aspect geur dat kassen direct naast woningen kunnen staan (richtafstand 0 m in gemengd gebied). Overlast van geur is daarmee uitgesloten.

Andere geurbronnen dan activiteiten in kassen, zoals zuiveringstechnische werken of het houden van landbouwhuisdieren, zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig.

6.8.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat geur geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in het plangebied.

pagina 33 van 52

6.9 Gezondheid 6.9.1 Kaders In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan het aspect gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema's. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid kan in het omgevingsplan worden vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.

6.9.2 Toetsing Het plan wordt gerealiseerd in een gebied waar diverse functies aanwezig zijn, maar waar glastuinbouw en wonen de boventoon voeren. Er is sprake van een goede gezondheid van bewoners indien er voldoende ruimte is voor beweging, groen en water aanwezig is, geen schadelijke stoffen tot in het plangebied reiken en de temperatuur aangenaam is. Van functies in de omgeving zijn geen gifstoffen te verwachten. In kassen worden nog wel eens gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Omdat kassen zo goed als gesloten systemen zijn ontstaan er geen spuitzones richting de omgeving.

Uit de klimaateffectatlas blijkt dat het stedelijk hitte eiland effect rondom het plangebied niet aan de orde. Er zijn in de omgeving daarnaast voldoende koele plekken aanwezig. Voorts beschikt het woonperceel over een ruim erf, waardoor er voldoende mogelijkheden zijn om verkoelend groen aan te brengen.

6.9.3 Conclusie Vanuit de leefomgeving zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid van bewoners geborgd.

6.10 Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante (beschermingszones van) leidingen zoals

rioolpersleidingen

of

hoofdwatertransportleidingen

gelegen.

Er

bevinden

zich

ook

geen

(beschermingszones van) hoogspanningsverbindingen in de omgeving van het plangebied.

Hiermee vormt het aspect leidingen geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

6.11 Klimaatadaptatie 6.11.1 Kaders In het huidige wettelijke stelsel bestaan geen verplichtingen voor klimaatadaptief bouwen. Wel biedt het al veel mogelijkheden aan decentrale overheden om klimaatadaptief bouwen juridisch te borgen. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die in paragraaf 5.2.1 aan bod is gekomen, is een beschouwing van de risico's van klimaatverandering verplicht gesteld

in

artikel 7.41b.

De gemeente

Lansingerland

klimaatadaptatie beleid vastgelegd in de Ruimtelijke adaptatiestrategie Lansingerland.

pagina 34 van 52

heeft haar eigen

Ruimtelijke adaptatiestrategie Lansingerland De ruimtelijke adaptatiestrategie richt zich op klimaatadaptatie: het aanpassen van de leefomgeving en van ons gedrag aan de effecten van klimaatverandering. Uit de klimaatstresstest blijkt dat verschillende plekken in Lansingerland kwetsbaar zijn voor klimaatstress. Op sommige plaatsen is er alleen wateroverlast, hittestress of droogte, maar op andere locaties ziet de gemeente ook combinaties hiervan. De doelstelling van de gemeente is de verschillende knelpunten op te lossen om in 2050 zo klimaatbestendig mogelijk ingericht te zijn.

6.11.2 Toetsing In paragraaf 5.2.1 is ingegaan op de risico's van klimaatverandering en wat voor gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige klimaatrisico's zijn. Uit de klimaatstresstest van de gemeente Lansingerland zijn voor de Molenweg e.o. geen specifieke knelpunten naar voren gekomen. Specifieke maatregelen om effecten van klimaatverandering te verminderen worden dan ook niet nodig geacht.

6.11.3 Conclusie De risico's van klimaatverandering vormen geen belemmering voor het initiatief.

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking 6.12.1 Kaders De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

6.12.2 Toetsing Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Voorliggend plan heeft slechts betrekking op de sloop/nieuwbouw en verplaatsing van een woning. Derhalve is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeven de ‘treden van de ladder' niet doorlopen te worden.

pagina 35 van 52

6.12.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

6.13 Licht 6.13.1 Kaders Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Assimilatiebelichting wordt in het Bal gezien als een milieubelastende activiteit. Hierin zijn regels rond assimilatiebelichting opgenomen. Deze regels gelden het hele jaar en zijn niet gekoppeld aan een belichtingsvermogen in de betreffende kas. De regels zijn terug te vinden in ş 4.75 van het Bal.

6.13.2 Toetsing Het plangebied ligt naast enkele kassen. Bij kassen kan lichthinder door assimilatiebelichting aan de orde zijn. Voor kassen groter dan 2.500 m2 geldt dat er geen lampen zichtbaar mogen zijn buiten de kas (bron: DCMR). Op een afstand van 10 m van de gevel moet de lichtuitstoot met 950Zo afnemen. Aangezien de woning op minimaal 20 m afstand komt te staan is hier geen lichthinder te verwachten.

6.13.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat lichthinder door omliggende kassen niet aan de orde is.

6.14 Luchtkwaliteit 6.14.1 Kaders De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 jg/mrô. Dat is 30Zo van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

pagina 36 van 52

6.14.2 Toetsing De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CILMK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 pg/irP voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2021 (receptor 27364178_59) van fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 14,8 pg/irP voor PM10, 7,6 pg/irP voor PM2,5 en 15,1 pg/irP voor NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.

6.14.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.15 Mobiliteit 6.15.1 Kaders Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden

pagina 37 van 52

101

verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

6.15.2 Toetsing Verkeer Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een functiewijziging of toename van het aantal woningen. Derhalve neemt de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet toe.

Parkeren Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in het 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland'. Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernorm van het CROW. In de nota is het plangebied aangemerkt als 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk'. Voor de bebouwde kom in Lansingerland geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen voor een vrijstaande koopwoning. Afgerond komt dit uit op 3 parkeerplaatsen. Op het perceel is voldoende ruimte beschikbaar om in dit parkeeraanbod te voorzien.

6.15.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een passende verkeers- en parkeersituatie.

6.16 Natuur en ecologie 6.16.1 Kaders Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.

Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese

Vogel- en

Habitatrichtlijn

beschermt

Natura 2000-gebieden.

Per

Natura 2000-gebied zijn

(instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.

pagina 38 van 52

In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

^

aanwezige dier- en plantensoorten;

^

typen natuurlijke habitats;

^

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.

Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

^

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

^

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Inrichten gemeente Lansingerland De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier.

In de Omgevingsvisie 1.0 (T22.00152) heeft de gemeente daarom uitgesproken te werken aan een toekomstbestendige en natuurinclusieve leefomgeving, met oog voor biodiversiteit en natuurwaarden. Om dit voor elkaar te krijgen, wil de gemeente dat ieder project bijdraagt aan het zorgen voor en behouden van een natuurinclusieve en biodiverse leefomgeving.

pagina 39 van 52

De gemeente heeft regels opgesteld om natuurinclusief bouwen concreet te maken voor bouwprojecten (nieuwbouw en ingrijpende renovatie). Om dit voor ieder project te toetsen, is er een toetsingssysteem met een toetsingsformulier. Dit systeem geeft duidelijkheid hoe je kunt voldoen aan de regels voor natuurinclusief bouwen.

6.16.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling ziet toe op werkzaamheden die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor beschermde soorten en gebieden. De huidige woning wordt immers gesloopt. Dit betreft een flora- en fauna-activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een ecologische quickscan uitgevoerd (Blom Ecologie, 2025-0767, d.d. mei 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek weergegeven.

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' ligt ca. 17 km ten noorden van het plangebied. Door de ruime afstand tot dit Natura 2000-gebied zijn verstorende effecten zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring uitgesloten. Om ook stikstofeffecten uit te kunnen sluiten is een berekening met de AERIUS Calculator gemaakt (zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Hieruit blijkt dat de bijdrage van het plan niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j. Er is dan ook geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit vereist.

Soortenbescherming Naar aanleiding van de ecologische quickscan is gebleken dat het plangebied geen geschikt leefgebied, voortplantingslocatie of verblijfslocatie voor beschermde soorten vormt. De beoogde ontwikkeling en de bijbehorende werkzaamheden leiden niet tot aantasting van functionele leefomgevingen en vaste rust- en/of verblijfslocaties van beschermde soorten. In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna.

De gemeente Lansingerland hanteert het 'Plantoetsingskader en Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen en Inrichten' voor ontwikkelingen. Deze is ingevuld door de initiatiefnemer en er zijn 24 van de 16 punten behaald. Er wordt ingezet op de doelsoorten weidehommel en egel door rond het perceel diverse hagen aan te planten, een kruidenrijk grasland langs de watergang in te zaaien en door nog wat extra bomen aan te planten. Met snoeihout wordt voorzien in een veilige faunapassage.

Houtopstanden Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van effecten op houtopstanden.

6.16.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de natuurregelgeving van de Omgevingswet. Uit de quickscan blijkt dat er geen omgevingsvergunning flora-fauna activiteit noodzakelijk is.

pagina 40 van 52

101

6.17 Omgevingsveiligheid 6.17.1 Kaders Onplofbare oorlogresten Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks Ontplofbare Oorlogsresten (hierna: OO) gevonden. Onder OO wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden OO ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 100Zo en onder water 150Zo niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.

Sociale veiligheid De leefomgeving is van invloed op de sociale veiligheid in een gebied. Aspecten die hier van invloed op kunnen zijn betreffen verlichting, zicht op een locatie en kwaliteit van gebouwde objecten.

6.17.2 Toetsing Onplofbare oorlogsresten Berkel en Rodenrijs ligt niet in een zone die verdacht is op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.

Sociale veiligheid In de omgeving zijn voldoende woningen aanwezig. Een goede sociale veiligheid is daarmee geborgd.

6.17.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de omgeving voldoende veilig is.

6.18 Rotterdam The Hague Airport Het plangebied ligt niet in gevaren- of geluidszones van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport. Een nadere beschouwing hiervan is dan ook niet vereist.

6.19 Slagschaduw van windturbines Het plangebied ligt niet in de nabijheid van windturbines. Een nadere beschouwing van dit aspect is dan ook niet vereist.

pagina 41 van 52

6.20 Stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit 6.20.1 Kaders Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed.

6.20.2 Toetsing Onderhavig plan ziet enkel toe op de sloop/nieuwbouw en beperkte verplaatsing van een woning. Daarmee heeft dit maar beperkt invloed op de stedenbouwkundige structuur en het landschap. De ruimtelijke kwaliteit verbetert doordat een verouderde, rommelige woning wordt vervangen door een woning met een eigentijds ontwerp.

6.20.3 Conclusie Het plan doet geen afbreuk aan het stedenbouwkundig samenstel en de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waardoor het plan goed inpasbaar is.

6.21 Trillingen 6.21.1 Kaders De fysieke leefomgeving kan nadelige gevolgen ondervinden van trillingen. Het Rijk stelt regels om trillinghinder te voorkomen. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op door het Rijk aangewezen trillinggevoelige gebouwen.

Uit de taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet) volgt dat, ook voor gebouwen en locaties die niet door het Rijk zijn aangewezen, het aspect trillingen in sommige gevallen van belang is. Vaak is een beperkt beschermingsniveau acceptabel en zijn specifieke regels niet nodig. In bepaalde situaties is een motivatie van de bescherming nodig. Op basis van de ‘Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen’ kan het onderzoeksgebied bepaald worden. Bij nieuwbouw is een onderzoek naar trillingen binnen 100 meter van de bron de norm. Behalve het beschermen van gebouwen kan ook het beschermen van bepaalde locaties wenselijk zijn.

Er kan voor het bepalen of er sprake is van onevenredige trillinghinder worden aangesloten bij de door de Stichting Bouwresearch (SBR) opgestelde richtlijn ‘Hinder voor personen in gebouwen 2006’. Deze richtlijn, die grotendeels aansluit bij internationale richtlijnen, gaat in op schade aan gebouwen, op hinder voor personen in gebouwen en op storing aan apparatuur. Naast aandacht voor de meting van trillingen bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. In de richtlijn zijn streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen opgenomen. Overschrijding van deze waarden leidt tot een reële kans op hinder. De trillingsfrequentie en trillingsintensiteit moeten worden bepaald als de trillingsbron in werking is. Daarna kan een beoordeling of toetsing aan de streef-, standaard- en grenswaarden plaatsvinden. Achteraf worden de uitkomsten omgerekend om de trillingen te toetsen aan de beoordelingscriteria. Dit gebeurt bijvoorbeeld op het einde van de werkdag of na een

pagina 42 van 52

referentieperiode. Daarnaast kunnen trillingen in gebouwen berekend worden met gegevens van de trillingsbron, de afstand tussen bron en ontvanger of de kenmerken van de bodem en de gebouwen. Dit kan onder andere worden toegepast bij het beoordelen van toekomstige situaties, zoals mogelijke nieuwbouw langs een spoorweg.

6.21.2 Toetsing In de omgeving zijn geen trillingsbronnen aanwezig die trillingshinder voor de toekomstige bewoners kunnen veroorzaken.

6.21.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het trillingsniveau ter plaatse aanvaardbaar is.

6.22 Water 6.22.1 Kaders Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma's vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.

Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

pagina 43 van 52

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 10 maart 2022 heeft de Verenigde Vergadering van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is een strategisch document dat de richtlijnen en maatregelen voor waterbeheer in de regio vastlegt. De belangrijkste doelstellingen van het programma zijn:

^

Schoon en Gezond Water: Het waarborgen van de waterkwaliteit door effectieve zuivering en beheer van waterlichamen.

^

Waterpeilbeheer: Het handhaven van de juiste waterpeilen om zowel overstromingen als droogte te voorkomen.

^

Dijk- en Duinonderhoud: Versterken en onderhouden van dijken en duinen om de veiligheid te waarborgen.

Het WBP6 is georganiseerd rond verschillende thema's, waaronder:

^

Samenwerking in de Waterketen: Het bevorderen van samenwerking tussen verschillende partijen die betrokken zijn bij waterbeheer.

^

Transitie van de Waterketen: Innovaties en veranderingen in de waterketen om aan de toekomstige behoeften te voldoen.

^

Afvalwaterbeheer: Effectief transporteren en zuiveren van afvalwater.

Het programma bevat specifieke maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de waterkwaliteit, het verhogen van de waterveiligheid en het bevorderen van duurzaamheid. Dit omvat investeringen in infrastructuur en technologieën voor waterbeheer.

Waterschapsverordening Delfland De meest recente versie van de Waterschapsverordening Delfland is op 1 september 2025 in werking getreden. De waterschapsverordening vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij het Hoogheemraadschap van Delfland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de verordening horen is dit nader uitgewerkt.

Weging van het waterbelang De uitgangspunten van goed waterbeheer heeft HHD opgenomen in de Handreiking weging van het waterbelang voor gemeenten. Het is de bedoeling dat ruimtelijke ontwikkelingen getoetst worden aan deze handreiking.

6.22.2 Toetsing Veiligheid en waterveiligheid Het plangebied is niet gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Wel ligt het plangebied deels in een afwijkend peilgebied (GPG2008BKL XIII), waarmee HHD schade aan woningen, landbouw en natuur voorkomt.

pagina 44 van 52

un

Waterkwantiteit De opgave is berekend met de watersleutel.

Daarbij is uitgegaan van de verharde en onverharde

oppervlakten zoals weergegeven in de navolgende afbeelding.

Y777777777Á Overzicht verharding toekomstige situatie (bron: Houweling Architecten)

De wateropgave voor de woning met erf bedraagt 0 m2 in de vorm van oppervlaktewater, of 0 m3 in de vorm van bergingsmaatregelen. Dat komt doordat de situatie sterk verbetert ten opzichte van de huidige situatie. De berekening (ingevulde watersleutel) is toegevoegd als bijlagen bij toelichting bijlage 3.

De gemeente Lansingerland heeft het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend, waardoor de Minimale Eisen uit het convenant van toepassing zijn. De Minimale Eisen en de watersleutel worden naast elkaar gehanteerd. Alleen de grootste opgave hoeft gerealiseerd te worden. Uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen komt de eis voort dat 50 mm/irŕ/uur neerslag op eigen terrein dient te worden geborgen. De berging wordt berekend op basis van de oppervlakte van verhard oppervlak, omdat aangenomen wordt dat het groene oppervlak de neerslag die hierop valt bergt. In de toekomstige situatie is ca. 161 m2 verhard oppervlak aanwezig. Dit leidt tot de volgende eis: (161*50/1000^ 8,1 m3. Dat staat gelijk aan ongeveer 41 m2 oppervlaktewater. Om aan de wateropgave te voldoen graaft de initiatiefnemer ca. 275 m ten noordwesten van het plangebied 41 m2 extra wateroppervlakte bij een bestaande watergang, zoals weergegeven op navolgende afbeelding.

pagina 45 van 52

Locatie watercompensatie

Deze watergang bevindt zich binnen hetzelfde peilgebied. Voor het vergroten van de watergang zal een vergunning bij HHD worden aangevraagd.

Bodem en grondwater Uit het Dinoloket blijkt dat het grondwater ter plaatse hoog is. Delfland adviseert een drooglegging van 1,2 m, met een minimum van 1 m. Het geldende waterpeil voor het peilgebied waarin het plangebied zich bevindt bedraagt 5,28 m. Uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (hierna: AHN) blijkt dat de maaiveldhoogte ter plaatse van de beoogde woning ca. -4,3 m bedraagt. Daarmee is het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld ca. 0,98 m. Daarmee wordt net niet voldaan aan de vereiste drooglegging van 1 m, maar het komt er dicht bij in de buurt. Door het maaiveld ter plaatse van de woning slechts met 2 cm op te hogen wordt aan de vereiste drooglegging voldaan. De initiatiefnemer is voornemens dit te doen.

Waterkwaliteit Bij de bouw van de woning wordt niet voorzien in maatregelen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. Zo wordt geen gebruik gemaakt van uitloogbare materialen. Ook in de permanente situatie, waarbij het hemelwater dat op de woning valt wordt afgevoerd op de bestaande watergangen, worden geen uitloogbare materialen toegepast.

Onderhoud en bagger De watergang aan de zuidzijde van het plangebied wordt als primaire watergang aangemerkt, en die aan de oostzijde als secundaire watergang. De onderhoudsverplichting voor de primaire watergang ligt bij HHD, die voor de secundaire watergang bij de initiatiefnemer. De beoogde woning komt, in tegenstelling tot de bestaande woning, buiten de beschermingszones van de oppervlaktewaterlichamen te staan.

Klimaatadaptatie In paragraaf 6.11 zijn de risico's van klimaatverandering reeds aan bod gekomen. Om te voldoen aan de vereiste compensatie wordt door de initiatiefnemer extra oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied aangelegd.

pagina 46 van 52

on

Brug De brug naar het perceel wordt niet vervangen, waardoor in dat kader geen melding of vergunning nodig is.

6.22.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve gevolgen voor het watersysteem heeft.

pagina 47 van 52

7 Juridische aspecten 7.1 Inleiding Het omgevingsplan is wezenlijk anders dan het bestemmingsplan. Dit is allereerst het gevolg van de bredere reikwijdte, maar ook de ruimere afwegingsruimte bij het stellen van regels, het ontbreken van de (uitdrukkelijke) eis van uitvoerbaarheid en het loslaten van het limitatief-imperatieve stelsel van vergunningverlening. Dit maakt ook dat er niet meer met een gedetailleerde verbeelding gewerkt hoeft te worden.

Wat centraal staat bij het omgevingsplan, en een belangrijk verschil met de manier waarop we voorheen naar ruimtelijke plannen keken, is het stellen van regels over activiteiten in plaats van het toekennen van bestemmingen aan gronden. Wanneer iemand een activiteit in de fysieke leefomgeving wil ondernemen, wordt deze getoetst aan de regels van het omgevingsplan. Dit kan een toetsing aan open (kwalitatieve) dan wel gesloten (kwantitatieve) normen zijn, maar bijvoorbeeld ook een algemene regel over de toelaatbaarheid van de activiteit. Deze regels zijn gekoppeld aan een werkingsgebied, en daarmee aan de plaats waar de activiteit plaatsvindt. Dat kan de hele gemeente zijn, maar ook alleen een specifieke locatie.

7.2 Wijziging van het omgevingsplan Voor onderhavig plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMROstandaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.

Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.

7.3 Omgevingsplan Lansingerland Met de regels is zoveel mogelijk aangesloten op het in opbouw zijnde (definitieve) omgevingsplan voor Lansingerland. Het deel voor bestaande woonwijken, genaamd 'Bouwsteen 1' is op 17 juli 2025 vastgesteld en op 1 september 2025 in werking getreden. Hierin wordt een structuur van de regels opgebouwd die ook van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. In het omgevingsplan gaat de gemeente uit van de activiteitgerichte benadering. Dit houdt in dat de regels zijn ingedeeld in de soort activiteiten die het betreft, zoals gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en milieubelastende activiteiten. Gedurende de procedure zal ook het gemeentebrede omgevingsplan verder worden doorontwikkeld en mogelijk worden ondertussen ook

pagina 48 van 52

10

andere wijzigingen van het omgevingsplan voorbereid. Uiteindelijk komen al deze wijzigingen samen in één omgevingsplan Lansingerland dat verder wordt uitgerold over het gemeentelijk grondgebied.

pagina 49 van 52

8 Haalbaarheid 8.1 Financieel economische uitvoerbaarheid Voor de financieel economische uitvoerbaarheid is het van belang dat de initiatiefnemer het plan kan bekostigen.

8.2 Kostenverhaal 8.2.1 Kaders Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financ^e bijdrage gebiedsontwikkeling' worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

8.2.2 Toetsing Onderhavig plan heeft betrekking op de bouw van een gebouw met een woonfunctie. Dit is conform 8.13 sub a een kostenverhaalplichtige activiteit. De gemeente en initiatiefnemer zullen dan ook een anterieure overeenkomst sluiten.

8.3 Nadeelcompensatie Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden. Onder de Omgevingswet is het omgevingsplan niet langer het schadeveroorzakende kader. Desalniettemin zal de nadeelcompensatie worden geregeld in de anterieure overeenkomst.

pagina 50 van 52

9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Participatie De initiatiefnemer heeft het planvoornemen actief afgestemd met omwonenden. Een verslag van de participatie is toegevoegd als bijlagen bij toelichting bijlage 4.

9.2 Belangen andere bestuurslagen en ketenpartners Er spelen ter plaatse maar in beperkte mate belangen van andere bestuurslagen en ketenpartners. Eventuele reacties van deze partijen worden hier te zijner tijd weergegeven.

9.3 Zienswijzen Het ontwerp wijziging omgevingsplan heeft van 25 december 2025 tot en met woensdag 4 februari ter inzage gelegen. In deze periode is een zienswijze van het Hoogheemraadschap van Delfland ontvangen. Zij vroegen om een nadere beschouwing van de watercompensatie en hemelwaterafvoer. Om hieraan tegemoet te komen is paragraaf 6.22.2 aangevuld.

pagina 51 van 52

10 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop/nieuwbouw en verplaatsing van de woning Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs. De huidige woning, die in slechte staat verkeerd wordt gesloopt en maakt plaats voor een nieuwe, moderne woning. De nieuwe woning voldoet aan alle hedendaagse maatstaven op het gebied van duurzaamheid, waardoor het energieverbruik afneemt. Bovendien komt de betere beeldkwaliteit van de woning de ruimtelijke kwaliteit ten goede. Er worden tevens door de initiatiefnemer diverse maatregelen getroffen om de biodiversiteit op het perceel te bevorderen. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Om ook de belangen van omwonenden mee te kunnen wegen in het besluit zijn de omwonenden geraadpleegd door de initiatiefnemer. Hieruit zijn geen bezwaren voortgekomen. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen knelpunten voort.

Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.

pagina 52 van 52

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Berkel en Rodenrijs, Molenweg 59

Colofon Gegevens over het project: Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST

Datum:

2026-03-06

Kenmerk Buro SRO:

SR240397

Contactpersoon Buro SRO:

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Houweling Architecten

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

't Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.burosro.nl

pagina 2 van 19

Inhoudsopgave 1 Algemene bepalingen.......................................................................................................................... 5 Artikel 1 Voorrangsbepalingen................................................................................................................................................ 5 Artikel 2 Algemene bepalingen............................................................................................................................................... 6

2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving............................................................................................10 Artikel 3 Gebieden..................................................................................................................................................................10

3 Activiteiten...........................................................................................................................................12 Artikel 4 Algemene bepalingen............................................................................................................................................. 12 Artikel 5 Gebruiksactiviteiten................................................................................................................................................ 12 Artikel 6 Bouwactiviteiten..................................................................................................................................................... 14

4 Overgangsrecht...................................................................................................................................18 Artikel 7 Overgangsrecht....................................................................................................................................................... 18

pagina 3 van 19

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Molenweg 59 Berkel en Rodenrijs en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) van het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimteliikeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22c.' gelezen worden.

pagina 4 van 19

1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Voorrangsbepalingen 1.1 Toepassingsbereik 1.1.1 De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in artikellid 1.1.3.

1.1.2 a.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in hoofdstuk 22c.

b.

Onder de regels in hoofdstuk 22c, als bedoeld onder a, worden de regels van het omgevingsplan 'TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22c Berkel en Rodenrijs, Molenweg 59' met identificatienummer NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST van de Gemeente Lansingerland verstaan.

1.1.3 De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Berkel en Rodenrijs,

Molenweg 59, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in

het GML-

bestand NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST zoals vastgelegd op https://www.ruimteliikeplannen.nl.

1.2 Voorrangsbepaling 1.2.1 De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels in het bestemmingsplan "Molenweg e.o." waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand "NL.IMRO.1621.BP0098-VAST" die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet. 1.2.2 De regels in dit hoofdstuk gaan ook voor op de regels in: a.

Artikel 22.29, eerste lid, onder b van het omgevingsplan.

pagina 5 van 19

Artikel 2 Algemene bepalingen 2.1 Begripsbepalingen Voor dit omgevingsplan gelden ook de begripsbepalingen uit bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Omgevingsbesluit en bijlage I van de Omgevingsregeling. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit deel de volgende begripsbepalingen:

2.1.1 plan: het

omgevingsplan

'TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk

22c

Berkel

en

Rodenrijs,

Molenweg

59' met

identificatienummer NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST van de Gemeente Lansingerland.

2.1.2 omgevingsplan: het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland.

2.1.3 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Een internetwinkel of webwinkel wordt alleen als detailhandel aangemerkt als de mogelijkheid bestaat ter plaatse producten te bekijken en/of af te halen.

2.1.4 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbiedt.

2.1.5 perceel: een aaneengesloten stuk grond met een bepaald doel of eigendom.

2.1.6 perceelsgrens: de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door éénzelfde gebruiker worden benut.

2.1.7 permanente bewoning: het gebruiken van een onderkomen als hoofdverblijf.

pagina 6 van 19

2.1.8 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden en waaronder in elk geval wordt verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.1.9 voorgevel: de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

2.1.10 voorgevelrooilijn: de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen en het verlengde daarvan.

2.1.11 vrijstaande woning: een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere woning.

2.1.12 waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten

behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging,

hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, et cetera.

2.2 Meet- en rekenbepalingen De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit deel in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.10.

2.2.1 afstand: afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2.2 bebouwde oppervlakte: an een (bouw)perceel, een bouwvlak of ander terrein, buitenwerks en neerwaarts geprojecteerd, als het totaal van de (grond)oppervlakten van alle op het terrein gelegen gebouwen en andere bouwwerken. Hierbij worden balkons en dakoverstekken buiten beschouwing gelaten, mits deze zich minimaal 2,5 m boven maaiveld bevinden.

pagina 7 van 19

2.2.3 bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.2.4 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren (op 1 m boven peil). Wanneer de gevels niet evenwijdig lopen of verspringen wordt het gemiddelde genomen van de kleinste en grootste maat.

2.2.5 dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2.6 goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.2.7 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.2.8 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Hierbij worden balkons en dakoverstekken buiten beschouwing gelaten, mits deze zich minimaal 2,5 m boven maaiveld bevinden.

2.2.9 peil: a.

voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst of op ten hoogste 1 m afstand van die weg ligt: de hoogte van de weg;

b.

voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst of op meer dan 1 m afstand van die weg ligt: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=298f98b5-af2c-4523-bbeb-e15e71684587